Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog - Deel 6 – Juli '42 – mei '43 (1e band)

Alle delen:

1234-14-25-15-26-16-27-17-28-18-29-19-210a-110a-210b-110b-211a-111a-211b-111b-211c12-112-21314-114-2reg

Inhoud

XC

XCProtesten Naar een nieuw systeem Nederlandse Spoorwegen vlucht en onderduik Uitzonderingen? 10 24 38 43 52 Hoofdstuk 2 Waar blijft het Tweede Front? 58

XCDe fletsenvordering De vijf gijzelaars van Rotterdam De landing bij Dieppe en haar gevolgen 60 66 81 Hoofdstuk 3 De illegaliteit I 9 2

XCEerste falsificatie- en verzorgingsgroepen Illegale pers Spionagegroepen / Verbindingen met Londen Sabotage CPN DeOD Nationaal Comité Het Spiel tegen Vorrink Terugblik 94 130 14 1 163 167 181 195 2°5 223 Hoofdstuk 4 ]odendeportaties, tweede fase

226

XCDe Joodse werkkampen leeggehaald

233 373

INHOUD

Rol van de politie 240 Inde val 252 De Joodse Raad 259 De 'stempels' en'lijsten' 266 Candidaten voor emigratie 274 Bestemd voor Theresienstadt 282 De gemengd-gehuwden 290 'Rüstungs-]uden' 294 'Diamant-juden' I het '120 000 stempel' 298 'Christen-jaden' 301 De Calmeyer-gevallen 305 Terugblik 316 Nieuwe ophaalacties 318 Hetjudendurchgangslager Vught 330 Het leeghalen der woningen 335 Hulp aan joden 339 De 'Jodenjagers' 360 Naar de derde fase 368 Hoofdstuk 5 - De 'foute' sector

XCMussertOrganisatie der NSBFinanciënLedenDe geheime dienst der NSB I DenunciatiesDeWADe SS'Foute' gezagsdragers 422 Duitse semi-militaire hulpdiensten'Oostfront-vrijwilligers''Oostinzet' 449 Departement van Volksvoorlichting en Kunsten I KultuurkamerNederlands ArbeidsfrontNederlandse LandstandWinterhulp / VolksdienstNederlandse ArbeidsdienstSlot

374 378 38o 382 393 403 407 435 439 465 478 48 I 489 497 511

INHOUD

Tweede helft Hoofdstuk 6 - Ommekeer 515 Hoofdstuk 7 - December' 4 2Februari '43 544

XCEen regering-Mussert? Troostprijs De sector van het hoger onderwijs Studenten naar Duitsland? Prinses Margriet Stalingrad Seyffardt geliquideerd / De razzia's op jongeren Gevolgen 545 559 57 1 594 602 6 0 4 612 623 Hoofdstuk 8 'In naam van het recht'

XC'Normale'rechtspraak: Schrieke Vrederechtspraak: HogeRaad Protesten tegen Ommen Hoofdstuk 9 - Toenemend verzet

XCDe artsen-demonstratie De aanslag op het Amsterdamse bevolkingsregister De strijd om de loyaliteitsverklaring der studenten Bombardementen / Schaarste Evacuatie en afbraak: Arbeidsinzet 7°0 712762779

737 765

INHOUD

Hoofdstuk 10 De April-Meistakingen 799

XCVrijdag 30 april 806 Nederlandse Spoorwegen 818 Zaterdag I mei 828 Zondag 2 mei 830 De stakingen verlopen 837 Effect 844 Bijlage - Datumlijst van de belangrijkste gebeurtenissen 863 Lijst van illustraties 869 Lijst van kaarten 871 Lijst van afkortingen, gebruikt in de voetnotenRegister 875

872

ISBN90 247 1742

Hoofdstuk 1: ]odendeportaties, eerste fase

XC

XCHet Duitse besluit stond vast: de Volljuden zouden uit Nederland gedeporteerd worden. 'Zij zullen even arm daarheen terugkeren vanwaar ze gekomen zijn' - die woorden van Generalkommissar Schmidt stonden op maandag 29 juni 1942 in de avondbladen te lezen. Seyss-Inquarts naaste politieke medewerker had van geen enkele uitzondering gerept: allen, zo nam men aan, zouden dus verdwijnen, Duitse Joden èn Nederlandse, gemengd-gehuwden en zij die een Joodse huwelijkspartner hadden, 'Hoogduitse' Joden en Portugese, ja óók de Joden die tot het Christendom overgegaan waren. In Amsterdam deed toen al sinds zaterdag in Joodse kring het bericht de ronde dat Joden in gezinsverband opgeroepen zouden worden voor werkkampen in Duitsland - dat was vrijdagavond door SS-Haupt sturmführer Aus der Fünten, de dagelijkse leider van de Zentralstelle für jüdische Auswanderung, aan de leiding van de Joodse Raad meegedeeld, maar Aus der Fünten had gezegd, 'dat zeer vele Joden in Nederland zouden overblijven'." Hoe vielen Schmidts woorden daarmee te rijmen?

XCOp zaterdag en zondag was in de Joodse gezinnen in de hoofdstad al een diepe ontsteltenis ontstaan, maar na Schmidts uitlating werd de gemoedstoestand door de twee voorzitters van de Joodse Raad, Cohen en Asscher, nog met een geheel ander woord weergegeven: 'paniek'! Die term gebruikten zij toen zij Aus der Fünten dinsdagochtend om opheldering vroegen. Aus der Fünten had inmiddels vernomen dat de Joodse Raad op zaterdagmiddag in een extra-vergadering besloten had, zijn arbeid ook in het kader van de aangekondigde deportaties voort te zetten: zijn organen zouden de voor deportatie op te roepen Joden behulpzaam zijn bij het invullen van registratiefarmulieren waarop dezen al hun bezittingen moesten specificeren - de leider van de Zentralstelle besefte dat zijn eerste taak was, de 'paniek' te bezweren. Wat Schmidt gezegd had (dat het de bedoeling was, alle Joden te deporteren), dementeerde hij niet, integendeel: hij bevestigde het, maar (en dat leek Cohen en Asscher het belangrijkste) hij deed blijken dat die deportaties geruime tijd in beslag zouden nemen. Hij eiste namelijk dat de

XC1 D. Cohen: 'Onderhoud met de heer Hauptsturmfuhrer Aus der Fünten ... op 26 juni 1942' aR, voorzitters: map 'Besprekingen met Duitse autoriteiten').

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

Joodse Raad per dag de registratieformulieren van zeshonderd Joden gereed zou maken (de Joodse Raad had driehonderdvijftig à driehonderdvijf-en-zeventig aangeboden) - zeshonderd per dag, ca. vierduizend per week; dat betekende dat de deportatie van de omstreeks honderdveertigduizend Volljuden negen maanden in beslag zou nemen. Zou de Duitsers daar voldoende tijd voor gelaten worden? Cohen en Asscher meenden van niet. Nog maar ruim twee weken tevoren had de Londense radio in een officieel communiqué bekendgemaakt dat er tussen de regeringen van Engeland, de Verenigde Staten en de Sowjet-Unie 'volledige overeenstemming' bestond 'met betrekking tot de dringende taak om in 1942 een Tweede Front in Europa te doen ontstaan.' Mèt nagenoeg alle andere Nederlanders hadden Cohen en Asscher die bewoordingen opgevat als een stellige aankondiging dat de Engelsen en Amerikanen nog in '42 in West-Europa zouden landen, en dan natuurlijk vóór de periode van de herfststormen. De Duitsers, zo verwachtten zij, zouden dus hoogstens een klein, misschien maar een zeer klein deel van de Joden kunnen deporteren. Welk deel? Beter misschien: welk deel niet? Aus der Fünten verklaarde dat 'vermoedelijk' veertig jaar als leeftijdsgrens zou gelden, dat de diamantbewerkers, 'wanneer ze althans niet te lang uit de arbeid zijn', van deportatie vrijgesteld zouden worden en, zei hij, 'ook alle medewerkers van de Joodse Raadzullen worden vrijgesteld, daar ze Arbeitseinsatz verrichten in Nederland." Met hen die naar Duitsland zouden moeten vertrekken, zou bovendien, aldus nog een toezegging van Aus der Fünten, briefverkeer mogelijk zijn.

XCCohen en Asscher haastten zich, die mededelingen aan de Joodse Raad over te brengen. Alwie er in de bureaus van de raad van hoorde, werd gemachtigd, ze aan buitenstaanders door te geven, maar hij moest dan zwijgen over de uitzonderingspositie waarin 'alle medewerkers' van de raad, en natuurlijk ook zijn beide voorzitters en zijn leden, kwamen te verkeren en hij diende te onderstrepen dat de verantwoordelijkheid voor de deportaties niet bij de raad zou liggen, maar bij de Duitse autoriteiten: van hen, niet van de Joodse Raad, zouden de bevelen tot deportatie uitgaan.

XCDie bevelen kregen het karakter van een gedrukt formulier, afkomstig van de Zentralstelle met als adres: Adama van Scheltemaplein I, Amsterdam. De Zentralstelle was daar gevestigd in het gebouw van de gemeentelijke hbs voor meisjes, een instelling voor voortgezet onderwijs. Wie dat formulier uitgereikt zou krijgen (de namen en adressen zouden geschreven of getypt ingevuld worden), zoulezen dat hij of zij zich 'voor eventuele deelname aan een, onder politietoezicht staande, werkverruiming in Duitsland voor

XC1 A.v., '30 juni 1942, des ochtends om tien uur' (a.v.).

HET DEPORTATIEBEVEL JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

persoonsonderzoek en geneeskundige keuring' begeven moest naar het doorgangskamp Westerbork, station Hooghalen.' Hij of zij diende daartoe op een bepaalde datum en op een bepaald uur aanwezig te zijn op een verzamelplaats in Amsterdam (die eveneens apart ingevuld zou worden). Een 'reisvergunning' (Joden moesten voor elke reis een aparte vergunning hebben) en een 'vervoerbiljet' vormden een onderdeel van het deportatiebevel. Het bevel gaf ook nauwkeurig aan, wat men als reisbagage mocht meenemen; die bagage moest in tweeën gedeeld worden: 'noodzakelijke reisbehoeften' moest men bij de hand houden, maar de 'grote bagage', bijvoorbeeld beddegoed en 'werklaarzen' , moest men in een koffer of rugzak doen, 'welke op duidelijke wijze voorzien moet zijn van naam, voornamen, geboortedatum en het woord 'Holland'.' Kennelijk zou men die 'grote bagage' pas weer uitgereikt krijgen na aankomst in het werkkamp, niet in Westerbork. Voor de reis naar Westerbork en voor de ('eventuele') verdere reis moest men tenslotte 'marsproviand voor drie dagen' meenemen. Zo gaf het gehele deportatiebevel de indruk dat het inderdaad in het voornemen van de Duitsers lag, de betrokkenen naar werkkampen over te brengen. In de herfst van '4I had de leiding van de Joodse Raad in alle steden en overige plaatsen waar aanmerkelijke aantallen Joden woonden, vertegenwoordigingen benoemd: vertegenwoordigers in kleine plaatsen en in de steden hoofdvertegenwoordigers die door een commissie bijgestaan werden. Die hoofdvertegenwoordigers werden door de leiding van de Joodse Raad in Amsterdam in vergadering bijeengeroepen. Wij nemen aan dat die vergadering op woensdagochtend I juli gehouden werd - in Rotterdam vond althans op de middag van die dag een bijeenkomst plaats waar de hoofdvertegenwoordiger in Rotterdam, dr. H. Cohen (geen familielid van prof Cohen), aan zijn commissie de mededelingen overbracht die hem in Amsterdam gedaan waren: in eerste instantie zouden alleen zij die jonger waren dan veertig jaar, moeten vertrekken, medewerkers van de Joodse Raad zouden in Nederland mogen blijven, de Joodse Raad zou de opgeroepenen helpen bij het invullen van de registratieformulieren. Er werd aan dr. Cohen een groot aantal vragen gesteld: warmeer zouden de eersten moeten vertrekken? hoeveel zouden dat zijn? was van die werkkampen in Duitsland iets naders bekend? 'Een geest van gelatenheid' overheerste in de bijeenkomst - tot het een van de aanwezigen, mr. M. J. Pool, te machtig werd. 'Wordt het', barstte hij los, . 'niet tijd (ik zou ook kunnen zeggen: het is eigenlijknagenoeg, zo niet helemaal, te laat) om eindelijkeenséén keer het woord neen tegenoverde bezettingte laten horen? .... Het gaat er nu niet meer om, te overwegen hoe we deze nieuwe

plannen zullen verzachten en de uitvoering rekken. Hier past alleen maar een antwoord dat de bezetting duidelijk maakt dat dit de druppel is die de beker doet overlopen ... Moeilijk kan van ons verwacht worden dat wij zullen blijven helpen, een apparaat op te bouwen en te doen functioneren dat op niets anders is gericht dan onszelf ter slachtbank te leiden.'!

XCNiemand viel Pool bij.

XCDiezelfde woensdag, misschien al eerder, was het personeel van de Zentral stelle in Amsterdam begonnen met uit de kartotheek van de in Nederland woonachtige Joden die eind' 41 in opdracht van de Zentralstelle door medewerkers van de Joodse Raad opgebouwd was", de kaarten te lichten van diegenen aan wie de eerste deportatiebevelen uitgereikt zouden worden." Men beperkte zich daarbij tot Amsterdam. Eichmanns bureau IV B 4 had uit Berlijn de instructie gezonden dat van IS juli af regelmatig treinen om Joden naar Auschwitz te transporteren, van Westerbork moesten vertrekken, n1. van het stationnetje Hooghalen (er bestond nog geen aftakking naar het kamp Westerbork) - in eerste instantie wenste Berlijn dat vierduizend Joden Nederland zouden verlaten. De opzet was dat de betrokkenen thuis een oproep zouden ontvangen om zich bij de Zentralstelle te melden; daar zou men hun dan tegelijk het deportatiebevel uitreiken en de registratieformulieren waarop zij hun bezittingen moesten specificeren; die formulieren moesten vervolgens met hulp van de bureaus van de Joodse Raad ingevuld worden en weer ingeleverd bij de Zentralstelle; in de eerste deportatiebevelen zou het Centraal Station als 'verzamelplaats' aangegeven worden. Vandaar zouden in de nacht van 14 op IS juli de eerste twee treinen (treinen van de Nederlandse Spoorwegen) naar Westerbork vertrekken en ter aansluiting op die treinen zou de Amsterdamse gemeentetram uit de wijken waar de meeste opgeroepenen woonden, extra-trams laten lopen, ook al weer in de nacht. Beide treinen zouden opnieuw naar Westerbork vertrekken in de nacht van IS op 16, daarna in die van 18 op 19 juli. Drie transporten dus zes treinen; zij zouden tezamen vierduizendtweehonderd personen kunnen vervoeren. IV B 4-Berlijn had om vierduizend gevraagd.

XCVoor die eerste drie transporten koos de Zentralstelle hoofdzakelijk DuitseBrief, 3 julivan M. J. Pool aan H. Cohen (Doe I-I339In die kartotheek waren de gegevens verwerkt die voorkwamen op de persoonsformulieren die deJoden injanuari'I krachtens een Duitse verordening ingevuld hadden; die formulieren waren geconcentreerd bij de rijksinspectievan de bevolkingsregisters in Den Haag.Die kaarten werden na het vertrek van de betrokkenen weer in de kartotheek opgenomen met de letterer op. Vermoedelijk was dat de aanduiding voor

1 1942, A, a-r). 2 4 3 A

EERSTE 'OPROEPEN'

Joden uit - het kan zijn dat zulks samenhing met Hiders wens, in ons vorige deel vermeld, dat de Duitse Joden als eersten gedeporteerd zouden worden. De Zentralstelle nam daarbij de leeftijdsgrens van veertig jaar in acht, maar aan de toezegging dat het gezinsverband gehandhaafd zou blijven, hield zij zich niet: zij lichtte de kaarten van een aantal jongeren van vijftien tot achttien jaar die zonder hun ouders zouden moeten vertrekken. Van de namen en adressen der geselecteerden werden lijsten opgesteld. Die lijsten gingen mèt de nodige exemplaren van de oproepen, zich bij de Zentralstelle te melden, en van de deportatiebevelen via de Expositur (het verbindingsbureau tussen de Zentralstelle en de Joodse Raad dat door dr. Edwin Sluzker geleid werd) naar het hoofdbureau van de Joodse Raad toe. Daar kreeg men de gelegenheid, na te gaan of zich onder de geselecteerden medewerkers van de raad bevonden - die mocht men, nadat er via de Expositur verlof toe verleend was, van de lijsten schrappen. Van de overigen werden door typistes van de Joodse Raad de namen en adressen op de voor hen bestemde stukken getypt, vervolgens werd al het materiaal weer naar de Zentralstelle terug vervoerd en daar gingen op zaterdag 4 juli de eerste duizend oproepen, zich bij de Zentralstelle te melden, de deur uit; zij werden aangetekend verzonden en op zondagmorgen 5 juli door de Nederlandse posterijen rondgebracht.

XCHet sprak vanzelf dat elke oproep in het betrokken gezin en in een wijde kring daaromheen als een verpletterende slag aankwam. Aan de in Amsterdam woonachtige Duitse Joden werd daarbij spoedig duidelijk dat de meeste oproepen tot leden van hun groep gericht waren. Dat was een bevestiging van de toch al bij hen gewekte indruk dat de uitsluitend uit Nederlandse Joden bestaande Joodse Raad de neiging had, met de belangen van de Duitse Joden geen rekening te houden: was het soms de bedoeling van de Joodse Raad, alle Duitse Joden voor de wolven te gooien om de Nederlandse te redden? Cohen en Asscher werden met felle verwijten overstelpt. Zij vingen ze op door goed te vinden dat een Duitse emigrant, de bijna zeventigjarige prof. dr. Max Brahn, namens aile niet-Nederlandse Joden de vergaderingen van de Joodse Raad, zonder stemrecht overigens, zou bijwonen - 'dit niet aileen opdat hij', zei Asscher op 9 juli in de eerste vergadering waar Brahn aanwezig was, 'geheel op de hoogte zal kunnen zijn, maar ook daar de JoodseRaad wil tonen, de kop in te willen drukken aan animositeiten die bij enkelen in hun nervositeit te voorschijn komen. '(Applaus)!

1 JR: Notulen, 9 juli 1942, p. I. Brahn vormde een die eerst uit tien, later uit twintig leden bestond, onder wie ook twee vertegenwoordigers van de Poolse en de Russische Joden. Invloed op het beleid van de Joodse Raad kreeg die niet.

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

XCDie nervositeit was maar al te begrijpelijk, vooral bij diegenen die de oproep, zich bij de Zentralstelle te melden, ontvangen hadden. Wat moesten zij doen? Aan de oproep gevolg geven of hem negéren? Aansporingen in de richting van dat laatste gingen van de Joodse Raad niet uit, maar zoveel te meer van anderen. Misschien, zei men, zou het beloofde Tweede Front volgende week of volgende maand al een feit zijnl Konden de opgeroepenen zich dan niet beter een korte tijd schuil houden? Maar waar en bij wie? En welke risico's zouden daaruit voortvloeien? Joden moesten 's avonds na acht uur elk in hun eigen woning aanwezig zijn. Wat moest men doen met het persoonsbewijs waarin zich een duidelijke zwarte J bevond? Wat met de Jodenster die men buitenshuis steeds moest dragen? Ouderen die opgeroepen waren, worstelden met die vragen - jongeren vaak niet minder. Op JO juli vond in het Joods Lyceum te Amsterdam de jaarlijkse promotieplechtigheid plaats. Na de uitreiking van de diploma's kreeg, aldus Presser (die als geschiedenisleraar aanwezig was),

XC'een meisje uit de hoogste klas, dat pas een uitstekend eindexamen had afgelegd, verlof ... , de dames en heren leraren om raad te vragen. Zij en haar zusje, ook op die school, hadden de oproep ontvangen, een paar dagen later naar Duitsland te gaan.' Welnu: wat moesten ze doen? Daar stond dat meisje, zeventien jaar, met haar einddiploma vol achten en negens, helemaal alleen, onbeschermd, maar rechtop voor de groene tafel waarachter haar leraren zaten ... 'Dames en heren, zegt u ons toch asjeblieft wat we doen moeten.' Een enkele onzer' reageerde onmiddellijk: 'Niet gaanl' Een ander stemde er mee in, nog een, nog een. De anderen zwegen, weer iemand boog het hoofd. Niemand kon ze werkelijk helpen."

XCVelen waren er die zich, ongeacht de lastgevingen van de Zentralstelle en de bemoeienissen van de Joodse Raad, op het standpunt stelden dat zij uit zichzelf geen stap zouden zetten om hun deportatie te vergemakkelijken. Reeds enkele dagen na de verzending van de eerste duizend oproepen (die eerste duizend werden spoedig door ruim drieduizend andere gevolgd), was het aan Aus der Fünten en zijn directe chef Lages duidelijk dat hun systeem dreigde spaak te lopen: de aangetekende oproepen, zich bij de Zentrolstelle te melden, waren de deur uitgegaan en velen reageerden daar niet op. De eerste maatregel welke de Zentralstelle daarop nam, was, de oproepen niet langer via de posterijen te verzenden maar ze, ter intimidatie, te laten afgeven door agenten van de Amsterdamse gemeentepolitie. DatZij hadden zich dus bij degemeld waar men hun het deportatiebevel uitgereikt had.Presser(RvO) J. Presser:p.

1 a zelf a (1965), dl. I, 255.

DE RAZZIA VAN 14 JULI

geschiedde voor het eerst in de middag van zondag 12 juli. Allen aan wie die oproepen uitgereikt werden, moesten zich de volgende dag, maandag 13 juli, bij de Zentralstelle vervoegen. En wéér bleven velen weg. Dus werd (wij vermoeden: na overleg met het Reichsleontmissariatï besloten, reeds de volgende dag, dinsdag 14 juli, op dat weerbarstige Amsterdamse Jodendom de krachtigst mogelijke vorm van pressie toe te passen: een razzia die verbonden zou worden met de aankondiging dat diegenen die men zou arresteren, naar het beruchte vernietigingskamp Mauthausen overgebracht zouden worden indien allen die tot dusver bij de Zentralstelle weggebleven waren, zich niet alsnog zouden melden om er hun deportatiebevel in ontvangst te nemen; vertrouwd werd dat razzia en dreigement tevens zouden waarborgen dat met de eerste treinen die in de nacht van dinsdag 14 op woensdag IS juli het Centraal Station zouden verlaten, inderdaad ongeveer veertienhonderd Joden naar Westerbork zouden vertrekken.

XCHet in Amsterdam gelegerde bataljon van de Ordnungspolizei werd gealarmeerd. Omacht uur 's morgens werd de razzia ingezet: in de Jodenhoek en in delen van Amsterdam-zuid. Overvalwagens kwamen er aanrijden, de mannen in hun groen uniform sprongen er uit, zetten straten af en dreven de Joden die er woonden of die er toevallig liepen, bijeen. 'Jonge kerels', aldus Vrij Nederland, 'vluchtten in doodsangst over de daken ... Mannen werden van hun vrouwen gescheiden, kinderen van hun moeders. '1 Volgens Het Parool werden in de Jodenhoek enkele Grünen door Joden die zich verzetten, in het water gesmeten, maar 'ookjoden, vooral vrouwen en meisjes, sprongen in paniek ofbij pogingen om tussen de Duitse cordons uit te komen, in de grachten, waarbij burgers die deze drenkelingen wilden redden, zich door de Duitse politie verschillende malen met de vuurwapenen zagen bedreigd. Op andere plaatsen weigerden de Joden zich vrijwillig naar buiten te begeven en lieten zij zich letterlijk uit de huizen sleuren."

XCZeven Joden raakten die ochtend ernstig gewond. De overigen moesten zich in stoeten opstellen. De stoet uit de Jodenhoek trok eerst onder zware bewaking naar het Koloniaal Instituut in Amsterdam-cost" waarin de Ord nungspolizei gelegerd was, vervolgens vandaar naar de Zentralstelle; de stoeten uit zuid werden rechtstreeks daarheen gevoerd. Dr. J. Hemelrijk, ex-conrector van het Gymnasium te Alkmaar, nadien leraar aan het Joods Lyceum te Amsterdam totdat hij na lange tweestrijd geweigerd had, de Jodenster te dragen, zag een van die stoeten:julip.julip.ThansKoninklijk Instituut voor de Tropen.

1 II, I7 (23 I942), I. a 4I (25 I942), 3. a het

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

XC'Over de brug kwamen ze aan, mij tegemoet, onzeker lopend, als waren ze licht beschonken; een groep mensen, zomaar bijeen geraapt van straat en huis. Nette landverhuizers zonder bagage. Nog begreep ik niet wat voor gruweldaad daar werd bedreven. Ze kwamen dichterbij en plotseling zag ik een bekend gezicht: vooraan liep mijn collega van het Joods lyceum, dr. Presser, en aan zijn armen liepen, als door een duizeling bevangen, twee vrouwen. Nauwelijks herkende hij mij, terwijl ik argeloos op hem toe wilde stappen, of driftig wenkte hij mij met zijn duim terzijde om me te waarschuwen (want ik liep zonder ster) en zijn blik duidde fel naar achteren. Ik. hield mijn pas en adem in en zag de bleek-vertrokken en verstarde gezichten van meisjes, vrouwen en ook mannen.

XCPlotseling sloeg de werkelijkheid me met verbijstering en woede, toen ik naast de ontstelde mensengroep en ook er achter de cynische tronies zag van enkele als heer verklede dienders. Het was me alsof een wilde schreeuw zich wou losscheuren uit mijn keel, toen ik stilstaande het menselijk offervee voorbij liet gaan. Daarna, als uit een verdoving ontwakend, zag ik van alle kanten zulke groepen mensen aankomen, voortgedreven op eendere manier naar de Euterpestraat, naar het ommuurde plein van het schoolgebouw. Magnetisch werd ik meegetrokken en keek door een spleet van de zijpoort. Daar zag ik een ontroerend mooi meisje van ongeveer 16 jaar, dat handenwringend in haar wanhoop rechtop en naar me toegekeerd juist midden op het plein stond, haar betraande ogen in een van smart verwrongen gezicht doelloos omhoog en in de verte richtend te midden van een onbeschrijfelijke ellende om haar heen. Toen ik me tandeknarsend omdraaide, keek ik in de Hitsende ogen van een bejaard dametje, dat zei, alsof ze bijtend gif wou spugen: 'Wat een gespuis, meneer!"l

XCVan de bijeengedreven Joden werd in de Zentralstelle nagegaan of ieder wel de Jodenster droeg en of die ster stevig vastgenaaid zat. Enkele tientallen bij wie dat niet het geval bleek te zijn, werden apart gezet om als strafgevallen naar het concentratiekamp Amersfoort gevoerd te worden. Hetzelfde gebeurde met enkele niet-Joden die tegen het barbaarse optreden van de Ordnungspolizei geprotesteerd hadden en die aan de stoeten der slachtoffers toegevoegd waren. In totaal kreeg de Ordnungspolizei bijna driehonderd Joodse mannen en ruim tweehonderdveertig Joodse vrouwen in handen. Zij werden die dinsdag overdag op de binnenplaats van het gebouw van de Zentralstelle vastgehouden; de vrouwen werden in het midden opgesteld, de mannen moesten er urenlang omheen marcheren. 'Uit de ramen', aldus Presser, 'hingen vrouwelijke employé's van de Duitsers, maakten kiekjes voor de Heimat en amuseerden zich blijkens hun geschreeuwen gelach kostelijk.PJ. Hemelrijk:p.J. Presser:dl.p.

1 II-I2. 2 257.

DE RAZZIA VAN JULI

XCIn het begin van de middag werden Cohen en Asscher naar de Zentralstelle geroepen. Zij betoogden er dat men in elk geval allen die staflid van de Joodse Raad waren, diende los te laten. Het waren er ruim dertig. Zij herkregen meteen hun vrijheid. Van de voorzitters van de Joodse Raad werd vervolgens geëist dat zij het bericht van de razzia en het er aan vastgekoppelde dreigement aan de gehele Joodse bevolking van Amsterdam zouden doorgeven. Cohen en Asscher verklaarden zich daartoe bereid. De tekst voor een 'extra-editie' van Het Joodse Weekblad werd opgesteld waarin zij zouden bekendmaken:

XC'De Sicherheitspolizei deelt ons het volgende mede: Ongeveer zevenhonderd Joden zijn heden te Amsterdam gearresteerd. Als deze week niet de vierduizend daartoe aangewezenjoden naar de werkkampen in Duitsland vertrekken, zullen de zevenhonderd arrestanten naar een concentratiekamp in Duitsland worden overgebracht'

XCaan welk concentratiekamp daarbij werd gedacht (Mauthausen), werd bekend verondersteld en de Zentralstelle had er geen bezwaar tegen gehad, het aantal der opgepakten iets te hoog aan te geven.

XCVan de Zentralstelle begaven Cohen en Asscher zich naar het hoofdbureau van de Joodse Raad. De raad werd er in spoedvergadering bijeengeroepen. 'Ons is', aldus, volgens de notulen, Cohen en Asscher, 'in het belang van de gearresteerde gijzelaars dringend verzocht, onze medewerking te verlenen om de aangewezenen voor Duitsland over te halen, inderdaad te vertrekken. De voorzitters menen voorts, dat een beroep moet worden gedaan op de aanwezige leden, zoveel als in hun macht is, de gemoederen te trachten te kalmeren.'

XCHoe kon de Joodse Raad die 'medewerking verlenen'? Hierover vond een 'uitvoerige bespreking' plaats waarvan de slotsom was dat bij de vierduizend die naar Westerbork moesten vertrekken, nog diezelfde dag door boodschappers van de Joodse Raad een circulaire rondgebracht zou worden waarin 'de voorzitters van de Joodse Raad' de tekst van de bekendmaking in Het Joodse Weekblad zouden herhalen maar er ook nog één (door Cohen geformuleerde) passage aan zouden toevoegen: 'Wij voelen ons verplicht, u te wijzen op de ernst dezer waarschuwing. Overweegt haar goed. Zij betreft het lot van zevenhonderd uwer mede-joden.v De lezer ziet: er werd hierin niet expliciet op aangedrongen dat de vierduizend zich naar het Centraal Station zouden begeven - impliciet natuurlijk wèl.

XC1]R: Notulen, ra juli 1942, p. 1.

]ODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

XCIn de gezinnen waar men de extra-editie van Het Joodse Weekblad en de circulaire van de Joodse Raad ontvangen had, vonden vaak vertwijfelde discussies plaats, speciaal ook in de gezinnen van jongeren die zonder hWI ouders zouden moeten vertrekken. Verscheidenen van die jongeren hadden vernomen dat, als zij niet kwamen opdagen, hun ouders naar Mauthausen gezonden zouden worden. 'Ik: heb', aldus Hemelrijk, 'bij enkele meisjes aan huis de wanhopige besprekingen meegemaakt en ging geslagenweer weg, omdat ik geen uitkomst wist. 'Niet gaan!' was mijn dringende raad. 'En dan?' was de radeloze vraag van de radeloze ouders. De meesten gingen dan ook'!

XCgingen, na een hartverscheurend afscheid, het pikdonker in; gingen naar de tram of liepen, een rugzak op, een koffer in de hand, dwars door de verduist~rde stad naar het Centraal Station. En stapten in de gereedstaande trein.

XCIn de nacht van 14 op IS juli was in de twee treinen van de Nederlandse Spoorwegen plaats voor veertienhonderd personen. Veertienhonderd waren opgeroepen - negenhonderdtwee-en-zestig verschenen: van elke drie opgeroepenen had dus één het deportatiebevel naast zich neergelegd. In de nacht die volgde, die van IS op 16 juli, was het resultaat voor de Zentralstelle nog teleurstellender: van de veertienhonderd meldden zich nog geen zeshonderd bij het Centraal Station. Intussen hadden zich evenwel van diegenen die in de nacht van 18 op 19 juli moesten vertrekken, zovelen bij de Zentralstelle vervoegd om hun deportatiebevel in ontvangst te nemen, dat de ruim vijfhonderd slachtoffers van de razzia van 14 juli, de strafgevallen uitgezonderd, in de ochtend van de rode vrijgelaten werden, onder hen Presser en zijn jonge vrouw. De mannen hadden twee nachten moeten doorbrengen, liggend in de gangen van de Zentralstelle, de vrouwen in de kelder annex fietsenbergplaats. De Joodse Raad had hen van eten mogen voorzien.

Protesten

XC

XCOp de aankondiging der deportaties was door de illegale bladen met felheid gereageerd. 'Men bedenke', schreef Het Parool, 'wat te gebeuren staat. Ruim honderdduizend Nederlanders, aanvankelijk misschien alleen de mannen, maar daarna ook grijsaards,vrouwen en kinderen,J. Hemelrijk:p.

! I!.

ILLEGALE OPROEPEN

Nederlanders als wij allen ... , zullen aanstonds als vee worden weggevoerd om in een ontredderde omgeving te worden opgesloten in kampen waar geen menswaardig bestaan meer mogelijk is .... Hoon en schande zullen ons deel zijn als wij dit alles zouden toestaan.'!

XCDe Vonk riep tot staking op, De Oranjekrant (een illegaal blad dat sinds begin '42 door de journalist Johan H. Doom uitgegeven werd) betoogde dat men 'een volkomen chaos op administratief gebied' moest laten ontstaan: 'Steek de gemeentehuizen in brand, leg de bevolkingsregisters in de as !'2 Door de beeldhouwer Gerrit vim der Veen, die zich zo geweerd had in het kunstenaarsverzet, werd een 'Manifest bij de wederinvoering der slavernij' opgesteld dat o.m. in De Waarheid gepubliceerd werd. Daarin werd op de politie een beroep gedaan, gegeven opdrachten slechts in schijn uit te voeren: 'Weet dat van elke man, van elke vrouw, van elk kind, die gij aanbrengt, gij ook de moordenaar zoudt zijn! Spoorwegpersoneel, machinisten, bedenkt dat iedere trein die geladen met slaven door u vervoerd wordt, ter slachtbank gaat! f'S De socialistische leider Koos V orrink en de hoofdredacteur van Vrij Neder land H. M. van Randwijk stelden samen een illegaal pamflet op waarin zij meedeelden dat van de nacht van 14 op 15 juli af telkens twaalfhonderd Joden Amsterdam zouden moeten verlaten. 'Wij verwachten', schreven zij, 'dat secretarissen-generaal, burgemeesters, hogere ambtenaren hun ambt in de waagschaal zullen werpen en zullen weigeren om nog langer met de Duitse bezetting samen te werken.' V orrink en van Randwijk riepen voorts een ieder op, een brief te sturen aan de Wehrmachtbefehlshaber, generaal Christiansen, waarin aan deze verzocht werd, zijn 'invloed aan te wenden om de meedogenloze deportatiemaatregelen te voorkomen . . . Wij doen een beroep op u, in de naam van de gerechtigheid en de Christelijke naastenliefde, terwille van onze Joodse landgenoten, voor de toekomst van onze beide volken en van Europa.î+

XCDe protesten en oproepen tot hulpverlening werden herhaald na de razzia van 14 juli en het vertrek van de eerste deportatietreinen. 'Een levend deel van het Nederlandse volk is', schreef De Vonk,'uit ons midden weggescheurd, zoals men honden naar het asyl brengt om gegast te worden."De

1 40 (ra juli 1942), p. 1,4. 2 Ia (eindjuli 1942), p. 3. 3 SI (3 aug. 1942), p. I. 4 Pamflet: 'Landgenoten! De slag is gevallen!' (Collectie pamfletten, 308) Vorrink en van Randwijk meenden dat deze actie effect kon hebben, gezien 'het bekende feit dat er ten aanzien van de Jodenver volgingen geen eensgezindheid bestaat tussen en Nazipartij.' 3 (aug. 1942), p. 6). Dat zij met hun beroep bij Christiansen geheel aan het verkeerde adres waren, zal nog blijken. 5 Ia (aug. 1942), p. 1.

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

Waarheid riep zijn lezers op, de Joden aan onderduikadressen te helpen, maar achtte het overigens, 'behoudens in noodgevallen', onjuist indien men adressen die voor het herbergen van illegale werkers gebruikt werden, aan Joden ter beschikking stelde: 'onze Joodse landgenoten zijn het meest geholpen door de strijd die tegen onze en hunne vijanden wordt gevoerd.'!

XCAl in juli werd duidelijk dat deze en dergelijke oproepen, voorzover zij er op gericht waren, het apparaat van de Nederlandse overheid te beinvloeden, geen succes hadden. 'Wij willen er geen doekjes om winden', schreef Vorrink in Verzet, het illegale blad dat hij was gaan uitgeven nadat hij de redactie van Het Parool verlaten had:

XC'Tegenover de grootte van de verschrikkingen waarvan wij de stomme getuigen zijn, blijft ons volk beneden de maat. Hoe lang nog zullen Nederlandse ambtenaren . .. voortgaan met hand- en spandiensten te verlenen aan de beulen van ons volk? De heren secretarissen-generaal, vooraan de karakterloze individuen Frederiks en Hirschfeld, blijven op hun zetels zitten en geven aldus het minderwaardige voorbeeld aan de rest ... Bedrijfsdirecteuren, rijks- en gemeente-ambtenaren van allerlei slag, politie en justitie, spoor- en tramwegpersoneel, zij voeren de bevelen van de vijand uit, zij houden punctueel de administratie bij van ons vclksleven.l"

XC'De gemoedstoestand der Joden', aldus Slaet op den Trommele, 'is hartverscheurend. De Joodse stadsdelenzijn van geween en gekerm vervuld ... Maar de Nederlandse politie (thans door zijn superieuren wel ganselijk tot een groep gehuurde moordenaars gemaakt) verleende zijn medewerking tot deze gruwelen; en de hoge ambtenaren, de secretarissen-generaal voorop, staken de kop voor de zoveelste maal in het Haagse zand.>

XCEr lag, als steeds, aan dit spreken gemeenschappelijk beraad ten grondslag, gevoerd in het Convent der Kerken, dat zich sinds enige tijd als 'Interkerkelijk Overleg' aanduidde." Tot dit college dat in de zomer van' 40 door acht

XC1 De Waarheid (eind aug. 1942), p. 5. 2 Verzet, I, 3, p. 6. 3 Slaet op den Trommele, 21 (eind juli 1942), p. 1-2. Tot rue naamsverandering was besloten om met de indruk te wekken dat het college van overleg 'een bepaald georganiseerd lichaam (was) dat eventueel zou kunnen worden opgeheven' - opgeheven door de bezetter (H. C. Touw: Het verzet der Hervormde Kerk (1946), dl. I, p. 142). Na zulk een ingreep hadden de kerkgenootschappen natuurlijk hun overleg wel kunnen voortzetten maar aangezien dat overleg gericht was op het behoud van de normale kerkelijkevrijheden, wilden zij de schijn,illegaalwerkzaam te zijn, liever vermijden.

HET TELEGRAM DER KERKEN

protestantse kerkgenootschappen gevormd was! (een negende, de door ds. G. H. Kersten geleide Gereformeerde Gemeenten, was er in '41 slechts korte tijd in vertegenwoordigd geweest), was eind '41 ook de RoomsKatholieke kerk toegetreden. Nu was er in mei en juni '42 in dit Interkerkelijk Overleg overeenstemming over bereikt dat met het oog op de nieuwe, hoogst ernstige discriminerende maatregelen die de bezetter getroffen had (de invoering van de Jodenster, de voortgezette beroving der Joden, de beperking van hun bewegingsvrijheid) een nieuwadres tot de Reichskommissar gericht moest worden. Er werd hier al een concept voor opgesteld, o.m. door de vertegenwoordiger van het Episcopaat, mgr. F. A. H. van de Loo, en door een van de twee vertegenwoordigers van de Nederlandse Hervormde Kerk, prof dr. H. Kraemer, toen het door Schmidts toespraak en de nadere berichten uit Amsterdam duidelijk werd dat iets nog veel ernstigers te geschieden stond: de deportatie van alle Joden. Op 10 juli kwam het Interkerkelijk Overleg in Den Haag bijeen; van de Loo en Kraemer stelden er voor, het nieuwe adres even te laten rusten maar onmiddellijk een protesttelegram te richten tot Reiihskommissar Seyss-Inquart, tot de Generallcommis sare Schmidt en Rauter en tot generaal Christiansen. Er werd een tekst opgesteld waarmee ook de Gereformeerde Gemeenten zich konden verenigen, en het gevolg was dat reeds één dag later, II juli, namens tien Nederlandse kerkgenootschappen (het hoogste aanta! dat ooit een tot de bezetter gericht stuk ondertekend heeft) een telegram gezonden werd aan de genoemde Duitse autoriteiten, waarvan de tekst luidde:

XC'De ... Nederlandse Kerken, reeds diep geschokt door de maatregelen tegen de Joden in Nederland, waardoor zij uitgesloten worden van het deelnemen aan het normale volksleven, hebben met ontzetting kennis genomen van de nieuwe maatregelen, waardoor mannen, vrouwen, kinderen en gehele gezinnen zullen worden weggevoerd naar het Duitse rijksgebied en onderhorigheden. Het leed dat hiermede over duizenden gebracht wordt, de wetenschap dat deze maatregelen tegen het diepste zedelijk besef van het Nederlandse volk strijden, bovenal het indruisen van deze maatregelen tegen hetgeen ons van Godswege als eis van gerechtigheid en barmhartigheid gesteld wordt, nopen de Kerken tot u de dringende bede te richten, aan deze maatregelen geen uitvoering te geven. Voor de Christenen onder de Joden wordt ons deze dringende bede tot u bovendien nog ingegeven door de overweging, dat hun door deze maatregelen het deelnemen aan het kerkelijk leven wordt afgesneden."

XC1 De Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken, de Christelijke Gereformeerde Kerk, de Algemene Doopsgezinde Sociëteit, de Remonstrantse Broederschap, de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, de EvangelischLutherse Kerk, het Hersteld Evangelisch-Luthers Kerkgenootschap. 2 Tekst in Touw: Het verzet der Hervormde Kerk, dl. II, p. ror.

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

XCBij de verzending van dit telegram hadden de twee afgevaardigden der hervormden, prof. Kraemer en ds. H. J. Dijckmeester, waarnemend secretaris der Synode (de secretaris, ds. K. H. E. Gravemeyer, was begin mei in het kader van de eerste grote gijzelaarsactie gearresteerd), op eigen gezag gehandeld: zij hadden het kerkbestuur, de Algemene Synodale Commissie, niet geraadpleegd.

XCHet Interkerkelijk Overleg had op 10 juli nog méér besloten: op zondag 26 juli zou in alle kerken de tekst van het protesttelegram aan de Duitse autoriteiten voorgelezen worden en voorts zou op die zondag in alle diens~en een speciaal gebed uitgesproken worden waaraan een zoveel mogelijk gelijkluidende inleiding zou voorafgaan; in die inleiding zou de tekst van het telegram opgenomen worden.

XCHet telegram leidde binnen het Reichskommissariat tot snel beraad. Generaal Christiansen nam daar persoonlijk niet aan deel: hij had het telegram dat hem bereikt had, aan Seyss-Inquart doorgezonden met de aantekening: 'die Unterschriften' (d.w.z.: de ondertekenaars) 'aucl: gleich mit abführen.'l Een, onzinnige opmerking! Alsofhet niet Seyss-Inquarts opdracht was, openlijke strijd met de kerken uit de weg te gaan! De wenselijkheid daarvan was nog onderstreept door de gebeurtenissen die zich enkele maanden tevoren in bezet Noorwegen afgespeeld hadden: daar was de Lutherse bisschop van Oslo afgezet en als reactie daarop had de Lutherse kerk alle banden met de staat verbroken. Aan die Noorse kerkstrijd hadden Duitslands tegenstanders in hun propaganda veel aandacht besteed - een openlijk conflict met de Nederlandse kerken was het laatste wat Reichskommissar Seyss-Inquart en Generalleommissar Schmidt begeerden. Maar wat zouden de Nederlandse kerken op hun telegram laten volgen? Op IS juli zou het eerste deportatietransport Amsterdam verlaten en daarna zou het tot nieuwe transporten komen, maandenlang. Wat, als de kerken in het voetspoor van de illegale pers (de voornaamste artikelen werden door de Sicherheitsdienst in vertaling aan het Reichsleommissariat voorgelegd) de burgerlijke ongehoorzaamheid zouden gaan prediken of van de kansels af de gelovigen zouden oproepen, hun woningen open te stellen voor Joodse onderduikers ? Was dat alles te voorkomen? Inderdaad, Seyss-Inquart en Schmidt meenden dat de slotzin uit het telegram van het Interkerkelijk Overleg, die betrekking had op 'de Christenen onder de Joden', hun de gelegenheid bood, een zekere greep op de kerken te krijgen: werden de Christen-Joden voorlopig van deportatie uitgezonderd, dan zouden de kerken het gevoel hebben, iets positiefs bereikt te hebben, en Seyss-Inquart en Schmidt koesterden de hoop

XC1 BdS, WB 4: map 'Euangelischejuden',

DE BEZETTER BEPAALT ZIJN BELEID

dat zij dan feitelijk verzet van de zijde der kerken tegen de deportatie van de overige Joden konden tegengaan met het dreigement dat, als de kerken zich niet onmiddellijk intoomden, aan de uitzonderingspositie der ChristenJoden een einde zou worden gemaakt. Die uitzonderingspositie werd door hen als tijdelijk gezien. Het punt kwam op de eerstvolgende Chcfsitzung (vrijdag 17 juli) ter sprake. Seyss-Inquart, door Rauter onder druk gezet, gaf daar als zijn opvatting weer, 'dass nachdem alle anderen Juden abgeschoben sein werden, bei nächstbester Gelegenheit, die politisch passt, auch die letzten 'christ lichen' Juden nach dem Osten verpflanzt wetden sollien', Rauter, aldus SeyssInquart, moest zijn beleid niet verkeerd begrijpen: 'Wenn er, der Reichs Ieommissar ... durch dieses Entgegenleommen die christ lichen Kirchen aus Anlass der Evakuierung der niederiándischen Juden zum Schweigen brtngen könnte, wäre [ür ihn viel gewonnen', Niet anders dacht Schmidt er over. Deze gaf een dag later aan Rauter de verzekering dat; wat hem betrof, alle Christen-Joden 'letztlich auch abgeschoben uierden kölmen.'l Over dat alles zou uiteraard jegens de vertegenwoordigers van de kerken gezwegen worden.

XCOp de avond van de rade juli (de dag waarop in Amsterdam ruim vijfhonderd Joden bij een razzia gegrepen waren) was ds. Dijckmeester bij Schmidt geroepen. Hij kreeg namens de Reichskommissar te horen dat de ChristenJoden, voorzover zij vóór 1 januari 1941 gedoopt waren, van deportatie vrijgesteld zouden worden, en, deed Schmidt weten: 'aan verzachting der maatregelen voor gemengd-gehuwden werd nog gewerkt." Dat alles mocht Dijckmeester aan de besturen der kerkgenootschappen meedelen. Dijckmeester antwoordde, aldus Touw, 'dat de kerken voor deze toezegging erkentelijk waren, maar natuurlijk het standpunt handhaafden dat in hun telegram uitkwam."

XCOp 13 juli, daags voor de bespreking tussen ds. Dijckmeester en Schmidt, was prof. Kraemer in het kader van de tweede grote gijzelaarsactie gearresteerd. Gravemeyer gijzelaar, Kraemer nu ook, prof mr. P. Scholten (in de tweede helft van' 41 voorzitter van het Convent der Kerken) naar de

1 Notitie, 18 juli 1942, van Rauter Harster 185 b) ... 2 Mededeling, r yjuli 1942, van H.]. Dijckmeester aan de overige leden van Interkerkelijk Overleg, in Touw: dl. II, p. lar. 3 A.v., dl. I, p. 40r.

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

Veluwe verbannen! - en Gravemeyers secundus, dr. G. P. van Itterzon, zat nog steeds wegens zijn rol in het Schoolverzet in het concentratiekamp Amersfoort! In de Algemene Synode der Hervormde Kerk die volgens tevoren gemaakte afspraken op 15 juli geopend werd, ging zich beduchtheid aftekenen. Het Interkerkelijk Overleg wenste dat het algemene bezwaarschrift tegen de Jodenvervolging, ongeacht het telegram van II juli, in verdere voorbereiding genomen zou worden, maar de Synode 'voelde minder voor zulk een schriftelijk protest en wilde', aldus Touw, 'desnoods alleen een verzoek aan de bezettende macht richten'; wat de voorlezing in de kerken betrof waartoe het Interkerkelijk Overleg op 10 juli besloten had, was de Synode van opinie dat de inleiding (waarin de tekst van het protesttelegram opgenomen zou worden) kort gehouden moest worden en dat de 'hoofdzaak' diende te bestaan uit 'het gebed, in een toon van ootmoed en schuldbesef'i'' De formulering van dat gebed werd opgedragen aan de Groninger hoogleraar prof. dr. W. J. Aalders, aan ds. Dijckmeester en aan ds. R. Dijkstra.lnderdaad, de tekst die zij opstelden", voldeed aan de gestelde etsen:

XC'Hoog en heilig God, God van Abraham, Izaäk en Jacob, Vader van onze Here Jezus Christus, Wiens oordelen over de aarde gaan, wij werpen ons voor U ter neder in onze grote nood. Wij willen niet slechts klagen over zoveel leed als waardoor Uw mensenkinderen worden gewond. Wij willen ook niet enkel hen beklagen wie dit leed bijzonder zwaar drukt. Wij bidden U, of Gij ons wilt bewaren, opdat wij niet alleen anderen aanklagen, maar allereerst onszelven. Beweeg ons door Uw Heilige Geest zó, dat wij vóór alles en in alles klagen over onze zonden.

XCHet zijn onze zonden, die van ons land en volk, onze kerk en gemeente, onze gezinnen en personen, die Uwe oordelen naar recht over ons hebben gebracht. Wij hebben geleefd in zelfgenoegzaamheid en gerustheid, in overmoed en eigenwaan, in wereldse gezindheid en genietingen, in dubbelhartigheid en in dubbelzinnigheid van leven, ook in schijn van godsvrucht en deugdzaamheid, en wij hebben daarbij vergeten en vertreden het recht dat Gij op ons hebt en dat onze naasten in Uw naam op ons kunnen doen gelden ...

XCLeer ons aanvaarden en dragen wat Gij ons oplegt, zolang het U behaagt ons te straffen, omdat wij het hebben verdiend'

XCen in deze, wat de actualiteit betrof, overwegend passieve toon ging dit

1 Scholten had begin '42 eerst een gedwongen verblijfplaats in Zuid-Limburg gekregen. 2 Touw: dl. I, p. 402. 3 Tekst in a.v., dl. II, p. 103-04.

HET KERKELIJK GEBED

gebed geruime tijd voort, speciale aandacht vragend voor de slachtoffers van de arbeidsinzet en hun gezinnen, en voor de Joden:

XC'Wij dragen bepaaldelijk aan U op het volk Israël dat in deze dagen zo bitter wordt beproefd. Gij zult hen niet voor altijd verstoten, want bij U zijn levende beloften voor hun toekomst. Houd hen staande. Breng hen tot bekering, opdat zij de waarachtige verlossing mogen verkrijgen die Gij geschonken hebt in Christus, Uw zoon. In het bijzonder bidden wij U voor die kinderen Israëls die met ons verbonden zijn door eenzelfde geloof. Schenk hun de kracht om hun kruis te dragen, achter Hem aan in Wien zij hun Verlosser hebben gevonden'

XCgaan wij te ver wanneer wij stellen dat dit gebed van dezelfde gedistancieerdheid getuigde die men reeds kon aantreffen in het uit september' 41 daterende 'herderlijk schrijven' van de hervormde synode? En dat in dit gebed weer het hatelijke element stak: de vervolging der Joden is gevolg van het feit dat zij Christus verworpen hebben en is dus, theologisch beschouwd, hun eigen schuld? Zeker, er werd een krachtig verband gelegd tussen het Nieuwe en het Oude Testament ('God van Abraham, Izaäk en Jacob, Vader van onze Here Jezus Christus'), maar overigens ontbraken passages die men zou kunnen interpreteren als aansporingen tot feitelijke hulpverlening. Passages die de bezetter zou kunnen beschouwen als bij uitstek tegen hèm gericht, ontbraken eveneens, zij het dat hij natuurlijk het gebed als geheel diende te zien als een bittere klacht over de nood waarin zijn bewind zovelen gestort had.

XCHet gebed werd door de overige protestantse kerkgenootschappen overgenomen; de Gereformeerde Kerken brachten één wijziging aan: in de tekst die aan de gereformeerde kerkeraden toegezonden zou worden, zou niet van 'het volk Israël' gesproken worden maar van 'Uw oude bondsvolk Israël' .1

XCBeide stukken, inleiding èn gebed, werden door de hervormde synode op 16 juli goedgekeurd. Diezelfde dag kwamen noodkreten uit Amsterdam en Westerbork binnen: onder diegenen die met de eerste deportatietransporten Amsterdam verlaten hadden, bevonden zich Joden die lidmaat waren van de hervormde kerk! Vanuit de synode werd Generalkommissar Schmidt opgebeld en hem werd ook een telegram gezonden. Op 18 juli deed Schmidt weten dat de bezetter zich aan zijn toezegging zou houden - en uit beduchtheid dat hij daarvan zou terugkomen, besloot de synode, het afgesproken bezwaarschrift tegen de algemene Jodenvervolging dat in voorbereidingTekst in Th. Delleman e.a.:

1 (1950), p. 583-86.

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

was (geen 'protest', slechts een 'verzoekschrift'), geheel te laten vervallen.

XCOp donderdagochtend 23 juli gingen, zoals gebruikelijk, van het secretariaat der synode de stukken uit die voor alle hervormde predikanten in den lande bedoeld waren. Zij ontvingen het boven weergegeven gebed plus de korte inleiding waarin het telegram van II juli letterlijk opgenomen was. Eén of meerdere verraders onder die predikanten gaven de ontvangen stukken onmiddellijk aan organen van de bezetter door. De teksten werden met spoed in het Duits vertaald. Vrijdagochtend 24 juli werd ds. Dijckmeester bij Schrnidts plaatsvervanger geroepen. Er werd Dijckmeester gezegd dat de Reichskommissar wenste, dat de tekst van het telegram geschrapt zou worden uit de inleiding tot het gebed. Als argument liet Seyss-Inquart naar voren brengen dat het telegram een vertrouwelijk stuk was. Dat was natuurlijk niet zijn werkelijke argument: kennelijk beschouwde hij het ootmoedige gebed als vrij onschuldig, maar het telegram niet: het repte van 'ontzetting' en het sprak uit dat de Jodendeportaties strijdig waren met 'het diepste zedelijk besef van het Nederlandse volk' en indruisten 'tegen hetgeen ons van Godswege als eis van gerechtigheid en barmhartigheid gesteld wordt' - dat waren krachtige bewoordingen die men als een aansporing tot hulpverlening kon opvatten.

XCDijckmeester antwoordde dat hij Seyss-Inquarts wens aan alle kerkgenootschappen zou overbrengen maar dat hij persoonlijk inwilliging afwees aangezien 'er een onlosmakelijk verband bestond tussen de gehele afkondiging en de voorlezing van het telegram." Hij spoedde zich naar de synode die nog in vergadering bijeen was. Daar betoogde hij, 'dat het niet mogelijk was, noch tegenover de Heer der Kerk, noch tegenover de Joden, noch tegenover de andere kerken, de voorlezing van het telegram in te trekken.P 'In de synode', aldus Touw, 'overwoog echter de gedachte: onder fatsoenlijke mensen mag de ene partij niet tot publikatie van een document overgaan wanneer de andere partij zich daartegen verzet'3 - wij achten ons ontslagen van de plicht, de gezochtheid van dit argument aan te tonen. In werkelijkheid was de synode bevreesd: bevreesd wellicht voor strafmaatregelen tegen haar voorgangers wanneer zij de bezetter trotseerde, bevreesd in elk geval dat zij, dat laatste doende, de deportatie van de Christen-Joden, onder wie zich bijna zeshonderd hervormden bevonden, niet zou kunnen voorkomen. Zij besloot, het telegram uit de voor de komende zondag vastgestelde kanselboodschap te laten vervallen en lichtte nog diezelfde dag alle hervormde predikanten in.

XCOok de andere kerkgenootschappen waren op de hoogte gesteld van

XC1 A.v., p. 156. 2 A.v. 3 Touw: Het verzet der Hervormde Kerk, dl. I, p. 403.

DE HERVORMDE SYNODE ZWICHT

Seyss-Inquarts wens. Er was er geen een die bereid was tot de wezenlijke concessie die de hervormden gedaan hadden - gedaan zonder enig overleg met vertegenwoordigers dier andere kerkgenootschappen. Dr. J. J. C. van Dijk, afgevaardigde van de Gereformeerde Kerken in het Interkerkelijk Overleg, deed mgr. van de Loo weten dat hij het besluit der hervormden diep betreurde. 'Hij deelde mij mee', zo lichtte van de Loo op zijn beurt de aartsbisschop, mgr. de Jong, in,

XC'dat de Gereformeerde Kerk zich daar niet aan zou storen en dus de tekst van het telegram wèl zou voorlezen. Ik heb gemeend hem de verzekering te kunnen geven dat ook wij de voorlezing er van zouden handhaven ... , en hij was door deze verzekering zeer gerustgesteld. Te verwachten valt, dat ook de andere kerkgenootschappen het wèl zullen voorlezen.

XCHet verzoek van de Duitse instanties, om het weg te laten, is overigens een evident bewijs, hoezeer zij de kracht er van vrezen - daarom voor mij persoonlijk een reden te meer, om het wèl te laren doorgaan.'!

XCDe aartsbisschop was het hier geheel mee eens. 'Ik kon, u niet meer raadplegen', schreef hij de volgende dag, zaterdag 25 juli, aan de bisschoppen van Haarlem, Breda, Den Bosch en Roermond, 'doch veronderstelde dat u met mij van oordeel zoudt zijn, de voorlezing' (van het telegram) 'zonder meer te laten doorgaan' ; de houding der hervormden achtte de aartsbisschop 'wel enigszins te excuseren, want de Ned. Hervormde Kerk heeft zwaar geleden; bijna al haar kopstukken zijn geïnterneerd.P

XCIn alle katholieke kerken werd op zondag 26 juli de tekst van het telegram waarmee tien kerkgenootschappen tegen de Jodendeportaties geprotesteerd hadden, voorgelezen. Daar en in de protestantse kerken werd voorts meegedeeld dat toegezegd was dat de Christen-Joden niet weggevoerd zouden worden, 'voorzover zij vóór 1 januari 1941 tot een der Christelijke kerken behoorden' (Schmidt had gezegd: voorzover zij vóór die datum gedoopt waren - op het onderscheid komen wij nog terug). In alle kerken weerklonk voorts het afgesproken ootmoedige gebed dat bij de katholieken in bij hun geloofsleer aangepaste bewoordingen overgenomen was in de herderlijke brief die ook het telegram weergaf.3 Er werd die zondag in de kerken door verspieders van de Sicherheitsdienst extra-scherp opgelet. Trouwens, Schmidt had Seyss-Inquarts Beaujtragten in de elf provincies en in de steden Amsterdam en Rotterdam opgedragen, hem onmiddellijk per telex te berichten of hetBrief,van mgr. van de Loo aan aartsbisschop de Jong (Archief Aartsbisdom).Archief Aartsbisdom.Tekst in S. Stokman:

1 24 juli 1942, 2 3 (1945) p. 249-51.

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

telegram van I I juli wel of niet voorgelezen was. Uit de telex-rapporten bleek dat dit althans in de katholieke kerken overal het geval was geweest, maar omtrent de protestantse kerken, de hervormde kerk inbegrepen, werd slechts uit Friesland gerapporteerd dat men het telegram had voorgelezen, 'einheitlich' nog well - nauwkeurig waren die rapporten niet, volledig evenmmo

XCDe besturen van acht protestantse kerkgenootschappen en het Episcopaat hadden Seyss-Inquarts wens naast zich neergelegd. De wraak van de Reichs kommissar beperkte zich tot de katholieke kerk. Het kan zijn dat het inderdaad slechts onvoldoende tot het Reichskommissariat doorgedrongen is dat de protestantse kerkgenootschappen, van de hervormden afgezien, de voorlezing van het telegram uitdrukkelijk gehandhaafd hadden - plausibel is in elk geval dat Seyss-lnquart, sluwals hij was, verwachtte, de goede verstandhouding tussen katholieken en protestanten te kunnen schaden wanneer hij alleen die eersten met strafmaatregelen trof welke een gevoel van bitterheid konden achterlaten.

XCVan die maatregelen werden katholiek-gedoopte Joden het slachtoffer.

XCEr waren er in totaal ruim zevenhonderd. Van die zevenhonderd waren evenwel de meesten gemengd-gehuwd; zij zouden buiten de actie vallen. In opdracht van Harsters plaatsvervanger Knolle werden op zondagmorgen 2 augustus in de vroegte in alle delen des lands in totaal tweehonderdvijf-enveertig katholieke Joden door de Sicherheitspolizei, de Ordnungspolizei of de Nederlandse politie gearresteerd en in eerste instantie naar het concentratiekamp Amersfoort gebracht; vier-en-veertig die men opgepakt had hoewel ze gemengd-gehuwd waren, werden spoedig vrijgelaten. De overigen kwamen in Westerbork terecht. Van hen werden nog in augustus twee-en-negentig naar Auschwitz getransporteerd, onder wie de begaafde filosofe dr. Edith Stein en een aantal andere kloosterlingenê: die 'nonnen en paters in hun zwarte en bruine kloosterdracht met de goudgele ster bestegen, terwijl zij de rozenkrans door hun handen lieten glijden en het Onze Vader baden, de wagon naar Polen."

XCDiep werd de aartsbisschop getroffen door deze strafactie die ook hem volledig verrast had. Zij bracht hem overigens niet tot wijziging van zijn

XC1 Telexbericht, 26 juli 1942, van de BRK-Leeuwarden aan het Reichskommissariat (RK: Telexberichten T 43/176765-67). 2 Eén-en-twintig anderen gingen later op transport, de meesten naar de vernietigingskampen Auschwitz en Sobibor. De resterenden bleven in Westerbork of werden uit het kamp ontslagen (gegevens in A. J. van der Leeuw: 'Die Deportation der Römisch-Katholischen Juden aus den Nieder landen im Monat August 1942' (Notitie 136 voor het Geschiedwerk)). 8 H. Wielek (ps. van W. Kweksilber): De oorlog die Hitler Walt (1947), p. 292.

RAZZIA OP DE KATHOLIEKE JODEN

houding. Slechts enkele weken later liet hij uit de opbrengst van de eerste z.g. 'collecte voor de bijzondere noden' die eind juni '41 speciaal gehouden was om gelden bijeen te brengen voor steunverlening aan katholiek-Joodse vluchtelingen uit Duitsland, een bedrag van f 12 500 uitkeren aan een Utrechtse groep die Joodse kinderen in niet-Joodse gezinnen onderbracht.

XC'De houding die de synode ten opzichte van het niet-voorlezen van het telegram aannam, is', aldus Touw, de geschiedschrijver der hervormde kerk tijdens de bezetting, 'een zaak van veel kritiek geweest. Men sprak van woord- en trouwbreuk. Sommigen deelden openlijk hun grote teleurstelling over deze handelwijze van de synode aan haar mede in een rekest. Zij betreurden ten zeerste dat, zoals zij zeiden, 'de beginselvastheid in het gedrang is gekomen, terwijl zodoende, ... en wel op een zeer belangrijk punt, de eenparigheid van handelen der christelijke kerken door de Nederlandse Hervormde Kerk verbroken werd. Zij zijn er daarbij niet van overtuigd, dat op deze wijze protestantse Joden van deportatie werden gered, daar het zeer de vraag is of de bekende maatregel tegen de RoomsKatholieke Joden zou zijn toegepast, indien de eenheid van houding van alle christelijke kerken niet verbroken ware geweest op het aangelegen punt ""

XCmen kan die laatste conclusie niet bewijzen (er zijn geen Duitse gegevens); onwaarschijnlijk is zij niet. Touw is zelf van opinie dat de houding der synode 'inderdaad voor ernstige kritiek vatbaar (was). Scherp inzicht en een krachtige houding ontbraken op dit ogenblik op bedenkelijke wijze. Maar', zo vervolgt hij, 'alleen de synode, niet de andere kerken stonden voor deze beslissing." Dat laatste dunkt ons niet juist: het sprak voor de andere kerkgenootschappen vanzelf dat Seyss-Inquarts wens ook tot hen gericht was; zij meenden evenwel, in tegenstelling tot de hervormde synode, dat zij er geen gevolg aan konden geven.

XCMaar Touw stelt nog meer kritische vragen, aanknopend bij het feit dat het grootste protestantse kerkgenootschap, zich richtend tot vele honderdduizenden kerkgangers, geen enkel duidelijk woord van protest tegen de aangekondigde Jodendeportaties had laten horen en in feite alleen de zeerTouw:dl.p.Het geciteerderekest was door ds. Touwopgesteld.A.v., p.

1 I, 406. 2 66.

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

kleine groep der protestants-gedoopten in bescherming genomen had: 'Mocht de Kerk die zich geroepen wist op te komen voor het gehele Joodse volk, in overleg treden met de fanatieke Jodenhaters om het leven van een aantal Christen-Joden te redden? Ging het er hier niet om, 'een stukje van een oor uit de muil van de leeuw te redden'(Amos 3 : 12)? Heeft de synode inderdaad de rechte beslissing genomen? Of is zij voor een satanische verzoeking bezweken? Is zij om de levens van haar eigen leden te redden, ontrouw geweest aan haar Heer ?'l Wat dat redden van mensenlevens betreft: ongeveer vierhonderd hervormde Joden zouden gespaard blijven, maar de . door de synode geboden bescherming is, achteraf beschouwd, slechts één factor uit vele geweest die dat resultaat bewerkstelligd hebben. Een feit is het (en wij achten dat feit van groot gewicht) dat Seyss-Inquart er van overtuigd was dat hij het verzet tegen de [odendeportaties, maar nu niet alleen der hervormden doch van alle christelijke kerken, effectief had weten in te dammen door een situatie te scheppen waarin zij hun aandacht en energie concentreerden op de gedoopte Joden. 'Ich habe bekanntlich', schreefhij eind februari '44 aan Bormann, 'die Einmischung der ]f:irchen in die gesamte ]udenfrage im wesentlichen dadurch abgewehrt, dass ich die l Konfessions juden in einem geschlossenen Lager in den Niederlanden behielt' (dat was toen Westerbork), 'wo sie allwöchentlich durch einen Geistuchen besuch: werden."'Het blijft toch', aldus Touws slotbeschouwing, 'een diep beschamend feit dat midden uit ons volk meer dan honderdduizend Joodse mensen zijn gedeporteerd om vergast te worden. De Gemeente van .Christus heeft dat aangezien en niet kunnen verhinderen." De rapporten over de houding der Gemeente in de oorlogsjaren maken dan

XC1 A.v., p. 174 en 407. 2 Brief, 28 febr. 1944, van Seyss-Inquart aan Bormann (Vu], Stab, 079758-61). 3 In augustus '42 werd door ds. F. Kleijn, een van de twee vertegenwoordigers van de Remonstrantse Broederschap, namens dit kerkgenootschap in het Interkerkelijk Overleg voorgesteld dat men, wanneer weer een razzia in Amsterdam gehouden zou worden, de Nieuwe Kerk op de Dam tot toevluchtsoord voor de] oden zou proclameren. 'De voorgangers van de verschillende kerken zouden', aldus ds. Buskes na de oorlog, 'in ambtsgewaad de toegangen tot de kerk moeten bezetten en met de Joden in de kerk moeten staan of vallen. Als demonstratie zou dit gebeuren van de allergrootste betekenis zijn geweest, een getuigenis met de daad in het hart van ons volksleven.' O. ]. Buskes: Waar stond de kerk? Schets van het kerkelijk verzet (I947), p. 69). Het voorstel der Remonstranten werd niet aanvaard; Buskes was de enige die er steun aan verleende. 'Nadat Kleijn gesproken had', schreefBuskes ons eind '73, 'waren allen met stomheid geslagen. Ze waren onder de indruk. Toch maar heel even. In feite waren ze allen bang voor een publieke demonstratie. Het voorstel werd dan ook als een uiting van onwerkelijke romantiek van de tafel geveegd.' (brief, 24 dec. 1973, van].]. Buskes)

DE KRITIEK VAN DS. H. C. TOUW

ook telkens melding van een zeer onprincipiële houding bij velen, 'bangheid bij de goê-gemeente', 'vrees om zich aan koud water te branden', enz. Vooral de berichten over het platteland spreken hier telkens van. Zoals er op .de kansels te veel is gezwegen, is er in de huizen ongetwijfeld te weinig geherbergd. Het werd door velen ook als een gemis gevoeld, dat de synode in dit opzicht geen leiding gaf, geen vermaning deed horen, geen vormen vond om de gewetens te scherpen. Hier moet van grote gemeenschappelijke schuld gesproken worden. Er is geen enkele reden voor de Christenheid zich hier te beroemen. Eerder alle reden zich te schamen.' 1

XCWat deed Londen?

XCZÓ gebrekkig was de geheime berichtgeving tussen bezet gebied en de Nederlandse regering, dat het enkele weken duurde voor de eerste, nog vrij vage berichten over de deportaties de regering bereikten." Zij wist, in elk geval van de op I4 juli in Amsterdam gehouden razzia nog niets af toen de minister-president, prof mr. P. S. Gerbrandy, op 25 juli (de dag waarop het eerste nieuws ontvangen werd) in de avonduitzending van Radio Oranje het woord richtte tot de luisteraars in bezet gebied." 'Er bereiken ons', zei hij,

XC'berichten omtrent nieuwe maatregelen welke de vijand heeft beraamd tegen de Joodse Nederlanders. Blijkbaar is met de uitvoering dier maatregelen die een vèrgaande strekking hebben, reeds begonnen. Zij komen neer op niets meer of . minderdan de wegvoering van tienduizenden volwaardige Nederlandse burgers naar Duitsland en waarschijnlijk vandaar verder naar het oosten ... De gedwongen verhuizing van Joodse Nederlanders naar Amsterdam, het uiterlijk kenmerken van de vervolgden door de on-Nederlandse Jodenster, het verbod om bij niet-Joodse medeburgers de huizen te betreden, de verplichting om op bepaaldeuren thuis te zijn, het verbod van reizen - al deze maatregelen hebben duidelijk de bedoeling, een cordon te trekken om een groep van honderdtachtigduizend Nederlandse staatsburgers met de bedoeling om dan in één enkele slag de sinds weken luid aangekondigde gewelddaad tegen weerlozen uit te voeren.

XCWij weten dat niet alleen wij, maar ook gij, landgenoten in bezet.gebied, de samenhang in al deze maatregelenduidelijk hebt gezien. Omdat wij weten dat gij gebleven zijt wat gij waart, vertrouwen wij er op dat ge inmiddels hebt gezonnen o~ middelen om deze onschuldige mensen, zoveel in uwvermogen ligt, bij

XC1 Touw: Het verzet der Hervormde Kerk, dl. I, p. 433-34. 2 Schmidts uitlating die op 29 juni in de kranten stond, was wel al eerder in Londen bekend, maar werd daar beschouwd als een dreigement. Het was eerst het bericht: de deportaties zijn begonnen, dat de regering alarmeerde. 3 Tekst in Enq., dl. VII a, p. 412-13.

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

te staan in dit ogenblik van hun diepste nood. De vijand luistert mee. Ik zal op deze middelen dus niet nader duiden. Ik zeg u slechts: luistert naar uw geweten en handelt in Christelijke barmhartigheid.'

XCVijf dagen verliepen voor 'De Brandaris, de radio-omroep voor Nederlandse zeevarenden' (die in bezet gebied druk meebeluisterd werd), iets over de deportaties zei. 'De Rotterdammer' (H. J. van den Broek) legde ook uit, waarom hij gewacht had: hij had aan de juistheid van de berichten getwijfeld, maar sinds hij vernomen had dat in NSB-bladen gepubliceerd was dat zich op I juni '43 geen Jood meer in Nederland zou bevinden', twijfelde hij niet langer. De deportaties noemde hij 'een bewuste poging tot uitroeiïng, een bewuste poging tot moord op weerlozen."

XCDaar bleef het voorlopig bij. Een campagne om de bevolking in bezet gebied aan te sporen, de Joden zoveel mogelijk hulp te bieden, werd niet ingezet. Zowel Radio Oranje als 'De Brandaris' waren zich bewust dat zij de situatie in bezet gebied slechts gebrekkig overzagen; niemand in Londen had enig denkbeeld van de mate waarin zulk een campagne zou aanslaan. Het bleef dus bij Gerbrandy's 'luistert naar uw geweten en handelt in Christelijke barmhartigheid' - maar die oproep werd slechts één keer uitgezonden. Wanneer er nog Joden waren die regelmatig naar de Londense uitzendingen luisterden, dan moesten zij wel het gevoel hebben dat deze hun bitter weinig steun gaven in een periode waarin elke maand de voorafgaande in verschrikkingen overtrof.

Naar een nieuw systeem

XC

XCDe weinige bewegingsvrijheid die de Joden in Amsterdam nog bezaten, werd op 20 juli, vijf dagen na het vertrek van de eerste twee deportatietreinen, verder beperkt: aan alle Joden werd gelast, de volgende dag hun fiers in te leveren. Wij hebben geen denkbeeld van de mate waarin dat geschied is. In elk geval konden nagenoeg alle Amsterdamse Joden na de z rste juli niet meer van een fiets gebruik maken; wie dat, met de Jodenster op, toch deed, liep grote kans om als 'strafgeval' gearresteerd te worden. Wij voegen hieraan toe dat de Joodse Raad wist te bereiken dat een aantal van zijn eigen functionarissen alsmede de Joodse artsen hun hetsen behielden. Voor Joden die voor de Wehrmacht werkten, ging hetzelfde gelden.

1 Dat stond bijvoorbeeld op 17 juli te lezen in het weekblad van de Nederlandse SS, 2 'De Brandaris': uitzending van 30 juli 1942.

REACTIE DER REGERING

XCEr was inmiddels, en met name bij de razzia van 14 juli, gebleken dat een aanstelling bij de Joodse Raad bescherming kon bieden tegen deportatie. Trouwens, dat was op 30 juni door Aus der Fünten aan Cohen en Asscher toegezegd: 'alle medewerkers van de Joodse Raad zullen worden vrijgesteld, daar ze Arbeitseinsatz verrichten in Nederland'. Het probleem was dat medewerkers toch gedeporteerd dreigden te worden, hetzij doordat zij, zoals op 14 juli, op straat gegrepen waren, hetzij doordat hun namen en adressen voorkwamen op de deportatielijsten die de Joodse Raad van de Zentralstelle ontving. De Zentralstelle was wel bereid, de betrokkenen vrij te laten of van de lijsten te schrappen, maar zij stelde de eis dat zij precies zou weten, wie als medewerkers van de Joodse Raad mochten gelden. Er moesten dus naamlijsten opgesteld worden; begin juli was overigens verlof verleend tot ruimere criteria: niet alleen diegenen die bij de Joodse Raad in dienst waren, zouden voorlopig van deportatie vrijgesteld worden maar ook allen die naar het oordeel van de Joodse Raad 'voor het gemeenschapsleven der Nederlandse Joden onmisbaar' waren.' Die Joodse gemeenschap, schrijft Presser, 'had wel uit heiligen moeten bestaan, indien toen de corruptie, het nepotisme, het kruiwagensysteem met alle begeleidende verschijnselen niet waren uitgebarsten - dat is wel het woord." Slechts enkelen waren er, onder hen mr. Pool te Rotterdam, die principieel zulk een bevoorrechte positie weigerden. Anderen trachtten zich, al of niet via bureaus van de Joodse Raad, op allerlei wijzen te beschermen:

XC'Men joeg op papieren, op Ausweise, men bedelde om één week uitstel, men verschafte 'bewijzen', doktersvoorschriften, men was gedoopt, gewond, invalide. Vooral op het hoofdkantoor op de Nieuwe Keizersgracht ('Nieuwe Martelaarsgracht' , zei men) was de hellosgebroken. De portiers wisten zich vaak geen raad; trucjes, allerlei vriendjes hielpen om maar alvast binnen te komen; 'binnen werd gesmeekt en gebedeld, gevleid en gevraagd. Anderen schreeuwden en eisten.' Men stond uren in rijen, niet zelden zichzelf vonnissend en niettemin meedoend. In rijen bij de specialist die het attest, bij de advocaat die het advies, bij de kerk die het briefje, bij de goede-bekende-van-een-hoge-Duitser die de voorspraak schonk."

XCTrein na trein verliet inmiddels' s nachts Amsterdam op weg naar Westerbork. Na de eerste drie transporten van 15,16 en 19 juli vonden in de rest van de maand nog zes transperten uit de hoofdstad plaats. De Joodse Raad nam talrijke nieuwe medewerkers in dienst om diegenen die voor die transporten

1 JR: Notulen, y juli 1942, p. I. 2 Presser: dl. I, P: 253. 3 A.v.

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

opgeroepen waren, te helpen bij het invullen vande registratieformulieren hunner bezittingen. Er werd overigens eind juli tot wijzigingen in het systeem van oproeping besloten. Ten eerste verving de Zentralstelle de leeftijdsgrens van veertig jaar door die van vijftig; ten tweede werd een nieuw verzamelpunt in gereedheid gebracht: de Hollandse (sinds herfst' 41 : Joodse) Schouwburg. Aanvankelijk was door de Zentralstelle overwogen, de statige Portugese synagoge aan het Jonas Daniël Meyerplein als verzamelpunt te gebruiken, maar daar was slechts een kaarsenverlichting zodat men er 's avonds moeilijk paperassen zou kunnen invullen; legde men er electrisch licht aan, dan zou het verduisteren van de grote ramen moeilijkheden bieden. Begin augustus was overigens, schijnt het, de Hollandse Schouwburg nog niet in gebruik genomen; toen gold nog het oorspronkelijke systeem: melden aan het Centraal Station. Er zijn aanwijzingen dat het percentage van hen die daar wegbleven, nog toenam en dat het een bepaald sterke stijging vertoonde nadat men op maandag 3 augustus uit de dagbladen vernomen had wat Generalkommissar schmidt daags tevoren in Zuid-Limburg in een toespraak over de Z.g. werkkampen in Duitsland gezegd had. 'Wij zijn geen barbaren', zo had men gelezen,

XC'wij willen ook de Joden toestaan dat hun gezinnen meereizen. Zij moeten echter ginds in het verwoeste oosten in de ledige steden een begin maken met het opruimingswerk. Hun lot zal hard zijn, maar laten wij ook niet vergeten dat zij eens arm en haveloos onze landen zijn binnengekomen.'

XCVreemd: toen Schmidt op 14 juni in Zeist op een gemeenschappelijke vergadering van de NSB en de NSDAP blijkens een verslag in de pers gezegd had: 'Het Jodendom wordt hier en in geheel Europa vernietigd', en toen men voorts gelezen had: 'Onder grote bijval van de vergadering verklaarde hij, dat men niet eerder zal ophouden, voordat de laatste jood verdwenen is', was de betekenis van die uitlatingen aan het Joodse volksdeel ontgaan. Sindsdien waren evenwel duizenden uit Amsterdam gedeporteerd. Aan de juistheid van die paar woorden die Schmidt op 2 augustus uitgesproken had; 'hun lot zal hard zijn', werd niet getwijfeld, en wij moeten wel aannemen dat van de eerste transporten uit het Centraal Station die na 3 augustus vertrokken, opnieuw velen wegbleven..

XCWeer volgde een razzia: op donderdag 6 augustus.

XCDeze razzia vond plaats in een deel van Amsterdam-zuid. 'Uit de wagens komen ze' (wij citeren Vorrinks illegaal blad Verzet),

XC'het schuim van de wereld, de Crüne Polizei en hun helpers, de Nederlanders, op

DE RAZZIA'S VAN 6 EN 9 AUGUSTUS

Nederlands kosten opgeleid bij het politie-opleiding-bataljon te Schalkhaar.! Dom, bruut en gemeen hun gezicht. Op de trekken vertoont zich dezelfde haast zinnelijke spanning, als wij gezien hebben op de brutale tronies van Heydrich en Röhm, moordenaars-en gros par excellence.

XCIn een korte tijd (maar waarom zou men zich haasten, de Joden kunnen toch niet weg) zijn alle straten tussen de wolkenkrabber op het Daniël Willinkpleinen de Scheldestraat afgezet. En dan begint het: op elke hoek staan de Duitse agenten, het geweer aan de schouder, de vertegenwoordigers van het Herrenvolk. Het Herrenvolk met brillen op en laarzen aan, met gevangenis-gezichten en ingeschrompelde figuren, met kromme benen en onesthetisch gezwollen lijven ... 'En daar stampen ze al de trappen op: 'Wonen hier Joden?' En dan worden de Joden van Nederland op een hoek samengedreven. Mannen en vrouwen en kinderen. Kinderen soms, zo uit hun bedje getild ... Daar staan ze op de hoeken van hun eigen straat, alleen en verlaten. Neen, Godlof niet verlaten, er zijn Christenen, echte Christenen, mensen met een hart in het lijf, die te hulp komen. Ziet, zij redeneren tegen de geüniformeerde Duitsers, zij pleiten, en geen bedreiging van óók te worden meegenomen, weerhoudt hen. Zij stoppen de ongelukkigen eten en lekkers in de zak, zij slepen aanmet warm goed en rennen weg om in de buurt wonende familie op de hoogte te stellen ...

XCVan de vierde verdieping springt eenjood te pletter, liever dan in de handen der Duitsers te vallen." Op het dak volgden hem de Duitsers, nadat ze kasten en kelders, zolders en schuurtjes hadden doorzocht. 'n Hond, dapper zijn baas verdedigend, wordt door de Duitsers neergeschoten. Het is het enige schot dat die avond valt.

XCDan is er temidden van de groene horde plotseling een uitzondering: er is een groene agent die bij het zien van een slapend kind de ouders vrijuit laat gaan. Er is een officier die een moeder niet van haar kind wil scheiden. Er zijn agenten (ook een paar Hollanders) die willens en wetens mannen laten zitten, huizen overslaan ... Het zijn er niet eens zo weinig."

XCCa. zestienhonderd mensen werden bij de razzia opgepakt, onder hen opnieuw Presser, opnieuw samen met zijn vrouw. Allen brachten de nacht op de binnenplaats van de Zentralstelle door, onder de blote hemel. Vrijdaggrüne Polizei'Verzet,

1 Bij deze actie werd het z.g. Politiebataljon Amsterdam ingezet dat tegenover het oude RAl-gebouw in een scholencomplex gekazerneerd was. 2 Thans: Victorie plein. 3 Drie dagen later schreef een NSB'er uit Amsterdam in een brief aan zijn zoon: 'Een der mensen van kantoor die tussen de middag naar huis wandelde, schrok geweldig toen er vier meter voor hem op het trottoir ineens een jood neer kletste, die uit de bovenste verdieping was gesprongen, toen de hem kwam halen. Gelukkig op slag dood. Zoiets is natuurlijk tragisch om te zien, maar is nu eenmaal niet te voorkomen, wanneer de joden allemaal hier weg moeten en dat is de enige methode om hier in Europa vrede te krijgen.' (brief, 9 aug. 1942, van F. H. U., Doe. 1-1726 A, a-r) 4 (sept. 1942), p. 4-5.

]ODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

de 7de brak aan. 'Al van heel vroeg in die ochtend' (wij volgen Pressers beschrijving) 'stonden de honderden gevangenjoden op de binnenplaats. Van tijd tot tijd riep iemand een naam, en een uitverkorene kon uittreden, naar wij veronderstellen (wel niet ten onrechte) een medewerker of vriend van de zéér onmisbaren, de leden van de Joodse Raad. Spoedig verbreidde zich, waar ook vandaan, het gerucht, dat Aus der Fünten zelf een aantalonzer zou vrijstellen en inderdaad: hij verscheen op het bordes dat naar de binnenplaats leidde, de ene sigaret na de andere opstekend, nonchalant tegen een muurtje geleund; achter hem een paar van de functionarissen van de Joodse Raad waaronder mr. Leo de Wolff.' Op heel zachte toon sprak hij, de binnenplaats overkijkend: 'Es ist nicht ruhig hier!' en het was dadelijk stil, doodstil. En daarna begon hij. Hij liet rijen mensen voor zich opstellen, gewoonlijk niet meer dan een vijftien of twintig achter elkaar, liet hen één voor één voor zich komen, bekeek henzelf, hun papieren, vroeg wat aan mr. de Wolff en besliste, doorgaans zonder een enkel woord, met een vermoeid handgebaar: links of rechts."

XCDe meesten werden door Aus der Fiinten op grond van hun papieren of hun functies vrijgelaten, zo ook Presser en zijn vrouw. Ca. zeshonderd bleven achter; zij verdwenen via het Centraal Station naar Westerbork.

XCEén dag na die razzia, op vrijdag 7 augustus, maakten 'de Duitse autoriteiten' in een tweede 'extra-editie' van Het Joodse Weekblad bekend dat diegenen die voortaan niet 'onverwijld' gevolg zouden geven 'aan een tot hen gerichte oproep voor de arbeidsverruiming in Duitsland', naar Mauthausen gezonden zouden worden; dat gold speciaal voor hen die niet gereageerd hadden op de oproepen, zich bij de Zentralstelle te melden, welke hen in de voorafgaande dagen bereikt hadden. Voorts werd meegedeeld dat 'alle Joden die geen Jodenster dragen' of 'die zonder toestemming der autoriteiten van woonplaats of woning veranderen (ook indien zij dit slechts tijdelijk doen)', eveneens met transport naar Mauthausen gestraft zouden worden.

XCHadden deze dreigementen in Amsterdam voldoende effect? Neen. Dat bleek om te beginnen al uit het feit dat op zondag 9 augustus opnieuween razzia op Joden gehouden werd, weer in zuid, ditmaal in de buurt van de Beethovenstraat. Volgens Verzet werd zij niet door de Ordnungspolizei uitgevoerd maar door de Sicherheitspolizei in burger, 'jong, gemeen en bruut." Weer werden enkele honderden opgepakt en naar de Zentralstelle gebracht. Cohen en Asscher snelden er heen en eisten dat Aus der Fiinten zich aan de afspraak zou houden: medewerkers van de Joodse Raad en alle

XC1 Deze was verbonden aan Sluzkers Expositur waarvan hij eerst samen met Sluzker de leiding gehad had. • Presser: Ondergang, dl. I, p. 270-7I. S Verzet, 4, p. 5.

DE RAZZIA'S VAN 6 EN 9 AUGUSTUS

overigen die 'voor het gemeenschapsleven der Joden onmisbaar' waren, moesten vrijgelaten worden. 'Ik zei Aus der Piinten', aldus Cohen in zijn naoorlogse herinneringen, 'dat, als hij deze mensen zonder nader onderzoek wegzond, hij de Joodse Raad en het Joodse leven in Amsterdam zou ontwrichten. Hij legde daarom twintig briefjes voor Asscher en mij en zei dat wij twintig mensen konden uitkiezen, die wij onontbeerlijk achtten. Later heb ik mij vaak verbaasd dat ik dat onmiddellijk aanvaardde'

XCeen begrijpelijke verbazing want in het voetspoor van Aus der Fünten gaf Cohen de gestelde regel prijs en daarmee de bescherming die hij voor allen die door de Joodse Raad van belang geacht werden, bereikt meende te hebben.

XC'Asscher kon, toen eenmaal de keuze kwam, het niet verdragen en ging weg. Ik zelfbleef staan naast Aus der Fünten die half dronken was. De gearresteerden kwamen daarop langs ons en ik moest de keuze doen. Deze was in zoverre aangewezen, dat de Joodse Raad altijd vrijstellingen kon vragen voor diegenen die voor de Joodse gemeenschap van belang waren, en daar ik de meesten kende, kon ik deze dus aanwijzen. Maar in mijn leven heb ik later meer gedacht aan hen, die ik had afgewezen dan aan hen die ik aangewezen heb."

XCTwee-en-twintig personen kreeg Cohen vrij, Sluzker nog eens achttien. De overigen verdwenen naar Westerbork.

XCWij hebben de razzia van 9 augustus aangeduid als een aanwijzing dat zelfs de 'extra-editie' van Het Joodse Weekblad van 7 augustus met haar drievoudig dreigen met Mauthausen slechts een beperkt effect had. Er is nog een aanwijzing: de Zentralstelle ging de deportatieprocedure drastisch bekorten. Vermoedelijk kort na de çde augustus gingen de politie-agenten oproepen rondbrengen die slechts inhielden dat men zich bitmen drie dagen bij de Hollandse Schouwburg melden moest. De directeur had daar het gehele personeel van het Joodse revuegezelschap dat er opgetreden was, onder hen Henriëtte Davids, tot medewerkers van de Joodse Raad laten benoemen. 'Wij gaan met de laatste trein', had hij gezegd, 'en voor het zover is' (waar bleef het beloofde Tweede Front?) 'kan er nog veel gebeuren!'2 De schouwburg telde negenhonderd zitplaatsen; er waren koffiekamers die men tot cantine kon inrichten; de ingangen waren gemakkelijk te controleren - kortom, het gebouw was aanzienlijk geschikter dan de school waar

XClD. Cohen: 'Herinneringen', p. 74 (Doe 1-294, d-I). 2 Henriëtte Davids: Mijn levenslied (1948), p. 127.

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

zich de Zentralstelle bevond, om gedurende één of meer dagen als verblijfplaats te dienen voor de te deporteren personen.

XCHoeveel opgeroepenen zich op de eerste daarvoor aangewezen datum bij de schouwburg meldden en op welke dag dat precies geschiedde, weten wij niet, maar reeds die eerste 'opeenhoping van mensen begon zich', aldus Henriëtte Davids,

XC'gauw te wreken. De sanitaire installaties van de 'schouwburg waren op een invasie niet berekend en het gevolg was al terstond: overlopende wc's en verstopte urinoirs ... De volgende morgen begon de registratie van al die ongelukkigen. Heel de nacht hadden zij.,in doffe berusting doorgebracht op hun plaatsen, soms even indommelend in het halfduister waarin de zaal was gelaten. Dan werden zij per luidspreker stuk 'voor stuk opgeroepen om voor de mannen der registratie te verschijnen. Die hadden in de vestibule plaats genomen aan een lange tafel en stelden de lijsten Op.1 Zij werden daarbij ijverig geassisteerd door de hogere bestuurders van de Joodse Raad. Maar het was merkwaardig: de Duitsers schenen zich uitsluitend te bedienen van Duitse Joodse Raadsleden." Die Duitse Joden waren een en al kruiperige serviliteit ...

XCTegen middernacht, na die lange dag als een nachtmerrie, begon de uittocht. De rugzakken werden uitgereikt en men maakte zich gereed voor de lange reis. Velen hebben toen de droevige ervaring opgedaan, dat zelfs van hun laatste bezit nog geroofd was. Vele rugzakken bleken danig door de Duitse bewakers doorzocht te zijn ...

XCLangzamerhand werd de schouwburg ontvolkt. Maar de ondragelijke lucht bleef nog hangen in zaal en gangen. Het gebouw dat steeds zo zorgvuldig schoon was gehouden, bleek na die eerste nacht al herschapen in een verontreinigde stal die zelfs met de grootste inspanning en arbeid niet meer in zijn vroegere staat zou zijn te brengen."

XCKwamen nu alle opgeroepenen zich melden? Nog steeds niet. 'Tweemaal per week vertrok er een trein en tweemaal per week hadden wij', schrijft Henriëtte Davids, 'in de schouwburg dezelfde lugubere voorstelling. Maar het was net alsof de toeloop minder werd."

XCHet passieve verzet der opgeroepen Joden noopte de Zentralstelle, op een fundamenteel ander systeem over te schakelen. Gelijk uiteengezet, hield het tot dusver gevolgde in, dat de opgeroepenen eigener beweging hun woning verlieten, op weg naar de Zentralstelle c.q. naar de Hollandse Schouwburg, aanvankelijk mede naar het Centraal Station. Dat werd, nog steeds, door

XC1 D.w.z.: vulden de registratieformulieren in. 2 D.w.z.: van Duits-Joodse functionarissen van de Joodse Raad, nl. vande afdeling Expositur. 3 Henriëtte Davids: Mijn levenslied, p. 129-30, 133-34. • A.v., p. 134. 3

IN DE HOLLANDSE SCHOUWBURG

velen geweigerd. Wat lag dan meer voor de hand dan dat de procedure tot één simpele operatie teruggebracht werd? De oproep zich bij de Zentralstelle of de schouwburg te melden, zou komen te vervallen, alleen het deportatiebevel zou gehandhaafd blijven; dat bevel zou door, politie-agenten uitgereikt worden en die agenten zouden de betrokkenen meteen meenemen, eerst naar de Zentralstelle waar de registratieformulieren ingevuld konden worden en waar functionarissen van de Expositur mèt functionarissen van de Zentralstelle zouden nagaan of er gearresteerden waren die over geldige vrijstellingspapieren beschikten; was alles geregeld en uitgezocht, dankonden de overigen naar het Centraal Station of naar de Hollandse Schouwburg getransporteerd worden. De Joodse Raad zou dus niet langer tevoren de lijsten ontvangen van diegenen die voor deportatie bestemd waren, en dus ook niet langer de gelegenheid kqigen, tevoren de namen van zijn medewerkers en van allen die voor 'de Joodse gemeenschap' van belang geacht werden, te schrappen. Aan het typen van namen en adressen op de oproepen en deportatiebevelen door typistes van de Joodse Raad zou ook een einde komen; de oproepen vervielen, en de namen en adressen zouden nu op de deportatiebevelen geschreven worden door personeel van de Haus raterjassung dat als voornaamste taak had, de inboedels in de verlaten Joodse woningen te inventariseren.

XCHet nieuwe systeem werd eind augustus-begin september voor het eerst toegepast. Het wekte bij de nu goeddeels uitgeschakelde Joodse Raad een ontsteltenis die in de notulen van de raad doorklinkt. 'De voorzitter, de heer A. Asscher, wijst', aldus de notulen van 3. september,

XC'op de allerergste problemen en rampspoedige gebeurtenissen van de jongste tijd. Gisterenavond zijn opnieuw vier- à vijfhonderd mensen uit hun huizen gehaald, waarvan negen-en-dertig weder zijn vrijgelaten en ongeveer vijftig zich althans hier ter stede bevinden', met de kans dat een groot gedeelte van hen vrijkomt ... Bij het weghalen van de mensen gisteren, werkte de politie volgens lijsten en had een' oproeping'> voor de mensen bij zich."

XC'De politie' - wèlke politie?

XCDat waren, in deze fase,-niet de 'Schalkhaarders' van het Politiebataljon Amsterdam, maar de 'gewone' Amsterdamse politiemannen - dezelfden die onder het vorige systeem de oproepen uitgereikt hadden. De Zentralstelle stuurde, aldus mr. J. van der Hoeven, een van de inspecteurs van politie die aan het hoofdbureau verbonden was,

XC1 M.a.w.: nog niet doorgezonden zijn via de Hollandse Schouwburg. 2 Het gedrukte deportatiebevel. 3 JR: Notulen, 3 sept. 1942, p.

]ODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

'de arrestatiebevelen van Joden aan het hoofdbureau van de Amsterdamse politie door ... Elk arrestatiebevel bevatte de naam van een Jood. De arrestatiebevelen werden aanvankelijk door het hoofdbureau verdeeld en naar de afdelingen doorgestuurd, waarna de afdelingen belast waren met de arrestaties. Deze arrestaties moesten's avonds worden uitgevoerd. Zij hebben aanleiding gegeven tot protesten aan de afdelingen door de inspecteurs en wel eigenlijk om twee redenen: ze vonden het onaangenaam werk en bovendien gaf het omvangrijk werk in de avonduren, dus overwerk. Het is dus gereorganiseerd op deze wijze dat, ook op aandringen van bedoelde inspecteurs, het personeel van het hoofdbureau mee moest doen ... De organisatie is toen zo geworden dat de staf ... detachementen vormde onder leiding van een inspecteur, waarna elk detachement opdracht kreeg, in een bepaald stadsgedeelte het werk uit te voeren ... Er is onder elkaar een bespreking geweest tussen verschillende inspecteurs waarbij tot uitdrukking is gebracht, dat men het werk natuurlijk niet wenste te doen. Ik voor mij heb verklaard dat ik het niet zou doen, anderen weifelden"inderdaad weigerde van der Hoeven een hem in dit kader gegeven taak; hij werd prompt geschorst en vervolgens ontslagen. Verdere maatregelen werden niet tegen hem genomen. Niemand was er, voorzover bekend, die zijn voorbeeld volgde.

XCOnder het nieuwe systeem werden de gearresteerde Joden eerst met politie-auto's of onder politiegeleide naar de Zentralstelle gebracht. Zij gaven daar in de hal hun deportatiebevel en hun persoonsbewijs af; typistes van de Joodse Raad stelden naamlijsten op. 'Daarna', aldus Sluzker, 'kwamen de Joden in de gymnastiekzaal (Daar) waren veertigà vijftig mensen van de Joodse Raad werkzaam, althans bezig, om van de binnengebrachte personen alle gegevens te verzamelen die voor een eventuele invrijheidsstelling dienstig konden zijn."

XCMenigmaal slaagden Sluzker en zijn medewerkers er in om, als de controle even verslapte, opgepakte Joden die niet voor invrijheidsstelling in aanmerking kwamen, de deur uit te werken; een van de Nederlandse employé's van de Zentralstelle, [cop Liet, was hun daarbij vaak behulpzaam.ê Veruit

XC1 BG-Amsterdam, raadsheer-commissaris: p.v. inz. G. Nieuwenhuis (19 okt. 1949), getuige]. van der Hoeven(DocI-1221 A, a-IO). 2 BG-Asd, rijksrecherche: p.v. inz. Asscher en Cohen, getuige E. Sluzker (4 mei 1948), p. 10-II (Doe II-366 A, a-r). 3 Liet heeft bovendien enkele hem bekende Joodse families geholpen door op hun persoonskaarten in de kartotheek van de Zentralstelle de letter A te schrijven, waaruit voortvloeide dat de betrokkenen althans op hun oorspronkelijk woonadres niet gezocht werden. Hij liep in oktober '42 tegen de lamp, werd gedegradeerd en moest vervolgens de binnenkomende post sorteren, 'waaruit ik', zo stelt hij, 'stapels verraadbrieven mee naar huis nam'; die verbrandde hij. a. Liet: Ik deed mijn plicht als mens en Hollander (1949 ?), p. 7) 3

ROL VAN DE AMSTERDAMSE POLITIE

de meesten moesten evenwel blijven en werden, als alle gegevens opgenomen waren, naar het Centraal Station of naar de Hollandse Schouwburg gebracht.

XCHet is onze indruk dat er onder de Amsterdamse politiemannen die hun Joodse medeburgers kwamen ophalen, verscheidenen waren die deze kwalijke, veelal ook met tegenzin verrichte arbeid gingen saboteren: het werk werd traag uitgevoerd of men zei dat men de gezinnen wier namen en adressen op de deportatiebevelen stonden, niet thuis had aangetroffen. 'Das Zusammenjangen der Juden macht uns', schreefRauter op 10 september aan Himmler, 'die allergrössten Kopjzerbrechen.? Na enkele weken werden de 'normale' politiemannen dan ook uitgeschakeld. De Zentralstelle ging aparte detachementen vormen, bestaande uit mannen van de Ordnungspolizei, van de uit NSB' ers bestaande Hulppolitie, van het Politiebataljon Amsterdam, en van haar eigen personeel, vooral van de Hausraterjassung.'De razzia's', aldus een medewerker van laatstgenoemde dienst, 'begonnen meestal's avonds na acht uur. Om zes uur, na beëindiging van de normale diensttijd dus, werd medegedeeld dat men niet naar huis mocht. Eten werd dan op de Dienststelle der HausraterJassung gebracht. Dit was een veiligheidsmaatregel om vroegtijdig bekend worden der razzia te voorkomen.'>

XCTot medio oktober bracht men de slachtoffers als regel eerst naar de Zentralstelle, nadien leverde men hen rechtstreeks bij de Hollandse Schouwburg af; de registratie der bezittingen werd toen verplaatst naar Westerbork.

XCTrein na trein kwam daar aan.

XCDezelfde rapportrice was eind augustus in Maastricht aanwezig toen zich een groot aantal Joden uit Limburg in een schoolgebouw moest melden. 'Er deed zich', schreef zij,

1 Uit Meppel fietste Willem Kel, de niet-Joodse verloofde van een Joods meisje, naar Westerbork om haar bij de deportatie te vergezellen; beiden kwamen om het leven. 2 De brief was afkomstig van mej. M. van der Hoop en gericht aan een schoonzuster van Vorrinks medewerker Althoff, mevr. G. Althoff-Loubère, van wie mej. van der Hoop Spaanse les had gehad. "'Briefuittreksel' (z.d.) (Collectie J.J. Vorrink, 3 a).

DEN HAAG/MAASTRICHT

'het merkwaardige feit voor dat hier de grootste opkomst is geweest van het hele land: 50 % van de oproepen. In de regel is er overallo tot 25 % opgekomen In Limburg was het vluchten echter zeer moeilijk, er waren uitdrukkelijke waarschuwingen gegeven en 'de grens was driedubbel bewaakt In de school was voor iedere stad een lokaal ingericht. Verder was er een z.g. 'linnenkamer', d.w.z. daar konden de mensen die niets bij zich hadden, nog een hele uitrusting krijgen. Het is geweldig, zoveel als daar bij elkaar gebracht was. Zowel de grote zaken (b.v. Vroom en Dreesmann) als de particulieren hebben alles gegeven, wat ze missen konden ...

XCVan het verplichte uur van opkomst af (vier uur 's middags tot elf uur 's avonds) liepen er aan één stuk door dames rond, die belegde broodjes, koffie, thee, melk en fruit presenteerden. Er was ook snoep en koekjes voor de kinderen gezonden. In het gebouw was ter bewaking marechaussee aanwezig, die helemaal niet wist waar het om ging. Dat h06rden ze pas van ons. Allemaal prima lui, die er ontzettend de smoor in hadden, temeer omdat ze velen van de vertrekkenden persoonlijk kenden De vrouw van een onzer advocaten, een arische doktores, heeft prachtig werk verricht: in de dokterskamer verzamelde ze alle invaliden (kreupelen, gebochelden, verlamden enz.) - Toen riep ze de Obersturm führer en zei: 'Dat isjullie Arbeitseinsatz voor Duitsland.'

XCDie avond na elf uur gingen de opgeroepenen zich klaar maken voor het vertrek.

XC'Om kwart voor twaalf werden ze naar buiten gebracht en opgesteld in colonnes. Ze werdennog even toegesproken: ze mochten niet spreken onderweg en wie uit de rij liep, werd doodgeschoten. De stoet werd als volgt gevormd: voorop politie op de fiets, de marechaussee in een motorzijspan met de Ober sturmführer, dan vier man van de marechaussee te voet, daarachter vier stuks Joodse Raad als een soort van gijzelaars. Daarachter het transport, dat weer op dezelfde wijze van achteren gedekt was. Aan beide kanten gewapende ss.' Het is jammer dat mijn uitdrukkingsvermogen zo beperkt is. Ik zou zo graag mijn indruk willen weergeven v:an deze nachtelijke exodus. Deze zwaarbepakte zwijgende troep mannen en vrouwen die, bewaakt als gevaarlijke misdadigers, door de stad naar het station trok ... Bijna geen Maastrichtenaar heeft er iets van gemerkt: het was bijna twaalf uur en de weinigen die nog op straat waren, werden van te voren door de politie weggejaagd. Kun je begrijpen, hoe ik me voelde, toen die mensen, eenmaal in de coupé's ingeladen, ons begonnen te bedanken voor alle goede zorgen en ons het beste en sterkte wensten? Stel je voor: zij, de slachtoffers, aan ons, Joodse Raad, ridders van de droevige figuur, Don Quijotes in het kwadraat! Met een voorbeeldige zelfbeheersing en rust zijn ze weggereden.'

XC1 D.w.z.: mannen van de Sicherheitspolizei ..

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

XCEnkele dagen later, 27 augustus, werden in Noord-Brabant de eerste deportatiebevelen uitgereikt: melding de volgende dag aan diverse stations om vandaar naar 'de centrale verzamelplaats Den Bosch' te gaan. In Eindhoven had de directie van Philips er toe bijgedragen dat van vijf- tot zeshonderd opgeroepenen de meesten uitstel kregen; tweehonderdveertig moesten opkomen - er kwamen er vier-en-dertig. Een aantal gevangenen uit het hoofdbureau van politie werd er aan toegevoegd. Hetzelfde geschiedde in Den Bosch met tachtig Joodse vluchtelingen die, op weg naar België, in Noord-Brabant gegrepen waren. 'Hier was het', aldus onze briefschrijfster, 'vooral de firma de Gruyter, die zich heeft uitgesloofd en 200 repen chocolade, koekjes, cacao, thee en limonade heeft gestuurd.

XCZelfs de moffen waren in een goede bui; de Hauptsturmluhrer hier was niet eens in uniform, maar liep in een Schillerhemd rond, wat de verstandhouding zeer bevorderde. Er zijn zelfs complimentjes gewisseld. Hij zei dat de staf van de Joodse Raad 'Eins A' was en een van ons heeft hem bedankt voor zijn 'gerechte' houding, waarop hij antwoordde, dat dat ook zijn plicht was ...

XCEr was een heel tragisch geval van een doofstom meisje dat uit een kloosterschool voor doofstommen kwam en alleen kon omgaan met de non die haar verzorgd had. Ze zat in een hoekje te huilen met twee zware koffers en een rugzak bij zich. Het is niet gelukt haar vrij te krijgen. 'Och', zei die SS-vent, 'ik kan haar wel een paar maanden uitstel geven, maar na die tijd is ze nog even doofstom dus wat geeft dat ?'

XCIk begrijp eigenlijk van mezelf niet, dat ik zo ijzig kalm gebleven ben bij al die ellende om me heen.'

XCDe trein naar Westerbork kwam voorrijden.

XC'Het gaf zo'n onwezenlijk toneelidee, zoals we daar in het station de grote trap afliepen naar het perron: in de verte de grote bogen van de overkapping, daarvoor het lege donkere perron met de wachtende trein en vlak voor ons de brede, eindeloos lijkende treden van de trap. Het leek of die lange rij mensen, die er af liep, hoewel het maar tweehonderdvijf-en-zeventig waren, ook eindeloos was, of er steeds méér kwamen, alle Joden die in het westen met de bevolking vergroeid waren en nu weer weggerukt werden, weggesleept naar Oost-Europa, waar ze z.g. thuishoren. En weer gaan ze, na zoveel eeuwen, in diaspora. Wat gebeurt daar met ze in het oosten? Niemand weet het.'!

XCHet is onze indruk (en het ligt, gezien het bovenstaande, eigenlijk voor de hand) dat het 'nieuwe systeem' (niet laten melden, maar na acht uur' s avonds. thuis ophalen) van Amsterdam spoedig tot het gehele land uitgebreid werd en dat daarbij, als in de hoofdstad, in de overige grote steden aanvankelijk de normale gemeentepolitie ingeschakeld werd. De eerste keer dat zulks in

1 Van eind november '42 af werden aile Joodse 'strafgevallen' krachtens een bevel van Harster, de steeds naar Westerbork gezonden; zij moesten dan met prioriteit in de trein naar Auschwitz ingedeeld wor den. Deze 'strafgevailen' waren de enigen omtrent wie bericht van overlijden naar Nederland gezonden werd. 2 Het transport van de 'normale' Joodse gevangenen uit Nederland vond plaats nog voordat in Duitsland een overeenkomstige regeling gold. Deze werd eerst op 18 september' 42 getroffen in een gesprek tussen Himmler en de dr. G. Thierack, met de beperking dat zij aileen gold voor diegenen die tot gevangenisstraf langer dan drie jaar veroordeeld waren. In maart '43 werd bepaald dat zij die tot een kortere straf veroordeeld waren, na afloop van de straftermijn naar Auschwitz of Majdanek gezonden moesten worden.

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

Den Haag geschiedde, 22 augustus, (er vond toen een grote ophaalactie in Scheveningen plaats), werden er driehonderd politiemannen voor opgetrommeld die eerst door Fischer, de no. 2 van IV B 4-Den Haag, toegesproken werden. Voorzover ons bekend, was er slechts één weigeraar: een agent van politie, Pieter Machiel Biever; hij werd gestraft noch gedegradeerd. Bij het ophalen in Den Haag bleek overigens dat het adressenmateriaal dat de Zentralstelle aan IV B 4 toegezonden had, tal van onjuistheden bevatte: het was immers gebaseerd op uit januari' 4I daterende opgaven. De hoofdvertegenwoordiger van de Joodse Raad in Den Haag, mr. H. Edersheim, en zijn plaatsvervanger, M. J. Keyzer, maakten het IV B 4 gemakkelijk en gingen daarbij wezenlijk verder dan de Joodse Raad in Amsterdam gedaan had: zij lieten een splinternieuwe kartotheek van in Den Haag woonachtige Joden opbouwen, die bij IV B 4 door enkele typisten van dè Joodse Raad zorgvuldig up to date gehouden werd, en 'zodra bekend werd dat Den Haag weer een groep Joden naar Westerbork moest sturen, stelde Juden-Pischer ... zich in verbinding met het bestuur van de Haagse afdeling van de Joodse Raad en deelde mee dat weer een bepaald aantal Joden weg moest. Door de Haagse Joodse Raad werd aan de hand van de kartotheek het verlangde aantal plus een paar voor eventuele uitvallers op lijsten, wijk- en straatgewijze ingedeeld, aan Fischer opgegeven."

XCDe in Den Haag gegrepenen werden aanvankelijk in de Cellenbarakken geconcentreerd, maar spoedig in een doorgangshuis aan de Paviljoensgracht dat dezelfde functie kreeg als de Hollandse Schouwburg in Amsterdam. \

Nederlandse Spoorwegen

XC

XC'Spoorwegpersoneel, machinisten, bedenkt dat iedere trein die geladen met slaven door u vervoerd wordt, ter slachtbank gaat!" - aldus de hartstochtelijke oproep van Gerrit van der Veen die wij reeds aanhaalden. Er waren meer van die oproepen die zich bij uitstek tot leiding en personeel van het spoorwegbedrijf richtten. Dat was ook begrijpelijk. wel gingen aan het vertrek per trein der gedeporteerde Joden, zoals wij deden uitkomen, activiteiten vooraf waarbij andere onderdelen van de Nederlandse overheid

XC1 BG-Amsterdam, rijksrecherche: p.v. inz. Asscher en Cohen (18 dec. 1947), p. 7 (getuige D.

BELEID DER SPOORWEGEN

of andere overheidsbedrijven betrokken waren, maar de deportatie werd eigenlijk pas realiteit op het moment van vertrek uit de stad van inwoning. In Amsterdam waren de ritten van de gemeentetram er de inleiding toe inleiding tot het ogenblik waarop vele honderden plaats namen in een trein van de Nederlandse Spoorwegen die op het teken van een Nederlandse perronchef door een Nederlandse machinist in beweging gezet werd.

XCOp de positie van de Nederlandse Spoorwegen en het beleid der directie willen wij in het laatste hoofdstuk van .dit deel terugkomen wanneer die directie bij het uitbreken van de April-Meistakingen voor de vraag komt te staan of zij al of niet zal meestaken - een vraag waarvoor zij zich op dat moment met onontkoombare duidelijkheid gesteld wist. Zo werd, althans door de directie, de situatie in de periode waarin de eerste deportatietreinen met Joden naar Westerbork (aanvankelijk: naar Hooghalen) vertrokken, niet beleefd. Ze was er aan gewend geraakt om, teneinde het bedrijf zoveel mogelijk in eigen hand te houden, Duitse opdrachten stipt uit te voeren, van welke aard deze ook waren. Van het begin van de bezetting af had zich een omvangrijk vervoer ten behoeve van de Wehrmacht ontwikkeld. Voorts waren Nederlandse arbeiders en Nederlandse gevangenen regelmatig naar Duitsland gebracht in Nederlandse treinen. Gevangenen werden veelal niet met speciale treinen getransporteerd, maar wèl de arbeiders, en ook waren het speciale treinen geweest die bijvoorbeeld in mei '42 de onverhoeds gearresteerde Nederlandse beroepsofficieren over de grens voerden. Die treinen waren aangevraagd door de Duitse functionaris die alle kwesties van Duits vervoer regelen moest: de Bahnbevollmächtigte die bij de in Utrecht zetelende directie geplaatst was. Via hem werden ook de deportatietreinen met bestemming Hooghalen aangevraagd; die aanvraag werd dan, wat Amsterdam betreft, door de Zentrolstelle gedaan, wat de rest van het land aanging, door IV B 4-Den Haag. Het feit dat die treinen als regel's nachts moesten rijden, onderstreepte hun sinister karakter: hier vond een transport plaats dat het daglicht niet verdragen kon. Veel personeelsleden waren zich daarvan bewust en zij waren het die (naar wij aannemen: reeds naar aanleiding van de eerste nachtelijke transporten uit Amsterdam op IS, I6 en I9 juli) via hun vakbonden aan de Personeelraad van de Nederlandse Spoorwegen de vraag voorlegden of hier niet alle medewerking geweigerd moest worden. Ir. W. Hupkes, de sterkste figuur in de spoorwegdirectie (wij mogen hem wel als de feitelijke president-directeur beschouwen), verklaarde in '53 jegens de Enquêtecommissie dat 'het Jodenvervoer' 'misschien al een week of een dag of tien liep', voor hij er.persoonlijk van hoorde; dat achten wij niet onmogelijk. Er ontwikkelde zich toen tussen de voorzitter van de Enquêtecommissie en Hupkes de volgende dialoog:

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

XCVraag:'Zijn er nooit conducteurs of machinisten geweest die hebben gezegd: Ik heb dat nu éénsgedaan, maar dat doe ik nooit meer; neemt u maar liever een ander voor mij, ofiets in die geest?'

XCAntwoord: 'Neen, in ieder geval is dat nooit tot mij doorgedrongen' ...

XCVraag:'Het probleem dat men mensen het land uitvoerde die, evenals elke Nederlander, alle rechten en vrijheden hadden in ons land, heeft zich dus bij u niet voorgedaan als zijnde een verkrachting van het Landoorlogreglement ?'

XCAntwoord:'Neen, zo hebben wij dat niet gezien."

XCDe juistheid van het eerste antwoord betwijfelen wij in hoge mate; bij het tweede tekenen wij aan dat Hupkes, zijn mededirecteur ir. W. F. H. van Rijckevorsel en G. F. H. Giesberger, de directe verbindingsman van de spoorwegen met de Bahnbevollmächtigte, zich wel degelijk rekenschap gegeven hebben van het problematische karakter van 'het [odenvervoer'. Het is trouwens nauwelijks aannemelijk dat leden van de Personeelraad hierover niet informeel van gedachten gewisseld hebben met de directie. Formeel heeft deze raad de zaak bij de directie nimmer aan de orde gesteld. Hij heeft er zich wèl mee bezig gehouden. 'Wij werden er voor geplaatst', aldus een der leden, 'ook omdat onze mensen er naar vroegen. Wij hebben toen dit standpunt ingenomen: het is ellendig dat dit moet gebeuren, maar ze zouden toch vervoerd worden. De deportatie van de Joden zou niet afhangen van de vraag, of de spoorwegen hen al of niet vervoerden; ze zou er niet door worden tegengehouden, misschien werden zij wel op beroerder manier vervoerd ... Weigering, hen per spoorweg te vervoeren, zou waarschijnlijk hebben betekend dat de directie van de spoorwegmaatschappij werd verjaagd.'2

XC'Wanneer wij het hadden verdomd', aldus G. Joustra, voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Spoor- en Tramwegpersoneel, lid van de Personeelraad, 'hadden die mensen moeten gaan lopen ... Er was iets dat naar onze mening veel belangrijker was. Dat was, dat onze gehele taakvervulling in stand moest blijven.P Bij Giesberger persoonlijk kwamen, erkende deze, 'diverse mensen ... die zeiden: ... je moet die Joden niet vervoeren.l" Hij nam dan 'het standpunt (in) dat het nog niet de tijd was om de Jodentransporten als zodanig te weigeren. Hij heeft de mensen uiteengezet, hoe dit moest worden gezien en dat men kiezen moest tussen te zeggen: We stoppen er allemaal mee, met alle gevolgen van dien voor het Nederlandse volk, of: We moeten maar zien,

XC1 Getuige W. Hupkes, Enq., dl. VII c, p. 684. 2 Getuige F. P. A. Landskroon, a.v., P.707. 3 Getuige G. Joustra, a.v., p. 700-01. 4 Getuige G. F. H. Giesberger,a.v., p.694· 4

BELEID DER SPOORWEGEN

dat we dit een beetje doen en we moeten maar eens kijken of we op een bepaalde tijd moeten stoppen, maar dat weten wij nu nog niet."

XCBij de woorden : 'We moeten maar zien, dat we dit een beetje doen', tekenen wij aan dat de Joodse deportatietransporten door de Nederlandse Spoorwegen met hun traditionele punctualiteit uitgevoerd zijn; dat de spoorwegen voor alle transporten aparte betalingen hebben ontvangen van het bureau van de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD (nl. uit de opbrengsten van de Joodse vermogens die bij de Vermögensverwaltung und Rentenanstalt geconcentreerd werden) en dat de Dienst van Weg en Werken van het bedrijf op 15 juli '42 van de Bahnbevollmächtigte de schriftelijke opdracht ontving, van Hooghalen een ruim vijf kilometer lange aftakking aan te leggen tot in het kamp Westerbork die' nach einem Jahr' (als alle Joden gedeporteerd waren) 'wieder abgebrochen wetden soli' en waarvoor enig extra materieel 'mietweise' (betaling uit de fondsen van de VVRA) ter beschikking gesteld moest worden 2 (de aftakking werd in januari' 43 in gebruik genomen). En zouden feiten als deze niet alle aan Hupkes bekend zijn geweest? N atuurlijk wel. De gehele zaak is hem wel degelijk in juli '42 voorgelegd en hij heeft toen zijn beslissing genomen. 'Ik vond', zei hij ons in 1960, 'de Jodentransporten allerberoerdst. Inderdaad hoorde ik er pas van toen het al enige tijd aan de gang was, een week of twee. Ik heb er een gesprek over gehad met Giesberger. We vonden het allebei verschrikkelijk. Ik heb regelmatig naar de BBC geluisterd, maar herinner me niet, gehoord te hebben dat de Joden in Polen in massa vermoord werden. Van gaskamers en zo wist ik niets af Je dacht: de mensen krijgen het er moeilijk maar verder wist je van niets. Ik heb overlegd en we kwamen tot de conclusie: we kunnen het niet tegenhouden. Daarom heb ik ook niet de portefeuillekwestie gesteld, waarmee ik in andere gelegenheden soms wel iets bereikt heb. Ik hoorde dat de Joodse Raad in Amsterdam Hofman van de tram gevraagd had, de tram wèl te laten rijden voor de transporten naar het Centraal Station." Ik begrijp best dat de machinisten het ver

XC1 Getuige G. P. Wouters, a.v., p. 715. 2 Brief, 15 juli 1942, van de Bahnbevoll mächtigte aan 'die Generaldirektion der Niederländischen Eisenbahnen, Dienst van Weg en Werken' (Doc II-536, b-I). 3 Wij achten het aannemelijk dat in Amsterdam geprotesteerd werd vanuit het trambedrijf en dat namens de Joodse Raad inderdaad aan de directeur van het gemeentelijk trambedrijf, ir. W. B. I. Hofman, gezegd is dat menliever had dat de voor deportatie opgeroepenen per tram naar het Centraal Station vervoerd werden dan dat zij er heen moesten lopen., Uit de Hollandse Schouwburg vond het eerste transport per tram naar het Centraal Station op 21 oktober plaats. Een van de monteurs van het Gemeente-Energiebedrijf, J. Carels, ontwierp na het begin van de deportaties met enkele gelijkgezinden plannen om sabotage te plegen aan het dradennet van de tram; door gebrek aan steun kwam hij niet aan de uitvoering toe. 4

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

schrikkelijk vonden, maar die konden in een bedrijf als het onze met alléén in staking gaan. De directie moet het voorbeeld geven'1

XCen tot dat laatste achtte de directie zich niet geroepen. Trouwens, in de eerste vergadering van de raad van commissarissen die na het begin van de transporten naar Westerbork gehouden werd, op 5 september '42, werd wèl door de voorzitter, mr. R. J. H. Patijn, hulde gebracht aan de directie voor de wijze waarop zij onder moeilijke omstandigheden aan het bedrijf leiding gaf, maar over de deportatietreinen werd, althans blijkens de vrij uitgebreide notulen, niets gezegd; dat onderwerp komt ook in de notulen vanlaterevergaderingen niet voor. Patijnheeft het slechts bij één gelegenheid, vermoedelijk in de tweede helft van '43, aangeroerd toen hij buiten de vergadering tegen Hupkes zei dat hij 'er onder het publiek veel over hoorde klagen, dat de spoorwegen maar doorreden, Duitse troepen vervoerden en Joden en nog anderen.' Hupkes antwoordde toen dat hij 'niets buiten de regering in Lon:" d~n en buiten de Personeeiraad om' deed (met de regering zou hij 'door de ondergrondse in voortdurend contact' staan) en Patijn nam daar genoegen rnee.ê

XCDe Enquêtecommissie noemde zich in '55 'getroffen' (het bijwoord 'pijnlijk' zou ons inziens niet misstaan hebben) 'door de laconieke wijze waarop de leiding van de spoorwegen en de representanten van de personeelsorganisaties hebben gereageerd op het vervoer van tienduizenden [oden." De commissie wilde overigens 'niet stellen, dat fellere protesten van de zijde van de spoorwegen' (het woord 'fellere' is ons niet duidelijk: er isbeter, want dan konden zij nog iets meenemen ... Zij hadden grote pakken bij zich en dan waren ze beter afin een goederenwagon' (a.v., p.

1 W. Hupkes, jo sept. 1960. 2 GetuigeR.J. H. Patijn,Enq., dl. VII c,p. 748. SWat de leiding vande spoorwegen betrof, had ,L. Neher, die van '43 af een van de voormannen was van het Nationaal Comité van Verzet, van 'niet iedereen' 'de indruk dat ze 'er mee zaten' ten opzichte van de kwestie van het Jodenvervoer en dergelijke.' (getuige L. Neher, a.v., p. 712) Wij vermelden in dit verband dat wij van het relaas dat Giesberger voor de Enquêtecommissie opgehangen heeft: dat eens een trein naar Auschwitz door een verzetsgroep 'tussen Zwolle en Raalte' tot stilstand zou zijn gebracht, maar dat de Joden die zich 'in de bossen verbergen' moesten, toen de wagons niet wilden verlaten (getuige G. F. H. Giesberger, a.v., p. 694), nergens een bevestiging gevonden hebben. Giesberger had dit relaas trouwens uit de tweede hand. Wij zijn bereid aan te nemen dat hij het graag ge loofde. Zonder commentaar citeren wij nog de volgende uitlatingen van hem: 'In het algemeen waren de Joden helemaalniet anti dat vervoer! Zij hebben dat altijd als huil noodlot gevoeld! Dat is zo geweest van het begin af ... In de aanvang hebben wij al die mensen in personenrijtuigen laten vervoeren, wat later echter absoluut verboden werd ... Langzamerhand moesten wij ze toen in goederen wagons vervoeren. Dat was voor die mensen aan de ene kant misschien toch wel

BELEID DER SPOORWEGEN

door de directie en de personeelsorganisaties in het geheelniet geprotesteerd) 'in zoverre concrete resultaten zouden hebben opgeleverd, dat dit transport niet zou hebben plaatsgevonden'l - die conclusie dunkt ons onvolledig. Nederland van Joden te zuiveren, was inderdaad een hoofdpunt op het Duitse program dat de bezetter onder alle omstandigheden en met alle middelen zou hebben trachten te verwezenlijken. Een weigering tot medewerking van de zijde der Nederlandse Spoorwegen zou dan ook, zo vermoeden wij; met terreur gebrokeri zijn. Maar welk effect zou die weigering gehad hebben in andere kringen van de samenleving? Welk effect op de Joden? Welk effect op de niet-Joden die met de vraag worstelden of zij Joden onderdak zouden verlenen? Die vragen laten geen nauwkeurige beantwoording toe - met dat al lijkt ons de conclusie van de Enquêtecommissie te simplistisch. Wij komen in ons volgend deel nog op deze problematiek terug. Hier willen wij er slechts op wijzen dat, in de beginperiode der Jodendeportaties, bruut geweld alleen op de Joden toegepast werd. Elders was dat niet nodig: zonder noemenswaard verzet deden de bij de deportaties betrokken instanties wat van hen verlangd werd. Ten aanzien van een mogelijke bescherming der Joden of zelfs maar van pogingen in die richting liet met name de Nederlandse overheid volledig verstek gaan. Dat heeft zich, dunkt ons, het meest schrijnend geuit bij het door ons vermelde feit dat bij het eerste transport uit Den Haag Joodse 'oorlogsgewonden' gedeporteerd werden, 'die sinds mei '40 in het Militair Hospitaal hadden gelegen.' Kennelijk had geen enkele autoriteit een vinger voor hen uitgestoken.

Vlucht en onderduik

XC

XCHet isolement waarin de Joodse bevolkingsgroep bij het begin van de deportaties al was gedreven, werd door de bezetter nog niet strikt genoeg geacht. Wij vermeldden al dat de Joden te Amsterdam (elders was dat al geschied) eind juli hun fietsen moesten inleveren. In diezelfde maand ontvingen alle Nederlanders die een telefoonaansluiting bezaten, een z.g. Ariërverklaring ter invulling: de Joden onder hen zouden hun aansluiting verliezen, zo ook de niet-Joden .die zouden weigeren, de verklaring in te vullen en op te zenden. Er waren inderdaad niet-Joden die dat weigerden en die afgesneden werden. In totaal werden, hoofdzakelijk ten nadele van Joodse

1 A.v., dl. VII a, p. 390.

]ODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

abonné's, per I augustus ca. 10000 nummers buiten dienst gesteld, 6000 daarvan in Amsterdam. Bureaus en functionarissen van de Joodse Raad benevens bijvoorbeeld Joodse artsen bleven aangesloten. Het feit dat nagenoeg alle Joden hun telefoon waren kwijtgeraakt, betekende niet alleen dat zij hun vroegere persoonlijke en zakelijke contacten moeilijker onderhouden konden, zij waren ook niet langer in de gelegenheid, elkaar bij voorkomende gelegenheden, bijvoorbeeld wanneer in een bepaald stadsgedeelte een razzia plaatsvond, te waarschuwen.

XCEr werden nog méér maatregelen genomen.

XCMet de ingang van de nieuwe cursus werden Volljuden van het volgen van hoger onderwijs uitgesloten; voor alle andere vormen van onderwijs waren een jaar tevoren aparte Joodse scholen opgericht - die werden nu aan het rijksschooltoezicht onttrokken en voortaan gefmancierd uit een apart fonds bij Lippmann-Rosenthal-Sarphatistraat, in welk fonds de Nederlandse overheid per leerling tussen de zeven en vijftien jaar f 40 per halfjaar als subsidie stortte. Schoolgelden die Joodse ouders moesten betalen, kwamen ook in dat fonds terecht.

XCHet lag, tenslotte, in hetzelfde vlak dat in de herfst van '42 overal de aan Joden herinnerende namen van straten enz. gewijzigd werden en dat de dagbladpers niet langer Joodse familie-advertenties mocht opnemen. Begin september '42 klaagde het departement van volksvoorlichting en kunsten er overigens over, dat het nog 'regelmatig' voorkwam, dat namen van Joden in de pers aangehaald werden: 'Dit geldt zowel voor overleden Joden, zoals bijv. Mendelssohn, Esther de Boer-van Rijk, Jozef Israëls, Querido, da Costa, als voor personen die ... Jood of joods-vermaagschapt zijn'"; dit werd, opnieuw, verboden. De bezetter wenste niet alleen dat de Joden uit Nederland verdwenen - Nederland moest een land worden dat er uitzag en zich gedroeg als hadden er nooit Joden gewoond.

XCDie levenswil was het welke velen deed zinnen op mogelijkheden om zich aan vervolging, althans aan deportatie te onttrekken. Wij hebben de indruk dat de gedachten van sommigen zich in de eerste plaats richtten op vlucht naar het neutrale buitenland, vooral naar Zwitserland. Daar zou men veilig zijn. De vlucht bood het voordeel dat men niet voor onbestemde tijd (aan jaren dacht men niet, maar toch wel aan maanden) afhankelijk zou zijn van de hulp van niet-Joden - niet-Joden die men, in de gehele periode waarin men bij hen ondergedoken was, in gevaar zou brengen. Menige Jood die de onderduik overwoog, zag ook daar tegen op.

XCEr bevonden zich al Joden onder de Engelandvaarders die, voor de deportaties begonnen, in Engeland arriveerden; wij moeten aannemen dat er ook Joden waren onder diegenen die op de Noordzee verdronken. Anderen

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

(precieze cijfers zijn niet bekend) trachtten via België en Frankrijk te ontsnappen. In minstens één geval slaagde een groepje van zes Joden er in, Bern te bereiken in een verzegelde goederenwagon die voor meubeltransport gebruikt werd en waarin helpers een goed gecamoufleerd luik aangebracht hadden; toen de zes in Bern de wagon verlieten en naar de chef van het rangeeremplacement gebracht werden, was het eerste wat zij van deze functionaris te horen kregen 'dat wij dan de vracht van Bazel naar Bern moesten betalen, daar wij als passagiers met een vrachttrein meegekomen waren.'! Dat gebeurde op 25 juni' 42 ca. een week voordat de aankondiging der deportaties diepe ontsteltenis wekte onder de in Nederland levende Joden. De impuls tot vluchten werd sterker. Hoevelen in de weken die volgden, dat waagstuk ondernamen, weten wij niet. Het zullen er niet zo weinigen geweest zijn: wij vermeldden al dat het eerste Jodentransport uit Den Bosch meer dan tachtig Joden telde die in Noord-Brabarit tijdens hun vlucht gearresteerd waren. Hulp was bij die vlucht haast onontbeerlijk, speciaal voor het illegaaloverschrijden van de Belgische grens. In de periode '40-' 42 was al e.en aanzienlijk elandestien grensverkeer tot ontwikkeling gekomen waarbij de smokkel van goederen een grote rol speelde. Het kwam er nu op aan, van 'smokkelaars''passeurs' te maken: personen die mensen over de grens smokkelden. Een van diegenen die daarin slaagden, was de Haagse journalist en schrijver Jan Campert.

XCCampert, 'een schuchtere, een eenzelvige, een gekwelde', had op zijn vriend Han G. Hoekstra (van wie die kwalificaties afkomstig zijn) de indruk gemaakt, 'het ontbreken van een duidelijke levenslijn' gevoeld te hebben 'als het kernpunt van zijn lot.'2 Inderdaad, ook in '40 en '4I had Campert danig gezwalkt. Hij had het in die tijd vooral ook in materieel opzicht uiterst moeilijk. Hier was o.m, uit voortgevloeid dat hij in de zomer van '40 bij het gelijkgeschakelde ANP solliciteerde en in de herfst in opdracht van MeyerSchwencke een Duits propagandageschrift vertaalde; Meyer-Schwencke liet hem ook de lay-out ontwerpen van het orgaan van de Nederlandse Kultuurkamer, De Schouw. Er is overigens geen reden om aan te 'nemen dat Campert deze en dergelijke werkzaamheden met voldoening verrichtte: zijn hart was bij het verzet. Enige tijd na de eerste executies die op de Februaristaking gevolgd waren, schreefhij in een flits van inspiratie 'Het lied der achttien doden', dat door meer gedichten van eenzelfde strekking gevolgd werd. Hij was toen ook al bezig, de verzetsdaad bij het verzetswoord te voegen: in de zomer van '42 nam hij contact op met een hem goed bekende

XC1 Niet ondertekende brief, 25 juli 1942 (Collectie-J. J. Vorrink, 3a). a Han G. Hoekstra: Over Jan Camper!

JAN CAMPERT

journalist van de Bredase Courant, M. J. G. Nijkamp, en hij wist, samen met deze, twee passeurs in België te vinden die bereid waren, vluchtelingen via het gebied van Baarle-Nassau over de grens te brengen en hen aan Belgische identiteitspapieren te helpen; de in Baarle-Nassau wonende broer van een van die helpers werd de persoon die waarschuwde als Campert en Nijkamp weer met vluchtelingen in aantocht waren. Voor de gehele operatie moesten die vluchtelingen f 300 per persoon aan de helpers betalen. Zij werden naar Turnhout gebracht en dienden vandaar op eigen gelegenheid verder te reizen. Campert en Nijkamp hadden op deze wijze ongeveer twintig Joden helpen ontsnappen toen zij omstreeks 20 juli '42 samen met een nieuwe Joodse vluchteling gearresteerd werden doordat hun activiteit aan de Sicherheitspolizei verraden was door een onbekende denunciant; de gehele groep werd opgerold. De vluchteling pleegde in de daarop volgende nacht zelfmoord, Campert en Nijkamp zaten geruime tijd in Breda gevangen (waar Campert een roman van Joseph Conrad en gedichten van Shakespeare vertaalde) en kwamen uiteindelijk in het concentratiekamp Netiengamme terecht, waar beiden stierven - Campert in januari' 43, veertig jaar oud.'

XCIn de zomer van '42 werd door een Amsterdammer, Eduard Messer, nog een andere vluchtweg naar België op touw gezet.ê Messer had daartoe contact opgenomen met een oud-politieman uit Essehen (België) en een slagersknecht uit Roosendaal die al een Joodse vrouwen haar dochter, beiden aan Messer bekend, over de grens gesmokkeld hadden, tegen vrij hoge betaling overigens. Messer maakte van deze route gebruik om een tiental Joden naar België te laten brengen, maar hij brak de relatie met de oud-politieman en de slagersknecht af toen hem bleek dat dezen hun fmanciële eisen gingen opschroeven. Messers vriend, de journalist Peter

1 Er is eertijds welbeweerd dat Campert bij zijn hulp aanjoden hoofdzakelijk door financiële motieven gedreven zon zijn; er werd dan op gewezen dat hij in de periode waarin hij die hulp verleende, minder op zwart zaad zat dan tevoren.Wij houden het voor aannemelijk dat Campert wel eens een gift aanvaard heeft van diegenen die hij over de grens bracht, maar het staat vast dat het genoemde bedrag van f 300 niet bij Nijkamp of hem terechtkwam maar bij degenen die de vluchte lingen over de grens hielpen. (PRA-Den Bosch: p.v. no. 5599 inz. het arresteren van Joodse Nederlanders in Noord-Brabant (12 dec. 1947), getuige A. van Loon (16 nov. 1945), p. 46 (Doe. II-363 b, b-I) Campert wordt in dit proces-verbaal als 'Kamper' aangeduid.) De twee passeurs die in België woonachtig waren, kwamen ook in concentratiekampen terecht; zij overleefden de oorlog. 2 Messer was in mei '40 leerling-journalist bij hervatte in de herfst zijn universitaire studie en kreeg een jaar later een aanstelling bij de inspectie van de prijsbeheersing.

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

Mathijs ('Mathieu') Smedts-, die uit de Peel afkomstig was en daar veelvuldig contact gehad had met personen die in de 'pilotenhulp' ervaring hadden, slaagde er toen in, een nieuwe ontsnappingsroute te organiseren waarvan gebruik gemaakt werd niet alleen door relaties van Messer en Smedts maar ook van de journalist A. Ekker en de student H. Pelser; deze laatste kwam de lezer in ons deel 4 al tegen als een van de helpers van Frans Goedhart bij de uitgave van De Nieuwsbrief van Pieter 't Hoen en van Het Parool. Als regel was het Smedts die de vluchtende Joden naar Brussel bracht waar een 'lijn' begon die tot in Frankrijk liep, Die 'hjn' werd in oktober' 42 door de Abwehr gepenetreerd; deze arresteerde Smedts in Brussel terwijl hij in het bezit was van rapporten die V orrink hem toevertrouwd had. Messer werd eind november '42 gearresteerd en Ekker en Pelser vielen begin '43 in Duitse handen. Er zijn door hen samen verscheidene tientallen Joden naar het buitenland in veiligheid gebracht."

XCNaast bonafide personen die bereid waren, aan de bedreigde Joden hulp te verlenen, kwamen ook geheel andere naturen naar voren: bedriegers en oplichters die beweerden volstrekt veilige vluchtwegen te kennen, zich voor hun bemiddeling grote sommen heten betalen en vervolgens de Joden die zich aan hen toevertrouwd hadden, Of volledig aan hun lot overlieten Of aan de Sicherheitspolizei in handen speelden. Dergelijke gevallen hadden zich al vóór de zomer van '42 voorgedaan; zij werden, toen de deportaties eenmaal ingezet waren, frequenter. Daar was een technicus uit Maastricht die aan Joden tegen betaling een adres in Brussel opgaf waar zij verder geholpen zouden worden. Het adres bestond niet; de technicus streek minstens f I2 000 op. Daar was een bouwvakarbeider uit Tilburg die met vier anderen in minstens één geval twee vermogende Joden die hij over de grens zou brengen, van al hun bezittingen beroofde. Daar was een handelaar uit Hilversum, die tegen betaling van f 5 000 per persoon Joden naar de grens bracht waar hij hen vervolgens het staan na eerst nog hun persoonsbewijs aan stukken gescheurd te hebben; in één geval zei hij tegen een vluchteling diesmokkelen, ter dood veroordeeld maar zijn executie werd uitgesteld. Eind april '45 werd hij door de Russen uit een gevangenis in Brandenburg

1 Bij het begin van de bezetting was Smedts medewerker van het Amsterdamse bureau van In september' 40 werd hij verbonden aan het Amsterdamse bureau van de waarvan de leiding en verscheidene medewerkers spoedig in contact kwamen met het de Smedts was begin '42 ondergedoken toen een artikel gepubliceerd had waarvoor de gegevens kennelijk van hem afkomstig waren. 2 Messer, Ekker en Pelser werden tot matige gevangenisstraffen veroordeeld, overigens eerst in maart '44. Smedts was eind oktober '43 wegens zijn poging, geheime gegevens naar het buitenland te

BEDRIEGERS EN VERRADERS

zijn koffers terug wilde hebben: 'Ik steel graag en toen ik voor de eerste keer uw mooie costuum zag, dacht ik: die koffers moet ik hebben. En nu heb ik ze. Ik maak nu nog één Jood met vijftigduizend en dan sluit ik de zaak.'! .Daar was een vertegenwoordiger uit Amsterdam die beweerde, een schitterend werkende vluchtlijn tot in Zwitserland te bezitten - een lijn die in feite niet verder liep dan tot Brussel; ook deze man wist tienduizenden guldens in de wacht te slepen, nog in '44 kon hij zich 'gemiddeld eenmaal per week' een fles 'zwarte' jenever veroorloven 'à f 150 tot f 200 per fles.'2 Daar was een stoffeerder uit Hilversum, G. J. H. Ganzevles, die van de zomer van' 42 afin enkele gevallen Joodse families die hij tegen betaling van f 2 500 naar het grensgebied zou brengen, al op het Centraal Station door de Sicherheitspolizei liet arresteren; de man verried later minstens acht-enveertig Joodse onderduikers waarvoor hij, volgens zijn eigen bewering, van de Sicherheitspolizei f 700 beloning ontving.

XCMisschien zijn deze enkele voorbeelden voldoende om begrijpelijk te maken dat de versterkte drang om te vluchten in Joodse kring gepaard ging met geruchten dat men juist tijdens zulk een vlucht grote kans liep, aan oplichters en verraders in handen te vallen. Henriëtte Davids kwam in de herfst van '42 in contact met een hele organisatie die beweerde, met een rijnaak regelmatig vluchtelingen naar Bazel te kunnen brengen, 'betaling: duizend gulden per persoon vooruit en tweeduizend gulden na aankomst in Bazel.' Ze werd bij 'het tweede transport' ingedeeld, maar trok zich haastig terug toen zij vemam dat het eerste aan de steiger in het IJ geen boot gevonden had, 'maar wel een detachement groenen die vluchtelingen inrekenden.P Verhalen over dit soort gebeurtenissen verspreidden zich als een lopend vuur.

XCHet was overigens in zekere zin gelukkig dat het niet óók nog tot de Joden in Nederland doordrong dat de Zwitserse autoriteiten, bevreesd dat anders teveel Joden in Zwitserland zouden arriveren, medio àugustus '42 de grenzen voor Joodse vluchtelingen gesloten hadden.

XCVan de vluchtelingen naar de onderduikers.

XCWij willen voorop stellen dat het niet mogelijk is, adequaat weer te geven

XC1 PRA-Utreeht: p.v. inz. H. B. (8 okt. 1946), getuige H. J. Cahn (p. 7) (Doe 1-142, a-r), 2 Arr. rechtbank Amsterdam: p.v. zitting inz. Chr. B. (19 dec. 1952), p. 12 (getuige A. van Wilsen) (Doe 1-235 A, a-j), 3 Henriëtte Davids: Mijn levenslied, p. 139-4°·

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

hoe de hulp aan Joodse onderduikers in juli-augustus' 42 op gang gekomen is: er zijn te weinig gegevens. Dat is ook heel wel verklaarbaar. Voor de hulp aan onderduikers, speciaal aan diegenen die zich aan de uitzending als arbeider naar Duitsland wilden onttrekken, kwam begin '43 een grote organisatie tot stand, de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (de LO) die mennauwkeurig in haar ontwikkeling kan volgen, in de eerste plaats door haar eigennaoorlogse documentatiearbeid. De hulp aan de Joodse onderduikers werd daarentegen nimmer landelijk georganiseerd: zij is het werk geweest van talloze kleine groepjes (vaak ontstaan uit aanvankelijk individueel optredende helpers), die soms wel onderling in contact kwamen, in '43-'44 ook wel eens aanhaakten bij de LO, maar toch wezenlijk een zelfstandig karakter bleven dragen. Het waren er, zeker in den beginne, honderden: personen die Joden bij zich thuis verborgen, veelal in samenwerking met andere personen die er voor zorgden dat men voor die Joden de beschikking kreeg over bonkaarten voor levensmiddelen, soms ook over valse persoonsbewijzen en over geld. Geen van die talloze kleine groepjes heeft de eigen geschiedenis op schrift gesteld - een geschiedenis die, daarvan zijn wij overtuigd, in de meeste gevallen een aaneenrijging zou zijn van onvoorziene moeilijkheden die opgelost, levensgevaarlijke crises die bezworen moesten worden. Wij komen er later in dit deelnog op terug en speciaal ook in ons volgend deel, deel z, waarin wij op de gehele problematiek van het onderduiken dieper zullen ingaan.

XCHoeveel Joden in totaal al ondergedoken waren op het moment waarop de 'tweede fase' van de deportaties begon (de fase waarin's avonds ploegen agenten de ronde deden om Joodse gezinnen te arresteren), weten wij niet; wij kunnen het ook niet schatten. Misschien is het een plausibele veronderstelling dat het er niet zovelen waren. In Amsterdam troffen de eerste deportatie-acties hoofdzakelijk Duitse Joden: die hadden over het algemeen minder niet-Joodse relaties dan de Nederlandse Joden, en zonder hulp van dergelijke relaties was onderduiken niet mogelijk. Dan: de deportaties kwamen vrij langzaam op gang; zeker in juli en augustus kon men nog menen dat men een redelijke kans had, nog niet aan de beurt geweest te zijn wanneer het beloofde Tweede Front geopend werd. Voorts: in augustus werden, aldus onze indruk, in hoofdzaak Joden gedeporteerd die in het geheel niet over financiéle reserves beschikten. Tenslotte: die onderduik was zozeer een sprong in het ongewisse dat men er, zo vermoeden wij, niet schielijk toe besloot; er was tijd nodig om naar dat hachelijke besluit toe te groeien.

XCHoe dat alles zij: in juli en augustus' 42 waren er al Joden die onderdoken. Dat ging, wat de volwassenen onder hen betreft, als regel op basis van be

HET UTRECHTSE 'KINDERCOMITÉ'

staande banden: Joden kregen hulp van niet-Joodse familieleden, van vrienden, van kennissen, van politieke of zaken-relaties. Maar het eerste duikadres behoefde niet het laatste te zijn; was er gevaar voor ontdekking, dan moest men verhuizen. Men kwam dan vaak bij vreemden terecht. Jonge Joodse kinderen werden daarentegen al van de zomer van '42 af systematisch juist bij vreemden ondergebracht. Het eerst gebeurde dat op I4 juli, de dag van de razzia in de Amsterdamse Jodenhoek en in Zuid. Een studente uit Utrecht die toen toevallig' in Amsterdam was, nam met toestemming der ouders onmiddellijk negen Joodse kinderen mee naar Utiecht waar zij ze (de jongste was twee jaar) bij de moeder van de student Jan Meulenbelt onderbracht. Meulenbelt moest er op uit om nieuwe onderduikadressen te zoeken. Hij wendde zich voor dat laatste o.m. tot de hoofdassistent van het Criminologisch Instituut der rijksuniversiteit, dr. G. Th. Kempe, en deze adviseerde, het hulpwerk zo breed mogelijk op te zetten. Aldus geschiedde. Er werd in Utrecht een hoofdzakelijk uit studenten bestaand 'Kindercomité' gevormd; dat comité ging in alle delen des lands contacten leggen, vooral natuurlijk in Amsterdan'l: daar zouden de meeste kinderen die men wilde redden, vandaan moeten komen. Intussen was het vinden van de onderduikadressen slechts één probleem uit vele: men moest voor de ondergedoken kinderen ook bonkaarten verkrijgen. 'Normaal' kon dat niet langer - dan maar op andere wijze! Spoedig vond een Utrechtse studente er een dagtaak in om de distributiebureaus in kleine gemeenten af te reizen waar zij goedwillende ambtenaren bereid vond, haar de nodige bonkaarten te geven.' Er waren er steeds méér nodig. Het Kindercomité moest bonkaarten gaan bijkopen op de zwarte markt. Hoe aan geld te komen? Het Episcopaat sprong bij, zoals wij eerder al vermeldden, maar hoe lang zou men met zijn gift van f I2 500 kunnen uitkomen? Wie met het illegale werk begon, viel van het ene probleem in het andere. Gelijk gezegd: dit hoofdstuk is de plaats niet om dieper op die problemen , in te gaan. Liever willen wij de lezer vragen, een moment terug te keren naar die gebeurtenis die wij zoëven slechts terloops vermeldden: dat negen Joodse kinderen uit Amsterdam door hun ouders meegegeven werden aan een

XC1 Iedere burger bezat een distributiestamkaart. Bij die kaart behoorde een inlegvel en op een bonnetje van dat inlegvel verkreeg men periodiek een bonkaart voor levensmiddelen, waarbij dan in een vakje van de distributiestamkaart een teken gezet werd. Doken Joden onder, dan namen zij wel hun distributiestamkaart en inlegvel mee, maar hun bonkaart kwam alleen dan ter beschikking wanneer een ambtenaar bereid was, de kaart af te staan tegen inlevering van het bonnetje van het inlegvel zonder dat de stamkaart, zoals voorgeschreven was, door de houder getoond werd.

]ODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

studente uit Utrecht. Het is toch wel een duidelijke aanwijzing dat die ouders niet slechts voor zichzelf maar ook voor hun kinderen levensgevaar vreesden. Het is, later, duizenden malen geschied: dat Joodse ouders hun kinderen, klein of groot, aan helpers afstonden. En misschien is de vervolging op geen moment zozeer een overweldigende, een verpletterende realiteit geweest als op dat waarop een vader en een moeder, hun machteloosheid beseffend, dwars tegen al hun diepste gevoelens in, hun kind of hun kinderen een onbekende toekomst tegemoet lieten gaan, hopend op wederzien en tegelijk er aan twijfelend. Ach, in elk Joods gezin had men wel van de zomer van' 40 af begrepen, hier vagelijk, daar scherper bewust, dat de bezetting een moeilijke tijd zou worden, maar dat men, na al op tal van wijzen geknauwd te zijn (bedreigd, geplunderd, te hoop gedreven, geïsoleerd), zo spoedig en in feite zo onverwacht voor beslissingen geplaatst zou worden, ondenkbaar in het normale leven, eigenlijk te zwaar om óóit te nemen - neen, dat was niet voorzien. De vervolgers waren bezig, het masker af te werpen, en wat men, als men scherp durfde zien, te ontwaren kreeg, waren moordenaarstronies.

Uitzonderingen?

XC

XCWij hebben er in ons vorige deel op gewezen dat zich van de lente van' 41 af, d.w.z. vanafhet moment waarop het aan Seyss-Inquart en zijn naaste medewerkers bekend werd dat tot een Endlösung der Judenfrage besloten was die zich ook tot de in Nederland levende Joden zou uitstrekken, binnen het Reichskommissariat een heftige competentiestrijd ontwikkeld heeft. Die strijd ging over de vraag wie op het terrein van de Jodenvervolging in laatste instantie, uiteraard binnen het kader van de Berlijnse richtlijnen, de nodige beslissingen zou nemen. Dat conflict lag niet alleen in het formele, maar ook in het materiële vlak en wat zich daarbij in Den Haag afspeelde, was, als steeds, een afspiegeling van een overeenkomstige worsteling aan de top van het Derde Rijk.

XCIn Duitsland strekte de Jodenvervolging zich als regel niet tot personen uit met één of twee Joodse grootouders en, in verscheidene van haar manifestaties, evenmin tot de meeste Volljuden die gemengd-gehuwd waren: zij allen werden niet gedeporteerd (gedoopte Volljuden wèl). Tenslotte was in de herfst van '41, toen uit de grote steden de eerste deportatietreinen naar het oosten vertrokken, bepaald dat Joden, werkzaam in bedrijven die voor de Wehrmacht van belang waren, uitstel van deportatie zouden krijgen. Al die uitzonderingen werden in beginsel door de meest fervente, de meest 'prin

VERDEELDHEID AAN DUITSE KANT

cipiële' Jodenvervolgers absurd geacht, ja schadelijk; zij wensten een integrale [odenverdelging, er mocht nergens, waar ook, een druppel 'Joods bloed' blijven bestaan: eigenlijk moesten dus ook de z.g, half- en kwartJoden verdwijnen, evenals de Volljuden die gemengd-gehuwd waren, en de Joden die voor de Wehrmacht werkten, dienden ten spoedigste door nietJoodse arbeidskrachten vervangen te worden. Zo dacht Himmler er over, zo Heydrich, chef van het Reichssicherheitshauptamt, zo vooralook Eichmann, die eind' 40 binnen dat RSHA hoofd geworden was van het Rejerat IV B 4 waar de algemene organisatie der Endlösung onder ressorteerde.

XCIn '41 hadden Heydrich en Eichmann tot tweemaal toe getracht, de Jodenvervolging en de Jodendeportaties, wat bezet Nederland betrof, als het ware uit het Reichsleommissariat te lichten en ze tot een beschermd domein te maken voor de Sicherheitspolizei. Seyss-Inquart had hun beide keren de voet dwarsgezet : ook ten aanzien van de deportaties moest binnen bezet gebied de hoogste verantwoordelijkheid bij hèm blijven liggen; die deportaties, zo had hij in de herfst van '41 bepaald, zouden, maar dan toch steeds onder zijn supervisie, georganiseerd worden door het in Den Haag gevestigde Rejera: IV B 4 van de staf van Harster, de Befehlshaber der Sicherheitspolizei and des SD, en de daaraan ondergeschikte Zentrolstelle für jüdische Auswande rung die in Amsterdam ressorteerde onder Lages, de chef van het bureauAmsterdam van de Sicherheitspolizei en de SD. Afgezien van de deportaties zouden evenwel, alweer onder Seyss-Inquarts supervisie, de overige beslissingen op het terrein van de Jodenvervolging niet door de Sicherheitspolizei genomen worden maar door Seyss-Inquarts Beauftragter in Amsterdam, dr. Böhmcker (die in de zomer van '42 door dr, Schröder opgevolgd werd). Die beperking van haar competentie was de Sicherheitspolizei zeer onwelkom geweest; misschien had binnen haar ressort niemand er zich meer aan geergerd dan de Höhere SS- und Polizeiführer Rauter, die met verlangen naar de dag uitkeek waarop hij, tot tevredenheid van zijn aanbeden chefHimmler, een volledig genazificeerd en dus volledig van Joden 'gezuiverd' Nederland kon laten opgaan in het germanische Reich dat de eeuwen zou tarten. Dat men voor de Wehrmacht werkende Joden zou toestaan, lange tijd in Nederland te blijven, leek Rauter een dwaasheid en dat men de bescherming van Christen Juden en gemengd-gehuwden een permanent karakter zou geven, beschouwde hij als iets tegennatuurlijks. Misschien maakte hij zich aanvankelijk over al die uitzonderingen niet al te veel zorgen: het moet wel tot hem doorgedrongen zijn dat er gedurende de eerste fase van de deportaties, van medio juli tot eind augustus '42 dus, lang niet algemeen rekening mee gehouden was.

XCWij laten in het midden of daarbij van de zijde' an de Zentrolstelle die de deportatielijsten samenstelde, steeds sprake geweest is van opzet dan wel

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

of er in de haast die men betrachtte (zo mogelijk moest tweemaal per week een trein met duizend Joden van HooghalenfWesterbork naar Auschwitz vertrekken), vergissingen gemaakt werden - een feit is dat diegenen die zich aan de uitzonderingsregels wilden houden, gealarmeerd werden door wat zij als eigenmachtig optreden van de Sicherheitspolizei beschouwden. In juli en augustus werden namelijk in vrij wat gevallen deportatiebevelen uitgereikt aan leden van wat wij nu maar 'beschermde groepen' zullen noemen: gemengd-gehuwde Joden, Christen-juden (minus de katholieken onder hen) en Joden die werkzaam waren in bedrijven die Wehrmacht-orders ontvangen hadden. Wat die laatste groep betreft: eind juni hadden IV B 4 en de Zentral stelle lijsten aanvaard met in totaal z 250 namen van Joodse arbeiders die door de directies van de betrokken bedrijven opgegeven waren. De Zentralstelle moest dus eigenlijk in haar kartotheek op de persoonskaarten van die 2 250 arbeiders en van hun gezinsleden een aantekening plaatsen waaruit zou blijken dat zij althans voorlopig niet op de deportatielijsten mochten worden opgenomen. Daar kwam men niet of althans niet bver de gehele linie aan toe. Het gevolg was dat personen die eigenlijk niet of nog niet gedeporteerd mochten worden, toch in verzamelplaatsen als de Hollandse Schouwburg belandden; was men eenmaal daar, dan verdween men als regel linea recta naar Westerbork, en was men eenmaal in Westerbork, dan had de noodzaak, de voor Auschwitz bestemde trein te vullen, veelal het effect dat men al doorgezonden was voor de protesten hetzij van de niet-Joodse huwelijkspartner, hetzij van de kerken, hetzij van de Rüstungsinspektion duidelijk gemaakt hadden dat de Sicherheitspolizei zich niet aan de geldende regels gehouden had.

XCNog meer groepen waren er die op een zekere bescherming aanspraak maakten: ten eerste diegenen die aan het bureau van de Duitser Calmeyer (onderdeel van Wimmers Generalkommissariat für Verwaltung und justiz) schrifturen hadden voorgelegd waaruit zou blijken dat zij 'eigenlijk' geen Joden waren, althans geen Volljuden; ten tweede een groep Portugese Joden die in de herfst van '41 waren gaan werken met een rapport, 'De afkomst der dusgenaamde Portugese [oden', waarin beweerd werd dat in hun groep nauwelijks 'semietisch bloed' aanwezig zou zijn. De Amsterdamse advocaat mr. H. van Krimpen, die ook al voor vele anderen bij Calmeyers bureau had geïntervenieerd, had dat rapport aan Calmeyer persoonlijk voorgelegd; het was medio juni '42, enige tijd na de invoering van de Jodenster, gevolgd door een adres aan Seyss-Inquart, door bemiddeling van van Krimpen en drie andere advocaten ingediend, waarin drie-en-vijftig 'Portugese Joden' verzocht hadden, van het dragen van de Jodenster alsook van enkele andere vervolgingsmaatregelen te worden vrijgesteld. Het sprak vanzelf dat die

DE PORTUGESE JODEN

drie-en-vijftig na de aankondiging der deportaties met verdubbelde kracht gingen werken aan het anthropologische vlot waarop zij en de andere 'zuivere' Portugese Joden in de orkaan die opgestoken was, veilig hoopten te zijn. Drie problemen rezen hierbij: was het wel waar dat in de aderen der oorspronkelijk Portugese (eigenlijk: Spaanse) Joden nauwelijks 'semietisch bloed' stroomde? Zo dat al waar was, moest men dan niet aannemen dat er met name door de huwelijken tussen Portugese en Hoogduitse Joden die na de achttiende eeuw tamelijk frequent waren geworden, nog maar weinig Portugese Joden waren van wie men kon beweren dat zij, naar het 'ras', niet of nauwelijks als 'Joden' behoefden te gelden? En, de kernvraag: was de bezetter bereid, voor die kleine groep een uitzondering te maken?

XCVan Krimpen drong op dat laatste aan in een brief aan Seyss-Inquart van I augustus' 42 waarin 'hij er op wees, 'dass die Blutmischung der' niederländischen Portugiesen' mit ostjüdischen Familien auf aile Fälle bis rund 1800 auf Aus nahmen beschränkt worden ist.'l Een overeenkomstige conclusie werd in een breed betoog dat tot in het Spanje der Middeleeuwen terugging, aan Calmeyer voorgelegd door een Haarlemse advocate, mr. L. M. 1. L. van Taalingen-Dols; volgens haar waren praktisch alle Spaanse (later: Portugese) Joden van Oostgothische oorsprong.

XCCalmeyer begreep van meet af aan dat hij de grote groep van ongeveer vierduizend Portugese Joden onmogelijk kon redden. 'Man kann', zo adviseerde hij Generalkommissar Schmidt (en dus ook Seyss-Inquart), 'nur bei den aus der Gruppe über eine sowohl genealogische wie p ilitische Prüfung auszusortierenden Personen unter Aufrechterhaltung ihrer Registrierung 2 solche Personen entweder der Behandlung des 'blauen Reiters' zuführen 3 ader hinsichtlich dieser aus sortietien Gruppe eine Auswanderung bezw. Rückwanderung nach Spanien ader Portugal ins Augefassen oderplanen Bin Austausch mit in Süd-Amerika weilenden Deutschen aderNiederlëndern wäre vielleicht zweckentsprechend?»

XCBij Schmidt hadden nog anderen er op aangedrongen, voor de 'zuivere' Portugese Joden een uitzondering te maken, bijvoorbeeld de Haagse procureur-generaal, de NSB' er mr. R. van Genechten, en mr. Vissers opvolger als

XC1 Brief, 1 aug. 1942, van H. van Krimpen aan Seyss-Inquart (Vu], HA Inneres, 152 a). 2 alsJoden. 3 In de lente van' 42 was men ten aanzien van enkele tientallen Joden begonnen, bij de ontvangstbewijzen-persoonsbewijs, bij de registratieformulieren krachtens verordening 6/41 en bij de persoonskaarten in de gemeentelijke bevolkingsregisters de z.g. zwarte ruiter (witte J op zwarte ondergrond) door een blauwe ruiter (witte J op blauwe ondergrond) te vervangen: de betrokkenen bleven daardoor in de bevolkingsregisters alsJoden geregistreerd maar wat de vervolgingsmaatregelen betrof, golden zij niet als Joden. 'Brief, 6 aug. 1942, van H. Calmeyer aan GK Schmidt (Vu], HA Inneres, 152 d).

JODENDEPORTATIES, EERSTE FASE

president van de Hoge Raad, mr. J. van Loon. Er werd nu van Den Haag uit bij het Auswärtige Amt geïnformeerd of Portugal dan wel een Zuid-Amerikaans land bereid gevonden kon worden, een groep uit Nederland afkomstige Portugese Joden op te nemen. Het Auswärtige Amt deed weten dat men die zaak eerst kon gaan overwegen wanneer Portugal of een Zuid-Amerikaans land er het initiatief toe nam; dat laatste werd weinig waarschijnlijk geacht - conclusie: 'Bereinigung durch Abschiebung, genau wie [uden, nach dem Osten.'! Die conclusie werd in de Chejsitzung die, onder Seyss-Inquarts voorzitterschap, vermoedelijk op 21 augustus gehouden werd, aanvaard, met dien verstande evenwel dat Calmeyer in wezen zijn zin kreeg: 'Ein zeljlille, bei denen die portugiesische arische Abstammung glaubhaft gemacht wetden honne, könnten zur Entscheidung vorgelegt werden'2 - en voor het desbetreffende voorstel diende Calmeyer te zorgen. wel te verstaan: Calmeyer kon wel menen dat een bepaalde Portugees-Joodse familie 'eigenlijk' niet-Joods was, maar het bleef de vraag of de Sicherheitspolizei bereid zou zijn, zich bij die constatering neer te leggen. Trouwens onder de vierduizend Joden die in de eerste helft van juli naar de Zentralstelle ontboden waren om hun deportatiebevel in ontvangst te nemen, waren al verscheidenen die konden aantonen dat Calmeyers bureau bezig was te onderzoeken of zij wel terecht als Voll juden golden; Calmeyer had toen aan Harster voorgesteld dat hij een lijst zou maken van 'alle noch schwebende Gesuche, soweit nicht vö'llig aussichtslos' die lijst zou hij dan aan Aus der Fünten doen toekomen, aanvullingen zouden kunnen volgen."

XCHet werd, al met al, reeds in de eerste fase van de Jodendeportaties aan het Reichsleommissariat duidelijk dat er onder de honderdveertigduizend Voll [uden, tot wie de Endlösung zich diende uit te strekken, vele duizenden waren die in het kader van de geldende regels voorlopig niet of in het geheel niet gedeporteerd mochten worden. Ordnung muss sein! Begin september werd besloten dat diegenen die tot de beschermde groepen behoorden, een gedateerd en op bepaalde wijze genummerd stempel in hun persoonsbewijs zouden krijgen. De tekst luidde: 'Inhaber dieses Ausweises ist bis auf weiteres vom Arbeitseinsatz freigestellt' - 'bis auf weiteres' : de Zentralstelle welke die stempels zou aanbrengen, en de sector van de Sicherheitspolizei in het algemeen, dachten voor geen enkele groep aan blijvend uitstel. Intussen zou dat stempel het begaan van vergissingen kunnen voorkomen; men zou er ook veel rompslomp door vermijden, veel interventies, veel noodkreten op het

1 Notitie, II aug. 1942, van Calmeyer (a.v., 122 b). 2 Brief, 25 aug. 1942, van Bene aan het 362433-34). 3 Notitie, 16 juli 1942, van Cal meyer betr. een gesprek met Harster 151 h).

HET REDDENDE'STEMPEL'

laatste moment. De speciale ophaalploegen die bij de tweede fase van de Jodendeportaties ingeschakeld zouden worden, zouden precies weten waar zij aan toe waren: zolang een bepaald sternpel geldig was, mocht de houder niet gedeporteerd worden.

XCHet lag voor de hand dat de medewerkers van de Joodse Raad en allen die, naar het oordeel van de raad, 'voor het gemeenschapsleven der Nederlandse Joden onmisbaar' waren, óók zulk een stempel zouden ontvangen. Dat zou, van de bezetter uit gezien, grote voordelen bieden: bij hun vertwijfeld pogen, zulk een stempel te verkrijgen, zouden de Joden hun aggressiviteit op elkaar richten, niet op de bezetter, en de bezetter mocht verwachten dat allen die een Joodse Raad-stempel zouden ontvangen, er toe zouden bijdragen dat die raad hem belangrijke diensten zou blijven bewijzen. Nadelen zag de bezetter niet: uitstel, altijd tijdelijk, van de deportatie van enkele tienduizenden paste in zijn opzet; hij kon tenslotte bezwaarlijk honderdveertigduizend Joden tegelijk deporteren.

Hoofdstuk 2: Waar blijft het Tweede Front?

XC

XCWas het feit dat de Joden gedeporteerd zouden worden, aan alle Nederlanders bekend? Dat gaat vermoedelijk te ver. Zeker, op 29 juni had men het kunnen lezen in het krantenverslag van Schmidts toespraak en op 26 juli was het in de kerken meegedeeld, maar niet iedereen was op een krant geabonneerd of ging terkerke; lang niet iedereen luisterde naar de Engelse radio; ook kreeg lang niet iedereen min of meer regelmatig exemplaren van illegale bladen in handen en die bladen waren de enige die berichtten dat en hoe de deportaties begonnen waren: zij bevatten bijvoorbeeld (wij citeerden ze) beschrijvingen van de razzia's die op 14 juli en op 6 en 9 augustus in Amsterdam gehouden waren. Natuurlijk waren er talloze Amsterdammers die deze razzia's persoonlijk zagen, talloze anderen in en buiten de hoofdstad die er van hoorden. Men moet evenwel goed voor ogen houden dat de deportaties, nu even van de razzia's afgezien, zich eigenlijk van meet af aan op zulk een wijze voltrokken dat er maar weinig van doordrong tot de niet-Joodse buitenwereld: het vertrek naar Westerbork speelde zich meestal's nachts af. Werden Joden door politie-agenten uit hun huizen opgehaald, dan konden de buren het merken en, in ruimere zin, de bewoners van dezelfde straat of van dezelfde buurt. In andere buurten hoorde men dan hoogstens de dag daarna 'dat ze weer bezig geweest waren, de vorige avond.' De Nederlandse pers en de Nederlandse omroep zwegen over dit alles en wij achten het aannemelijk dat er hele streken in het land waren (streken waar weinig of geen Joden woonden), waar de bevolking hoogstens bij geruchte vernam wat zich elders afspeelde, en daar in elk geval geen duidelijk beeld van had.

XCAllen, en dat was toch stellig een aanmerkelijk deel van de bevolking, die dat duidelijke beeld wèl hadden, konden zich in de eerste fase van de Jodendeportaties aan de verwachting vastklampen, dat deze niet lang zouden duren: het zou met de macht van de vijand spoedig gedaan zijn, het Tweede Front was beloofd, en wie 'Tweede Front' zei, zei 'bevrijding'. De grote massa leefde in de veronderstelling dat op het moment waarop de (naar men aannam) gigantische legers van Engelsen en Amerikanen in West-Europa zouden landen, het Derde Rijk als een kaartenhuis ineen zou storten. Men had die Geallieerde invasie al in de lente verwacht, het Amerikaans-EngelsRussische communiqué van II juni dat als de aankondiging van het spoedig

'WIJ HIJGEN NAAR DE BEVRIJDING'

te openen Tweede Front geïnterpreteerd werd, was eigenlijk niet meer dan een bevestiging van die verwachting. Nog een bezettingswinter, even bar als die van' 4I-' 42? Verdere verarming? Weer tienduizenden arbeiders naar Duitsland? Voortgezet getreiter door NSB'ers en andere 'foute' elementen met hun hele sleep van akelige Nazi-organisaties: Landstand, Arbeidsfront, Winterhulp, Volksdienst, Kultuurkamer? Dat mocht niet, dat kon niet. Velen hadden al bij het begin van de zomer van' 42 het gevoel dat zij in een onleefbare wereld beland waren; dat gevoel was door de intimiderende maatregelen die de bezetter getroffen had, nog belangrijk versterkt: de executie, eerst van Sneevliet en de zijnen, nadien van twee-en-zeventig, vervolgens nog eens van vier-en-twintig OD' ers; daarna het met list wegvoeren van alle Nederlandse beroepsofficieren, het als gijzelaar arresteren van vele honderden vooraanstaanden. Twee jaar bezetting - neen, er mocht geen derde jaar aan toegevoegd worden! 'Slapeloos liggen we te woelen, lange uren van de nacht, door de ellende die ons benauwt en van alle rust berooft', schreef eind juli een met het verzet samenwerkende ambtenaar van het gewestelijk arbeidsbureau-Zwolle in zijn dagboek - '0, wij hijgen naar de bevrijding .. .'1

XCDe meeste illegale bladen gingen er van uit dat die bevrijding niet lang op zich zou laten wachten. Vrij Nederland leidde in juni uit de Britse berichtgeving af dat er geen reden was, 'te twijfelen aan de komst der invasie. Die komt zeker en hoogstwaarschijnlijk deze zomer." Eind juli sprak het blad de verwachting uit, 'dat de eerstkomende weken voor de toekomst van ons land van het allergrootste belang zullen zijn.'3 Eveneens eind juli publiceerde Het Parool'aanwijzingen voor de burgerbevolking in geval van invasie', een en ander gebaseerd op 'de grote waarschijnlijkheid van een spoedige Engelse landing' :

XC'Alle mogelijke hulp aan de invasiesoldaten moet gegeven worden door levensmiddelen,fietsen, inlichtingen te verstrekken. Vergeet niet dat ge dan vaak staanzult tegenover een dier dappereHollandersdie in Engeland thans onze bevrijding voorbereiden.Wijs daarentegen de Duitsersverkeerd de weg, hak zo mogelijk hun vele richtingsbordenom of, nog beter, stel deze een kwart of een halve slag om. Maak hen nerveus door verkeerde inlichtingen, vertel aan elke Duitser, dat ge iemand bent tegengekomen die u vertelde dat hij daarginds Engelseparachutistenen vliegtuigenzagneerkomen" - wie deze en dergelijke instructies in de illegale pers las, haakte naar het

XC1 A. van Bov~n(ps.van A. van de Kamp) :JanJansen in bezetgebied. Oorlogsdagboek van een ambtenaar (1946), p. 159 (30 juli 1942). 2 Vrij Nederland, II, 12 (beginjuni 1942), p. 8. 3 A.v., II, 17 (23 juli 1942), p. 5. Het Parool, 41 (25 juli 1942), p. 2.

WAAR BLIJFT HET TWEEDE FRONT?

ogenblik waarop hij er naar kon gaan handelen! Evenals in '40 en '41 geschied was, werden ook nu, in die nerveuze zomer van '42, tal van 'voorspellingen' doorgegeven: de 'profetie van een onbekende monnik', 'de profetie van Sint Odilia', 'de voorspelling van de zalige pastoor van Ars' het waren allemaal even vage als duistere, uit het verleden daterende teksten waarin wie dat wilde de spoedige val van het Derde Rijk aangekondigd zag; concreter en actueler was de 'voorspelling van een kapitein van het Indische leger' die vermoedelijk in de lente van '42 in circulatie kwam. Onder' 5 juni' las men daar: "Tobroek gaat verloren', en ziet: in juni hadden de Britten die vesting in Libye inderdaad moeten prijsgeven! Geen nood: volgens dezelfde voorspelling zou Duitsland op 7 oktober '42 capituleren en drie weken later zou koningin Wilhelmina in Scheveningen landen.

XCTallozen waren er die de bedwelming van dit soort voorspellingen moeilijk konden missen. '0, wij hijgen naar de bevrijding .. .'

XCTot dat verlangen droeg de verontwaardiging over de willekeur van het Duitse bewind in hoge mate bij. Welnu, juist in die periode waarin men dagelijks het nieuws van de inzet der invasie verwachtte, deden zich twee gebeurtenissen voor die het vrijwel alle Nederlanders, 'fouten' en onverschilligen uitgezonderd, opnieuw inscherpten dat zij onder een systeem van volstrekte rechteloosheid waren komen te leven. Wij denken dan aan de grootscheepse en onverhoedse fietsenvordering die zich medio juli voordeed, en aan het fusilleren van vijf gijzelaars wegens een spoorwegaanslag te Rotterdam een maand later.

De fietsenvordering

XC

XCWelke factoren er toe geleid hebben dat het begin juli binnen het Duitse militaire apparaat in bezet gebied tot een vrij acute beduchtheid kwam voor een Geallieerde invasie in Nederland, weten wij niet; wel was het vanuit die beduchtheid dat Wehrmachtbefehlshaber Christiansen op 9 juli per brief aan Seyss-Inquart deed weten dat hij voor de Wehrmacht vooreerst ca. 50000 herenfietsen nodig had die 'spätestens innerhalb 8-14 Tagen' ter beschikking gesteld moesten worden. 'Die Räder', aldus Christiansen, 'sind fast ausnahmslos zur schnelleren Verschiebung von Reserven bestimmt. Die Verzögerung des Einsatzes einer Reserve um eine halbe Stunde kann die Entscheidung einer Kampf handlung bedeuten.'l

1 Brief, 9 juli 1942, van de van de aan Seyss-Inquart 136 g).

DE FIETSENVORDERING

XCHoe kon men op zo korte termijn aan 50000 fietsen komen? De Joden buiten Amsterdam hadden kort tevoren hun fietsen moeten inleveren; 10000 fietsen (6 500 herenfietsen, 3 500 damesfietsen) bevonden zich nog in de opslagplaatsen, maar, aldus IV B 4-Den Haag: 'der Zustand der abgelieferten Räder ist derartig schlecht, dass bestenfalls gegenwärtig nur 1000 brauchbare Räder zur Verfügung stehen.? Inbeslagneming bij de fabrieken zou niet voldoende resultaat bieden, evenmin inbeslagneming bij de groot- en kleinhandel, want wat daar aan nieuwe fietsen stond, had geen banden. De fietsen die de Wehrmacht zo dringend nodig had (van 50000 waren het inmiddels lOO 000 geworden), moesten dus bij het publiek in beslag genomen worden.

XCSeyss-Inquart besliste op 14 juli dat men in alle gemeenten des lands een vorderingsactie moest uitvoeren. Er werden toen vanuit het Reichskommissa riat bezwaren kenbaar gemaakt (vermoedelijk werd voorzien dat die actie grote verontwaardiging zou wekken) en zo werd het zaterdagavond 18 juli (van de door Christiansen genoemde termijn van acht tot veertien dagen waren al negen verstreken!) voor de secretarissen-generaal Frederiks en Hirschfeld door de Generalkommissar fiir Verwaltung und Justiz, Wimmer, van de Duitse eisen in kennis gesteld werden, zulks met de mededeling erbij dat de eerste 50 000 fietsen al op dinsdag 21 juli ter beschikking moesten staan, de tweede 50 000 twee-en-een-halve week later: op 8 augustus. Wimmers medewerkers hadden de termijn van drie dagen voor de eerste vordering (met nog een zondag er bij!) absurd kort gevonden, maar Christiansens stafofficier met wie telefonisch contact opgenomen was, had van geen ververlenging willen weten: 'jede halbe Stunde sei kostbar' , had hij gezegd.ê

XCEr leek Frederiks en Hirschfeld geen andere mogelijkheid te bestaan dan dat de 100 000 herenfietsen door de gemeentepolitie in beslag genomen zouden worden. Zij meenden evenwel dat het niet nodig was, het gehele land in rep en roer te brengen: de actie kon beperkt blijven tot de 144 gemeenten die meer dan tienduizend inwoners hadden. Een snelle becijfering leerde dat men de eerste 50000 fietsen bijeen kon krijgen indien daar per gemeente een aantal gevorderd werd, gelijk aan 0.9 % van het aantal inwoners per I januari 1941. Voor de drie grootste gemeenten werden aparte aantallen bepaald: Amsterdam zou 8 000 fietsen moeten leveren, Den Haag 4000, Rotterdam werd ietwat gespaard (3 300 fietsen), vermoedelijk vanuit het besef dat het toch al zo zwaar getroffen was door de bombardementenInneres

1 Brief, 18 juli 1942, van de aan (a.v.). 2 Notitie, zz juli 1942, van de aan Wimmer (a.v.).

WAAR BLIJFT HET TWEEDE FRONT I

van mel 40 en oktober '41. 1 Nog op zaterdagavond werden de burgemeesters in de grootste gemeenten telefonisch gewaarschuwd; zij en alle overige van de 144 ontvingen voorts een regeringstelegram waarin bepaald was dat 'handwerklieden' , landbouwers, personeel van politie, brandweer en luchtbescherming alsmede bezitters van dienstfietsen hun fiets zouden mogen behouden; 'indien enigszins mogelijk, dienen mede te worden vrijgesteld zij die het rijwiel voor de uitoefening van hun beroep volstrekt nodig hebben.' Frederiks seinde tenslotte:

XC'Laat wijze van organisatie overigens aan uw beleid over zo bijvoorbeeld of het niet wenselijk ware vordering in de eerste plaats te verrichten bij verhuurinrichtingen, garages en andere opslagplaatsen en voorts bij voorkeur op straat, bij sportwedstrijden enzovoort stop u dient u voor te bereiden op een tweede inlevering in aanvang maand augustus stop strikte geheimhouding dringend geboden.'"

XCDit telegram riep een niet gering aantal problemen op. Frederiks' suggestie om o.m. 'bij voorkeur op straat, bij sportwedstrijden enzovoort' de fietsen in beslag te nemen, leek het beste middel om een maximum aan onrust te veroorzaken. Bovendien: waarom werden de 'handwerklieden' zonder uitzondering vrijgesteld en niet al diegenen 'die het rijwiel voor de uitoefening van hun beroep volstrekt nodig' hadden? En moest geen vergoeding betaald worden? Binnen enkele dagen verstrekte Frederiks nadere instructies: de burgemeesters werden gemachtigd, fietsen die in beslag genomen waren bij hen die ze inderdaad voor hun beroep behoefden, terug te geven en de schadevergoeding werd op f 50 per fiets vastgesteld - maar toen lag de vorderingsactie die grote onrust gewekt had, al achter de rug.

XCIn Amsterdam belegde burgemeester Voûte op zondagmorgen 19 juli een bespreking o.m. met de gemeentepolitie. Daar werd vastgesteld dat men maandagochtend in de vroegte de fietsenstallingen in het grootste deel van Amsterdam-zuid zou bezetten (alleen de arbeidersbuurt 'de Pijp' viel er buiten). De politie bezat geen lijst van stallinghouders ; zondagmiddag werden er motorrijders op uitgezonden om hun adressen te noteren. Verscheidene van die motorrijders waarschuwden de stallinghouders en bovendien drongen die middag al berichten door dat in het nabije Amstelveen fietsen gevorderd werden. Er ontstond een run op de stallingen: duizenden, wellicht tien

1 Vlissingen kwam geheel buiten de actie te vallen; de haveninstallaties waren er in de voorafgaande periode het doelwit geweest van Engelse luchtaanvallen. De bevolking had daar zozeer onder te lijden gehad dat zelfs de gehele evacuatie van de stad overwogen werd. 2 Telegram in 136 g.

DE FIETSENVORDERING

duizenden haalden in de gehele stad hun fiets uit de stalling, verborgen deze op zolders of in schuurtjes of gingen haar demonteren. IJlings begon de politie agenten te sturen naar de stallingen met opdracht niemand meer toe te laten, maar eerst in de loop van de avond had men voor alle ruim honderd stallingen die uitgekozen waren, wachtposten kunnen plaatsen. Maandagmorgen kregen diegenen die onder de uitzonderingsregels vielen, nog gelegenheid, hun fiets uit de stalling te halen voorzover zij dat niet al gedaan hadden ; toen men ging tellen wat er nog stond, had men 2 000 herenfietsen bijeen - een kwart van wat nodig was! Er werd toen door de burgemeester en de politie-autoriteiten besloten, tussen twaalf uur en half een op vier punten om de binnenstad heen fietsen op straat in beslag te nemen; elk punt werd met tien agenten en tien man personeel van het stadhuis bemand opbrengst: 67 fietsen. Vervolgens werden de fietsenstallingen bij het Centraal Station en de stallingen van enkele grote banken bezet - dat leverde meer op: ruim 600 fietsen, maar met name bij enkele bankinstellingen had het personeel, tijdig gewaarschuwd, zijn fiets in veiligheid kunnen brengen door het werk af te breken en naar huis te gaan. Van vier uur op die maandagmiddag tot des avonds zeven uur werd toen door dertig agenten en dertig ambtenaren van het stadhuis een vorderingsactie ondernomen in de Watergraafsmeer (Amsterdam-oost): huis aan huis werd aangebeld en gevraagd of er fietsen waren. Resultaat: 17Ó fietsen, ofwel per agent c.q. ambtenaar nog niet eens één fiets per uur! Er werd, dat is duidelijk, op enorme schaal gesaboteerd en wij veronderstellen dat de 170 fietsen die tenslotte gerequireerd werden, in ruime mate in beslag genomen waren bij NSB' ers voor wie tot hun grote ergernis geen algemene uitzondering gemaakt was. Dinsdag 2! juli (de actie moest die dag voltooid zijn!) huis-aan-huis razzia in heel Amsterdam-zuid: meer dan honderd agenten konden welgeteld 220 fietsen buitmaken. Nog twee dagen lang werden die razzia's voortgezet - toen had men in Amsterdam eindelijk een kleine 3 600 fietsen bijeen.

XCIn de overige gemeenten die onder de vorderingsactie vielen, ging het, naar wij aannemen (onze gegevens zijn onvolledig), niet wezenlijk anders toe. In Tilburg (buit: 841 fietsen) zag men maandagmorgen mensen 'op fietsen, zo gammel en zo slecht dat zelfs de Duitsers ze niet wilden hebben en her was soms vermakelijk om te zien, hoe zelfbewust deze fietsers de ene na de andere vorderingshindernis namen.'> In Wisch en Terborg kocht het gemeentebestuur 'wat oude fietsen op, om het de mensen niet te moeilijk te maken'2 (wij nemen aan dat dit geschiedde ter aanvulling van de fietsen

XC1 Gemeente Tilburg: Tilburg in de oorlogsjaren 1940-1945 (z.j.), pag. 35. 2 J.J. G. Boot: Burgemeester in bezettingstijd

WAAR BLIJFT HET TWEEDE FRONT 1

die gevorderd waren). In Leeuwarden gingen op maandagmorgen zestien agenten in zestien straten die door loting bepaald waren, huis aan huis hetsen in beslag nemen. 'De mare', aldus de burgemeester aan Frederiks, 'ging nog sneller dan radioberichten door de betrokken en aangrenzende straten; voorzover de rijwielen niet reeds weggewerkt waren, werden zij ... over de schuttingen heen aan achterburen gegeven ... Uit aangrenzende straten werden zij Of naar de hersteller gebracht, z.g. voor reparatie, of naar buiten de gemeente wonende kennissen. Daarna is overgegaan tot de ook in uw telegram genoemde manier van op straat aanhouden ... Het gaf weinig, aangezien de aanhoudingsposten spoedig door een belangstellende menigte waren omringd en dus reeds van verre kenbaar waren . .. Maandagavond zijn daarom nieuwe adressen uit het bevolkingsregister genomen en zijn 1000 (vorderings)lastgevingen gemaakt (later nog uitgebreid tot 1200). Van de ingeleverde rijwielen was een groot aantal ondeugdelijk."

XCIn Den Haag had men op maandag 20 juli de gevraagde 4 000 hetsen bijeen (waaronder de flets van Frederiks die hem bij een straatrazzia ontnomen was!) 'Den Haag hat ... sehr gute Arbeit geleistet', werd bij het Reichs kommissariat genoteerd.ê In Rotterdam werden in plaats van de opgelegde 3 300 hetsen 5 000 in beslag genomen. In totaal werden in de gemeenten die onder de actie vielen, ruim 53 000 hetsen buitgemaakt, maar het duurde bijna twee weken voor daarvan de eerste partijen tot een totaal van bijna 25 000 door de Ortskommandanten afgenomen waren. Van die ruim 53 000 was 'ein grosser Teil infolge schlechter Bereifung für Wehrmachtsaujgaben unge eignet'"; het werd oktober voor men uit de Duitse en de Nederlandse productie voldoende banden bijeen had om de laatste partijen van de ruim 53 000 fletsen onder de eenheden van de Wehrmacht te verdelen.

XCOp 7 augustus, één dag voor de datum waarop, volgens het oorspronkelijke plan, de tweede actie die opnieuw 50 000 fietsen had moeten opleveren, ten einde moest zijn, was Frederiks door Wimmer 'streng vertraulich' ingelicht dat die tweede actie 'zurückgestellt' was: 'Infolge des Eintreffens motorisierter Verbande in den Niederlanden wetden die weiteren 50 000 Fahrräder einst weilen nicht benötigt.'4 Dat argument was er, dunkt ons, met de haren bijgesleept; wij nemen aan dat het in werkelijkheid ook tot Seyss-Inquart doorgedrongen was dat de twijfelachtige militaire baten van de vorderingsactie verre overtroffen waren door de politieke kosten. 'Nauwelijks enigeBrief,julivan de burgemeester van Leeuwarden aan Frederiksj).Notitie,julivan de(a.v.,g).Telexbericht, II aug. 1942, van de WEN aan de HA Inneres (a.v., 136 k). Brief, 7 aug. I942, van de HA Inneres aan Frederiks (a.v., I36

1 24 1942, 136 2 .20 1942, 136 3

DE FIETSENVORDERING

andere daad der bezetters (heeft)', schreef Het Parool, 'een zo wilde woede, een zo grote verbittering veroorzaakt als deze massale rijwieldiefstal'l - dat was een constatering die geheel overeenkomt met die welke men in de geheime maandrapporten van de grootste Duitse Peldkommandantur in ons land kan aantreffen: 'Der Niederländer, derfast mit der fiets geboren wird, sieht in der Wegnahnie desse/ben sa ungefähr das Schlimmste, was ihn treffen konnte>, 'wahl noch keine deutsche Massnahme hat derartige Erbitterung in allen Volkskreisen ausgelost.? Niet anders oordeelde de Sicherheitsdienst: "Stimmungsmássig hat sich die Aktion derart deprimierend ausgewirkt, wie bisher noch keine deutsche Massnahme' (Den Bosch), 'die Aktion hat eine bisher nie gekannte Empörung in der Bevölkerung ausgeliist' (Arnhem), 'man bezeichnet die Aktion ganz oBen als Diebstahl' (Leeuwarden)."

XCBij dat alles moet men bedenken dat, toen de actie ingezet werd, niemand onder de burgerij er enig denkbeeld van had, hoeveel fietsen de bezetter in handen trachtte te krijgen. Dat was, het land als geheel genomen en nu alleen op de eerste actie lettend, niet meer dan één op de vijftig à zestig - maar dat wist men niet. In de steden durfden velen dagenlang hun fiets niet meer te gebruiken. Een ieder voelde er zich in zijn bezit bedreigd - bovendien in een deel van zijn bezit dat, gegeven de volte in de publieke vervoersmiddelen en het naderen van de vakantieperiode, dubbel waardevol was; óók onvervangbaar: nieuwe fietsen waren praktisch niet te krijgen. Men begreep trouwens de haast niet die het overheidsapparaat, kennelijk onder Duitse druk, had moeten betrachten. Waren de Engelsen soms al in Frankrijk geland, moesten daar haastig versterkingen heengezonden worden en was dat de achtergrond van de actie waar men in de betrokken gemeenten op zondag 19 juli van vernam? Op maandag de zoste deden er wilde geruchten de ronde: de een zei dat er in Frankrijk al gevochten werd, de ander dat de invasie in elk geval binnen enkele dagen ingezet zou worden, een derde dat het gebeurde aantoonde dat de Duitse industrie zozeer in puin lag dat de Duitsers zelf geen fietsen meer konden produceren.

XCDe meeste van die geruchten ebden na enkele dagen weg. Wat achterbleef was de overtuiging dat de bezetter, als het er op aankwam, voor geen enkele vorm van roof zou terugschrikken. Wat evenwel medio augustus, lutteleParool,'LageParool reageerde op de fietsenvordering dan op de aangekondigde deportatie der Joden;

1 Het blad uitte tevens kritiek op 'de al te gewillige en serviele medewerking van vele Nederlandse burgemeesters en politie-ambtenaren'. 4I (25 juli I942), p. 4-5) 2 724: (3I juli I942), p. 3. 3 A.v.: 26' (29 aug. I942), p. I. 4 Notitie, 20 juli I942, van de aan de I36 g). Het verdient de aandacht dat, blijkens en de Duitse rapporten, de bevolking algemener en feller

WAAR BLIJFT HET TWEEDE FRONT?

weken later, geschiedde, trofhet volk als geheel nog dieper: er werd bekendgemaakt dat uit de groep der gijzelaars die in interneringskampen in NoordBrabant opgesloten zaten, vijf personen gefusilleerd waren als represaille voor een verzetsdaad waarvoor hun, gevangenen als zij waren, geen enkele verantwoordelijkheid aangewreven kon worden.

De vijf gijzelaars van Rotterdam

XC

XCIn de loop van '42 had zich in Rotterdam en omgeving een sabotagegroep van hoofdzakelijk CPN' ers gevormd die nauw samenwerkte met het Z.g. Militair Contact van de CPN, de landelijke sabotage-organisatie welke in de herfst van '41 ontstaan was. De Rotterdamse groep noemde zich 'de Nederlandse Volksmilitie'; leider was de in 1908 in Rotterdam geboren Samuel Zacharias Dormits. Deze had een deel van zijn jeugd in Zuid-Amerika doorgebracht, was nadien in Den Haag gaan wonen, had van eind '37 af als vrijwilliger meegevochten in het Spaans-republikeinse leger en was, vermoedelijk in '39, weer naar Den Haag teruggekeerd waar hij in radioonderdelen ging handelen. Hij was een overtuigd commnnist - en hij had militaire ervaring. Van de acties die hij vóór augustus '42 ondernam, kennen wij geen bijzonderheden; wij weten wel dat Dormits in de zomer van '42 aan de leiding van het Militair Contact, te weten aan Gerben Wagenaar, het plan voorlegde voor een spectaculaire aanslag: hij wilde midden in Rotterdam op het spoorwegviaduct tussen de stations Beurs en Delftse Poort een zware lading tot ontploffing brengen op het moment dat een trein met Duitse militaire verlofgangers dat punt zou passeren; de rails maken er een bocht en Dormits nam aan dat mede daardoor een deel van de wagons van het viaduct naar beneden zou storten. Wagenaar was het met hem eens dat de aanslag, als hij lukte, diepe indruk zou maken op de burgerbevolking, vooral op de arbeiders; hij droeg zorg dat Dormits de beschikking kreeg over een aanzienlijke hoeveelheid trotyl die afkomstig was van de Staatsmijnen waar Wagenaar enkele goede contacten bezat.

XCOp vrijdagochtend 7 augustus ca. kwart voor zeven slaagde de groep van Dormits er in, de explosieve lading op de plek te plaatsen die zij uitgekozen had; er liep van de lading een draad vermoedelijk naar een punt onder het viaduct waar Dormits of een van de leden van zijn groep zich verborgen opgesteld had. De trein met verlofgangers (uit contacten binnen de spoorwegen wist men hoe laat hij vertrekken zou) had enige vertraging; toen een baanopzichter om tien voor zeven de plek waar de lading lag, per fiets passeerde, raakte hij de draad met zijn.wiel of een trapper aan. Een klein deel

MISLUKTE AANSLAG

van de lading ontplofte, de opzichter werd zwaar gewond; het baanvak was binnen enkele uren weer in beide richtingen berijdbaar, maar voor het zover was, had de Sicherheitspolizei het deel van de lading dat niet ontploft was, gevonden en,was het haar duidelijk dat de trein met verlofgangers aan een groot gevaar ontsnapt was. De zaak werd zowel aan de Wehrmachtbejehls haber als aan het Reichsleommissariat gerapporteerd.

XCImpulsief en driftig als hij was, geraakte generaal Christiansen in grote opwinding: het mocht dan waar zijn dat de aanslag mislukt was, maar ware een deel van de lading niet voortijdig ontploft, dan zouden stellig onder de verlofgangers talloze slachtoffers gevallen zijn. Zijns inziens diende men te reageren alsof.er inderdaad Duitse slachtoffers waren; gegeven de waarschijnlijkheid dat de Geallieerden spoedig in West-Europa zouden landen, wellicht in Nederland, achtte hij het noodzakelijk dat het de bevolking eens en voor al duidelijk gemaakt werd dat zij zich van elke vorm van actieve steunverlening aan de Engelsen en Amerikanen te onthouden had. Notabene: twee dagen tevoren, 5 augustus, had de gehele pers een waarschuwing van hem, de Wehrmachtbefehlshaber, opgenomen waarin van die bevolking een volstrekt ordelijk gedrag gevergd werd - nauwelijks was de tekst verschenen of een grote aanslag was bijna werkelijkheid geworden. Hier moest een duidelijk voorbeeld gesteld worden! Er zaten op dat moment in NoordBrabant meer dan duizend gijzelaars gevangen van wie veruit de meesten begin mei en medio juli gearresteerd waren; 'wanneer het', zo had het Reichsleommissariat medio mei bekendgemaakt, 'tot gewelddadige handelingen tegen .. _Duitsers in de bezette Nederlandse gebieden zou komen ... , dan staan deze gijzelaars met him leven hiervoor borg.' Welnu, voor Christiansen stond vast dat een aantal van de Brabantse gijzelaars onverwijld gefusilleerd moest worden; daar had hij evenwel niet over te beslissen, maar Seyss-Inquart, de Reichskommissar.

XCOp zaterdagmorgen 8 augustus belegde Seyss-Inquart een bespreking waar Christiansen met twee van zijn naaste medewerkers verscheen: de chef van zijn staf, Generalmajor K. Drum, en het hoofd van zijn juridische afdeling, Oberstkriegsgerichtsrat der Luftwaffe dr. Gaykow; ook Rauter, Schmidt en Wimmer waren aanwezig. Christiansen die tevoren overleg gepleegd had met het Oberkommando der Wehrmacht, stelde namens de Wehrl1lacht de formele eis dat twintig gijzelaars met hun leven zouden boeten voor hetgeen in Rotterdam geschied was en dat aan die represaille een maximale publiciteit gegeven zou worden. Rauter sprak zich daar fel tegen uit; de Hohere SS und Polizeiführer wees er op dat elk bericht waarin men zou erkennen, onschuldigen gefusilleerd te hebben, grote verontwaardiging zou wekken, men zou er de Londense radio die in de herfst van' 41

WAAR BLIJFT HET TWEEDE FRONT 1

aan de executie van gijzelaars in Frankrijk, een grote dienst mee bewijzen"; in een 'Germaans' land als Nederland paste het executeren van gijzelaars niet en bovendien, aldus Rauter: de aanslag was vermoedelijk door geheime agenten uit Engeland gepleegd, hij had het onderzoek aan Kriminalleommissar Schreieder opgedragen die nagenoeg al die agenten had weten te arresteren, Schreieder had er zijn meest geslepen Vi Mann (Anton van der Waals) bij ingeschakeld en Rauter vertrouwde dat de Sicherheitspolizei binnen enkele dagen de daders van de aanslag in handen zou hebben.

XCChristiansen handhaafde zijn eis: onmiddellijke executie van twintig gijzelaars; dat was, zei hij opnieuw, een eis van de Wehrmacht,

XCSeyss-Inquart en Schmidt (Wimmer zal in de discussie wel geen grote rol gespeeld hebben) zaten tussen twee vuren. Gegeven de snelle vorderingen die de Duitse legers maakten in de richting van de Kaukasus, vertrouwden zij dat het, al was Amerika dan aan de oorlog gaan deelnemen, toch zou komen tot consolidatie van het door Duitsland gedomineerde Europa waarin N ederland zou moeten opgaan; veruit de meeste Nederlanders waren fel antiDuits - zouden die gevoelens (die, naar zij hoopten, op den duur zouden uitslijten) niet nog aanmerkelijk sterker worden, ja zou de weg naar het politieke doel dat de bezetter trachtte te bereiken, niet volledig versperd worden als het bloed van onschuldigen publiekelijk vergoten werd? En zonder dwingende noodzaak! Er was een aanslag beraamd - maar hij was niet doorgegaan. Anderzijds: hoe zou Hitler reageren als hij vernam dat de Reichskommissar en zijn naaste politieke medewerker de eis van de Wehrmacht afgewezen hadden? En als een overkomstige aanslag een week of een maand later wèl gelukte, zou men dan niet kunnen stellen dat zij door hun terughoudendheid de levens van Duitse soldaten in gevaar gebracht hadden?

XCDe discussie golfde heen en weer, drie uur lang. Het kwam tenslotte tot een compromis. Om te beginnen werd afgesproken dat het recherchewerk met kracht voortgezet zou worden en dat de Nederlandse bevolking tot vrijdagavond 14 augustus de gelegenheid zou krijgen, er medewerking aan te verlenen door het doen van mededelingen, desgewenst anoniem - daarvoor zou een beloning van f 100 000 in het uitzicht gesteld worden. Kreeg men evenwel de daders van de aanslag, die zich natuurlijk ook zelf zouden kunnen melden, niet in handen, dan zouden op zaterdagochtend 15 augustus gijzelaars gefusilleerd worden: niet twintig, maar vijf. Vijf was een voorstel van

lOp 20 oktober '4I was in Nantes de bij een aanslag om het leven gebracht; diezelfde dag waren vijftig inwoners van Nantes bij wijze van represaille gefusilleerd, enkele dagen later opnieuw acht-en-veertig omdat de bevolking bij het onderzoek onvoldoende medewerking zou hebben verleend.

BERAAD BIJ SEYSS-INQUART

Schmidt dat, ondanks Rauters voortgezette oppositie, eerst door SeyssInquart en vervolgens door Christiansen aanvaard werd.

XCDiezelfde avond, 8 augustus, werd 'op bevel van de Weermachtsbevelhebber in Nederland' (Seyss-Inquart had er geen bezwaar tegen, de indruk te wekken alsof hijzelf slechts uitvoerende instantie was) in de Nederlandse pers en radio een officiële bekendmaking van Rauter gepubliceerd waarin meegedeeld werd dat 'onverantwoordelijke elementen' daags tevoren 'een aanslag gepleegd (hadden) op een spoortrein der Duitse weermacht. Een Nederlandse spoorwegbeambte is bij de vervulling van zijn plicht het slachtoffer van deze aanslag geworden' (de man was in leven gebleven). Hadden de daders van de aanslag zich niet vóór l4 augustus te middernacht bij de politie gemeld of waren zij dan niet 'vooral door medewerking van de bewoners des lands' opgespoord (de beloning van f lOO 000 werd vermeld), dan zou 'teruggegrepen worden op een aantal gijzelaars die met hun leven voor dergelijke daden van sabotage borg staan.' Dat 'aantal' werd niet nader gespecificeerd. Er zijn aanwijzingen dat aan Duitse kant de afspraak gemaakt was dat men, als Nederlanders daarnaar informeerden, meedelen zou dat aan een aantal van vijftig gedacht werd. Dat zou er de schrik injagen!

XCHet lijkt ons onwaarschijnlijk dat er van de zijde van de daders ernstig over gedacht is, zichzelf bij de politie te gaan melden. Dat doende zouden zij immers niet alleen hun eigen leven verspelen maar ook dat van anderen in gevaar brengen: zij moesten aannemen dat de barbaarse Duitse verhoormethoden tot talrijke arrestaties in hun kring konden leiden waaruit nieuwe doodvonnissen zouden voortvloeien. Bovendien wist niemand hunner met zekerheid dat de bezetter inderdaad gijzelaars zou gaan fusilleren; deed hij dat wèl, dan kon overigens het effect van deze evidente rechtsschending de verzetsgeest alleen maar ten goede komen.

XCHet scheelde niet veel of Dorm its en de zijnen vielen de Duitsers in handen. Schreieder was, in tegenstelling tot Rauters opinie, al spoedig tot de conclusie gekomen dat Engeland met de aanslag niets te maken had. Op zaterdag 8 augustus had hij een van de gevangen genomen agenten van het Bnglandspiel naar Rotterdam meegenomen en deze had bevestigd dat het trotyl en de wijze waarop de aanslag voorbereid was, er op wezen dat de Britse sabotagedienst SOB er buiten stond. Die conclusie werd nog bevestigd door het Kriminaltechnische Institut der Sicherheitspolizei te Berlijn waaraan

WAAR BLIJFT HET TWEEDE FRONT?

weten dat het trotyl van een type was dat veel in steenkolenmijnen gebruikt werd. Het leek Schreieder aannemelijk dat men de daders in arbeiderskringen moest zoeken, en dan vermoedelijk bij de communisten die in het algemeen op sabotagegebied zeer actief waren.

XCInmiddels was van der Waals aan het werk getogen.

XCSchreieder was er van uitgegaan dat personen die iets met de aanslag te maken hadden gehad, bezwijken zouden voor de verleiding, af en toe in de buurt poolshoogte te nemen, en inderdaad kwam van der Waals op maandag 10 augustus in een café bij het viaduct in gesprek met iemand die op hem de indruk maakte, een communist. ja de eigenlijke pleger van de aanslag te zijn wellicht heeft van der Waals met Dormits zelf gesproken. Vast staat in elk geval dat Dormits op dinsdag I I of op woensdag 12 augustus in handen viel van de Rotterdamse Sicherheitspolizei toen deze buiten medeweten van Schreieder ter controle opeens een groot aantal personen oppakte die zich bij de plek van de aanslag bevonden. De Sicherheitspolizei liet Dormits nog diezelfde dag na controle vrij (hij had een persoonsbewijs op naam van iemand anders) maar de leider van de Volksmilitie had kunnen zien dat een van de leden van zijn groep, een spoorwegman, vastgehouden werd; hij dook onmiddellijk in Den Haag onder. Van der Waals was op donderdag 13 augustus het spoor bijster; hij kon slechts hopen dat het hem zou lukken, binnen enkele dagen nieuwe contacten te leggen - hij wist nu definitief, waar hij zoeken moest: bij de illegale CPN.

XCNa de bekendmaking van zaterdagaugustus was in het gehele land, speciaal natuurlijk in de kringen van familieleden en vrienden van de meer dan duizend gijzelaars, de spanning van dag tot dag gestegen. Ook de angst: angst dat de Duitsers hun dreigement zouden uitvoeren. Het sterkst waren die gevoelens in Rotterdam. De burgemeester, de NSB'er ir. F. E. Müller, deed er op dinsdagaugustus in de pers een beroep op de inwoners 'om hun volle medewerking te verlenen bij het ophelderen van deze wandaad'. De Nieuwe Rotterdamse Courant schreef op woensdag dat 'de persoonlijke eer' van de plegers van de aanslag vergde dat zij zich bij de politie zouden melden- en op donderdag verschenen in de Rotterdamse bladen twee verklaringen, de eerste van een aantal burgers, de tweede van de kerkeraden van alle protestantse gemeenten in Rotterdam.

8 II

XC1 Nieuwe Rotterd. Crt., 12 aug.

DE ROTTERDAMSE OPROEPEN

XCDie eerste verklaring wenste 'duidelijk naar voren te brengen, dat de vrijdag 7 augustus 1942 te Rotterdam gepleegde bomaanslag te beschouwen is als een onverantwoordelijke daad, die aan dit feit geheel onschuldige medeburgers aan levensgevaar blootstelt'; aan die verklaring hadden twee-en-dertig vooraanstaande Rotterdammers hun naam gegeven. Het initiatief tot die actie was genomen door Seyss-Inquarts Beaujtragter, dr. C. L. F. Völckers, die als eersten burgemeester Müller, mr. K. P. van der Mandele (voorzitter van de Kamer van Koophandel), mr. A. R. Andringa (officier van justitie) en mr. A. F. Zwaardemaker (president van de Rotterdamse rechtbank) in de arm genomen had. Völckers had er niet alleen op aangedrongen dat er een publieke verklaring zou komen waarin de aanslag duidelijk afgekeurd werd - hij had ook het plan ontwikkeld dat enkele jeugdige personen die zoons, broers of verwanten van uit Rotterdam afkomstige gijzelaars waren, zich als vrijwilligers voor het Oostelijk front zouden melden. Generalkommissar Schmidt had dat een schitterend denkbeeld gevonden; hij had, toen Völckers hem het plan was komen voorleggen, diens beide handen gepakt en gezegd: 'Wenn Sie das erreichen leonuten, ~ürden Sie meiner hiesigen Politik einen grossen Dienst leisten.? Bij van der Mandele, Andringa en Zwaar.demaker had Völckers op dit punt evenwel niets bereikt: zij waren bereid, samen met anderen de gepleegde aanslag publiekelijk te veroordelen - zij waren niet bereid, dienstneming aan het Oostelijk front te bevorderen.

XCDe kerkeraden van de protestantse gemeenten zeiden in hûn verklaring, 'dat ze de daad van sabotage op vrijdag 7 augustus, waardoor het leven zowel van Duitse als van Nederlandse staatsburgers in het uiterste gevaar is gebracht, ten strengste veroordelen' - en hierop volgden zes-en-dertig namen, tezamen negentien kerkelijke gemeenten vertegenwoordigend. Bij de voorbereiding van deze actie was men hoogst onzorgvuldig geweest: voor de kerkeraad der Gereformeerde Kerk in Hersteld Verband stond er de naam van Buskes als praeses onder, terwijl deze van de gehele actie niets wist; hij keurde later de inhoud van de verklaring scherp af.

XCHoe oordeelden de Rotterdammers? Wij hebben er geen denkbeeld van. Verscheidenen waren er in elk geval die er geen bezwaar tegen hadden, adhesie te betuigen aan de oproep van mr. van der Mandele c.s., zulks in de hoop dat men daardoor de executie van gijzelaars zou kunnen voorkomen. Er gingen op vrijdag 14 augustus (de dag waarop de aanslag uiterlijk opgehelderd moest zijn) in verschillende stadswijken lijsten rond waarop men zijn

XC1 GemeentepolitieRotterdam: p.v. C.L.F. Völckers (31juli 1946), p. 7 (Doe. 1-1808. a-z), 7

WAAR BLIJFT HET TWEEDE FRONT I

handtekening kon plaatsen. De nervositeit was aangewakkerd doordat menigeen vernomen had dat in de voorafgaande dagen nog meer Rotterdammers in gijzeling genomen waren: de chef van het station Delftse Poort, een substituut-officier van justitie, een bankdirecteur', een bedrijfsleider, een ingenieur, twee kooplieden en het oud-lid van de Tweede Kamer, mr. L. A. Donker.

XCInmiddels was aan Duitse kant bepaald, welke gijzelaars eventueel gefusilleerd zouden worden: vijf Rotterdammers. SS-Obersturmbannführer Knolle, hoofd van de Abteilung Sicherheitsdienst binnen Harsters staf, op dat moment plaatsvervangend Bejehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD (Harster vertoefde in Berlijn), had samen met de Rotterdamse Aussenstellenleiter een keuze gemaakt uit de dossiers van de uit Rotterdam afkomstige gijzelaars. Ze hadden er twintig geselecteerd. Die twintig dossiers waren aan Rauter voorgelegd. Rauter had de vijf met de meest bezwarende gegevens uitgekozen; die vijf dossierswaren, vermoedelijk op donderdag 13 augustus, aan Seyss-Inquart en Schmidt overhandigd. Schmidt had er Seyss-Inquart toen op gewezen dat koningin Wilhelmina op 6 augustus, een week tevoren, voor het Amerikaanse Congres in Washington een toespraak gehouden had die weer van haar onverzoenlijke vijandschap jegens het Derde Rijk getuigd had, en hij had voorgesteld dat men onder de vijf twee zou opnemen van wie men mocht aannemen dat de koningin zich met hen speciaalverbonden zou voelen. Dat had Seyss-Inquart een uitstekend denkbeeld geleken. De naamlijst van alle gijzelaarswerd geraadpleegd en de keuze viel op de negenen-veertigjarige Otto Ernst Gelder graaf van Limburg Stirum die eind '41 na een conflict met de secretaris-generaal van justitie, de NSB' er Schrieke, uit zijn functie als substituut-officier van justitie te Arnhem ontslagen was; blijkbaar veronderstelden Seyss-Inquart en Schmidt dat er een bijzondere band bestond tussen de koningin en de nazaten van het Driemanschap van 1813. Meer nazaten leverde de gijzelaarslijst evenwel niet op. Dus werd de lijst van reserve-gijzelaars er bij gehaald. Daarop troffen de Reichskom missar en zijn politieke adviseur de naam aan van een Schimmelpenninck, nl. van Alexander baron Schimmelpenninck van der Oye, een landeigenaar op Schouwen. Hij was nog jong: acht-en-twintig jaar; eind '41 was hij getrouwd, zijn vrouw was in verwachting. De Sicherheitspolizei had al twee

XC1 Tot een zoon van deze bankdirecteur drong het voorstel van Völckers door met betrekking tot de dienstneming aan het Oostelijk front. Hij meldde zich als vrijwilliger. Zulks maakte op Seyss-Inquart zoveel indruk dat hij de vader onmiddellijk -uit de gijzeling ontsloeg. De zoon behoefde overigens niet naar het Oostelijk front

DE VIJF SLACHTOFFERS

maal getracht, hem als gijzelaar te arresteren; beide keren had zij hem in Den Haag vergeefs op het adres gezocht waar hij voor zijn huwelijk gewoond had. Nu werd het juiste adres vastgesteld. Op vrijdagochtend 14 augustus ging de opdracht uit, Schimmelpenninck naar het gijzelaarskamp te St. Michielsgestel te brengen; 's middags om één uur werd hij gearresteerd. De avond tevoren had hij tegen een landbouwer gezegd: 'Ik voel het zwaard van Damocles aan een draad boven mijn hoofd hangen; morgen is het een gevaarlijke dag' - toch was hij thuis gebleven.!

XCVan de vijf oorspronkelijk uitgezochte Rotterdammers werden drie gehandhaafd: mr. Robert Baelde, vijf-en-dertig jaar oud, een bekend vrijzinnig-protestant die op sociaal-paedagogisch gebied grote activiteit ontplooid had en bovendien een vurig kaderlid geweest was van de Nederlandse Unie; Christoffel Bennekers, acht-en-veertig jaar, hoofdinspecteur van de Rotterdamse politie, en Willem Ruys, eveneens acht-en-veertig jaar, een van de directeuren van de Rotterdamse Lloyd; van hem wisten de Duitsers dat hij in de herfst van '41 contact gehad had met een SOE-agent, Homburg. Vrijdagochtend kwamen Seyss-Inquart, Schmidt en Christiansen opnieuw bijeen; Christiansen keurde de wijzigingen goed.

XCOp donderdag 13 augustus hadden niet alleen de protestantse gemeenten in Rotterdam zich moeite gegeven, het fusilleren van gijzelaars te voorkomen, het Interkerkelijk Overleg had hetzelfde gedaan: de waarnemend secretaris van de Algemene Synode der hervormde kerk, dr. W. J. de Wilde, had een telegram tot Seyss-Inquart gericht- waarin de 'onderstaande kerken' (het waren er negen, van welke met minstens één, de door Buskes vertegenwoordigde Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, geen contact opgenomen was") 'het dringend verzoek' uitten, 'geen onschuldigen te doen boeten. Immers, zij kunnen part noch deel hebben aan een daad, zoals in uw bekendmaking vermeld, die door de kerken en daarin door het overgrote deel van ons volk wordt afgekeurd.'

XCZowaar: er werd op dit telegram gereageerd. Vrijdagochtend 14 augustus

1 (1947), p. 34. Tekst in Touw: dl. II, p. 107. 3 De Gereformeerde Ge meenten van ds. G. H. Kersten ontbraken; Kersten had wèl de oproep van de Rotterdamse kerken ondertekend.

WAAR BLIJFT HET TWEEDE FRONT 1

werd dr. de wilde naar het Reichskommissariat ontboden, waar hij door Schmidts Persönlicher Referent, Hauptmann E. Gruf£ke, ontvangen werd. De Wilde zou er het slachtoffer worden van een perfide comedie. 'Haupt mann Gruffk:e', aldus Touw,

XC'deelt hem mede dat het telegram vanmorgen besproken is door Seyss-Inquart, Christiansen en Schmidt. Inderdaad zit dit illustere drietal in de aangrenzende kamer. Aan dr. de Wilde wordt meegedeeld dat er vijftig personen op de lijst staan om gefusilleerd te worden. Deze protesteert daartegen. Hij kondigt aan dat dit tot een opstand van het Nederlandse volk zalleiden, en dat het bovendien in flagrante strijd is met alle recht. Daarop gaai Gruf£kenaar de aangrenzende kamer en blijft daar ongeveer een kwartier. Als hij terugkomt, brengt hij het bericht: in verband met het telegram is de lijst tot de helft ingekort. Dr. de Wilde herhaalt opnieuw: 'Dat zijn er nog veel te veel!' Weer gaat Gruf£ke weg en komt terug met de boodschap: 'Er zijn er slechts vijf overgebleven.' Onverstoorbaar houdt dr. de Wilde vol: 'Dat zijn er vijf te veel. Ik vraag de vrijlating voor allen.' Maar Gruffke antwoordt dat er in elk geval een voorbeeld moet gesteld worden en dat verder protest nu geen zin had.

XC'Maar het is toch verschrikkelijk, onschuldigen te laten boeten! Is daaraan nu niets meer te doen ?'

XC'Ja, mein Gott, ich kann es auch nicht helJen.Es wird uns auch au/er/egt.' '1

XCDie vrijdagavond om negen uur, drie uur voor middernacht, belde Schreieder Rauter op. Schreieder zei dat van der WaaIs vertrouwde, zeer binnenkort de illegale CPN in de gewenste richting te kunnen penetreren. 'Aan het einde van mijn gesprek met Rauter heb ik', aldus Schreieder kort na de oorlog,

XC'woordelijk gezegd: 'Gruppenführer, ich rufe Sie deswegen an wei/ nach meinet Überzeugung die Erschiessung van Geise/n nicht mehr. natwendig ist.' Rauter vroeg mij daarna naar de naam van de dader en wanneer ik dacht hem te arresteren. Ik antwoordde hem dat ik de naam nog niet wist omdat: de man op het laatst was weggebleven, doch dat ik ervan overtuigd was, binnen enkele dagen weer in contact. met hem te kunnen komen, daar de kring waarin de man verkeerde, mij bekend was. Na enig heen en weer.gepraatbesloot Rauter het gesprek met deTouw: Het verzet derHervormde Kerk, dl.p.

1 I, 66-67.

IS AUGUSTUS

vaststelling dat de fusillering zou doorgaan omdat de medewerking van de bevolking niet voldoende was geweest.'!

XCBaelde, Bennekers, van Limburg Stirum, Ruys en Schimmelpenninck van der aye werden in de ochtendschemering van zaterdag I S augustus in de bossen bij St. Michielsgestel door een executiepeleton van de Ordnungspolizei gefusilleerd. Pers en radio verspreidden diezelfde dag een bekendmaking van Rauter:

XC'Aangezien ondanks de uiterst dringende uitnodiging van de Wehrmachtbefehls haber, General der Flieger Christiansen, de daders van de springstofaanslag te Rotterdam te laf zijn geweest om zich aan te melden', zijn de volgende gijzelaars aangepakt en hedenmorgen doodgeschoten' de namen: volgden.

XCNeen, het kwam in bezet gebied niet tot de 'opstand' die dr. de Wilde voorspeld had. Wèl durven wij stellen dat zich gedurende de vijfbezettingsjaren zelden een moment voorgedaan heeft waarop de Nederlandse bevolking met zo heftige verontwaardiging kennis genomen heeft van een daad van de bezetter als op die r sde augustus 1942 waarop het bericht van de terechtstelling van 'de vij~ gijzelaars van Rotterdam' gepubliceerd werd. Een stroom van protestbrieven kwam bij Christiansen binnen, vele daarvan met naam en-adres erbij. Het Lagebericht van zijn eigen staf sprak van 'een 'aus serordentliche Erregung>, het Monatsbericht over augustus constateerde, 'dass seit Beginn der Besatzungszeit kein deutscher Schlag so stark empfunden wurde ... Soviel Ablehriung bis tief in die Kreise der wirklich deutschfreundlid: gesinnten Hollander sah man nie, soviel Hass wurde wohl selten mit einem Mal festgestellt.'3

XC'Die letzten Verständigungsmöglichkeiten zwischen der Besatzungsmacht und dem niederländischen Volk gingen für immer verloren', aldus een Duitse officierinz.(Doea-r). WBN, c: 'Lagebericht'Auszug aus Monatsbericht WBN, Monat A'tlgustOCCWC, solI).

1 PR,A-Den Haag: p.v. H.A. Ranter (6 dec. 1947), p. 128 r-I380, 2 p. 5 (CDr). S 1942', p. 2 (Neur, doc. PS-I857,

WAAR BLIJFT HET TWEEDE FRONT?

toen hij zes weken later in een stafbespreking bij Christiansen een overzicht gaf van de binnenlands-politieke toestand.' 'Ein Tiefstand nie erlebter Ableh nung, ein nie gekannter Hass gegen Deutschland gewinnt in den Niederlanden an Raum.'2

XCStellig moeten wij in die rapporten van het Duitse militaire apparaat ook de weerslag zien van de opvattingen van menig traditioneel denkende officier uit de Wehrmachi: dat het Nazibewind en de bij impulsen zo fanatiek optredende Christiansen het Nederlandse volk systematisch de verkeerde richting opdreven; die rapporten waren dan ook mede als kritiek bedoeld aan het adres van de Wehrmachtbefehlshaber en van zijn twee stafleden die hem bij de beslissende bespreking op 8 augustus vergezeld hadden - wij zouden ze daarom nog niet onjuist willen noemen. Waarlijk, men had van de Duitsers al veel meegemaakt, maar dit! Vijf onschuldigen gefusilleerd! Men was er diep ontzet over ('dit salvo heeft's lands hart kapot gereten', schreefTop Naeff)3ontzet, ook wanneer men er niet bovendien van overtuigd was (en die overtuiging werd door velen aangehangen) dat de gehele spoorwegaanslag door de Duitsers zelf geënscèneerd was. Er zijn, dunkt ons, velen geweest aan wie nu opeens het inzicht daagde dat men via de bezetter met een systeem geconfrontreerd werd dat niets gemeen had met Nederlandse waarden. Zelfs aan Hirschfeld die steeds van opinie geweest was dat hij met de Duitsers op de grondslag van een zeker wederzijds vertrouwen zaken kon doen, vielen de schellen van de ogen. Hij had Ruys goed gekend. Diens fusillering werd voor hem, zo drukte hij het in de herfst van '45 uit, 'een keerpunt van beslissende betekenis.ë

XCTekenend voor de veranderde stemming was een waagstuk dat J. C. Fraenkel, de kort tevoren benoemde waarnemend hoofdredacteur van De Telegraaf, ondernam. Op maandag 17 augustus wees hij er in een hoofdartikel op (wij memoreerden het reeds kort in ons vorige deel) dat' de leider van het Nederlandse informatiebureau' te Londen op 8 augustus in een reactie op de eerste bekendmaking naar aanleiding van de spoorwegaanslag te Rotterdam verklaard had: 'Het ergste wat zou kunnen gebeuren is voor de bevolking van het bezette land in opstand te komen tegen de Duitsers voordat de tijd daartoe rijp is. De Nederlandse regering te Londen heeft de Nederlandse bevolking herhaaldelijk gewaarschuwd, niets te ondernemen, voordat een

XC1 Deze spreker wees ook op de invoering van de Jodenster, op de gijzelaarsacties en op de fietsenvordering. 2 'Protokoll abeT die Besprechung der Bejehlshaber und Kom mandeure am 2.10.1942 beim WBN' (CDI, 10.0812). 3 Top Naeff: 'De eerste gijzelaars', In Klein witboek. Verzen 1940-1945 (1947), p. 27. 4 H. M. Hirschfeld: 'Mijn beleid als secretaris-generaal en mijn standpunt t.a.v. de 'Illegaliteit" (22 okt. 1945),

REACTIES

definitieve instructie uit Londen wordt gegeven.' 'Daarmee', had Fraenkel toegevoegd, 'wordt elke twijfel opgeheven aan wat onder deze omstandigheden Nederlandse plicht voorschrijft'l - het was een dubbelzinnige formulering: aansporing zich nu rustig te houden, maar ook om in de laatste fase van de oorlog (en die was, meende men, een kwestie van weken, hoogstens maanden) de 'definitieve instructie' van Londen op te volgen: Verscheidene nationaal-socialistische C.q. pro-Duitse journalisten verbaasden er zich hogelijk over dat Fraenkel niet meteen gearresteerd werd", het weekblad van de Nederlandse SS, Storm-SS, noemde zijn stuk 'het meest krankzinnige hetzartikel dat sinds 1939 geschreven werd."

XCEnkele tientallen vooraanstaande Rotterdammers hadden, zoals wij weergaven, 'de gepleegde bomaanslag''een onverantwoordelijke daad' genoemd en de Rotterdamse kerkeraden hadden verklaard dat zij 'de daad van sabotage ten strengste veroordelen' - op die twee uitlatingen (het telegram van het Interkerkelijk Overleg bleefbinnenskamers) werd in de illegale pers met leedwezen dan wel met verontwaardiging gereageerd. Het Parool en Vrij Nederland deden het eerste. 'Wij betreuren ten zeerste', schreef Het Parool, 'dat dergelijke verklaringen onder de gegeven omstandigheden in het openbaar worden afgelegd, en dat nog wel in dagbladen waarvan iedereen weet dat Jozef Goebbels er de eeuwige eindredacteur van is. Want daarmee spelen degenen, die

XC1 De Telegraaf, 17 aug. 1942. 2 Radio Oranje heeft op zaterdagavond 8 augustus '42 inderdaad een mededeling uitgezonden over Rauters bekendmaking van die datum. In die mededeling is gezegd dat alle Duitsers of Nederlanders die zich aan de gijzelaars zouden vergrijpen, na de oorlog berecht zouden worden. De 'leider van het Nederlandse Informatiebureau' heeft niet gesproken en de door Fraenkel z.g. aangehaalde passage is niet uitgezonden. Zij was in werkelijkheid een combinatie van instructies die al veel eerder uitgezonden waren, o.m. in mei '42 toen Radio Oranje een officiële Engelse mededeling uitgezonden had waar in stond: 'Wanneer de tijd komt om een beroep te doen op het Nederlandse volk, zult u van te voren gewaarschuwd worden.' Aangezien de door Fraenkel aangehaalde passage gelijktijdig ook in andere bladen gepubliceerd werd, nemen wij aan dat de Presse Abteilung er de tekst voor verstrekt heeft in de verwachting dat deze louter opgevat zou worden als een aanwijzing, zich van verzet-mi te onthouden. Zo alleen is ook verklaarbaar dat tegen Fraenkel geen maatregelen genomen werden. 3 Storm-SS, 21 aug. 1942.

WAAR BLIJFT HET TWEEDE FRONT?

de verklaring aflegden, direct in de kaart van de vijand. Wie 'sabotage' meent te moeten afkeuren, doe er het zwijgen toe.'! Vrij Nederland schreefin gelijke geest:

XC'Over georganiseerd verzet dat, naar wij redelijkerwijs mogen veronderstellen, steeds volgens opdracht geschiedt, vellen wij geen oordeel. Dat is een zaak van oorlogvoering, plichtsbetrachting en gehoorzaamheid. Zolang wij ... het karakter van de onderhavige gevallen van sabotage niet kennen, past het oris niet, goed- of afkeuring uit te spreken, en wij wilden wel dat de Rotterdamse burgers en kerkeraden dit begrepen hadden, die openlijk van hun afkeuring getuigden.'>

XCAanzienlijk feller uitte zich het illegale blad van de CPN, De Waarheid:

XC'Een aantal laffe en volksvijandige elementen zijn door hun knieën gezakt. Wie zijn die 'verantwoordelijke' zedemeesters? Het zijn justitie-ambtenaren .... die voor de mof 'recht' spreken ... , plutoeraren en ondernemers uit de Rotterdamse haven die schatten verdienen aan het zakendoen met de rover en uitplunderaar van ons volk. Dat zijn de heren die waarschuwen tegen sabotageactie! Deze lieden zijn nog verachtelijker dan de NSB'ers die tenminste ongemaskerd landverraad plegen ... Verder vinden we daar de kerkeraden van de Gereformeerde en Hervormde Kerken van Rotterdam. Welk een schande! Nauwelijks enkele dagen hadden deze lieden zich tot een zwak protest tegen de gruwelijke Jodenvervolgingen verstout. Terwijl de Rooms-Katholieke kerk op haar stuk bleef staan, krabbelden de protestantse geestelijken terug, toen SeyssInquart met zijn bijl zwaaide." Na deze verloochening van de Christelijke plicht tot bescherming van de zwakke vervolgden, hebben zij thans ook de Vaderlandse strijd van hun volk tegen de onmenselijke vijand verloochend."

XCOp de algemene problematiek der sabotage komen wij in ons volgende deel terug.

XCAls vorm van intimidatie heeft de executie van 'de vijf gijzelaars van Rotterdam' volledig gefaald. Reeds eind augustus was het de Duitsers duidelijk dat er geen sprake was van vermindering in het aantal sabotagedaden. September bood hetzelfde beeld en toen zich vervolgens in de eerste helft van oktober met name in Twente enkele nieuwe spectaculaire sabotagesept.p.aug.p.3 Dit gold, gelijk eerder uiteengezet, uitsluitend voor de hervormde kerk. De Waarheid (eind aug. 1942), p.

1 43 (25 1942), 6. 2 III, 1 (19 1942), 2.

VIJFTIEN NIEUWE SLACHTOFFERS

daden resp. pogingen daartoe voordeden, kwam het opnieuw tot een executie van gijzelaars. De Sicherheitsdienst had weten te rapporteren dat de meeste sabotagegevallen van de illegale CPN uitgingen. Er werd toen in een Chefsitzung bij Seyss-Inquart besloten om, zoals Rauter later verklaarde, 'vijftien vooraanstaande communisten terecht te stellen om de communistische beweging te tonen dat wij ook in hun kringen zouden ingrijpen en daardoor de gijzelaars in Michielsgestel zouden sparen.T.In werkelijkheid werd de keuze ruimer genomen: twaalf cornmunistenê en drie socialisten. De communisten behoorden grotendeels tot het vooroorlogse kader van de CPN waaronder in september nieuwe grote razzia's gehouden waren. De drie socialisten bevonden zich onder de in mei en juli opgepakte gijzelaars: J. Haantjes, sociaal-democratisch wethouder van Enschede, J. van den Kerkhoff, districtsbestuurder van de Algemene Nederlandse Bouwarbeidersbond te Zwolle, en mr. H. W. Vrind uit Almelo, een pacifistische socialist, , advocaat van beroep, die uit protest tegen het gelijkschakelingsbeleid van Woudenberg in de lente van '41 ontslag genomen had als adviseur van het bureau voor arbeidsrecht van het NVV in Overijssel"; ook van den Kerkhoff had zich tegen de gelijkschakeling van het NVV verzet. De vijftien werden in de bossen bij Woudenberg gefusilleerd; hun executie werd op 16 oktober bekendgemaakt. Haantjes, van den Kerkhoff en Vrind waren de laatsten uit de groepen der gijzelaars die, al werden velen hunner nog twee jaar oflanger vastgehouden, ten gevolge van hun gijzeling om het leven kwamen. In zoverre kan men zeggen dat de ongekend felle reacties die de executie van de eerste vijf gijzelaars teweeggebracht had, niet spoorloos aan Seyss-Inquart voorbij zijn gegaan; overigens waren die reacties bij de executie van de tweede groep, al vielen er toen driemaal zoveel slachtoffers,' opmerkelijk zwakker - niettemin liet de bezetter nadien de Brabantse gijzelaars met rust. Waarom werd midden oktober, zoveel zwakker gereageerd dan midden augustus ? Was dat alleen een gevolg van afstomping? Die kan een rol gespeeld hebben, maar wij zien daarnaast een andere factor: toen de bezetter op 8 augustus met betrekking tot de Rotterdamse gijzelaars de eindtermijn (14 augustus, 24 uur) bekendmaakte, bracht hij een element van klimmende

XC1 PRA-Den Haag: p.v. H. A. Rauter (6 dec. 1947), p. 207 (Doc 1-1380, a-r). 2 D. Bannink, A.]. Gerritsen,]. C. Endeveld, W. Ewijk, D. van der Meulen, P. A. van Heijningen,]. H. Roebers,]. van Veen, J. Kors, E. Ooijevaar, A. J. Ymkers, H. van Dam. Van die twàalf waren zes uit Overijssel afkomstig, onder hen Bannink, een badmeester uit Deventer, die zich in het kamp Amersfoort zeer verdienstelijk had gemaakt als hoofdverpleger. S Sinds begin '42 was Vrind bovendien een van de redacteuren van het illegale blad De Vonk.

W AAR BLIJFT HET TWEEDE FRONT?

spanning in de situatie dat zich, toen hij het tenslotte tot de executie liet komen, tegen hem keerde. Het was een experiment dat Seyss-Inquart nimmer herhaald heeft.

XCNog maar ruim twee weken na de 7de augustus deed zich een nieuw geval van spoorwegsabotage voor: op 23 augustus bleek op de lijn DeventerApeldoorn een stuk raillosgedraaid te zijn; dat werd door een spoorwegbeambte ontdekt, de schade was spoedig verholpen. Een dag later werden de secretarissen-generaal Frederiks en Schrieke bij Rauter ontboden. Hun werd gezegd dat geen gijzelaars zouden worden doodgeschoten, 'omdat', zo lichtte Frederiks zijn ambtgenoten in, 'een Nederlandse spoorwegbeambte zelf de sabotagedaad heeft aangebracht', maar er moest nu, had Rauter geëist, een organisatie komen, 'waardoor zodanige sabotagehandelingen onmogelijk zouden worden gemaakt.'! Er volgde nader overleg van de directie der Nederlandse Spoorwegen met Ranter en 'in kürzester Zeit' werd door die directie een nieuwe bewakingsdienst in het leven geroepen, 'nur um das Leben der Geiseln zu erhaltenl'; berichtte Rauter aan Himmler.ê De nieuwe organisatie kreeg de naam 'Railwacht' . Via de gewestelijke arbeidsbureaus namen de Spoorwegen tweeduizend man in dienst die door de politie op hun betrouwbaarheid onderzocht waren. Aile hoofdlijnen, tezamen ongeveer vier-vijfde van het net, werden van begin september af achtmaal per etmaal 'geschouwd', om de drie uur dus; 's nachts werd die controle door twee 'schouwers' tegelijk uitgevoerd. Zij deden niets anders dan over een bepaalde afstand (vier kilometer) langs de lijn lopen en zien of er iets verdachts viel waar te nemen. Van de tweeduizend man werden zestienhonderd 'schouwers' en vierhonderd 'controleurs'; het hoge aantal van de controleurs was een eisvan Rauter geweest.

XCHet spreekt vanzelf dat deze Railwacht (de kosten, f 5 mln per jaar, werden door de staat gedragen) het uitvoeren van sabotage aan het spoorwegnet bemoeilijkte. De taak van de 'railwachters' was overigens nogal geestdodend: dag in, dag uit moesten zij enkele malen in weer en wind heen en terug precies dezelfde wandeling maken. Gemiddeld kwamen er per maand twee bij dodelijke ongelukken om het leven.

1 Csg: Notulen, 27 aug. 1942. 2 Brief, 10 sept. 1942, van Rauter aan Himmler

De landing bij Dieppe en haar gevolgen

XC

XCMedio juli de fietsenroof medio augustus de executie van de vijf gijzelaars van Rotterdam, week na week nieuwe transporten naar Westerbork - dat alles deed met meer klem dan ooit de oude vraag rijzen: waar blijft het Tweede Front?

XCHet was uitgesteld.

XCIn april '42 hadden de regeringen en de militaire staven van Engeland en Amerika in beginsel afgesproken dat in de zomer een poging ondernomen zou worden om Normandië of Bretagne in handen te krijgen. Aan de uitvoerbaarheid'van dit project werd toen overigens reeds getwijfeld door Churchills War Cabinet en door de Britse Chiefs of Staff; die twijfels werden steedssterker en eind juli kwam vast te staan dat er in '42 geen sprake zou zijn van een grootscheepse landing in West-Europa; wèl zou men trachten te landen in Frans Noordwest-Afrika. Een kleinere landing, in de zomer, ergens op de Franse kust leek verantwoord: men hoopte op het geselecteerde punt de Duitsers aanzienlijke schade te kunnen toebrengen; die kleine landing zou bovendien het voordeel bieden dat men zou ervaren, hoe sterk de Duitse kustverdediging eigenlijk was. Strategisch en tactisch zou men daar belangrijke conclusies aan kunnen verbinden.

XCKleinere landingen waarbij zij zich spoedig terugtrokken, waren al eerder door de Engelsen uitgevoerd. Eind december '41 had een eenheid van de Britse Commandos (een formatie die speciaalopgericht was om hit-and-run aanvallen uit te voeren) de Duitsers op het Lofoten-eiland Vaagsö voor de Noorse kust verrast; negentig Duitsers waren er krijgsgevangen gemaakt, een kleine veertig Noren waren naar Engeland mee teruggevaren. Korte tijd later had een groep Britse parachutisten een Duits radarstation bij Bruneval, aan de Kanaalkust, overvallen, ze had belangrijke onderdelen van de installatie buit kunnen maken. Tenslotte had' eind maart' 42 een kleine gemengde strijdmacht waarbij een aantal Commandos ingedeeld was, met een oude torpedobootjager de deuren van het grote dok te St. Nazaire kunnen rammen; die jager was met explosieven volgestouwd die kort nadat de strijdmacht aan de terugtocht begonnen was, ontploften. Het gevolg was dat het enige dok in West-Europa waarin eventueel het gloednieuwe Duitse slagschip 'Tirpitz' (dat sinds medio januari in het Noorse Trondheim lag) gerepareerd kon worden, buiten gebruik gesteld werd; de schade was eerst na anderhalfjaar hersteld.

XCVoor de proeflanding op de Franse kust werd in april '42 een plan gemaakt: landen bij Dieppe, aan het Kanaal. Het plan werd op 13 mei door de Britse Chiefs of Staff goedgekeurd. De opzet was dat de te landen troepen

WAAR BLIJFT HET TWEEDE FRONT 1

1. West-Europa, zomer 1942

XC

XCOp woensdag 19 augustus even voor vijf uur 's morgens werd de operatie ingezet. De Duitsers werden er door verrast maar doordat op de dag van de aanval binnen het Duitse militaire apparaat nog een algemeen alarm gold (het was het einde van een periode waarin de stand van de maan en de eben vloedbeweging in het algemeen gunstig waren voor landingsoperaties), was het Duitse regiment dat Dieppe verdedigen moest, voltallig op post; het beet stevig van zich af: alleen bezuiden Dieppe kon het oorspronkelijke aanvalsplan uitgevoerd worden, elders kwam men daar niet aan toe; een groot deel van de tanks kon niet eens ontscheept worden. De troepen, voorzover geland, kwamen niet veel verder dan de kustlijn en toen zij zich volgens plan om elf uur 's morgens terugtrokken, hadden zij zware verliezen geleden, vooral de Canadezen: van hen keerde nog geen derde deel zonder verwondingen terug. Tweeduizend Geallieerde militairen waren krijgsgevangen gemaakt, de Britse Navy had een torpedobootjager en 33 landingsvaartuigen verloren en in hevige luchtgevechten waren meer dan honderd toestellen van de Royal Air Force verloren gegaan. De Duitse verliezen, ook in de lucht, waren veel geringer.

XCWoensdagmorgenaugustus om negen uur berichtte de BBC dat een landingsoperatie op de Franse kust gaande was. Er werd te verstaan gegeven dat zij een beperkt doel had, maar die waarschuwing was, wat de bevolking jn bezet gebied betrof, aan dovemansoren gericht. Maandenlang leefde men al in afwachting van het Tweede Front, vier dagen tevoren- had men het schokkende bericht van de executie der vijf gijzelaars vernomenkwamen ze, de bevrijders! Opgewonden werd het grote nieuws doorgegeven. Nog geen uur later gingen geruchten de ronde doen dat de Engelsen Brest ver

19

WAAR BLIJFT HET TWEEDE FRONT?

vast oranjestrikjes opspeldden: misschien zou men alover een paar uur bevrij d zijn! Toen de Amsterdamse effectenbeurs om half twee geopend werd, golfde het enthousiasme door de zaal; de NSB'ers onder de beursgangers stonden er bleek en bedrukt bij. In het concentratiekamp Amersfoort barstte de vreugde los: 'Nu komt het! nu komt het! Matmen die een proces verwachten, dat wel eindigen zal met de doodstraf, huilen van blijdschap. Goddank! Als die Engelsen nu maar doorzetten, dan behoeven zij niet te sterven!"'Vandaag', (wij zijn weer in het gewestelijk arbeidsbureau te Zwolle)

XC'worden meer dan zestigjoodse Nederlanders gekeurd voor tewerkstelling in de werkverruimingskampen. Voortdurend heb ik ze op m'n kamer ... Alshet bericht over Le Havre komt, zit er één bij me die ik heel goed ken. Ik vertel hem wat er gezegd wordt. Dan beven zijn handen, hij slikt en fluistert met schorre, moeilijke stem: 'Zou - zouden ze werkelijk komen? Misschien is 't voor ons dan niet te laat!'

XCHij hoopt, ik hoop het.'!

XCDie hoop werd spoedig de bodem ingeslagen.

XC's Middags om twee uur berichtte de BBC dat er slechts sprake was van een raid, niet van een invasie. Welk een teleurstelling! Op de beurs 'werden de gezichten langer en daalden de koersen.f Later op de dag deelde de BBC mee dat de gelande troepen zich in goede orde teruggetrokken hadden. Dat nieuws werd met bitterheid vernomen. De NSB' ers, van hun angst bekomen, juichten, de Duitse berichtgeving in woord en beeld legde er een schepje bovenop: zo zou elke Geallieerde landingspoging afgeslagen worden!

XCMen wist niet wat men er van denken moest. Aan het zuidelijk deel van het Oostelijk front waren de Duitsers nog steeds in volle opmars - was de landing bij Dieppe (de plaatsnaam was inmiddels genoemd) niet meer dan een eerste aanloop? Zou er spoedig een tweede komen? Of hadden de Geallieerden alleen maar acte de présence gegeven en waren zij er bewust op uit, de Sowjet-Unie minder hulp te geven dan in hun vermogen lag? Van dat laatste waren de meeste communisten overtuigd. Zij hadden over de radio vernomen dat Churchill medio augustus in Moskou besprekingen met Stalin gevoerd had. Waar konden die anders over gegaan zijn dan over het Tweede Front? 'Het is niet de vraag', schreef De Waarheid na Dieppe,Lieve enter Steege:p.A. van Boven: [an Jansen in bezet gebied, p. 170. a C. F. Overhoff: 'Effectenhandel in oorlogstijd' (1949), p. 222 (Doe.

1 H. L. K. R. (z.j.), 60. 2

DE LES VAN DIEPPE

'of Engeland en Amerika landen kunnen, doch of zij het willen en wanneer zij het willen. Deze vraag zalongetwijfeld de hoofdschotel van de besprekingen tussen Churchill en Stalin hebben uitgemaakt. Is deze brandende vraag, die miljoenen en miljoenen gekwelde mensen in Europa dag en nacht martelt, daar thans eindelijk beslist? Wij kunnen er van op aan, dat onze kameraad Stalin, de meest vertrouwde en geliefde aanvoerder van alle weldenkende mensen van onze tijd, geen moeite zal hebben gespaard om een snelle en succesvolle, gemeenschappelijke aanval op de Hitlermacht te bereiken."

XCWat Churchill aan Stalin meegedeeld had, wist De Waarheid niet. Wij komen er veellater in dit deel nog op terug.

XCDe les van Dieppe was duur - maar nuttig. De Duitse tegenstand was sterker geweest dan de Britse stafofficieren die het plan voor een grote landing in West-Europa moesten ontwerpen, verwacht hadden. Zij verbonden er belangrijke conclusies aan. Hadden zij tevoren wel eens gedacht aan het gelijktijdig landen op verschillende punten, nu beseften zij dat eoncentratie geboden was en dat reeds op D-Dayeen zeer aanzienlijke troepenmacht (minstens vier divisies in eerste linie en zes in de tweede, tezamen dus meer dan honderdvijftigduizend man) moest worden ontscheept. Ontscheept niet alleen, maar ook bevoorraad! Waar? Er was jagerbescherming nodig. Daarmee viel de kust van Noord- en Zuid-Holland al uit, want daar zouden de jagers van de Royal Air Force slechts zeer korte tijd kunnen opereren voor zij, gegeven hun beperkte benzinevoorraad, weer naar de vliegvelden in Engeland moesten terugkeren; bovendien voorzagen de Britse stafofficieren dat zo men al met tanks door het moeilijke duingebied heen kwam, de polders daarachter gemakkelijk onder water gezet konden worden. Aan de Belgische kust waren de vlakke stranden in het voordeel van de verdediger, ook hadden die stranden geen enkele bescherming tegen stormen uit het westen, en grote havens lagen er niet. Die vond men (zie de kaart op p. 82) wèl in Frankrijk: Le Havre, Cherbourg, Brest. Een landing bij Le Havre was moeilijk doordat de invasie-strijdmacht door de Seine in tweeën gedeeld zou worden en Brest lag wel erg ver westelijk - Cherbourg bood de beste mogelijkheden, d.w.z. een landing in en bij Cherbourg zou nog moeilijker zijn dan die bij Dieppe, maar men kon landen in de buurt van Caen en vandaar naar

XC1 De Waarheid (eind aug. 1942), p. 4.

WAAR BLIJFT HET TWEEDE FRONT 1

Cherbourg doorstoten; de stranden bij Caen boden het voordeel dat zij nogal beschermd waren tegen 'de stormen uit de Atlantische O~eaan. Zij gaven aansluiting op een goed wegennet en, anders dan bij het Kanaal, lagen hier geen hoge klippen waarop de Duitsers hun artillerie konden opstellen.

XCDe meeste Nederlanders hebben van het begin van de bezetting af in de veronderstelling geleefd dat de bevrijding waar zij naar haakten, de vorm zou aannemen van een grootscheepse landing op de Nederlandse kust. Wat de Geallieerden betrof, stond eind' 42, enkele maanden na de raid op Dieppe, al vast dat Nederland voor zulk een landing' niet in aanmerking kwam.

XCHitler zag de zaak anders. Overal waren, dacht hij, landingen der Geallieerden mogelijk. Midden december' 41, toen de Verenigde Staten aan de oorlog waren gaan deelnemen, had hij opdracht gegeven, bij de Noorse havens en aan de kusten van Nederland, België en Frankrijk enorme versterkingswerken te bouwen, eind maart '42 waren nadere aanwijzingen uitgegaan voor de bouw van wat de Atlantikwall moest worden en een week na Dieppe, op 25 augustus, gaf Hitler de Oberbefehlshaber West, Generalfeldmarschall'von Rundstedt, instructie, in de winter van '42 op '43 als onderdeel van die Atlantikwall niet minder dan 15000 permanente versterkingen te bouwen. Bij dat alles was Hiders uitgangspunt dat de Geallieerden, zoals bij Dieppe mogelijk was gebleken, eigenlijk al op het strand verslagen moesten worden. Het bemannen van de Atlantikwall vergde dus veel van de beschikbare Duitse militaire mankracht; er bleven niet veel operationele reserves over.

XCIn bezet Nederland was de Wehrmacht in de lente van '42 begonnen met de bouw van nieuwe versterkingswerken aan de kust. Het gehele Noordzeestrand werd met de aansluitende duinterreinen verboden gebied en medio mei werd een deel van Scheveningen dat dicht bij het strand lag, ontruimd. Eind juli of begin augustus gelastte Christiansen de ontruiming van een groot deel van de kuststrook van Holland en Zeeland en voorts eiste hij dat in elk geval op de kortst mogelijke termijn een deel van deburgerbevolking van Walcheren afgevoerd zou worden. Een speciale dienst van Binnenlandse Zaken, het Bureau Afvoer Burgerbevolking, ging die evacuatie haastig voorbereiden en op IQ augustus, negen dagen voor de aanval op Dieppe, werden de eersten van de ruim tienduizend personen die Walcheren dienden te verlaten, naar elders overgebracht. De meesten hunner konden bij familie of bekenden buiten Zeeland hun intrek nemen, maar ca. vijf-en-twintig

EVACUATIES

honderd moesten in toevluchtsoorden in Noord-Brabant opgenomen worden, onder hen ook de bewoners van het Gereformeerde Rusthuis te Middelburg:

XC'Hoe smartelijk en roerend was dit vertrek! Daar waren mensen die niet meer konden lopen, anderen die nog nooit in een trein gezeten hadden, weer anderen die nimmer van het dorp of van het eiland waren weggeweest.'!

XCDe evacuatie had nogaloverhaast plaatsgevonden. Velen trachtten, eenmaal geëvacueerd, verlof te krijgen voor een bezoek aan hun oorspronkelijke woonplaats om goederen op te halen die men vergeten of bewust niet meegenomen had: de winterkleding bijvoorbeeld die 'een groot aantal geëvacueerden' achtergelaten had. 2 Vóór de winter zou men immers bevrijd zijn!

XCDe aanval op Dieppe gaf Christiansen te denken: wat daar in NoordFrankrijk geschied was, kon elk moment in Nederland herhaald worden! Er werd toen door hem 'begrepen' (aldus een verslag van mededelingen welke Generalleomniissar Wimmer enkele maanden later aan een aantal Nederlandse autoriteiten deed) 'dat Den Haag zeer gevaarlijk ligt en dat bij een aanval op grote schaal Den Haag wel eens afgesloten kon worden. Dan zou het gehele Duitse en Nederlandse regeringsapparaat verhinderd zijn, invloed in het land uit te oefenen, hetgeen zeer nadelig zou zijn voor het (Duitse) Rijk evenals voor Nederland"

XCdaarom had men, zei Wimmer toen, besloten, beide regeringsapparaten naar het oosten des lands over te brengen.

XCWij zullen de evacuaties welke op die van Walcheren volgden, mèt de conflicten waarmee zij gepaard gingen, in een volgend hoofdstuk beschrijven. Hier willen wij er slechts op wijzen dat de overhaaste evacuatie van een deel van de Walcherse bevolking niet de enige aanwijzing vormt voor het feit dat de leiding van de Wehrrnacht in ons land in augustus' 42 bepaald bezorgd was dat het spoedig tot grote Geallieerde landingen op de Nederlandse kust zou komen. In september moest de PTT in de kustgemeenten vrijwel alle telefoonaansluitingen, in totaal ca. 20 000, verbreken"; de bedoeling daarvanverkeer uit Zeeland werd nadien via Breda geleid waar de schakelpost door Duitse

1 M. W. G. van der Veur: (1945), p. 58. 2 A.v., p. 83. 3]. A. Ringers: 'Verslag van de besprekingen betr. de evacuatie der departementen, 27 november--j december 1942' (7 dec. 1942), p. I (Collectie-E.E. Menten). 4 Het resterende telefoon- alsook het gehele telegraaf

WAAR BLIJFT HET TWEEDE FRONT I

was dat het de burgers in die gemeenten niet mogelijk zou zijn, telefonische informaties door te geven aan de invasietroepen.

XCMen kan zich die bezorgdheid van de Wehrmachtbefehlshaber en zijn staf wel indenken. Natuurlijk zouden zij, wanneer het tot grote landingen kwam, uiteindelijk mogen rekenen op de komst van versterkingen uit Duitsland, eventueel ook uit België en Frankrijk, maar zij wisten dat Hitler verwachtte dat zij in staat zouden zijn om, zoals ook in Dieppe geschied was, met eigen krachten de Engelsen en Amerikanen tot de terugtocht te dwingen. Die krachten nu, waren bepaald niet imponerend. In de herfst van '42 stonden, van Schouwen noordwaarts (de monding van de Wester-Schelde viel nu onder de Duitse bevelhebber die de Belgische kust verdedigde) slechts twee DUItse infanterie-divisies opgesteld', waarvan evenwel één nog steeds niet als een volwaardige divisie beschouwd mocht worden; voorts was als reserve slechts één divisie aanwezig.ê Zeker, er bevonden zich op Nederlands gebied nog andere Duitse militaire eenheden: zes reserve-bataljons van het Heer, een zevenduizend recruten van de Kriegsmarine, enkele opleidingsregimenten van de Luftwaffe en ca. zes- tot zevenduizend man van de Waffen-SS (die in geval van een Geallieerde landing een reeks punten van Amsterdam tot Roosendaal zouden bezetten, de z.g. I]ssel-Stellung 3) alles bij elkaar was dat niet veel, en in eerste instantie mocht Christiansen bij een Geallieerde landing slechts rekenen op de komst van één infanterieregiment uit Duitsland. Daar kwam bij dat de Wehrmacht in ons land nogal krap in haar munitie zat: deze was slechts voor twaalf gevechtsdagen aanwezig.

XCNiet alleen door Duitse instanties in Den Haag, maar ook door instanties in Berlijn werd be~wijfeld of men het westelijk deel van Nederland met zo zwakke krachten lange tijd zou kunnen verdedigen. Amt VI van het Reichs sicherheitshauptamt besloot in de herfst van '42, op het landgoed 'Park Zorgvlied' tussen Den Haag en Scheveningen een school op te richten voor de opleiding van geheime agenten die, voor het geval het westelijk deel van Nederland (of andere delen van West-Europa) in Geallieerde handen zouden vallen, in de bevrijde gebieden als spionnen en saboteurs werkzaam zouden zijn. De school (A-SchuTe West) kreeg de naam Seehof; Knolle, hoofd van de Abteilung III bij de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD, werd met het toezicht belast, commandant werd een vroegere Nederlandse reserve-officier,

1 De 167ste en de 719de. 2 De j Sste. • Hierbij is van Duitse kant aan de Hollandse ijssel gedacht.

'DE HERFST WAS BEGONNEN'

nu Hauptsturmjûhrer der Waffen-SS, B. Sprey.'

XCDat de vrees der Duitsers dat het tot een grote Geallieerde landing in Nederland zou komen, niet reëel was, bleek al uit hetgeen wij in het voorafgaande over de verdere ontwikkeling der Geallieerde invasieplannen berichtten. Die plannen waren de Duitsers evenwel onbekend en Christiansen en zijn stafofficieren meenden dat het juist voor de hand lag, aan te nemen dat de Geallieerden de Festung Europa via Nederland zouden bestormen. Duitsland was er immers het hart van en in Duitsland was het Ruhrgebied het belangrijkste centrum van de industnêle productie. Welnu: 'die zu erwarterule englisch-amerihanische Crosslandung wird mit einem Teil in den niederlandisch-belgischen Raum erjolgen, da der Weg von hier in das Ruhrgebiet nur etwa 200 Km beträgt' aldus de conclusie die door de bevoegde officier aan Christiansen, zijn staf en de bevelhebbers van alle in Nederland gelegerde eenheden meegedeeld werd.ê

XCHet was toen 2 oktober; de herfst was begonnen.

XC'Indien ... invasie-operaties op til zijn, zal het Nederlandse volk tijdig worden ingelicht en wel door middel van alle Engelse radiostations

XCEen z.g. 'bijltjesdag' moet tot elke prijs worden voorkomen. Onbevoegde individuele en collectieve gewelddaden zijn strafbaar.

XCEr zullen in Nederland mensen aanwezig zijn, die namens onze Koningin hier voorlopig het gezag zullen uitoefenen. De daartoe aan te wijzen personen en instanties zullen via alle radiozenders door onze Regering tijdig worden bekend gemaakt"

XCwie dit alles in mei of juni had gelezen, had wel moeten aannemen dat zo concrete mededelingen op een spoedige bevrijding wezen! Zeker, in juni waren de Britten in Noord-Afrika tot dicht bij de Nijldelta teruggedreven en kort nadien begonnen de Duitsers aan het Oostelijk front snel op te rukken in de richting van de Wolga en de Kaukasus, maar dat laatste feit maakte het, zo zag men het, eigenlijk dubbel onbegrijpelijk dat in West-Europa door de Geallieerden niets van belang ondernomen werd. In juli werd door velen smalend op de Engelsen afgegeven: die deden weer niets! 's tik in je clandestiene spek en verdwijn', voegde van Randwijk in Vrij Nederland 'al die kortademige, zelf niets riskerende en mopperende toeschouwers en kouwegrond-strategen' toe: men moest enig geduld hebben." Véél geduld was niet eens nodig, want, zo schreefVrij Nederland medio augustus: 'Het laatste bedrijf in deze oorlog laat naar onze mening geen jaren en zelfs geen maanden op zich wachten" weken dus. Gereserveerder uitte zich in diezelfde tijd Het Parool: de 'grote aanval' zou 'straks of misschien op een verder verwijderd tijdstip' komen"; in hetzelfde nummer werd evenwel gemeld dat er al 'parachutisten' uit Engeland bezig waren, af en toe in Nederland te landen.? In september uitte Slaet op den Trommele zich pessimistischer; het liberalevrijheid. SonnettenDe Wervelwind,Vrij Nederland,Het Parool,

1 P. Geyl: 0 (1945), p. 8r. 2 Het eerste nummer werd in april 1942 verspreid. a I, 2 (mei 1942), p. 4. 17 (23 juli 1942), p. 3. 5 A.v., III, I (19 aug. 1942), p. 3. 6 42 (21 aug. 1942), p. 2. 7 A.v., p. 3.

PUBLIEKE OPINIE

illegale blad durfde toen niet verder te gaan dan te schrijven dat 'de mogelijkheid nog niet (kon) worden uitgesloten' dat het Geallieerde offensief 'voor de winter' zou worden ingezet.'

XCAnderen wisten wel beter!

XCJohan Doorn had al in augustus' 42 in De Oranielerant geschreven dat het 'natuurlijk onzin' was, te beweren, 'dat Engeland nog niet klaar is voor 'n invasie'; de Sowjet-Unie was 'de grootste 'vijand' van de 'Anglo-Amerikaanse miljardairs'; daarom moest 'ten koste van miljoenen levens''eerst Rusland zijn uitgeput, zo uitgeput dat het geen gewicht meer in de schaal kan leggen bij de politieke herconstructie van Europa. Engeland slaat dan twee vliegen in één klap.'2 Niet anders oordeelde Paul de Groot in De Waarheid: in Engeland stonden, schreef hij in september, 'reeds jaren miljoenen goedgeoefende en bewapende Engelse soldaten kringetjes te spugen.' Om het lijden der volkeren bekommerden Churchill en Roosevelt zich niet en 'de Engelse grootkapitalisten' evenmin'en dan komen er Engelse sociaal-democraten om dit goed te praten ... Hoeveel ellende en rampen heeft de sociaal-democratie niet reeds op haar geweten De Nederlandse arbeiders ... moeten weten dat zij hun ellende van thans voor een groot deel aan de Engelse sociaal-democratie te danken hebben . .. Zij handelt daarbij als altijd en overal als handlangster van het grootkapitaal."

XCHerfst dus - en geen invasie.

XCHet was, schreven wij, 'een haast niet te aanvaarden teleurstelling' voor de brede massa. Maar die teleurstelling was zeker niet geringer voor de kleine minderheid die zich met hart en ziel aan het illegale werk gaf. Haar rijen, telkens aangevuld, werden telkens opnieuw gedund en de problemen waarmee zij geconfronteerd werd, waren met name in de zomer van '42 een veel acuter karakter gaan aannemen: de Jodendeportaties hadden, om slechts dat ene punt te noemen, een ongekende vraag doen ontstaan naar valse persoonsbewijzen en bonkaarten voor levensmiddelen.9

1 23 (sept. 1942), p. 2. 2 12 (aug. 1942), p. 5. 3 sept. 1942, p. 2.

Hoofdstuk 3: De illegaliteit

XC

XCDat de illegale actie in de periode die wij thans behandelen (juli' 42 - mei' 43), aanzienlijk breder van opzet was dan in die welke wij in het voorafgaande deel aan de orde stelden (maart' 41 - juli' 42), kan reeds blijken uit de cijfers omtrent de aantallen Nederlanders die wegens verboden activiteit gearresteerd werden. Wij kennen helaas geen detailcijfers betreffende de arrestanten omstreeks juli '42; wèl bezitten wij een overzicht d.d. 8 november '421 en het is wellicht nuttig, die cijfers te vergelijken met de overeenkomstige cijfers d.d. 14 december' 41 die ook bewaard gebleven zijn." Wij kunnen de lijn nog iets doortrekken: de cijfers d.d. 2 mei 1943 (waar diegenen die 'in verband met de April-Meistakingen gearresteerd werden, nog niet in verwerkt waren) zijn eveneens bekend."

XCWelnu, op 14 december '41 b.evonden zich in Nederlandse gevangenissen 1805 gevangenen 'zur Vorbereitung eines Strafverfahrens', op 8 november '42 3773, op 2 mei 1943 5057.4 Niet al die gevangenen waren illegale werkers. Een nadere indeling van de bedoelde groep bezitten wij slechts voor de laatstgenoemde datum: 2 mei 1943, en die indeling (die niet allen omvat) toont aan dat tegen 52 personen een proces voorbereid werd wegens clandestein slachten en zwarte handel en tegenI 032 wegens diefstal ten nadele van de Wehrmacht en wegens overeenkomstige delicten; I 541 personen zaten gevangen wegens 'Verstoss gegen die Judenverordnungen' (dit waren Joden alsmede niet-Joden die aan de vervolgden hulp geboden hadden) en 2 152 wegens' Widerstandsorganisationen, CPN, Abhören englischer Sender, Spionage, Sabotage, Beleidigung der Wehrmacht' een nogal gemengd geheel, zoals men ziet.

XCVoorts bevonden zich op grond van een Schutzhaftbefehl op 14 december '41 I 104 Nederlanders in een concentratiekamp in Duitsland, op 8 november '42 1461, op 2 mei '43 2281.

XC1 "Meldungen. aus den Niederlanden', II9 (IQ nov. 1942), Anlage 1. 2 A.v., 74 (16 dec. 1941), Anlage. 3 A.v., 142 (4 mei 1943), p. 25. 4 Dit waren de gevangenen van de Sicherheitspolizei. Er konden met hen drie dingen gebeuren: vrijlating, transport naar een concentratiekamp krachtens een Schutzh'!ftbtjèhl, en overdracht aan een Duitse rechtbank; in dat laatste geval werden zij Untersuchungshàjtlinge en de aantallen van deze groep werden in de aangehaalde cijfers niet vermeld. 9

INDELING V AN HET HOOFDSTUK

XC'Al. die cijfers vormen momentopnamen. Men treft er, wat de Duitse concentratiekampen betreft, niet diegenen in aan die daar gestorven of geliquideerd, C.q. (dat deed zich soms voor) er uit ontslagen waren. Ook geven die cijfers niet weer, hoeveel Nederlanders op de genoemde data na veroordeling door eeri Duitse rechtbank in Duitse gevangenissen opgesloten zaten; van hen zijn de precieze aantallen niet bekend. En tenslotte blijkt uit de cijfers niet hoeveel Nederlanders tussen de data die wij weergaven, gearresteerd werden maar vóór de datum van het overzicht weer vrijgelaten. Het overzicht van 8 november ?42 doet zien dat op die datum 5 234 Nederlandse gevangenen (een overzicht van 3 januari '43 vermeldt er 6181) hetzij op hun eventueel proces wachtten, hetzij in een concentratiekamp opgesloten zaten. Wij weten evenwel dat in het gehele jaar 1942 in totaal 10069 Nederlanders door de Sicherheitspolizei gearresteerd werden", als volgt onderverdeeld: 'wegen Zugehörigkeit und Betätigung in nationalen Wider standsorganisationen": 891; 'wegen Betatigung im marxistischen und kommunis tischen Sinne: 950; 'wegen sonstiger reichsfein~licher Betätigung, z.B. unbefugter WajJènbesitz, Feindbegünstigung, Beleidigung und tätliche AngrijJè auf Deutsche, Abhören und Verbreitung der Nochrichten auslandischer Sender usu/': 8228. Van die 8228 waren 309 wegens spionage ter dood of tot lange gevangenisst~affenveroordeeld, zulks op grond van onderzoekingen door d~ Sicher heitspolizei; tot hoeveel vonnissen overeenkomstige onderzoekingen door de Abwehr geleid hebben, weten wij niet.

XCMen ziet: het materiaal is niet vrij van lacunes. Het toont intussen wel aan dat de leden van illegale groeperingen in steeds grotere aantallen gearresteerd werden; in de acht weken tussen 8 november '42 en 3 januari '43 steeg bijvoorbeeld, zoals wij weergaven, het aantal gevangenen met 947: gemiddeld met bijna I~O per week. Dat waren niet allen leden van illegale groepen, hetgeen voor die leden overigens slechts een schrale troost betekende. Van diegenen die in het illegale werk zaten, mag men stellen dat geen maand voorbijging waarin zij niet vernamen dat ergens in hun eigen organisatie of in een verder verwijderde kring nieuwe arrestaties plaatsgevonden hadden. De pers had in het gehele jaar 1941 melding gemaakt van. 39 doodvonnissen; in '42 waren het er 238 geworden. Elke illegale werker wist dat hem hetzelfde lot kon wachten.

Eerste falsificatie- en verzorgingsgroepen

XC

XCDe taak die de falsificatie- en verzorgingsgroepen zich stelden, was het bieden van hulp aan allen die door de Duitsers gezocht werden: illegale werkers die zich van hun oorspronkelijk bestaan losgemaakt hadden en dus 'illegaal' leefden, Joden die zich moesten schuilhouden, arbeiders en anderen die weigerden in het kader van de Z.g. arbeidsinzet naar Dnitsland te vertrekken. Voor die drie groepen (er kwamen later nog andere bij) was het moeilijk, zo niet onmogelijk, om op vertoon van hun distributiestamkaart plus inlegvel de nodige bonkaarten voor levensmiddelen te krijgen en het gebruik van hun eigen persoonsbewijs was hoogst riskant.

XCWat nu die distributiebescheiden betreft: het namaken van bonkaarten was technisch moeilijk. Het is wel geprobeerd maar, aldus onze indruk, in hoofdzaak door falsificateurs die het er om te doen was, geld te verdienen in de

HULP AAN ONDERDUIKERS

zwarte handel." Nagemaakte bonnen boden, wat de hulp aan onderduikers betrof, ook nooit meer dan een tijdelijke oplossing: in de loop van een jaar werden immers ettelijke bonkaarten uitgegeven. De bonkaarten gingen overigens eerst een probleem vormen toen er grote aantallen onderduikers C.q. in de illegaliteit levenden kwamen. Aanvankelijk konden die illegalen op hun 'woonadres' (dat veelal voortdurend wisselde) of ergens anders wel mee-eten; naarmate de rantsoenen krapper werden en het aantal illegaal levenden toenam, werd dat moeilijker, Dat probleem had zich in de zomer van' 42 al gemanifesteerd; het werd in de herfst veel groter doordat juist toen vele duizenden Joden onderdoken. Wij hebben er al op gewezen dat zulks ook fmanciële problemen met zich bracht, Zij die de zorg voor een groepje Joodse onderduikers op zich genomen hadden, moesten, als die bonkaarten niet door distributie-ambtenaren ter beschikking gesteld werden, bonkaarten op de zwarte markt kopen en bovendien diende men, als de Joodse onderduikers geen financiële reserves hadden of daar doorheen waren, er vaak voor te zorgen dat de gezinnen waarin zij opgenomen waren, extra geld kregen.

XCWat de persoonsbewijzen aangaat: Joodse onderduikers hielden zich in beginsel schuil; ze kwamen niet of alleen als het donker was, buitenshuis. Voor de 'illegalen' geldt daarentegen dat zij overdag veel mobieler waren dan tevoren. Het waren immers de leiders en de kaderleden van de illegale organisaties die illegaalleefden - voor de meeste 'gewone' leden was dat niet nodig. Het leven van die leiders en kaderleden was veelal een leven van reizen en trekken, d.w.z. dat zij zich met name tijdens hun treinreizen voortdurend blootstelden aan de controle van hun identiteit. De illegaal levende die zijn vroeger bestaan met het daarbij behorend persoonsbewijs vaarwel gezegd had, kon als regel de bescherming van een 'nieuw' persoonsbewijs niet missen; dat laatste was zelfs essentieel wanneer hij (of zij) wist dat zijn (ofhaar) oorspronkelijke naam in het Opsporingsregister opgenomen was. Een 'nieuw' persoonsbewijs was natuurlijk ook voor de ondergedoken Joden hoogst wenselijk; wij zijn er intussen van overtuigd dat, zeker in de tweede helft van' 42, talrijke Joden zonder 'nieuw' persoonsbewijs ondergedoken zijn: er waren er eenvoudig niet genoeg. Wij tekenen hierbij aan dat voor de meeste Joodse kinderen geen persoonsbewijs nodig was want dit was slechts voorgeschreven voor personen van vijftien jaar en ouder.

1 In '42 wist de 'Centrale inzake falsificaten', die onderdeel was van de Rijks recherchecentrale, in totaal bijna 18 000 nagemaakte bonnen op te sporen, tot 48 verschillende typen behorend; dit waren voornamelijk bonnen voor suiker. In de eerste maanden van '43 werden vooral nagemaakte bonnen voor boter en tabak ontdekt.

DE ILLEGALITEIT

XCHet vervaardigen van een 'nieuw' persoonsbewijs (of 'pb', zoals men meestal zei) scheen aanvankelijk haast ondoenlijk; J. L.L. Lentz, hoofd van de rijksinspectie van de bevolkingsregisters, had het pb immers een maximale bescherming gegeven tegen namaak of tegen wijziging van de officieel er in opgenomen geschreven of getypte gegevens. Het document was uit een speciale kartonsoort vervaardigd waarin de Nederlandse leeuwals watermerk aangebracht was; dat karton was met een gecompliceerd ondergrondpatroon bedrukt waarin telkens de woorden 'Bevolkingsregisters van Nederland' herhaald waren. Daar was een paarse drukinkt voor gebruikt die onzichtbaar werd indien men het pb tegen een kwartslamp hield. De tekstdruk was uitgevoerd met een zwarte inktsoort die uiterst gevoelig was voor het meest gebruikelijke oplosmiddel, aceton. In een 'venster' in een van de pagina's van het pb stak de foto van de houder die aan de achterkant zijn vingerafdruk vertoonde; elders in het pb stond een tweede vingerafdruk, geheel gelijk aan de eerste. Die foto was aan de achterzijde met een doorzichtig zegel vastgeplakt dat een hoogst ingewikkeld lijnenpatroon vertoonde. Het stempel'van de gemeente van uitreiking was gedeeltelijk over dat zegel en (tweede stempel) over de foto aangebracht. Van die gemeente stond in het pb ook nog op drie pagina's een gedrukte code-aanduiding ('A 35' voor Amsterdam bijvoorbeeld), gevolgd door een gedrukt nummer: het nummer van uitreiking dat correspondeerde met de datum daarvan; deze was met een datumstempel in het pb aangegeven. De handtekening van . de met de uitreiking belaste ambtenaar ontbrak evenmin als die van de houder. Van die houder werden voorts in het pb steeds vermeld: de naam, de geboortedatum, het adres en het beroep en, eventueel, de naam van zijn echtgeno(o)t(e). Die persoonsgegevens kwamen ook op de kaarten voor waarmee de betrokkenen in het jaar 1941 opgeroepen waren, het voor hen bestemde pb in ontvangst te nemen, en die oproepingskaarten golden; na ook al van de handtekening, de foto en de vingerafdruk van de houder voorzien te zijn, als 'Ontvangstbewijs Persoonsbewijs'. Eind' 41 bevonden zich bij Lentz' rijksinspectie meer dan zeven miljoen van die ontvangstbewijzen, alle per gemeente alfabetisch op naam gerangschikt. Tot die collectie had de Sicherheitspolizei vrije toegang. Binnen die collectie waren de ontvangstbewijzen van Joden van een zwarte 'ruiter' voorzien; in de zomer van '41 was in de pb's van die Joden met zwarte inkt op twee plaatsen een <iuidelijke J aangebracht.

XCOp een 'nieuw' pb kreeg een illegale werker of een anderszins vervolgde de naam van iemand die hij niet was. Was die iemand een andere Nederlander, dan bevond zich diens authentieke ontvangstbewijs persoonsbewijs bij de rijksinspectie: als de Nederlandsé politie of de Sicherheitspolizei

HET PERSOONSBEWIJS

'nieuwe' pb niet vertrouwde, kon zij de illegale werker of anderszins vervolgde arresteren en daarna onmiddellijk nagaan of de twee foto's klopten. Maar erger nog: van die andere Nederlander bevond zich ook in het bevolkingsregister van zijn, woonplaats de gebruikelijke persoonskaart. Had men op een 'nieuw' pb gefantaseerde persoonsgegevens ingevuld, dan ontbraken zowel het ontvangstbewijs persoonsbewijs als de persoonskaart. Een perfect 'nieuw' pb bood dus alleen dan veiligheid indien bij controle hetzij van het corresponderend ontvangstbewijs, hetzij van de persoonskaart, bleek dat alle gegevensovereenstemden; gelukkig werd die vorm van controle niet zo heel vaak uitgevoerd. Wij komen op deze materie in ons volgende deel terug waarin wij het falsificatie- en verzorgingswerk in zijn volle omvang zullen schetsen.

XCEr was een voor de hand liggende manier om iemand die zijn eigen pb niet langer gebruiken kon, aan een ander pb te helpen dat de oppervlakkige controle kon doorstaan; die controle bestond nl. als regel uitsluitend hieruit dat het uiterlijk van de gecontroleerde vergeleken werd met de foto in het doorhem getoonde pb, Welnu: persoon A kreeg het persoonsbewijs van persoon B. B gaf zijn pb dan als vermist aan. De politie maakte daar volgens voorschrift proces-verbaal van op; daarvan gingen afschriften naar het bevolkingsregister van B's gemeente en naar de rijksinspectie. B kreeg voorts een bewijsje van de politie dat hij aangifte gedaan had van de vermissing van zijn pb. Zulk een bewijsje was als regel drie dagen geldig. Binnen die drie dagen kreeg B van zijn bevolkingsregister een nieuw pb en er ging een nieuwontvangstbewijs naar de rijksinspectie. Teneinde A te beschermen, geschiedde in '41 en' 42 als regel niet meer dan dat de foto van B in het door deze z.g. verloren pb vervangen werd door die van A. Van B's foto werd dan de beeldlaag afgekrabd of met een lancet 'geschild' en op het restant werd de beeldlaag van A's foto geplakt; het gemeentestempel werd bijgewerkt en zo kreeg men wat men 'een vermaakt pb' noemde. Men moest er natuurlijk op letten dat A er niet veel jonger of ouder uitzag dan B wiens geboortedatum immers in het pb stond. Gelijk gezegd: voor oppervlakkige controle was dit voldoende. Bij grondiger controle liep men onmiddellijk tegen de lamp: de vingerafdrukken die in het pb stonden, waren van B en niet van A.

XCBeter was het natuurlijk indien men A aan een geheel nieuw persoonsbewijs kon helpen, een blanco pb dus (inclusief het doorzichtige zegel), waarin zowel A's nieuwe (gefantaseerde) persoonsgegevens kwamen te staan als zijn (authentieke) vingerafdrukken. Daarbij vormde het een probleem dat

DE ILLEGALITEIT

de hoeveelheden blanco pb's die zich bij de bevolkingsregisters bevonden, van tijd tot tijd door de rijksinspectie gecontroleerd werden. Een voorbeeld van de aangegeven vorm van malversatie vermeldden wij al in ons vorige deel toen wij er op wezen dat de secretarisvan de burgemeester van Pijnacker (Zuid-Holland) in de lente van' 42 een aantal geheime agenten uit Engeland (die zonder pb of met een in Engeland nagemaakt, onbruikbaar pb gearriveerd waren) aan pb's hielp. Iets dergelijks geschiedde eind '41 en begin '42 in Zwartsluis waar de ambtenaar-ontvanger ter gemeentesecretarie, J. B. de Goede, en een volontair, J. M. Schaart, aan een vooraanstaand orr», W. M. Kolff, burgemeester van Deil (Betuwe), ca. dertig blanco pb's met evenveel zegels deden toekomen, 'voor die tijd een groot aantal'"; de ontvanger en de volontair moesten onderduiken toen bij controle de vermissing geconstateerd werd. In de zomer van '42 wist ook de verzetsman Theo Dobbe (eind '4I door het werk van Vi-Mann van der Waals gearresteerd, ontvlucht, sindsdien ondergedoken in Friesland) aan blanco pb's te komen: hij had een vriend in Woudenberg, Gerrit Kleinveld, en deze kende een secretarie-ambtenaar van die gemeente, N. H. ('Nico') Bergsteyn. Deze laatste gafDobbe ca. 250 blanco pb's met de nodige zegels; hij voegde er een afdruk van het gemeentestempel van Woudenberg bij: dat kon men laten namaken. De pb's gingen naar een groot aantal vooraanstaande figuren van de OD, Vrij Nederland, Het Parool en De Oranjekrant toe 'en overal werd dit met gejuich begroet'P Toen in Woudenberg het bezoek van een controleur aangekondigd werd, dook Bergsteyn meteen onder. Dobbe vond toen de burgemeester van Woudenberg, P. A. G. baron van Heeckeren van Brandsenburg, bereid, hem ter vemietiging de staten te geven waarop de nummers van de door Bergsteyn verstrekte pb's stonden. Die nummers raakten na enige tijd toch aan de recherche bekend; ze werden in het Opsporingsregister gesignaleerd en daarmee hadden de zo enthousiast ontvangen pb's, voorzover men de nummers niet kon wijzigen (geen eenvoudig werk l), hun waarde verloren. Maar Dobbe was er de man niet naar om op te geven. Begin september '42 kwamen hij en Bergsteyn aannieuwe pb' s; met nagemaakte visitekaartjes gaven zij zich voor hoofdinspecteur en inspecteur van de rijksinspectie van de bevolkingsregisters uit, in die kwaliteit 'controleerden' zij de bevolkingsregisters van Leeuwarderadeel (Huizum en omgeving) en Idaarderadeel (Grouw en omgeving) en in beide gemeenten eigenden zij zich een hoeveelheid pb's toe, in Huizum 70, in Grouw enkele tientallen. Wat zij in Grouw gepresteerd hadden, werd ontdekt toen zij nog niet per trein

XC1 J. C. Wannée: 'Rapport' (z.j.), p. 8 (Enq., punt f, gestene. bijl, 313). 2 'Verslag

'VERMAAKTE' EN BLANCO PB'S

vertrokken waren; men nam hun de gekaapte pb's af en bracht hen naar de burgemeester, mr. C. N. Renken. Dobbe wist deze er van te overtuigen dat het hier om bonafide steunverlening aan het verzet gegaan was. Mr. Renken liet hen lopen. Hij had ook alle reden dat te doen: zelf had hij zich enkele weken tevoren een aantal blanco pb's toegeëigend toen een nieuw gemeentehuis in gebruik genomen werd, hetgeen met de nodige wanorde gepaard ging.

XCEr hebben zich wellicht meer van die gevallen voorgedaan. Niettemin zouden wij willen opmerken dat er een opmerkelijk, ja pijnlijk contrast bestaat tussen de immense hoeveelheid keurig volgens voorschrift uitgereikte pb's, meer dan zeven miljoen, en het haast te verwaarlozen aantal, hoogstens enkele honderden, dat in het eerste jaar na de uitreiking door ambtelijke hulp aan de illegaliteit toevloeide. Dat wist men ook wel in illegale kringen: het was nog steeds uiterst moeilijk, voor illegaal werk hulp te krijgen van het Nederlandse ambtenarenkorps dat zich zo angstvallig aan de voorschriften hield en er vrijwel nergens toe te brengen was, met zijn traditie van stiptheid en accuratesse te breken.

XC'Om het regeltje 'Afdruk rechterwijsvinger' te krijgen, lieten we een bidprentje drukken, met daaronder: 'Verkrijgbaar bij de sacristijn van de H. Martinikerk, à 5 cent per afdruk'. En voorts een spelletje, met het onderschrift: 'Men houdt de schijf in de linkerhand, draait haar vervolgens met de rechter wijsvinger, enz. Deze onnozele drukwerkjes werden nauwkeurig op schaal verkleind. De beide begeerde woorden werden uit het zink gezaagd"en opnieuw gemonteerd. Dit werkje kostte dagen van minutieuze inspanning. Op dezelfde wijze verkregen we het zinnetje: 'Tevens bewijs van opname in het bevolkingsregister' door het in een prospectus van een school voor achterlijke kinderen te vervlechten. Doordat echter al deze zinnetjes op veel grotere blokken hout moesten worden gemonteerd dan het zetsel aan ruimte bood, was de drukker genoopt enige malen méér te drukken. In totaal ging een persoonsbewijs acht maal door de pers! En als men daarbij bedenkt dat dit alles op een gewoon degelpersjegeschieddeen geen millimeter verschilgeoorloofd was, moet zelfsde leek bewondering hebben voor van Velzen die dit voor elkaar bokste op klaarlichte dag, vlak voor een groot raam waar elke'voorbijganger kon zien wat hij deed."

XCHoe bootste Veterman het onmisbare watermerk na? Hij liet het uit zes pagina's (drie 'voor'- en drie 'achter'<pagina's) bestaande pb op twee velletjes

XC1 A.v., p. 26. 2 A.v. 3 Vetermanhad die woorden dus laten clicheren. 'E. N. Veterman: Keizersgracht 763, p. 27-28.

100 [PDF]
DE GROEP-VETERMAN

drukken die samen de dikte van een echt pb hadden. De binnenkant van een van die twee velletjes werd volledig in een bepaalde kleur met een cliché bedrukt waarin de drie leeuwen uitgespaard waren. 'Als men later het samengeplakte pb tegen het licht hield, kreeg je dus een vrij goed watermerk-effect dat aileen ingewijden als vervalsing konden herkennen.' Het cliché van de leeuwen was weer van de Arbeiderspers afkomstig. Veterman had het besteld, voorzien van bovenen onderschrift 'Lowenseije =Lourenseii« - Lowenseije','alsofhetvoor wikkels van een Duits zeepproduct bestemd was.'! Voor de aanduiding 'A 35' (Amsterdam) liet hij een scheepvaartmaatschappij, waar iemand bereid gevonden was hulp te verlenen, een cliché bestellen: 'So S. CORNELIA 350 B. R. T.' - een ongebruikelijke combinatie, maar ze leverde 'A 35' op. 'Een week lang speurden drie mensen naar een numeroteur die dezelfde cijfers had als de echte pb's, We vonden er één, en moesten daardoor driemaal de nummers drukken' (die stonden driemaal in elk pb vermeld) 'en toch zo accuraat alsofhet tegelijk was geschied.

XCVoor het plakken namen we eveneens een serie proeven. De plakstof mocht niet door vocht of lichaamswarmte oplossen. Cellulose-lijm bleek daaraan te voldoen, maar was buitengewoon lastig te behandelen. Mijn vrouwen ik werkten soms 24 uur achtereen; niet alleen moesten de twee velletjes met spelden precies op elkaar worden geplakt, maar ook worden geperst, afgesneden en de veelhoek voor het portret uitgeponst."

XCAl die arbeid werd door Veterman en zijn vrouw in een vertrekje aan de voorkant van. Keizersgracht 763 verricht: zij konden er zien wie de stoep opkwam. Bij onraad doken zij met een zorgvuldig gerepeteerde manoeuvre, al het bezwarend materieel meenemend, in een hok achter het huis waar bovenin cokes lag; onder die cokes was een ruimte uitgespaard die toegankelijk was via een goed gecamoufleerd klapdeurtje in een wc. 'Driemaal hebben we een inval van de Gestapo gehad, die het huis van onder tot boven doorzocht, zonder iets te vinden, terwijl de slimmerikken zelfs, leunend tegen het kolenhok, een eonversatie voerden die we met ingehouden adem volgden."

XCEr werden in totaal door Veterman, telkens bij van Velzens drukkerij, in een tijdsverloop van ca. anderhalf jaar (de eerste serie werd in februari '42 afgeleverd, Veterman werd in de herfst van '43 gearresteerd) tussen de 1 800 en 2 000 blanco pb's vervaardigd; de laatste serie was op het echte pb-karton gedrukt. Een van zijn talrijke helpers en helpsters was met de

XC1 A.v., p. 29. A.v .., p. 39. 3 A.v., p. 38.

101 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

dochter van een rechercheur verloofd, de rechercheur kende een beroepsinbreker en deze, die zijn leven wilde beteren, was bereid als laatste inbraak een partij pb-karton te stelen; 'hij wilde', aldus Veterman, 'voor deze patriottische daad zelfs geen.sigaret als beloning hebben.'!

XCDe meeste van Vetermans pb's kwamen aan Joden ten goede alsmede aan leden en relaties van de spionagegroep 'Luctor et Emergo', waarmee hij in de lente van '42 in contact kwam. Die groep ontwikkelde zich tot de 'pilotenhulp'corganisatie 'Fiat Libertas' en deze had uiteraard voor de Geallieerde .krijgsgevangenen die ze naar België smokkelde, pb's nodig. Veterman vervaardigde overigens ook veel andere nagemaakte papieren, ten dele voor de Belgische groepen waarmee 'Fiat Libertas' samenwerkte; de politie in een Brusselse voorstad werd zelfs 'een afnemer in het groot', 'de Belgische ambtenaren', aldus Veterman, 'werkten in dit opzicht oneindig veel meer mee dan de Hollandse." In het laatste jaar van zijn werkzaamheid had Veterman veel hulp van de clichéfabriek van van Tijn & Zack te Amsterdam, een Joods bedrijf dat onder een Verwalter stond; een vroegere employé van dat bedrijf, Jos van Weeren, was een van zijn belangrijkste helpers.

XCDe kwaliteit van Vetermans pb's was uitstekend. Gelijk gezegd: in februari' 42 werden de eerste honderden in gebruik genomen. Eind' 42 was nog geen enkele daarvan of van de later in '42 uitgegeven series als nagemaakt ontdekt en voor verder onderzoek doorgegeven aan de Rijksteeherchecentrale. Daarbij moet dan wel bedacht worden dat het hier om vele honderden nagemaakte pb's ging, niet om vele duizenden of zelfs tienduizenden. Het was een andere groep die, geheel zelfstandig en zonder iets van Vetermans werk te weten, tot die hogere productie kwam. Tot de oprichting van die groep die zich later de Persoonsbewijzencentrale ('de PBe') ging noemen, was het initiatief genomen door de man die wij in ons vorige deel al schetsten in zijn strijd tegen de Kultuurkamer: de beeldhouwer Gerrit van der Veen.

XCGerrit (officieel: Gerrit Jan) vander Veen was inin Amsterdam als zoon van een slager geboren. Hij kwam uit een ontwikkeld gereformeerd gezin. Hij volgde een driejarige hbs, daarna ging hij naar de Spoorwegschool

1902 1 A.v., p. 30. 2 A.v., p. 36.

102 [PDF]
GERRIT VAN DER VEEN

in Utrecht. Bij de Nederlandse Spoorwegen bleefhij evenwel slechts drie jaar in dienst ; in '25 werd hij werktuigkundige bij de Bataafse Petroleum Maatschappij op Curaçao. In de raffinaderij van de BPM braken nogal eens branden uit - hij was steeds bij de eersten die ze blusten, en in '28 bedwong hij zelfs geheel alleen een brand die uitgebroken was op een in de haven liggende tanker welke met het oog op het explosiegevaar al door de bemanning verlaten was. Het geredde schip liet hij aan de BPM over. De maatschappij gaf hem vrije keus ten aanzien van. een beloning. Die keus stond spoedig vast: opleiding als beeldhouwer bij de Amsterdamse Academie voor Beeldende Kunsten. De BPM gaf hem toen f 500 reisgeld en f 720 voor één jaar studie. Dat was nogal schriel want die studie duurde normaal minstens twee jaar. Vander Veen keerde niet naar Curaçao terug: hij voltooide zijn opleiding, trouwde (er werden twee dochtertjes geboren) en trachtte als beeldhouwer zijn brood te verdienen. Dat viel niet mee. Er waren in de jaren' 30 perioden dat zijn vrouwen hij nog geen gulden in huis hadden om in de Z.g. muntmeter te doen.' Langzamerhand kwamen er opdrachten: van particulieren, ook wel van de overheid. De Spoorwegen lieten hem beelden vervaardigen voor het nieuwe viaduct bij het Centraal Station te Utrecht. Zijn politieke belangstelling was in die tijd gering, maar van het nationaal-socialisme en het Nazi-bewind had hij een instinctieve afkeer en deze werd in het over het algemeen fel antifascistischeAmsterdanlse kunstenaarsmilieu waarin hij zich bewoog, versterkt.

XCBij het begin van de bezetting was van der Veen blokhoofd van de luchtbescherming in Amsterdam-zuid waar hij woonde. In juli' 40 weigerde hij de Ariërverklaring te tekenen die opeens door de leiding van de luchtbescherming voorgeschreven werd. Later in '40, maar vooral in '41 ging hij, eerst in de kring der beeldhouwers, later in Wijdere kring actie voeren tegen de plarmen voor de Kultuurkamer. Hij was een van de opstellers van het in februari '42 bij Seyss-lnquart ingediende adres van kunstenaars tegen deze Nazi-instelling. III het midden van die maand ging hij illegaalleven; hij bracht vrouwen kinderen op een ander adres onder dan het zijne (zulks om te voorkomen dat via hïin arrestatie pressie op hem uitgeoefend zou worden), meed zorgvuldig alle contact met hen en werd spoedig als redacteur van het illegale blad De Vrije Kunstenaar maar ook in ander verband volstrekt opgezogen door het illegale werk.

1 Veel mensen hadden in die tijd 'muntmeters' in huis. In de elektriciteitsmeters gebruikte men veelal guldens, in de gasmeters 'muntjes' die men bij winkeliers kon kopen. Was dan de corresponderende hoeveelheid stroom of gas verbruikt, dan moest men opnieuween gulden of een 'gasmuntje' in de meter doen.

103 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

Hij was een intelligent en vindingrijk man maar, belangrijker toch, een formidabele doorzetter en uiterst sensitief. 'Als hij hoorde van vervolging van weerlozen en opgejaagden, ... werd zijn stem staal', aldus een van zijn medewerkers in de illegaliteit, de binnenhuis-architect Einar Berkovich.! Niet dat het van der Veen ooit gemakkelijk viel, desnoods de revolver te richten op Duitsers of op Nederlandse helpers van de vijand! Daar moest ook hij naar toegroeien, en dat begrip' groei' gebruiken wij Iller bewust want wij kunnen bij menigeen in de bezettingstijd een ontwikkeling zien van de persoonlijkheid waarbij eigenschappen die in het normale leven als regel niet centraal staan: fysieke moed, verantwoordelijkheidsgevoel, solidariteit met alle lijdenden, als het ware in versneld tempo opbloeiden. Zo bij Gerrit van der Veen. Albert Helman, zijn biograaf, schrijft hem 'een moeilijk teruggedrongen minderwaardigheidsgevoel' toe." Ook van een 'natuurlijke tederheid' rept Helman, maar, 'als bij kinderen, troebel en verweven met een zekere wreedheid." Die 'wreedheid' kon van der Veen, als van Randwijk die wij in ons vorige deel beschreven, in het contact met medewerkers en medewerksters tonen. Personen die, als zij beiden, zich bewust waren, leiding te geven aan illegaal werk van uitzonderlijke betekenis, waren niet steeds vrij van de neiging, dat leiderschap met brute kracht te accentueren. Van der Veen eiste het uiterste van de leden van zijn groep. Hij was buitengewoon attent voor hen - een minuut later kon hij hen uitfoeteren. Vele van de vrouwen met wie luj in zijn illegale werk in contact kwam, waren dol op die drieste strijder die bij elke actie voorop wenste te gaan en waar zulk een stuwende kracht van uitging. Hij had, van virulente jaloezieën omspoeld, de ene verhouding na de andere. Trouwens, zijn ganse leven kreeg een ontzaglijke spanning; die spanning sleepte hem mee en zij deed in hem, hij was zich dat bewust, de behoefte ontstaan, de inzet steeds hoger te maken. De ene operatie was nog niet voltooid of een nieuwe werd op touw gezet, moeilijker nog, grandiozer. Elke operatie betekende een zelfoverwinning - overwinning in de eerste plaats van de angst die hem tijdens zijn acties vreemd was maar die hem onmiddellijk nadien kon doen trillen als een espenblad. Er stak . in dat gedreven handelen haast een artistiek-scheppende factor: alsofhij in de illegaliteit een uniek en onvergankelijk oeuvre creëren wilde waarvan hij betwijfelde of het hem in de klei of in het marmer ooit zou gelukken.

XC1 E. Berkovich in: Frans Duuraer (van zijn vrienden) (z.j.), p. 27. 2 Albert Helman: Een doodgewone held. De levensgeschiedenis van Gerrit-Jan van der Veen 1902-1944 (1946), p. 81-82. 3 A.v., p. 86. 10

104 [PDF]
GERRIT VAN DER VEEN DE ILLEGALITEIT

De aankondiging van de Jodendeportaties bracht van der Veen tot nieuwe vormen van activiteit. Om te beginnen ging hij er met een aantal medewerkers en medewerksters toe over, uit persoonsbewijzen van Joden de J weg te snijden. Mogelijk heeft hij dit werk ook al vóór juli' 42 ondernomen. Een moeilijke taak! Het papier zelf immers 'was maar de fractie van een millimeter dik en slechts tot een fractie van die fractie mocht het chirurgische lancet doordringen dat de snede maakte om uit het bovenste papierlaagje het vierkant met de J weg te snijden ... Het gebeurde boven de lichtbak met het gewapende oog. Was men zover, dan werd het open witte vakje opgevuld met een stukje uit een van de persoonsbewijzen die als verwerkingsmateriaal werden gebruikt.' Dit moest zeer nauwkeurig passen, zó dat de tekst-onderdruk in alle standen doorliep, wat geen geringe opgaaf was, want door de veelheid en de uitgebreidheid van de tekstwoorden in de onderdruk was altijd door de letters heen gesneden. Voor het inplakken moest een speciale, kleurloze lijm worden gebruikt. Na het inplakken werd het persoonsbewijs geperst onder een strijkijzer of onder de druk van een bankschroef. Was daarna bij een doorlichtingsproef de snede nog te zien, dan werd het persoonsbewijs tussen kranten in zijn geheel een beetje vuil gewreven, zodat het er als van het vele dragen groezelig uitzag. Deze kleine veranderingen kostten eindeloos veel tijd'2teveel tijd, vond van der Veen; ook het 'vermaken' van de pb's beviel hem niet: dat was niet veilig genoeg. Nieuwe pb's waren nodig die machinaal vervaardigd waren! Het ondergrondpatroon ('Bevolkingsregisters van Nederland') verwaarloosde hij: dat zou met diagonaal gedrukte 'schaduwen' aangegeven worden. Via de conservator van de Amsterdamse Gemeentemusea, jhr. W. M. H. B. Sandberg, en de directeur van de Kunstnijverheidsschool, Mart Stam, kwam hij in contact met de directeur van de Amsterdamse drukkerij Duwaer, Frans Duwaer; deze was tot medewerking bereid. Helaas had zijn drukkerij het lettertype 'Gill sans sérif' niet - wèl het type 'Nobel' dat er enigszins op lijkt. Besloten werd, daaruit de tekstdruk te zetten. Dat deed Duwaer zelf, op een zondag: zijn personeel mocht niets merken. Een afdruk van het zetsel werd gefotografeerd; van de foto maakte een afdelingschef van van Leers Clichéfabrieken te Amsterdam, H. F. van der Hulk, een cliché. Nu kon het drukken beginnen. Weer op een zondag werden de eerste duizend nagemaakte pb's gedrukt. Eigenlijk waren ze nauwelijks bruikbaar, maar, aldus later twee vooraanstaande medewerkers van de Persoonsbewijzencentrale

1 Dat waren z.g. verloren pb's; voor dergelijke doeleinden werden ook wel pb's gestolen uit de kleding van particulieren. 2 Antoon Coolen in: in (1951), dl. p. 340-4I.

105 [PDF]

XC'Iedereen die zich met vervalsen bezig heeft gehouden, kent aan de ene kant het eindeloze geploeter, het nauwkeurige geduldwerk, en aan de andere kant de wanhoopsboodschappen van al die in nood verkerenden, het aandringen van de illegale relaties. Vandaar dan ook dat er soms papieren werden afgeleverd, waar de makers zelf nog niet tevreden over waren'! van der Veen en Duwaer waren allerminst tevreden: een pb zonder ondergrondpatroon - èn zonder watermerk ! Want ook daar had van der Veen nog geen oplossing voor kunnen vinden. En toch: die eerste duizend vlogen weg. hoofdzakelijk naar Joden.

XCHet probleem van het ondergrondpatroon werd opgelost: het werd nagetekend en via van der Hulk geclicheerd. Een tweede serie pb's werd gedrukt - weer zonder watermerk. Vervolgens ging van der Veen proeven nemen met het scheppen van papier waarin het watermerk, de drie leeuwen, aangebracht was; na lang experimenteren lukte het, maar het nam teveel tijd. 2 Toen bedacht hij, sjablonen van de. drie leeuwen te laten uitknippen die tussen de twee helften van het pb ingeplakt zouden worden. Dat systeem, waarbij 'een hele ris medewerkers, rnannen en vrouwen'3 alsmaar leeuwtjes zaten te knippen, werd tot eind december' 42 gevolgd, 'maar elke politieman met maar een greintje opmerkingsgave ontdekt almet het blote oog', aldus Helman, 'de grove vervalsing'." Er werd iets beters gevonden: het watermerk werd voortaan aangegeven met een tussengeplakt vel waarin (dezelfde vondst die Veterman een klein jaar eerder gedaan had!) de leeuwtjes bij, de druk uitgespaard waren. Ook aan het namaken van de pb-zegels werd nu meer aandacht besteed. Tenslotte besloot men, de tekstdruk van het pb toch maar uit de Gill sans sérif te laten zetten. Weer gebruikte van der Veen een list die Veterman vóór hem toegepast had: bij de Amsterdamse Stadsdrukkerij plaatste hij schijnbaar onschuldige bestellingen waaruit de gezochte woordcombinaties geknipt konden worden. Van der Hulk zorgde voor nieuwe cliché's en begin '43, toen door van der Veen en de zijnen al ca. 3000 nagemaakte pb's in circulatie gebracht waren, kon de productie van nieuwe series beginnen die veel minder kans op ontdekking boden.

XC1 C. J. Riibsaam en H. C. de Lange-Wibaut in: 0 en V, dl. III, p. 745. 2 'In het laatst van I942 kwamen', zo berichtte het jaarverslag-o.çaz van de Rijksrecherchecentrale, 'twee typen van geheel valse persoonsbewijzenbij de Centrale binnen ... In het ene type komt het watermerk niet voor, in het andere is getracht, vermoedelijk door middel van een droogstempel het watermerk na te bootsen. Er bestaat aanleiding te veronderstellendat beide types uit dezelfdewerkplaats afkomstig zijn. De pogingen tot opsporing van deze werkplaats zijn aan de gang.' (Rijksrecherchecentrale: 'Jaarverslag I942', p. 58 (CNO, 353 d) 3 Albert Helman: Een doodgewone held, p. I45. 4 A.v.

106 [PDF]
BEGIN VAN DE PERSOONSBEWIJZEN,CENTRALE

XCWij zullen in ons volgende deel weergeven hoe de PEe van de lente van ,43 af de belangrijkste landelijke leverancier werd van nagemaakte officiële papieren. Hier volstaan wij met op te merken dat de organisatie eind '43 of begin '44 de beschikking kreeg over twee uit de Algemene Landsdrukkerij ontvreemde numeroteurs, dat zij in april' 4.4 van een relatie bij deze drukkerij een hoeveelheid van de paarse inkt kreeg die bij het drukken van de ondergrond van het pb werd gebruikt en die onzichtbaar werd in het licht van een kwartslamp, dat zij in diezelfde maand bij een overval bij dezelfde drukkerij enkele duizenden blanco-pb's wist te bemachtigen, en dat door de drukker Frans Duwaer, toen hij begin juni' 44 gearresteerd werd, vermoedelijk tussen de 60 000 en 70 ooo pb's gedrukt waren.

XCAl dit werk had veel geld gekost. Vander Veen en zijn medewerkers lieten als regel diegenen die hun pb's ontvingen, naar draagkracht betalen; dat bedrag kon tot f 300 of f 400 oplopen. Die 'verkoop' leverde intussen zelden voldoende geld op' want veruit de meesten die een nagemaakt pb nodig hadden, bezaten' weinig of geen financiële middelen. In '42 en in het grootste deel van '43 heeft in veel sectoren van de illegaliteit een nijpend gebrek aan geld bestaan.

XCIn de herfst van ' 42 werden drie pogingen ondernomen om deze bezwaren op te heffen: een poging om met één slag een grote hoeveelheid echte bonkaarten en persoonsbewijzen te bemachtigen van welke men een deel zelf zou kunnen gebruiken en een deel op de zwarte markt verkopen hetgeen veel geld zou opleveren; een poging om een het gehele land bestrijkende organisatie op te richten om onderduikers aan een duikadres en aan werkgelegenheid te helpen, en een poging om een waarlijk nationale verzetsactie te ontketenen. Die eerste twee pogingen zijn met succes bekroond, de derde is mislukt; zij ging van een groep uit die geleid werd door een socialistische arbeider van de Nederlandse Spoorwegen te Haarlem die in de herfst van '42 al maanden door het land trok in een streven, de verzetsgeest onder de bevolking aan te wakkeren: Jacob Jan Hamelink.

XCKorte tijd later ging Hamelink een gestencild veertiendaags illegaal blad uitgeven, De Kern, waarin hij zijn actie tegen het NVV, spoedig het Nederlands Arbeidsfront, voortzette. Hij was inmiddels in contact gekomen met J. H. Scheps wiens felle, legaal gepubliceerde brochure tegen de Nederlandse Socialistische Werkgemeenschap (het kleine groepje SDAp'ers dat zich achter Rost van Tonningen geschaard had) zijn bewondering gewekt had. Scheps die zijn publicistische arbeid onvervaard voortzette, eerst legaal, later illegaal, was een bezielend spreker en Hamelink ging er toe over, in allerlei plaatsen bijeenkomsten te organiseren waar Scheps tot verzet aanspoorde. Op verzoek van de Amsterdamse hoogleraar prof. dr. G. C. Heringa, een van de voormannen van het Medisch Contact, deed Scheps dat ook voor groepen medische studenten in Amsterdam, en via Heringa ontmoette Hamelink talrijke personen uit andere maatschappelijke kringen dan die waarin hij tevoren steeds verkeerd had, o.m. de Amsterdammer H. P. J. van Ketwich Verschuur en de Hagenaar mr. W. R. van Emmen Riedel; deze laatste was een enthousiast lid van de Nederlandse Unie geweest. Hamelink maakte grote indruk op hen: hier was een eenvoudig man die onwrikbaar principieel dacht - en ernaar handelde.

XCBegin' 42, ongeveer in de tijd waarin hij De Kern was gaan uitgeven, was Hamelink illegaal gaan leven. Vertrouwde partijgenoten in Haarlem en elders hielpen hem; zijn vrouwen kinderen bleven op het oude adres wonen. Het begin van de Jodendeportaties had op hem de uitwerking van een zweepslag. Hij reisde onmiddellijk naar Amsterdam en trachtte er het spoorwegpersoneel toe te bewegen, de treinen voor Westerbork-te laten staan - vergeefs. Dan moesten de Joden op andere wijzen geholpen worden! Ook Hamelink ging er toe over, van pb's van Joden de J te verwijderen; in Haarlem en omgeving bracht hij op diverse adressen Joodse onderduikers onder, ook in zijn eigen vroegere woning. Daar vond in september een inval van de politie plaats: de onderduikers werden weggevoerd, Hamelinks vrouw werd gearresteerd - een verpletterende slag. Hij zette door, beseffend overigens dat nu ook zijn eigen veiligheid in versterkte mate gevaar liep. Eén ding stond voor hem vast: hij zou de vijand niet levend in handen vallen! Hij kwam in het bezit van een revolver.

XC1 (RvO) A. J. C. Rüter: Rijden en staken. De Nederlandse Spoorwegen in oorlogstijd, 1940-1945 (1960), p. 126.

109 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

XCKort voor de inval in zijn eigen woning had Hamelink, weer via Scheps, in Den Haag de emeritus-predikant ds. F. J. Krop Sr kunnen ontmoeten. Krop (van zijn vooroorlogse actie naar aanleiding van de kerkvervolging in de Sowjet-Unie maakten-wij melding in hoofdstuk 2 van ons vorige deel) had jarenlang in Rotterdam gestaan waar zijn gemeente in de Eerste Pijnackerstraat een eigen wijkgebouw bezat, 'Geloof en Vrijheid' geheten. Met zijn zoon mr. F. J. Krop [r die in Rotterdam woonde, behoorde ds. Krop tot de actiefste verspreiders van Vrij Nederland. Vader en zoon kwamen evenwel in augustus' 42, vermoedelijk naa~ aanleiding van de eerste Jodentransporten uit Den Haag (18 en 22 augustus), tot de overtuiging, 'dat het zo niet langer ging. Uit de incidentele persoonsbewijzenvervalsing, hulp aan onderduikers en verspreiding van krantjes diende een machtig actief verzet te groeien.'! Dat denkbeeld werd aan van Randwijk en zijn mederedacteuren van Vrij Nederland voorgelegd, maar het vond bij hen geen instemming: geforceerde groei, zo werd gemeend, zou de illegaliteit alleen maar aan groter gevaren blootstellen. De Krops en een aantal mensen die dachten als zij, vonden evenwel bij Hamelink, die zij korte tijd later voor het eerst ontmoetten, gehoor en hier vloeide uit voort dat op woensdag 14 oktober in Amsterdam ten huize van van Kerwich Verschuur een bespreking plaatsvond, waar 'in principe besloten (werd), het actieve verzet bedrijfsgewijze te organiseren, de Nederlandse collaborateurs die sleutelposities innemen, te liquideren en langzamerhand grote landelijke stakingen voor te bereiden. In de eerste plaats werd hierbij gedacht aan de algemene spoorwegstaking.T Er waren nog meer punten: de hulp aan de Joden moest, zo meende men, beter gecoördineerd worden, men diende maatregelen te treffen 'om Nederlanders die weigerden in Duitsland te werken, het bestaan hier mogelijk te maken', en wat de liquidaties betrof: daar was' een eendrachtig samenwerkende knokploeg' voor nodig." Dat alles moest nader uitgewerkt worden. Men diende ook anderen in die plannen in te wijden. Daartoe werd op zondag 18 oktober, vier dagen later dus, een bespreking belegd in het gebouw 'Geloof en Vrijheid' te Rotterdam. 's Morgens om 10 uur opende Hamelink de bespreking. Er waren, afgezien van hem, tien aanwezigen, onder hen van Ketwich Verschuur, mr. Krop en mr. van Emmen Riedel. Van de zeven overigen waren zes sociaal-democraten uit Rotterdam, Den Haag, Beverwijk en Amersfoort, allen relaties van Scheps; de zevende was een ingenieur uit Beverwijk, R. Cox. De bedoeling was dat zij man voor man 'werkgroepen' (plaatselijke comité's) zouden vormen, en wij nemen aan

XC1 F. J. Krop Sr: Gevangenis en concentratiekamp, B: Het Haagse Veer (z.j.), p. 46. 2 A.v. 3 A.v., p. 13.

110 [PDF]
DE OVERVAL IN 'GELOOF EN VRIJHEID'

dat het ook in het voornemen lag, die eerste bijeenkomst door andere te laten volgen waarvoor personen uit de niet vertegenwoordigde delen des lands uitgenodigd zouden worden; Scheps die in Rotterdam niet aanwezig was (hij was toen nog een principiële tegenstander van liquidaties), kende in vrijwel alle delen des lands socialisten die, naar vertrouwd werd, tot medewerking bereid zouden zijn.

XCDe bijeenkomst in Rotterdam was verraden, vermoedelijk door een vrouwelijke kennis van de Krops. Er was bericht van gegeven aan de Rotterdamse gemeentepolitie. Om half twaalf verschenen vijf 'foute' reehercheurs bij het gebouw 'Geloof en Vrijheid'. Twee drongen naar binnen. Zij begonnen de deelnemers aan de bijeenkomst te fouilleren. Valse pb'skwamen bij hen voor de dag, bovendien bleken enkelen hunner pakken met exemplaren van Vrij Nederland meegenomen te hebben die zij ter distributie aan andere aanwezigen hadden willen geven. Hamelink besefte dat zijn arrestatie voor de deur stond. Toen een der rechercheurs hem wilde gaan fouilleren, trok hij zijn revolver, riep 'Jongens, valt aan!' - en-viel dood neer, in het hart getroffen door een politiekogel. Ee~ algemene vecht- en schietpartij ontstond. Twee aanwezigen, onder wie van Emmen Riedel, ontkwamen in de verwarring, twee anderen (de sociaal-democraten T. van Est en E. Z witser) werden, als Hamelink, dodelijk getroffen, en mr. Krop en ir. Cox raakten zwaar gewond. De rechercheurs gedroegen zich aldus mr. Krop, 'als dolle beesten Zo werd ik zelf in het straatvuil gelegd, waarbij de wens werd uitgesproken dat een flinke infectie de .ernstige wonden dodelijk zou maken." .

XCDe overlevenden (zij hadden het werkelijke doel van hun samenkomst kunnen verzwijgen) werden veroordeeld in het Vrij Nederland-proces dat in januari' 44 gehouden werd en zaten tot het einde van de oorlog gevangen, ds. Krop Sr werd een jaar lang in arrest gehouden.

XCOp 14 oktober '42 (dezelfde dag waarop de groep-Hamelirik in Amsterdam vergaderde) was de eerste overval op een' distributiekantoor een succes geworden: in Joure, en negen dagen later, op de zjste, lukte de tweede: in W onunels, even ten zuiden van Franeker. De eerste was georganiseerd doorJ

1 F. Krop Jr in a.v., p" 47.

111 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

Dobbe, de tweede door een verzetsman die tot zijn groep behoord had, Harry Reeskamp, een apothekers-assistent uit Naarden.'

XCReeskamp had al met Dobbe samengewerkt in de periode, zomer' 40, toen Dobbe wapens en explosieven ontvreemdde uit opslagplaatsen in de vestingNaarden. Die actie was later ontdekt en Reeskamp was toen in Friesland ondergedoken. Hij werd daar door velen ongunstig beoordeeld. Hij was een man van sterke verhalen en men vernam bovendien dat hij voor de oorlog een keer wegens oplichting veroordeeld was. Maar hij had wat gedurfd, en men verleende hem gastvrijheid. Trouwens, ook Dobbe zelf had zowel vóór zijn arrestatie als na zijn ontsnapping (eind' 41) af en toe in Friesland kunnen onderduiken. Hij vond vooral helpers in de buurt van Heerenveen en laat in de zomer van '42 kon hij daar een soort operatie-basis vestigen in een leegstaand jachthuis dat bij Mildam in het Oranjewoud gelegen was op enige afstand van de grote wegen. Een veldwachter van de gemeente Heerenveen met standplaats Oudeschoot (dicht bij Mildam), Sietse de Jong, had Dobbe op het huisje gewezen; Dobbe nam er zijn intrek, de eigenaar was ingelicht. Anderen voegden zich bij Dobbe: .Dobbe's vriend Gerrit Kleinveld. uit Woudenberg, en de Woudenbergse ambtenaar Bergsteyn die Dobbe aan 250 blanco pb's geholpen had; dan een zwager van Kleinveld, Evert van Voorthuizen, en een vertegenwoordiger uit Wassenaar, Pieter Johannes Prekenhorst; tenslotte een leraar uit Groningen, Hendrik Adrianus Rotte. Prekenhorst had in de buurt van Den Haag voor Vrij Nederland gewerkt en Rotte was betrokken geweest bij de liquidatie van een verrader in Zuidlaren; hij was deswege samen met zijn zoon ondergedoken. Ook anderen verschenen bij tijd en wijle in het jachthuis, maar wij willen ons relaas niet met meer namen belasten dan strikt noodzakelijk is. In feite was de situatie deze dat men in kringen van ingewijden wist dat het jachthuis (er waren nog andere schuilplaatsen in de buurt) een goede' duikbasis' vormde - wie zich acuut bedreigd voelde, trok er een poos heen.

XCTot degenen die er vaak verschenen, behoorde ook D.D.B. ('Dick') van Veen. Deze die uit Boskoop stamde (hij had er een opleiding tot kweker gevolgd), had in Amsterdam actief geholpen bij de productie en verspreiding van het 'eerste'Vrij Nederland; toen die organisatie in de lente van' 41 opgerold werd, was hij naar Friesland gevlucht, had daar later min of meer bij toeval Reeskamp ontmoet en was door Reeskamp met Dobbe in contact

1 Men vindt het beste overzicht van de vooral door zijn nasleep bijzonder ge compliceerde overval te Joure in P. Wijbenga: dl. 1(1970), p. 304-32. Wij baseren ons beeld hoofdzakelijk op Wijbenga's samenvatting, die wij met gegevens uit andere bronnen aangevuld hebben.

112 [PDF]
DE GROEP-DOBBE

gebracht. Van Veen was Vrij Nederland trouw gebleven; begin '42 had de centrale leiding hem de organisatie van de verspreiding in het noorden des lands toevertrouwd. Trouwens, wij moeten bij uitstek een groep als die van Dobbe niet als een geïsoleerde eenheid zien. Er waren in '42 nog maar weinig 'illegalen' en de werkzaamheden werden vaak niet strikt gescheiden gehouden. Velen deden wat hun hand te doen vond; Dobbe's groep had bijvoorbeeld via van Veen niet alleen verbindingen met Vrij Nederland maar ook met de OD die in die tijd belangrijke contacten met Vrij Nederland had.

XCVoor Dobbe en de zijnen sprak het vanzelf (trouwens, ook voor de Vrij Nederland-groep) dat zij van medio juli' 42 af Joden hielpen onderduiken. Dobbe deed dat bijvoorbeeld met de Joodse directiesecretaris van de linoleumfabriek welker vertegenwoordiger hij geweest was, een zekere Seligmann; met zijn vrouwenhun kindje kon deze door Dobbe's hulp een schuilplaats vinden in de buurt van Heerenveen maar daar moest per maand een niet gering bedrag voor betaald worden: ca f 300. Dobbe had dit onderduikadres gevonden door de hulp van een drukker uit Sneek, H. J. Lever, die met zijn twee zoons graag het verzet steunde. Dat laatste gold ook voor een schoenwinkelier uit Heerenveen, H. Steenwijk. Lever had een enkele keer op verzoek van Dobbe goederen die voor Joodse onderduikers bestemd waren, aan Steenwijk doen toekomen. Want er kwamen meer onderduikers dan alleen het gezin-Seligmann! Zo haalde Frekenhorst twee jonge meisjes uit Wassenaar, die hem bekend waren, Elly en Rita Polak, naar Friesland toe. Rita kreeg na enige omzwervingen een schuiladres bij een predikant in Heeg, met Elly kwamen er moeilijkheden. Dobbe moest haar tenslotte enige tijd in het jachthuis opnemen, van daaruit vond hij voor haar een nieuw duikadres in Utrecht. Nagenoeg een ieder die de zorg voor enkele Joodse onderduikers op zich had genomen, had met dit soort problemen te worstelen. Maar er waren ook andere. Wij noemden ze al: blanco persoonsbewijzen waren nodig, bonkaarten en, dàt vooral, geld.

XCWij verhaalden reeds hoe Dobbe en Bergsteyn begin september' 42 zich op de gemeentehuizen te Huizum en Grouw een flink aantal blanco pb's hadden weten toe te eigenen. Als gevolg van dit succesdrong zich vooral aan Dobbe de overtuiging op dat men met overdonderend optreden eigenlijk alIesin de wacht kon slepen waaraan men behoefte had. Was het niet mogelijk, ergens met één slag een grote hoeveelheid bonkaarten en losse bonnen te bemachtigen? Voor de periode waarin deze geldig waren (de distributie werkte toen als regel met perioden van vier weken), zou men uit de zorgen zijn en bovendien zou men de overtollige bonnen, als men ze tijdig in handen kreeg, d.w.z. voor het begin van hun geldigheidsperiode, tegen flinke bedragen op de zwarte markt kunnen verkopen. In de grote steden in

113 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

het westen waren tal van punten waar zwarte handelaren elkaar en hW1 klanten plachten te ontmoeten, de scherpe politiecontrole was volstrekt niet bij machte, dat verschijnsel de kop in te drukken. Welnu, een zuster van veldwachter Sietse de Jong (de man die Dobbe op het jachthuis attent gemaakt had) werkte op het distributiekantoor in Joure. Begin oktober deed zij weten dat op het kantoor een kleine onregelmatigheid ontdekt was; Dobbe knoopte dat in zijn oor. Vermoedelijk op zaterdag 10 oktober gaf zij voorts het bericht door dat het Centraal Distributiekantoor aan de distributiedienst van [oure (beter gezegd: van de gemeente Haskerland) de bonnenvoorraad had doen toekomen voor de eerstvolgende distributieperiode die op zondag 8 november zou ingaan: bonnen voor ruim tienduizend Nederlanders.

XCDobbe's plan had vaste vorm aangenomen: met een aantalleden van zijn groep zou hij naar de kassier van de distributiedienst in [oure gaan om Z.g. in opdracht van de justitie de gehele bonnenvoorraad plus alle desbetreffende administratiestukken in beslag te nemen; hij zou beweren dat de justitie vermoedde dat er niet een simpele onregelmatigheid gepleegd was maar dat er sprake was van ernstige malversaties. Voor het transport was een auto nodig. Weinig particulieren in Heerenveen hadden nog een rijvergunning. maar een hunner, de vee-arts H. S. Ho£kamp, was bereid, zijn wagen, een Citroën, 's avonds ter beschikking te stellen; hij zou deze dan parkeren voor het hotel waar hij placht te kegelen, Hotel Vernimmen, en er de sleuteltjes in achterlaten. Eén eis stelde hij: aangezien men zijn auto voor een illegale actie ging gebruiken, moest zijn nummerbord 'B 15800' door een ander bord vervangen worden. I Van Veen nam op zich, voor dat andere bord te zorgen, maar had daar nog geen tijd voor kW1I1en vinden toen hij op woensdag 14 oktober in de vooravond, terugkomend van drukke werkzaamheden voor Vrij Nederland, in Heerenveen uit de trein stapte. Dobbe stond op hem te wachten en deelde hem mee dat de overval in Joure diezelfde avond uitgevoerd zou worden. Van Veen protesteerde: het nieuwe nummerbord was er nog niet, maar toen Dobbe hem tartte ('Als je niet durft, blijf je maar thuis'), verklaarde hij zich bereid mee te doen. Besloten werd, het nummerbord van dokter Hofkamp met modder moeilijk leesbaar te maken.

XCDobbe en van Veen togen naar schoenwinkelier Steenwijk die ook in het complot was. Zij trokken er marechaussee-uniformen aan die een al onder

1 In die tijd had elke eigenaar van een auto een persoonlijk nummer dat bij een nieuwe auto weer gebruikt werd. Dat nummer bestond uit een aanduiding van de provincie (A voor Groningen, B voor Friesland, enzovoort), gevolgd door een aantal cijfers.

114 [PDF]
DE OVERV AL VAN JOURE

gedoken collega van veldwachter de Jong, Jacob Nieuwland, van een vriend had weten te verwerven. Van de leden van Dobbe's groep bleefFrekenhorst bij Hotel Vernimmen achter; Rotte, van Voorthuizen en Bergsteyn reden mee naar Joure. Van Voorthuizen en Bergsteyn zouden zich voor rechercheurs uitgeven en Rotte die goed Duits sprak, zou voor 'SD' er' spelen.

XCDe opzet slaagde. De kassier van de distributiedienst van de gemeente Haskerland liet zich omstreeks negen uur volledig overdonderen, opende in het gebouw van de dienst de kluis waarin de waardepapieren lagen, hielp de volledige nieuwe bonnenvoorraad plus de desbetreffende administratiestukken in de auto laden, liet zich huisarrest opleggen ('Er staat een wachtpost voor uw deur', werd hem gezegd) - en rook eerst onraad toen hij tegen middernacht merkte dat de 'wachtpost' in geen velden of wegen te bekennen was; hij alarmeerde de politie.'

XCDe bonnenvoorraad was inmiddels afgeleverd bij veldwachter de Jong, dokter Hofkamp kreeg zijn auto terug en een dag later begonnen Dobbe en de zijnen in hun jachthuis methet sorteren van de duizenden bonkaarten en tienduizenden losse bonnen die hun in handen gevallen waren. De gehele voorraad werd spoedig door een broer van Gerrit Kleinveld in een melkauto naar Woudenberg overgebracht en vandaar in grote partijen naar Amsterdam waar o.m. eenzekere KlaasWerkman zich met de taak belastte, de partijen tegen provisie op de zwarte markt te spuien en met Dobbe en van Veen af te rekenen. Allen die bij de overval betrokken geweest waren, hielden overigens ook hoeveelheden bonnen ~nder zich, zo ook Frekenhorst die met medenemen van het nagemaakte sternpel van de gemeente Woudenberg in Amsterdam onderdook.

XCDaar had men zulk een groot aanbod op de zwarte markt nooit gekend: de prijzen kelderden. Desniettemin kregen Dobbe en van Veen elk de beschikking over het voor die tijd zeer hoge bedrag van f 60000. Van dat geld ging een aanzienlijk deel onmiddellijk naar de illegaliteit: naar Vrij Neder land en de OD. Dobbe gaf voorts hoge sommen aan personen die de zorg voor Joodse onderduikers op zich genomen hadden, en aan familieleden van verzetsslachtoffers; hij hield ook een bedrag in reserve, van Veen in eerste instantie zelfs een groot bedrag. 2 Men slaagde er niet in, alle bonnen tijdig op de zwarte markt te verkopen.

1 De kassier is later een vooraanstaand medewerker van de LO geworden. 2 Met dat bedrag ging van Veen in '43 en '44 speculeren. Hij rnaakte flinke winst, gaf nieuwe bedragen aan en aan diverse personen die hulp boden aan slachtoffers van het bezettingsregime, en richtte met het restant begin' 44 een illegale drukkerij in die een belangrijke bijdrage tot het verzet geleverd heeft.

115 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

'We wisten er geen raad mee', vertelde van Randwijk ons zestien jaar later, 'er zijn zelfs bonkaarten verbrand."

XCWat in de avond van 14 oktober in Joure geschied was, werd de volgende ochtend aan de Rijksrecherchecentrale gerapporteerd. Men nam daar in eerste instantie aan dat de overval niets met de illegaliteit te maken had maar dat hier een sluwe dievenbende aan het werk geweest was (de onderwereld had in '41 in Amsterdam en Beverwijk grote 'bonnenkraken' kunnen plegen). Met de leiding van het onderzoek belastte zich Kriminalkommissar Walter Julius Horak die sinds enige tijd aan de Rijksrecherchecentrale toegevoegd was om bij ernstige malversaties op economisch gebied de opsporing te leiden. Aangezien de kleine en grotere economische delicten hand over hand toenamen, werd besloten, het recherchewerk met de grootst mogelijke energie uit te voeren; het werd aan rijksrechercheurs toevertrouwd die er niet meer in zagen dan het ophelderen van een ernstig commuun misdrijf.

XCInmiddels was de politie van de gemeente Haskerland met het onderzoek begonnen. Op IS oktober vernam zij van de broer van de kassier die bij het z.g. onderzoek door Dobbe en de zijnen aanwezig geweest was, dat hij meende, twee van de overvallers wel eens in Heerenveen gezien te hebben, nL in Hotel Vernimmen. Voorts verklaarde de gemeente-tuinman van Joure dat hij de auto waarin de overvallers gezeten waren, had zien wegrijden; hij dacht dat 'B 5800' het nummer was. Dat spoor liep meteen dood. Horak uitte de veronderstelling dat de tuinman zich bij zijn waarneming vergist kon hebben: moest misschien aan 'B 5800' een cijfer toegevoegd worden? Inderdaad, op 20 oktober verklaarde een chauffeur die de auto ook gezien had, dat 'B 15800' het nummer was; hij gaf tevens het merk op: Citroën. Nog diezelfde dag werd de veearts Hofkamp gearresteerd. Deze kon bewijzen dat hij de gehele avond van de rade in Hotel Vernimmen gekegeld had; desondanks werd hij vastgehouden.

XCHofkamp gearresteerd! Dat bericht alarmeerde Dobbe. Met Bergsteyn was hij in het jachthuis achtergebleven. In grote haast werd daar nu alles opgeruimd. De kachel trok niet goed, veel werd in de tuin begraven: lege jeneverkruiken, brieven die Dobbe ontvangen had, losse bonnen, stempelafdrukken van de gemeente Haskerland, allerlei Duitse formulieren.

XC1 H. M. van Randwijk, 5 nov. 1958.

116 [PDF]
DE RIJKSRECHERCHE INGESCHAKELD

XCInmiddels hadden de rechercheurs (het waren er tien geworden) het onderzoek voortgezet en op de dag waarop Hofk:amp gearresteerd werd, 20 oktober, verklaarde een kelner van Hotel Vemimmen dat hij in de voorafgaande weken enkele malen telkens eenzelfde gezelschap in Heerenveen bijeen gezien had - een gezelschapdat niet uit Heerenveners bestond en dat op hem een verdachte indruk gemaakt had; hij gaf een beschrijving van die personen. De rechercheurs gingen bij de taxichauffeurs en garagehouders in Joure en Heerenveen informeren. Een van die garagehouders herinnerde zich aan de hand van de voorlopige signalementen dat hij wel eens iemand die op een der gezochten leek, op de straatweg afgezet had dicht bij het jachthuis, een ander, dat hij vermoedelijk dezelfdepersoon een keer vervoerd had in gezelschap van de drukker Lever uit Sneek. De drukker en zijn twee zoons werden gearresteerd. Zij bekenden dat zij met de gezochte, die zich jegens hen steeds 'Oom Jan' genoemd had, contact hadden gehad; het duikadres van het gezin Seligmann werd prijsgegeven. De Levers werden op 21 oktober in het politiebureau te Sneek opgesloten.

XCDiezelfde avond trachtten Dobbe en Bergsteyn hen te bevrijden. Als 'SD'ers' vervoegden zij zich bij het bureau; zij eisten op hoge toon dat de arrestanten aan hen zouden worden overgedragen maar de twee dienstdoende agenten zeiden dat zij eerst contact met hun superieuren moesten opnemen. Eén ging de corrunissarishalen; voor deze verschenen was, waren Dobbe en Bergsteyn verdwenen.

XCDrie rampen volgden. Ten eerste gaf Seligmann, na de belofte ontvangen te hebben dat hij met zijn gezin naar Zwitserland mocht emigreren (Horak heeft zich aan die belofte gehouden), de naam van Dobbe prijs; ten tweede werd bij huiszoeking bij de Levers een vrachtbrief ontdekt waaruit bleek dat er enige tijd tevoren goederen aangekomen waren die de schoenwinkelier Steenwijk uit Heerenveen afgezonden had - ook Steenwijk werd opgepakt; ten derde werd in het jachthuis geconstateerd dat onbevoegden er zich toegang toe verschaft hadden en dat zij kennelijk in grote haast waren vertrokken. Nader onderzoek leidde er toe dat alleswat in de tuin begraven was, ontdekt werd: de lege jeneverkruiken, de paperassen van de gemeente Haskerland, maar ook de brieven die Dobbe ontvangen had. Daar was een briefbij van Elly Polak, met haar duikadres er op. Ze werd in Utrecht gearresteerd en naar Heerenveen overgebracht. Bij Elly had men een brief van haar zuster Rita uit Heeg gevonden. Ook Rita werd gearresteerd en bij haar trof men zelfs een hele correspondentie aan: brieven die zij van verscheidene andere Joodse onderduikers in Friesland ontvangen had; allen werden opgepakt. Elly was tegen de noodsituatie waarin zij zich plotseling bevond, totaal niet bestand: uit angst naar Mauthausen opgezonden te worden,

117 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

beweerde ze dat Prekenhorst haar zusje en haar tot onderduiken gedwongen had en dat zij beiden voor een vals pb f I 500 hadden moeten betalen, ja ze ging ook een heel verhaal ophangen dat Dobbe haar geprest had, in het jachthuis haar intrek te nemen waar hij en anderen haar sexueel misbruikt hadden; ze gaf de namen van Bergsteyn en van Veen prijs en ze verklaarde tenslotte dat zij in het jachthuis herhaaldelijk veldwachter Sietse de Jong gezien had. Sietse de Jong werd opgepakt.

XCToen deze met Elly geconfronteerd werd, vertelde zij hem op verzoek van Horak hoe zij misbruikt was en hoeveel geld haar afgezet was voor haar valse pb ; Horak memoreerde de talrijke lege jeneverkruiken die opgegraven waren, en uit een en ander trok Sietse de Jong de conclusie dat de groepDobbe het tegendeel geweest was van een bonafide verzetsgroep, eerder een stel louche avonturiers die op een plezierig en gemakkelijk leventje uit waren. Hij verklaarde zich, bereid, te helpen bij het opsporen van Dobbe. Het verhaal van de jeneverkruiken en van de wijze waarop Elly Polak misbruikt en afgezet was, ging in Friesland in brede kringen de ronde doen en werd, gegeven de algemeen menselijke neiging, eerder het kwade dan het goede van de medemens te geloven, grif aanvaard. Ook schoenwinkelier Steenwijk werd er mee bewerkt - hij gaf toe dat 'Oom Jan' en een ander zich bij hem thuis op de avond van de overval in marechaussee-uniformen gestoken hadden.'

XCHet onderzoek werd nu verplaatst naar het westen des lands. Horak en de rijksrechercheurs namen aan dat de buit van de overval daar in de zwarte handel wel geheel of grotendeels boven water zou komen.

XCDobbe had.Harry Reeskamp geheel buiten het plan voor de overval gehouden: hij was zijn vertrouwen in hem kwijtgeraakt. Dat de overvallers zoveel succes gehad hadden, vervulde Reeskamp met felle jaloezie: dan zou hij tonen dat ook hij tot zulk een stunt in staat was! Hij stond met een verzetsman in contact, Andries Joustra, wiens broer Gerard werkzaam was op de kleine distributiepost in Wommels tussen Franeker en Bolsward. Er werkten daar slechts twee man: Gerard [oustra en zijn chef, Meindert de Boer. Gerard [oustra verklaarde zich bereid, zich op 23 oktober tijdens het schaftuur te laten 'overvallen', maar toen die overval plaats vond, had hij zijn plaats

XC1 De uniformen werden eind december in een schuur bij hetjachthuis gevonden; ze waren verborgen onder een hoeveelheid stro.

118 [PDF]
DE OVERVAL IN WOMMELS

aan de Boer afgestaan. Reeskamp en een helper, Leendert van der Groep, een broodbezorger uit Amsterdam die ook al wegens illegaal werk in Friesland ondergedoken was, maakten, met revolvers dreigend, twee koffers bonkaarten en bonnen buit. Een deel gingen ze doorgeven aan personen die voor Joodse onderduikers zorgden, een deel begonnen ze ten eigen bate in de zwarte handel te verkopen.

XCTwee-en-een-halve week later werd van der Groep, toen hij opnieuw Heerenveen bezocht en er bij Hotel Vernimmen wat gebruikte, door de kelner herkend die hem wel eens in gezelschap van Dobbe en de zijnen gezien had. De kelner waarschuwde de politie. Van der Groep werd ingerekend en drie dagen later werd Reeskamp door Horak in een hotel in Arnhem gearresteerd waar hij enkele relaties die Joden hielpen, o.m. ds. L. Overduin uit Enschede, bonnen zou overhandigen; Reeskamp had er ook een afspraak met Dobbe maar deze arriveerde eerst toen Horak met zijn arrestanten, onder wie Overduin. verdwenen was.

XCSpoedig kwam nu aan het licht hoe de overval in W 011ID1.elS geënscèneerd was. Gerard [oustra en Meindert de Boer werden opgepakt. De Boer kon aantonen dat hij door het gebeurde verrast was, Joustra (wiens broer Andries onmiddellijk ondergedoken was) werd vastgehouden. In de zomer van '44 waren hij en van der Groep nog steeds niet berecht: men was opnieuw naar Reeskamp op zoek. Deze die immers apothekers-assistent was, had met behulp van een in de gevangenis naar binnen gesmokkeld preparaat een maagbloeding weten te simuleren; men had hem in december '42 onder bewaking opgenomen in het Binnengasthuis te Amsterdam. Daar was hij met de nodige assistentie nog voor Kerstmis uit ontsnapt. Men kreeg hem niet meer te pakken.

XCVan diegenen die de overval in Joure uitgevoerd hadden, was Frekenhorst de eerste die in handen van de politie viel. Toen hij nog in Wassenaar woonde, had hij daar de arts K. Bolle uit Pijnacker ontmoet. Zoals wij in ons vorig deel beschreven, had Bolle in de lente vanbelangrijke hulp verleend aan geheime agenten uit Engeland, hij had o.m. de agent Jan Emmer gehuisvest. Dat was aan Schreieder bekend geworden via de Nederlandse V-Mmm L. A. Poos, een Haagse politieman, die door Schreieder als 'Dick', een Z.g. geheime agent, op Bolle was afgestuurd. Toen nu allen die met Bolle in contact gestaan hadden, gearresteerd werden, had Schreieder Bolle met rust gelaten; hij hoopte, via 'Dick' aan meer gegevens te komen. Maar Bolle had

'42

119 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

verdenking opgevat, had plannen gesmeed om 'Dick' uit de weg te ruimen en was tenslotte veiligheidshalve met zijn vrouw bij een tandarts in Wassenaar ondergedoken. Daar was hij met Frekenhorst in aanraking gekomen. Het contact was, ook toen Prekenhorst in Friesland ondergedoken was, bestendigd en toen Frekenhorst met 'zijn deel van de buit in Amsterdam verschenen was, deed hij op Bolle een beroep om hem bij de transacties op de zwarte markt ten behoeve van Vrij Nederland te helpen. Bolle deed dat, werd bij een politierazzia onder zwarte handelaren toevallig gearresteerd, bleek in het bezit te zijn van uit Joure afkomstige distributiebescheiden en werd meteen met zijn vrouw door Horak nader aan de tand gevoeld. Wij nemen aan dat Horale ook jegens hen de jeneverkruiken en het relaas van Elly Polak uitspeelde - hoe dat zij, bekend werd wanneer en waar Bolle zijn volgende afspraak met Frekenhorst had. Mevrouw Bolle begaf zich daarheen en Frekenhorst werd gearresteerd. Men vond in zijn kamer een grote hoeveelheid bonnen plus het nagemaakte gemeentestempel van Woudenberg. Het was toen 30 oktober, ruim twee weken na de overval.'

XCNog geen twee weken later, op 10 november, werd, ditmaal via contacten in de zwarte handel, Klaas Werkman gearresteerd - de man die het grootste deel van de buit al zwart had weten te verkopen en van wie Dobbe en van Veen elk een deel van hun f 60 000 ontvangen hadden. Werkman had nog f 15 000 bij zich thuis, ook nog een groot aantallosse bonnen en vierduizend bonkaarten. Horak liet hem na een dag lopen.

XCWaar was het Horak om te doen? Het ziet er naar uit dat deze en de rijksrechercheurs die met de naspeuringen belast waren, inderdaad aanvankelijk van mening waren dat de overval te Joure niets te maken had met de illegaliteit; had Horak er anders over gedacht, dan had hij de zaak onmid- , dellijk aan de Abteilung IV (Gegnerbekämpfung) moeten overdragen. Maar het kan niet lang geduurd hebben of er moet zich aan Horak en de rijksrechercheurs de indruk opgedrongen hebben dat aan het geval nog heel andere kanten zaten: men wist dat Dobbe in '40 wapenen en explosieven ontvreemd had en in '41 betrokken was geweest bij enkele opzienbarende sabotagegevallen; nu zag het er bovendien naar uit dat er talrijke verbindingen waren tussen de groep-Dobbe en de Vrij Nederland-groep.

XCIn die laatste groep waren in september' 42 talrijke arrestaties verricht en inIV

1 Horak liet mevrouw Bolle vrij, de arts zelf kwam voorwaardelijk in vrijheid: hij had op erewoord beloofd, Horak steeds te doen weten waar hij zich ophield. Tijdens een bezoek aan Horak werd hij in maart' 43 op last van gearresteerd. De arts en zijn echtgenote werden wegens hulp aan spionage ter dood veroordeeld, kregen gratie en zaten tot het einde van de oorlog in Duitsland gevangen.

120 [PDF]
HORAK

november speelde de cadet Pasdeloup die, om het leven van zijn Joodse verloofde te redden, al maandenlang af en toe illegale werkers aan de Sicherheitspolizei uitleverde", twee van de topfiguren van Vrij Nederland in Duitse handen: de organisatoren van de landelijke distributie Henk Hos en Wim Speelman. In tegenstelling tot anderen viel het Horak die in Oostenrijk aan het illegale werk van de NSDAP deelgenomen had, niet moeilijk, zich met bonafide Nederlandse illegale werkers te identificeren; zo zag hij allen die met Vrij Nederland te maken hadden. Zijn streven werd er op gericht, te verhoeden dat de overval te Joure bezwarend materiaal zou opleveren ten nadele van de Vrij Nederland-groep; in het algemeen had hij trouwens geen enkele behoefte, slachtofferste maken. Twee dingen wilde hij bereiken: dat Vrij Nederland ophield te verschijnen en dat Dobbe, in '4I ontsnapt, gearresteerd werd. De collega's van de Abteilung IV zouden staan te kijken als hij, man van de gewone Kriminalpolizei (Abteilung V), dàt gepresteerd had! Die collega;s moesten er dus buiten gehouden worden. Dat kon alleen wanneer hij aan de constructie vasthield dat de overval in wezen een economisch misdrijf geweest was. Daarvan wist hij de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD Harster te overtuigen. Door deze gedekt, ging Horak verder. De Levers, scheenwinkelier Steenwijk en de veearts Hofkamp werden met zijn machtiging uit hechtenis ontslagen, de familie Seligmann hielp hij naar Zwitserland vertrekken, Elly en Rita Polak en de overige Joodse onderduikers die ontdekt waren, werden niet aan IV B 4 overgedragen en diegenen die deze onderduikers gehuisvest hadden, werd geen haar gekrenkt. Ook ds. Overduin werd door Horak niet in arrest gehouden. Maar Dobbe moest hij in handen krijgen!

XCHoe zagen de Nederlandse rijksrechercheurs de zaak?

XCDe twee die tot het einde bij het onderzoek betrokken bleven, L. A. Noppen en J. J. C. Flipse, stonden niet stil bij het feit dat Dobbe in '4I belangrijk illegaal werk verricht had. Zij constateerden dat Horak tallozen vrijliet of niet vervolgde die Abteilung IV bepaald zou hebben vastgehouden of gearresteerd, ja die ter dood veroordeeld konden worden, en alles wijst er verder op dat Noppen en Plipse van de juistheid der tegen Dobbe gerichte aantijgingen volstrekt overtuigd w.ill"en.Zij zagen hem als een bendehoofd dat onschadelijk gemaakt moest worden. Niet anders veldwachter de Jong, zij het dat deze zich tot medewerking aan Dobbe's opsporing slechts met aarzeling bereidverklaard had. Die aarzeling werd in gesprekken met

1 Pasdeloup, een koerier van de OD-leiding, was in januari '42 op het strand in Scheveningen gearresteerd bij"de mislukte poging van de groep-Hazelhoff Roelf zema om Frans Goedhart en dr. H. B. Wiardi Beckman op te halen.

121 [PDF]
DE ILLEGALITEIT.

betrouwbare Friese illegale werkers overwonnen: wat, naar zij meenden, in het jachthuis geschied was, moest men een schande voor het verzet noem.en, de Jong had, zeiden zij, gelijk wanneer hij Horak die voortdurend voor nieuwe vrijlatingen zorgde, hielp Dobbe te vinden. De Jongs collega Nieuwland (de man die de marechaussee-uniformen geleverd had) kwam zelfs uit zijn onderduik te voorschijn om zich te laten overtuigen dat ook hij bij het opsporingswerk moest helpen. Daar was hij zelfs bij uitstek geschikt voor: Dobbe en de zijnen konden jegens de Jong een zeker wantrouwen koesteren (gearresteerd en zo spoedig vrij? - dat kon niet deugen), maar van Nieuwland wisten zij slechts dat hij ondergedoken was.

XCOp 30 oktober had Horak Frekenhorst in handen gekregen. Prekenhorst verklaarde zich bereid, contact met Dobbe te zoeken waarbij hij op erewoord beloofde, zich na dat contact weer in gevangenschap te zullen melden. In opdracht van Horak zei hij Dobbe dat Vrij Nederland moest ophouden te verschijnen en dat Dobbe zich bij de Duitsers moest aangeven; als hij dat niet deed, zouden vele gearresteerden gefusilleerd worden. Dobbe was geen moment bereid, op die koehandel in te gaan. Sterker nog: hij overtuigde Frekenhorst dat het volstrekt onverantwoord was indien deze zich weer in gevangenschap begaf. Prekenhorst dook in Scherpenzeel onder, Dobbe haalde zijn eigen vrouwen kinderen op en ging met hen naar een adres in Arnhem waar hij zich zes maanden lang zou schuilhouden. Horak heeft hem er niet weten te vinden.

XCHet adres in Scherpenzeel waar Frekenhorst veilig hoopte te zijn, was aan Klaas Werkman bekend: deze had zich daar wel eens vervoegd om partijen bonnen in ontvangst te nemen en om af te rekenen. Het adres was door Werkman toen hij op 10 november gearresteerd werd, genoemd - twee dagen later werd Frekenhorst er voor de tweede maal gearresteerd; Nico Bergsteyn die zich toevallig in hetzelfde huis bevond, ontkwam.

XCOok Dick van Veen bleef niet lang op vrije voeten. Nieuwland, die door niemand gewantrouwd werd, wist eerst met Gerrit Kleinveld in contact te komen, vervolgens met van Veen. Beiden werden omstreeks de jaarwisseling gearresteerd.' Kleinveld slaagde er in, op I maart '43 op miraculeuze

1 Kleinveld had stukken bij zich waaruit bleek dat bepaalde drukkers opdtachten voor uitgevoerd hadden; dit soort materiaal werd door Horak en de met hem samenwerkende rijksrechercheurs eenvoudig terzijde geschoven.

122 [PDF]
NASLEEP VAN DE OVERVAL VAN ]OURE

wijze uit de z.g. bunker (de gevangenis) van het concentratiekamp Amersfoort te ontsnappen - van Veen liet zich met dezelfde transactie in die Horak aan Frekenhorst voorgelegd had. Hij benaderde de centrale leiding van Vrij Nederland (daar komen wij in dit hoofdstuk op terug) en hij benaderde Dobbe, dat laatste via Evert van Voorthuizen, een van de twee 'rechercheurs' bij de overval in Joure. Het gesprek tussen van Veen en Dobbe duurde vijf uur. Dobbe weigerde, op Horaks voorstellen in te gaan. 'Je speelt met vuur', zei hij tegen van Veen. Deze keerde onverrichterzake in gevangenschap terug maar werd weer vrijgelaten, nu om de besprekingen met Vrij Nederland voort te zetten.

XCDe zaak (die wij hier alleen in hoofdlijnen weergegeven hebben) heeft zich nog maanden voortgesleept. Zij vond als volgt haar einde. Op een vroeger duikadres van Dobbe dat in elk geval door van Veen en wellicht ook door Kleinveld aan Horak en de rijksrechercheurs Noppen en Flipse bekendgemaakt was, werd van Voorthuizen eind juni' 43 gearresteerd. Diens zwager Kleinveld, de tweede 'rechercheur', besloot toen, de Duitsers op chantagegebied met gelijke munt te betalen: tegen de wil van zijn medeleden van de inmiddels opgerichte Raad van Verzet ontvoerde hij de vrouw van Noppen en hij deed weten dat hij haar zou liquideren als van Voorthuizen niet op vrije voeten gesteld werd. Rauter, die dit vernam, werd razend: het gehele gezag van de Sicherheitspoiizei stond op het spel als Nederlandse illegalen de brutaliteit hadden, de vrouw van een rijksrechercheur te ontvoeren die in Duitse opdracht werkzaam was! Hij liet links en rechts familieleden van Dobbe, Kleinveld en van Voorthuizen als gijzelaars oppakken en gafbericht door dat als de ontvoerde niet binnen drie dagen terug was, elke twee uur twee van de gegijzelden gefusilleerd zouden worden. Kleinveld liet zijn buit toen weer los. Het gevolg van dit alleswas dat Rauter zich in de gedragingen van Horak ging verdiepen. Deze had wel een sluitend betoog ter verdediging van zijn beleid en kon er zich op beroepen dat het telkens door Harster goedgekeurd was - desniettemin werd hij naar Stuttgart overgeplaatst. Het was hem niet vergund geweest, bij Abteilung IV zijn grote troeven op tafel te leggen: dat hij Dobbe in handen gekregen had en dat hij bereikt had dat Vrij Nederland niet langer uitkwam.'

XCWij hebben, dunkt ons, terecht een zo uitgebreide samenvatting gegeven

XC1 Evert van Voorthuizen zat tot het einde van de oorlog gevangen, van september '44 af in verschillende Duitse concentratiekampen. 12

123 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

van de overval te Joure en zijn gecompliceerde nasleep. Dit leek ons al verantwoord op grond van het feit dat het de eerste overval was die door een illegale groep uitgevoerd werd. Maar los daarvan: hoe tekenend is het gebeuren! Tekenend, in de eerste plaats, voor de moeite die het de illegaliteit kostte om ten behoeve van de onderduikers aan bonkaarten en geld te komen, tekenend voor het isolement der illegalen, voor de spanningen in hun bestaan en voor de complicaties die er uit konden voortvloeien. Die complicaties hebben, in dit geval ook een lange naoorlogse nasleep gehad, want allen die Horak bij _:;;ijnjacht op Dobbe terzijde gestaan hadden (de rijksrechercheurs Noppen en Flipse maar ook Sietse de Jong, van Veen en Nieuwland) hebben zich nooit kunnen schoonwassen van de verdenking dat zij, zij het in verschillende gradaties, te ver gegaan waren. Wat van Veen betreft, staat overigens ons inziens vast dat deze nimrner van plan geweest is, Dobbe aan Horak in handen te spelen; wèl vond hij dat op Dobbe de plicht rustte, zich bij de Sicherheitspolizei aan te melden om de levens van anderen te redden. De twee rijksrechercheurs en de Jong en Nieuwland waren er daarentegen van overtuigd dat de jacht op Dobbe en zijn voornaamste medewerkers volstrekt gerechtvaardigd was. Welnu, heeft men in de Friese verzetskringen waarmee de twee laatstgenoemden in contact stonden, niet wel heel erg grif en gretig de verhalen over de drinkgelagen en orgieën in het jachthuis geloofd? Wij menen van wel. Fries provincialisme heeft hierin, dunkt ons, een belangrijke rol gespeeld. Voor vele Friezen waren Dobbe en de zijnen, afkomstig als zij waren uit het westen des lands, 'Hollanders', 'die 'wildemannen' wilde men in Friesland', aldus K. Norel in het geschiedwerk van de LO en de LKP, 'in die tijd liever kwijt dan rijk", 'en toen de groep uit Friesland verdween', zo Y. N. Ypma in zijn geschiedenis van het Friese verzet, 'treurde daar niemand om.'2 Daarmee waren overigens de problemen niet uit de wereld geholpen die Dobbe met zijn gedurfde actie althans tijdelijk voor velen opgelost had: Vrij Nederland en de OD hadden belangrijke financiële hulp ontvangen en allen die met de groep-Dobbe in aanraking waren en zelf illegaalleefden dan wel voor onderduikers moesten zorgen, waren, wat hun bonnen en bonkaarten betrof, enkele weken uit de zorgen, sommigen ook veellanger door de geldsommen die zij bovendien kregen.

XCMet één probleem had de groep-Dobbe zich niet bezig gehouden': het vinden

XCvan schuilplaatsen voor arbeiders en anderen die zich aan de tewerkstelling

XCin Duitsland wilden onttrekken. Daar kwam in de herfst van' 42 nóg een

XCcategorie personen bij die zich moesten gaan schuilhouden: de achttienjari

XCgen die dienst in de Nederlandse Arbeidsdienst weigerden. Het is hier niet de plaats om deze Arbeidsdienst in den brede te gaan

XCbehandelen; wij zullen dat in een volgend hoofdstuk doen. Welwillen wij

XChier opmerken dat de Arbeidsdienst van zijn oprichting af door velen als

XCeen kwalijk instituut beschouwd werd waar jongeren aan het gevaar van nationaal-socialistische beïnvloeding blootstonden. Zolang de toetreding tot

XCde Arbeidsdienst een vrijwillig karakter droeg, kon men er min of meer aan voorbijleven, maar deze zaak kwam er geheel anders yoor te staan toen eind september '42 bepaald werd dat mannelijke achttienjarigen voortaan verplicht waren, zes maanden in de Arbeidsdienst te dienen. Moest dat geweigerd worden? De grootste protestantse kerkgenootschappen en het Episcopaat meenden van niet, maar er waren in protestantse alsook (in mindere mate, dunkt ons) in katholieke kringen velen die dit een onprincipieel standpunt vonden. Jongeren evenwel die zich aan de vervulling van hun arbeidsdienstplicht onttrokken, waren strafbaar: ook hen moest men dus helpen bij hun onderduik. wel te verstaan: werd een achttienjarige bakkersknecht voor de Arbeidsdienst opgeroepen en wilde hij die oproep naast zich neerleggen, dan was het niet noodzakelijk dat hij zich, zoals voor Joden als regel wenselijk was, elders in een achterkamer of op zolder verborg - hij kon, als hij geen onvoorzichtigheden beging (en aanvankelijk was de controle niet intensief), best blijven rondlopen, mits in een andere plaats. Wensehjk was dan wèl dat hij, zo enigszins mogelijk, bij een andere bakker in dienst trad; wenselijk was óók dat hij binnen afzienbare tijd een nieuw persoonsbewijs kreeg en de nodige bonkaarten. Extra-geld, dat bij het onderduiken van, Joden vaak zo een belangrijke rol speelde (zij verdienden immers niets en Het risico van herberging werd groter geacht), was niet nodig: de bakkersknecht zou van zijn nieuwe baas misschien wel niet zijn oorspronkelijk loon krijgen, maar toch wel voldoende om in leven te blijven. Het lag' eigenlijk zo voor de hand: dat men diegenen die van plan waren, niet voor de arbeidsinzet naar Duitsland te vertrekken of niet voor de Arbeidsdienst op te komen, tot volharden zou kunnen bewegen als men een organisatie schiep die hen elders zou kunnen onderbrengen hetzij in hun oorspronkelijk, hetzij in een verwant beroep en dan liefst bij een geloofsgenoot. Wie 'Joden hielp onderduiken, zocht schuilplaatsen; die Joden kwamen buiten het maatschappelijk productieproces te staan. Wie de weigeraars van arbeidsinzet of Arbeidsdienst zou gaan helpen onderduiken, zou in veel gevallen

125 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

heel iets anders gaan zoeken: clandestiene plaatsen in het productieproces.

XCZulke plaatsen waren in een-en-dezelfde grote stad nog wel te vinden. Bij de oprichting van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers is dan ook, dunkt ons, van grote betekenis geweest dat de denkbeelden die er toe leidden, niet in een van de grote steden van het westen geboren werden, maar juist in plattelandsstreken. Wij moeten ons die oprichting overigens niet als een daad voorstellen waarbij de voldragen conceptie aan de initiatiefnemers voor ogen stond: het is allemaal geleidelijk gegaan.

XCHet begon met een ontmoeting in Winterswijk tussen een strijdbare gereformeerde predikant en een strijdbare gereformeerde huisvrouw: ds. Frits Slomp en Helena Theodora Kuipers-Rietberg.

XCMevrouw Kuipers ('tante Riek') was in mei 1893 in Winterswijk geboren; zij had er haar gehele leven gewoond en er haar vijfkinderen zien opgroeien. In gereformeerde kring had zij op organisatorisch gebied veel werk verricht, ze was hoofdbestuurslid van de Bond van Gereformeerde Vrouwenverenigingen. Ze had groot gezag bij allen die haar kenden; wie in moeilijkheden kwam, wist dat hij zich nooit vergeefs om advies ofhulp tot haar zou wenden. Ze was een diep gelovige vrouw - en ze wist, al vóór mei' 40, wat er aan gene zijde van de nabije Duitse grens geschiedde. Hitler ging zij zien als de Anti-Christ, geen groter gevaar bestond er dan dat het Nederlandse volk zich na mei '40 schikken zou in de geleidelijke, sluwe N azificatie. Daar moest door elke burger op zijn plaats strijd tegen geleverd worden, daar moesten, zo nodig, offers voor worden gebracht.

XCNiet anders waren de opvattingen van ds. Slomp. Hij was vijf jaar jonger dan mevrouw Kuipers en ook hij stamde van het platteland: uit Ruinerwold (Drente) waar hij in 1898 ter wereld kwam. Hij had gestudeerd aan de Theologische Hogeschool in Kampen. Zijn eerste standplaats werd Nieuwlande (Drente), maar in ' 30 aanvaardde hij een beroep van de Gereformeerde Kerk te Heemse dat bij Hardenberg in Overijsselligt, op weinige kilometers van de Duitse grens. Hij had er Duitse kerkgangers, hij had in Duitsland trouwens ook een goede vriend, een Duitse studiegenoot uit Kampen, die hem nauwkeurig over de kerkstrijd inlichtte. De gevaren van het nationaalsocialisme waren hem spoedig duidelijk en van het begin van de bezetting af behoorde hij tot de predikanten die op de kansel een duidelijk geluid lieten horen: het volk van Nederland moest den Boze weerstaan! Vaak sprak hij op de bijeenkomsten van het kader van de Anti-Revolutionaire Partij die aanvankelijk legaal, maar van de zomer van' 41 af illegaal gehouden werden; ook diegenen die de kaders van het opgeheven Christelijk Nationaal Vakverbond bijeen trachtten te houden, vroegen hem vaak om als inleider op te treden. Al die activiteit bleef de Duitsers niet onbekend; zijn naam

126 [PDF]
BEGIN V AN DE L. O.

stond op de lijsten van gijzelaars die op 13 juli '42 opgehaald moesten worden. Hij werd die dag op het nippertje gewaarschuwd door de echtgenote van zijn hervormde collega die de auto herkende die Heemse binnenreed: het was de auto waarmee haar man een half jaar tevoren als arrestant weggevoerd was. Ds. Slomp, telefonisch gewaarschuwd, verborg zich in de toren van zijn kerk. Hij werd er niet ontdekt.

XCNog diezelfde dag dook hij elders onder, eerst in Ruurlo, na enige tijd in Winterswijk. Hij verdiepte zich in studieboeken, hij sprak af en toe in kleine kring. Het beviel hem niet, het was hem allemaal te passief, de studie wilde niet vlotten; deed hij er niet beter aan, naar zijn gemeente terug te keren? 'Je moet eens m.et mevrouw Kuipers gaan praten', zei zijn gastvrouw op zekere dag. Mevrouw Kuipers had een inleiding van hem gehoord, de vorige avond, "en toen ik je gisteravond hoorde spreken", zo gaf ds. Slomp ruim twintig jaar later haar woorden in dat eerste beslissende gesprek weer,

XC, 'toen dacht ik bij mezelf: ik heb mijn man gevonden Ik heb hier en daar al jongens laten onderduiken, ik heb Joden opgeborgen, maar je weet toch uiteindelijk er geen weg meer mee. Wij moeten een organisatie stichten opdat wij die onderduikers een plaats kunnen geven. En nu dacht ik dat jij dat moest doen, dat je 't land door moet om de mensen daar warm voor te maken.' Ik zeg: 'Maar dat durf ik niet. Waar ik kom ... , daar ga ik heen op de fiets, maar ik durf niet in de trein te reizen.' En toen sprak ze dit woord dat ik nooit zal vergeten. Ze keek me aan en zei: 'Kerel, zou 't nou zo erg zijn als jij om het leven kwam en als er duizenden jongens gered worden?' Ik heb daar niks meer op kunnen zeggen.'l

XCDs. Slomp stapte in de trein en begon aan een lange reeks rondreizen, spoedig onder de toepasselijke schuilnaam 'Frits de Zwerver'. Hij begon met Driebergen waar een van de beste vrienden van de echtgenoot van 'tante Riek' woonde, C. B. Nienaber van Eijben, een meubelhandelaar, die veel relaties in de (opgeheven) Christelijke Meubelmakersbond had. Nienaber van Eijben riep een aantal plaatsgenoten bijeen die hij (hij was zelfhervormd) uit protestantse kring kende. Ds. Slomp kwam op hen een beroep doen, het plaatsen van onderduikers systematisch ter hand te nemen: een commissie uit hun midden diende de namen te verzamelen van mannen en jongens uit Driebergen en omgeving die bereid waren, elders onder te duiken, en zij moest tevens nagaan bij wie men in en bij Driebergen onderduikers uit andere streken kon plaatsen. Nienaber van Eijben gaf ds. Slomp aan zijn talrijke relaties door, hoofdzakelijk in de provincies Utrecht en Noord12

1 F. Slomp in L. de Jong: (I966), p. 586.

127 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

Brabant en in Rotterdam. 'Er zijn plaatsen waar', aldus het geschiedwerk van de LO en de LKP,

XC'de zwervende dominee geen voet aan de grond en geen man in de corrunissie krijgt. Soms komen er een tiental mannen bijeen van wie men mag veronderstellen dat zij het werk krachtdadig zullen aanvatten, maar de een na de ander trekt zich terug en de dingen blijven bij het oude. Menigeen kent in zijn angst of egoïsme geen ander doel dan zichzelf en zijn gezin er zo goed mogelijk door te krijgen'!

XCvaker lukt het ds. Slomp, bezielend spreker als hij is, wèl een commissie gevormd te krijgen: in Noord-Holland, op de Veluwe, in Drente, in het Westland, in Kampen, in Overijssel. 'In de meeste plaatsen was het zo dat er wel enig werk verricht werd, doch zonder organisatorisch verband. De brandstof lag klaar.' Slomp bracht 'de vonk die de zaak in vlam zette.'2 De plaatselijke commissies kwamen benoorden de grote rivieren, al maakten er spoedig ook hervormden en christelijk-gereformeerden deel van uit, als regel in de consistoriekamer van een gereformeerde kerk bijeen; er werd daar dan Z.g. een bijbelkring gehouden. Aan die commissies gaf Slomp aanvankelijk louter de adressen door van de commissies elders in het land, maar in december '42 ging hij er toe over, zijn belangrijkste verbindingsmannen in de verschillende provincies wekelijks in Zwolle bijeen te roepen waar hij ook zelf een vast onderduikadres gevonden had - Winterswijk lag te excentrisch. In Zwolle kreeg ieder 'de gelegenheid, de onderduikers welke zich in de afgelopen week bij hem of zijn contacten in de omgeving gemeld hebben en waarvoor hij nog geen plaats gevonden heeft, met de andere bezoekers uit te wisselen'3 - het werd er een soort landelijke 'beurs' die spoedig gecoördineerd werd met provinciale 'beurzen'. Friesland, waar het plaatsen van onderduikers al in de zomer van '42 begonnen was, haakte er in februari' 43 op aan. Hier waren het 'vogels van diverse pluimage die', aldus weer het bovenaangehaalde geschiedwerk, in Leeuwarden 'elke week samenkwamen in de consistorie van de Noorderkerk: een boer, een aannemer, een architect, een kaaskoopman, een dominee, twee leraren, een paar kooplui, een kleermaker ... Hier moeten stippeltjes staan, want wij weten niet meer het beroep van .elke medewerker. Peter, de boer uit Wolvega, werd voorzitter ... Hij werd ook afgevaardigde naar de landelijke vergadering. Als vergaderingsdag werd vrijdag gekozen omdat dan verschillende leden toch in de stad moesten zijn. 's Morgens dreven ze handel in zaai- en pootgoed, kaas enz. en 's middags in levende ziel~n ... De een kon een hervormde bakker gebruiken,

XClA. Goede in Het Grote Gebod, dl. I, p. IS. 2 A.v., p. 12. 3 A.v., p. 20.

128 [PDF]
BEGIN VAN DE L.O.

de ander had een roomse smid of een gereformeerde wagenmaker te 'verhandelen', enz. Vooral de man van Sneek was een goede afnemer. En's zaterdags reisde Peter dan naar Zwolle om daar een afzetgebied te vinden voor hetgeen overkompleet was en aanbod voor plaatsen te vinden die in Friesland over waren ... De aanwezigen voelden zich veilig in de consistoriekamer en de koster was eenjuweel."

XCWie hielp men onderduiken? Aanvankelijk vooral jongeren die niet in de' Arbeidsdienst wilden opkomen. Het is onze indruk dat daar spoedig de arbeidsinzet-weigeraars bijkwamen; het doen onderduiken van Joden werd evenwel, hoezeer Slomp daar persoonlijk ook op aandrong, niet systematisch ter hand genomen. Hoe dat zij: het aantal door de LO geplaatste onderduikers ging snel groeien, vooral in de lente van '43. De vraag naar persoonsbewijzen en bonkaarten nam dus ook toe. Tot de eerste overval door de eerste Knokploeg van de LO (een ploeg uit Groningen) kwam het evenwel pasna de April-Meistakingen van '43: op 4 juni, in Langweer (Friesland). De leden van die knokploeg hadden zich een tweeledig doel gesteld:

XC'Ze hebben bonnen nodig en ze gaan een medewerker van het distributiekantoor helpen, want deze man heeft zoveel bonkaarten aan de onderduikers verstrekt dat het bij de a.s. controle moet mislopen. Deze controle moet onmogelijk worden gemaakt .... Een vijftal jongemalmen stapte in een auto, gebrekkig bewapend met hier en daar opgescharrelde vuurwapens, gedeeltelijk niet eens bruikbaar, ze reden naar Langweer, stapten het Gemeentehuis binnen. De aanwezige ambtenaren werden uitgeschakeld door hen het pistoolonder de neus te duwen. Alles waarbij men belang had, werd verzameld. Het personeel werd daarna in de kluis opgesloten en de 'rovers' konden zich weer per auto richting Groningen begeven. De buit bedroeg 24931 rantsoenen en 4860 bonkaarten."

XCWat was het verschil met de overvallen van Joure en Wommels ? Het was dit, dat de groepen van Dobbe en Reeskamp (een andere mogelijkheid was er toen niet) het veruit grootste deel van hun buit op de zwarte markt verkocht hadden, terwijl de Knokploeg zijn bonkaarten en rantsoenbonnen afleverde aan de LO die er voor zorgde dat die distributiebescheiden rechtstreeks en zonder betaling terechtkwamen bij diegenen die Ze nodig hadden: de onderduikers. En tot hoeveel honderdduizenden het aantal van die onderduikers ook zou groeien, de Landelijke Knokploegen hebben er steeds voor gezorgd dat er regelmatig grote hoeveelheden distributiebescheiden kwamen. De spectaculaire groei van die verzetsactiviteit zullen wij in ons volgende deel beschrijven.

XC'A. Algra in a.v., p. 162-64. '(Ver. van Groningse oud-illegale werkers) Hoe Groningen streed. Provindaal gedenkboek van het verzet 1940-1945 (z.j.), p. 249.

129 [PDF]

Illegale pers

XC

XCIn de eerste twee hoofdstukken van dit deel hebben wij wederom op verscheidene plaatsen de illegale pers geciteerd; het dunkt ons zinvol, dit ook in de volgende hoofdstukken te doen. Het gaat in deze paragraaf dan ook niet om de standpunten waarmee de illegale bladen van diverse richtingen op de actuele gebeurtenissen reageerden, het gaat om die pers in haar algemeenheid (haar technische en organisatorische problemen komen eerst in ons volgende deel aan de orde) en om de moeilijkheden en conflicten die zich bij enkele van de grootste bladen voordeden.

XCWat dat eerste betreft, willen wij er, om te beginnen, in het voetspoor van Lydia WinkelI op wijzen dat het aantal verschillende illegale bladen eind' 42 geringer was dan eind '41: 96 in plaats van 120. Mej. winkel heeft die daling aan twee factoren toegeschreven: in de eerste plaats verdwenen Spartacus en het Bulletin van het MLL-Front die met hun talrijke nevenedities door de begin' 42 opgerolde groep-Sneevliet uitgegeven waren; in de tweede plaats werd de productie van een aanzienlijk aantal kleine gestencilde illegale bladen gestaakt doordat de samenstellers constateerden dat van de grote, gedrukte bladen steeds meer exemplaren in omloop kwamen.

XCWat voor bladen waren dat?

XCIn ons vorige deel wezen wij er op dat tot in de zomer van '42 de meeste illegale bladen uit de socialistische, links-socialistische en communistische hoek kwamen met als belangrijkste uitzonderingen Slaet op den Trommele (liberaal) en De Geus onder studenten; dat laatste blad zal in dit deel nog ter sprake komen. In de eerste jaren van de bezetting was confessioneel Nederland in de sector van de illegale pers zwak vertegenwoordigd met als enige meer bekende uitzondering het 'eerste'Vrü Nederland. In de periode die wij thans beschrijven, kwam daar evenwel wijziging in: eind december '42 verscheen het eerste specifiek katholieke landelijke illegale blad, Christofoor voortzetting van een plaatselijk verzetsblad dat door de secretarie-ambtenaar L. F. W. Jansen van de zomer van '42 af in Ijsseisrein uitgegeven was, en begin' 43 kwam het tot de oprichting van het grote gereformeerde verzetsblad Trouw.

XCEind' 42 waren De Waarheid (gestencild) en Vrü Nederland en Het Parool (beide gedrukt) nog steeds de meest verbreide illegale bladen, zij het dat de oplage van De Waarheid door het grote aantal arrestaties in cornmunistische kring teruggelopen was. Ook van Het Parool dat het in '42 uitzonderlijk moeilijk kreeg, daalde het aantal exemplaren dat in circulatie kwam; eind' 42

XC1 (RvO) L. E. Winkel: De ondergrondse pers 1940-1945 (I954), p. 24.

130 [PDF]
'DE ORANJEKRANT'

waren het vermoedelijk niet meer dan ca. 5000, maar enkele maanden later waren het ca. 40 000 geworden. Van Vrij Nederland werden in de zomer van ,42 ca. IS 000 exemplaren gedrukt door de zorgen van de centrale leidingvan elk nummer verschenen evenwel in verschillende delen des lands herdrukken in een onbekend aantal exemplaren.

XCBij deze bladen had zich in januari '42 een nieuw gedrukt illegaal blad gevoegd, De Oranjelerant, In een oplaag van ca. 8000 exemplaren begon het te verschijnen. Als regel werden alle artikelen door de oprichter geschreven, de drie-en-dertigjarige journalist Johan H. Doorn. Een moedig man, ongetwijfeld, maar zijn opvattingen waren simplistisch en hij trok graag de profetenmantel aan. Volgens hem was de tweede wereldoorlog, als vroegere oorlogen, gevolg van' de belangen van het Groot Kapitaal ... geld-belangen waarvoor miljoenen onschuldigen werden vermoord'l - maar dat zou niet zo blijven! 'Via Liberalisme en Socialisme' zou Europa 'onweerstaanbaar tot het Communisme' komen; dat was "n soort oer-wet'." Hoewel hij geen partijcommunist was, zag hij de politiek van de 'kapitalistische' Geallieerden toch volstrekt gedomineerd door de wens, de Sowjet-Unie te laten doodbloeden voor het tot de grote invasie in West-Europa zou komen. Die invasie zou gepaard gaan met 'de verschrikkingen van een gas-oorlog': bovendien zouden in dat geval 'tweehonderdduizend Nederlanders als gijzelaars ... worden weggevoerd naar Duitsland'."

XCDoorn was geneigd tot snelle generalisaties. De Nederlandse boeren noemde hij in de lente van '43 'voor het merendeel platte schobbejakken'"; bij zijn collega's van de illegale pers had hij al in de zomer van '42 sterke weerstanden gewekt met een felle uitval tegen de Joden waarin hij van 'veelvuldig te aanschouwen geflirt van [odenmeisjes met moffen' repte." In november maakte hij het er niet beter op toen hij, vanuit de groep-Dobbe ingelicht over de nasleep van de overval te [oure, naar aanleiding van de gedragingen van de onderduikers Seligmann en de gezusters Polak, 'de Joden' n ernstige berisping' toediende, culminerend in de aantijging:

XC'Het is, in veelvuldige gevallen, gebleken dat bij onverhoopte arrestatie de Joden onverwijld namen en adressenvan hun weldoenersverrieden en zodoende mensen die hen wèldeden, aan hun eigen aartsvijanden uitleverden. Dat is ongemeenlafen verachtelijk."

XCDoorn meende, aldus schrijvend, de Joden in hun eigen belang 'iets zeer(junip.A.v.,(junip.A.v., p., A.v.,(meip.A.v.,p."A.v.,(eindnov.p.

1 6-7 1942), 5. 2 8 1942), 6. 3 2. 19 1943), 2. 5 8, 7. 14 1942), 8.

131 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

noodzakelijks bij te brengen'! en hun aldus een dienst te bewijzen; hij deed het 'tegendeel. 2

XCHet Parool had in de eerste helft van '42, zoals wij in ons vorige deel beschreven, zware klappen moeten incasseren: in januari was de eigenlijke oprichter, Frans Goedhart, in Duitse handen gevallen en in rnaart hadden V orrink en Althoff de redactie verlaten; V orrink ging nadien een eigen illegaal blad uitgeven, Verzet. Van de oorspronkelijke redactie waren slechts twee leden overgebleven: J. Nunes Vaz en mr. J. C. S. Warendorf. Drie nieuwe, nogal jeugdige redacteuren trokken zij aan: drs. J. Meijer en diens twee vrienden mr. C. H. de Groot en drs. W. van Norden. Met de nodige ups en downs (onder de drukkers en verspreiders vielen nieuwe slachtoffers) werd de productie voortgezet. In de: herfst van '42 werd de top door een haast dodelijke slag getroffen: vlak ~chter elkaar werden Meijer, van Norden en Nunes Vaz gearresteerd, de laatste" als Joodse onderduiker"; Warendorfbesloot toen, naar Engeland te vluchten. Via een fimctionaris van de Joodse Raad in Maastricht kwam hij met een Belgische pilotenhulporganisatie in contact die hem over de grens haalde. Hij zat daarop van begin november' 42 tot begin mei '43 in Parijs ondergedoken. Weer was het een Belgische organisatie die hem hielp, Spanje te bereiken; uit Lissabon kwam hij eind mei in Londen aan.

XCMeijer en van Norden waren niet gearresteerd wegens hun activiteit voor Het Parool maar omdat vermoed werd dat zij spionagemateriaal het land uitwerkten. Dat vermoeden was juist, maar beiden wisten zich met zoveel slagvaardigheid te verdedigen dat de Abwehr niet voldoende bewijsmateriaal tegen hen kreeg. Wat Het Parool betrof, was door de Sicherheitspolizei wèl waargenomen dat Meijer enkele keren grote aantallen exemplaren in brievenbussen gedaan had (die brievenbussen waren, onmiddellijk nadat Meijer vertrokken was, geledigd), maar hij had het geluk dat zijn activiteit, wat Het Parool betrof, onder een niet erg snuggere Sachbearbeiter viel, 'een heel domme, niet eens erg kwaadaardige domme man, die met de verdichtsels die ik hem', aldus Meijer voor de Enquêtecommissie, 'erover heb verteld,

XC1 A.v., 17 (febr. 1943), p. 2. 2 In de lente van '43 werd Doorn lid van de Raad van Verzet. In november' 44 ging hij met belangrijk spionagemateriaal op weg naar het bevrijde zuiden. Hij is daar nimmer aangekomen. Vermoedelijk is hij in de buurt van Ede door een Duitse patrouille neergeschoten. 3 Nunes Vaz werd via Westerbork naar Sobibor gedeporteerd waar hij in de gaskamer om het leven gebracht werd.

132 [PDF]
'HET PAROOL'

genoegen heeft genomen.'! Van Norden en hij werden resp. in maart en in juni '43 vrijgelaten, zulks tot stomme verbazing van diegenen die van hun rol in de redactie van Het Parool afwisten. Die redactie was na de crisis van oktober' 42 geheel alleen voortgezet door mr. de Groot. 'Hij deinsde', schreef Lydia Winkel, 'voor geen karwei terug, hoe gevaarlijk het ook mocht zijn. Hij redigeerde de berichten, schreef artikelen, voerde besprekingen met drukkers en verspreiders, reed met kar en paard om papier te halen, corrigeerde drukproeven, verpakte en vervoerde per bakfiets vele duizenden kranten en hield vrijwel alleen Het Parool ;staande.'2 Spoedig kreeg hij evenwel hulp. Frans Goedhart had, voor hij gevangengenomen werd, al eens gesuggereerd dat men mr. dr. G. J. van Heuven Goedhart, oud-hoofdredacteur van het Utrechts Nieuwsblad, in de redactie van Het Parool zou opnemen; met deze had Goedhart in de tijd waarin hij met de geheime agent Aart Alblas samenwerkte, al veel contact gehad (van Heuven Goedhart was een goede bekende van Alblas' 'mentor' Siegfried Vaz Dias) en na Goedharts uitschakeling had van Heuven Goedhart al enkele artikelen voor Het Parool geschreven. Mr. de Groot deed een beroep op hem. Van Heuven Goedhart aanvaardde het onmiddellijk en in zijn persoon (wij komen in een volgend deel op hem terug) werd de redactie niet alleen versterkt met een ervaren journalist maar ook met een man die zelf en via de ontslagen commissaris van de provincie Utrecht, jhr, mr. dr. L. H. N. Bosch ridder van Rosenthal, een groot aantal relaties meebracht. Het Parool werd onmiddellijk rijker van inhoud; het kwam ook de inzinking in de oplage spoedig te boven. Vanmaart' 43 afkreeg het blad bovendien een belangrijke helper in het kamp van de vijand. Een maand of zes tevoren was daar namelijk de neergang begonnen van Arie Meijer-Schwencke die vooral in '40 bij de gelijkschakeling van de N ederlandse pers zulk een belangrijke rol gespeeld had en er nadien door middel van intriges en omkoperijen in geslaagd was, een omvangrijk commercieel imperium op te bouwen. Wij komen op 's mans onfrisse praktijken in een volgend hoofdstuk nog terug; hier willen wij slechts opmerken dat zij in de loop van '42 tot een groot schandaal leidden. Begin '43 had Meijer-Schwencke besloten, zich in Gorssel terug te trekken toen hij, daags na diens vrijlating, van Norden ontmoette; drs. J. Meijer, een jongere broer van Meijer-Schwencke, zat toen nog vast. In Noord-Afrika waren de Duitsers op dat moment in 'Tunesië samengedrongen, aan het Oostelijk front was hun Zesde Leger bij Stalingrad verloren gegaan - het was duidelijk, dat Duitslands nederlaag

XC1 Getuige J. Meijer, Enq., dl. VII c, p. 284. 2 L. E. Winkel: De ondergrondse pers 1940-1945, p. 231.

133 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

slechts een kwestie was van tijd. Toen van Norden aan Meijer-Schwencke de suggestie deed dat deze, 'als hij iets van zijn slechte daden wilde goedmaken', in Den Haag zou trachten, zijn broer te beschermen, en af en toe gegevens zou verstrekken aan hem, van Narden, ging Meijer-Schwencke daar gretig op in; dat die gegevens voor Het Paroolbestemd waren, vertelde van Narden hem voorlopig niet.'

XCVrij Nederland kwam in andere, maar niet geringere moeilijkheden te verkeren dan Het Parool.

XCEind' 41 was, zoalswij in ons vorige deel beschreven, H. M. van Randwijk er de dominerende figuur in geworden, eigenlijk in het' derde'Vrij Nederland. Van het 'eerste', dat door Amsterdamse anti-revolutionaire jongeren opgericht en in de lente van' 41 door de Sicherheitspolizei opgerold was, waren slechts drie prominente figuren op vrije voeten gebleven: de organisator van de verspreiding, mr. A. H. van Namen, en twee hoofdverspreiders, Wim Speelman en Anne Kooistra. Van het 'tweede'Vrij Nederland kreeg Edouard de Nève de leiding; hij werd in de herfst van' 41 als pilotenhelper gearresteerd. Van Namen en Speelman (Kooistra werd kort na de Nève opgepakt) slaagden er toen in, een nieuwe redactie te vormen. Van Randwijk werd hoofdredacteur en afgezien van een medewerker van de Nève die spoedig verdween, betrok hij drie nieuwe personen in de z.g. centrale leiding: de journaliste mej. dr. G. H. J. vall der Molen, de dichter Jan H. de Groot en een analist uit Haarlem, Henk P. Hos. Begin '42 kwam een nadere werkverdeling tot stand: van Randwijk, de Groot, van Namen en mej. van der Molen gingen als redactie fungeren, Speelman en Hos belastten zich met de productie en distributie van het blad. Voor die distributie stelden zij in de verschillende delen des lands vertegenwoordigers aan; wij maakten er al melding van dat Dick van Veen, een van de deelnemers aan de overval te [oure, hoofdvertegenwoordiger was in het noorden.

XCNaar buiten maakte Vrij Nederland een homogene indruk; in werkelijkheid bestond er onder de nieuwe opzet van meet af aan oppositie tegen van Randwijk. Speelman en mej. van der Molen, beiden anti-revolutionairen, vonden dat hij op het blad tezeer het stempel drukte van zijn algemeen-socialistische overtuiging en dat hij de neiging had, de Sowjet-Unie te idealiseren. Mej. van der Molen was de eerste die de samenwerking verbrak. Zij had naar aan

XC1 Cpz: p.v. zitting inz. A. Meijer-Sehweneke (22-23 febr. I950), p. 6 (Doe I-II37, c-ro).

134 [PDF]
'VRIJ NEDERLAND'

leiding van het fusilleren van de vijf Rotterdamse gijzelaars (15 augustus' 42) een artikel geschreven waarin zij gesteld had dat, binnen bepaalde grenzen, zodanig ingrijpen volkenrechtelijk niet volstrekt verboden was; dat artikel werd, zonder nader overleg met haar, door van Randwijk en van Namen drastisch gewijzigd - na een daverende ruzie trad zij toen uit de redactie.

XCHet gebeurde was voor haar slechts de druppel geweest die de el11111er had doen overlopen. Ze had, vertelde zij later aan de Enquêtecommissie, 'eigenlijk steeds meer principiële bezwaren (gekregen) tegen de leiding van van Randwijk. Hij was erg pro-Russisch, pro-communistisch zou ik bijna zeggen, zond~r dat hij nu zelf cOl11111Wlist was.'! Die bezwaren werden door Speelman op dat moment nog niet ten volle gedeeld. Deze had wel al moeilijkheden gehad met delen van het verspreiders-apparaat. Hier zaten veel gereformeerden in en sommigen hunner hadden geweigerd, bepaalde nummers door te geven waarin hoofdartikelen van van Randwijk stonden waarmee zij het op een aantal punten principieel niet eens waren. 'De man is communist', werd wel gezegd en die zaak liep na het uittreden van mej. van der Molen zo hoog op dat een gesprek gearrangeerd werd tussen de centrale leiding van Vrij Nederland en een vooraanstaand leider van het ondergrondse anti-revolutionaire kader, dr. J. A. H. J. S. Bruins Slot. Van Randwijk kon diens bezwaren slechts voor een deel ontzenuwen, tot een verdere breuk kwam het intussen niet. Het conflict was evenwel niet wezenlijk bijgelegd; van Randwijk was geen moment van plan, zijn hoofdredactionele koers te wijzigen en dat Bruins slot veel indruk op hem gemaakt heeft, betwijfelen wij: deze was een, vertegenwoordiger van de traditionele democratische partijen die, zo meende van Randwijk, hun historische kans gemist en hun tijd gehad hadden. Een nieuw Nederland moest ontstaan! Vooral moest voorkomen worden dat die traditionele partijen in de overgang bij de bevrijding de touwtjes weer in handen kregen! Dat laatste was ook de opvatting van de nieuwe chef-staf van de OD, jhr. P. J. Six, en tussen hen beiden kwam het in de herfst van '42 tot een politiek monsterverbond dat wij later in dit hoofdstuk zullen beschrijven. Er waren in die tijd (wij stipten het al aan bij de beschrijving van de overval van [oure) talrijke verbindingen tussen de Ordedienst en de Vrij Nederiand-gtcet»:

XCHet conflict met mej. van der Molen en met Bruins Slot bleef niet de enige bron van spanningen. In de herfst van '42 sloeg de Sicherneitspolizei toe: de twee drukkers die Vrij Nederland drukten, werden in september gearresteerd en door de infiltratie van twee Vi-Manner werden in oktober grote gaten geslagen in het verspreiders-apparaat. Van Randwijk en van Namen

XC1 Getuige G. H. J. van, der Molen, Enq., dl. VII c, p: 300. 135

135 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

verbonden hier de conclusie aan dat Speelman en Hos de distributie anders en beter moesten organiseren; Speelman en Hos betoogden van hun kant dat juist de redactie die bezig was, in heel Nederland een net van radiozenders op te bouwen en een toenemend deel van haar energie ging besteden aan de geheime berichtgeving naar Zwitserland, waarover aanstonds meer, teveel hooi op haar vork nam. In elk geval waren zij niet bereid, op teclmisch gebied directieven van van Randwijk en van Namen in ontvangst te nemen. In oktober huurde van Namen een vakantiehuisje in Overijssel. Daar werden de tegenstellingen dagenlang besproken men werd het niet eens, niet op technisch-organisatorisch, maar evenmin op redactioneel gebied, aangezien vooral Speelman van Randwijks hoofdredactionele lijn, daar waar zij hem te 'links' was, bleef afwijzen. Van Randwijk had weer andere bezwaren tegen Speelman: de arrestaties in de herfst (tientallen medewerkers waren opgepakt) zag hij als bewijs dat Speelman onvoorzichtig opereerde, hij vond deze, tien jaar jonger dan hij, 'te wild' worden. Notabene: Speelman was kort tevoren met het (juiste) bericht gekomen dat de Duitsers ergens in Pommeren, bij Peenemünde, bezig waren, geheime wapens te construeren! 'Dat zagen we', vertelde van Randwijk ons vijftien jaar later, 'als het zoveelste bewijs voor zijn fantastcrijen.'!

XCDoor het al gememoreerde verraad van de cadet Pasdelcup werden Speelman en Hos met twee anderen op 9 december' 42 in Amsterdam tijdens een bespreking gearresteerd. Hun stond met zekerheid een doodvonnis te wachten. De verhoren namen niet veel tijd in beslag; medio december werden Speelman en Hos opgesloten in de gevangenis die de Sicherheits polizei in het Kleinseminarie te Haaren (Noord-Brabant) ingericht had. Speelman wist in zijn cel de beschikking te krijgen over een spijker. Daarmee werkte hij de tralies van zijn venster los. In de avond van 30 december waagde hij het er op: hij bond zijn lakens en repen van zijn deken aan elkaar, klom het raam uit, begon te dalen - een laken of een reep deken scheurde en hij viel van twee hoog naar beneden waar hij op zijn rug in de sneeuw terecht kwam. Half verdoofd kon hij zich nog tussen de struiken rollen waar de passerende schildwacht hem niet opmerkte. Daar lag hij drie kwartier voor hij zich weer bewegen kon. Hij klom over een prikkeldraadversperring en kwam via een smal sluismuurtje buiten het gevangenisterrein. Daar hield hij zich tot vier uur 's morgens, het einde van de in heel Nederland geldende spertijd, in een stenen portiek schuil. Vervolgens legde hij op kousevoeten de twaalf kilometer naar Den Bosch af waar vrienden hem verder hielpen.

XCContact met de redactie van Vrij Nederland nam hij niet meer op. Hij had

XC1

136 [PDF]
'TROUW' BEGINT DE ILLEGALITEIT

er genoeg van! Aan de OD-Ieiding gaf hij bericht door dat Pasdeloup (de enige die buiten de gearresteerden het adres kende waar op 9 december de bespreking plaatsvond) een verrader was' - overigens concentreerde zijn gehele denken en doen zich op de oprichting van een nieuw illegaal blad: van een nieuw Vrij Nederland. Welk recht had van Randwijk op die titel? Die was eerst met het 'derde'Vrij Nederland bij het blad betrokken geraakt, hij, Speelman, had zich al voor het 'eerste' ingezet! Voor de verwezenlijking van zijn denkbeeld zocht hij contact met mej. van der Molen en met Bruins Slot. 'Ik zie hem nog voor mij', schreef Bruins Slot na de oorlog: 'met verfomfaaide kleren, een ronde rug (vanwege de val) ... , het hoofd erg in de schouders en met een bleek, mager gevangenisgezicht. Maar daarin ogen die al dat teniet deden. Donkere, levendige ogen waaruit een felle vitaliteit straalde. Wij bespraken de zaak'2 - en na mej. van der Molen maakte nu Bruins Slot aan Speelman duidelijk dat men de titel Vrij Nederland niet aan van Randwijk en de zijnen mocht ontnemen. Overigens waren beiden, mej. van der Molen en Bruins Slot, tot medewerking bereid. Speelman riep de hoofdverspreiders van Vrij Nederland bijeen. De meesten hunner voelden alles voor het nieuwe blad dat Speelman voor ogen stond. De voorbereidingen waren nog in volle gang toen de Londense radio op 20 januari' 43 berichtte dat prinses Juliana in Canada haar derde dochter ter wereld gebracht had. Daar moest onmiddellijk op gereageerd worden! De Meppelse groep waarmee Speelman in contact stond, liet toen in grote haast bij een drukkerij in Meppel van een klein gereformeerd verzetsblad dat in Klundert uitgekomen was: Het drievoudig snoer: God-Nederland-Oranje, een extranummer vervaardigen dat onder de titel De Oranjebode in 15 000 exemplaren verscheen, gedeeltelijk gedrukt met zwarte druk op oranje papier, gedeeltelijk met oranje druk op wit papier. De journalist E. van Ruller, een van Colijns 'twaalf apostelen', had regelmatig aan Het drievoudig snoer: God Nederland-Oranje meegewerkt; hij werd een van de redacteuren van Speelmans landelijke gereformeerde illegale blad. Naast van Ruller namen mej. van der Molen en Bruins Slot plaats in de redactie en, last but not least, de pas . uit het concentratiekamp Amersfoort ontslagen leider van de anti-revolutionaire partij, Jan Schouten. Schouten bedacht de titel voor het nieuwe blad: Trouw, en stelde de eis dat men zou mikken op een grotere oplaag dan een van de andere illegale bladen: 50 000 exemplaren. Een eerste nummer van Trouw verscheen niet (De Oranjebode werd als zodanig beschouwd) - hetJ.J.

1 Deze werd, zoals wij al in ons vorige deel vermeldden, kort nadien in opdracht van de OD-Ieiding doodgeschoten. 2 A. H. S. Bruins Slot in Delleman: p. 371.

137 [PDF]

nieuwe blad opende zijn eerste jaargang met nO.2. Schouten schreef een hoofdartikel, 'Onze naam', dat als een geactualiseerde beschouwing van Groen van Prinsterer klonk, vervat in de korte, hamerende zinnen waarin Kuyper zijn hoofdartikelen in De Standaard geschreven had:

XC'God schonk ons vele gaven.

XCHij heeft ons Zijn wil geopenbaard.

XCHij heeft ons Zijn geboden bekendgemaakt.

XCHij stelt ons in staat, Zijn waarheid te kennen.

XCHij gaf ons een rijk verleden, een historie vol roerende en ontroerende momenten, vervuld van strijd en zegen, zegenin nederlagen, zegen in overwinningen en uitreddingen ; een historie waarin telkens klaar is gebleken, wat trouw is en wat zij vermag.

XCHij schonk aan ons volk ons vaderland, ons staatsbestel, onze geestelijke vrijheid, onze volksrechten, onze traditie, onze constitutionele monarchie, ons Oranje-geslacht, onze geëerbiedigde Koningin.

XCHij schonk ons dat alles, opdat wij het naar Zijn waarheid trouw zouden zijn.

XCHij vraagt die trouwook nu, vooral nu, meer dan ooit nu, terwijlons land bezet is, terwijlons volk zucht onder de tyrannie en het geweld van de bezettende macht.

XCTot die trouw willen wij opwekken en aansporen.

XCVoor die trouw willen wij getuigen en oproepen.

XCWerk met ons mede; steun ons, sterk ons, help ons.

XCHerneem u zelf, en sta er naar, mede aan anderen te geven wat zij van node hebben om trouw te zijn ...

XCTrouw in de strijd tegen de aanslagen op het Christelijk onderwijs.

XCTrouw in de strijd tegen Winterhulp en Volksdienst.

XCTrouw in de strijd tegen de Arbeidsdienst en de deportage naar Duitsland.

XCTrouw in de strijd tegen het Naf.

XCTrouw op alle verantwoordelijke posten in het weigeren van medewerking aan de Duitse maatregelen tot knechting en die tot inschakeling van ons volk in de Duitse oorlogvoering. . .

XC'Zij zullen het niet hebben, de goden van de tijd.'

XCLaten wij trouw zijn aan ons Vaderlijk erfdeel, aan het pand ons toebetrouwd.

XCDe Waarachtige en Getrouwe zij onze Toeverlaat, onze Helper.

XCHij sterke en bekwame ons voor onze taak. , Hij make ons trouw.

XCZijn trouw warde mede in onze trouwopenbaar" dit was wat Speelman en de meeste van zijn hoofdverspreiders gewenst hadden: een principieel en strijdbaar, zuiver anti-revolutionair geluid! Met enthousiasme sloegen zij aan het werk voor het nieuwe blad dat in zijn

XC, Trouw, I, 2 (18 febr. 1943), p.

138 [PDF]
'TROUW' BEGINT

volgend nummer, no. 3, een scherpe waarschuwing bevatte tegen het idealiseren van de Sowjet-Unie.

XCGeen wonder dat De Waarheid op het verschijnen van het nieuwe illegale blad zuur reageerde: 'waar was dat nu voor nodig? 'Kan dat wat Trouw te zeggen heeft tot het Nederlandse volk, niet gezegd worden in Vrij Nederland ofin Het Parool?'!

XCHet verschijnen van Trouw vervulde van Randwijk met grote bitterheid. Een 'jongeman' die aan 'oorlogskolder' leed (Speelman), was, zo lichtte hij dr. W. A. Visser "t Hooft in Genève in, tot 'een ondoordachte en gevaarlijke' actie overgegaan:

XC'Zelfs wilde hij op een gegeven moment zover gaan, een tweede VN naast het bestaande uit te geven. Dit is gelukkig voorkomen. Erger is, dat enkele oudere mensen, die wijzer hadden moeten zijn, hun medewerking aan deze knaap toegezegd hebben. Deze mensen komen vrijwel alle (het zijn er weinige overigens) uit streng-gereformeerde kringen, die politiek door dik en dun aan het oude A.R.-standpunt vasthouden Belangrijk is het voorlopig niet. Van 'ruzie' is verder geen sprake ... Van andere Gereformeerden blijft VN enthousiaste medewerking ontvangen. VN wil tot elke prijs voorkomen dat dit conflictje publiek wordt. Politiek is de zaak verder onbelangrijk. De actie van deze onverantwoordelijke knapen verhoogt alleen onze gevaar-risico's."

XCVersterkt was van Randwijks bitterheid nog doordat het er enkele weken naar uitzag alsof Speelman het gehele verspreidingsapparaat van Vrij Neder land naar 'Trouw zou overhevelen. Sommige verspreidersgroepen hielden evenwel de banden met VN aan, 'akelige ruzies', ontstonden hieruit 'tussen de verspreidersgroepen onderling die elkaars terrein bestreken.P Grotendeels moest Vrij Nederland een nieuw verspreidingsapparaat in het leven roepen; hiervoor gaf mr. J. Cramer, directeur van de stichting 'Opbouw Drente', zich veel moeite. Deze werd ook in de centrale leiding opgenomen, samen met de secretaris van het opgeheven Nede~lands Christelijk Werkliedenverbond 'Patrimonium', J. C. Pellicaan, die al aan het 'eerste'Vrij Nederland medewerking verleend had."

XC1 De Waarheid (I april 1943), p. 3. 2 Brief, I maart 1943, van H. M. van Randwijk aan W. A. Visser't Hooft (H 14 (2), Zwitserse Weg A, 2 f). 3 Getuige G. H.]. van der Molen, Enq., dl. VII c, p. 302. 4 'Patrimonium', in 1876 opgericht, verwierp de klassenstrijd en had daar de eonsequentie aan verbonden dat het niet aan loonacties wilde deelnemen. Het Christelijk Nationaal Vakverbond, in 1909 opgericht, deed dat laatste wèl. 'Patrimonium' trachtte met andere middelen de positie van de arbeiders te verbeteren, o.rn. door goede volkswoningbouw. Het verbond (welks functie te vergelijken is met die van de katholieke diocesane arbeidersbonden) telde in '40 ca. vijftienduizend leden.

139 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

XCIn de loop van' 42 had de Sicherheitspolizei telkens weer geconstateerd dat in alle delen des lands exemplaren van Vrij Nederland in circulatie kwamen. De Aussenstelle Amsterdam noemde het blad in haar Jahresbericht 1942 van alle illegale bladen 'am stárlesten verbreitet und auch inhaltlich und technisch am besten aufgezogen'.l Hoe kon men voortgezette publikatie voorkomen? De vele arrestaties, meer dan zestig in de laatste maanden van '42, baatten niet: nummer na nummer verscheen. Welnu, in de lente van '43 zag de Sicher heitspolizei een kans om met de centrale leiding van Vrij Nederland in contact te komen. Dick van Veen, die eind december Kriminalkommissar Horak in handen was gevallen, had zich bereid verklaard, een gesprek te voeren met Dobbe, de leider van de overval van Joure. Horak vroeg zich evenwel af of van Veen, als hij in vrijheid gesteld werd, wel zou terugkeren. Van dat alles hoorde Pellicaan via van Veens verloofde; hij bood Horak aan, van Veens plaats in de cel in te nemen in de tijd waarin deze naar Dobbe op zoek zou gaan. Het aanbod werd door Horak aanvaard. De centrale leiding van Vrij Nederland wist van dat aanbod af; zij hoopte dat Pellicaan bij Horaks collega's, de mannen van Abteilung IV, iets ten gunste van de gearresteerde VN-medewerkers zou kunnen bereiken. Het slot van het lied was dat Pellicaan en van Veen (die, zoals wij eerder vermeldden, bij Dobbe geen succes had) aan de centrale leiding van Vrij Nederland een voorstel van de Sicher heitspolizei overbrachten: als Vrij Nederland de publikatie staakte, zouden alle gearresteerden in leven blijven, zij zouden dan aan de groep der Brabantse gijzelaars toegevoegd worden - maar er was één belangrijke voorwaarde: alle medewerkers van Vrij Nederland moesten schriftelijk verklaren dat zij zich in de toekomst van anti-Duitse activiteit zouden onthouden.

XCVan Randwijk die in die tijd onder extra-hoge spanningen leefde doordat zijn vrouw gearresteerd was'', kwam voor een verscheurend dilemma te staan: aanvaarding van het Duitse aanbod betekende dat hij ontrouw zou worden aan wat hij als zijn roeping voelde; verwerping, dat er grote kans bestond dat gevangen medewerkers van zijn blad gefusilleerd zouden

XC1 BdS, Aussenstelle Amsterdam: 'Jahresbericht 1942', p. 21. 2 Zij was in het Amsterdamse distributiekantoor aangehouden toen zij de bonkaarten voor een nieuwe periode op haar gewone, door de politie gesignaleerde pb kwam halen. Toevallig had zij bij die gelegenheid de komplete kopij voor een nieuw nummer van Vrij Nederland in een pakje bij zich; uiterlijk volkomen rustig gaf ze dit pakje aan een kennis die toevallig aanwezig was, met verzoek het op een bepaald adres af te geven - hetgeen geschiedde.

140 [PDF]
HET TWEEDE 'VRIJ NEDERLAND' -PROCES

worden of naar concentratiekampen overgebracht. Maar waar zou de Nederlandse illegaliteit belanden als zij zich door de bezetter liet chanteren? I-lij besloot tot verwerping. Horak droeg er niettemin zorg voor dat zijn vrouwalsmede Pellicaan en van Veen vrijgelaten werden - voor Abteilung IV later een reden temeer om zich van harte in Horaks overplaatsing te verheugen.

XCHet z.g. tweede Vrij Nederland-proces dat in januari '44 gevoerd werd, eiste verscheidene slachtoffers; een van hen was Henk Hos die enkele maanden later, in mei, in de duinen bij Scheveningen gefusilleerd werd. Hij had de wens geuit, twaalf uur voor zijn executie gewaarschuwd te worden om zich daar innerlijk op te kunnen voorbereiden. Aldus geschiedde. Een Duitse predikant kwam hem toen nog bezoeken en hij schreef een afscheidsbrief aan zijn vader die weduwnaar was. 'Vader ik moet gaan eindigen', zo heette het aan het slot, 'nogmaals wees niet verdrietig. We moeten in het onvermijdelijke leren berusten. We moeten leren zeggen: 'Uw wil geschiede' en dit is dikwijls 0 zo moeilijk .. .'1

XCMoeilijk, ook voor hem: zeven-en-dertig was hij toen hij voor het vuurpeleton stond.

S pionagegroepenj Verbindingen met Londen

XC

XCIn ons vorige deel hebben wij er op gewezen dat op het gebied van de geheime verbindingen tussen Londen en bezet Nederland omstreeks juni 1942 een dieptepunt bereikt was. Alle geheime agenten die de Engelse diensten voor militaire spionage (MI-6) en voor sabotage (SOE) in samenwerking met Nederlandse geheime diensten uitgezonden hadden, waren op één na, W. J. Niermeijer, in Duitse handen gevallen. MI-6 stuurde in de zomer geen agenten meer naar Nederland, de Dutch Section van SOE deed dat wèl en meende ook dat haar agenten uitermate verdienstelijk werk deden - in werkelijkheid werden zij allen in het kader van het Englandspiel bij hun aankomst in bezet gebied gearresteerd; de twee leiders van dat Spiel aan Duitse kant, Schreieder (Sicherheitspolizei) en Giskes (Abwehr), slaagden er in, SOE-Dutch met telkens nieuwe listen in de waan te brengen dat de geheime verbindingen uitnemend, ja voorbeeldig functioneerden. Eind juni' 42 waren ten behoeve van het Spiel al vijf zenders van geparachuteerde

XC1 De vrijheid sterft niet, Brieven van ter dood veroordeelden uit het Europees verzet (1956), p. 292-93,

141 [PDF]
DE'ILLEGALITEIT

en gearresteerde marconisten in gebruik genomen, eind maart' 43 waren het er zeventien geworden. Er waren in de zomer van '42 van bezet gebied uit slechts twee bonafide zenders in werking : die van Niermeijer en, heel af en toe, die van dr. M. Brouwer in Bilthoven; Niermeijer (wij weten van zijn berichtgeving niets af) werd begin oktober als uitvloeisel van het England spiel gearresteerd! - toen was er nog maar één.

XCWat de in bezet gebied werkzame spionagegroepen betreft: de meeste waren opgerold, met uitzondering slechts van de groep van kapitein de Geus. De spionage-afdeling van de OD werd evenwel opnieuwopgebouwd en er gingen daarnaast door in bezet Nederland genomen initiatieven nog drie andere groepen tot het verzamelen van gegevens over: de groep 'Luctor et Emergo' (die van Vetermans nagemaakte persoonsbewijzen gebruik maakte), de groep-Kees', zo genoemd naar de Rotterdammer C. C. ('Kees') Dutilh die al samengewerkt had met de eind mei gearresteerde geheime agent jhr. mr. E. W. de Jonge, en een groep die !zich eind ,42 als 'Packard' ging aanduiden. Hèt probleem voor deze laatste drie groepen was dat zij de grootste moeite hadden met het wegwerken van hun gegevens. wel werd van juni '42 af van Zweden uit een regelmatige geheime verbinding met bezet gebied onderhouden (de 'Zweedse Weg') en kwam in de herfst een overeenkomstige verbinding tot stand met Zwitserland (de 'Zwitserse Weg'), maar de genoemde spionagegroepen waren daar aanvankelijk niet bij gebaat: die 'wegen' waren hun onbekend. Bovendien zou het via beide 'wegen' enkele weken, zo niet langer, duren voor spionagerapporten Londen zouden bereiken. Het was, van Londen uit gezien, een hoogst onbevredigende, ja een ondragelijke situatie. Zeker, de rapporten van kapitein de Geus bleven binnenkomen en Nienneijer was tot begin oktober in de lucht, maar om een beeld te krijgen van wat de vijand aan krachten bezat, had men de resultaten van de spionage-arbeid van ettelijke groepen nodig; bovendien was wenselijk dat men de gegevens spoedig kreeg, veelal onmiddellijk, anders gezegd: radiografisch; dan kon men inmaakte om een van haar eigen agenten te benaderen, bewijst dat MI-6 op dat

I Op loktober '42 arriveerde per parachute een sabotage-agent van Hij werd, zoals gebruikelijk, onmiddellijk gearresteerd en bleek een zaklantaarn bij zich te hebben waar zich f IQ 000 in bevond en een nieuw persoonsbewijs. Die zaklantaarn' moest hij afgeven aan een adres in Amsterdam dat in code aangegeven was. Het adres werd ontcijferd en van der Waals werd er op afgestuurd. Niermeijer werd op 6 oktober gearresteerd. Het kostte van der Waals weinig moeite om met een voorwendsel Niermeijers zender en codegegevens los te krijgen ·op het adres van waaruit deze geopereerd had. Dat van een verbinding van gebruik

142 [PDF]
DE 'DIENST-WIM'

voorkomende gevallen (bijvoorbeeld wanneer bericht binnenkwam dat een Duits convooi de Nieuwe Waterweg verlaten had) ook onverwijld tot actie overgaan.

XCDe Dutch Section van 1\11-6 maakte zich over het ontbreken Vail voldoende militaire gegevens uit bezet Nederland in de zomer van '42 zoveel zorgen, dat ze een beroep deed op de Belgian Section van SOB en de daarmee samenwerkende Belgische geheime dienst van welke bekend was dat hij een snelle verbinding met Brussel bezat. De Belgische dienst had in die tijd een actieve coördinator in onbezet Frankrijk zitten, in Toulouse, kapitein Ugeux. Diens voornaamste koerier naar Spanje was een student uit Gent, Gaston V andermeerssche. Welnu, deze ontving in augustus '42 opdracht,' naar België terug te keren en van daar uit een nieuwe spionagegroep in Nederland op te bouwen. Vandermeerssche stelde zich in Brussel in verbinding met een van Ugeux' relaties, de Belg John Cohen; diens buurman, de Nederlander Wim Stenger, verklaarde zich bereid, naar Nederland te gaan om te zien wat hij er bereiken kon. De door hem op te richten spionagegroep zou zich als de 'Dienst-Wim' aanduiden; ze zou haar materiaal moeten afleveren bij een slagerij in Antwerpen.

XCEen znster van Stenger woonde in Leiderdorp. Stenger toog daarheen en kwam via haar in contact met de Leidenaar mr. A. B. J. Koch. Koch was de mail geweest die, zoals wij in deel 4 beschreven, eind november '40 voor de verspreiding van Cleveringa' s befaamde toespraak gezorgd had. Hij had nadien veel werk voor Vrij Nederland verzet en was zelfs een tijdlang hoofdverspreider voor Leiden geweest. Hij ging op Stengers uitnodiging in. Als een van zijn voornaamste medewerkers bij het nieuwe werk trok hij mr. J. le Poole aan. Deze had talrijke relaties bij de Haagse departementen; die relaties gingen daar rapporten voor Koch opstellen; hetzelfde gebeurde in de wereld van het hoger onderwijs. Koch was overigens niet de enige geweest die door Stenger voor de 'Dienst-Wim' aangetrokken was. Ook in Bussum en Dordrecht had Stenger medewerkers gevonden, en vooralook in NoordBrabant. Er was daar, gegroepeerd om een onderofficier van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger, Jan B. Vermeulen, een rest van Somers spionagegroep (die met de ID Vail van Hattem contact had gehad) blijven bestaan; Vermeulen bracht die groep in de 'Dienst-Wim' in en ging als leider van de ondergroepen fungeren. De verbinding tussen die groepen werd door een Haagse ambtenaar onderhouden, de Groninger mr. D. Schortinghuis. Wekelijks stroomde een grote hoeveelheid rapporten naar Noord-Brabant toe; ze werden in Bergen op Zoom, waar de oud-hoofdredacteur van De Avondster, ir. A. J. L. Juten, medewerking verleende, gemicrofilmd, de grens over gesmokkeld naar de Antwerpse slagerij en daar regelmatig door Vander

143 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

meersche of John Cohen opgehaald. Via de Pyreneeën en Spanje gingen die microfilms dan naar Londen toe. Wij merken hierbij op dat ze in Londen aanvankelijk niet verder kwamen dan de opbergkasten van de Belgian Section van SOB; de nieuwe Nederlandse geheime dienst, het Bureau Inlichtingen, ontdekte diep in '43 tot zijn verontwaardiging dat bij de Belgen een aanzienlijke hoeveelheid uit bezet Nederland afkomstige microfilms lag die nog niet eens uitgepakt waren - niemand had geweten voor wie dat materiaal bestemd was.

XCDe heropbouw van de spionage-afdeling van de OD zullen wij later in dit hoofdstuk beschrijven, wij willen thans wèl stilstaan bij de drie andere nieuwe groepen die wij noemden: 'Luctor et Emergo', de groep-Kees' en de 'Packard' -groep,

XCDe groep 'Luctor et Emergo' was opgericht door een ambtenaar van het rijksbureau voor de voedselvoorziening in oorlogstijd, J. C. Wannée, die van' 40 af in zijn functie enkele keren besprekingen had moeten voeren met Belgische autoriteiten. Wannée had steun verleend aan de SOB-agenten Taconis en Lauwers en was, toen dezen in maart '42 gearresteerd waren, ondergedoken, aanvankelijk bij de al eerder genoemde mr. Kolff, de burgemeester van Deil. Hij besloot diens talrijke relaties aan te schieten om gegevens te verzamelen die hij naar Engeland wilde doorgeven. Hij ging dus door het land reizen en trekken (Kolffhad, gelijk reeds vermeld, blanco persoonsbewijzen gekregen uit Zwartsluis) en hij trachtte na enige tijd in Brussel aan te haken bij een Belgische verzetsgroep die een vaste verbinding met Londen had. Hij kwam daar na enig zoeken in contact met een Belgische geheime agent, Édouard Cleeren; deze was bereid, voor de verzending van Wannée's stukken zorg te dragen. Daardoor gesterkt, ging Wannée zijn organisatie uitbreiden. Dat ging niet zo gemakkelijk. 'Merendeels speelde', schreefhij na de oorlog, 'de angst voor ontdekking of verraad een grote rol; doch meer dan eens werd als bezwaar aangevoerd dat men niet de indruk kreeg dat 'er wat mee gedaan' werd in Londen, en men weinig zin had, voor het archief te werken, naast het vele dat hier te lande verzet moest worden.'!

XCDe secretaris-generaal van het departement van koloniën, jhr. mr. O. E. W. Six, weigerde medewerking aan Wannée's opzet maar in het Haagse

XC1 J. C. Wannée: 'Rapport' (z.d.), p. Ia (DocII-424, a-r).

144 [PDF]
DE GROEP-'LUCTOR ET EMERGO'

milieu vond deze steun bij een van Six' hoofdambtenaren, dr. J. P. Barmier, die regelmatig voor rapporten van diverse departementen kon zorgen en die ook zelf veel op schrift stelde. Nog bij Kolff had Wannée een katholieke geestelijke ontmoet, pater Kloeg, van wie, aldus Veterman, 'een bisschop verklaarde dat hij beter met een revolver dan met een rozenkrans kon omgaan.'! Kloeg had van Weert uit een hele passeursgroep gevormd; Wannée, ook anderen, werden door die groep regelmatig en vlot de grens over geholpen. Later in '42 kwam 'Luctor et Emergo' overigens ook in contact met de 'Zweedse Weg'; nadien werden haar rapporten dus ook via Delfzijl-Stockholm naar Londen gestuurd.

XCDat 'Luctor et Emergo' bij de Belgische grens over goede passeurs beschikte, was in Londen bekend. In maart' 43 kreeg de tweede geheime agent die door het Bureau Inlichtingen uitgezonden werd, P. R. Gerbrands, de opdracht, een veilige route tot in Spanje op te bouwen; hij moest daartoe met Wannée contact opnemen en deed dat na zijn aankomst des te gereder omdat hij zijn marconist was kwijtgeraakt. Het toestel dat hen beiden naar bezet gebied bracht, was namelijk in het Ijsselmeer gestort; Gerbrands had zich met behulp van een vissersboot uit Enkhuizen weten te redden, maar zijn marconist was verdronken. Wannée kreeg van Gerbrands te heren dat het Bureau Inlichtingen wenste dat zijn groep een andere naam aannam: 'Fiat Libertas'. Aldus geschiedde. Gezien Wannée's ervaring, het werk van pater Kloeg (die in februari '43 gearresteerd was) en Gerbrands' opdracht, was het niet onlogisch dat het accent van de werkzaamheden van 'Fiat Libertas' bij de 'pilotenhulp' kwam te liggen; wij komen daar in ons volgende deel op terug.

XCAanvankelijk bezaten Pot en Dutilh geen veilige route naar Engeland. Er verliep enige tijd voor daar verbetering in kwam. In de zomer van '42 kwam Pot in contact met de Nederlandse leiding van de 'Zweedse Weg': de arts en reder A. L. Oosterhuis te Delfzijl en diens plaatsgenoot, de fabrikant D. Boerema; Pot kende beiden uit de militaire dienst - er was nu een verbinding met Londen. Bovendien werd Dutilh begin '43 in de gelegenheid gesteld, de rapporten van zijn groep via een Leidse clubgenoot, mr. L. Bosch ridder van Rosenthal (zoon van de ontslagen commissaris van de provincie Utrecht), door te geven aan de Nederlandse leiding van de 'Zwitserse Weg'. Dit alles betekende dat de rapporten van de groep- 'Kees' nu via twee kanalen naar Londen gezonden werden. Men voelde het als een beloning voor het vele en grondige werk dat in de voorafgaande maanden verricht was. Tevreden waren Dutilh en Pot overigens niet: zij hadden geen zender.

XCDe eerste groep die na de zomer vande beschikking kreeg over een Engelse zender, was die welke zich met de naam van die zender ging aanduiden: 'Packard'. Ook deze groep ging weer terug op een initiatief niet van een dienst uit Engeland maar van Nederlanders in bezet gebied: twee jeugdige, met elkaar bevriende technici, H. Deinum en ir. M. Vader. Eind ,41 kwam Deinum bij Vader met zijn eerste plannen. Zij besloten toen, die

'42

146 [PDF]
DE GROEP-'KE E S' DE 'PACKARD' -GROEP

hadden. Toen nu een van hun vrienden in juni '42 naar Zweden vluchtte, gaven zij hem een brief mee waarin zij om hulp vroegen. Die briefkwam bij consul-generaal de Jong terecht, werd door hem met de Britse Intelligence besproken en het gevolg was dat aan Deinum en Vader in september door een medewerker van de Jong (een Nederlandse journalist die van Zweden uit in overleg met de Jong nogal pro-Duitse artikelen schreef teneinde van tijd tot tijd een visum voor een reis naar bezet gebied te krijgen) de gegevens overhandigd werden die zij voor zendverkeer met Engeland nodig hadden: golflengte, roepletters, code en zendschema. De bedoeling was dat Deinurn en Vader zelf een zender zouden bouwen. Dat hadden zij ook aangeboden; onderdelen zouden zij van relaties bij de Philips-fabrieken kunnen verkrijgen. Op dat aanbod was de Britse Intelligence vooral daarom zo grif ingegaan omdat Deinum en Vader, zoals zij bericht hadden, vertrouwden, van waarnemers in het gehele land dagelijks weerkundige gegevens te kunnen krijgen. Natuurlijk zouden die gegevens voor de Geallieerde luchtmachten met het oog op hun operaties boven Nederland maar vooralook boven Duitsland van veel betekenis zijn - mits zij onmiddellijk doorgegeven zouden worden. Een zender was essentieel.

XCMet veel moeite slaagde Deinurn er in, een zender te bouwen. Deze kwam begin december '42 gereed. MI-6 had daar overigens niet eens op willen wachten want nog voor Deinum en Vader met hun eigen zender in"de lucht kwamen, was in Londen besloten, hun een Engelse zender toe te sturen. De kapitein van een van de kustvaarders die bij de 'Zweedse Weg' ingeschakeld waren, nam die zender met aile bijbehorende nieuwe aanwijzingen mee en leverde het geheel medio december bij Vader af. De zender heette 'Packard' " - in die tijd een Amerikaans automerk van superieure kwaliteit. Hij deed' zijn naam overigens geen eer aan, want hij bleek niet te werken en tot' overmaat van ramp had MI-6 de zendgegevens voor de eerste zender van Deinurn en Vader geannuleerd en bleek dat de zendgegevens die bij 'Packard' behoorden, evenmin deugden-als het apparaat: men had een .verkeerde golflengte gekozen. Het werd eind april '43 voor Deinurn en Vader aan een Engelandvaarder een noodkreet konden meegeven waarin zij op die defecten wezen. Notabene: hun organisatie was klaar, zij kregen gegevens uithet gehele land, hun marconisten waren uitstekende vaklui, zij bezaten een zender en ze kregen geen contact! 'Het verwezenlijken van deze opzet heeft', schreven zij niet zonder bitterheid, 'vrij veel moeite en tijd gekost. In het algemeen is de Nederlander zeer voorzichtig en ook. bang geworden. Bovendien redeneert men maar al te graag: 'Waarom moet juist ik dit risico lopen? Er zijn genoeg anderen. Dergelijke zaken zullen zeker al wel prachtig geregeld zijn. De oorlog winnen w~ nu toch

147 [PDF]
DE ILLEGALITEIT wel, enz.' Zij die het hardst klagen en op de Duitsers schelden,zijn over het alge

meen het minst genegen, zelf iets te presteren of ook maar een betrekkelijkklein risico te lopen ... Het zou o.i. in veel opzichten doeltreffenderzijn, indien we rechtstreekscontactmet Engelandkregen' 1 maar daar zouden Deinum en Vader, toen zij dit schreven, nog ruim twee maanden op moeten wachten.

XCVia de 'Zweedse Weg' konden Wannée en Pot-Dutilh hun rapporten spuien en via diezelfde weg kregen Deinum en Vader him instructies alsmede de zender 'Packard' - het wordt tijd dat wij op die geheime verbinding dieper mgaan.

XCZij was, gelijk in ons vorige deel uiteengezet, in juni '42 begonnen te opereren als verbinding tussen Oosterhuis in Delfzijl en consul-generaal de Jong in Stockholm. Voor die verbinding werd gebruik gemaakt van Nederlandse kustvaarders welker kapiteins bereid waren, goederen en stukken mee te smokkelen. De Duitse controle was wel vrij scherp maar een kustvaarder biedt genoeg gelegenheid om goederen en stukken te verbergen. Oosterhuis schatte na de oorlog dat hij, zolang de 'Zweedse Weg' functioneerde (een dertien maanden), in totaal 36 of 37 zendingen stukken aan de Jong had doen toekomen. Daarbij waren spionagerapporten van de groep die hij zelf samen met Boerema opgericht had en waarvoor vooral deze laatste zich veel moeite gaf; ook rapporten van 'Luctor et Emergo' en van de groep'Kees' en, zoals wij nog zullen uiteenzetten, tevens van de OD en, later, van de 'Dienst-Wim'; voorts exemplaren van illegale bladen en rantsoenbonnen opdat deze in Engeland nagemaakt zouden worden. De Jong had, voor hij met het werk begon, in Londen de afspraak gemaakt met MI-6 dat de Engelse dienst alles wat via de 'Zweedse Weg' binnenkwam, aan de Nederlandse geheime dienst zou doorgeven. Die Nederlandse dienst was evenwel in de zomer van '42 zozeer een object van verdeeldheid en ruzies, dat MI-6 het veiliger achtte, zich vooreerst niet aan die afspraak te houden; hij werd eerst in acht genomen toen in de lente van '43 bleek dat het Bureau Inlichtingen efficiënt opereerde.

XCMI-6 kon via de 'Zweedse Weg' aan Oosterhuis allerlei vragen stellen. Die waren niet steeds even zinvol. Oosterhuis was bepaald verontwaardigd

XC1 H. Deinum en M. Vader: 'Verslagover ervaringen, opgedaanbij pogingen om tot een geheimradiotelegrafischcontactte komen' (26 april 1943) (Doe II-29I,

148 [PDF]
DE GROEP-OOSTERHUIS DE ILLEGALITEIT

toen hem verzocht werd, op te geven wat de lengte was van de kademuren in Rotterdam. Alsof men dat in Nederlandse scheepvaartkringen te Londen niet wist! Er werd gelukkig van de 'Zweedse Weg' ook wel een nuttiger gebruik gemaakt: exemplaren van het Londense Vrij Nederland, foto's van de koninklijke familie (die dan op grote schaal vermenigvuldigd werden) en hoeveelheden insuline werden naar bezet gebied gesmokkeld samen met goederen die de groep Oosterhuis-Boerema voor haar werk zeer welkom waren: fietsbanden, koffie en cognac; kousen voor de dames werden niet . vergeten. En, zoals wij al weergaven: de zender 'Packard' arriveerde via de 'Zweedse Weg'. Het bleef niet bij die ene zender. Het lag voor de hand dat MI-6 de zo actief werkende groep van Oosterhuis-Boerema de beschikking zou geven over een eigen zender. Die zender, 'Wolseley' (de naam van een Engels automerk), arriveerde in Delfzijl terzelfdertijd als de 'Packard' -zender; beide apparaten, niet veel groter dan een sigarenkistje, waren door kapitein Roossien, de Jongs beste verbindingsman, meegesmokkeld. Oosterhuis kon zelf niet seinen. Hij trok een kracht aan die dat wèl kon: H. Koning, leraar aan de Zeevaartschool te Groningen. Maar hoe Koning ook zijn best deed, op de morsetekens die de 'w olseley' uitzond, werd door Engeland niet gereageerd. Er ging een klacht naar Stockholm en er arriveerde in februari' 43 een tweede zender bij Oosterhuis, voor welks naamgeving men opnieuween beroep gedaan had op de Amerikaanse auto-industrie: 'De Soto', Intussen had Oosterhuis, zeer gefrustreerd door het falen van de 'w olseley', contact opgenomen met de OD. Op ruim 20 km van Delfzijl, in Middelstum, woonde een zendamateur, Dirk Rustema, die niet alleen een uitstekend technicus was maar omtrent wie Oosterhuis van OD-relaties in Delfzijl vernomen had, dat hij de verbindingsofficier was van de Ofr-leiding in Noord-Groningen. Rustema vond de zaak belangrijk genoeg om de chefstaf van de OD, Six, te waarschuwen. Van die waarschuwing nam Six met gemengde gevoelens kennis. Acht maanden lang was hij nu bezig, de OD opnieuw op te bouwen, de spionageafdeling werkte goed, hij (Six) had een enkel bericht ontvangen via de zender van dr. Brouwer, maar terwijl hij zich tot taak gesteld had, namens de regering op het moment der bevrijding de ordehandhaving in het gehele land ter hand te nemen, bezat hij nog steeds geen eigen zendverbinding met Londen. Hij had wèl een net van zenders in Nederland laten opbouwen welke bij die bevrijding contact met het algemeen hoofdkwartier van de OD mogelijk zouden maken, maar die gehele opzet hing in de lucht zolang er geen snelwerkend radiocontact met de regering bestond. En nu bleek dat een in dit verband nogal willekeurige particulier in Delfzijl een zender ontvangen

149 [PDF]

had! Het apparaat scheen niet te werken. Six pleegde overleg met het hoofd van zijn Radiodienst, Jan Thijssen (de man die het binnenlandse net opgebouwd had) en deze zond de chef-marconist van de OD, A. S. M. van Schendel, naar het noorden.

XCVan Schendel bouwde de 'w olseley' volledig om - het hielp niet: Londen zweeg. Intussen arriveerde de tweede zender, de 'De Soto'. En waarlijk, 'de eerste uitzending naar Engeland', aldus later van Schendel, 'slaagde volkomen ... Wij kwamen in Engeland keihard door.'! Dit betekende overigens niet dat de OD nu de beschikking had over een zender: de 'De Soto' werd door Oosterhuis in gebruik genomen met de leraar Koning als marconist en in de maanden waarin de groep Oosterhuis-Boerema nog functioneerde, gaf zij via de zender berichten door waar de Engelse strijdkrachten onmiddellijk op konden reageren:

XC'Verplaatsing van twee Duitse divisiesvan Zeeland naar elders. Verzoek: strooi wat bommen! Twintig schepen met munitie in de ijssel: strooi wat bommen! De nummers van de trawlers uit ijmuiden, Katwijk en Scheveningen die een zender ten behoeve van de Duitsers aan boord hadden: heb daarmee geen consideratie! ... Vertrek uit Rotterdam van grote schepen, diep geladen met pakken stro, bestemd als legeringsstro voor Duitse bezettingstroepen in Kirkenes, Noorwegen. Resultaten van bombardementen van Emden, waarover gemakkelijk informaties doorkwamen'<

XCdeze en dergelijke berichten waren MI-6 zeer welkom, en het feit dat zij ze konden doorgeven, versterkte Oosterhuis en zijn marconist Koning in hun overtuiging dat zij van de 'De Soto' -zender een gepast gebruik maakten. Trouwens, de OD mocht op de verbinding aanhaken: Oosterhuis en Koning namen graag spoedeisende berichten in ontvangst; die werden dan door de Koning gecodeerd en uitgezonden. Voor Six was dit een hoogst onbevredigende situatie: hij wenste met de regering in een strikt geheim radiocontact te treden ter voorbereiding van de gezaguitoefening door de OD - en Koning weigerde, zijn code af te staan! Het zendschema mocht de OD krijgen (het was van belang dat men daar wist wanneer de zender weer in de lucht zou komen) - maar de code'niet! Six brandde van verlangen, de OD weer bij de regering present te melden - er restte niets anders: hij moest het via Koning doen. Geantwoord werd: 'Hare Majesteit en de GeallieerdenS. M. van Schendel: 'Mijn werkzaamheden en mijn verrichtingen als chefmarconist van de OD en mijn belevenissenin de gevangenis' (z.j.), p. 16 (Doc II584,b:'I4). 2 A. L. Oosterhuis: 'Zwaantje', p. 40-41 (Doe 1-1270 A,

1 A.

150 [PDF]
OOSTERHUIS HEEFT ZENDCONTACT

stellen uw getrouwe en gewaagde diensten zeer op prijs." 'Het dwaze was', aldus van Schendel, 'dat Koning die geheel buiten de OD stond' (en ook Oosterhuis) 'op deze wijze kennis nam van de inhoud van berichten, gewisseld tussen de chef-staf en de Nederlandse regering te Londen.P

XCVan Schendelliet het er niet bij zitten. Koning kreeg zoveel berichten te coderen en te decoderen dat hij soms de hulp van Rustema uit Middelsturn . inriep; op aansporing van van Schendel slaagde deze er in, tersluiks alle codegegevens te bemachtigen. Wat dat betrof, kon van Schendel dus zelfstandig gaan zenden. Nu nog een zender ! Waarom niet de 'W olseley' ? Die w;s misschien te repareren. De volgende stap lag voor de hand. Vermoedelijk na overleg met Thijssen eigende van Schendel zich de 'Wolseley' toe - de OD, beter gezegd: Thijssen, kon nu hopen contact met Engeland te kunnen opnemen. Via de 'Zweedse Weg' en Oesterhuis werden de OD overigens spoedig, vermoedelijk in april '43, twee nieuwe Engelse' zenders toegezonden, 'Eton III' en 'Eton IV'. Bij de naamgeving was men dus van de' automerken op de Britse Public Schools overgestapt.

XCWij hebben in het voorafgaande van het zendverkeer met MI-6 gesproken. Inderdaad: de technische installaties in Engeland werden door deze Britse geheime dienst beheerd maar hij was in de lente van '43 al tot een goede samenwerking gekomen met de nieuwe Nederlandse dienst die wij reeds noemden: het Bureau Inlichtingen.

XCNa veel verwarring en moeilijkheden (die wij in deel ç hopen te schetsen) was dit bureau eind november '42 opgericht. Als eerste hoofd fungeerde reserve-majoor H. G. Broekman die nog deel had uitgemaakt van de 'eerste' OD en die in september '41 de Noordzee overgestoken was. Na korte tijd· moest Broekman zich op medische gronden terugtrekken. Hij werd opgevolgd door majoor dr. J. M. Somer onder wiens leiding het Bureau Inlichtingen ('BI') zich tot een uitnemend functionerende dienst zou ontwikkelen. Niet alleen had Somer daar persoonlijk de nodige capaciteiten voor, maar hij had een half jaar langer dan Broekman aan het illegale werk in bezet gebied deelgenomen en bovendien in de spionagesector : hij had eenJ.

1 C. Bührmann: 'Het Algemeen Hoofdkwartier maakt bekend' (z.j.), p. 53 (Doe II-340, b-r). 2 A. S. M. van Schendel: 'Mijn werkzaamhedenenmijn verrichtingen als chef-marconist van de OD en mijn belevenissen in de gevangenis', p. r7.

151 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

belangrijke rol gespeeld in van Hattems ID. Toen deze organisatie in de lente van '42 opgerold werd, was hij naar België gevlucht. Begin januari '43 kwam hij in Londen aan. Hij begon er 'met niets': 'met lege kasten en lege stoelen.'! Slechts één agent was in opleiding: H. G. de Jonge. Voor diens opleiding voltooid was, verliep enige tijd; in de nacht van I I op 12 maart' 43 werd de Jonge gedropt. Somer had hem welgeteld één contactadres kunnen meegeven: dat van zijn eigen broer die in Assen woonde. En hoe uiterst bescheiden het eerste contact tussen BI en bezet gebied was, moge blijken uit het feit dat, afgezien van telegrammen over technische aangelegenheden, BI in januari '43 slechts 6 telegrammen met bezet gebied wisselde (via Koning dus), in februari I, in maart 5; eerst in april waren het 33 geworden.

XCIn maart '43 werden twee agenten uitgezonden: de Jonge (over hem aanstonds meer) en Gerbrands die wij reeds noemden toen wij de groep van Warmée behandelden. Gerbrands was de agent wiens vliegtuig in het Ijsselmeer stortte waarbij zijn marconist, A. Bergman, verdronk. Diens lijk werd door de Duitsers gevonden; zij vonden toen ook een door Somer afgegeven autorisatie met Somers portret en handtekening. Het document was Schreieder hoogst welkom.

XCMaar nu dan de Jonge.

XCHenk de Jonge was een beroepsofficier - een van de zeer weinige beroepsofficieren die zich aan de wegvoering naar Duitsland (mei' 42) onttrokken hadden. In juli' 42 was hij naar het zuiden gegaan, eind november kwam hij in Engeland aan, 'een stille, zeer godsdienstige jongeman, van volstrekt Calvinistische levensopvatting', aldus Somer. 2 Daar is niet alles mee gezegd. De Jonge had een vasthoudendheid die aan fanatisme grensde. Het Nederlandse volk moest, meende hij, een wezenlijke bijdrage geven tot zijn eigen bevrijding, het moest in opstand komen op de dag waarop de Geallieerden op de Zeeuwse en Hollandse kust zouden landen; dat het tot die landing zou komen, stond voor de Jonge als een paal boven water. Graag aanvaardde hij dan ook de opdracht, een spionagegroep te vormen. De bedoeling was dat hij militaire en economische inlichtingen zou gaan verzamelen; eigenlijk interesseerde hem alleen die militaire spionage en op dat gebied had hij maar nauwelijks belangstelling voor gegevens uit andere delen des lands dan de westelijke kustprovincies. Maar hij kreeg en aanvaardde nog een tweede opdracht. Sinds de zomer van '42 had de regering de indruk gekregen dat er een vrij scherpe tegenstelling bestond tussen de OD en het uitvoerend comité van het Grootburgercomité, het z.g. Nationaal Comité: beide wens

XC1 Getuige J. M. Somer, Enq., dl. IV, c. p. 18p. 2 J. M. Somer: Zij sprongen in de nacht. De Nederlandse Inlichtingendienst te Londen in de jaren 1943-1945 (1950), p. 65.

152 [PDF]
GEHEIM AGENT H. G. DE JONGE

ten op de dag der bevrijding het gezag in handen te nemen. De Jonge diende na te gaan hoe het met die tegenstelling precies zat. Om te beginnen moest hij daartoe contact opnemen met het Nationaal Comité. Voor het radioverkeer met Engeland kreeg hij een z.g. telefoniezender mee.!

XCMet die zender werd de Jonge in de nacht van donderdag II op vrijdag 12 maart '43 bij Hooghalen gedropt, niet ver dus van Assen waar Somers broer woonde. Hij had een groot bedrag aan geld bij zich, in bankbiljetten van f 500 en f I 000. Helaas: op de tweede dag waarop hij in bezet gebied was, zaterdag 13 maart, werden alle bankbiljetten van f 500 en f I 000 ongeldig verklaard. De Jonge moest nieuw geld zien te vinden. Wij nemen aan dat dit het contact zoeken met het Nationaal Comité ietwat vertraagd heeft. In Londen was verondersteld dat Jan Schouten wel meer van dat Nationaal Comité zou weten (hij was er lid van) - de Jonge bracht dus een bezoek aan de anti-revolutionaire leider. Diens medelid van het Nationaal Comité Vcrrink stond toen al maandenlang in contact met een zekere 'Anton de Wilde' (de Vi-Mann van der Waals) in wie Vorrink een onbeperkt vertrouwen was gaan stellen, maar Schouten was er nog steeds niet zeker van dat 'de Wilde' dat vertrouwen waard was. Jegens de Jonge stelde Schouten zich dan ook zeer gereserveerd op. In een eerste gesprek weigerde hij inlichtingen. Een tweede gesprek volgde, iets later; wij nemen aan dat Schouten inmiddels bij enkele door de Jonge opgegeven relaties naar diens betrouwbaarheid was gaan informeren. Die informaties luidden gunstig. 'Ik kreeg de indruk', vertelde de Jonge later, 'dat na het tweede bezoek de basis van vertrouwen er was.'2

XCDe datum van dat 'tweede bezoek' staat niet vast. Werd een derde bezoek afgesproken ? Vermoedelijk wel. Het ging niet door. Op I april' 43 werd de fuik die van der Waals en zijn opdrachtgever Schreieder met zoveel raffinement geplaatst hadden, opgehaald: alle leden van het Nationaal Comité, Schouten incluis, werden gearresteerd. De Jonge's tweede opdracht was vervallen; hij zal er wel niet rouwig om geweest zijn.

XCIn dezelfde tijd waarin van der Waals zijn Spiel met Vcrrink en de zijnen speelde, had hij belangrijke en voor de Duitsers veelbelovende contacten

XC1 Dit was een zender waarmee men in het donker op afgesproken tijden gecodeerde gegevens kon wisselen met een vliegtuig of schip dat dicht bij de Nederlandse kust kruiste. De Jonge had per week twee vaste zendtijden. 2 Getuige H. G. de Jonge, Enq., dl. IV c, p. 963.

153 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

weten te leggen met andere illegalen: hij was via een relatie van Vorrink als 'Anton' in aanraking gekomen zowel met de Delftse student Pahud de Mortanges die een sabotagegroep leidde, als met de leider van de groep'Kees', Dutilh. Deze had in die tijd verschillende films met spionagegegevens via de 'Zweedse' en de 'Zwitserse Weg' naar Londen kunnen doorgeven, waar hij overigens nimmer iets op gehoord had. 'Anton' beweerde dat hij een eigen radioverbinding met Londen bezat. Was dat zo? Dutilh zei dat 'Anton' er voor diende te zorgen dat de Londense radio een bepaalde slagzin uitzond ten bewijs dat een van de microfilms van de groep-'Kees' aangekomen was. Schreieder kon dat via een van de zenders van het Englandspiel regelen. 'Anton' was dus, zo zag Dutilh het, inderdaad een Engelse geheime agent. Dutilh sprak zich vrij tegen hem uit: 'Wij werken hier in Nederland', zeihij, 'onder de grootste gevaren, riskeren iedere dag dozijnen malen ons leven en die in Engeland vinden het niet eens de moeite waard, ons de ontvangst van ons onder levensgevaar verrichte werk te bevestigen. Waarom zegt men ons niet, of ons werk slecht of goed is en hoe wij het anders en beter moeten doen? Heeft men er soms geen belangstelling voor ?'l

XCPot, achterdochtiger dan Dutilh, was over 'Anton' minder enthousiast; hij had geconstateerd dat 'Anton' enige dingen gezegd had die niet waar konden zijn. Persoonlijk ontmoette Pot 'Anton' overigens niet, Dutilh vond het veiliger om dat als enige te doen. De rapporten die hij 'Anton' gaf, wekten, aldus later Schreieder, 'bij de Duitse militaire autoriteiten grote verbazing. Er bleek nl. een buitengewoon goede kennis op militair gebied uit en het was zeer nauwkeurig en netjes uitgewerkt." Er was intussen maar één naam die 'Anton' van Dutilh loskreeg: die van Pot; de namen van alle overige medewerkers werden door Dutilh niet genoemd. Wij moeten wel aannemen dat hij bij die zwijgzaamheid een algemene regel volgde, want van .wantrouwen jegens 'Anton' was bij Dutilh bepaald geen sprake. Dat bleek mede hieruit dat hij de Vi-Mann in contact bracht met een actief communistisch verzetsman, dr. Gerrit Kastein.

XCOp 10 maart '43 werd het Spiel met Dutilh beëindigd: hij werd gearresteerd.ê Alle hem bekende namen en adressen verzweeg hij - Pot zette het werk voort en toen hij enkele maanden later, in mei, via Delfzijl ontkwam, belastte Siewert de Koe zich met de leiding van de groep- 'Kees'. De Koe had

XC1]. Schreieder: Het Englandspiel (1949), p. 199. 2 A.v., p. 200. S Dutilh werd eind februari '44 gefusilleerd.

154 [PDF]
DUTILH GEARRESTEERD

voor die groep, gelijk vermeld, studenten als verkenners aangetrokken.

XCMaar van der Waals had nog meer gepresteerd. Naast de vier zoëven genoemde Spiele (met Vorrink, met Dutilh, met Kasten:;.en met Pahud de Mortanges) had hij zich, nu als 'Piet van de Velde' optredend, nog op een vijfde Spiel ingelaten: tegen de 'Dienst-Wim'. In maart kwam namelijk via de pas in gebruik genomen zestiende radioverbinding van het Englandspiel de opdrachtbinnen dat de marconist van die zestiende 'lijn' (die bij aankomst gearresteerd was) zich met een bepaalde slagzin moest melden bij ir. Juten te Bergen op Zoom om bij deze spionagemateriaal af te halen; men wist in Londen datjuten een belangrijke rol speelde bij het doorgeven van de rapporten vall de 'Dienst-Wim'. Vander Waals begaf zich naar Juten en introduceerde zich met de slagzin zoals deze door de Duitsers gedecodeerd was: 'Het werd op het vuur gezet.' De slagzin die door de 'Dienst-Wim' voor een dergelijk contact opgegeven was, had evenwel iets anders geluid: 'De pot werd op het vuur gezet.' Juten vertrouwde de zaak niet en zei (naar wij aannemen: na overleg met Vermeulen) dat 'Piet' er maar eerst voor moest zorgen dat de Londense radio een nieuwe slagzin doorgaf: 'Glymes houdt het vuur warm.' Er ging enige tijd overheen voor een en ander geregeld was, maar op 27 mei was het zo ver: 'Glymes houdt het vuur warm', weerklonk in de avonduitzending van Radio Oranje. Hiermee was voor Juten de betrouwbaarheid van 'Piet' boven alle twijfel verheven. Hij bracht Jan Vermeulen, de coördinator van de 'Dienst-Wim', met 'Piet' in aanraking en zo Vermeulen nog aarzelde, dan werd die aarzeling wel overwonnen toen 'Piet' hem een op naam van 'Piet van de Velde' gesteld, door Somer ondertekend en van diens foto voorzien introductiebewijs liet zien - een document waarvoor Schreieder de foto en de handtekening van Somer gebruikt had die bij de papieren op het lijk van Bergman gevonden waren. Vermeulen had met Somer samengewerkt. Het stond nu vast: 'Piet' was een geheime agent uit Engeland. Een zeer welkome bovendien: hij beweerde een zender te hebben! Nu had Vermeulen wel eens spoedeisende berichten kunnen doorgeven aan een zender in de Ardennen waarmee Vandermeerssche in verbinding stond, maar de zender van 'Piet' was veel dichterbij. 'Vooral Vermeulen', aldus later Koch, leider van een der ondergroepen van de 'Dienst-Wim' , 'was er erg trots op. Hij omringde van der Waals met alle zorgen die hij kon geven, en was een beetje de kloek op het ei. Hij vond dat iemand anders zich daarmee niet moest bemoeien.'!GetuigeJ. Enq., dl.p.

1 A. B. Koch, IV c, 1696.

155 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

XCNu kunnen wij ons bovendien indenken dat 'Piet' juist eind mei door Vermeulen en Juten met open armen ontvangen werd: zij hadden toen namelijk sinds enkele weken geen contact meer met Vandermeerssche. Hoe kwamdat?

XCEind april, toen in Londen vernomen was dat het Nationaal Comité opgerold was en toen men er het gevoel had gekregen dat de Nederlandse illegaliteit diep was gepenetreerd, had de Belgische geheime dienst Vandermeerssche twee opdrachten gegeven: alle contacten met de 'Dienst-Wim' te verbreken en een spionagegroep in Duitsland op te bouwen. Vandermeerssche vond de eerste opdracht absurd en de tweede praktisch onuitvoerbaar - maar hij gehoorzaamde. Hij liet de 'Dienst-Wim' volledig schieten, trok naar Duitsland en werd daar meteen gearresteerd. Enige tijd later werd de slagerij in Antwerpen opgerold en werd ook John Cohen uit Brussel die daar zo vaak stukken opgehaald had, gevangen genomen; de Sicherheits polizei vond in zijn kamer een grote hoeveelheid spionagerapporten die van de 'Dienst-Wim' afkomstig waren. Al deze feiten waren Vermeulen onbekend. Deze constateerde slechts één ding: dat de verbinding met België niet meer werkte. 'Piet' nam op zich, via zijn zender Londen te waarschuwen.

XCGelukkig: eind mei of begin juni' 43 vond de 'Dienst-Wim' een andere weg om zijn rapporten naar Engeland te zenden. Vermeulen ontmoette via een relatie bij de Philipsfabrieken een oud-leerling van Koning, de leraar van de Groninger Zeevaartschool die als marconist voor Oosterhuis optrad. Met die oud-leerling (die van Konings werk afwist) reisde Vermeulen, de jongste spionagegegevens meenemend, naar Delfzijl. Een welkome verrassing wachtte hem daar: de mededeling namelijk dat zijn rapporten al binnen enkele dagen naar Stockholm onderweg zouden zijn. Er werd de afspraak gemaakt dat de 'Dienst-Wini' voortaan elke week een zending naar Delfzijl zou brengen; met die taak werd Schortinghuis belast die ook al de verbindingen tussen de ondergroepen van de 'Dienst-Wim' onderhield.

XCSchorringhuis had nog veel verderstrekkende plannen. Hij was een ervaren wadloper. Elfkilometer uit de kust, tussen Schiermonnikoog en Rottumeroog, ligt het verlaten Simonszand. Kon men niet een regeling treffen dat daar regelmatig Engelse onderzeeboten zouden verschijnen om ontsnapte krijgsgevangenen ('piloten') en anderen die moesten uitwijken, aan boord te nemen? Vermeulen vond het een prachtig plan, 'Piet' ook, en in de loop van juli werd afgesproken dat Schortinghuis met een aantalleden van de 'Dienst-Wim' een expeditie naar het Simonszand zou ondernemen om er de situatie te verkennen; terzelfdertijd zou Vermeulen samen met 'Piet' naar Engeland vliegen. 'Piet' beweerde dat in de nacht van 16 op 17 juli zijn

156 [PDF]
DE 'DIENST-WIM' OPGEROLD

Vermeulen en hij dan in de nacht van 20 op 21 juli door een toestel van de RAF opgehaald worden. Inderdaad, 'Piets plaatsvervanger' (wij weten niet, wie daarvoor gespeeld heeft) daalde in de afgesproken nacht uit een toestel van de Luftwaffe op de Veluwe neer, Vermeulen sloeg zijn aankomst gade en introduceerde de 'plaatsvervanger' prompt bij twee van zijn belangrijkste helpers. Zij en nog een derde zouden Schortinghuis vergezellen. Allen zouden zich op de zoste in Apeldoorn komen melden waar 'Piet' hen bij het station zou opwachten; hij bracht hen in kleine groepjes naar een villa in de bossen buiten Apeldoorn. Hetzelfde deed hij met Vermeulen die, toen hij uit de trein stapte, van 'Piet' te horen kreeg: 'We vertrekken vanavond pas; maar kom mee, ik heb een heerlijk potje eten, bruine bonen met spek.' 'Daar had ik wel trek in', vertelde Vermeulen later aan de Enquêtecommissie, 'want dat kreeg je niet veel.'! Bij de villa liep 'Piet' naar de achterdeur en aan de voordeur werd Vermeulen, nauwelijks was hij binnen, door medewerkers van de Sicherheitspolizei, onder wie Poos en Slagter, besprongen; in een formidabele vechtpartij werd hij bewusteloos geslagen. Toen hij bijkwam, lag hij geboeid en met een pleister op de mond op een bovenkamer waar zich zijn vier medewerkers, onder wie Schortinghuis, in dezelfde situatie bevonden.

XCDe volledige leiding van de 'Dienst-Wim' was uitgeschakeld. Alleen de door Koch geleide ondergroep was nog intact: diens naam en adres waren van der Waals onbekend gebleven. Doorgaan of stoppen? 'Wij hebben', aldus Koch later, 'een hele tijd nagedacht over de vraag of wij niet zouden ophouden. Wij wisten alles van van Hamel af tot Ernst de Jonge toe. Het leek onbegonnen werk om er mee door te gaan. Het leek volkomen hopeloos, in Nederland een verbinding met Londen op te zetten. Je moet verantwoord zijn voor iedereen die je er in brengt, voor het leven van die mensen. Je moet het goed weten, wat je gaat beginnen.

XCWij hebben het toch gedaan. Het werkt een beetje mousserend; dat kan ik niet ontkennen."

XCZeven maanden tevoren, in december '42, had zich bij consul-generaal de Jong in Stockholm een nieuwe kapitein gemeld met de mededeling dat hij iets voor de vaderlandse zaak ondernemen wilde. Het was F. J. M. Aben,J.J.

1 Getuige B. Vermeulen, a.v., p. 1927. 2 Getuige A. B. Koch, a.v., p. 1696.

157 [PDF]
DE ILLEGALITEiT

gezagvoerder van de 'Bertha', later van de 'Excelsior'. De Jong was niet onmiddellijk op zijn aanbod ingegaan, maar hij kon nadien constateren dat Aben er in slaagde, het vertrek van de 'Bertha' belangrijk te vertragen: de man scheen betrouwbaar. Toen Aben in maart weer in Zweden aankwam, beweerde hij dat hij relaties in Zeeland had van wie hij belangrijke gegevens kon verwerven. De Jong informeerde in Londen of hij met Aben in zee kon gaan, MI-6 had geen bezwaar maar adviseerde, Aben onkundig te laten van het bestaan van de 'Zweedse Weg' en hem dus ook niet met dokter Oosterhuis in contact te brengen. De Jong had ook Oosterhuis de vraag voorgelegd of hem iets van Aben bekend was. Oosterhuis had geantwoord dat de man een tijdlang NSB' er geweest was, maar de Jong was zozeer van Abens goede trouwovertuigd (deze had hem ook nog geheime Duitse routegegevens doen toekomen) dat hij Oosterhuis had doen weten dat hij Aben toch zou inschakelen - Oosterhuis had zich geschikt, hoewel zijn vrouw het hem ontried. De Jong handelde tegen de raad van MI-6 in toen hij in juli Aben op de 'Excelsior' een pakje meegaf met f 30000 er in I dat Aben bij een relatie van Oosterhuis moest afgeven. Die relatie" niet beter wetend, bracht Aben meteen met Oosterhuis in contact - een contact dat Oosterhuis overigens op dat moment zeer welkom was want op de dag dat Aben bij hem kwam, 15 juli, had hij een Engelandvaarder in huis die zo spoedig mogelijk naar Stockholm moest vertrekken. Die Engelandvaarder kreeg van Oosterhuis de gebruikelijke, voor de Jong bestemde zending stukken mee; het was een pakje dat Aben moest verbergen. Aben nam de Engelandvaarder aan boord en verborg het pakje. Hij voer weer uit met de 'Excelsior', vermoedelijk op 17 of 18 juli. Nog voor hij het Kielerkanaal bereikt had, kwam plotseling Duitse controle. Aben wierp het pakje overboord, de Engelandvaarder werd niet ontdekt. Deze bevestigde jegens consul-generaal de Jong dat Aben met grote tegenwoordigheid van geest gehandeld had en de Jong zag dan ook geen enkele reden, Aben te wantrouwen toen hij enige tijd later vernam dat de Sicherheitspolizei Oosterhuis, diens marconist Koning en anderen die in , Nederland bij de 'Zweedse Weg' betrokken geweest waren, gearresteerd had. In werkelijkheid stond Aben al sinds mei' 43 in vast contact met de Sicher heitspolizei. Hij had haar de naam van de relatie van Oosterhuis verraden; bovendien had hij de stukken uit het pakje dat hem ter hand gesteld was, door de Sicherheitspolizei laten fotokopiëren voor hij het verborg. De z.g.

XC1 Het geld was voor de vrouwen van zeevarenden bestemd die voor de Geallieerden voeren; de Duitsers hadden de maandelijkse uitkeringen aan die vrouwen tot een minimum gereduceerd.

158 [PDF]
DE GROEP-OOSTERHUIS OPGEROLD

Duitse controle was afgesproken werk geweest. Mag men daarom stellen dat, zoals de Bijzondere Raad van Cassatie gedaan heefc', Oosterhuis en zijn relatie als gevolg van Abens verraad gearresteerd zijn? Zeker, Aben had hun positie alsook die van anderen na hun arrestatie fataal ondermijnd doordat de Sicherheitspolizei door zijn optreden in staat was, aan de Duitse rechtbank het bewijs voor de geleverde spionage over te leggen: de gefotokopieerde stukken. Tot het oprollen van de groep-Oosterhuis wàs evenwel al besloten. Wat die groep deed, had van der Waals ('Piet') via de 'Dienst-Wim' uitgevist. En op 22 juli' 43, twee dagen na het oprollen van de leiding van de 'Dienst-Wim', bevond zich ook de leiding van de 'Zweedse Weg' achter slot en grendel; kapitein Roossien werd gearresteerd zodra hij weer in Delfzijl aankwam. Alleen Boerema ontkwam.ê

XCHet was het einde van de verbinding met Stockholm, het einde ook van, zo drukte Oosterhuis het later uit: 'de long die zo 'n groot stuk van het verzet in Nederland in de zomer van 1943 nog vanlevensadem voorzag.P Het beeld lijkt ons toepasselijk.

XCMaar er waren twee longen, niet één.

XCNaast de 'Zweedse Weg' begon in de herfst van '42 de 'Zwitserse Weg' te' functioneren, en opnieuw: niet van Londen uit werd er het initiatief toe genomen, maar van bezet gebied uit. Dat initiatief is de verdienste geweest van Hebe Charlotte ('Lotje') Kohlbrugge.

XCOok zij was een pionier van het verzet.

XCLotje Kohlbrugge was in' 36 op twee-en-twintigjarige leeftijd in Duitsland een Seminar für kirchlichen Prauendienst gaan volgen, had zich daar bij de Bekennende Kirche aangesloten en was begin '39, toen zij als assistentevan een predikant inFehrbellin werkzaam was, Duitsland uitgezet. Nadien studeerde zij enige tijd in Bazel bij de befaamde theoloog Karl Barth, maar bij het uitbreken van .de wereldoorlog bevond zij zich in Nederland waar zij toen in Amsterdam verbonden werd aan het bureau van de Amsterdamse hervormde kerkeraad. Elk initiatief in bezet gebied dat tegen de bezetter gericht

XC1 ERve: Arrest inz. F. J. M. Aben (17 mei 1950), p. 8 (DoeI-S, a-3). 2 In delente van '44 werd tegen negen-en-veertig personen die bij de 'Dienst-Wim' en de 'Zweedse Weg' betrokken geweest waren, vonnis gewezen: vijf-en-veertig doodvonnissen, vier vrijheidsstraffen. Geen van de doodvonnissen is uitgevoerd. De veroordeelden werden eind juli' 44 naar gevangenissen in Duitsland overgebracht waar de meesten, onder hen Oosterhuis, Schortinghuis en Vermeulen, in leven bleven. 3 A. L. Oosterhuis: 'Zwaantje', p. 56.

159 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

was, had haar sympathie. In de zomer van '40 had zij samen met dr. J. Koopmans de stoot gegeven tot de conferentie te Lunteren waar de z.g. Lunterse Kring uit voortkwam; ze had in november' 40 de productie van Koopmans' illegale brochure Bijna te laat! georganiseerd en in mei '41 die van Buskes' illegale brochure Ons kind in gevaar! Daarbij had zij samengewerkt met van Randwijk. In december' 41 kwam zij in contact met Speelman en Hos; zij ging voor Vrij Nederland werken. In februari' 42 werd zij op grond van haar activiteit voor de Bekennende Kirche door de Sicherheitspolizei gezocht - zij wist zich in haar woning te verbergen ('zij hebben mij na drie uur zoeken niet kunnen vindcn'I), ging de volgende dag illegaalleven en verzette daarbij steeds meer werk voor Vrij Nederland. Ze had veel durf en een groot doorzettingsvermogen, een en ander gemengd met een stevige dosis eigengereidheid die trouwens wel vaker voorkwam in de illegaliteit.

XCNa overleg met Speelman en Hos besloot zij in juni '42, naar Zwitserland te gaan. Velen in protestantse kring worstelden met morele vragen (bijvoorbeeld: mocht men liegen jegens de Sicherheitspolizei?) vragen die zij aan Barth wilde voorleggen. Zij had echter vooral de behoefte, de Londense regering in te lichten over de situatie en de stemming in bezet gebied alsmede over de daar levende denkbeelden voor de toekomst. Omtrent haar besluit lichtte zij van Randwijk in. 'Als ik je vader was, zou ik het verbieden', zou deze gezegd hebben." Lotje Kohlbrugge zette door. Dr. Koopmans hielp haar; hij gaf haar tal van stukken mee. Voorts stak ze exemplaren van Vrij Nederland en Het Parool bij zich alsmede de eerste nieuwe rapporten van de OD (haar door van Randwijk verstrekt) - en ze vertrok. Via van Niftriks 'lijn' kwam ze na een moeilijke tocht op 25 juni '42 in Zwitserland aan; ze zou er zes weken blijven. Haar eerste ervaringen waren teleurstellend: tot de gezant kon zij niet doordringen. Een haar door Speelman genoemde relatie ried haar toen aan zich te wenden tot dr. W. A. Visser 't Hooft te Genève, die daar als secretaris van de wereldraad van Kerken sinds '38 woonachtig was.

XCVisser 't Hooft had kort tevoren een bezoek aan Londen gebracht. Uit brieven uit Nederland had hij geconcludeerd dat er een ontstellend gebrek aan contact was tussen de regering en bezet gebied. Begreep de regering wel wat daar aan nieuwe denkbeelden naar voren kwam? Omgekeerd: wist men in bezet gebied wat de regering aan het voorbereiden was? Minister-president Gerbrandy had Visser' t Hooft naar Londen laten komen en toen deze naar Genève terugkeerde, had hij de opdracht, al het zijne te doen om het wederzijdse contact tussen Londen en bezet gebied te bevorderen. 'Met het zeer

XC1 Getuige H. C. Kohlbrugge, Enq., dl. IV c, p. 685. 2 A.v.

160 [PDF]
MEJ. KOHLBRUGGE IN GENÈVE

vage idee hoe ik de zaak op zou zetten' , arriveerde Visser' t Hooft in Genève en daar 'stond opeens', zo vertelde hij aan de Enquêtecommissie, 'mej. Kohlbrugge voor me, wat toen een buitengewoon grote vreugde was." Hij gaf haar opdracht, een rapport te schrijven. In dat stuk dat in de eerste helft van juli op schrift gesteld werd", onderstreepte mej. Kohlbrugge o.m. dat in bezet gebied algemeen op een spoedige invasie gerekend werd; 'De Brandaris' werd, schreef zij, meer op prijs gesteld dan Radio Oranje." 'Een volk van helden en martelaren' was het Nederlandse volk bepaald niet, vooral van de ambtenaren ging weinig uit. Het antisemitisme nam toe en men verwachtte na de bevrijding 'een chaotische toestand. In dit verband', zo schreef zij, wellicht een rapport van de nieuwe chef-staf van de OD, Six, citerend, 'moge er op gewezen worden, dat men van de regering in Londen verwacht de vorming van een krachtig staand leger dat behalve voor invasiedoeleinden zeker niet minder voor binnenlandse troebelen zal moeten worden gebruikt. Attent worde gemaakt op de bestaande OD-organisatie die aanstonds volledig bewapend zou moeten worden en zou kunnen worden ingeschakeld.'

XCWat de toekomst betrof: 'in wezen' moest het constitutioneel koningsschap gehandhaafd blijven, maar als 'overgangsvorm' was een 'persoonlijk bewind van H.M. de Koningin, bijgestaan door een bijzondere Raad van Advies', wenselijk.

XCDit rapport en het materiaal dat mej. Kohlbrugge meegebracht had, zond Visser 't Hooft naar Londenniet naar de Centrale Inlichtingendienst, maar naar Gerbrandy's departement. Het was namelijk de bedoeling dat hij geen militaire gegevens zou gaan doorgeven, maar eerder algemene rapporten die vooral een beeld zouden geven van de geestelijke gesteldheid in bezet gebied. Aldaar was dus een rapporterend centrum nodig. Welnu, Visser 'r Hooft maakte met mej. Kohlbrugge de afspraak dat zij daartoe twee relaties van Visser 't Hooft zou uitnodigen: mr. G. H. Slotemaker de Bruïne (een zoon van de in '41 overleden christelijk-historische voorman) en de bekende protestantse publicist, theoloog en paedagoog N. Stufkens; zij moesten samen dat centrum vormen. Het zou met de afkorting 'GC' ('Geestelijk Contact') aangeduid worden.

XCMet deze opdracht verliet mej. Koblbrugge begin augustus Zwitserland.

1 Getuige W. A. Visser 't Hooft, dl. IV c, p. 6I2. 2 Tekst in Zwitserse Weg A, I a (A 4 (2). 3' 'De Brandaris': meer gewaardeerd dan Radio Oranje want feller en duidelijker, mist evenwel het officieel karakter en de mysterieuze glans van Radio Oranje. Men zou het zo kunnen formuleren: 'De Brandaris' wordt gehoord omdat ze goed is, Radio Oranje ondanks het feit dat ze slecht is.'

161 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

Visser 't Hooft gafhaar alles mee wat hij in Londen verzameld had, en Karl Barth had op de hem voorgelegde vragen een zeer uitvoerig antwoord geschreven dat aan duidelijkheid niets te wensen overliet; het werd na mej. Kohlbrugge's terugkeer door ds. K. H. Kroon vertaald en ging spoedig als illegale brochure circuleren.' Men las :

XC'Vraag 1: Is het mogelijk de kerkelijke voorbede voor de Koningin der Nederlanden te laten vervallen? Antwoord: Onvoorwaardelijk: Neen! ... Het is een artikel waar de kerk mee staat of valt.

XCVraag 2: Is het rechtvaardig en noodzakelijk, dat de kerkelijke diaconie de arbeiders, die weigerden in Duitsland te werken, maatschappelijk ondersteunt? Antwoord: Onvoorwaardelijk: Ja! ... Hen bij te springen is thans gewis een daad van Christelijke liefde van de hoogste orde.

XCVraag 3: Is het de individuele Christen geoorloofd, de 'illegale' organisaties tot herstel van de rechtstoestand in Nederland financieel en door persoonlijke deelname te steunen? Antwoord: Niet alleen geoorloofd, maar geboden! Het Duitse nationaal-socialisme is geen van God ingestelde overheid; zij verdient slechts uiterlijke en tijdelijke gehoorzaamheid, in werkelijkheid echter verzet en niets dan verzet, tot haar macht volledig is gebroken.

XCVraag 4: Bestaat er in verband met de verplichte strijd ... tegen de roversstaat een bijzondere opvatting van het Goddelijke gebod, de waarheid te spreken? Antwoord: (Met voorzichtigheid en bedachtzaamheid, maar onversaagd) Ja! ... Waarheid is uitsluitend God in de openbaring van Zijn wil De gehoorzaamheid jegens de erkende Wil van God heiligt elk middel.

XCVraag 5: Kan een groep kerkleden haar meningen en eisen, die verder reiken dan de uitspraken van de officiële kerkelijke leiding, publiceren zonder gevaar voor een schisma? Antwoord: Ja! ... De kerk zou te beklagen zijn wanneer er niet naast hen die van ambtswege met de leiding belast zijn, altijd ook nog een vrije voorhoede was die, zonder direct met hen te breken, de verantwoordelijkheid op zich neemt om de zelfstandig onderzochte kerkelijke vraagstukken tegenover de ganse gemeente in dat principiële licht te stellen dat aan de besluiten van de officiële kerkeraden en synodes pleegt te ontbreken."

XC1 Tekst in Touw: Het verzet der Hervormde Kerk, dl. II, p. 244-48. "Ds Kroons illegaal geschrift was binnen enkele weken bij de NSB bekend. Max Blokzijl waarschuwde onmiddellijk alle propagandisten van de NSB en gaf daarbij weer dat op de vijf gestelde vragen 'volgens Barthjes' aldus geantwoord moest worden: 'I. Weest goede Christenen; 2. Verwerpt uw reglementen, gebruikt het geld der liefdadigheid voor de strijd; 3. Communisten, vrijmetselaars en inbrekersbenden dienen de zaak der Kerk en van het Huis van Oranje; 4. Lieg maar raak; 5. Trekje niets aan van het kerkelijk gezag.' (NSB, hoofdkwartier, hoofdafd. pers en prop.: 'Mededelingen van de prop.1eider, no. 4' (3 sept. 1942) (NSB, 202).

162 [PDF]
BEGIN V AN DE 'ZWITSERSE WEG'

Wij komen in ons volgende deel met enige uitgebreidheid op de Zwitserse Weg terug. Deze geheime verbinding heeft namelijk in de periode die wij thans behandelen (tot mei '43), niet erg frequent gewerkt. wel slaagde mej. Kohlbrugge er in om na haar terugkeer van deze eerste reis een kanaal te. openen waardoor gemicro£lmde stukken verzonden werden. Dat microfilmen vond plaats door een Amsterdamse fotograaf, de OD' er W. Prins, en de microfilms werden vervolgens via mej. Kohlbrugge's zuster Dina J ohanna, . die werkzaam was in de Utrechtse Universiteitsbibliotheek, door een binder van deze UB, D. J. Sakkers, verstopt in de banden van wetenschappelijke boeken; die boeken werden in het 'normale' internationale ruilverkeer naar een met Visser 't Hooft afgesproken adres in Zwitserland gezonden. Daar haalde men de microfilms uit de banden en de boeken werden dan aan de Utrechtse UB geretourneerd, waarbij Visser 't Hooft, van dezelfde techniek gebruik makend, zijnerzijds microfilms liet insluiten.

XCHet aantal van de stukken dat aldus naar Zwitserland gestuurd werd, was aanvankelijk niet hoog: van zomer '42 tot zomer" 43 'ongeveer honderd' (maar van zomer' 43 tot zomer' 44 'een paar duizend'j.! Intussen: de nieuwe 'weg' wàs er. Slotemaker en Stufkens gingen zich moeite geven, exemplaren van illegale bladen en doeurnenten te verzamelen die via Genève naar Londen gestuurd zouden worden. Zij kwamen via Vorrink ook in contact met het Nationaal Comité. Af en toe gafVorrink belangrijke stukken door, en hetzelfde deden van Randwijk en Six - wij komen er in dit hoofdstuk nog op terug.

Sabotage

XC

XCDe georganiseerde sabotage zag zich in de periode die wij in dit deel behandelen: juli 'az-mei '43, voor dezelfde moeilijkheden geplaatst als in die welke in het voorafgaande beschreven werd: maart' ar-iuli ' 42. Het grootste probleem werd gevormd door de schaarste aan deugdelijk sabotagemateriaal : explosieven en middelen tot brandstichting. Zeker, SOB zond daar aanzienlijke hoeveelheden van naar bezet Nederland, maar deze vielen in het kader van het Bnglandspiel alle in Duitse handen. De groepen die sabotage wensten te plegen, waren dus op eigen middelen aangewezen. De communisten hadden een goed contact bij de Staatsmijnen" waardoor hun trotyl toegespeeld werd (wij maakten daar al melding van toen wij de spoorwegaanslag in Rotterdam beschreven) en het is mogelijk dat anderen uit dezelfde bron

XC1 Getuige G, H. Slotemaker de Brutne, EI1q., dl. IV c, p. 577. 16

163 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

explosieven verwierven, maar onze algemene indruk is dat het niet om grote hoeveelheden ging. De cijfers die men in Duitse rapporten en in de rapporten van de Nederlandse Spoorwegen vindt, tonen aan dat de sabotage in de periode tot de April-Meistakingen bleef wat zij tevoren al geweest was: een randverschijnsel in de Nederlandse samenleving.

XCVolgens die rapporten deden zich van I juli' 42 tot 29 april' 43 (de dag waarop de April-Meistakingen uitbraken) 54 gevallen voor waarin de eenvoudigste vorm van sabotage toegepast werd: het doorsnijden van militaire verbindingskabels. Bij de spoorwegen kwam het in die periode in totaal tot 22 gevallen van effectieve sabotage; daaronder bevonden zich, ia november' 42, een explosie op de spoorbrug te Zaltbommel waardoor de brug overigens slechts tien uur lang buiten bedrijf was, en, in de nacht van I4 op I5 maart' 43, een reeks gecoördineerde acties op de lijnen AmsterdamAmersfoort en Amsterdam-Utrecht. Ook deze hadden slechts weinig effect - de directie van de Nederlandse Spoorwegen sprak van 'sabotagegevallen welke alle een dilettantisch karakter droegen." Sabotage aan andere objecten deed zich volgens de bedoelde rapporten in 24 gevallen voor; het meest spectaculair waren de aanslag van de groep van Gerrit van der Veen op het Amsterdamse bevolkingsregister in de avond van 27 maart' 43 (wij zullen deze aanslag later in dit deel beschrijven) en de aanslag op een Duitse mijnenveger te Alblasserdam in de nacht van 7 op 8 januari' 43. Die laatste was het werk van de groep-Pahud de Mortanges.

XCDeze groep (wij beschreven haar begin in ons vorige deel) bestond uit Delftse studenten. Ze had in '42 spoorwegsabotage bedreven maar daarbij geconstateerd dat de schade steeds spoedig hersteld werd. Eind' 42 had zij haar aandacht op andere objecten gericht: Duitse mijnenvegers die op een werf in Alblasserdam gebouwd werden en bijna klaar waren. Er lagen er twee. Een poging om in de Oudejaarsnacht explosieven tegen de romp aan te brengen, mislukte, maar een week later had men bij een van de twee (aan boord van de ander bevond zich een wacht) succes: het schip dat al te water gelaten was, sloeg lek en kapseisde. Dit stimuleerde de groep om op de ingeslagen weg voort te gaan: men besloot, voorshands nog drie mijnenvegers uit te schakelen. Het kostte grote moeite, daar de nodige explosieven voor bijeen te brengen en het plan was nog niet uitgevoerd toen Pahud, gelijk reeds vermeld, via een relatie van V orrink in contact kwam met 'Anton' (van der Waals); Pahud ontmoette deze voor het eerst op 7 maart, in Delft; 'Anton' was bij hem geïntroduceerd als een Engelse agent die voor springstoffen kon zorgen. Pahud zei dat het zijn groep geweest was die begin

XC1 Nederl. Spoorwegen, Raad van Commissarissen: Notulen, 3 april 1943, p. 3.

164 [PDF]
DE GROEP-PAHUD OPGEROLD

januari een mijnenveger had doen kapseizen; nu stonden er drie op het program en de eerste nieuwe poging zou over twee dagen, op 9 maart, ondernomen worden. 'Anton' zei dat hij hem aan de modernste explosieven kon helpen. Dat aanbod was Pahud hoogst welkom. Er werd de afspraak gemaakt dat hij 'Anton' in de middag van.o maart in Rotterdam opnieuw zou ontmoeten.

XCVan der Waals haastte zich, Schreieder rapport uit te brengen. Natuurlijk moest de nieuwe aanslag voorkomen en moest dus Pahud voordien gearresteerd worden, maar niet deze alleen. Het was Schreieder ook om de leden van diens groep te doen.

XCHij vond er een oplossing voor. Hij liet een huis aan de Heemraadsingel in Rotterdam bezetten, bracht daar een grote hoeveelheid Engelse explosieven naar toe (uit de voorraden van het Englandspiel), en toen Pahud op die ode maart 'Anton' ontmoette, zei deze dat hij Pahud de begeerde sabotagemiddelen kon tonen. Pahud ging mee naar de Heemraadsingel, was enthousiast over wat hij daar te zien kreeg en beloofde dat hij, zodra het donker was, met zes leden van zijn groep terug zou komen. Uiteindelijk verschenen er, met Pahud, maar drie; zij werden in het pand aan de Heemraadsingel besprongen en gearresteerd. De drie anderen die op enige afstand bij een telefooncel stonden te wachten, werden in de duisternis benaderd door drie 'SD'ers' die ongeveer de lengte hadden van hun drie makkers die zich naar de Heemraadsingel begeven hadden. Onverhoeds gingen de 'SD'ers' tot de arrestatie over. Een vechtpartij ontstond; één van de leden van de groep ontkwam.

XCMèt de vijf gevangengenomen leden van zijn groep werd Willem Theodoor Pahud de Mortanges in mei 1943 gefusilleerd; hij was toen een-entwintig jaar.

XCWij komen nu tot een groep die sterke bindingen had met de illegale CPN maar toch niet, gelijk het 'Militair Contact' of de Nederlandse Volksmilitie, als onderdeel van de CPN beschouwd mag worden: de groep CS-6.

XCDe oorsprong van deze groep moeten wij bij een aantal jeugdige Amsterdamse studenten zoeken: Hans Katan, Leo Frijda (een zoon van de Amsterdamse hoogleraar H. Frijda die als enige op principiële gronden geweigerd had, lid van de Joodse Raad te worden) en de gebroeders Gideon Willem en Jan Karel Boissevain. De Boissevains woonden bij hun ouders op het adres Corellistraat 6 - vandaar 'CS-6'. Er kwam op dat adres in de loop van

'42

165 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

een hele werkplaats tot stand om sabotagemiddelen te vervaardigen. Dat was verre van gemakkelijk. Tot de vier genoemden alsook tot anderen, die allen sterke communistische sympathieën hadden, zal wel doorgedrongen zijn dat de CPN een sabotage-organisatie bezat die tot effectieve aanslagen in staat was; men denke slechts aan de explosie in het Amsterdamse tehuis der NSB-studenten in januari '42. Hoe dat zij, Hans Katan kwam in contact met de leider van het MC, Jan Hendrik van Gilse. Een specifiek communistische groep werd CS-6 overigens niet; in de tweede helft van '42 sloot er zich een Amsterdammer bij aan, Pam Pooters, die vóór- de oorlog met de CPN gebroken had en die op zijn beurt nauw samenwerkte met Jacques Gans die door de communisten als een van hun uitgesproken tegenstanders beschouwd werd. Pooters had tijdens de mobilisatie in het Centraal Militair Magazijn te Amsterdam gewerkt, nadien werd hij chef van de expeditie bij de Amsterdamse centrale keukens. Uit zijn diensttijd kende hij een katholieke jongeman, Jan Verleun, die graag aan acties wilde deelnemen; ook deze werd lid van CS-6. Wij moeten ons de groep overigens niet als al te hecht georganiseerd voorstellen; wel speelde bij de jongeren die er deel van gingen uitmaken, een ontzaglijke dadendrang een rol. Er werd, vonden zij, in Nederland niet genoeg daadwerkelijk verzet geboden; op de communisten onder hen ging van de prestaties van het Rode Leger en van de Russische guerrillatroepen die de Wehrmacht achter het Oostelijk front bestreden, een machtige inspirerende werking uit. Vanbelang was daarbij ook dat de groep, vermoedelijk in de tweede helft van' 42; met een communist in contact kwam die buiten het MC stond, maar in wie dezelfde dadendrang leefde: dr. Gerrit Kastein.

XCKastein was in 1909 geboren. Hij was in Groningen medicijnen gaan studeren en werd daar voor zijn eigen gevoel als zoon van een hoofdambtenaar van de posterijen door de studenten met rijke ouders niet geaccepteerd. Het schijnt dat rancune over deze achterstelling hem de radicale richting opdreef In ' 3 2 ging hij een tijd in Duitsland, in Heidelberg, colleges volgen. Hij trouwde er met een Duitse vrouwen nam in links-socialistische kringen deel aan de strijd tegen de NSDAP. In '33 keerde hij naar Nederhuid terug waar hij in Leiden zijn studie afmaakte, zich specialiseerde als neuroloog en kort voor de bezetting promoveerde. Al die tijd was hij politiek actief gebleven. Hij was eerst lid geworden van de Onafhankelijke Socialistische Partij maar enkele jaren later sloot hij zich bij de CPN aan. Hij werd betrokken bij het uit Duitsland smokkelen van vervolgde communisten. Als chef van een Nederlandse ambulance nam hij voorts aan de burgeroorlog in Spanje deel. Bij het begin van de bezetting was hij als neuroloog verbonden aan de kliniek van het grote Haagse ziekenfonds 'De Volharding'. Het

166 [PDF]
DE GROEP cs-6

medische werk alléén beviel hem niet; het contact met de jeugdige Amsterdammers van de groep CS-6 was hem zeer welkom: jongens die wat durfden!

XCWij hebben van de activiteit van de groep CS-6 in de vroege fase van haar bestaan geen duidelijk beeld. De groep verzamelde militaire inlichtingen en het is denkbaar dat deze later via Kastein doorgegeven werden aan Kees Dutilh die zich ook al sterk tot het communisme aangetrokken voelde en met wie Kastein, gelijk reeds vermeld, samenwerkte. Er is in die vroege fase door CS-6 ook sabotage gepleegd, 0.111. aan opslagplaatsen van radiotoestellen uit Joods bezit, en in '42 zijn, met name toen de Jodendeportaties uit Amsterdam begonnen, pogingen ondernomen, treinen tot ontsporing te brengen. Bij de eerder genoemde actie tegen de lijnen Amsterdam-Amersfoort en Amsterdam-Utrecht in de nacht van 14 op IS maart '43 was CS-6 betrokken en dezelfde groep trachtte enige tijd later brand te stichten in de Hollandse Schouwburg. Voordien evenwel was zij ook nog een geheel andere doelstelling gaan nastreven: het liquideren van vooraanstaande NSB'ers en andere prominente helpers van de vijand. Kastein was daar een groot voorstander van. Wij komen er in de tweede helft van dit deel op "terug.

CPN

XC

XCToen wij in ons vorige deel de CPN behandelden, hebben wij onderstreept dat deze als illegale organisatie met inachtneming van strikte veiligheidsmaatregelen opgebouwd was en dat zij mede daardoor een aanzienlijke activiteit ontplooien kon. Speciaal gold dat ook voor de sabotage-organisatie, het 'Militair Contact'. Dit 'MC' was krachtens besluit van het driemanschap dat de illegale CPN leidde (Paul de Groot, Lou Jansen, Jan Dieters), in de herfst van '41 opgericht. Het werd geleid door Jan Hendrik van Gilse, die als naaste medewerkers Gerben Wagenaar, Max Meyer en Jan Schouten (een assistent van de Landbouwhogeschool te Wageningen) aangetrokken had. Eind' 41 en begin' 42 slaagde de Sicherheitspolizei er in, enkele tientallen leden van het MC te arresteren. In het algemeen vond trouwens een felle jacht op communisten plaats; onze schatting was dat van de ca. tweeduizend communisren waarmee de illegale CPN in de zomer en herfst van '40 van wal gestoken was, in de zomer van '42 al meer dan duizend gearresteerd waren.

XCNaast het MC kwam in de loop van '42 nog een tweede op daadwerkelijk verzet gerichte communistische organisatie tot stand met als voornaamste centrum niet Amsterdam, maar Rotterdam. Dat was de Nederlandse Volks

167 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

militie van welke wij reeds meedeelden dat zij door Samuel Zacharias Dormits geleid werd en dat zij in Rotterdam in de vroege ochtend van 7 augustus' 42 een aanslag trachtte te plegen op een trein met Duitse militaire verlofgangers; Dormits werd enkele dagen na de sabotagepoging bij een razzia gearresteerd maar weer vrijgelaten doordat de Sicherheitspolizei zijn ware identiteit niet had kunnen vaststellen. Hij bezat namelijk een 'vermaakt' persoonsbewijs; zijn eigen foto stak er in maar het stond op naam van een Amsterdammer.

XCWij noemden de Nederlandse Volksmilitie een communistische organisatie. Inderdaad, Dormits was communist en de kaderleden van de NVM waren dat eveneens, maar er waren in de NVM ook niet-leden van de CPN opgenomen. Was dat in overeenstemming met de directieven van de partijleiding? Wij zijn er niet zeker van. Onze indruk is veeleer dat Dormits, hoewel hij met de partijleiding in contact stond, in hoge mate zijn eigen gang gegaan is. Een feit is in elk geval dat hij de veiligheidsmaatregelen die over het algemeen in het communistisch milieu golden, sterk veronachtzaamde. Vier soorten groepen was hij gaan vormen: S-groepen voor sabotage, K -groepen ('knokploegen') om te 'knokken', O-groepen voor de opsporing van militaire gegevens en V-groepen voor de verspreiding van communistische lectuur en voor het aanwerven van nieuwe leden. Telkens vier tot zes personen vormden een 'patrouille', twee 'patrouilles' een' groep', vier 'groepen' een 'afdeling'. Elke 'afdeling' telde dus acht 'patrouilles' met tezamen twee-en-dertig tot acht-en-veertig leden. Hoeveel 'afdelingen' er waren, weten wij niet. De meeste 'groepen' bestonden, schijnt het, uit Rotterdammers maar er was er ook één in Den Haag en er waren er minstens drie in Amsterdam waarvan één uit Joodse arbeidskrachten bestond bij de Hollaudia Confectiefabrieken Kattenburg n.v. in Amsterdam-noord. Dormits had. deze organisatie gedecentraliseerd kunnen opbouwen - hij deed het tegendeel: alle draden kwamen van de basis tot de top bij hem, de 'commandant', samen. Persoonlijk wenste hij over de aanneming van eik lid te beslissen. Voor aspirantleden moesten dus formulieren ingevuld worden. Daar stonden vragen op als: 'Is hij in militaire dienst geweest?' 'Komt hij voor straatgevechten in aanmerking?' 'Komt hij voor sabotage of voor knokploeg in aanmerking?' De namen en adressen van die aspirantleden waren veelal volledig ingevuld. Werden zij door Dorrnits aangenomen, dan kregen zij een cijfer. Patrouille-, groepsen afdelingsleiders kregen een letter en Dormits wenste dat met betrekking tot elke actie op een gedrukt formulier een rapport ingeleverd werd waarop de desbetreffende letters en cijfers vermeld waren. De daarmee corresponderende namen en adressen tekende hij op lijsten aan. Al dat materiaal bewaarde hij op het adres waar hij

168 [PDF]
DE NEDERLANDSE VOLKSMILITIE

in Rotterdam ondergedoken was: een zolderwoning in de Bijlwerffstraat no. 37 b. Hij leefde daar samen met een vriendin, een Joodse kapster, Sara van Gigch. Op die zolder bewaarde hij ook grote hoeveelheden C0111111Unistisch agitatiemateriaal alsmede ingrediënten om explosieven te vervaardigen. Officieel stond hij nog steedsingeschreven op het adres in de Begoniastraat in Den Haag waar hij gewoond had voor hij in Rotterdam ondergedoken was.

XCVóór de spoorwegaanslag van 7 augustus had de NVM-groep in Rotterdam tweemaal brand gesticht in het Luxor-theater dat Duits eigendom geworden was; na de aanslag trachtte zij elders sabotage aan spoorlijnen te plegen, vooral in Gelderland en Overijssel waar de groep contacten had. Men had daar weinig succes mee - de Railwacht van de Nederlandse Spoorwegen maakte het bedrijven van dit soort sabotage niet gemakkelijker! Dorrnits' aandacht richtte zich op een ander object en in de avond van I3 oktober gelukte het hem persoonlijk om, door enkele leden van de Haagse groep bijgestaan, in Den Haag een grote opslagplaats van de Wehrmacht voor hooi en stro in vla111111en te laten opgaan: meer dan 500 ton hooi en 30 ton stro gingen verloren. Er was een wacht bij de opslagplaats aanwezig en.toen de vlammen oplaaiden, werd de waakhond losgelaten. Dorrnits werd in zijn been gebeten. Hij stak de hond dood, klom over het hek, maar kon niet meer fietsen. Vermoedelijk nam een van zijn makkers hem achterop mee - in elk gevalliet Dorrnits zijn eigen flets liggen.

XCOnder leiding van de commissaris van politie M. D. Pool begon de Haagse recherche onmiddellijk aan een grondig onderzoek. De flets bleek een merkfiets te zijn met een leesbaar framenu111111er. De recherche ontdekte, bij wie de fiets gekocht was. De betrokken rijwielhandelaar had de naam van Dorrnits als koper genoteerd. Een inval in de Begoniastraat volgde - er was in Dormits woning niemand thuis. Maar de recherche wist nu, wie zij moest zoeken. Het door Dormits ingevulde ontvangstbewijs-persoonsbewijs, bij de rijksinspectie van de bevolkingsregisters bewaard, bevatte zijn foto; die foto werd bij duizenden vermenigvuldigd en in het gehele land in politiebureaus en postkantoren opgehangen.

XCOp I7 oktober, vier dagen na de aanslag in Den Haag, trachtte Dorrnits die zich weer in Rotterdam bevond, in een winkel aan een vrouw haar tasje te ontrukken. Vermoedelijk deed hij dat om aan een pb voor zijn vriendin Sara van Gigch te komen, die nog steeds geen pb zonder J bezat. Er ontstond tumult; buiten dewinkel werdDorrnits door eenhulpagent gegrepen. Hij werd naar het politiebureau in de Oostervantstraat gebracht. Hij had een pistool op zak, maar dat haalde hij eerst te voorschijn toen hem op het politiebureau bleek dat hij in arrest zou blijven. Hij schoot zich een kogel door het hoofd

169 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

en bleek aloverleden toen men hem naar het ziekenhuis op de Coolsingel overgebracht had. De Rotterdamse recherche ging na wat er aan papieren op het lijk aanwezig was. Men vond het persoonsbewijs op naam van de Amsterdammer, een kassabon van een winkelier aan de Walenburgerweg, en een textielkaart met de naam 'Dormits', Dormits! Die man werd gezocht in verband met de brand in de opslagplaats van de Wehrmatht in Den Haag! De Rotterdamse recherche spoedde zich naar de winkelier. Zij toonde hem de foto van Dormits. De winkelier herinnerde zich dat hij kort tevoren in opdracht van iemand die wel op de afgebeelde persoon leek, goederen afgegeven had aan de Bijlwerffstraat 37 b. Dat bericht werd doorgegeven aan het hoofdbureau waar inmiddels uit Den Haag commissaris Pool, hoofdinspecteur Assink en twee rechercheurs gearriveerd waren. Dezen begaven zich met de Rotterdamse inspecteur K. F. van der wilt en een Rotterdamse rechercheur naar de Bijlwerffstraat. Met Dormits' huissleutel die in zijn broekzak aangetroffen was, kwamen zij zijn zolderwoning binnen. Zij vonden er, aldus het proces-verbaal van inspecteur van der Wilt, 'een groot aantal pamfletten, lectuur, getypte en gestencilde brochures, en lectuur kennelijk behorende tot een communistische organisatie, flessenchemicaliën en een vermoedelijke bom, electrische batterijen, enz. enz.' Alles werd in beslag genomen en naar het hoofdbureau overgebracht. 'Vervolgens is door mij', aldus de inspecteur, 'onmiddellijk de Sicherheitspolizei met een en ander in kennis gesteld.'! Zulks geschiedde in opdracht van de Rotterdamse hoofdinspecteur A. H. Weekenstroo.

XCNog voor de zaak aan de Sicherheitspolizei gemeld was, was van der Wilt in de Bijlwerffstraat te weten gekomen dat de vriendin van Dormits kapster was in een Joodse kapsalon. Hij ging er heen, constateerde dat zij Sara van Gigch heette en dat zij volgens haar pb in de Zaagmolenstraat woonde. 'Ik vroeg haar', aldus van der Wilt na de oorlog, 'of zij niet aan de Bijlwerffstraat woonde en stelde haar opzettelijk deze vraag opdat zij zou begrijpen dat ik meer wist ... Ik arresteerde haar opzettelijk niet.'2

XCSara van Gigch ontkwam.

XCZij was een van de zeer weinigen.

XCWant de met zo grote spoed gealarmeerde Sicherheitspolizei ging nog diezelfde dag op nader onderzoek uit. Zij vond in de woning van Dormits de inschrijfformulieren van de aspirantleden. de registratieformulieren van diegenen die als lid aangenomen waren, talloze rapporten op de gedrukte(Doc 1-1897, a-I). 2 K. F. van der Wilt: 'Verklaring' (10 nov. 1948) in C. Leemhuis en]. N. Viëtor: 'Verweerschrift' (1949), p. 124 (Doc 1-1022,

1 Politie Rotterdam, centraal bureau,just. dienst, groep 3: p.v. 4187 (18 okt. 1942)

170 [PDF]
DE NEDERLANDSE VOLKSMILITIE

formulieren die, 'voorzover het de omschrijving der gerapporteerde daden van sabotage betrof, van een verbluffende openhartigheid (waren), Op de rapporten stond', aldus de Kriminalseleretdr die bij het onderzoek betrokken was, 'de naam van de rapporteur en van zijn chef in codeletters en codecijfers.'! Wie met die letters en cijfers aangeduid werden, stond op staten te lezen die in de lade van een bureau aangetroffen werden.

XCOnmiddellijk werd een Sonderkommando van de Sicherheitspolizei gevormd onder leiding van een functionaris van Harsters bureau in Den Haag, SS-Obersturmführer en Kriminalseleretár Herbert Johannes Wölk. Nog voor diezelfde nacht werd een omvangrijke arrestarie-actie op touw gezet. De Rotterdarnse politie ontving opdracht, een ieder die in spertijd op straat zou lopen, in te rekenen en vast te houden. Die politie moest ook een groot aantal krachten afstaan voor het vormen van arrestatieploegen ; met de Ordnungspolizei geschiedde hetzelfde. Er werd bepaald dat alle arrestanten (hun namen en adressen werden snel uitgesplitst) naar een schoolgebouw aan de Mathenesserdijk overgebracht zouden worden dat als kazerne fungeerde voor de Ordnungspolizei. Meer dan tweehonderd mannen en vrouwen bracht men daar binnen. 'Er werd', aldus een hunner, 'steeds gestompt en geslagen en geschopt. Geslagen werd er met geweerkolven, stoelpoten en alles waarmee maar geslagen kon worden.P 'De hele kazerne', aldus een ander, 'leek meer op een gekkenhuis dan op een arrestantenlokaal.'3 De Joden onder de arrestanten werden extra mishandeld. Men dwong hen, de laarzen van de Duitsers en gedeelten van de vloeren schoon te likken. Toen de arrestanten de volgende ochtend naar de Cellenbarakken in Scheveningen overgebracht werden, bleek, aldus een derde arrestant, 'het lokaalwaar wij gestaanhadden, nogal vuil geworden. In ons gezelschapwas ook een Joodse vrouwen toen nam een Mof de Jodin vast bij haar enkels en veegde met haar de grond aan, zodat telkens haar hoofd tegen de lambrizering stootte en haar hoofd overdekt was met bloed. Ondertussen stond een aantal Moffenhet schouwspelalsietszeervermakelijksaan te zien."

XCGillend en jammerend werd de vrouw naar Scheveningen meegevoerd.

XC1 Brief, 7 nov. r942, van Rauter aan E. Voorhoeve (Doc I-r8r9, b-r). 2 Dingsdag belandde uiteindelijk in Buchenwald; hij overleefde de oorlog.

172 [PDF]
DE NEDERLANDSE VOLKSMILITIE

zulks mede daarom omdat een van Dormits' afdelingscommandallten, Hendrik Speksnijder, er in geslaagd was, een rest van de NVM in stand te houden die, zij het op kleinere schaal, het bedrijven van sabotage voortzette. Dat duurde niet lang. Begin januari '43 werd een van Speksnijders medewerkers door de op de Jodenvervolging gespecialiseerde 'groep X' van de Rotterdamse politie aangehouden omdat hij, hoewel hij er Joods uitzag, geen Jodenster droeg. Hij had zijn oorspronkelijk pb bij zich - een pb met een J. Zijn naam stond als lid van de NVM genoteerd. De Rotterdamse politie droeg hem aan de Sicherheitspolizei over. Hij bekende, waar en hoe laat hij twee dagen later Speksnijder zou ontmoeten. Deze werd na een enorme vechtpartij overmeesterd. Zijn kaak was kapotgetrapt. Desondanks trachtte hij op het hoofdbureau van politie, hoewel geboeid, door het gesloten venster te springen; hij bleef er in steken. Eén dag later werd zijn neef, Kaspar Speksnijder, in Den Haag gearresteerd. Ook deze werd door de Sicherheitspolizei barbaars mishandeld. 'Het vlees op zijn zitvlak was', aldus een Nederlandse agent van politie die Kaspar Speksnijder op het hoofdbureau opving, 'totaal kapotgeslagen en hing erin vellen bij. Hij was niet in staat om te lopen, te zitten of te liggen, doch hing toen ik hem zag, tegen een tafel aan."

XCAfgezien nog van de slachtoffersbij de Hollandia-fabrieken zijn in het kader van de actie tegen de N ederlandse Volksmilitie ca. zeshonderd Nederlanders gearresteerd. Van hen werd een aantal na enige tijd vrijgelaten. Van de gevangen genomen Joden kwamen de meesten in Auschwitz om. De overige niet-vrijgelatenen werden grotendeels naar concentratiekampen gezonden; veertien werden tot lange gevangenisstraffen veroordeeld, een-en-twintig, onder wie de neven Speksnijder, in de loop van '43 gefusilleerd. Wölk maakte promotie: hij werd Leiter van de Aussenstelle der Sicherheitspolizei und des SD te Rotterdam; aan enkele van de Haagse en Rotterdarnse politiefunctionarissen die betrokken geweest waren bij het onmiddellijk aanbrengen van deze zaak bij de Sicherheitspolizei en die de Sicherheitspolizei nadien bij haar onderzoekingen en arrestaties ijverig terzijde gestaan hadden, werden hoge beloningen uitgekeerd. Opgemerkt zij nog dat zich onder hen zeer weinig NSB'ers bevonden.J.

1 Boom, Subcommissie Rotterdam: p.v. inz. W. Hoffmann (16 juli 1947), p. 6 (getuige F. A. Colette) (Doc 1-1897,a-y).

173 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

XCDe geschiedenis van de Nederlandse politie tijdens de Duitse bezetting vertoont talrijke donkere bladzijden; de bladzijde waar 'Nederlandse V olksmilitie' boven staat, is een van de donkerste.

XCVan september' 42 af werden in De Waarheid regelmatig 'berichten van het ondergrondse Tweede Front (sector Nederland)' geplaatst. Grotendeels lagen hier inlichtingen van het Me en van de Nederlandse Volksmilitie aan ten grondslag. Dormits' actie in Den Haag werd in een nummer dat eind november '42 uitkwam, aldus gememoreerd: 'In het westen van het land gingen grote opslagplaatsen van de weermacht in vlammen op. De schade is aanzienlijk.'! De berichten in De Waarheid hadden evenwel niet uitsluitend betrekking op door communisten ondernomen acties. In januari ,43 werd het resultaat van het optreden van de groep-Pahud de Mortanges in de volgende bewoordingen vermeld: 'Op een werf vond in een op stapel staande mijnenveger een explosie plaats.P Wil men van de specifiek communistische acties een beeld krijgen, dan kan men dus niet op De Waarheid afgaan. Wat die acties betreft, is ons slechts met zekerheid bekend dat drie communistische arbeiders te Velsen in de periode oktober '42-april '43 spoorwegwagons en bergplaatsen van de Wehrmacht op de stations Velsen en Beverwijk in brand staken; dat vier communisten in Amsterdam tussen augustus en november '42 o.m. een brandje wisten te stichten in het gebouw van de Arbeiderspers ; dat een aantal communisten in de Zaanstreek spoorwegsabotage pleegde in november' 42 en april' 43 en, tenslotte, dat de grote actie tegen de spoorlijnen Amsterdam-Amersfoort en Amsterdam-Utrecht in de nacht van 15 op 16 maart '43, waarbij ook de groep eS-6 betrokken was, van het MC uitging en door het Me gecoördineerd werd. Deze gegevens zijn bepaald niet volledig: er is meer gebeurd. Desniettemin is het onze indruk dat het grote aantal arrestaties in communistische kring dat al vóór de zomer van '42 verricht is, niet zonder effect gebleven is op de activiteit die het Me nadien kon ontplooien. Het nijpendst was, gelijk reeds vermeld, het tekort aan sabotagemiddelen. De leiding van het MC liet in de zomer van '42 'door iemand in wie wij', aldus later Gerben Wagenaar, 'wel vertrouwen hadden en die contact had met de OD'3 (wij houden het

XC1 De Waarheid, 58 (eind nov. 1942), p. 8. 2 A.v., 64 (30jan. 1943), p. 7. 3 Getuige G. Wagenaar, Enq., dl. VII c, p. 480.

174 [PDF]
DE ILLEGALE CPN

voor mogelijk dat dit van Randwijk geweest is) een beroep doen op de OD : kon deze het Me wellicht aan sabotagemiddelen helpen of bevorderen dat die van Engeland uit gedropt werden? Er werd niets ontvangen.

XCNu hebben wij tot dusver louter over de sabotage-acties der communisten geschreven. Daarmee was de activiteit van de illegale CPN bij lange na niet uitgeput. De publikatie van De Waarheid werd voortgezet en daarnaast werden talrijke gestencilde pamfletten verspreid, met name op de herdenkingsdag van de Russische revolutie, 7 november '42. Ook werd in eigen kring nog steeds veel geld ingezameld waarmee men arbeiders steunde die werk in Duitsland geweigerd hadden, en vooralook de leden van het illegale kader die ondergedoken waren. Talrijk waren de communisten die voorts hulp gaven bij het onderduiken van Joden. De SD-Aussenstelle te Amsterdam noemde, op het gehele jaar' 42 terugziende, de illegale CPN 'die stärkste Kampfgruppe unter den gegnerischen Organisationen in den Niederlanden über haupt' en 'ein besenders homogener und daher gefähr/icher Cegnerapparat.? Nu moet daarbij bedacht worden dat Amsterdam steeds het sterkste bolwerk van de CPN geweest was. Maar ook in de Zaanstreek en in Rotterdam en Den Haag werd door cornmunisten veel activiteit ontplooid. Ondanks de vervolging! Want daar, maar ook elders, werd de CPN door talrijke arrestaties getroffen.

XCAfgezien van de al gememoreerde actie tegen de N ederlandse Volksmilitie werden in de tweede helft van '42 vele honderden communisten in alle delen des lands gearresteerd, hoofdzakelijk groepen die regelmatig De Waarheid verspreidden. In de eerste maanden van' 43 werd vrijwel de gehele illegale CPN in Den Haag opgerold, waarbij Tjerk Kloostra, de leider van het plaatselijke technische apparaat (de functionaris dus die het stencilwerk coördineerde) een S'S-Hauptschariuhrer doodschoot; Kloostra werd zelf bij zijn arrestatie eveneens dodelijk getroffen. Bij die actie tegen de Haagse groep viel ook de leider van de plaatselijke sabotagegroep, Pieter Wapperom, in handen van de Sicherheitspolizei. Dan werd in april '43 in Haarlem een drukker gearresteerd die, gecamoufleerd als lid van de NSB, ruim twee jaar lang illegaal drukwerk voor de CPN vervaardigd had, en naast dit alles waren dan bovendien nog in september' 42 ca. honderdtwintig vooroorlogse functionarissen van de CPN opgepakt en als gijzelaars in het concentratiekamp Amersfoort opgesloten; uit deze groep werden, gelijk eerder vermeld, op 15 oktober' 42 inderdaad een aantal personen gefusilleerd.

XCEr ging van al deze acties van de Sicherheitspolizei annex de Nederlandse politie (men denke aan de NVM-zaak) een enorme druk uit, en vooral door

XC1 SD-A~lssenstelle-Amsterdam: "[ahresbericht 1942', p. 2.

175 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

dat zich vaak koeriers onder de arrestanten bevonden, werd het in de loop van '42 voor het driemanschap de Groot-jansen-Dieters steeds moeilijker, effectieve leiding te geven. Vielen er koeriers uit, .dan duurde het soms maanden voordat nieuwe verbindingen gelegd waren met afgesneden groepen: Met Groningen, Friesland en Drente waren er sinds eind '41 in het geheel geen verbindingen meer, met Zuid-Limburg verdwenen zij in de zomer van '42. Het schijnt dat het driemanschap in de lente van '43 nog slechts regelmatig in contact stond met de districten Amsterdam, Haarlem, de Zaanstreek, Twente en Tilburg. Niettemin: het illegale werk werd onverschrokken voortgezet; elke illegale communist voelde zich daarbij gesterkt door de prestaties van het Rode Leger.

XCZoals wij in deel 4 uiteengezet hebben, vormden de illegale CPN' ers een elite uit de vooroorlogse partij. Mede door de golven van arrestaties was het vaak nodig dat een beroep gedaan werd op de medewerking van vooroorlogsecommunisten die men in eerste instantie voor deelneming aan het illegale werk niet uitgenodigd had. Aan dat beroep werd niet steeds gehoor gegeven. Eind' 42 werd in De Waarheid geschreven over 'talrijke gevallen van lafheid en onverschilligheid die wij geregeld' ontmoeten." Het was voorgekomen dat partijleden opdrachten om opengevallen plaatsen in te nemen, geweigerd hadden. Dat werd met bitterheid vermeld en met diezelfde bitterheid was er iets eerder op gewezen dat de oproepen van De Waarheid om de arbeidsinzet in Duitsland door massaleacties onmogelijk te maken, geen effect hadden gehad: 'De Nederlandse arbeidersklasse heeft zonder noemenswaardig verzet de deportatie van haar beste zonen aanvaard. De massastaking. door onze krant gepropageerd als enig middel om deze deportatie tegen te gaan, is uitgebleven.f

XCDe Jodendeportaties werden in dit verband niet genoemd, maar het spreekt vanzelf dat het Paul de Groot, hoofdredacteur van De Waarheid, niet ontgaan was dat ook zij niet tot massaleprotesten en stakingen geleidhadden.

XCZelf was de Groot als Jood bijna in Duitse handen gevallen.

XCMedio oktober' 42 was het adres in Zutfen waar hij met zijn v:rouw en hun een-en-twintigjarige dochter Rosa ondergedoken was, 's nachts over

XC1 De Waarheid, 60 (12 dec. 1942), p. 8 2 A.v., 58 a (25 nov. 1942), p.

176 [PDF]
PAUL DE GROOT ONTSNAPT

vallen. Vermoedelijk was dat adres verraden als een waar zich willekeurige Joodse onderduikers schuilhielden. Rosa redde het leven van haar vader: ze vloog een van de twee Nederlandse politiemannen aan die het onderzoek kwamen instellen. In de verwarring wist Paul de Groot te ontkomen. Hij zwierf in pyama door de velden tot hij de woning van een man van de spoorwegen, een communist, bereikte; vandaar ging hij naar een andere communist die in Dieren woonde. Deze achtte het terecht veiliger indien de Groot bij een niet-communist zijn intrek kon nemeri. Hij zei tegen een buurman, een sociaal-democraat, dat hij met een onderduiker zat. 'Laat maar komen', antwoordde de man, 'ik kan maar één dood sterven.'! De Groot bleef daar maandenlang, tot hij weer in Zutfen onderdook op een ander adres dan waar hij zich met zijn vrouwen dochter verborgen had.

XCZij beiden waren op 30 oktober' 42 naar Auschwitz gedeporteerd.

XCBegin aprilwerden twee leden van het driemanschap der CPN, Lou Jansen en Jan Dieters, gearresteerd, Dieters als eerste, Jansen drie dagenlater.

'43

XCOpfebruari was in Amsterdam in het kader van een actie tegen De Waarheid Jan Jansen gearresteerd die na de Februaristaking de leiding van het district-Amsterdam der CPN van Jaap Brandenburg overgenomen had. Nadien wist het driemanschap zich extra bedreigd: veel van hun activiteit was aan Jansen bekend, Zij besloten, nieuwe onderduikadressen op te zoeken en tussen zichzelf en de illegale partij een nieuwe tussenschakel aan te brengen. Jaap Brandenburg en de AmsterdamSe communist Gerrit van den Bosch zouden met de directe partijleiding belast worden; zij zouden met het driemanschap uitsluitend in contact blijven: door middel van één vertrouwde koerier, P.O. C. Vosveld, een ruim dertigjarige communist die in Beverwijk woonde en die voor de oorlog een aantal jaren lang een van de zenders van Goulooze (de verbindingsman met de Komintern) in huis gehad had. Vosveld zou uitsluitend met Dieters die in Apeldoorn ondergedoken was, besprekingen ·voeren; Dieters zou dan zijnerzijds de Groot en Jansen inlichten. Afgesproken werd dat Vosveld op telkens apart vast te stellen data Dieters in ofbij Apeldoorn zou ontmoeten. Eind maart'werd de afspraak gemaakt dat Vosveld Dieters op vrijdagapril om twee uur 's middagsRapport van w. van Eerten (Zutfen), aangehaald invan der Voort:

3 43 2 1 D. (1967), p. 44.

177 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

zou komen spreken in café 'Ruimzicht' te Apeldoorn.! Vosveld zou bij die gelegenheid een nieuw persoonsbewijs voor Paul de Groot meebrengen. Maar hij had die dag nog meer te doen. 's Morgens om negen uur zou hij eerst in de Théophile de Bockstraat in Amsterdam een bespreking hebben met de nieuwe Amsterdamse districtsleider Jan Postma. Om die afspraken niet te vergeten had Vosveld ze samen met andere afspraken met kryptische aanduidingen genoteerd op een papiertje dat hij in de rand van zijn hoed verborgen had; de datum stond er niet bij.

XCAls gevolg van het 'doorslaan' van een in Kennemerland gearresteerde communist werd Vosveld op donderdag I april om zes uur 's morgens gearresteerd. Hij moest zich aankleden en werd meegenomen naar de Aussenstelle van de Sicherheitspolizei in Amsterdam. Hij had zijn hoed opgezet. In die hoed werd het briefje gevonden. Wat betekenden die aanduidingen? Vosveld zweeg. Hem werd gezegd dat hij doodgeschoten zou worden als hij geen antwoord gaf. De hele donderdag zweeg hij en ook een groot deel van de vrijdag. Zijn weerstandsvermogen brak eerst toen hem in de kelders van het gebouw van de Aussenstelle in de Euterpestraat het lijk getoond werd van een hem bekende conununist die inlichtingen geweigerd had en die zich, na ernstig mishandeld te zijn, had opgehangen. Vosveld erkende toen dat hij in regelmatig contact stond met Postma en Dieters. Hij verklaarde ook zijn geschreven aantekeningen: hij zei dat hij met Postma op zaterdag' s morgens om negen uur een afspraak had in Amsterdam, met Dieters's middags om twee uur in Apeldoorn. Hij verklaarde zich bereid, beide ontmoetingen te laten doorgaan. Daarbij hoopte hij dat Postma en Dieters beiden uit het feit dat hij op vrijdag niet verschenen was, de conclusie zouden hebben getrokken dat er iets mis was.

XCPostma verscheen zaterdagochtend niet in de Théophile de Bockstraat. Vosveld herademde. Door 'SD'ers' begeleid, reisde hij naar Apeldoorn en, door hen gevolgd, liep hij naar 'Ruimzicht' . Hij ging er zitten. Tot zijn ontzetting zag hij er Dieters binnenkomen. Hij liet na, deze te waarschuwen. Buiten op straat werd Dieters gearresteerd. Dat werd door Paul de Groot gezien die met Dieters de afspraak gemaakt had dat hij hem even later inlijk voorkomt en bovendien in strijd zou zijn geweest met de veiligheidsregels die

1 Vosveld heeft na de oorlog volgehouden dat die afspraak voor donderdag I april gemaakt was. De vriendin met wie Dieters samenleefde, verklaarde evenwel in 1952 dat Dieters haar op woensdag 31 maart meegedeeld had dat hij Vosveld op vrijdag 2 april zou ontmoeten. Dat laatste lijkt ons plausibel. Is Vosvelds voorstelling van zaken juist, dan zou Dieters (I, 2 en 3 april) naar het afgesproken punt gegaan zijn, hetgeen ons voor een ervaren illegaal werker weinig waarschijn

178 [PDF]
DIETERS EN JANSEN GEARRESTEERD

'Ruimzicht' ontmoeten zou. Het is denkbaar dat bij dat laatste de Groots wens om zo spoedig mogelijk over het nieuwe pb te beschikken, een rol gespeeld heeft. Hoe dat zij, de Groot wist dat zijn eigen onderduikadres alsmede de onderduikadressen van Lou Jansen en van Jansens vrouwaan Dieters bekend waren. Hij vertrok onmiddellijk uit Apeldoorn naar een nieuwonderduikadres in Zwolle en gunde zich in zijn nervositeit de tijd niet om Jansen te waarschuwen.

XCDrie dagen later, op 6 april, werd Jansen te Eerbeek op het aan Dieters bekende onderduikadres van zijn vrouw gearresteerd. Dieters had het opgebracht, dat adres drie dagenlang te verzwijgen. Toen hij het prijsgaf, mocht hij aannemen dat de 'SD' Jansen er niet meer zou vinden. Dieters had gezien dat zijn arrestatie door Paul de Groot gadegeslagen was en hij veronderstelde dat de Groot in die drie dagen wel tijd gevonden zou hebben, Jansen te waarschuwen. Diep verbitterd raakten zij beiden jegens de Groot toen hun bleek dat dat laatste niet het geval was geweest, en die verbittering droeg er toe bij dat zij uitvoerige politieke verklaringen aflegden jegens de Sicherkeitspolizei.

XCZij werden ter dood veroordeeld en op 9 oktober' 43 gefusilleerd.

XCWij keren naar Vosveld terug.

XCHij had, zij het onder dwang, de Sicherheitspolizei een grote dienst bewezen. Tevreden was deze niet. Nog in Apeldoorn werd van Vosveld geëist dat hij voor maandagochtend 5 april een nieuwe afspraak met Postma zou maken. Hij beloofde dat en werd op zaterdagavond vrijgelaten. 'De SD' ers', zo verklaarde hij na de oorlog, 'zijn daarop zonder mij vertrokken uit Apeldoorn.'! Overwoog hij te vluchten? Stellig. Maar wat zou de Sicherheits polizei dan met zijn vrouwen drie kinderen doen?

XCOp maandagochtend bleef Postma met wie de nieuwe afspraak gemaakt was, weer weg. Op dinsdag 6 of woensdag 7 april dook Vosveld onder, 'omdat ik', aldus zijn naoorlogse verklaring, 'de mensen wilde bewijzen dat ik geen verrader was." Hij nam met zijn gezin zijn intrek in een huisje te Nunspeet. Onmiddellijk werden zijn ouders en werd een groot aantal familieleden gearresteerd. De Sicherheitspolizei wist dat haar met Vosveld de koerier van de landelijke leiding der CPN ontsnapt was: zij moest en zou die man opnieuw in handen krijgen! Vermoedelijk werd het adres in Nun

XC1 Rechtbank Amsterdam, bijz. strafkamer: p.v. zitting inz. P.O.C. Vosveld (II okt. 1952), p. 17 (Doe 1-18z7, a-j). 2 A.v.

179 [PDF]
DE ILLEGALl TElT

speet door een aangetrouwd familielid prijsgegeven. Vosveld werd daar omstreeks de rode april opnieuw gearresteerd en toen hij in de Euterpestraat grondig verhoord, maar nu ook gruwelijk mishandeld was, kon hij na één of twee dagen zelf aanschouwen dat de Sicherheitspolizei zijn gezin en talrijke familieleden in gijzeling genomen had. Hem werd gezegd dat zijn vrouw, zijn kinderen en zijn ouders op I mei naar het concentratiekamp Buchenwald gedeporteerd zouden worden als hij zich niet bereid verklaarde, Jaap Brandenburg, Gerrit van den Bosch en nog een derde communist aan de Sicher heitspolizei in handen te spelen. 'Ik ben toen gezwicht.'! Van den Bosch werd op 23 april gearresteerd (en zou ruim een jaar later in Dachau sterven), Brandenburg en de derde communist kon Vosveldniet bereiken. Zijn familieleden werden begin mei vrijgelaten. Ook hijzelfkwam op vrije voeten. Met hulp van de Sicherheitspolizei verhuisde hij naar De Bilt; hij bleef haar van tijd tot tijd diensten bewijzen, hetgeen aan vijf of zes communisten het leven kostte. Tot hij er een clandestiene jeneverstokerij op na ging houden, betaalde de Sicherheitspoiizei hem maandelijks een bescheiden bedrag uit. Met zijn gemoedsrust was het gedaan: hij wist dat men in communistische kring zijn rol kende; geen dag ging voorbij waarop hem niet de vrees bekroop, vroeg oflaat geliquideerd te worden.

XCDe arrestatie, eerst van districtsleider Jansen, daarna van Jan Dieters, vervolgens van Lou Jansen, betekenden een zware slag voor de illegale CPN. Daar kwam nog bij dat Paul de Groot na de uitschakeling van zijn twee collega's niet meer aan het illegale werk deelnam. Brandenburg heeft na de oorlog verklaard dat door de Groot verder contact geweigerd werd: hij had door een toeval de Groots onderduikadres ontdekt, was daar heen gegaan, had er een brief achtergelaten en de Groot had niet geantwoord. Een commissie van onderzoek daarentegen, ingesteld door het naoorlogse partijbestuur van de CPN, kwam tot conclusies die de Groot ontlastten: hij zou wel degelijk getracht hebben, weer in contact te komen met de illegale partijleiding, maar die leiding zou zich op het standpunt gesteld hebben dat de Groot voor de naoorlogse periode gespaard moest blijven, zij zou hem evenwel, in tegenstelling daarmee, in zijn onderduik geen enkele hulp geboden hebben. Wat is de waarheid? Wij durven geen oordeel uit te spreken. Eén feit staat vast: de Groot is in begin april' 43 'passief' onder

XC1 A.v., p. 18.

180 [PDF]
DE CPN 'STUURLOOS GEWORDEN'

duiker geworden en hij heeft van die periode af niet langer deelgenomen aan de illegale communistische activiteit, laat staan dat hij daar, zoals hij van de zomer van '40 af gedaan had, de richtlijnen voor bepaalde.

XCHet gevolg was dat anderen de zwaargehavende illegale CPN moesten gaan leiden. Het schip was stuurloos geworden. Goulooze bracht telegrafisch aan Moskou rapport uit. Hij kreeg, aldus zijn biograafHarmsen, 'het advies, een oude vertrouwde partijgenoot te belasten met het vormen van een nieuwe leiding.'! Goulooze koos er niet Brandenburg voor uit, maar de nieuwe Amsterdamse districtsleider Jan Postma. Natuurlijk had de partij tijd nodig om weer op adem te komen. De kracht die zij in de zomer van '43 zou kunnen ontwikkelen, zou heel wat geringer zijn dan in '41 en '42 het geval was geweest. Die verzwakking deed zich overigens in een situatie voor waarin, door de Russische militaire successen en door het uitblijven van een Tweede Front in West-Europa, in sommige kringen sprake was van een groeiende angst voor de Sowjet-Unie en voor het communisme.

DeOD

XC

XCBeduchtheid voor links-revolutionaire woelingen die met de bevrijding gepaard konden gaan of daar onmiddellijk op konden volgen, leefde sterk bij de man die in de zomer van '42 met grote energie de OD opnieuw begon op te bouwen: de reserve-ritmeester der huzaren, jhr. P. J. Six. Wij noemden hem al toen wij er in ons vorige deel op wezen dat hij in '41 optrad als chef-staf van het gewest-Amsterdam van de OD: de 'tweede' OD, die van Versteegh. De 'eerste' had onder leiding gestaan van Westerveld. Westerveld was in de lente van '41 gearresteerd, Versteegh in de herfst. Nadien had de 'commandant' van de OD, luitenant-generaal b.d. jhr. W. Röell (die zich op de achtergrond hield), jhr. Joan Schimmelpenninck tot landelijk chefstaf benoemd, de derde al. Schimmelpenninck werd twee maanden na Verstcegh gevangen genomen en na een korte periode waarin een van de 'adjudanten' van Schimmelpenninck, de sergeant-adelborst Gerard Dogger, de OD zo goed en zo kwaad als het ging in stand gehouden had, werd opnieuween beroepsmilitair, majoor Tibo, chef-staf - de vierde; Tibo werd op 15 mei '42 in krijgsgevangenschap weggevoerd. Er was van hem weinig uitgegaan. Maar ook anderen die méér gedaan hadden, waren uitgeschakeld; door het optreden van de V-Mmm Ridderhof en door het

XC1 G.J. Harmsen: Daan Goulooze, p. 1}2.

181 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

begin van het Englandspiel had de OD met name in Den Haag en omgeving talrijke actieve helpers verloren. Eind mei '42 was de situatie deze dat van Schimmelpennincks zes 'adjudanten' Dogger naar Engeland was gegaan, twee in vrijheid waren gebleven: Dudok van Heel en Navis, en drie gearresteerd; een van de gearresteerden, Pasdeloup, was weer op vrije voeten gesteld maar had zich onder pressie bereid verklaard, als V'-Mann op te treden - welnu, medio juli '42 werd Dudok van Heel gearresteerd. Navis bleef op vrije voeten.'

XCDat de Nederlandse beroepsofficieren medio mei '42 in krijgsgevangenschap afgevoerd waren, had betekend dat de OD een groot deel van zijn hogere kader in de negentien gewesten waarin het land verdeeld was, kwijt was geraakt. Röell zat zonder verbindingen. Hij zond Dudek van Heel naar Amsterdam. Commandant van het gewest aldaar was de vroegere garnizoenscommandant, luitenant-kolonel b.d. W. A. Boswijk; deze had het organisatorische werk in de hoofdstad goeddeels aan zijn chef-staf Six overgelaten en Six was het die nu de relaties met de overige gewesten zoekend en tastend opnieuw liet opbouwen. Dat doende begon hij min of meer als landelijk chef-staf te opereren. Trouwens, daartoe was hij door Dudok van Heel ook aangespoord, want Dogger had bij zijn vertrek naar Zwitserland (februari '42) aan zijn collega-adjudanten gezegd: 'Als iedereen wegvalt, moet je Six vragen.' Six vond dat overigens niet de beste oplossing: hij was van mening dat de zaak meer gediend zou worden door de benoeming (door 'commandant' Röell) van een officier van de generale staf De OD, schreef hij later, moest geleid worden door 'iemand die door zijn verleden het vertrouwen in den lande zou hebben, zodat de OD bij het in open daglicht verschijnen door zijn commandant ook op grond van diens militaire capaciteiten het vertrouwen van de grote massa gemakkelijker zou kunnen winnen.P Welnu, in juni '42 keerde de luitenant-kolonel van de generale staf V. E. Wilmar uit krijgsgevangenschap terug; hij was hartpatiënt. Hij verklaarde zich bereid, chef-staf van de OD te worden. Six zette zijn eigen werk voort. Hij had nu twee superieuren: Wilmar en Röell. Dat duurde niet lang. Röell werd eind augustus gearresteerd toen de Duitsers er door verhoren van andere arrestanten achtergekomen waren wat zijn rol in de OD geweest was, en korte tijd later deed Wilmar aan Six weten dat hij 'mede op grond van een verslechtering in zijn gezondheidstoestand' de directe leiding van de OD liever uit handen gaf3; hij wilde wèl adviseur blijven en

1 Na zijn veroordeling in het z.g. tweede OD-proces werd Dudok van Heel in de zomer van '43 gefusilleerd. 2 P.]. Six: 'Verslag over de OD' (1946), p. IQ (Doc II-S82, a-r). 3 A.v.

182 [PDF]
SIX

hij heeft in die laatste functie Six inderdaad belangrijke diensten bewezen. Six was met die ontwikkeling niet gelukkig en op zijn verzoek gingen Wilmar en Boswijk op zoek naar een nieuwe commandant c.q, chef-staf; wie zij benaderd hebben, is niet bekend, maar zij vonden in elk geval niemand bereid. Er restte Six niet anders dan zich met de feitelijke leiding van de OD te belasten. De 'chef-staf' werd in werkelijkheid de 'commandant'. Hij zou dat tot het einde van de bezetting blijven.

XCJhL Pieter Jacob Six was in 1895 in Amsterdam geboren. Zijn vader, eigenaar van een befaamde schilderijencollectie, werd er een jaar later hoogleraar in de aesthetica en de kunstgeschiedenis. Het gezin was vermogend. Pieter Jacob, de vierde zoon, doorliep inAnisterdam het gymnasium, Van jongsaf was hij een uitnemend ruiter - hij kon die sport vooral ook beoefenen op het landgoed '[agtlust' onder 's-Graveland in het Gooi dat eigendom van de .familie was. Bij het uitbreken van de eerste wereldoorlog meldde hij zich als vrijwilliger bij de cavalerie. Tot begin' 19 bleefhij in dienst. Inde jaren' 20 en ' 30 was hij enige tijd in de scheepvaart werkzaam, nadien nog in de koffiehandel, maar zijn voornaamste functies vond hij op organisatorisch gebied: hij werd o.rn. secretaris van de Nederlands-Italiaanse, in '27 bovendien van de NederlandsAmerikaanse .Kamer van Koophandel, In die laatste functie kon hij de regering belangrijke diensten bewijzen die in ' J5 met een koninklijke onderscheiding beloond werden. Veel van zijn vrije tijd besteedde hij aan diverse sporten waarbij hij het gevaar niet schuwde. Hij was een van de eerste Nederlanders die zich met een zweefvliegtuig de lucht in waagde, bovendien trad hij een tijdlang als invlieger op van de eerste Nederlandse helikopter. . Wat zijn staatkundige opvattingen betrof, was hij conservatief-liberaal en hij ging in de kringen waarin hij zich bewoog, in hoofdzaak met gefortuneerde mensen om die er dezelfde opvattingen op na hielden als hijzelf. Dat droeg niet tot verruiming van zijn politieke horizon bij. Eind augustus '39 werd hij gemobiliseerd bij het eerste regiment huzaren. Als eskadroncommandant trok hij in de meidagen op de noordelijke Veluwe met zijn manschappen terug; hij kreeg de vijand niet te zien, hij behoefde geen schot te lossen. 'Ik had', vertelde hij ons achttien jaar later, 'geen gelegenheid, mezelf op de proef te stellen.'! Nu, die gelegenheid zou de bezetting hem bieden!

XC1 P. J. Six, 8 mei

183 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

Na zijn demobilisatie wijdde hij zich eerst aan het landbouwbedrijf op '[agtlust' (hij vestigde er een houtbewerkingsbedrijf), maar in de zomer van '4I vroeg Versteegh hem of hij overste Boswijk in Amsterdam als chef-staf terzijde wilde staan. De vele arrestaties die in O'D-kringen plaatsvonden, schrikten hem niet af; persoonlijk had hij een zeldzaam fijn ontwikkeld gevoel voor security. Zeer weinigen wisten van zijn functie af. Hij dook ook niet onder. Welverliet hij in maart' 42 zijn vaste woonadressen in Amsterdam en 's-Graveland. Nadien kon hij gebruik maken van de gastvrijheid van collega's-officieren in Amersfoort en Eefde, van de burgemeester van Kortenhoef (bij' s-Graveland) en, in Amsterdam, van de echtgenote van een overleden vriend. Voor zijn verplaatsingen maakte hij bij voorkeur van een racefiets gebruik - hij had er twee gekocht: één extra met het oog op de banden die spoedig bijna nergens meer te krijgen zouden zijn.

XCSix was een man van zeldzame koelbloedigheid; de angsten die anderen teisterden, voelde hij nauwelijks. 'Ik heb', vertelde hij ons, 'geen angst gekend.Ja toch wèl: tweemaal,maar dat was in een droom. De eerste keer dat ik illegalepapieren bij me had, brandden ze me wel in mijn zak, maar later niet meer. Ik ben ook gewoon onder mijn eigen naam blijven doorleven.'!

XCVan het voorbeeld van onaandoenlijke rust en ijzeren discipline dat hij in zijn dagelijks bedreigd bestaan gaf, ging op zijn naaste medewerkers een sterk inspirerende werking uit. En van zijn energie! Hij was ongetrouwd; hij leefde voor zijn OD, en hij had, wat voor een illegaal werker van veel belang was, een fenomenaal geheugen. Bovendien was hij, waar anderen veel en maar al te vaak te veel praatten, opvallend gesloten; hij kon er, hoewel hij in het persoonlijke vlak toch eerder verlegen was, de indruk mee wekken van hautaine ongenaakbaarheid.

XCDe functie van chef-staf van de OD heeft Six niet gezocht: ze is hem, gelijk uit het voorafgaande bleek, aangeboden en hij heeft haar eerst blijvend aanvaard toen anderen de moed misten om zich ter beschikking te stellen. Wij zouden daarmee niet willen beweren dat die functie hem onwelkom was. Integendeel! Hij was vervuld van een diepe minachting jegens de overweldiger en vond dat bij uitstek ook op hem, afstammeling van een trots geslacht dat in de zeventiende eeuw het machtig Amsterdam bestuurd had, de plicht rustte, zich voor vaderland en vorstenhuis in te zetten. Voor het vaderland, wel te verstaan, dat hij als het enig leefbare beschouwde: een land met een geordende samenleving waarin de ondernemers hun plicht en de arbeiders hun plaats zouden kennen. Hij had een grondige afkeer van

XC1

184 [PDF]
DE PLANNEN V AN SIX

maatschappelijke onrust en revolutionaire woelingen: één 'november 'IS' was genoeg geweest! En zijn vrees was, dat juist in de bezettingstijd honderdduizenden politiek op drift zouden raken en gevoelig zouden worden voor communistische en revolutionair-socialistische leuzen. Zeker, voor de OD zag hij óók een taak in de strijd tegen de bezetter: op spionagegebied allereerst, en de OD diende voorts, als er voldoende wapenen kwamen, in de eindfase militair in te grijpen, maar als niet minder wezenlijk beschouwde Six de functie die de OD in de daarop volgende fase te vervullen zou krijgen: in die overgangstijd moest de organisatie belast worden met de uitoefening van het overheidsgezag. Daar deugden de traditionele politieke partijenniet voor! Formeel verkeerde Nederland nog steeds in de op 19 april' 40 afgekondigde staat van beleg, de ministers hadden, toen zij op 13 mei' 40 naar Engeland vertrokken, het regeringsgezag in handen gelegd van de opperbevelhebber van land- en zeemacht - wat was dan logischer dan dat, vóór de koningin en haar ministers zouden terugkeren, dat regeringsgezag opnieuwaan een opperbevelhebber toevertrouwd zou worden die voor de uitoefening van zijn gezag een beroep zou doen op de OD? Natuurlijk zou die opperbevelhebber door de Londense regering benoemd moeten worden. Koos men daar een figuur in Engeland voor uit, zou deze dan wel tijdig ter plaatse zijn? Zou de regering niet veiligheidshalve iemand in Nederland kunnen aanwijzen, desnoods de chef-staf van de OD? Zo, en zo alleen, zou men verhoeden dat zich onlusten zouden voordoen, ja dat een revolutionaire situatie tot ontwikkeling kwam; zo alleen zou men Nederland in de hand houden. Een ander Nederland moest het worden! Zonder het krakeel van diezelfde partijen die in de jaren '20 en '30 de defensie zo laakbaar verwaarloosd hadden! Beter was het indien de koningin na de bevrijding vooreerst zèlf, 'bijgestaan door een bijzondere Raad van Advies' (aldus,in haar rapport, mej. Kohlbrugge, maar zij citeerde vermoedelijk een stuk van Six), het bewind zou voeren.

XCHerhaaldelijk sprak Six over dit alles met overste Boswijk. Deze had in Amsterdam in mei, na het fusilleren, eerst van twee-en-zeventig, nadien van vier-en-twintig OD' ers, aan zijn kader ter bemoediging een stuk doen toekomen! waarin hij als 'doel' van de organisatie aangegeven had: 'op het ogenblik van de bevrijding onmiddellijk het lot van Nederland in handen te nemen. Van Hogendorp heeft bij de vrijwording van de overheersing der Fransen bewezen van hoe grote betekenis een dergelijk streven is.' Hoelang zou dat 'ogenblik van de bevrijding' nog op zich laten wachten? Nagenoeg

XC1 Brief, 2I mei I942, van de plaatselijk commandant-OD, in J. Chr. Bührmann: 'Het Algemeen Hoofdkwartier maakt bekend', p. 27-28 (Doe II-340, b-I).

185 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

ieder rekende er op dat het 'tweede front' een kwestie was van enkele maanden, wellicht slechts enkele weken. Het wekte bij Six en Boswijk dan ook aanzienlijke ontsteltenis toen zij, vermoedelijk eind juli, een voor de 'commandant Ordedienst' bestemd telegram met 'aanwijzingen' ontvingen, binnengekomen via de zender van dr. Brouwer in Bilthoven, waaruit bleek dat de regering voor de OD geen enkele speciale functie zag! De op zichzelf in veel opzichten hoopvolle tekst luidde:

XC'Invasie: De te verwachten invasie, niet bekend waar en wanneer. Echter spoedig te verwachten, vermoedelijk ook in ons land.

XCBurgemeesters: Afgetreden en ontslagen burgemeesters nemen direct hun plaats weer in. Bij ontstentenis neemt een der wethouders die plaats.

XCPolitie: Burgemeester hoofd plaatselijke politie. : .. Regering roept uw aller medewerking in om deze te steunen ... , zodat zij direct de macht in handen kan krijgen en moordpartijen voorkomen.

XCNSB en Rijksduitsers: Direct arresteren.' Wie zich verzet, (wordt)' neergeschoten. Een specialerechtbank zal hen vonnissen ...

XCBevelen: Berichten over alle Engelse zenders.

XCRadio: Vanuit Den Haag zullen naar alle grote plaatsen bevelen worden uitgezonden. Er moeten zich overal ordonnansen beschikbaar stellen ... De vijand moet bij een invasie plotseling tegenover geheel volk staan. Spoorwegen, bruggen, kabels, benzinedepots enz. moeten worden vernield.

XCMilitie: De burgemeester roept alle vroegere militieplichtigen op ... Direct met een landingsleger komen ook wapens en kleding.

XCVoedselvoorziening: De burgemeesters nemen zo spoedig mogelijk de voedselvoorziening ter hand. Zodra er een haven in het bezit der Geallieerden is, komt er meer voedsel. Niettemin zal het de eerste tijd nog schaarszijn.'

XC'De invasie spoedig te verwachten, vermoedelijk ook in ons land' - en het gehele gezag zou weer bij de burgemeesters komen te liggen! Hoe kon Six de regering tot andere denkbeelden brengen? Was het telegram wel authentiek? Hij besloot het naar Visser 't Hooft te zenden. Vermoedelijk nam een Nederlandse verpleegster die legaal naar Zwitserland gaan mocht, de tekst mee; zij wist niet dat het telegram via dr. Brouwers zender binnengekomen was - ze had alleen de tekst waaraan Six twee regels had laten voorafgaan: .'De OD alhier heeft andere opvatting. Meent nl. dat niet burgemeester maar plaats. comm. OD leiding heeft.' Visser 't Hooft legde het ontvangen stuk aan de Nederlandse gezant voor en deze nam de inhoud in een brief naar Buitenlandse Zaken op die op 21 augustus Bern verliet. Vier weken later arriveerde de brief in Londen. Hij werd er op zaterdag

XC1 In de tekst staat: 'gearresteerd'. 'Dit woord ontbreekt.

186 [PDF]
TELEGRAM VIA DR. BROUWER

26 september door minister-president Gerbrandyen de ministers van Kleffens en Furstner samen met enkele hoofdambtenaren besproken. Men ,begreep er niets van! Geen van de aanwezigen had opdracht gegeven, zulk een telegram te verzenden! Besloten werd, op zondag 27 september via een van de geheime verbindingen een ontkenning te laten uitgaan, en maandag werd inderdaad genoteerd: 'Met kol. de Bruijne geregeld - bericht maandag uitgegaan voor drie opeenvolgende dagen."

XCWat betekende dat? Het betekende dat de Bruijne op die maandag de Dutch Section van SOE opdracht gaf, op drie opeenvolgende dagen door middel van een codetelegram. aan een van de SOE-agenten het telegram dat dr. Brouwer ontvangen zou hebben, te dementeren. Wij nemen aan dat die drie codetelegrammen uitgegaan zijn. Schreieder en Giskes zullen er, toen ze gedecodeerd waren, wel niets van begrepen hebben. Hoe dat zij, tot Six drong het démenti niet door en tot dr. Brouwer evenmin want deze stond niet met SOE in contact maar met MI-6. 2

XCBegin oktober richtte Six tot dr. Brouwer het verzoek, in Londen te informeren of men bereid was, de OD wapenen te sturen. Toen hij een maand later niets gehoord had, kreeg dr. Brouwer van hem te horen dat hij betwijfelde datdeze contact had met een Engelse dienst. Dr. Brouwer reageerde als was hij door een horzel gestoken. Omgaand schreefhij Six: 'Ons werk voor Koningin en Vaderland, waarvoor reeds velen van ons hun leven gaven en waarvan wij weten dat dit nog het enig overgebleven contact is met onze regering en onze bondgenoten, is ons heilig en hierin dulden wij geen enkele inmenging." Nadien had dr. Brouwer geen behoefte, Six iets telatenhoren, en Six geen behoefte, op de medewerking van dr. Brouwer een beroep te doen.

XC1 Brief, 21 aug. 1942, van de gezant te Bern aan Buitenlandse Zaken (Londen) en aantekening, 26 sept. 1942, van het dept. voor de algemene oorlogvoering van het Koninkrijk (Londen) (Enq., punt g en h, gestenc. bijl. 91). 2 In tegenstelling tot de Enquêtecommissie betwijfelen wij dus niet dat dr. Brouwer inderdaad met MI-6 verbinding had en het dodr hem aan Six doorgegeven telegram ontvangen heeft. Voor de veronderstelling dat dr. Brouwer dit telegram gefantaseerd zou hebben, is, dunkt ons, geen reden. Maar wie in Londen heeft dan opdracht gegeven, het uit te zenden? Een Nederlandse dienst? Een Engelse? WU weten het niet. Zou een Nederlandse dienst, als hij het telegram opgesteld had, het begrip 'militieplichtigen' gebruikt hebben in plaats van 'dienstplichtigen"? Misschien was het MI-6 dat, rekening houdend met de mogelijkheid dat het telegram in Duitse handen zou vallen, de Duitsers met de woorden: 'De invasie spoedig te verwachten, vermoedelijk ook in ons land', wilde misleiden. Er was weinig fantasie nodig om de rest van het telegram te formuleren. 3 Brief, begin nov. 1942, van P. J. Six aan M. Brouwer en brief, 8 nov. 1942, van M. Brouwer aan P. J. Six in 'Berichtwisseling OD-Londen", bijlage bij de nota van Six voor de Enquêtecommissie (9 juli 1948), p. 10 (Eng., punt f, gestenc. bijlage

187 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

XCVoor zich dit conflict voordeed, was Six met zijn binnenlandse voorbereidingen verder gegaan. Samen met overste Boswijk had hij een aantal stukken opgesteld: een 'Oproep aan de bevolking' en een 'Algemene Bekendmaking' no. I, no. 2 en no. 3, die aan alle gewestelijke commandanten toegezonden waren.

XCHet uitgangspunt van deze stukken! was dat een te benoemen opperbevelhebber van land- en zeemacht met het regeringsgezag bekleed zou worden en dat onder hem het militair gezag door de commandanten van de OD uitgeoefend zou worden. Dezen zouden onmiddellijk het gehele militaire kader en de jongste lichting die in '40 onder de wapenen was, eventueel ook andere lichtingen, in werkelijke dienst roepen. De gehele bevolking moest, aldus de 'Oproep', begrijpen, 'dat het een misdaad jegens ons volk zou zijn, indien thans de orde in het land op enigerlei wijze zou worden verstoord.' In die op de bevrijdingsdag overal aan te plakken 'Oproep' zou men voorts lezen dat het' alleen dan wanneer orde en rust in ons land heersen', mogelijk zou zijn, het volk 'een staatsbestuur te verschaffen hetwelk gebaseerd is op de sinds 15 mei 1940 over de gehele wereld gewijzigde politieke en economische inzichten.' Voorts zou de bevolking in de 'Oproep' en de 'Algemene Bekendmaking', no. I, 2 en 3 o.m. lezen dat tegen elk die zich tegen het 'wettig gezag' zou keren, 'met niets ontziende gestrengheid' zou worden opgetreden, dat niemand de gemeente van inwoning zou mogen verlaten, dat NSB' ers en Rijksduitsers binnenshuis moesten blijven, dat elk zijn eventuele wapenen moest afgeven, dat de gehele bezettingswetgeving, behalve de bepalingen op het gebied van de Jodenvervolging, voorlopig van kracht zou blijven, dat politieke gevangenen onmiddellijk in vrijheid gesteld zouden worden, evenwel 'voorzover hun vrijlating de openbare orde niet in gevaar brengt' (de militaire commandanten zouden alle links-revolutionaire elementen dus in arrest kunnen houden) en dat men er rekening mee moest houden dat NSB'ers e.d. aan hun berechting zouden trachten te ontkomen bijvoorbeeld door het dragen van een Jodenster.

XCNadat deze merkwaardige stukken in bezet gebied gedistribueerd waren, trachtte Six opnieuw met de regering in contact te komen. Overste Boswijk

1 De versie die met een brief d.d. 13 april '43 aan de regering toegezonden werd, is bewaard gebleven bij de sectie krijgsgeschiedenis van de staf van de bevelhebber der landstrijdkrachten (archief Binnenlandse Strijdkrachten, 9003).

188 [PDF]
SIX KRIJGT GEEN ANTWOORD

schreef in overleg met hem een memorandum, gedateerd 20 oktober 1942, dat via de Zwitserse Weg aan Londen toegezonden werd.' De OD, zo werd hierin gesteld, zou na de bevrijding 'in samenwerking met de politie gedurende langere of kortere tijd geheel zelfstandig voor de handhaving van de orde' kunnen zorgdragen. Wapenen had die OD overigens nog niet maar die konden gestuurd worden. 'Er zijn thans', zo vervolgde het stuk,

XC'verschillende driemanschappen e.d., bijna alle met politieke inslag, die elk voor zich voornemens zijn om, zolang de regering na het vertrek der Duitsers nog niet in het land teruggekeerd mocht zijn, een voorlopig bewind te vormen. Het behoeft geen betoog dat dat tot grote verwarring aanleiding zal geven met de fatale gevolgen van dien voor ons land ... Wellicht zou het de voorkeur verdienen indien hier op het ogenblik van het vertrek der Duitsers een opperbevelhebber aanwezig was dien ... alle bevoegdheden van de regering werden verleend, onverschillig of dit een officier zou zijn die zich reeds in Nederland bevindt, ofwel een officier die daarvoor bijvoorbeeld per vliegtuig naar hier komt.

XCDe omstandigheden zouden het nodig kunnen maken, de commandant-OD met het opperbevel te belasten, zolang deze organisatie geheel op zichzelf is aangewezen ...

XCDoor de grote spanning waarin het volk gedurende jaren heeft geleefd ... , moet zeker rekening gehouden worden met een mentaliteit welke ontvankelijk is voor aanzetting tot plundering e.d. en zelfs voor aanhitsing tot revolutionaire acties . . . Het is van groot belang, de leiders van bedoelde eventuele onregelmatigheden onmiddellijk onschadelijk te maken en tegen wanordelijkheden onmiddellijk met de grootste gestrengheid op te treden, aangezien aangenomen mag worden dat het overgrote deel der bevolking, aan zichzelf overgelaten, niet anders verlangt dan in nieuwe vorm en in rust en harmonie weder op te bouwen wat vernield is of verloren is gegaan. Het verlangt daarbij hartstochtelijk naar de terugkeer van H. M. de Koningin.'

XCMen had zich kunnen indenken dat Six met de verdere opbouw van de OD, voorzover deze op het functioneren in de overgangstijd betrekking had, gewacht zou hebben tot hij uit Londen bericht ontvangen had dat de regering die opzet goedkeurde. Bvenals het Grootburgercomité (wij komen hier straks aan toe) deed hij het tegendeel: hij handelde alsof hij die goedkeuring al bezat.

XCZij bleef uit. In december ontving Six van Visser 't Hooft slechts bericht dat zijn memorandum in Londen ontvangen was. Dat was alles. Londen antwoordde niet.

XC1 'Memorandum', no. 108 (20 okt. 1942), opgenomen in de 'Berichtwisseling OD

189 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

XCEind maart '43 zond Six het memorandum, ZIJn 'Oproep aan de bevolking' en zijn 'Algemene bekendmaking', no. I, no. 2 en no. 3 opnieuw aan de regering toe.

XCToen de April-Meistakingen een maand later uitbraken, zat hij nog steeds op antwoord te wachten.

XCWat heeft de 0 D onder Six in de hier beschreven periode gedaan?

XCSix heeft geen sabotage laten bedrijven en hij heeft zich met de hulp aan onderduikers niet bezig gehouden - hij heeft er wèl voorbereidingen voor getroffen dat de OD in de laatste fase aan de strijd zou kunnen deelnemen en dat hij nadien het militair gezag zou kunnen uitoefenen. Ten behoeve van die gezagsuitoefening werd de gehele organisatie opnieuwopgebouwd waarbij Six het leggen van contacten aan twee onvermoeibare 'adjudanten' overliet: C. Navis en F. J. Chr. Bührmann. Deelneming aan de strijd maakte het wenselijk dat men wist hoe de Duitse strijdkrachten verdeeld waren; wense-' lijk was uiteraard óók dat het Algemeen Hoofdkwartier van de OD de beschikking kreeg over eigen radioverbindingen met de gewestelijke commandanten; dat werden er tenslotte negentien.

XCEerst iets over' Ide'spionage.

XCDat de OD zich van de zomer van '42 af tot een van de belangrijkste spionage-organisaties ontwikkeld heeft, is goeddeels te danken geweest aan een majoor van de genie, J. Kok. Deze, een beroepsofficier, vijf-en-veertig jaar oud bij het begin van de bezetting (even oud als Six dus), had carrière gemaakt bij het wapen der genie en had daarbij veel .relaties onderhouden met de rijkswaterstaat. In de lente van '41 werd hij in Utrecht hoofdingenieur bij de rijkswaterstaat, een jaar later kwam hij met Six in contact; dat contact werd door Biihrmann gelegd die Kok uit de burgerwacht kende. Six zorgde er voor dat enkele losse spionagegroepen welker bestaan hem bekend was (een tweede rest van de ID bijvoorbeeld), aangehaakt werden aan wat zich ontwikkelde tot de aparte spionagesectie (sectie V) van het hoofdkwartier van de OD. Daarnaast ging Kok (die om gezondheidsredenen uit de krijgsgevangenschap ontslagen was) in de negentien gewesten nieuwe spionagegroepen vormen die enerzijds met hem, anderzijds met hun gewestelijke commandant in contact ~tonden. De organisatie was in de lente van '43 in volle opbouw. Hoe zij het toen al ondernomen verkenningswerk ging voortzetten en uitbreiden, zullen wij in ons volgende deel beschrijven.

XCWat Kok ten behoeve van de OD deed op spionagegebied, deed weer een ander in OD-verband op het terrein van de binnenlandse radioverbindingen:

190 [PDF]
JAN THIJSSEN

een PTT-ambtenaar, Jan Thijssen. Bij Thijssen moeten wij evenwellanger stilstaan, want hij heeft zich in de periode' 43-' 44 tot een van de belangrijkste verzetsleiders ontwikkeld.

XCJan Thijssen was een neef van Theo Thijssen, bekend als schrijver en als Tweede Kamerlid van de SDAP. Hij kwam ook zelf uit een socialistisch gezin; zijn vader was firmant van het in kringen van SDAP en NVV vaak ingeschakelde accountantskantoor Thijssen & van de Kieft.

XCDe Thijssens hadden het niet breed. In Bussum waar Jan Thijssen opgroeide (hij was in december '08 geboren), doorliep hij de vijfjarige hbs. Geld voor een universitaire studie was er niet, maar al op de hbs was hij begonnen, radiotoestellen in elkaar te knutselen die hij aan particulieren verkocht en zo verdiende hij zelfhet geld voor zijn studie in de electrotechniek aan een mts. Na zijn militaire dienstplicht vervuld te hebben, werd hij electrotechnisch ambtenaar bij de PTT. In '38 werd hij door het staatsbedrijf belast met het opsporen van clandestiene zenders. In de meidagen was hij infanterie-officier, kort nadien trouwde hij (het huwelijk bleef kinderloos) en ging wonen in Rijswijk.

XCWat zou hij geworden zijn indien de bezetting hem niet tot daden gestimuleerd had die hij zich voordien in zijn 'stoutste fantasie niet had kunnen voorstellen? Wij weten het niet. Het kenmerkende van de bezettingstijd was, dat los van elke vooroorlogse maatschappelijke hiërarchie, in alle delen des lands en uit alle lagen der bevolking personen naar voren traden in wie een potentieel aanwezige strijdbaarheid' opeens geactiveerd werd personen die zich ontpopten als de geboren leiders van de illegaliteit. Zo Six, een Amsterdamse patriciërszoon, bekend slechts in een kleine kring van welgestelden; zo van Randwijk, een hoofdonderwijzer die een verdienstelijke roman op zijn1naam had staan; zo Gerrit van der Veen ('wij hadden hem tot dan toe een stille, bescheiden, zelfswat saaiejongeman gevonden')! zo ook Thijssen. Hij was te actief, te fel, om in de bezettingstijd bevrediging te vinden in zijn normale werk, in zijn normale huwelijk. Hij wilde méér doen, méér presteren, en misschien was die prestatiezucht niet vrij van eerzucht waar zij bij'velen zo dicht tegenaan ligt. Hij wilde óók in de kring die hij leidde, de baas zijn. Een illegale groep zag hij als een militaire eenheid: één was de 'commandant. Hijzelfl Hij was snel in zijn beslissingen, snel in zijn actie, snel in het aanvaarden van duizelingwekkende risico's, maar

XC1 L. P.]. Braat: Omkranste hiaten. Levensherinneringen (1966), p. II6.

191 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

tegelijk ook van een nerveuze rusteloosheid die hem opvrat. 'Hij vond', vertelde van Randwijk ons later, 'dat hij de techniek van het illegale werk beter beheerste dan wie ook. Hij en anderen werden mensen die geen uur meer rustig op hun stoel konden zitten. Gerrit van der Veen was niet zo. Met hem kon ik nog uren over kunst spreken, wandelend langs de Amsterdamse grachten.' Met Thijssen kon je alleen nog maar spreken over het illegalewerk.'>

XC'Spreken over' - en daar moest men hem niet bij tegenspreken! Dan stoof hij op, dan ontlaadde zich zijn vulkanisch temperament. Verscheidenen van zijn medewerkers werden tenslotte bang om, op welk punt ook, jegens hem van een andere mening blijk te geven. Hij had een natuur die het gevaar van vereenzaming in zich borg.

XCMaar hoe was het dan mogelijk, zo vraagt de lezer misschien, dat deze gedreven illegale werker, deze heerszuchtige activist, voorman werd in een verzetsorganisatie als de OD waarin hij zich aan een chef-staf onderschikken moest - een verzetsorganisatie bovendien die, afgezien nu even van de spionage, de feitelijke verzetsactiviteit uitstelde tot de verre en vage fase van de bevrijding? Moest dat niet misgaan? Natuurlijk. Het is ook misgegaan. De politieke opvattingen van Six en Thijssen botsten al op elkaar, maar niet minder botsten hun opvattingen over de taak der illegaliteit _:_ èn hun karakters.

XCThijssen was al bezig, een binnenlands radionet op te bouwen voor hij voor het eerst met de OD in aanraking kwam. Hij was een goed radiotechnicus en zijn vooroorlogsewerk :het uitschakelen van clandestiene zenders, had hem geleerd hoe hij het moest inrichten indien hij tijdens een vijandelijke bezetting zèlf clandestiene zenders in bedrijf wilde gaan stellen. Eind' 41 en begin' 42 begon hij er mee en de eerste illegale organisatie waarmee hij daarbij in contact kwam, was de Vrij Nederland-groep. Het gehele jaar' 42 door had Vrij Nederland veel aanraking met de OD. Het kan zijn dat Thijssen via van Randwijk met de OD in contact gekomen is. Wat Thijssen in dat contactNa een bespreking in Utrecht heeft Gerrit van der Veen Gerben Wagenaar eens meegenomen naar het viaduct bij het Centraal Station om hem zijn beelden te tonen. Jan Thijssen zou dat vermoedelijk als tijdverspilling beschouwd hebben. 2 H. M. van Randwijk, 5 nov.

1

192 [PDF]
THIJSSENS'RADIODIENST'

aanbood, was precies wat Six nodig had', en in de zomer van '42 mocht Thijssen menen dat de 'Radiodienst' die hij zou gaan vormen, bij de spoedig verwachte Geallieerde invasie belangrijke diensten zou kunnen bewijzen: de nieuwe taak kwam aan zijn onstuimige dadendrang tegemoet.

XCThijssen vond een medewerker in Eindhoven, dr. J. Hoekstra, die via een familierelatie talrijke onderdelen uit de Philipsfabrieken smokkelde. De eerste zenders voor het binnenlandse net werden op de zolder van Thijssens woning gebouwd, in Bussum (hij was verhuisd), en daar vonden ook de eerste proefuitzendingen plaats. In september' 42 vestigde hij in Amsterdam een clandestiene werkplaats. Hij ging via Navis en Bührmann contacten leggen inalle gewesten van de OD. In elk gewest werd een 'radiogroep' opgericht waaraan code-officieren verbonden werden. Zendposten kwamen tot stand in Amsterdam, Hilversum, Utrecht, Den Haag, Breda, Den Bosch, Venlo, Nijmegen, Arnhem, Apeldoorn, Groningen en Leeuwarden. Elkeradiogroep had eigen marconisten; de chef-marconist, A. S. M. van Schendel, evenals Thijssen eenfunctionaris van de PTT, wist drie maanden ziekteverlof te krijgen en werkte in die periode harder dan ooit om de marconisten te selecteren en te scholen. Elke zendpostwerd voorts met denodige accu's uitgerust om, wanneer het electrisch net uitviel, met het zenden en ontvangen door te kunnen gaan. Uiteraard was het wenselijk dat allen die aan de Radiodienst medewerkten, zich gemakkelijk konden verplaatsen, ook in spertijd. Daar werden vervoerbewijzen en vergunningen van de PTT voor gebruikt, soms echte, vaker nagemaakte. De resultaten van de proefuitzendingen waren, aldus later van Schendel,

XC'zeer verschillend. Sommige posten kwamen uitstekend door en werden overal gehoord, andere waren minder goed of zelfs onhoorbaar. Een nieuw bezoek aan die zendposten volgde dan, met beproeven en nazien van de apparatuur, verbeteren en verleggen van de antenne, enz."

XCHet is duidelijk: vele tientallen mensen zijn vele maanden in touw geweest om Thijssen te helpen bij het opbouwen van zijn Radiodienst. En welk een voldoening moet het zijn geweest toen hij inderdaad van Amsterdam tutEr was inenvoor de OD van Versteegh, later Schimmelpenninck, nog later Tibo, ook al een radionet gebouwd door twee ingenieurs van de Amsterdamse Telefoondienst, ir. B. ten Bosch (een van de oprichters van het Legioen OudFrontstrijders) en ir.J. Bijleveld, maar dat net was na hun arrestatie, resp. in septemberen in januariverwaarloosd. Ir. ten Bosch werd in meigefusilleerd, ir. Bijleveld stierf in februariin een Duits concentratiekamp.'Ton': 'Mijn werkzaamheden als chef-marconist van de OD' in

1 '41 '42 W. '41 '42, '42 '45 2 (1947), p. 36.

193 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

codetelegrammen kon wisselen met Breda en Groningen, met Den Haag en Nijmegen! Het verbindingsapparaat lag klaar. Wat nu?

XCAntwoord van Six: wachten.

XCMaar dat was het laatste wat Thijssen begeerde. Hij kon het niet. Ja hij vond het zinloos om de Radiodienst niet onmiddellijk te laten functioneren als hulporgaan voor de gehele illegaliteit. Hij ging zich ergeren aan het passieve karakter van de OD. Hij sprak daar ook over in de vertrouwde kring van enkele activisten die dachten als hij. 'Kijk eens', zo werden zijn woorden later door een hunner weergegeven, 'de OD is een dood ding. De mensen van de OD ... regelen wel wat, maar ze doen niets in het verzet; zij wachten af tot de oorlog voorbij is, waarna zij de orde moeten regelen.'! Dat alles was niets voor Thijssen! Hij ging drie doeleinden nastreven: de Radiodienst (die hij als een door hem geschapen, louter aan hem ondergeschikte organisatie beschouwde) de plaats geven van een binnenlands berichtennet ten dienste van alle illegale organisaties, de OD inbegrepen; trachten in .direct contact te komen met de regering te Londen; en een nieuwe landelijke geheime organisatie oprichten die, anders dan de OD, zich op het daadwerkelijk verzet-nu zou concentreren.

XCWat die tweede doelstelling betreft: in ons relaas over de Zweedse Weg gaven wij al weer dat Thijssens chef-marconist er in februari of maart' 43 in slaagde, alle'codegegevens die door Koning, de marconist van de groepOosterhuis, gebruikt werden voor zijn 'De Soto'-zender, tersluiks in handen te krijgen, en dat hij zich de (voorhands niet bruikbare) 'Wolseley'-zender toeëigende; bovendien, schreven wij, werden, vermoedelijk in april '43, twee nieuwe Engelse zenders, 'Eton III' en 'Eton IV', via de Zweedse Weg aan de OD toegezonden.

XCWie kreeg die codegegevens, wie kreeg de twee nieuwe zendersin handen? Niet Six, maar Thijssen. Welnu, deze was geen seconde van plan, het beheer over deze verbindingen aan Six over te dragen. Zeker, Six mocht via 'Eton III' en 'Eten IV' eigen berichten gaan spuien - maar dan toch steeds via hem, Thijssen. En het mocht dan waar zijn dat die twee zenders uitdrukkelijk voor de OD bestemd waren, Thijssen vond het zinloos om een organisatie die 'een dood ding' was (van het werk van Koks Sectie V wist hij niets af), de beschikking te geven over zenders die men bij uitstek gebruiken kon voor steunverlening, door de Engelsen, aan het actieve verzet in Nederland. Hij eigende zich de twee zenders toe en hij deed dat met des te meer I graagte omdat hij in dezelfde tijd waarin hij ze ontving, een eerste begin kon maken met de verwezenlijking van zijn plan tot oprichting van een

XC1 GetuigeJ. A. Engel, Enq., dl. VII c, p. 768-69.

194 [PDF]
OPRICHTING VAN DE RAAD VAN VERZET

nieuwe landelijke geheime organisatie die het daadwerkelijk verzet ter hand zou nemen. Eind april kwam hij met een zestal anderen samen die hij in zijn werk had leren kennen: Gerrit Kleinveld (de deelnemer aan de overval van Joure die uit de bunker van het concentratiekamp Amersfoort ontsnapt was), B. Graafhuis, een medewerker van de Radiodienst, Jan Brouwer, een veekoopman uit de buurt van Amersfoort, D. van der Meer, een communist 'uit Amersfoort, Johan Doorn, de sa~ensteller van De Oranjekrant, en Willem Santerna, een verzetsman uit Sneek die aan Dobbe sinds' 41 hulp verleend had. De nieuwe organisatie tot welker oprichting zij besloten, gaven zij een trotse naam die de overkoepelende functie aanduidde: 'Raad van Verzet in het Koninkrijk der Nederlanden', In de persoon van Thijssen waren die Raad van Verzet en de Radiodienst één geheel- en Six kon niet anders .doen dan met verontwaardiging constateren dat de man die notabene formeel nog steeds zijn ondergeschikte was, volledig zijn eigen gang ging.

XCMet drie zenders, waarvan twee werkten.

Nationaal Comité

XC

XCZoals wij in ons vorige deel schetsten, was begin' 42 uit het bijeenkomen van drie componenten (het Politiek Convent, de groep-Paul Scholten en het tweemanschap Menten-Ringers) het z.g. Grootburgercomité gevormd dat eind januari onder voorzitterschap van de anti-revolutionaire leider Jan Schouten voor het eerst in vergadering bijeengekomen was.' Uit dat comité, dat te groot geacht werd om vaak te vergaderen (dat is nadien slechts een tweetal keren het geval geweest) had men een kleine commissie gevormd, het Nationaal Comité, dat de eigenlijke werkzaamheden zou uitvoeren. Dat Nationaal Comité bestond uit drie politieke voormannen: Schouten (ARP), Verschuur (RKSP) en Vorrink (SDAP), en Itwee partijlozen: Menten en Ringers. De traditionele politieke partijen waren er dus in de meerderheid en dit was ook geheel in overeenstemming met hun wensen: in de overgangstijd moesten zij hun stempel drukken op de ontwikkelingen - niet een beweging als de Nederlandse Unie, niet de secretarissen-generaal, niet een Driemanschap als door Schimmelpenninck in de zomer van '41 gevormd was.

XC1 Aanwezig waren toen: mr. T.]. Verschuur (RKSP),]. Schouten en dr. J.]. C. van Dijk (ARP), prof dr.]. de Zwaan (CHU), mr. M. H. de Boeren mr.J. Rutgers (Liberale Staatspartij), mr. A. M. Joekes (Vrijz. Democr. Bond), Koos Vorrink (SDAP), prof. mr. P. Scholten, prof. dr.]. A.J. Barge en prof. ir.W. Schermerhorn (groep-Scholten), mr. E. E. Menten en ir.]. A. Ringers. Aan de latere vergaderingen namen ookir. A. H. IngenHouszen (vermoedelijk) H. D. Louwes deel.

195 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

XCIn de zomer van '42 waren er onder de vijf leden van het Nationaal Comité twee die uitgesproken illegaal werk deden: Vorrink, redacteur van Verzet en schrijver van verscheidene illegale brochures (waaronder in de herfst van '42 een principiële beschouwing tegen het communisme en de CPNl) en de bankier Menten die enkele spionagegroepen fmancierde en trouwens ook Vorrink veel geld gaf voor zijn publicistische arbeid. Jan Schouten die van de zomer van' 41 af het kader van de opgeheven en verboden ARP bijeenhield, was in juni '42 gearresteerd; hij werd pas begin december uit het concentratiekamp Amersfoort vrijgelaten: in het grootste deel van '42 heeft hij dus aan de beraadslagingen in het Nationaal Comité niet kunnen deelnemen. In feite werd zijn plaats toen door dr. van Dijk ingenomen. 'Aan de oud-minister van Dijk', aldus later de in juli '40 ontslagen burgemeester van Den Haag, mr. S. J. R. de Monchy, 'die mij in 1942 namens een niet nader genoemde, in het geheim werkende, voorlopige regering vragen kwam of men er op rekenen kon dat ik terstond na de bevrijding het bestuur van Den Haag weer op mij zou nemen, gaf ik natuurlijk een toestemmend antwoord,"

XCHoe moet men dat begrip 'voorlopige regering' interpreteren? Men moet het zien als een overgangsbewind dat misschienmaar enkele dagen, hoogstens enkele weken aan de macht zou zijn. Het Nationaal Comité zag dit als zijn taak; vooral meende het dat het op zijn weg lag, tijdens de bezetting de vele voorbereidende maatregelen te treffen die nodig waren om te waarborgen dat het Nederland van na de bevrijding in staatkundig opzicht wezenlijk hetzelfde zou zijn als daarvóór ; op sociaal-economisch gebied, dat realiseerde men zich, moest veel verbeterd worden. Het was van Dijk die behalve de Monclry ook tal van andere ontslagen burgemeesters en commissarissen der koningin ging polsen en die naging, 'of de politie ter plaatse betrouwbaar was en, zo niet, wat er dan moest gebeuren." Men concentreerde zich op het uitvoerend gezag; aan de vertegenwoordigende lichamen werd nauwelijks aandacht besteed. Menten en Ringers waren er trouwens fel tegen dat de Staten-Generaal weer onmiddellijk in hun oude samenstelling zouden terugkeren (van NSB' ers gezuiverd uiteraard), 'want dat betekende', aldus later Schouten, 'dat de oude 'zwaar belaste politieke partijen' en hun leidslieden zouden terugkeren met den aankleve van dien.'4

XC'Op deze brochure: De oorlog en hetgevaar van het bolsjewisme, die in een oplaag van Ia 000 exemplaren verscheen, komen wij in deel 9 terug waarin wij de ontwikkeling van de in bezet Nederland levende toekomstdenkbeelden zullen weergeven als inleiding tot de besluitvorming te Londen. 2 S. J. R. de Monchy: Bezetting en beorijdino. Persoonlijke herinneringen (1953), p. 32. 3 Getuige J. Schouten, Enq., dl. V c, p. 79I. 4

196 [PDF]
EEN 'VOORLOPIG BEWIND'

XCHoe het Nationaal Comité zichzelfbeschouwde, vinden wij het duidelijkst uitgedrukt in een in de lente of zomer van' 42 opgestelde concept-bevrijdingsproclamatie.' 'In dit grote uur', zo zou men daarin lezen,

XC'richt zich tot u met machtiging van Harer Majesteits regering in Londen het Nationale Comité dat optreedt als Voorlopig Bewind. Het Nationale Comité is belast met het treffen van al die maatregelen die de toestand van het ogenblik vereist. Het vertegenwoordigt door zijn samenstelling de grote geestelijke stromingen en groeperingen van het Nederlandse volk.

XCDe eerste taak is: het handhaven. van orde en rust in het gehele land ...

XCBestuurs- en politieorganen zijn reeds van landsverraderlijke en onbetrouwbare elementen gezuiverd. De arrestatie van de landverraders is gelast ...

XCIn het uur onzer nationale bevrijding verenigen wij ons in een vastberaden wil om al onze krachten in te zetten voor een betere toekomst. Voor niemand onzer bestaat meer een terug tot v66r 10 mei 1940.

XCWel willen wij in het besef der historische verbondenheid trouw blijven aan de grote waarden van het verleden ... Daarom stellen wij ons op de grondslag van een georganiseerde invloed van het volk op de wetgeving en het bestuur, van het behoud van onze traditionele volksvrijheden. Maar wij zijn niet blind voor de grote tekortkomingen van het verleden ...

XCLeve de Koningin! Leve het vaderland!'

XC'Met machtiging van Harer Majesteits regering te Londen' - men ziet: het Nationaal Comité en de chef-staf van de OD deden precies hetzelfde. Beiden gingen er van uit dat zij die machtiging vroeg of laat zouden verwerven en lieten hun handelen door die verwachting bepalen.

XCDie verwachting werd bij het Nationaal Comité versterkt toen van Dijk, Verschuur en Vorrink als leden van het Politiek Convent (dat ook in '42 af en toe apart bleef bijeenkomen) een aantal belangrijke, op de toekomst betrekking hebbende vragen voorgelegd kregen die de regering door het Politiek Convent beantwoord wilde zien. Het Convent stelde hier een lange nota over op die via Genève aan Londen toegezonden werd.ê Op de inhoud komen wij terug in deel 9. Relevant lijkt ons wèl, hier weer te geven dat het Politiek Convent 'een noodlottige, in bolsjewistische richting gaande radicalisering der massa's' wilde voorkomen." Over het gezag in de overgangstijd sprak het Convent zich niet uit; dat was ook niet gevraagd.

XCDe vragen der regering hadden het Convent via de Zwitserse Weg bereikt. V orrink had in mei' 42 al een gesprek gehad met van Randwijk over de vraag hoe men de arbeiders die niet naar Duitsland wilden gaan, het beste

XC1 Tekst in Collectie-Wo Drees, map 'Eerste Nationaal Comité, Vaderlands Comité'. 2 Tekst: Enq., dl. VII b, p. 26-29. 3 A.v., p. 29.

197 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

kon steunen, en wij nemen aan dat Vorrink, toen hij via de Zwitserse Weg de lijst met de door het Politiek Convent te beantwoorden vragen ontving, ook vernam dat hij via Lotje Kohlbrugge stukken die hij naar Londen wilde sturen, kon doorgeven aan Slotemaker de Bruïne en Stufkens die de zendingen voor Visser 't Hooft klaarmaakten. Lotje Kohlbrugge was evenwel een medewerkster van de Vrij Nederland-groep en zij stond tegelijk in nauwe verbinding met de 'adjudant' die voor Six de belangrijkste schakel was met . de overige illegaliteit: Bührmann. Een en ander betekende dat de stukken die Vorrink opstelde, niet automatisch doorgegeven werden - van Randwijk kreeg ze in handen. Welnu, begin oktober '42 schreefVorrink het eerste lange rapport dat hij via de nieuwe verbinding aan de regering wilde doen toekomen.' Het is de moeite waard, hier grote gedeelten uit weer te geven. Het eerste punt dat V orrink aan de orde stelde, was de verbinding met Londen. Meer dan anderhalf jaar tevoren had hij zijn eerste verslag geschreven over: de ontwikkelingen in bezet gebied - geen enkele reactie had hem bereikt; een jaar tevoren had hij ir. Springer als zijn persoonlijke boodschapper naar Londen gezonden- taal noch teken had hij vernomen. Hij schreefnu:

XC'Taak regering: in samenwerking met Engelse diensten: instandhouden goede verbindingswegen. Wensen: A. Voor dit doel afzonderlijke dienst met geëigend personeel ... B. Zender en reserve-zender met code en bediening uitsluitend ten dienste van het civiele contact ter beschikking van door regering aan te wijzen persoon. Rapporteur bereid deze man te zijn.'

XCNadat Vorrink bepleit had dat de regering ten behoeve van het verzet in al zijn vormen 'vanuit Engeland grote bedragen aan contant geld' ter beschikking zou stellen ('schatting: fIS 000 per maand voor eigenlijke actie'), kwam hij te schrijven over het bewind in de overgangstijd: 'Nationaal Comité I Burger Comité

XC,Tweemaal bericht uit Zwits.: Nat. Com. door Ned. reg. erkend." Aldus

XC1 Van de volledige tekst (Enq., punten g en h, gestenc. bijl. 99) is slechts een klein gedeelte door de Enquêtecommissiegepubliceerd: Enq., dl. VII a, p. 166. 2 Als reactie op het rapport dat de conrector van het Prinses Beatrix-Lyceum te Glion (Zwitserland) in december '41 uit bezet gebied meegenomen had, had Vcrrink inderdaad in de lente van '42 uit Bern vernomen dat de regering accoord ging met de vorming van het Grootburgercomité, maar daarbij was niet uitdrukkelijk

XC

198 [PDF]
VORRINKS RAPPORT

opgevat: Kan reg. op uur bevrijding niet dadelijk in Ned. zijn, dan treedt Nat. Com. als voorlopig bewind op.

XCWenselijk:

XCa. erkenning schriftelijk te bevestigen in door H.M. Koningin en/of de MinisterPresident getekend schrijven van enkele regels.

XCb. in het uur van de overgang per radio het Ned. volk mede te delen dat H. M. de Koningin en de regering achter het Nat. Com. staan.'

XCMet klem drong Vorrink er vervolgens op aan dat de regering daadwerkelijk zou optreden ter bescherming van vier bedreigde groepen: de Joden ('zij worden uitgeroeid. Massadeportaties ... naar Polen aan de orde van de dag .. .'), de werknemers ('tussen de 100 000 en 200 000 ... uit alle beroepen geprest voor arbeid in Duitsland'), de krijgsgevangen beroepsofficieren ('worden uitgehongerd') en de gijzelaars in Brabant ('voortdurend in levensgevaar'). Voor een 'contra-actie' ontwikkelde hij de volgende voorstellen:

XC'1. In beweging brengen: Engelse reg.; Intern. Rode Kruis; neutrale regeringen.

XC2. Toepassing zelfde uithongersysteem op krijgsgevangen Duitsers, Italianen en civiel-geïnterneerden in Engeland en Amerika.

XC3. Het nemen van gijzelaars uit krijgsgevangenen en civiel-geïnterneerden; stellen van ultimata; executie gijzelaars indien aan eisen niet voldaan.

XC4. Bombardementen op zo mogelijk 24 uur van te voren aangewezen niet te grote Duitse steden, indien aan eisen niet voldaan.

XCVan elke stap breedvoerige radio-aankondiging en motivering.

XCIndruk: in Londen onvoldoende voorstelling van lijden bezette gebieden. Vragen niet om medelijden. Vragen om daden, ongeacht de gevolgen.'

XCIn zijn laatste paragraaf behandelde Vorrink de richtlijnen die de regering in haar radioprogramma's moest volgen:

XC'Parolen regering

XCDankbaar voor neiging tot duidelijker parolen in Radio Oranje. Twee punten van eminent belang:

XCa. grootste ellende ... de driewerf vervloekte, grondige en nog steeds accuraat werkende Nederlandse administratie. Alle gegevens voor de mensenjacht der Duitsers voor het grijpen. Instelling persoonsbewijzen misdaad van alle secretarissen-generaal. Was geen Duitse eis. Is met de ellendigste nauwkeurigheid geregeld. De administratie verslindt mensenlevens. Parool moet luiden: ambte naren maakt de administratie kapot! ...

XCb. Men moet in Londen eindelijk de moed hebben om officieel vanuit de regering de hoogste ambtelijke functionarissen in geëigende vorm op plicht te wijzen. Zij zijn het, die de Joden en de arbeiders uitleveren aan hun beulen. Secretarissen-generaal, leden Hoge Raad, commissarissen Koningin, burgemees

199 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

ters enz. enz. niet anders dan dienstknechten Duitsers. Beweren: houden veel tegen. Waarheid: houden niets tegen.'

XCVan dit rapport nu, belandde een exemplaar bij van Randwijk.' Het was V orrinks wens, aan van Randwijk bekend, dat deze het stuk ongelezen naar Genève zou zenden. VanRandwijk trok zich van die wens niets aan en las het gehele rapport. Met veel kon hij zich verenigen maar tegen twee punten had hij fundamenteel bezwaar: dat het Nationaal Comité in de overgangstijd de lakens zou gaan uitdelen (wat bleef er van de 'vernieuwing' van Nederland over als de traditionele partijen meteen weer aan de macht kwamen?) en dat er voor 'het civiele contact' een aparte zend.organisatie zou komen; dat laatste achtte hij extra onwenselijk indien notabene Vorrink 'zender en reserve-zender' in handen zou krijgen! Van Randwijk zocht contact met Six en deze, die voor personen die buiten de OD stonden, zelden te spreken was, vond de zaak van voldoende belang om aan nader beraad deel te nemen. Dat werd op 4 november '42 in Amsterdam gevoerd - vier weken nadat Vorrink zijn (nog steeds niet doorgezonden) rapport afgesloten had. Aanwezig waren van Randwijk, van Namen, Lotje Kohlbrugge, Six en Bührmann.

XCVanRandwijk stak als eerste van wal. Hij meende dat V orrink geen kennis had van hetgeen zich in de wereld van de illegaliteit afspeelde en daar ook . alle begrip voor nllst~. Zeker, hij was een bekwaam man, maar hij was 'als buitenstaander', zo gaf Biihrmann van Randwijks woorden weer, toch niet geschikt om 'op te treden in een wereld waarin men zich slechts na rijpe ervaring kon bewegen zonder ongelukken te maken. Ons leven was te moeilijk en te riskant om, zonder onze stem daartegen te verheffen, ons te schikken naar de aanwijzingen van iemand die het illegale werk slechts van de buitenkant kende." Vol bewondering luisterde Bührmann naar dit betoog: van Randwijk, niet Vorrink, was de man die 'contact (had) met degenen die er zich op mochten voorstaan, Neerlands illegale wereld, dus Neerlands merkbare wil, te vertegenwoordigen' !3 Ook Six was het met van Randwijk eens. Moest Vorrink (Six noemde deze 'een Marxist' en trok zijn betrouwbaarheid in twijfel+) als beheerder gaan optreden van wat de belangrijkste zender zou worden? Dat was voor hem als chef-staf van de OD onaanvaardbaar. Het slot van het lied was dat van Randwijk en Six samen (bien étonnés de se trouver ensemble het heeft ookniet zo lang geduurd) aan Vorrinks nota een commen

XC1 Een ander exemplaar werd door Vorrink aan Mathieu Smedts meegegeven maar deze werd, gelijk reeds vermeld, in Brussel gearresteerd. 2 J. Chr. Bührmann: 'Het Algemeen Hoofdkwartier maakt bekend', p. 48. 3 A.v., p. 47. 4 Getuige H. M. van Randwijk, Enq., dl. IV c, p. I288.

200 [PDF]
VAN RANDWIJK EN SIX WERKEN TEGEN

XCtaar toevoegden- waarvan de strekking was dat de regering op V orrinks voorstellen ten aanzien van de zendverbinding en het gezag in overgangstijd

XCniet moest ingaan: de 'rapporteur' (Vorrink) had geen overleg gepleegd; er

XCbestond inderdaad een Grootburgercomité, maar anderen, 'die zich daartoe (terecht of niet) de jure bevoegd achtten', waren met 'soortgelijke werkzaamheden' bezig; er zou dus, aanvaardde men V orrinks denkbeelden, 'grote verwarring' ontstaan, tenleer wanneer 'de rapporteur''de 'Weg" en 'de

XC'radio' onder zijn beheer zou krijgen; beter zou het zijn indien eerst nog eens 'overleg' gepleegd werd tussen vertegenwoordigers van a. 'kerken, voorm. poL partijen enz.', b. 'leiding OD', c. 'leiding beheer v. 'onze' weg', d. 'enkele vertegenwoordigers v.d. ill. actie voor het ev. practische werk.' Jegens Vorrink speelden van Randwijk en Six open kaart: zij berichtten hem dat zij zijn nota gelezen hadden en stuurden hem afschrift van hun commentaar. V orrink was des duivels. Hij zal, nemen wij aan, van Randwijk wel gezien hebben als een idealist die het abc van de politiek niet kende, en er zich over verbaasd hebben dat de hoofdredacteur van een christelijksocialistisch illegaal blad als Vrij Nederland zich politiek gelieerd had aan de chef-staf van de OD, van wie Vorrink voldoende gehoord had om hem als een gevaarlijke sinjeur te beschouwen. 'Schimmelpenninck', zo vertelde hij later aan de Enquêtecommissie, 'was, naar mijn smaak, een eerlijk en onnozel man. Zó beschouwde ik Six niet en daarom heb ik in deze tijd angstvallig vermeden, contact met hem te leggen." Overigens maakte Vorrink zich over de pretenties van de OD niet al teveel zorgen: er was nu eenmaal 'tweemaal bericht uit Zwits.: Nat. Com. door regering erkend' - Vorrink vertrouwde dat de schriftelijke bevestiging niet al te lange tijd op zich zou laten wachten; daarna zou het Nationaal Comité een monopoliepositie bezitten waarvan het een effectief gebruik zou kunnen maken." Wenselijk was die bevestiging wèl. 'Men zei', zo gafVorrink jegens de Enquêtecommissie de stemming in het Nationaal Comité weer: 'wij zijn geautoriseerd, maar toch met het gevoel: wij hebben de OD nog niet helemaal de ~ek omgedraaid.'?

XC1 Tekst: a.v., dl. VII a, p. 166-67. 2 Getuige J.J. Vorrink, a.v., dl. IV c, p. 1737. 3 Het was aan het Nationaal Comité bekend dat in die tijd in christelijk-historische kring een studiegroep onder leiding van Bosch van Rosenthal bezig was een rapport op te stellen waarin uiteengezet werd hoe men in de overgangstijd bij het feit kon aansluiten dat de staat van beleg nog bestond. Na een vergadering van het Nationaal Comité op 26 augustus' 42 noteerde Menten : 'Er is een gezelschap dat Staat van Beleg enz. bestudeert en nu een nota naar Londen zendt. Dezerzijds bezwaar tegen contact met Londen tegen 011S in. Dat geeft verwarring aldaar. De B(oe)r zal , daarom proberen de verzending te torpederen.' (Collectie-E. E. Menten). 4 Getuige J. J. Vorrink, Enq., dl. VII c, p. 183·

201 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

XCIn afwachting van zijn schnftelijke erkenning had het Nationaal Comité de werkzaamheden voortgezet. Verschuur had in de herfst een lange nota geschreven, aan de regering gericht, waarin de in het comité levende denkbeelden in den brede ontvouwd waren.! Die nota ging er van uit dat er in Nederland van de ene dag op de andere (na een staatsgreep in Duitsland?) opeens geen bezettingsgezag meer aanwezig zou zijn. In die 'weinige uren of dagen ... zou in geval van anarchie onherstelbare schade kunnen worden geleden'. Gelukkig, de staat van beleg bestond nog 'in latente vorm', welnu: 'de buitengewone bevoegdheden' die uit die staat van beleg voortvloeiden, moesten door 'een burgerlijk gezag' uitgeoefend worden; daarin kon de Nederlandse Unie gemakkelijk gemist worden: zij had 'haar bestaansredenen verloren.' Van gezagsuitoefening door de secretarissen-generaal kon geen sprake zijn: 'een der eerste daden van het Nationaal Comité' zou moeten zijn, 'hen zonder uitzondering met tijdelijk verlof te zenden'. 'Allereerst' zou nodig zijn, 'dat de orde wordt gehandhaafd' (geen 'Bijltjesdag'I):

XC'Orde en nog eens orde zal voor de overgang nodig zijn. Het is ondoenlijk geacht, voor te bereiden de vorming van een ordedienst, welke over het gehele land bij wijze van een politie-corps of van een militie zou gereed staan. Regelmatige opbouw in rangen, stelselmatigeverdeling over het land eiseneen werkzaamheid, welke thans niet kan plaats vinden. Dit ideaal loslatende moet men met ietsmeer bereikbaarsvolstaan.'

XCWat was dan wèl bereikbaar? Het Nationaal Comité had in de twintig belangrijkste steden al afgesproken wie er als burgemeester zou optreden, en 'buiten verband met burgemeester en politie moet er van ordehandhaving geen sprake zijn' - weg, OD! 'In de overgangsdagen' moest er voorts 'een nationale omroep' komen. Op persgebied diende aan de dagbladen die nog steeds uitkwamen, een verschijningsverbod opgelegd te worden; het beste leek 'de inrichting van een eenheidscourant, welke onmiddellijk verschijnt onder leiding van een groep eerbare journalisten' - 'weldra' zou men in die 'eenheidscourant' dan 'een of twee kolommen' beschikbaar kunnen stellen 'voor de bediening van de speciale lezerskring'; 'het lid nummer S' van het Nationaal Comité (Vorrink) was al met de voorbereiding van die 'eenheidscourant' bezig. Dat leek hoogst wenselijk: 'Extremistische bewegingen zouTekst: a.v.,a, p.

1 dl. VII I57-62.

202 [PDF]
ACTIVITEIT VAN HET NATIONAAL COMITÉ

den bij de gisting der geesten een gevaarlijke rol kunnen spelen. Dat moet worden voorkomen door de beschikking over persen en papiervoorraden aanvankelijk in centraal geregelde banen te leiden.'

XCMen ziet: deze nota (waarin ook nog een aantal financieel-economische maatregelen werd opgesomd) ademde, wat de overgangstijd betreft, eigenlijk een niet minder autoritaire geest dan de stukken die Six had laten opstellen. Zij werd, in afwezigheid van Jan Schouten, door het Nationaal Comité goedgekeurd en een exemplaar, gedateerd I november '42, werd, vermoedelijk zowel via de Zwitserse als de Zweedse Weg, naar Londen gezonden.

XCEr kwam geen antwoord, er kwam geen schriftelijke machtiging.

XCVan Dijk, Menten en Ringers vergaderden opnieuw op 26 november. 'Er is geen opdracht van H.M.', noteerde Menten. Hij zou opnieuw overgaan tot 'contact met Zw(itserland) om te vragen om een machtiging'; van Dijk zag daar niet veel in: 'is bang dat V(isser) 't H(ooft) een eigen spel speelt.'1 Het was alles bij elkaar een hoogst onbevredigende situatie: al bijna een jaar lang was men tezamen bezig een ordelijk overgangsbewind voor te bereiden - en nog altijd wist men niet met zekerheid of dat streven door de regering goedgekeurd werd, en bezat men ook geen enkel stuk waarop men zich beroepen kon indien anderen (Six of de secretaris-generaal van binnenlandse zaken, Prederiks) in het uur der bevrijding de macht aan zich zouden trekken. Pas in de loop van december ging V orrink de zaak beduidend hoopvoller inzien. Om te beginnen bleek hem dat de gewezen onderdirecteur van de Fokkerfabrieken, J. E. van Tijen, die hij in de zomer van '42 voor het eerst ontmoet had, een zorgvuldig plan had uitgewerkt om vanuit de Zeeuwse wateren naar Engeland te ontsnappen. Van Tijen zou kopieën van de door Vorrink en door het Nationaal Comité opgestelde rapporten kunnen meenemen. Hij liet overigens omstreeks Kerstmis '42 het ontsnappingsplan per boot vallen omdat een van V orrinks naaste medewerkers in de illegaliteit, de journalist L. J. van Looi, hem toen namens Vorrink berichten kon dat hij binnenkort per vliegtuig naar Engeland zou kunnen gaan. V orrink en van Looi waren namelijk met een Engelse geheime agent in contact gekomen die een vliegtuig kon ontbieden. De man had een zender meegebracht en stond regelmatig met Engeland in contact. Van Tijen was van harte voorstander van het nieuwe plan. Het leek Vorrink toen wenselijk dat van Tijen vóór zijn vertrek persoonlijk met alle leden van het Nationaal Comité kwam overleggen, 'opdat hij', aldus Vorrink,20

1 E. E. Menten: Notitie, 26 nov. I942 (Collectie-E. E. Menten).

203 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

'niet zou hoeven zeggen: ik heb met die rooie Vorrink gesproken, maar opdat hij zou kunnen zeggen: ik heb met aile heren gesproken en dat is de mening van de zes politieke partijen.'!

XCIn het kantoor van Schouten vond op II januari' 43 die bespreking met van Tijen plaats. Menten tekende aan':

XC'5 (Vorrink) heeft beschikking over een zender, enige minuten per nacht, dubbel gecodeerd.

XC1 (Menten) : ... Er moet orde komen. 1-5 (Meuten, Ringers, Schouten, Verschuur, Vorrink) moeten de erkenning hebben, anders wordt het een warboel. Daarvoor moet er een erkenning zijn. De overigen zijn het er mee eens....

XC3 (Schouten) formuleert een ontwerptelegram dat 5 (Vorrink) zal verzenden, o.m.: wij zullen niets doen dat materieel tegen de constitutie ingaat en voorts dat wij niets doen dat de regering zou binden voor de toekomst ...

XC5 (Vorrink) deelt mede dat Londen graag weet wat wij doen om dan met hetgeen zij doen te coördineren.

XC1 (Menten) en 3 (Schouten) over de radio-organisatie en het vacuum. Radio staat onder het comité ...

XC1 (Menten) acht de eenheidscourant te weinig uitgewerkt ... Toezicht op de pers nodig, omdat onder vacuum toezicht moet zijn om verkeerde voorlichting te voorkomen, om profiteurs te hinderen.

XCGevaar communisme bezweren.

XCHet zal dan nodig zijn met politie in te grijpen als illegaal geschreven wordt.

XC3 (Schouten): Er moet begonnen worden met een persverbod."

XCEén dag later, 12 januari, werd Menten gearresteerd.

XCDe overige leden van het Nationaal Comité vernamen spoedig dat die arrestatie niet met het comité te maken had, maar voortvloeide uit de fmanciële hulp die Menten aan enkele spionagegroepen verleend had. Zij konden hun vergaderingen hervatten en er vond er geen plaats waarin V orrink niet kon bevestigen dat hij over een niet aileen goedwerkende maar zijns inziens ook volstrekt veilige verbinding met Londen beschikte; de nieuwe geheime agent was zijn gewicht in goud waard. V orrink kon de bewijzen van's mans betrouwbaarheid op tafel leggen: Engelse thee, Engelse chocolade, Engelse sigaretten.Getuige J. J. Vorrink,dl. IV c, p.E. E. Menten: Notitie,jan.(Collectie-E. E. Menten). Men zal de laatste zin wel zo moeten interpreteren dat Schouten een algemeen persverbod wenste waarvan ontheffingen zouden kunnen worden gegeven.

1 1735. 2 II 1943

204 [PDF]

Het'Spiel' tegen Vorrink

XC

XCVan Londen uit waren in februari' 42 twee pogingen ondernomen om met Vorrink in contact te komen: door MI-6 via de agent jhr. E. W. de Jonge, door SOE via de agent George Dessing. Beiden hadden van Vorrink te horen gekregen dat hij niet bereid was, het bezette gebied te verlaten. Dessings missie was voorbereid met medewerking van Meijer Sluyser, ambtenaar van de Regeringsvoorlichtingsdienst te Londen, di~ naast zijn ambtelijke werk nauwe relaties met SOE onderhield. Sluyser had SOE ten behoeve van Dessing twee 'aanloopadressen' in Amsterdam gegeven: de gezusters Lelie, en Alex Wins en zijn vrouw - vier Joodse socialisten van wie Sluyser vertrouwde dat zij Dessing rechtstreeks dan wel via van Looi of Karel van Staal, beiden aan alle vier goed bekend, in contact konden brengen met Vorrink. Ter introductie bij de gezusters Lelie had Dessing twee exemplaren van een fotootje van Sluysers dochtertje Marijke meegekregen, in Engeland genomen; waren de gezusters Lelie niet bereikbaar, dan moest Dessing naar Wins gaan, vragen of 'Sander Rewochem' thuis Was ('rewochem' is het Hebreeuwse woord voor 'winst'; Wins, die goochelaar was, had vroeger als journalist van het pseudoniem 'Sander Rewochem' gebruik gemaakt). Aan Wins moest Dessing vragen, in contact gebracht te worden met 'Pinus' , de naam waaronder Levin'usJ. van Looi bij zijn naaste vrienden bekend was; dezen noemden hem ook wel 'Fia'.

XCHet was voor Dessing niet nodig, zich tot Wins te wenden: de gezusters Lelie vingen hem op. Overigens werd zijn missie een mislukking. Molenaar, de marconist met wie hij had moeten samenwerken, verongelukte en hij zat dus zonder verbinding. Vorrink en van Looi zonden hem begin augustus naar Zwitserland, maar Dessing kwam niet verder dan Brussel. Eind augustus was hij weer in Amsterdam terug.

XCDit alles had betekend dat SOE maandenlang niet wist of Dessing al of niet bij Vorrink iets bereikt had. In de zomer werd overwogen opnieuw contact met Vorrink te zoeken, en een van de agenten die door de Dutch Section van SOE naar bezet gebied gezonden werd, de saboteur-marconist" G. F. van Hemert, kreeg veiligheidshalve een exemplaar van het fotootje van Marijke Sluyser mee, overigens met de mededeling er bij dat hij nog wel zou horen, welk gebruik hij van dat fotootje moest maken.

XCVan Hemert werd op 24 juli '42 gedropt en bij aankomst gearresteerd. 'Je bent door Londen verraden', werd hem gezegd. Hij gaf zijn code en al zijn security-checks prijs en via zijn zender openden Schreieder en Giskeseen nieuwe 'lijn' in het Englandspiel - de zevende. Het fotootje van Marijke 20

205 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

Sluyser werd door de twee Duitsers zorgvuldig opgeborgen; waar het voor diende, wist ook van Hemert hun niet te vertellen.

XCEind september of begin oktober ontving Sluyser via Portugal een brief van van Looi waar o.m. het volgende in stond:

XC'Ikzelf heb het nogal druk gehad sinds ik met Loen (Dessing) geassocieerd was. Prettig werk en een prettig collega. Alleen: de omstandigheden zaten ons nogal eens tegen ... Er zou ook nog een broer van Loen in het Geschiift komen (Molenaar), maar dat is bij losse beweringen gebleven. Dat was erg jammer, want die beschikte juist over de nodige technische kennis die aan ons zaakje ontbrak. Wij hebben toen een aantal maanden doorgewerkt, zo goed en zo kwaad als het ging en daarna hebben we het bedrijfje voorlopig stop moeten zetten. Loen is nu met Ilg, de metaalbewerker+; . . gaan praten, teneinde weer bij zijn oude baas (SOB) in dienst te komen. Ik zet de zaak op bescheiden voet voort, in de hoop dat de geschikte technische hulpkracht toch nog eens opduikt. Tja, so ist das Leben!

XCP.S. Deze briefis een paar dagen blijven liggen en inmiddels is Loen weer bij mij gekomen: het is niets geworden met Ilg. Wij gaan nu maar weer samen doen."

XCKorte tijd nadat van Looi deze brief geschreven had, vertrok Dessing voor de tweede maal naar het zuiden. Dat vernam Sluyser niet.

XCOp 3 november '42 werd Sluyser bij de koningin ontboden. 'In dit gesprek' (wij citeren het verslag van de Enquêteconunissie) 'deelde zij aan M. Sluyser mee dat zij het op prijs zou stellen als V orrink zich rechtstreeks tot haar wendde."'Rechtstreeks' - dat wilde zeggen: buiten de ministers en buiten de Nederlandse geheime dienst om. Sluyser was de koningin ter wille. Hij wendde zich tot SOB-Dutch en het gevolg was dat op I2 november instructie uitging naar van Hemert (die al drie-en-een-halve maand gevangen zat) om zich in Amsterdam bij het adres van Wins te vervoegen, daar te vragen naar 'Sander Rewochem' en deze te verzoeken, hem met 'Pinus' inL.J.

1 Naam van een Zwitserse vakbondfunctionaris, bedoeld als aanduiding voor Zwitserland "Brief, z.d. (sept. 1942) van van Looi aan M. Sluyser (Collectie M. Sluyser, I). 3 De Enquêtecommissie heeft met deze zin in haar verslag dl. IV a, p. 662) de norm overtreden die zij zichzelf gesteld had: geen mede delingen te doen over het beleid van koningin Wilhelmina. De betrokken passage komt in het protocol van Sluysers verhoor (a.v., dl. IV c, p. 275-78) niet voor; zij is er vermoedelijk uit geschrapt. Dat de passage in het verslag wèl voorkomt, kan bezwaarlijk toeval geweest zijn.

206 [PDF]
CONTACT MET 'FINUS'

contact te brengen. SOE seinde die laatste naam overigens als 'Penus' over, dat immers in het Engels als 'Pinus' uitgesproken wordt. Aan 'Penns' moest van Hemert ter introductie het fotootje van Marijke Sluyser tonen.

XCWat, zo vroeg Schreieder zich af, stak achter die opdracht?

XCHij wist het niet. Hij besloot, van der Waals naar het opgegeven adres te laten gaan. Toevallig vervoegde deze zich daar één dag voor Wins en zijn vrouw zouden onderduiken. Ja, Wins bleekSander Rewochem' te zijn. Van der Waals diende zich aan als een geheim agent van de Nederlands-Engelse dienst, 'Anton de Wilde', 'eerste luitenant voor speciale diensten'; hij vroeg naar 'Penns' . Dat begreep Wins niet, tot het hem daagde dat vermoedelijk 'Pinus' bedoeld werd. Hij zocht contact met Karel van Staal, van Staal kreeg uit de verhalen van 'Anton de Wilde' de sterke indruk dat deze bonafide was; hij waarschuwde van Looi (die in Epe ondergedoken zat) en er vond op 19 november een eerste gesprek plaats tussen van Looi en 'Anton de Wilde'; 'de Wilde' toonde het fotootje van Marijke Sluyser. Dat wekte bij van Looi verdenking. Van Looi wist dat Dessing dat fotootje óók al meegekregen had; hij vond het vreemd dat een geheime dienst tweemaal hetzelfde intreductiemiddel gebruikte. 'Door wie is u eigenlijk gezonden?' vroeg hij. "Door Captain Blunt', was het antwoord. 'Waar hebt u uw opleiding gehad?' Ik kreeg hetzelfde antwoord dat ik van Dessing had gekregen: 'Dat mag ik u niet zeggen.' Ik vroeg: 'Wat voor opleiding hebt u gehad?' Hij vertelde mij dat, en het klopte Op een gegeven ogenblik staken wij ... een sigaar op. Ik sneed het puntje van mijn sigaar af met een mes dat ik uit mijn zak haalde, waarop van der Waals zei: 'Dat mes dient anders niet om puntjes af te snijden, het dient om de lijnen van een parachute af te snijden.' Het was inderdaad een mes zoals de parachutisten bij zich droegen 1 ••• Van der Waals vertelde mij ook dat hij marconisten bij zich had.'2

XCMarconisten! Van Looi besloot, zich er via hen terdege van te vergewissen of 'Anton de Wilde' inderdaad door een Londense geheime dienst uitgezonden was. Hij had sinds' 40 Sluyser verscheidene brieven doen toekomen en herinnerde zich dat hij de tweede brief, mede namens V orrink verstuurd, ondertekend had met de namen 'Fia en Koert' - 'Koert' was een voornaam die Vorrink wel eens gebruikte. Van Looi zei tegen 'de Wilde' dat hij eerst van diens betrouwbaarheid overtuigd zou zijn indien Radio Oranje een boodschap uitzond waarin de namen voorkwamen waarmee hij zijn tweede brief aan Sluyser ondertekend had. Dat moest hij maar aan Londen berichten!

XC1 Van Looi had het van Dessing gekregen. 2 Getuige 1.]. van Looi, Enq., dl. IV c, p. lala. 20

207 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

XCSchreieder waagde het er op.

XCVia van Hemerts 'lijn' werd van Loois opdracht naar SOB-Dutch geseind. SOB-Dutch vroeg aan Sluyser, welke namen onder de tweede brief stonden die hij van van Looi ontvangen had. 'Ben je er zeker van', vroeg Sluyser aan de officier van SOB-Dutch die zich met hem in verbinding stelde, 'dat degene die om bevestiging vraagt, dezelfde knaap is die je naar Holland hebt gestuurd? Hij zei: wij hebben zijn radiohand vergeleken met de grammofoonplaat'l - dat was de opname die SOB van elke marconist maakte voor hij op zijn missie uitgezonden werd.

XCSluyser ging zijn correspondentie raadplegen.

XC'Hier is een bericht voor Fia en Koert: heb vertrouwen.'

XCZo luidde de boodschap die op de avond van 23 november' 42 door Radio Oranje uitgezonden werd. En 'ik houd tegenover een ieder vol', zei van Looi zes-en-een-half jaar later tot de Enquêtecommissie, 'dat dit in oorlogstijd een voldoende anker was om er voor te gaan hggen.'2

XCSpoedig bracht van Looi 'Anton'de Wilde' met Vorrink in contact. Dat betekende dat twee personen in grote innerlijke spanning geraakten: Vorrink die in 'Anton de Wilde' een geheime agent met zendverbinding tegenover zich meende te hebben die voor het contact met de regering kon zorgen dat hem, Vorrink, na de tegenwerking door Six en van Randwijk uiterst welkom was, en Schreieder die eindelijk de triomf beleefde dat hij er in geslaagd was, tot Vorrink door te dringen die zich meer dan twee jaar lang zo effectief had weten af te schermen. Onmiddellijk gaf Schreieder de algemene instructie uit dat geen van de Aussenstellenleiter van de Sicherheits polizei enig spoor dat in de richting van Vorrink of de leden van zijn groep wees, mocht volgen, laat staan in die kring arrestaties verrichten. Er werd een groot Spie! op touw gezet. Schreieder zou het uiteindelijk vier volle maanden volhouden, uiteraard via van der Waals, of beter: via de 'luitenant voor specialediensten, Anton de Wilde'.

XC1 Getuige M. Sluyser, a.v., p. 277. 2 Getuige L. J. van Looi, a.v., p. IOIO.

208 [PDF]
'BERICHT VOOR FIA EN KOERT'

'De Wilde' kwam in een steeds nauwer contact met van Looi. Hij vertelde daarbij dat hij van beroep ingenieur was, dat hij familie had in Doorn en dat hij een verre neef was van de minister-president, prof Gerbrandy. Die mededelingen werden door van Looi niet geverifieerd. Deze had daar na het uitzenden van de boodschap: 'Hier is een bericht voor Fia en Koert: heb vertrouwen', geen enkele behoefte aan. Ja, hij hàd vertrouwen, een onbeperkt vertrouwen, in die intelligente en hulpvaardige 'Anton de Wilde' die week in, week uit, nieuwe tastbare bewijzen op tafellegde dat, zoals hij zei, Engelse zendingen hem regelmatig bereikten: Engelse thee, Engelse chocolade, Engelse sigaretten, een Engelse regenjas, Engelse revolvers, Engelse stenguns, Engelse munitie. Van Looi verhuisde naar Amsterdam, 'Anton de Wilde' nam zijn intrek bij hem. Van Loois achttienjarige dochter was zeer gevoelig voor de attenties van die moedige 'geheime agent'; ze verloofde zich met hem, ze trad met hem in het huwelijk.

XCNiet minder groot was het vertrouwen van Karel van Staal-, niet minder groot dat van Vorrink.

XCIn de tweede helft van december stelde Vorrink de tekst op van een lang telegram aan de koningin dat 'de Wilde' naar Engeland moest doorgeven.ê De inhoud was goeddeels gelijk aan die van zijn rapport van 6 oktober waaruit wij eerder de belangrijkste passages citeerden. Welhad Vorrink in zijn telegram een aantal actuele gegevens opgenomen. Hij schreef nu ook over de Joodse Raad: 'Joodse Raad administratief hulporgaan Duitsers'. Hij herhaalde zijn voorstel datvan Londen uit aangekondigd moest worden dat, indien de Duitsers hun vervolging van gehele volksgroepen niet staakten, successievelijk met name ,genoemde Duitse steden zwaar gebombardeerd zouden worden. Hij memoreerde de collaboratie van het Nederlandse overheidsapparaat ('leveren Joden, arbeiders, gijzelaars, illegale strijders aan beulen uit') en signaleerde in dat verband speciaal de secretarissen-generaal Frederiks en Verwey.

XC'De Wilde' nam de tekst mee. Schreieder pleegde overleg met het Reicks kommissanat. De passages over het overheidsapparaat en over Frederiks en Verwey werden uit de tekst geschrapt, die over de Joodse Raad aldus ge

XC1 Toen de bankbiljetten van f 500 en f 1000 op 13 maart '43 ongeldig verklaard werden, moest van Staal zich dagenlang grote moeite geven om briefjes van f I 000 die hij onder zich had en die ten dele van Joodse onderduikers afkomstig waren, toch nog ingewisseld te krijgen. 'Methoeveel briefjes zit je nog?' vroeg 'de Wilde' hem. 'Geef ze mij maar. Ik krijg toch alles van de koningin terug en dan ben jij meteen van die zorg af.' 'Ik gaf hem', schreef van Staal na de oorlog, 'vijftien briefjes van duizend, en heb daar natuurlijk het nazien naar gehad.' (K.R. van Staal: Van muzikant tot reclameman (1949), p. 180). 2 Tekst: Enq., dl. IV a, p. 674-75. 20

209 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

wijzigd: 'Hulp geregeld door Joodse Raad'. Vervolgens werd de tekst in gedeelten geknipt. Met dat al vroeg Schreieder, die wist dat een marconist slechts een minuut of tien in de lucht mocht zijn, zich af of SOE geen verdenking zou putten uit het feit dat zo lange telegrammen doorgeseind werden. Hij besloot dat risico te aanvaarden en begon de telegrammen door te geven, overigens met de klacht van 'van Hemert' er bij dat ze zo lang waren. Toen SOE-Dutch op 12 januari '43 het eerste grote gedeelte van de gedecodeerde teksten aan het Nederlandse departement van oorlog deed toekomen voor doorzending aan de koningin (de Engelse dienst leende zich niet voor rechtstreekse berichtgeving aan haar), werd daarbij opgemerkt:

XC'We have already pointed out to your operator that he should use his judgment in regard to the matter which he will transmit, explaining tacifully to the originator that long messagesgiving information oj a general nature already well known in this country, should not besent?»

XCWat Vorrink in eerste instantie precies van 'de Wilde' te lezen kreeg, weten wij niet. 'Die ganze Reaktion von der anderen Seite war', aldus Schreieder, 'ein Funkspruch derfolgenden Sinn hatte: 'Die Dinge interessierenuns nicht,für uns ist primär die Einhaltung der Sendezeit massgeblich.' Das war praktisch der Inhalt des Funkspruchs. Er bezog sich auch auf die Judenfrage. Ich kamt mich erinnern, dass ich seinerzeit mit Rauter, bessergesagt: Rauter mit mir, gesprochen hat und dass Rauter sagte: 'Diesen Funkspruch sollte man in der holländischen Presse veröJfentlichen.' '2

XCWij willen hierbij opmerken dat de door deze passage gewekte indruk niet juist is. Het eerste telegram dat SOE aan 'van Hemert' zond, was namelijk niet' die ganze Reaktion'. Er volgde een nadere reactie waaraan beraad met de Engelse autoriteiten ten grondslag gelegen had. Die nadere reactie die vermoedelijk medio maart bij Vorrink binnenkwam, hield in dat de regering de door Vorrink bepleite represaille-acties' politiek te gevaarlijk' vond, 'men (was) bang voor represailles van Duitse kant'", 'in this way the misfortunes of the country would be increased.": Vorrink kreeg dus wel degelijk antwoord, zij het laat. Bovendien had hij het feit dat minister-president Gerbrandy begin februari het gehele overheidspersoneel in een krachtige radioSOB-DutchAbwehrstelleSpiel(Bnq.,

1 Brief, 12 jan. 1943, van aan de minister van oorlog (a.v., p. 660). 2 Getuige]. Schreieder, a.v., dl. IV c, p. 71. 3 Getuige].]. Vorrink, a.v., p. 1733. 4 Deze formulering treft men aan in de Engelse vertaling van een rapport van de F aan Berlijn, 26 maart 1943, waarin een overzicht gegeven wordt van het tegen Vorrink van medio januari tot eind maart 1943. punt f, bijl. VI bij gestenc. bijl. 10)

210 [PDF]
KIK WAARSCHUWT

toespraak formeel verboden had, medewerking te verlenen aan het arresteren en wegslepen van Nederlanders, stellig als bewijs beschouwd dat Londen voor zijn suggesties gevoelig was. Hij heeft er, naar wij aannemen, óók een nieuw bewijs in gezien dat aan de betrouwbaarheid van 'de Wilde' niet getwijfeld behoefde te worden.

XCEen Nederlander, assistent-dienstgeleiderbij de belastingen, W. Kik, die zich vóór de oorlog in overleg met de Nederlandse geheime dienst in de Duitse spionagegroep van Protze naar binnengewerkt had en die tijdens de bezetting met diens milieu in relatie gebleven was, nam medio februari' 43 aan een etentje deel waar twee functionarissen van de Sicherheitspolizei aanwezig waren. Er werd stevig gedronken, de tongen raakten los. De twee mannen van de Sicherheitspolizei gingen opscheppen over de prestaties van hun dienst: tientallen door Engeland uitgezonden geheime agenten waren hun in handen gevallen, 'met wapenen en nog veelmeer, en dat ging maar door', zeiden ze. 'Die dummen Hollander hadden niets gemerkt!' Ze moesten er die nacht weer op uit om agenten op te vangen.' Kik knoopte dit allesin zijn oor. Hij zocht onmiddellijk in Den Haag een van de firmanten van Heldring & Pierson op, jhr. J. A. G. Sandberg; deze gaf het bericht aan Vorrinks vriend ds. J. Eykman door, Eykman gaf het door aan Vorrink, er bij zeggend dat het via Sandberg van Kik afkomstig was. 'Vorrink geloofde er niets van', kreeg Kik later te horen, 'maar had gezegd dat hij het wèl zou doorgeven, want hij had een prima contact met Engeland.f Vorrink vertelde dus aan 'de Wilde' wat Sandberg op gezag van Kik meegedeeld had en 'de Wilde' beloofde dat hij het bericht onmiddellijk naar Londen zou seinen.

XCDat dat laatste niet geschiedde, behoeft geen betoog.

XCVermoedelijk had omstreeks die tijd, medio februari, nog een tweede waarschuwing, veel vager overigens, Vorrink bereikt. Twee maanden eerder, op J6 december' 42, had Visser' t Hooft telegrafisch aan Londen doen weten dat het Grootburgercomité aandrong' op schriftelijke bevestiging van regering om leiding in handen te nemen, als het nodig is.' Op de r Sde had Gerbrandy, ook per telegram, een antwoord gezonden waarin hij herinnerd had aan de wens van de regering dat van Genève uit zowelmet het Groot

XC1 In het kader van het Englandspiel zijn agenten opgevangen in de nachten van 13 op 14, van 16 op 17 en van 18 op 19 februari '43. 2 W. Kik, 9 okt. 1957.

211 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

burgercomité als met de OD contact zou worden opgenomen, en op het vreemde bericht dat via de zender van dr. Brouwer binnengekomen zou zijn, aldus gezinspeeld had:

XC'Regering in hoge mate verontrust door verschillende gegevens in laatste weken die er op wijzen dat op een of andere wijze berichten en instructiesnaar Nederland worden gezonden die zogenaamd van Ned. regering afkomstig zijn stop regering heeft nog geen antwoord ontvangen poging contact met Grootcomité en OD stop verzoeke zeer dringend poging aanwenden beide organisaties te doen waarschuwen stop hier bestaat ernstige vreesvoor Gestapotruc of onbevoegde handeling.'?

XCWij nemen aan dat deze waarschuwing via de Zwitserse Weg aan het Nationaal Comité, d.w.z. in de eerste plaats aan Vorrink, doorgegeven werd. Wel- hij was er zeker van dat wat hij uit Londen hoorde, niet 'zogenaamd van Ned. regering' afkomstig was: hij stond.via 'de Wilde' ontwijfelbaar met de regering in contact; zijn fantasie ging niet zo ver dat hij zich kon voorstellen dat dat contact via een Duitse zender plaatsvond.

XCEr is, voorzover wij weten, in Vorrinks kring niemand en in de kring van het Nationaal Comité slechts één geweest die de zaak niet vertrouwde: Schouten. Tweemaal had deze jegens Vorrink betwijfeld of 'de Wilde' was voor wie hij zich uitgaf, 'overigens in de beste vriendschap', vertelde Schouten later aan de Enquêtecommissie. Vorrink had hem de oorsprong van de aan 'Fia en Koert' gerichte boodschap van Radio Oranje verteld en had gewezen op het feit dat hem door Londen bevestigd was dat zijn telegrammen, een en al aanklacht tegen.het bezettingsregime, daar aangekomen waren 'ik heb', aldus Schouten, 'daarop gezegd: Vorrink, word niet boos, ik vind d~t geen zekerheid, maar ik moet het aan u overlaten; ik ken de man niet.'2

XCIn de lange telegrammen aan de regering die omstreeks de jaarwisseling '42-'43 door 'de Wilde' doorgegeven waren, had Vorrink niets opgenomen over de wens die zo sterk leefde bij het Nationaal Comité: dat het van de regering een bewijsstuk zou mogen ontvangen dat het als overgangsbewind erkend was. Die wens was al via Genève ter kennis van de regering gebracht.Telegram,dec.van gezantBern (namensVisser't Hooft) aan Gerbrandy en antwoordtelegram,dec.dl.a, p.Getuige J. Schouten,a.v., dl. V c, p.

1 16 1942, 18 1942 IV 162-63). 2 791.

212 [PDF]
VORRINK WENST EEN EIGEN ZENDER

Er kwam geen antwoord. Werkte SOE soms tegen? Vorrink had vernomen dat 'de Wilde' zijn telegrammen wisselde met een militaire dienst in Londen. Dat beviel hem niet. Hij wijde voor zijn politieke berichtgeving en voor de gedachtenwisseling met de regering de beschikking krijgen over een eigen zender en een eigen marconist uit Londen. Hij drong daar op aan in een stuk d.d. 20 februari' 43 waarin hij zich aanbood als 'leider van de politieke en burgerlijke inforrnatiedienst'.' Het stuk gafhij aan 'de Wilde'.

XCVorrinks wens plaatste Schreieder voor moeilijkheden. Een eigen zender kon Vcrrink van hem krijgen, maar een marconist uit Londen was teveel gevraagd: die man zou een eigen zendschema en code meebrengen en dat zou betekenen dat Vorrink behalve via 'de Wilde' ook nog via een eigen zender met Londen in contact zou komen; bovendien: de nieuwe marconist zou stellig van het bestaan van 'de Wilde' vernemen - dat was wel het laatste wat Schreieder begeerde. 'De Wilde' bracht het antwoord over dat z.g. uit Londen ontvangen was: een marconist kon niet gestuurd worden, een zender wèL Toen Vorrink die zender kreeg (een apparaat uit de voorraad van het Englandspiel), zorgde van Tijen, nog steeds niet naar Engeland vertrokken, er voor dat een van zijn kennissen als marconist ging fungeren. Er werd met dit toestel overigens maar één keer heen-en-weer geseind (in contact met een zender die in Den Haag door de Ordnungspolizei bediend werd): 'Londen' bevorderde bij die gelegenheid 'de Wilde' tot 'kapitein van speciale diensten' en benoemde van Looi tot 'luitenant'; deze ontving in het vervolg van 'de Wilde' zijn bezoldiging als officier. Nadien was het apparaat dat 'de Wilde' meegebracht had, plotseling 'defect'.

XCBegin maart toonde 'de Wilde' Vorrink een telegram dat van SOE ontvangen zou zijn: de regering wilde de namen weten van de leden van het Nationaal Comité. Het telegram was door Schreieder gefantaseerd dan wel uitgelokt. Vorrink drong er in zijn antwoord op aan dat de regering het Natio~aal Comité 'een'schriftelijke volmacht' zou verstrekken; 'hoofden van N at. Comité zijn', schreefhij verder, 'Koos Vorrink, minister Verschuur, Schouten Rotterdam, minister van Dijk: ir Ringers, bankier Menten.' Het telegram werd door Schreieder aan Londen doorgegeven'', de namen werden genoteerd.

XCVorrink hoopte op gunstig bericht, maar hem wachtte een teleurstelling: in het telegram dat hij (vermoedelijk) medio maart ontving en waarin hem bericht werd dat zijn voorstellen tot represaillebombardementen op Duitse steden afgewezen waren, kon hij ook lezen dat de regering de situatie in

XC1 Collectie-]. J. Vorrink, I h. 2 Op 13 maart stuurde SOE de gedecodeerde tekst aan prof. Gerbrandy. (Enq., dl. VII a, p. 163) 21

213 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

bezet gebied onvoldoende overzag om het Nationaal Comité als overgangsbewind te erkennen.'

XCWij nemen aan dat V orrink zich die teleurstelling niet erg aantrok. Hij begreep wel dat de regering niet veel informatie bezat. Welnu, die informatie was onderweg en vermoedelijk al bij haar aangekomen: op woensdagmiddag 10 maart had van Tijen eindelijk Amsterdam verlaten om in de avond door een Engels vliegtuig opgepikt te worden; hij had een lange brief van Vorrink aan de koningin bij zich.

XCAl van eind december' 42 af had van Tijen te horen gekregen dat hij via 'de Wilde' per vliegtuig naar Engeland zou vertrekken. Die missie werd in de loop van januari, na van Tijens gesprek met de leden van het Nationaal Comité, met kracht voorbereid en die voorbereidingen werden in februari voortgezet. Zij leken van Tijen bij uitstek zinvol: 'de Wilde' had hem naar een dropping meegenomen waar een Engels vliegtuig een container met allerlei materiaal afwierp dat' de Wilde' aangevraagd had; van Tijen twijfelde er niet aan dat' de Wilde' voor hem een vliegtuig zou kunnen bestellen. 'De Wilde' zei evenwel dat van Tijen er beter aan deed, niet te haastig te zijn: hij kon toch beter eerst de nodige gegevens verzamelen die de regering en de Engelse militaire instanties welkom zouden zijn.

XCInderdaad, een indrukwekkende hoeveelheid rapporten en andere stukken werd voor van Tijen bijeengebracht: verslagen van departementsambtenaren die met Vorrink en zijn groep in contact stonden, een lang rapport over de [odenvervolging", het signaalcodesysteem van de Duitse nachtjagers (verkregen van een lid van de Wehrmacht), spionagerapporten over de Duitse stellingen bij Den Helder (verkregen van de burgemeester, G. Ritmeester), lijsten van fabrieken in Duitsland, een schets van drie sluizen in Zuid-Limburg die men zou kunnen bombarderen (afkomstig van de directeur van de staatsmijnen, dr. ir. Ch. Th. Groothoff), kaarten met de locatie van Duitse radarstations (vervaardigd door een ambtenaar van het kadaster in Den Bosch,

XC1 Wij kennen de tekst van dit telegram niet. In de al eerder geciteerde Engelse vertaling van het rapport van Abwehr III F d.d. 26 maart 1943 wordt dit gedeelte van de inhoud als volgt weergegeven: 'Avoidance of any clear decision ... The reply was brief ... and asfar as the full powers demanded by Vorrink are concerned was equivalent to a refusal', 2 Vorrink zei later dat hij dat 'ontvangen (had) van de Joodse Raad' (Enq., dl. IV c, p. I732). Wij nemen aan dat hij het van iemand kreeg die bij de Joodse Raad in dienst was of daar contact mee had. 21

214 [PDF]
VAN TIJENS MISSIE

H. Hansen), gegevens over de vliegtuigfabrieken van Fokker en Aviolanda, rapporten over de dislocarie van de Wehrmacht in Nederland en over de politieke situatie in bezet gebied, Duitse verordeningen en een nota hoe men deze na de bevrijding weer zou kunnen opheffen, nummers van illegale bladen en, tenslotte, de brief van V orrink, 'een tamelijk dikke brief, geadresseerd aan H.M. de Koningin';' Het ging alles in een grote koffer.

XCDie koffer was bijna vol toen van Tijen op zaterdag 6 maart opeens bezoek ontving van Six, de chef-staf van de OD. Deze had van twee kanten gehoord dat van Tijen spoedig naar Engeland zou vertrekken. Six die nog steeds niet wist ofhij gemachtigd was, bij de bevrijding het militair gezag uit te oefenen, wilde van Tijen een boodschap meegeven. Van Tijen vertelde hem dat de geheime agent' de Wilde' voor zijn vliegtuig zou zorgen en zei er bij dat deze een neef van Gerbrandy was. Six schrok daarvan: hij meende te weten dat een neef van de minister-president als V-Malm optrad; hij noteerde het signalement van 'de Wilde' en zei dat van Tijen spoedig van hem zou horen. Op maandagochtend 8 maart belde hij van Tijen op: Gerbrandy's neef zag er anders uit. 'Ik was toch niet helemaal gerust', vertelde van Tijen ruim zes jaar lateraan de Enquêrecommissie." 'Toen ben ik 's middags naar van Looi gegaan; daar was de Wilde en ik heb hem à bout portani gezegd dat iemand mij had meegedeeld: degene die zich uitgeeft voor de neef van prof Gerbrandy, is een verrader. Ik had mijn revolver bij me Hij werd helemaal grauw, zodat ik dacht: het is toch niet in de haak. Hij heeft echter een verhaal weten op te hangen dat voor mij aanvaardbaar was. Hij wist te vertellen dat de Duitsers achter ons plan waren gekomen, en dit leek mij en de vrouw van van Looi die er ook bij was, een aanvaardbare verklaring."

XCIn de avond van de volgende dag, dinsdag 9 maarr', deed 'de Wilde' telefonisch aan van Tijen weten dat hij woensdagavond samen met deze zou

XC1 Getuige L. J. van Looi, a.v., p. lO13. 2 Getuige J. E. van Tijen, a.v., p. II90. a Van Tijens mededeling is niet duidelijk. Wij nemen aan dat van der Waals (die zich inderdaad voor een neef van Gerbrandy uitgegeven had) betoogde: De Duitsers weten dat een Engelse geheime agent op het punt van vertrekken staat. Zij weten óók dat een andere neef van Gerbrandy als verrader geldt en nu hebben ze het gerucht verspreid dat ik die neef zou zijn. Wij merken hierbij op dat met die neef Willem Gerbrandy bedoeld werd, geboren in 1915. De geruchten dat deze een verrader zou zijn geweest, zijn van alle grond ontbloot geweest. Hij is als verzetsdeelnemer in december' 41 in het concentratiekamp Amersfoort opgesloten, werd in de zomer van '43 ernstig ziek uit gevangenschap ontslagen en overleed kort nadien ten huize van zijn ouders. 4 Van Tijenlaat zijn gesprek met van der Waals op die dinsdag vallen. Dat moet een geheugenfout zijn: van der Waals was die gehele dinsdag in Rotterdam in verband met het 'oprollen van de groep-Pahud de Mortanges. 21

215 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

vertrekken. Samen en meteen, want om bij van Tijen (men kan zich indenken dat Schreieder de behoefte had deze, wiens achterdocht eenmaal gewekt was, onmiddellijk uit te schakelen) het laatste restje wantrouwen weg te nemen, zei 'de Wilde' nu opeens dat ook hij, 'de Wilde', naar Engeland zou vliegen. Daartoe zou, berichtte hij, het al zo lang beloofde Engelse vliegtuig in de avondschemering bij Hoorn landen. Hij maakte de afspraak dat hij van Tijen de volgende dag, woensdag IQ maart, 's middags op het station te Zaandam zou ontmoeten.'

XCVan Tijen verscheen daar. De koffer vol geheime stukken had hij bij zich. 'De Wilde' had er op verzoek van van Tijen voor gezorgd dat zich in die koffer een kleine handgranaat bevond die met een druk op een knop in werking gesteld kon worden. Van Tijen werd evenwel bij het uitgaall van het station onverhoeds besprongen en had de tijd niet om die knop in te drukken. Hij viel met al zijn spionagegegevens in Duitse handen.

XCIn de sabotagegroep-Pahud de Mortanges die de dag tevoren (9 maart) opgerold was, had 'de Wilde' via een relatie van Vorrink kunnen doordringen en via een andere relatie had hij begin januari contact kunnen aanknopen met Kees Dutilh die diezelfde ochtend (ra maart) in Leiden gearresteerd was: Schreieder moest met de mogelijkheid rekening houden dat het bericht van die arrestaties tot Vorrink en zijn groep zou doordringen. Trouwens, had die groep wellicht van Tijen laten schaduwen zodat Vorrink of anderen wisten wat zich bij het station te Zaandam afgespeeld had? Er werd een operatie op touw gezet om de status Vall 'de Wilde' als 'geheim agent' nog eens te bevestigen. Toen hij die woensdagavond met van Looi's dochter een wandelingetje maakte, werd hij bij het Rijksmuseum plotseling door een paar 'SD' ers' overvallen. Er werd gevuurd. Niemand werd gewond. Van Loci's dochter rende weg, ook 'de Wilde''ontsnapte'. En in de Amsterdamse pers verscheen op vrijdag 12 maart een bekendmaking waarin Lages f IQ 000 beloning uitloofde voor hulp bij het opsporen van 'een sedert lang gezochte, gevaarlijke misdadiger ... Signalement: 1.75 à 1.80 meter lang, slank figuur, smal gezicht, sterk gebogen neus, donker haar, donkere ogen' - de gegevens klopten met het uiterlijk van 'de Wilde'. Negen dagen later zond Radio Oranje bovendien een bericht uit dat leek te bevestigen

XC1 In de ochtend van Ia maart heeft van der Waals Kees Dutilh in Leiden in Duitse handen gespeeld.

216 [PDF]
VAN TIJEN GEARRESTEERD

dat Vorrinks stukken in Londen gearriveerd waren - Schreieder had dat via het Englandspiel kunnen regelen.

XCAl deze misleiding had het beoogde effect.Niettemin besefte Schreieder dat het tijdstip naderde waarop het Spiel tegen Vorrink zijn afsluiting moest vinden - afsluiting met massale arrestaties uiteraard. Vooral Vorrinks verzoek om een eigen zender had hem verontrust; hij kreeg de indruk dat 'de Wilde' Vorrink op den duur niet in de hand zou kunnen houden. Intussen begreep hij dat in Londen verband gelegdkon worden tussen de arrestatie van Vorrink en de zijnen en de persoon van van Hemert via wiens 'lijn''de Wilde' in de groep-Vorrink had kunnen penetreren. De vraag zou dan in Londen rijzen of van Hemert in november' 42 nog wel op vrije voeten geweest was toen SOE hem opdracht gegeven had, naar het huis van Alex Wins te gaan. Om dat gevaar te bezweren liet Schreieder medio maart enkele nieuwe arrestatiesin de OD uitvoeren. Aan SOE had' de Wilde' kort tevoren bericht gezonden, 'dat Koos Vorrink in verband met zijn contact met de OD in ernstig gevaar verkeerde en dat de mogelijkheid bestond dat bij eventuele arrestaties van leidende OD-leden ook de groep-Vorrink daarvoor in aanmerking zou komen." Nadien vertrouwde Schreieder dat men in Londen, als men daar bericht ontving van het oprollen van de groep-Vorrink en van het Nationaal Comité, geen verdenking zou koesteren die de voortzetting van het Englandspiel zou bemoeilijken.ê

XCTussen de arrestatie van de OD' ers, midden maart (een veel grotere groep werd eind april gearresteerd), en het oprollen van het Nationaal Comité moest natuurlijk niet teveel tijd verlopen. Ca. twee weken leek Schreieder de beste termijn.

XCEind februari of begin maart had 'de Wilde' Vorrink voor het denkbeeld weten te winnen om overal in het land groepen te vormen die, zodra de Geallieerden in West-Europa zouden landen, tot sabotage zouden overgaan. Vorrink had de vorming van dergelijke groepen al in de lente van '42 overwogen en met enkele vertrouwden overleg gepleegd. 'Laten wij afspreken', zei hij nu tegen 'de Wilde', 'dat ik je alleen in contact brengJ.21

1 Schreieder: p. 210. 2 Om diezelfde reden trachtte Schreieder via het contact tussen 'de Wilde' en van Looi te bewerkstelligen dat Dessing die in april '42 geconstateerd had dat de geheime agent Andringa gearresteerd was, uit het zuiden naar bezet Nederland zou terugkeren. Dat lukte niet. Wel ontving Dessing bericht van van Looi maar hij weigerde te komen.

217 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

met lieden in Leeuwarden, Groningen en andere provinciale hoofdsteden, die in staat zijn dat te organiseren, en dat de rest aan hen wordt overgelaten.'! Bij wie precies 'de Wilde' toen door V orrink geïntroduceerd werd, weten wij niet met zekerheid. De meesten waren beproefde sociaal-democraten, onder hen K. Toomstra, die, al was hij nu in Amsterdam woonachtig en werkzaam", in Friesland de nodige verbindingen ging leggen. In de belangrijkste plaatsen ging hij daar met één man 'onder vier ogen' spreken. 'Ik ontmoette', schreef hij in zijn herinneringen,

XC'nogal wat wantrouwen, wat mij nog voorzichtiger maakte. We kwamen, ook na een tweede of soms een derde gesprek, niet verder dan een principiële toezegging. De kwaliteit van de mannen was echter voor mij een voldoende waarborg dat er op hen te rekenen viel. Terug in Amsterdam liet ik weten, aan mijn opdracht te hebben voldaan, en, als het ogenblik gekomen was, nadere mededelingen te doen, niet eerder'>

XCanders gezegd: Toornstra hield de namen voorlopig geheim, Anderen waren minder voorzichtig. De groepen die Vorrink gevormd wilde zien, bestonden overigens niet alleen uit socialisten. Van Looi reisde naar Den Helder waar burgemeester Ritmeester hem niet alleen gedetailleerde schetsen van de Duitse stellingen gaf (die kwamen in van Tijens koffer terecht), maar hem ook de verzekering schonk dat 'er voor elke verzetsdaad op elk gewenst moment tweehonderd man beschikbaar waren ... Met deze mooie resultaten ging ik', aldus later van Looi, 'naar de Wilde terug die er opgetogen over was.'4

XCVeel van dit werk had Vorrink aan van Looi overgelaten. Eind maart berichtte deze aan 'de Wilde' dat de organisatie klaar was. 'De Wilde' zei hem toen dat hij in de ochtend van donderdag I april' 43 in Eindhoven ten huize van een helper in N oord-Brabant, W. Spruit, een afsluitende bespreking wilde hebben met van Looi, Vorrink en Hansen; die laatste was de man van het kadaster die aan van Tijen tekeningen van de Duitse radarstations verstrekt had. Voor's middags 2 uur maakte 'de Wilde' een afspraak met Koos V orrinks broer Adri op een nauwkeurig aangegeven punt in het station te Den Bosch, voor de volgende avond, vrijdag 2 april, met Karel van Staal in een café in Den Haag.Getuige].]. Vorrink,dl. IV c, p.had in de zomer vanontslag genomen als directeur van het bedrijf van de Arbeidersperste Leeuwarden. In Amsterdam had hij.toen een betrekking gekregen bij de schoolinspectie.Toornstra:p.van Looi:p.

1 1734. 2 Toerustra '40 3 K. (1972), 92. 'L.]. De (1948), 48.

218 [PDF]
MASSALE ARRESTATIES

XCDonderdagochtend vond de bespreking bij Spruit plaats. Nadien bracht 'de Wilde' eerst Hansen naar het station; onderweg werd deze gearresteerd. 'De Wilde' ging vervolgens V orrink en van Looi ophalen' en op het stationsplein', aldus van Looi, 'werden wij overvallen door meer dan een dozijn Gestapolieden.V's Middags om twee uur werd Adri Vorrink (die zijn broer van '40 af in het verzetswerk terzijde gestaan had) in Den Bosch op het afgesproken punt gevangen genomen. Trouwens, in tal van steden raasden op die dag en op de volgende de auto's van de Sicherheitspolizei rond. In totaal vonden bijna ISO arrestaties plaats. Menten, Ringers, Schouten en Verschuur, Toornstra en tal van anderen die zich tot het vormen van sabotagegroepen bereidverklaard hadden, werden ingerekend, ook de leden van het Politiek Convent (behalve mr. G. E. van Walsum die men over het hoofd zag, en W. Drees van wie vermoedelijk aangenomen werd dat hij ernstig ziek wasê), óók diegenen wier spionagegegevens men in van Tijens koffer aangetroffen had, zoals Ritmeester en Groothoff. Kik en jhr. Sandberg die V orrink in februari gewaarschuwd hadden, werden niet vergeten. Het gerucht van al die arrestaties verspreidde zich met bliksemsnelheid althans in de steden waar zij ';erricht werden. Drees dook onmiddellijk onder.

XC,s Avonds realiseerden Schreieder en van der Waals zich opeens dat zij met het uitstellen van de arrestatie van Karel van Staal een groot risico genomen hadden. Als deze constateerde dat V orrink en van Looi niet uit Eindhoven teruggekeerd waren, zou zijn achterdocht zich dan niet onmiddellijk op 'de Wilde' concentreren? Zou hij dan niet wegblijven van de afgesproken ontmoeting? Een snelle beslissing viel: van Looi's dochter ('de Wilde's vrouw) werd nog diezelfde avond door de Sicherheitspolizei gearresteerd 'de Wilde''bevrijdde' haar. Opgetogen berichtte zij dat op zijn aanraden aan van Staal. Vrijdagavond was deze precies op het afgesproken uur bij het Haagse café present. Hij werd er door vijf 'SD' ers' besprongen en een uur later had zich in de Cellenbarakken te Scheveningen een celdeur achter hem gesloten. Van Looi's dochter werd kort nadien gearresteerd."

XC1 K. R. van Staal in: Wat deed Koos Vorrink?, p. 52.

220 [PDF]
WAAROM WERD DE GROEP-VORRINK GESPAARD?

XCWij kunnen ons niet anders voorstellen dan dat de beslissing,het niet te laten komen tot een berechting van Vorrink en de zijnen alsmede van de grote groep Nationaal Comité annex Politiek Convent, in Den Haag op het hoogste niveau genomen is, d.w.z. door Seyss-Inquart; het is alleszins denkbaar dat ook het Reichssicherheitshauptamt, wellicht zelfs Himmler en Hitler persoonlijk er in gekend zijn. Wat de groep Nationaal Comité / Politiek Convent betreft, moet natuurlijk bedacht worden dat hun besprekingen, gericht als zij waren op hetgeen tijdens en na de bevrijding diende te geschieden, wel een illegaal karakter gedragen hadden, maar op zichzelf de macht van de bezetter niet hadden aangetast. Bovendien: wat voor zin had het, de voormannen van het vooroorlogse politieke Nederland en bloc te liquideren? Was het niet beter, hen als het ware op sterk water te zetten? Dood konden zij niemand meer van nut zijn, levend zouden zij wellicht nog een rol kunnen spelen als het tot een compromis-vrede kwam: men kon hen beter sparen. Welnu, Vorrink en de zijnen zijn niet berecht doordat men hen als het ware aan de groep Nationaal Comité / Politiek Convent aangehaakt heeft: men heeft hun zeer duidelijke, rechtstreeks tegen de bezetter gerichte activiteit door de vingers gezien.

XCDe belangrijksten van de op I en 2 april '43 gearresteerden werden ruim een jaar vastgehouden hetzij in het Kleinseminarie te Haaren, hetzij in de Cellenbarakken te Scheveningen. Medio april' 44 werdcri diegenen die in Scheveningen gevangen zaten, naar Haaren overgebracht. Zij werden in de Cellenbarakken drie aan drie geboeid. 'Ik stond', schreef Toornstra later, 'tussen Jan Schouten van de Anti-Revolutionaire Partij en Johannes Rutgers! en Rutgers, altijd bereid tot een grapje, fluisterde: 'Als ik straks hard wegloop, moeten jullie mee.' '2 Het verblijf van de twee groepen in Haaren duurde nadien nog geen twee weken. Jan Schouten verdween naar Mauthausen, dr. van Dijk naar Dachau; van Staal, van Looi en mr. [ockes werden naar Buchenwald gezonden, Koos en Adri Vorrink, Ringers, Rutgers, Verschuur en Toornstra naar Sachsenhausenwaar van Tijen al eerder binnengevoerd was; van hen allen zou Verschuur als enige overlijden: in april '45. Koos Vorrink werd in Sachsenhausen niet in een van de normale barakken opgenomen; hij werd strikt geïsoleerd in een klein kamertje, gelegen in een van de ziekenbarakken van het z.g. Russenlager - het kampgedeelte waar duizenden Russische krijgsgevangenen te gronde gingen. Machteloos moest hij hun peilloze misère aanzien, wetend (als alle Häftlinge in de eoncentratieJ.

1 Mr. Rutgers, die de Liberale Staatspartij in het Politiek Convent vertegenwoor digd had. 2 K. Toornstra: p. 99.

221 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

kampen) dat de kans groot was dat het ten ondergang gedoemde Derde Rijk ook hem in zijn val zou meeslepen.

XCEr is geen periode geweest waarin van der Waals als verrader en provocateur intensiever voor zijn opdrachtgevers gewerkt heeft dan het tijdvak eind november' 42-begin april' 43. Wij schreven het al eerder: als 'Anton' of 'Anton de Wilde' voerde hij het Spiel uit tegen de wijdvertakte groepVorrink, tegen Kees Dutilh en tegen de groep-Pahud de Mortanges; hoe. hij in februari tot de arrestatie van dr. Kastein bijdroeg, zullen Wijin een later hoofdstuk nog beschrijven. Maar in diezelfde periode voerde van der Waals als 'Piet van de Velde' óók nog een Spiel uit met de spionagegroep 'DienstWim' ; de meeste voormannen van die groep werden, zoals wij eerder vermeldden, op 20 juli '43 in Apeldoorn gearresteerd.

XCDaags tevoren, op 19 juli, was in Rotterdam een actie uitgevoerd die de bedoeling had, bij de Nederlandse illegaliteit en de geheime diensten te Londen waar men nu wel vermoedde dat 'de Wilde''fout' was, de indruk te wekken dat deze eindelijk was geliquideerd. In de avondschemering was van der Waals in Rotterdam z.g. ontvlucht uit een auto waarin zich drie 'SD' ers' bevonden; die waren druk gaan schieten en ze hadden van der Waals die z.g. zwaargewond neergestort was, in de auto gehesen, tegen omstanders zeggend dat zij 'illegalen' waren. De Sicherheitspolizei - Rotterdam liet twee dagen later, 21 juli, in de gehele Nederlandse pers de. bekendmaking opnemen dat 'de Nederlandse staatsburger Anthonius van der Waals' bij een schietpartij 'ernstig gewond' en 'tijdens het vervoer naar het ziekenhuis aan zijn verwondingen bezweken' was. 'Op de dode', zo heette het verder, 'werd een persoonsbewijs gevonden, uitgeschreven ten name van Antoon de Wilde. Het vermoeden bestaat dat het slachtoffer zich soms van de naam 'Antoon de Wilde' heeft bediend.' Een beloning van flo 000 werd uitgeloofd voor hulp bij het opsporen van de daders van deze 'politieke moord'. Hierdoor gedekt zette van der Waals zijn bestaan onder een nieuwe naam voort: 'baron van Lynden'. De 'baron' kon royaalleven: hij had na het Spiel tegen Vorrink bovenop zijn hoog salaris een gratificatie van f 50 000 gekregen. Hij begon een verhouding met een jong meisje dat hij, nu weer als 'Herik', in de zomer van '43 op de Kaag had leren kennen en als 'dr. Hendrik Jan van Veen' trad hij in juni '44 met haar in het huwelijk.

222 [PDF]

Terugblik

XC

XCHet heeft, dunkt ons, zin dat wij een korte terugblik werpen op de materie die wij in dit hoofdstuk behandelden.

XCWij begonnen met te onderstrepen dat het illegale werk van de zomer van '42 af een breder karakter aannam en dat zulks ook bleek uit de groei van het aantal arrestanten. Terwijl het aantal illegaallevenden tevoren wellicht in de honderden gelopen had, werden het er nu duizenden: bij de leiders en kaderleden van illegale groepen voegden zich Joodse onderduikers, jongemannen die weigerden in de Nederlandse Arbeidsdienst te gaan dienen, en arbeiders die bereid waren, hun woonadres te verlaten teneinde zich aan de arbeidsinzet in Duitsland te onttrekken. Door dit alles ging de vraag naar 'nieuwe' persoonsbewijzen en bonkaarten met sprongen omhoog, ook was er voor de steun aan die illegaallevenden veel meer geld nodig. Voor die problemen moesten diegenen die de zorg voor Joodse onderduikers op zich genomen hadden, veelal een eigen oplossing vinden. Wat de persoonsbewijzen betrof, behielpen zij zich vaak met het 'vermaken', d.w.z.: de foto van de oude houder werd door die van de nieuwe vervangen. In de eerste maanden van '42 begon daarentegen de groep- Veterman met het volledig namaken van pb's en de groep-van der Veen ging, aanvankelijk nogal primitief, van.de zomer van '42 afhetzelfde doen; zij werd door de hulp van de drukker Frans Duwaer de grootste producente van nagemaakte pb's, Maar die pb's vormden slechts één probleem. Een aanloop tot de oprichting van een nationale verzetsorganisatie werd in de herfst van '42 door de groep-Hamelink ondernomen; de groep werd in oktober opgerold. In diezelfde maand werd de eerste grote 'bonnenkraak' (joure) een succes: met de buit kon men een aantalonderduikers tijdelijk helpen en ook financiële steun bieden aan de OD en aan Vrij Nederland. Vanveel belang was dat in diezelfde tijd met steun hoofdzakelijk uit gereformeerde kringen de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers van de grond begon te komen, die zich tot taak zou gaan stellen, onderduikers zowel distributiebescheiden te geven als 'normale' arbeidsplaatsen in het productieproces,

XCTot ernstige verstoringen van dat productieproces kwam het niet: de sabotage bleef een maatschappelijk randverschijnsel. Wij memoreerden de groep-Pahud de Mortanges, de groep CS-6, en de twee communistische sabotage-organisaties: het Militair Contact en de Nederlandse Volksrnilitie. Demeest spectaculaire verzetsdaad die in de periode valt welke in dit deel aan de orde is: de aanslag op het Amsterdamse bevolkingsregister, beschreven wij overigens nog niet (hij komt in hoofdstuk 9 aan de orde), evenmin als de massale April-Meistakingen waarmee wij dit deel zullen afsluiten.

223 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

XCZiet men die stakingen als een climax (en dat wàren zij), dan mag nu reeds onderstreept worden dat de illegale pers er machtig toe bijgedragen heeft om de verzetsgeest wakker te houden. Bij Vrij Nederland, Het Parool en De Waarheid voegden zich als belangrijkste landelijke illegale bladen De Oranje krant (het blad van Johan H. Doorn), Trouw (de anti-revolutionaire afsplitsing van Vrij Nederland) en Je Maintiendrai waarvan de redactie in de lente van' 43 overgenomen werd door een groep voormalige kaderleden van de Nederlandse Unie.

XCOp deze gehele ontwikkeling heeft de regering te Londen nauwelijks greep gehad; ze heeft er door middel van de radio algemene steun aan geboden, meer niet. Er is midden in dit tijdperk (van 6 oktober' 42 toen de geheime agent Niermeyer gearresteerd werd, tot 12 maart' 43 toen H. G. de Jonge, de eerste door het Bureau Inlichtingen uitgezonden agent, arriveerde) mede door de bedriegelijke indruk die in het kader van het Englandspiel gewekt werd, een periode van ruim vijf maanden geweest waarin zich, twee-enhalf jaar na het begin van de bezetting, in bezet gebied geen enkele geheime agent bevond die door middel van een eigen zender met Londen in regelmatig contact stond. Alleen de zender van dr. Brouwer was in die periode nog in actie maar door hem werd maar weinig doorgegeven. De enige spionagegroep die af en toe van dat kanaal kon profiteren, was die van kapitein de Geus. Als andere groepen noemden wij: de 'Dienst-Wim' (van België uit opgebouwd, grotendeels opgerold in de zomer van '43, voortgezet door mr. Koch), de groep 'Luctor et Emergo' (ging zich op 'pilotenhulp' toeleggen), de groep-Kees' (voortgezet door Siewerd de Koe na de arrestatie van Kees Dutilh en het vertrek van Leendert Pot), sectie-V van de OD (opgebouwd door majoor J. Kok) en tenslotte, de groep Oosterhuis-Boererna ('Zwaantje') die het Nederlandse eindpunt vormde van de Zweedse Weg - waarnaast, toen hij injuli '43 opgerold werd, gelukkig al de Zwitserse Weg voorbereid werd. Slechts drie groepen beschikten in april' 43 over een Engelse zender: de groep Oosterhuis-Boerema, de groep-'Packard' (maar haar zender werkte niet goed) en de Radiodienst, die formeel tot de OD behoorde, maar in werkelijkheid een aparte organisatie vormde onder Jan Thijssen.

XCHet uiterst gebrekkig functioneren van de geheime verbindingen met Londen had ook zijn weerslag op de 'strijd om de macht' die, na in '41 ontbrand te zijn (men zou kunnen zeggen: tussen Schimmelpenninck en Vorrink), in '42 en in de eerste maanden van' 43 voortgezet werd tussen de OD en het Nationaal Comité; beide smeekten Londen om autorisatie van hun optreden - aan geen van beide had de regering op het moment waarop het Nationaal Comité opgerold werd (I april' 43), doen weten wat zij positief wenste. En dat laatste hing niet alleen met de tegenstellingen in het Londense

224 [PDF]
TERUGBLIK

milieu samen maar ook met het feit dat de regering zich bewust was, geen duidelijk overzicht te hebben van de opvattingen en de krachtsverhoudingen in de illegaliteit.

XCTrouwens: hoe representatief was die illegaliteit eigenlijk?

XCHet is een vraag die de regering zich stelde. Het is een vraag die ook de lezer stellen mag. Wij komen er inlatere delen op terug waarin wij ook de problemen en gevaren van het illegaal bestaan in hun algemeenheid zullen behandelen. Wat wij hier willen onderstrepen is dat de lezer zich door de veelheid van namen (namen van personen en van organisaties) die wij in dit hoofdstuk noemden, niet moet laten misleiden. Wij hebben er de activiteit in beschreven van een zeer kleine minderheid der bevolking: van kleine groepen waarvan de massa van de bevolking soms wel eens iets merkte (men denke vooral aan de illegale bladen die verspreid werdcn), maar waar zij in wezen buiten stond. Vandaar dat wij het ook verantwoord achtten, zo betrekkelijk vroeg in dit deel ons panorama van de illegaliteit op te nemen: het verzet is een onderwerp op zichzelf welks behandeling wij vooraf mochten laten gaan aan de algemene ontwikkeling in bezet gebied die wij, na wat wij daaromtrent in hoofdstuk 2 vermeldden, eerst in hoofdstuk 7 zullen voortzetten. Hier ligt ook het raakpunt met het thema dat wij, in aansluiting op hoofdstuk I, in het nu volgende hoofdstuk zullen behandelen: de Jodendeportaties van september' 42 tot mei' 43 . Want wat met de Joden gebeurde, had met de activiteit der illegale groepen één wezenlijk aspect gemeen: de meeste Nederlanders hebben er in hun dagelijks bestaan weinig van gemerkt.

225 [PDF]

Hoofdstuk 4: ]odendeportaties, tweede fase

XC

XCIn de nacht van 14 op IS juli '42 had, zoals wij eerder beschreven, de eerste trein met Joden die naar het oosten gedeporteerd zouden worden, Amsterdam op weg naar het doorgangskamp Westerbork verlaten en daarop waren tot begin september tal van andere treinen gevolgd, zowel uit Amsterdam als uit andere steden. Aanvankelijk hadden de te deporteren Joden zichzelf moeten melden voor zij hun woonplaats verlieten, maar dat hadden zovelen nagelaten (nagelaten, ook na Rauters bekendmaking van begin augustus dat elke Jood die een deportatiebevel naast zich neerlegde, naar Mauthausen gebracht zou worden), dat IV B 4 en de Zentralstelle begin september noodgedwongen tot een ander systeem overgegaan waren: de melding kwam te vervallen en voortaan werden de te deporteren Joden 's avonds na acht uur uit hun woningen gehaald en, voorafgaand aan hun transport naar Westerbork, naar een plaatselijk verzamelpunt gebracht; in Amsterdam werd dat de Hollandse Schouwburg. Daarmee begon de tweede fase van de Jodendeportaties. Het ophalen geschiedde aanvankelijk door de normale gemeentelijke politie, maar toen na enkele weken gebleken was dat de gemiddelde agent die taak niet alleen met tegenzin, maar ook zonder ijver en nauwkeurigheid verrichtte, was zij (eerst in Amsterdam, later ook elders) aan kleine geselecteerde groepen toevertrouwd: NSB'ers en Duitsgezinden die bij de politie dienden, leden van de uit NSB' ers bestaande Hulppolitie en van het Politiebataljon Amsterdam (de 'Schalkhaarders') en personeel van de Hausraterfassung; die groepen gingen er avond na avond op uit om de naam- en adreslijsten af te werken die hun door de Zentralstelle op grond van de daar aanwezige Jodenkartotheek verstrekt waren.

XCDe eerste fase van de deportaties had eennogal chaotischkarakter gedragen. Zo waren er Joden gedeporteerd die eigenlijk niet gedeporteerd hadden mogen worden: protestants-gedoopte en gemengd-gehuwde Joden, Joden die werkzaam waren in bedrijven met Wehrmacht-orders, Joden wier aanvraag om niet langer als Volljude erkend te worden, bij het bureau van Calmeyer in onderzoek was, en Joden die een aanstelling hadden bij de Joodse Raad. In totaal waren in de eerste fase, van midden juli tot begin september dus, ruim dertienduizend Joden uit Westerbork naar het oosten doorgezonden. Het werden er in september zesduizendzeshonderd-vijf-en-zev'entig

226 [PDF]
EERSTE'STEMPELS'

en er is reden om aan te nemen dat degenen die in die maand in Westerbork arriveerden, vrijwel uitsluitend uit Amsterdam afkomstig zijn geweest.

XCDat laatste kan samengehangen hebben met het feit dat in Amsterdam als eerste stad nauwkeurig kwam vast te staan, welke Joden voor deportatie in aanmerking kwamen, beter gezegd: welke Joden voorlopig niet gedeporteerd mochten worden. Die laatsten zouden in hun persoonsbewijs een stempel krijgen: 'Jnhaber dieses Ausweises ist bis auf weiteres vom Arbeitseinsatz [rei gestellt.' Een overeenkomstige aantekening moest in de kartotheek van de Zentralstelle op de persoonskaarten van de betrokkenen geplaatst worden: zij waren dan gesperrt, zoals dat heette. Daar zou het gevolg van zijn dat hun namen en adressen niet opgenomen werden op de lijstjes waarmee de ophalers na acht uur' s avonds de stad introkken.

XCNa oproepen die van de rijksinspectie van de bevolkingsregisters uitgingen, werden medio september ca. vijftienhonderd protestants-gedoopte Joden alsmede ca. achttienhonderd anderen wier aanvragen door Calmeyers bureau als serieus beschouwd werden, naar de Zentrolstelle ontboden waar het begeerde sternpel in hun persoonsbewijs aangebracht werd. Een soortgelijk stempel verwierven de Joden van sommige buitenlandse nationaliteiten (de Duitse Joden vielen hier niet onder: zij waren allen in november' 41 van hun staatsburgerschap vervallen verklaard), voorts enkele honderden Joden die op allerlei gronden speciale bescherming genoten en tenslotte enkele duizenden die als alleenstaanden of als kostwinner in bedrijven met Wehrmacht orders werkten. De lezer moet dat kostwinnerschap goed in het oog houden: hun stempel bood namelijk (als alle stempels) niet alleen bescherming aan diegene voor wie het 'eigenlijk' bedoeld was, bijvoorbeeld de arbeider in een bedrijf waar men bontmutsen maakte voor de Duitse troepen aan het Oostelijk front, maar, als hij gehuwd was en kinderen had, óók aan zijn vrouw, 'óók aan zijn kinderen. Men heeft bij de totaalcijfers de kinderen beneden de vijftien jaar meegeteld die nog geen persoonsbewijs bezaten; die jonge kinderen golden wel als gestempeld, maar kregen dus zelf geen stempel.

XCStempels werden in de tweede helft van september weer wèl aangebracht in de pb's van verscheidene duizenden Joden die gemengd-gehuwd waren: dezen hadden daartoe eerst ten overstaan van een ambtenaar van de burgerlijke stand een verklaring moeten afleggen dat zij met een niet-Joodse man of vrouw gehuwd waren.

XCHet totaal aantal der bovenbedoelde Joden dat eind september '42 onder de.sternpel-regelingen viel, is zeker niet groter geweest dan vijftienduizend. Dat betekende dat in die tijd van de ca. honderdtwintigduizend Volljuden die zich nog in Nederland bevonden (ca. twintigduizend waren vóór loktober

227 [PDF]
JODENDEPORTATIES, TWEEDE FASE

al gedeporteerd), hoogstens één op de acht tijdelijk beschermd was door het feit dat hij tot een van de opgesomde categorieën behoorde.

XCDe weergegeven cijfers waren ten naaste bij aan de leiding van de Joodse Raad bekend. Zij kon er niets aan toe- of afdoen: de beslissingen op grond waarvan de Zentralstelle de betrokken stempels verleend had, waren geheel buiten haar om genomen. Welging zij daarnaast van meet af aan haar uiterste best doen om zoveel mogelijk stempels te verwerven voor diegenen die bij de Joodse Raad in dienst waren dan wel geacht werden, 'voor het gemeenschapsleven der Nederlandse Joden onmisbaar' te zijn; dat ook die tweede groep voorlopig niet gedeporteerd zou worden, hadden Cohen en Asscher begin juli van Aus der Fünten vernomen. Hoe ver mocht men daarbij gaan? Enkele weken lang hulde Aus der Fünten zich in nevelen, maar eind juli deed hij weten dat hij er accoord mee ging indien per gemeente een vijfde van de daar woonachtige Joden door de Joodse Raad voor een stempel opgegeven werd. Er ging toen op 30 juli een circulaire van de Joodse Raad naar alle hoofdvertegenwoordigers uit: zij moesten 'in volgorde van onmisbaarheid' opgeven, wie tot dat vijfde deel behoorde. 'Het is duidelijk', schrijft Presser, 'dat hiermee al het afschuwelijke bederf van de zelf verrichte discriminatie volledig vrij spel kreeg in het Nederlandse Jodendom: het veroorzaakte een morele ontwrichting van waaruit men van kwaad tot erger verviel. '1

XCDe lijsten die vervolgens door de hoofdvertegenwoordigers opgesteld werden, zijn verloren gegaan. Vijf groepen moesten zijin elk gevalopnemen: functionarissen van de Joodse Raad (dat sloot henzelf en hun eventuele gezinnen in), functionarissen van de Joodse kerkelijke gemeente, directie en personeel van Joodse inrichtingen, directie en personeel van Joodse scholen, en bedrijfsleiders en personeel van Joodse winkels. Wat de overigen betreft, nemen wij aan dat menige hoofdvertegenwoordiger zijn best deed om bij het bepalen van wie 'onmisbaar' waren, zakelijke overwegingen te laten gelden (in Groningen achtte men het billijk, de volledige lijst door loting samen te stellen), maar het zou ons niet verbazen indien niet reeds in die vroege fase hier of daar 'vriendjespolitiek' c.q. corruptie een rol ging spelen. Was men zich bewust dat men, de 'onmisbaren' (en zichzelf) reddend, alle overigen voor deportatie vrijgaf? Cohen besefte dat ongetwijfeld, en aangezien hij dat besefniet verdragen kon, ontwikkelde hij een argumentatie die in kringen van de Joodse Raad grif aanvaard werd: het mocht dan waar zijn dat de Joodse Raad betrokken was bij het selecteren van te deporteren Joden, maar daarbij moest bedacht worden dat zó bewerkstelligd zou worden dat

XC1 J. Presser: Ondergang, dl. I, p. 289.

228 [PDF]
'TRACHTEN TE REDDEN WAT ER TE REDDEN VALT'

een gedeelte, hopelijk een groot gedeelte, in Nederland zou blijven om na de bevrijding (waar bleef de Geallieerde invasie?) een nieuwe bloei van het Nederlandse Jodendom mogelijk te maken. Medio september, bij het Joods Nieuwjaar, bracht Cohen in een vergadering van de z.g. Centrale Commissie van de Joodse Raad

XC'in herinnering dat wij thans een der zwaarste jaren (uit de Joodse geschiedenis) achter de rug hebben. Wat wij thans beleven, is echter nog niets in vergelijking met de toestanden in andere lauden.' Wij dienen dit te aanvaarden en te berusten. Het komende jaar zullen wij trachten, het lijden te verlichten van wat overgebleven is van Israël, opdat er een mogelijkheid is, dat er weder enige toekomst komt met geluk. Wij zullen trachten te redden wat er te redden valt, om met deze rest te trachten, te zijner tijd wederom de kracht van de Joden te doen ontplooien."

XC'Wij zullen trachten te redden wat er te redden valt' - dat hield in dat zoveel mogelijk Joden, hun gezinnen incluis, van de Zentrolsteile een z.g. Joodse Raad-stempel dienden te ontvangen. Begin september werd opdracht gegeven, nieuwe lijsten van medewerkers van de Joodse Raad op te stellen. Het werd een immens gedrang om op die lijsten een plaatsje te veroveren. In juli en augustus was al bekend geworden dat wie in dienst stond van de Joodse Raad, min of meer tegen deportatie beschermd was; dat was gebleken doordat die personen, ook al waren zij opgepakt (zoals in Amsterdam bij de razzia's van I4 juli en 6 augustus), toch weer vrijkwamen. Los daarvan had de Joodse Raad in de 'eerste fase' der deportaties de gelegenheid gehad om de namen van zijn employé's en van anderen die 'onmisbaar' geacht waren, van de deportatielijsten te schrappen. In de 'tweede fase' kreeg de Joodse Raad evenwel in