Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog - Deel 9 – Londen (1e band)

Alle delen:

1234-14-25-15-26-16-27-17-28-18-29-19-210a-110a-210b-110b-211a-111a-211b-111b-211c12-112-21314-114-2reg

Inhoud

XC

XCBegin

XCWilhehnina

XCEerste wetsbesluiten

XCVluchtelingen

XCStrij dkrachten

XCKoopvaardij

XCverdeeldheid

XCDe koningin grijpt in

XCDe Geers 'desertie' 5 II 15 22 3 0 39 45 78 94 Hoofdstuk 2 Koningin en minister-president 101

XCwilhelmina

XCEngelandvaarders

XCGerbrandy 108 127 134 Hoofdstuk 3 Gerbrandy's eerste jaar

150

XCNieuwe verdeeldheid

XCGeïnterneerde Rijksduitsers en 'Indische gijzelaars'

XCVan Rhijn verlaat het kabinet

XCDijxhoorn neemt ontslagjunide Sowjet-Unie overvallen

22 '41:

XCTweede kabinet-Gerbrandy

XCAmerikanen naar de West

XCSteenberghe en Welter nemen ontslag

152 162 175 177 197 202 2II 21 5

INHOUD

Hoofdstuk 4 Indië bedreigd 229

XCIndische defensie

XCHervormingen?

XCVerhouding tot Japan

XCSamenwerking met Britten en Amerikanen

XCNaar de crisis 237 242 259 266 278 Hoofdstuk 5 Indië valt

XCHulp aan Indië

XCAbda-Command

XCEinde 295 308 33 0 Hoofdstuk 6 Doorvechten! 346

XCGerbrandy's positie versterkt

XCNieuwe ministers

XCPrinses Juliana / Prins Bernhard

XCBuitengewone Raad van Advies

XCBeleid jegens bezet Nederland

XCA I enA 6

XCRegeringsfinanciën

XCRekenkamer

XCDiverse activiteiten

XCDe West 35 2 357 382 39 1 397 439 45 0 463 467 482 Hoofdstuk 7 Hulp aan Engelandvaarders en Joodse vluchtelingen SIS

XCDe regering en de Joden

XCRegeringscornmissariaat voor de vluchtelingen

XCZweden

XCFrankrijk en België

XCZwitserland

XCSpanje

XCPortugal

XCTerugblik 5 21 55 1 562 566 589 6 0 3 61 9 624

INHOUD

Hoofdstuk 8 Buitenlands beleid 632

XCGezanten naar Moskou en naar het Vaticaan

XCKleine en grote mogendheden

XCDuitslands toekomst

XCAtlantische samenwerking?

XCBenelux

XCSlot 64 1 65 1 660 669 681 685 Hoofdstuk 9 Strijdkrachten 688

XCRecrutering

XCIrene-brigade

XCNO.2 (Dutch) Troop van de Commandos

Bij de RAF / Marineluchtvaartdienst

XCMarineschepen 69 2 7 0 4 712 716 725 Tweede helft HoofdstukKoopvaardij 753

10

XCOp zee

XCDe Shipping

XCVaarplicht en vordering

XCKerstens en de reders

XCDe koopvaardij onder overheidsbewind

XCSlot 759818HoofdstukGeheime diensten 87

783 800 8 0 7 8 2 4 I I 2

XCDe diensten en hun werk

XCVanSant

't

XCOpleiding en uitrusting der geheime agenten

XCCentrale Inlichtingendienst

XCSOB-Dutch vóór het Englandspiel

XCGroep-Hazelhoff Roelfzerna / Kolonel de Bruyne

XCplan for Holland / plan B

INHOUD

XCCrisis in het inlichtingenwerk

XC'Zweedse Weg'

XC'Zwitserse Weg'

XCBureau Inlichtingen

XCBureau Bijzondere Opdrachten

XCTerugblik 9 2 6 935 938 947 960 968 Hoofdstuk: 12 'Englandspiel' 976

XCSecurity-checks

XCVerloop van het Englandspiel tot juni' 43

XCWaarschuwingen

XCHet Englandspiel in de tweede helft van '43

XCDourlein en Ubbink / Schoon schip

XCHet lot der agenten

XCSlot 98 1 987 I0 2 9 1040 1045 1066 1072 Hoofdstuk 13 Hoe Indië te bevrijden? 1086

XCDe 7 december-toespraak

XCMilitaire zaken / bestuur

XCConcentratie waar?

XCPlan I: de nieuwe vloot

XCplan 2: de mariniersbrigade

XCPlan 3 : de gezagsbataljons

XCPlan 4: het legerkorps

XCplan 5: de luchtmacht

XCDe regering en de Geallieerde strategie

XCSlot I094 lI17 lI3S lI43 lI46 II48 II55 II64 II68 II71 Hoofdstuk 14 - 'Vernieuwd' Nederland ? II82

XCDe plaats van de kerken

XCPartijwezen

XCStaatsbestel

XCRadiobestel

XCSociaal bestel

XCSlot n89 121 5 1237 1251 1256 1264

INHOUD

Hoofdstuk 15 - Bijzondere rechtspleging I Zuivering I Rechtsherstel

XCBijzondere rechtspleging

XCZuivering

XCRechtsherstel

XCSlot Hoofdstuk 16 - Economische en sociale wederopbouw

XCVoedselaankoopbureau

XCKerstens in moeilijkheden

XCNetherlands Office for Relief and Rehabilitation

XCFinanciën en economie

XCSociaal beleid Hoofdstuk 17 - Strijd om de macht

XCVier wensen van de koningin

XCBijzondere Staat van Beleg

XCHet apparaat van het Militair Gezag

XCVan den Tempel en de repatriëring

XCConflict inzake de 'kwartiermakers'

XCVan Angeren en Kerstens nemen ontslag

XCSlot Hoofdstuk 18 - De regering en de bestuursvoorziening

XCProvinciale en gemeentelijke besturen

XCVertegenwoordigende lichamen

XCOppositie

XCConflict met de koningin

XCSlot Hoofdstuk 19 - De regering en de illegaliteit

XCPro en contra de OD

XCDe Staehle-zaak en haar gevolgen

XCVan Heuven Goedhart

XCHet telegram van 8 juni '44 IX 1267 1268 1278 129° 1294 1296 .1297 13°1 13°5 13°9 1316 1324 1327 1358 1377 1388 139 2 1395 1415 1420 1421 1425 1438 1453 1461 1468 147° 1483 1489

INHOUD

Datumlijst I5II Bijlage I De Londense ministeries, mei 1940februari 1945 I5I7 Bijlage 2 Overzicht van de geheime agenten die onmiddellijk vóór of door het 'Englandspiel' in Duitse handen vielen I520 Lijst ,van illustraties 1522 Lijst van kaarten 1525 Lijst van tabellen I525 Lijst van afkortingen, gebruikt in de voetnoten I526 Register I529

ISBN 90 247 2200

Hoofdstuk I: Eerste maanden

XC

XCOp maandag 13 mei 1940 hadden koningin Wilhelmina en de nog in Den Haag verblijvende leden van het kabinet-de Geer Nederland verlaten.

XCAnderen waren hun al voorgegaan.

XCVrijdagochtend 10 mei waren de ministers van buitenlandse zaken en van koloniën, mr. E. N. van Kleffens en eh. J. 1. M. Welter, met een klein watervliegtuig van de marine van het Scheveningse strand naar Engeland gevlogen teneinde te bevorderen dat Engeland en Frankrijk zoveel mogelijk hulp zouden verlenen aan de Nederlandse strijdkrachten en teneinde contact te onderhouden, gemakkelijker dan uit Den Haag mogelijk was, met de gouvernementen in de overzeese gebiedsdelen: Nederlands-Indië, de Nederlandse Antillen 1 en Suriname. Vervolgens waren, op zondagavond 12 mei, prinses Juliana en prins Bernhard er in geslaagd zich samen met de prinsesjesBeatrix en Irene in IJmuiden in te schepen op een Britse torpedobootjager die hen naar Harwich bracht. Die zondag, derde dag van de Duitse invasie, werd nog gehoopt dat het voor het Nederlandse leger mogelijk zou zijn enige tijd stand te houden in de Grebbelinie en de Duitse parachutisten en luchtlandingstroepen te verdrijven uit hun posities op en bij de Maasbruggen in Rotterdam, maar maandagochtend (in de Grebbelinie was een bres geslagen en een Duitse tankcolonne rukte door NoordBrabant in de richting van Rotterdam op) besefte de opperbevelhebber van land- en zeemacht, generaal H. G. Winkelman, dat hij niet langer kon instaan voor de veiligheid van de regering in de residentie.

XCKoningin Wilhelmina wist wat haar te doen stond: Den Haag verlaten zij mocht de vijand niet in handen vallen. Vergezeld van de vice-president van de Raad van State jhr. mr. F. Beelaerts van Blokland, de directeur van haar kabinet jhr. mr. G. C. W. van Tets van Goudriaan, haar vertrouwde medewerker in particuliere aangelegenheden (haar 'secretaris') F. van 't Sant (oud-hoofdcommissaris van politie in Den Haag), twee leger-adjudanten, een ordonnans-officier en een lectrice kwam zij omstreeks het middaguur in Hoek van Holland aan boord van de Britse torpedobootjager 'Hereward',

XC1 Officieel heette dit gebiedsdeel 'Curaçao' - wij gebruiken liever de term 'Nederlandse Antillen'.

EERSTE MAANDEN

Zij gaf opdracht naar Breskens te varen. Zou men daar aan land kunnen gaan? Zekerheid kon niet verkregen worden - teneinde zijn eigen positie niet te verraden, mocht de commandant van de 'Hereward' geen radiocontact opnemen met de commandant-zeeland. In tranen besloot de koningin, de Noordzee over te steken. Zij arriveerde omstreeks vijf uur in de middag in Harwich, waar zij onmiddellijk telefoneerde met koning George VI van Engeland, die, betogend dat de berichten uit Nederland slecht waren, haar gastvrijheid aanbood in Buckingham Palace. Een extra-trein bracht haar en haar gezelschap naar Londen. Nog diezelfde avond voerde zij een lang gesprek met van Kleffens. Besloten werd dat zij in een telegram aan de Franse president op meer hulp zou aandringen en dat de volgende dag een proclamatie zou uitgaan waarin de koningin haar vertrek uit Nederland zou toelichten. VanKleffens stelde er een concept voor op - dinsdagochtend moest de tekst slechts in zoverre aangevuld worden dat er uit kon blijken dat niet aileen de vorstin maar ook al haar ministers Engeland bereikt hadden.' 'Nadat volstrekt zeker was geworden', aldus de tekst, 'dat wij en onze ministers in Nederland niet langer vrijelijk konden voortgaan met de uitoefening van ons staatsgezag, moest het harde, maar noodzakelijke besluit worden genomen, de zetel der regering te verplaatsen naar het buitenland voor zolang als onvermijdelijk en met de bedoeling, ons terstond weer in Nederland te vestigen zodra zulks maar enigszins kan.

XCDe regering bevindt zich thans in Engeland. Zij wenst een regeringscapitulatie te voorkomen. Daarbij blijft het Nederlandse grondgebied ... in Europa zowel als in Oost- en West-Indië één souvereine staat. . . die zijn stem zal blijven laten horen en tot zijn recht zal weten te brengen .

XC. . . Ons hart gaat uit naar onze landgenoten in het vaderland, die harde tijden zullen doormaken. Maar Nederland zal zijn gehele Europese grondgebied eenmaal met Gods hulp herwinnen.

XCHerinnert u rampen uit vroeger eeuwen, waaruit Nederland is herrezen. Zo zal het ook ditmaal gaan. Dispereert niet. Doet alles wat u mogelijk is in 's lands welbegrepen belang. Wij doen het onze. Leve het vaderland!'

XCHet was een kloeke tekst - van Kleffens, die er de staatkundige verantwoordelijkheid voor droeg, nam aan dat in de bewoordingen de geest van al zijn ambtgenoten weerspiegeld werd. 'Dat was', schreven wij reeds in deel 3, 'een vergissing'.

XCOp maandagochtend 13 mei hadden de in Den Haag aanwezige leden van het kabinet de grootste moeite gehad om vast te stellen wat hun plicht

XC1 Bijlage I bij dit deel geeft een overzicht van het kabinet-de Geer en van de twee kabinetten-Gerbrandy.

ALLE MINISTERS IN LONDEN

was: blijven of vertrekken? De minister-president, jhr. mr. D. J. de Geer, die zo nerveus was dat hij nauwelijks meer een telefoonschijf kon draaien, was niet in staat, leiding te geven aan de discussie,laat staan tot een besluit te komen, ook niet toen hij wist dat de koningin Den Haag zou verlaten. De minister van defensie, luitenant-kolonel A. Q. H. Dijxhoorn, drong op een onmiddellijk vertrek aan, de minister van justitie, prof mr. P. S. Gerbrandy, wilde nog een dag wachten maar was er op zichzelf voorstander van dat het kabinet zou voorkomen in Duitse handen te vallen, andere ministers meenden dat vertrek uitgelegd zou worden als desertie. Het resultaat was dat tegen half één zeven ministers: de Geer, Dijxhoorn, Gerbrandy, ir. J. W. Albarda (waterstaat), H. van Boeyen (binnenlandse zaken), G. Bolkestein (onderwijs, kunsten en wetenschappen) en dr. J. van den Tempel (socialezaken), Den Haag verlieten en dat er twee achterbleven: mr. M. P. 1. Steenberghe (handel, nijverheid en scheepvaart) en mr. dr. A. A. van Rhijn (landbouwen visserij). Vitale aangelegenheden waren er, in welke het kabinet op dat moment nog geen beslissing genomen had: generaal Winkelman had geen instructie gekregen, in welke situatie hij het geoorloofd mocht achten de wapens neer te leggen, en er was niet vastgesteld bij wie of bij welke instantie na het vertrek der regering het regeringsgezag zou berusten. Beide punten werden alsnog geregeld: in Den Haag deelde Steenberghe in aanwezigheid van de secretarissen-generaal der departementen aan generaal Winkelman mee dat aan deze het regeringsgezag overgedragen was, en onder pressie vooral van Dijxhoorn berichtte de Geer van Hoek van Holland uit telefonisch aan de opperbevelhebber dat hij overgave mocht aanbieden zodra naar zijn oordeel verder weerstand bieden doelloos en nutteloos was. Van hun aanvankelijk besluit, niet uit te wijken, kwamen Steenberghe en van Rhijn terug: nu het regeringsgezag naar behoren overgedragen was, voegden zij zich bij hun ambtgenoten en even na zeven uur 's avonds verliet de Britse torpedobootjager 'Windsor' Hoek van Holland met negen ministers aan boord - de oorlogsbodem meerde dinsdagochtend in de monding van de Theems en tegen het middaguur namen de ministers in een van de grootste Londense hotels, Grosvenor House, aan het Hyde Park gelegen, hun intrek. Diezelfde middag nog vlogen Dijxhoorn, van Kleffens en welter naar Parijs om er bij de Franse autoriteiten op aan te dringen dat Nederland een maximum aan hulp zou krijgen.

XCZo waren dus acht ministers in Grosvenor House aanwezig toen de Nederlandse gezant in Londen, jhr. mr. E. F. M. J. Michiels van Verduynen, tegen het einde van de middag telefonisch van Den Haag uit ingelicht werd, dat generaal Winkelman gecapituleerd had, zij het dat de strijd in Zeeland voort

EERSTE MAANDEN

gezet zou worden. Michiels bracht dat bericht persoonlijk aan de koningin over. Naar de legatie teruggekeerd, overlegde hij daar met een collega, mr. W. F. L. graaf van Bylandt (de pas teruggeroepen Nederlandse zaakgelastigde in Egypte die zich, tot gezant in China benoemd, op 10 mei in Florence bevonden had en zich onmiddellijk naar Londen had begeven) en met A. Pelt, hoofd van de afdeling voorlichting van het secretariaat van de Volkenbond in Genève die in de middag van 14 mei, komende uit Genève, Londen bereikt had. I Gedrieën waren zij het er over eens dat het, al was dan ook in de loop van de dag de proclamatie van de koningin gepubliceerd welke van de vaste wil getuigde om de oorlog voort te zetten, wenselijk was een regeringscommuniqué uit te geven waarin duidelijk gemaakt zou worden dat Winkelmans capitulatie in die situatie geen wijziging had gebracht. Van Bylandt begaf zich naar Grosvenor House om de Geer mee te delen dat pelt spoedig een concept voor het communiqué zou doorgeven. In dat concept bleek niet meer te staan dan dat Winkelman tot de conclusie gekomen was dat voortzetting van de strijd in Nederland, behalve in Zeeland, in niemands belang was, dat de Nederlandse strijdkrachten in zeeland alsook de marine (tal van eenheden hadden al Engelse havens bereikt) de oorlog zouden voortzetten en dat de generaal gehandeld had uit hoofde van de hem door de regering verstrekte algemene volmacht. Maar hoeveel moeite van Bylandt zich ook gaf, hij kon voor dat concept geen algemene instemming verwerven. Pelt verscheen en bracht de tekst van Winkelmans proclamatie mee waaruit duidelijk bleek dat zeeland en de marine buiten de capitulatie vielen: van zeeland was dat namelijk uitdrukkelijk gezegd en over de marine was gezwegen. Een urenlange discussie volgde - 'eindeloos geleuter', aldus van Bylandr (wiens verslagê wij al in deel 3 aanhaalden), als gevolg waarvan te middernacht nog geenszins vaststond dat er een regeringscommuniqué zou verschijnen. Steenberghe, Gerbrandyen Albarda waren er voorstander van dat de Nederlandse regering haar positie onmiskenbaar duidelijk zou maken, van den Tempel, 'driftig als een nukkig kind', wilde er niets van weten, van Boeyen, Bolkestein en de Geer (van Rhijn wordt niet genoemd) waren 'blauw-blauw'. 'Na lang vechten werd', schreef van Bylandt,

XC1 In maart had van Kleffens met Pelt afgesproken dat deze, zodra Nederland in oorlog zou geraken, zijn ervaring op voorlichtingsgebied ter beschikking van de regering zou stellen; Pelt was naar Londen gegaan toen hij vernomen had dat van Kleffens daar was aangekomen. 2 W. van Bylandt: 'Verslag omtrent de uren volgende op het bericht, ontvangen uit Den Haag, dat de opperbevelhebber last had gegeven, de wapenen neder te leggen' (dep. van buiten!. zaken, archief, collectie-van Bylandt),

DINSDAGAVOND 14 MEI

'het volgende compromis bereikt: De regering zal een communiqué uitgeven; de tekst vrijwel die van Pelt, doch met mededeling dat (in overeenstemming met de proclamatie-Winkelman) in Zeeland wordt doorgevochten. Dit zal tussen aanhalingstekensmoeten staan om duidelijk te doen uitkomen dat de regering daarvoor geen verantwoordelijkheid opneemt. De marine wordt niet genoemd omdat hij niet in de proclamatie is vermeld.'

XC'Ik ben nooit zo geschrokken van onze Nederlandse regering', zei Pelt ons ruim vijftien jaar later, 'als op de beruchte avond van de 14de mei.'!

XCHet zou niet zijn laatste schrik zijn.

Begin

XC

XCToen de regering zich in Engeland vestigde, woonden daar ca. zesduizend Nederlanders, de meesten (naar wij vermoeden - er zijn geen detailcijfers) in of bij Londen. Er was daar een Hollandse Club die door een beperkt aantal zakenlieden gefrequenteerd werd, er was een vereniging 'Neerlandia' die voor haar honderden leden in de Britse hoofdstad jaarlijks een Sinterklaasavond organiseerde - veel saamhorigheid was er niet. Bij deze Nederlanders van wie de marmen in de regel werkzaam waren in het bedrijfsleven (bij handels- en scheepvaartmaatschappijen, in het bankwezen en bij grote Brits-Nederlandse concerns als de Uni/ever en de 'Ko ninklijke'fShell), voegden zich tijdens en vlak na de dagen van de Duitse invasie enkele honderden vluchtelingen, in totaal tot begin juli '40 ca. zestienhonderdê, van wie echter een deel pas in juni uit Frankrijk arriveerde (daarop komen wij nog terug). Die vluchtelingen werden door de Engelse autoriteiten die sterk onder de indruk waren van de berichten dat in Nederland, België en Frankrijk een even omvangrijke als sinistere 'Vijfde Colonne' aan het werk geweest was, en die vreesden dat zich onder de vluchtelingen geheime Duitse agenten bevonden, eerst in kampen verzameld waar zij op hun betrouwbaarheid onderzocht werden. Nagenoeg allen bevonden zich na korte tijd op vrije voeten en konden emplooi gaan zoeken.

XCDan arriveerden uit Nederland de meeste eenheden van de Nederlandse marine, tal van vrachtschepen en kustvaarders, ruim 40 van de 800 vissersschepen en, in eerste instantie, ongeveer tweehonderd militairen van deA. Pelt,dec.In deelsprakenwij van ca. drieduizendvluchtelingen - dat cijferis te hoog geweest.

1 30 1955. 2 3

EERSTE MAANDEN

landmacht, in hoofdzaak behorend tot de detachementen welke de ca. twaalfhonderd Duitse parachutisten en militairen van de Duitse luchtlandingstroepen bewaakt hadden die op 13 en 14 mei uit IJmuiden als krijgsgevangenen afgevoerd waren (zij werden spoedig naar Canada overgebracht). Die landmacht-militairen werden in Londen verzameld en later in mei naar een primitief kamp in Haverford-West gezonden (zie kaart I op pag. 35). Zij vormden een gemengde groep, in tegenstelling tot de mannen van de marine die met hun schepen, d.w.z. in normaal hiërarchisch verband, gearriveerd waren. De bevelhebber der zeestrijdkrachten, viceadmiraal J. Th. Furstner (hij was met vijftien marine-officieren op een Scheveningse botter eerst naar Duinkerken gevaren en vandaar naar Engeland overgestoken), kon er spoedig greep op krijgen - voordien was het nodige geregeld door de Nederlandse marine-attaché te Londen, luitenantter-zee eerste klasse A. de Booy, die uitnemende relaties had met de Admi ralty. Generaal-majoor J. W. van Oorschot daarentegen, oud-chef van de Nederlandse geheime dienst GS III, afgezet na het Venlo-incident, die als hoofd van een door generaal Winkelman uitgezonden militaire missie op 12 mei in Londen gearriveerd was, moest zijn betrekkingen met het War Office van de grond af gaan opbouwen; Nederland had in Londen geen landmacht-attaché gehad.

XCOnder diegenen die tijdig Nederland hadden kunnen verlaten, bevonden zich slechts weinig departementsambtenaren - Albarda, Bolkestein, van Boeyen en van den Tempel waren er geheel van verstoken. De Geer en Gerbrandy hadden de secretarissen-generaal van hun departementen meegenomen, resp. jhr. mr. A. M. C. van Asch van Wijck en mr. J. R. M. van Angeren. Welter had nog van Londen uit opdracht gegeven dat vier hoofdambtenaren van Koloniën naar hem toe dienden te komen (de vier hadden zich in Ijmuiden op een Britse torpedobootjager kunnen inschepen). Ook Steenberghe had op het laatste moment voor van Rhijn en zichzelf nog twee hoofdambtenaren uit Den Haag kunnen ontbieden (ook zij waren via Ijmuiden weggekomen") en zou (hetzelfde gold voor Welter) spoedig aan hen enkele andere ambtenaren kunnen toevoegen die zich op 10 mei '40 op dienstreis in Parijs bevonden hadden. Dijxhoorn was vergezeld van zijn twee adjudanten: luitenant-ter-zee eerste klasse J. E. A. Post Uiterweer en kapitein van de generale staf mr. H. J. Kruls. Bovendien hadden drie officieren van GS III wier namen voorkwamen op een lijst van onmiddellijk

1 NI. met de 'Texelstroom' die ook enkele honderden Duitse krijgsgevangenen meenam.

TEKORT AAN AMBTENAREN

te arresteren personen die op JO mei '40 in een in Den Haag neergestort Duits vliegtuig gevonden was, op de 'Hereward' welke de koningin naar Harwich bracht, kunnen meevaren; dit waren luitenant-kolonel J. G. M. van de Plassche en de kapiteins C. J. Olifiers en L. J. A. Schoonenberg. Van Kleffens was spoedig het best van ervaren medewerkers voorzien. Welkon de staf van de legatie, klein maar kundig, geen krachten afstaan, maar er kwamen anderen. Van Bylandt noemden wij al - hij werd in Londen waarnemend secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken. De pas benoemde gezant in Turkije verbleef nog in de Verenigde Staten en kwam naar Londen waar hij ten departemente hoofd werd van de afdeling diplomatieke en juridische zaken; de staf van de Nederlandse legatie te Berlijn die eind mei de Zwitserse grens kon overschrijden, leverde het hoofd voor de afdeling consulaire en handelszaken alsmede de chef van het kabinet van de minister, uit de staf van de legatie te Brussel werd de directeur van de kanselarij aangetrokken. Van veel belang was dat Buitenlandse Zaken in Londen ook de beschikking had over de codes die vóór 10 mei '40 in het verkeer met de buitenlandse posten gebruikt waren: de code-ambtenaar had, het codemateriaal van Buitenlandse Zaken en van Koloniën meenemend, op 14 mei Scheveningen kunnen verlaten aan boord van een logger welke door J. M. de Booy, een van de directeuren van de 'Koninklijke' / Shell, met machtiging van het Algemeen Hoofdkwartier gevorderd was.

XCDe huisvesting van het Nederlandse overheidsapparaat ging vrij vlot. Van Oorschot had op 13 mei voor zijn missie werkruimte gekregen in het gebouw van C. & A. Brenninkmeyer, de confectie-firma die een filiaal had in een groot pand in Oxford Street, een van de drukste Londense winkelstraten - daar kreeg ook admiraal Furstner voor zijn staf één, later twee verdiepingen ter beschikking tegen het symbolische huurbedrag van £ I per jaar. Van Rhijn nam de taak op zich, kantoorruimte voor de ministers te zoeken. De Booy gafhem daartoe de hulp van het hoofd van de afdeling gebouwen van de 'Koninklijke' / Shell en op diens advies huurde van Rhijn een verdieping in een modem kantoorgebouwaan Piccadilly, Stratton House - de 'Koninklijke'JShelileende bovendien de eerste 50 schrijfbureaus uit die er geïnstalleerd werden. Niet dat daarmee alle moeilijkheden opgelost waren! Het kostte bijvoorbeeld van Angeren grote moeite om voor zichzelf één oude schrijfmachine te vinden en op het gebied van de Nederlandse wetgeving was hij van alle teksten verstoken. Wel bezat de juridische adviseur van het gezantschap, een in Londen gevestigde Nederlandse advocaat, een recente editie van de Nederlandse Wetboeken in de algemeen gebruikte uitgave van J. A. Fruin, maar die advocaat weigerde zijn 'Fruin' af te staan, al was het maar voor een dag, en van Angeren moest tevreden

EERSTE MAANDEN

zijn met een exemplaar van de editie van 1916 welke zich bij een Jong consulaats-ambtenaar bleek te bevinden.

XCTot ongeveer I juni bleven de ministers in Grosvenor House wonen. Zij hadden elk van het gezantschap een bedrag gekregen om wat kleren aan te schaffen. Verscheidenen hunner waren bij tijd en wijle de wanhoop nabij. Van Kleffens had op 10 mei zijn vrouw naar Engeland meegenomen, maar de negen ministers die op 13 mei uit Den Haag vertrokken waren, hadden besloten, hun gezinnen achter te laten, teneinde te voorkomen dat men zou zeggen dat zij slechts zichzelf en de hunnen in veiligheid hadden willen brengen - wat hing die gezinnen, wat hing hunzelf boven het hoofd? Op zaterdag 18 mei hielden zij in een grote leegstaande slaapkamer van Grosvenor House hun eerste formele vergadering. Er viel een belangrijk besluit: er zouden voortaan notulen gemaakt worden. De Geer had in augustus '39, toen hij zijn tweede kabinet geformeerd had, vastgesteld dat van het kabinetsberaad geen enkel verslag zou worden gemaakt! - men was het er over eens dat nu anders gehandeld moest worden. Albarda nam de taak op zich, de notulen bij te houden."'Aanvankelijk', zo verklaarde hij in '46, 'schreef ik weinig op, bang zijnde dat voor het geval van een invasie der Duitsers' (die hadden de kust van het Kanaal bereikt - zouden zij, van België en Noord-Frankrijk uit, de rest van Frankrijk links laten liggen en eerst in Engeland landen?) 'deze notulen in hun handen zouden vallen.P Albarda was de enige niet die het mogelijk achtte, spoedig Londen te moeten verlaten. In de ochtend van 21 mei zocht van Kleffens, inmiddels met Dijxhoom en Welter uit Parijs teruggekeerd, de Britse minister vanJ.J.J.

1 Verscheidene ministers plachten nadien voor zichzelf aan te tekenen wat zij onthouden moesten; de koningin ontving op gezette tijden beknopte overzichten van genomen besluiten, maar die overzichten hadden in de regel slechts op weinig belangrijke punten betrekking - de helft werd in beslag genomen door voorstellen tot het verlenen van onderscheidingen. 2 Eind augustus '40 werd besloten dat zij 'voortaan in elke volgende vergadering voorgelezen zouden worden; er werden geen afschriften of andere kopieën van gemaakt. Volledigheidshalve voegen wij toe dat Albarda t.e.m. 30 mei '41 als notulist opgetreden is. Hij werd toen ziek en de vergadering van 3 juni '41 werd door van Boeyen genotuleerd. Van 10 juni af hield Bolkestein de notulen bij en dat is tot eind augustus '44 zo gebleven, zij het dat Albarda soms als vervanger optrad en dat mr. A. W. Burger van 4 april t.e.m. 20 juni '44 (Bolkestein was toen in Amerika) de notulen maakte. Met ingang van I september' 44 was het mr. dr. G. van Heuven Goedhart die ze bijhield. Pas van 17 april '45 af werden de notulen door ambtenaren gemaakt: èf door kapitein-luitenant-ter-zee W. F. Nuboer àf door mr. C. Droogleever Fortuyn - zij werden van die datum af ook gestencild en onder de ministers verspreid. 3 BG-Amsterdam, dossier-de Geer: p.v., 25 okt. 1946, p. 4.

'NET EEN TROEP NATGEREGENDE MUSSEN'

buitenlandse zaken, Lord Halifax, op en legde hem, kennelijk namens het gehele kabinet, twee vragen voor: of de Nederlandse regering zich in Londen mocht vestigen en of het wenselijk was dat zij nu reeds een oord in het westen van Engeland uitkoos waarheen zij zich zou kunnen begeven, mocht het noodzakelijk zijn, de Britse hoofdstad te verlaten. Halifax liet er geen gras over groeien: na raadpleging van het door Churchill geleide War Cabinet deelde hij nog diezelfde dag schriftelijk aan van Kleffens mee dat de Nederlandse regering in Londen welkom was ('His Majesty's govern ment ... hope to be able to keep in close contact'), maar voor een uitwijkoord in het westen van Engeland behoefde, zo had de Minister of Home Security gezegd, 'at present' geen stappen genomen te worden.'

XCEén avond tevoren, 20 mei, hadden dr, G. H. C. Hart en mr. W. G. Peekema, twee van de vier uit Den Haag overgekomen hoofdambtenaren van Koloniën, een bezoek gebracht aan Grosvenor House.'Daar zitten', noteerde Hart in zijn dagboek, 'droevig voor zich uitstarend, de leden van H. M. 's Regering: 'net een troep natgeregende mussen', noemde Peekema het terecht Enkelen zijn flink en tegen de situatie opgewassen: Steenberghe, Welter, van Kleffens, Dijxhoorn, doch de rest is, zij het in gradaties, abominabel. 'C en A' noemde Michiels het stel nogal plastisch. Waar moet dat heen? Premier de Geer is de oudste grijsaard: moeten we onder zulke leiding ons land herwinnen en ons wereldrijk besturen ?"

XCKort voor Hart en Peekema op die zoste mei in Grosvenor House binnenvielen, had de Geer via de European Service van de BBC het woord gericht tot de bevolking in bezet gebied. Pelt, die inmiddels hoofd geworden was van een onder Buitenlandse Zaken ressorterende Regeringspersdienst (later tot 'Regeringsvoorlichtingsdienst' herdoopt - wij zullen die tweede

1 Brief, 21 mei 1940, van Halifax aan van Kleffens (Departement van onderwijs en wetenschappen, Rijkscommissie voor Vaderlandse Geschiedenis, Rijks Geschied kundige Publikatiën, Grote serie, 1939-1945, C dl. I (1976), p. 32 (uitgegeven door A. F. Malming en A. E. Kersten) (verder aan te halen als: C, dl. I). 2 G. H. C. 1941 (uitgegeven door A. E. Kersten) (1976), p. IS.

EERSTE MAANDEN

benaming aanhouden), had er bij de Geer met klem op aangedrongen dat het kabinet in zijn persoon via de radio een levensteken zou geven. Tweederde van de ongeveer tien minuten durende toespraak! was gewijd aan een verdediging van het Nederlandse neutraliteitsbeleid, waarvan, meende de Geer, ook 'het land dat wij tegenstand beden' (Duitsland), 'de oprechtheid en de eerlijkheid' behoorde te erkennen - in het laatste deel werd betoogd dat de regering ten aanzien van de koopvaardijvloot en de overzeese gebiedsdelen 'haar plicht (zou) doen.' 'Plicht', aldus de Geer, van de 'administratieve instanties in Nederland' was het, 'zo goed zij kunnen met de Duitse autoriteiten samen te werken', 'plicht van de bevolking zich kalm en ordelijk te gedragen en zich te onthouden van elke handeling, waardoor de normale verhoudingen verstoord worden'; zo zou 'het Nederlandse publiek ... de achting van de tegenstander (verdienen).'

XCDe achting van Duitsland dat ons land overvallen had en, zo meende men, alleen al in het verwoeste centrum van Rotterdam dertigduizend Nederlanders (het waren er in werkelijkheid tussen de zes- en negenhonderd) het leven had doen verliezen! Aan de Engelse switch-censor die aan de schakelknop zat terwijl de Geer zijn van elke strijdbaarheid gespeend betoog uitsprak, jeukten de vingers om de Nederlandse minister-president 'uit de lucht te nemen' - hij liet dat na om geen voedsel te geven aan de Duitse propaganda die beweerde dat de Nederlandse regering in Londen haar vrijheid van handelen kwijt was en onder strikte Britse controle stond.

XCEigenzinnig als hij was, had de Geer over zijn tekst geen overleg gepleegd met zijn ambtgenoten. Zijn gehele denken was gericht op een zo spoedig mogelijke beëindiging van alle oorlogshandelingen: er moest dus een vergelijk met Duitsland getroffen worden (daarom had hij zich ook zorgvuldig onthouden van formuleringen die anti-Duits zouden klinken) door wie? In de eerste plaats door Engeland. Toen de Nederlandse ministerpresident twee weken later, op 4 juni, in gezelschap van van Kleffens en Michiels een eerste (en laatste) bezoek bracht aan Churchill, opperde hij het denkbeeld dat Engeland, zoals het in 1802 in de worsteling met Napoleon gedaan had, de strijd met Hitler zou onderbreken - hij bepleitte een 'vrede van Amiens'. Churchill gromde wat, van Kleffens en Michiels waren ontzet, 'zowel de ambassadeur' (Michiels was in '40 nog slechts gezant) 'als ik hebben toen', aldus later van Kleffens, 'het gesprek ten spoedigste afgeleid op andere onderwerpen, maar het geheel maakte een allerakeligste indruk.' 2 Stellig ook op Churchill die juist die dag in een van zijn indrukP.v.,van vana.v., p.

1 dl. II b, p. 181. 2 15 febr. 1947, Kleffens, 182

DE GEER BIJ CHURCHILL

wekkendste toespraken in het Lagerhuis duidelijk zou maken dat Engeland tot elke prijs de oorlog zou voortzetten. Zo die niet al eerder gegeven waren, moeten toen wel instructies zijn uitgegaan naar MI-5, de Britse geheime veiligheidsdienst, om nadere gegevens te verzamelen over de leden van het Nederlandse kabinet welks voorzitter kennelijk niet beschouwd kon worden als een betrouwbaar bondgenoot in de strijd op leven en dood met het Derde Rijk.

Wilhelmina

XC

XCIn hoeverre de aarzelingen en twijfels waaraan verscheidene ministers in die eerste weken in Londen onderhevig waren, tot de koningin doordrongen, weten wij niet - zij zouden haar, zo stellen wij ons voor, allerminst verbaasd hebben. Zij had geen spoor van vertrouwen in de Geer gehad en zijn kabinet van meet af aan als een zwak geheel beschouwd. Wat zij nog in Den Haag vernomen had over de verwarring waarvan de beraadslagingen in de ministerraad in de dagen van 10 t.e.m. 13 mei getuigd hadden, had de ministers verder in haar achting doen dalen. Toen zij besloot, Den Haag te verlaten, had zij geen enkele behoefte gehad, het kabinet in te lichten, laat staan te raadplegen - zij had in Londen bij het opstellen van haar eerste proclamatie in van Kleffens een medestrijder gevonden, maar wij kunnen ons niet anders voorstellen dan dat zij er met gemengde gevoelens tegenover stond dat zich op 14 mei alle ministers in Londen bleken te bevinden. De Meidagen waren in haar visie een gericht geweest: gericht over een Nederland dat, zo zag zij het, vastgeroest was in zijn parlementair-democratische vormen - vormen waarin het onmachtig gebleken was, adequate aandacht te besteden aan wat zij van jongsaf als het belangrijkste punt van regeringsbeleid beschouwd had: 's lands veiligheid. De oorlog, daaraan twijfelde zij niet, zou gewonnen worden - het zou een verjongd, een 'vernieuwd' Nederland moeten zijn dat uit die worsteling zou herrijzen. Eén was er slechts met wie zij daarover sprak: haar dochter, de kroonprinses. In haar optreden naar buiten handhaafde de koningin zorgvuldig de eenheid van de Kroon. 'Noch mijn volk, noch mijn ministers hebben', zo zei zij op 24 mei in een radiotoespraak tot Nederlands-Indië ', 'ook maar een ogenblik geweifeld te doen wat onze plicht voorschreef' (zij wist wel beter I). 'Wijp.

1 Tekst in H. M. (1945), 6-7.

EERSTE MAANDEN

(volgen) een vaste lijn en een groot beginsel, de enige die een krachtig en zelfbewust volk passen en die meebrengen dat men zich tegen onrecht te weer stelt.' Onrecht was het kenmerk geweest van de Nazistaat, onrecht de Duitse invasie die haar gescheiden had van haar volk en op 13 mei als balling doen belanden in Buckingham Palace.

XCZij kon er de gastvrijheid niet lang verdragen. Begin juni nam zij haar intrek in een herenhuis op Eaton Square - het was haar spoedig te groot, te deftig, en zij had er geen contact met de natuur. In het zuidwesten van Londen, in Roehampton bij Richmond Park, vond zij, schreef zij in haar autobicgrafie Eenzaam maar niet alleen, 'een optrekje met een tuintje. Het huis was net groot genoeg wanneer Bernhard mij kwam opzoeken. Voor meer personen dan Bernhard, mij en de persoon die mij begeleidde' (haar lectrice, maar er woonde ook nog een Engelse detective), 'was geen plaats.' 1

XCBernhard - niet haar dochter [uliana, niet haar kleindochters Beatrix en Irene: die drie hadden zich begin juni naar Canada begeven.

XCOp 20 mei had Franklin D. Roosevelt, president der Verenigde Staten, de koningin getelegrafeerd dat hij, als het tot een 'inhuman bombing of England' zou komen, bereid was, een Amerikaanse kruiser of een geconvooieerd Amerikaans vrachtschip naar Ierland te sturen teneinde de Nederlandse koninklijke familie op te halen." De koningin besloot, voorlopig in Londen te blijven, Dat was riskant. Het was zelfs niet ondenkbaar dat een situatie zou ontstaan waarin het gevaar bestond dat zij toch nog in Duitse handen zou vallen. De prudentie vergde in elk geval dat de kroonprinses met haar twee dochtertjes (bij wie de toekomst van het Oranjehuis en dus, zo zag de koningin het, ook die van Nederland berustte) in veiligheid gebracht werd. In Nederlands-Indië? Het gouvernement had gastvrijheid aangeboden, maar ook daar dreigden gevaren. Canada leek de beste keuze: aan gene zijde van de Atlantische Oceaan gelegen - en een land dat als lid van het Brits Gemenebest in oorlog was, waardoor het, zo meende de koningin, 'alleen dààr zeker was dat zij' (juliana), mocht dat nodig zijn, 'de koninklijke macht kon uitoefenen als in Nederland.lê Hoe er heen te gaan? Er bestond uit Lissabon dat van Engeland uit per vliegtuig bereikbaar was, een verbinding per vliegboot naar de Verenigde Staten, maar de koningin beschouwde reizen per vliegtuig als onaanvaardbaar riskant. Per schip dus, en dan met een oorlogsschip, al had ook dat zijn risico's. Een

1 Wilhelmina: (1959), p. 282. 2 Boodschap, 20 mei 1940, van Roosevelt aan Wilhelmina (dep. van buitenl. zaken, collectie-Michiels, no. I). 8 Wilhelmina: p. 279.

PRINSES JULIANA GAAT NAAR CANADA

Nederlandse oorlogsbodem was beschikbaar: de oude kruiser 'Sumatra', die in de nacht van Ia op II mei Vlissingen verlaten had; hij zou geëscorteerd kunnen worden door de nieuwe kruiser 'Jacob van Heemskerck', die, zij het nog niet geheel afgebouwd, in diezelfde nacht van Amsterdam was weggekomen.

XCHet prinselijk gezin had na aankomst in Londen eerst enkele dagen ten huize van een van Michiels' voorgangers in de Britse hoofdstad gewoond 1 en vervolgens zijn intrek kunnen nemen in het buitenhuis van een Brits edelman, een relatie van Michiels. Toen eenmaal vaststond dat prinses Juliana en haar twee dochtertjes zouden vertrekken (prins Bernhard zou in Engeland blijven), werd eerst nog de doop van de in augustus' 39 geboren prinses Irene geregeld; de doopplechtigheid waarin ds. J. van Dorp, de predikant van de uit de zestiende eeuw daterende Nederlandse hervormde gemeente te Londen, voorging, vond op 3 I mei in de kapel van Buckingham Palace plaats - de Engelse koninklijke familie, alle Nederlandse ministers en enkele vertegenwoordigers van de Nederlandse en Nederlands-Indische strijdkrachten waren er bij aanwezig; namens de marine trad admiraal Furstner als een der peetvaders op.

XCFurstner was het met wie de koningin in diep geheim de overtocht van het prinselijk gezin regelde. Uit veiligheidsoverwegingen wenste zij niet dat de ministers ingelicht zouden worden.ê De 'Sumatra' lag op dat moment in Milford Haven, een kleine oorlogshaven aan de uiterste zuidwestpunt van Wales - de 'Jacob van Heemskerck' kreeg opdracht, zich daar bij de 'Sumatra' te voegen. Gevechtskracht van enige betekenis had de 'Heemskerck' niet: de vuurleiding was nog niet aangebracht en van de kanons die dus in geval van nood slechts ongecoördineerd gebruikt zouden kunnen worden, hadbekend, gaf Dijxhoorn die mededeling niet aan zijn ambtgenoten door; vast staat

1 Zoals wij al in deel 3 beschreven, stak prins Bernhard die op 12 mei met de grootste tegenzin Nederland verlaten had (hij was tenslotte bezweken onder de pressie welke de koningin op hem uitgeoefend had), in de nacht van op 16 mei op aanraden van Michiels naar Duinkerken over; hij trok op de röde naar Zeeuws Vlaanderen, vandaar op 17 mei naar Parijs en keerde op de zoste uit Cherbourg weer naar Engeland terug. 2 Dijxhoom die tegen Furstner gezegd had dat de 'Sumatra' niet mocht varen voor hij gerepareerd en de 'Heemskerck' niet voor hij afgebouwd was, merkte op een gegeven moment dat beide oorlogsbodems ver dwenen waren. Waar waren zij? In eerste instantie weigerde Furstner die vraag te beantwoorden; hij deed dat pas nadat Dijxhoom hem gezegd had dat hij als minister van defensie recht had op informatie - wij nemen aan dat Furstner hem pas inlichtte nadat de twee schepen Canada bereikt hadden. Furstner zei toen ook dat de koningin hem opgedragen had, de ministers niet in te lichten. Voorzover

EERSTE MAANDEN

nog niet één ooit een granaat afgevuurd; goed bruikbaar waren eigenlijk alleen enkele mitrailleurs die in allerijl geïnstalleerd waren. De 'Heemskerck' had Amsterdam voorts met een veel te kleine bemanning verlaten, maar dat bood geen problemen: schepelingen van andere eenheden kregen order, de bemanning van de kruiser aan te vullen.

XCOp 2 juni arriveerde de 'Heemskerck' in Milford Haven. Tegen acht uur 's avonds kwamen twee Engelse hofauto's aanrijden en ging het prinselijk gezin aan boord van de 'Sumatra'. Mèt prinses juliana zouden haar vriendin M. Röell-del Court van Krimpen met haar dochtertje Renée, de verzorgster van de prinsesjes jonkvrouw S. Feith, een adjudant van de koningin in buitengewone dienst schout-bij-nacht b.d. C. baron de Vos van Steenwijk met zijn echtgenote, en drie veiligheidsfunctionarissen de grote oversteek wagen. Prins Bernhard ging om tien uur van boord en de 'Sumatra' en de 'Heemskerck' voeren weg, de 'Heemskerck' voorop in verband met mogelijk mijnengevaar. Furstner had bepaald dat de twee oorlogsbodems 'om de zuid', d.w.z. langs de Azoren, naar Canada zouden varen, maar die route werd door de commandant van de 'Sumatra' afgewezen: hij had er niet voldoende stookolie voor; de route 'om de noord' was, al bood zij door de aanwezigheid van Duitse U-Boote meer risico's, de enig mogelijke. De overtocht, waarbij de Nederlandse schepen elkaar nog een dag of drie uit het oog verloren, duurde negen dagen. Eén keer was er alarm, 's avonds laat; een van de veiligheidsfunctionarissen snelde met de nodige reddingsgordels naar de kajuit waar prinses Juliana zich met de dames Röell en Feith bevond; de aan de prinses toegevoegde marine-officier zat er pijprokend te lezen. 'Uwe Koninklijke Hoogheid moet onmiddellijk een zwemvest aandoen', zei de detective; op de officier wijzend, antwoordde de prinses: 'Zolang meneer daar rustig zijn pijp blijft roken, trek ik geen zwemvest aan."!'De bemanning van de 'Sumatra' was', zo vertelde de inmiddels koningin geworden prinses ons achttien jaar later, 'allerliefst. De commandant speelde veel piano. Ik heb nooit zó van muziek genoten.' 2

XCDaags na aankomst in de haven van Halifax ging de prinses met haar gezelschap van boord, maar niet dan nadat zij de équipages van de 'Sumatra' en de 'Heemskerck' kort toegesproken had. 'Wij allen', zei zij, 'zullen doen wat wij kunnen voor het vaderland. Mijn moeder waakt er voor als een leeuwen is onvermoeibaar. Ook mijn man is waakzaam in haar omgeving

1 A. Kroese: (1944), p. 124. 2 Koningin Juliana, 23 mei 1958.

WETTIGHEID DER REGERING

achtergebleven. Tenslotte wens ik u allen een voorspoedige verdere reis en later een gelukkige hereniging met de uwen. Wij weten wat wij aan elkaar hebben in dienst van het vaderland dat wij zullen herstellen, vernieuwen en verjongen' 1 dat was op dat moment niet meer dan verre toekomstmuziek.

Eerste wetsbesluiten

XC

XCIn de op 14 mei uitgegeven proclamatie stond te lezen dat besloten was, 'de zetel der regering te verplaatsen naar het buitenland voor zolang als onvermijdelijk De regering bevindt zich thans in Engeland.'

XCMocht zij, nadat zij zich daar tijdelijk gevestigd had, nog als de wettige Nederlandse regering beschouwd worden of had zij die status verloren doordat de Grondwet in artikel 21 bepaalde: 'In geen geval kan de zetel der regering buiten het Rijk worden verplaatst'? Van NSB-zijde werd in '40, en ook wel later, herhaaldelijk op dat artikel gewezen, ten onrechte overigens. Bij de grondwetsherziening van '22 was in het overleg tussen de regering en de Eerste Kamer de vraag aan de orde gesteld of men artikel zr niet behoorde te wijzigen en voor die vraag was toen ook reden omdat zich in de eerste wereldoorlog ('14-'18) een geval voorgedaan had waarbij een regering het nationaal territoir verlaten had en desondanks haar bevoegdheden was blijven uitoefenen: de Belgische die zich in Le Havre gevestigd had, aan de mond van de Seine. In '22 had de Nederlandse regering betoogd dat zij tegenstandster was van wijziging van artikel z r : de Grondwet, aldus haar redenering, gold slechts voor 'normale' omstandigheden en in geval van nood zou men van tal van artikelen, niet slechts van artikel z.r, moeten afwijken. Dat was door de Eerste Kamer aanvaard en de Tweede Kamer die van de gehele gedachtenwisseling had kennisgenomen, had terzake geen nadere opmerkingen gemaakt. Er was, anders gezegd, in Londen geen enkele staatsrechtelijke reden voor de voltallig aanwezige regering om zich niet als de wettige Nederlandse regering te beschouwen.

XCDe noodsituatie waarin zij zich bevond, maakte het haar onmogelijk, regelingen ('wetten') af te kondigen met de door de Grondwet voorgeschreven medewerking van de Raad van State en de Staten-Generaal; van de Raad van State bevond zich slechts de vice-voorzitter in Engeland,

1 (1949), p. 77-78.

EERSTE MAANDEN

Beelaerts 1, en van alle Kamerleden was slechts één er in geslaagd, Engeland te bereiken: mr. Th. F. M. Schaepman, lid van de Tweede Kamer voor de Rooms-Katholieke Staatspartij, die in mei '40, komend uit Brazilië, van Lissabon uit naar Parijs was gereisd en vandaar met een diplomariek paspoort in Bordeaux een schip had kunnen vinden dat hem naar Glasgow had gebracht. Welke vorm moesten die regelingen dan krijgen, nu Raad van State en Staten-Generaal uitgeschakeld waren? De Belgische regering had in '14-'18 in haar ballingschap die regelingen de vorm gegeven van 'wetsbesluiten': besluiten die door de koning ondertekend en door een of meer ministers gecontrasigneerd waren - 'koninklijke besluiten' dus, maar de Belgische regering had die term willen vermijden aangezien de bedoelde regelingen betrekking hadden op onderwerpen die in normale omstandigheden bij de wet en juist niet bij koninklijk besluit geregeld plachten te worden. of dit Belgische voorbeeld in mei' 40 een rol gespeeld heeft, weten wij niet - in elk geval koos de regering voor de door haar af te kondigen algemene regelingen de term 'koninklijk besluit'i'' Zij besloot wèl, duidelijk te doen uitkomen dat het hier 'oneigenlijke' koninklijke besluiten betrof: zij zouden een aparte serie gaan vormen, per jaar aan te geven met een letter (in '40 de letter A). Die besluiten zouden officieel gepubliceerd worden in een Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, eventueel ook in een Nederlandse Staatscourant, die beide in Londen zouden verschijnen. Wij zullen nu verder in onze tekst al deze 'oneigenlijke' koninklijke besluiten aanduiden met de term 'besluit' en dan àf de serieletter en het nummer binnen de serie vermelden of de term ietwat uitbreiden zodat de behandelde materie meteen duidelijk wordt (bijvoorbeeld: het Vaarplichrbesluit).

XCA I, het eerste wetsbesluit, werd op 24 mei, tien dagen dus na de vestiging der regering te Londen, afgekondigd. Het had de strekking, het Duitsland onmogelijk te maken, in neutrale landen te beschikken over Nederlandse eigendommen. In de eerste wereldoorlog was het wel voorgekomen dat door Duitse particulieren of firma's of, in bezet België en onder Duitse druk, door Belgische particulieren of firma's eigendommen in Frankrijk of Engeland (eigendommen dus welke voor Duitsland onbereikbaar waren) verkocht waren aan Zwitserse banken die als bemiddelende instantiesDe

1 koningin was voorzitster van de Raad van State en prinses Juliana en prins Bernhard waren er lid van, maar zij hadden gedrieën aan de werkzaamheden niet of nauwelijks deelgenomen. 2 In een arrest d.d. 30 oktober 1946 heeft de Hoge Raad beslist dat de 'wetsbesluiten' van de regering, genomen zolang de Staten Generaal niet normaal functioneerden, rechtsgeldig zijn.

GOUDRESERVES VAN DE NEDERLANDSE BANK

fungeerden, waarna de Duitse regering de bedoelde eigendommen of althans hun tegenwaarde voor haar oorlogvoering had kunnen gebruiken, In mei '40 was de reële waarde van de bedragen welke Nederlanders in de Verenigde Staten belegd hadden, vermoedelijk ca. f 2t miljard (ca. 8% van het nationaal vermogen) - als de bezetter de Nederlandse beleggers nu dwong, die eigendommen aan een Duitse bankinstelling te verkopen, dan bestond het gevaar dat Duitsland in Amerika de beschikking zou krijgen over die f 2t miljard die bijvoorbeeld in Zwitserland gerealiseerd kon worden.

XCBestond dat gevaar niet ook voor het goud van de Nederlandse Bank?

XCDe Nederlandse Bank was er in augustus '38 mee begonnen, haar goudvoorraad naar Engeland en Amerika over te brengen; van de totale voorraad ter waarde van f I 235 mln lag eind rnaart '40 f 750 mln in Londen en New York. Tijdens de Meidagen werd voor nog eens f 166 mln aan goud uit Amsterdam naar Engeland overgebracht, maar toen was een klein gedeelte van de eerder overgebrachte f 750 mln verkocht. De waarde van het goud van de bank dat zich na de Meidagen in Engeland en Amerika bevond (in Engeland bij de Bank of England, in Amerika bij de Federal Reserve Bank te New York), was f 887 mln. Welte verstaan: voor de Nederlandse regering was, leek het, dat goud onbereikbaar, want de president van de bank, mr. L. J. A. Trip, had op 12 en 13 mei geweigerd, persoonhjk het kabinet naar Engeland te vergezellen dan wel een directeur met tekenbevoegdheid met het kabinet mee te sturen - wèl had Trip een ambtenaar van de afdeling buitenland, mr. A. w. R. baron Mackay, schriftelijk opdracht gegeven naar Londen te gaan (Mackay kon op de 'Windsor' meevaren die negen ministers naar Engeland bracht), maar deze bezat geen tekenbevoegdheid. Nog op 14 mei had Michiels, die in telefonisch contact met Den Haag stond, Trip laten smeken, het goud van de Nederlandse Bank op de regering over te schrijven, maar Trip had geweigerd: dat goud, aldus zijn standpunt, was eigendom van de aandeelhouders van de bank, niet van de Staat der Nederlanden - een mening die volledig door de Geer onderschreven werd. En als Trip nu eens in bezet gebied gedwongen werd, zijn handtekening te plaatsen onder een overeenkomst waarbij het in Amerika liggende goud van de Nederlandse Bank aan de Reiehsbank verkocht werd? Dan zou, zo meenden verscheidene ministers, zo meende vooral Gerbrandy, de Reiehs bank in staat zijn, het goud tegen Zwitserse franken te verkopen waarna Duitsland zich met die franken in neutrale landen als Zwitserland en Zweden goederen zou kunnen aanschaffen voor zijn oorlogvoering. Nu was dit gevaar, wat de Nederlandse eigendommen in de Verenigde Staten betrof, volstrekt denkbeeldig, want nog op de Iade mei '40 had de Ameri

EERSTE MAANDEN

kaanse regering alle waarden die Nederlanders bij Amerikaanse banken gedeponeerd hadden, bevroren, maar dat feit was in Londen nog onbekend toen Gerbrandy's secretaris-generaal, van Angeren, zich er aan zette, een wetsbesluit te formuleren dat het Duitsland onmogelijk moest maken, buiten bezet Nederland over realiseerbare Nederlandse waarden te beschikken.

XCAl die waarden werden, tenzij zij toebehoorden aan buiten bezet Nederland verblijvende of gevestigde natuurlijke of rechtspersonen, krachtens A I 'eigendom' van de Staat der Nederlanden, die dat 'eigendomsrecht' evenwel alleen zou uitoefenen 'tot bewaring van de rechten der voormalige eigenaren': de nieuwe eigenaar, de staat, zou die eigendommen dus niet verkopen of belenen, maar ze alleen bewaren, en hij zou ze drie maanden 'nadat de tegenwoordige, buitengewone omstandigheden ... zullen zijn geëindigd', aan de oorspronkelijke eigenaren teruggeven.

XCToen van Angeren zijn concept voor A I klaar had, rezen er moeilijkheden: de Geer, minister van financiën, die ijverig aan de discussiesdeelgenomen had, weigerde opeens het besluit te contrasigneren, 'hij had het er', aldus later Steenberghe, 'voortdurend over, dat wij ons de beschikking aanmatigden over eigendommen van derden.' 1 Dat was één argument, maar er was ook nog een tweede, aldus door Albarda genotuleerd: 'Hij' (de Geer) 'zou het voor zijn persoon niet verantwoord achten, mede te werken aan economische oorlog tegen Nederland." Notabene: de nieuwe regeling lag primair in het financiële vlak en nu weigerde de minister van ftnanciën zijn handtekening! Opdat dat niet te veel zou opvallen, werd besloten dat ook de minister van handel, nijverheid en scheepvaart, Steenberghe, niet zou tekenen en dat slechtsdrie ministers dat wèl zouden doen: Gerbrandy (justitie), van Kleffens (buitenlandse zaken) en Welter (koloniën). Van Angeren begaf zich met de door hen gecontrasigneerde en door de koningin gesigneerde tekst naar de befaamde Londense drukkerij van Waterlow & Sans Ltd. - hij moest er, verhaalde hij, 'naast de zetter' (die geen woord Nederlands kende) 'gaan zitten om iedere letter voor te lezen en dan na te gaan of het goed was." De typografie van het Staatsblad kon hij overnemen van een uit april daterend exemplaar dat een van de Nederlandse reders bij zich had omdat er de belangrijke wet op de zetelverplaatsingen van ondernemingen in opgenomen was. De typografie van de StaatscourantJ.

1 Getuige M. P. L. Steenberghe, ell. II c, p. 3I7. 2 Ministerraad: Notulen, 24 mei I940 (a.v., ell. II a, p. I66). S Getuige R. M. van Angeren, a.v., ell. II c, p. I 84·

BESLUIT RECHTSVERKEER IN OORLOGSTIJD

(in het tweede nummer verscheen de tekst van A I in Engelse vertaling) bood weer andere problemen, maar hier bracht de zoon van de uit Nederland ontsnapte journalist dr. M. van Blankenstein, mr. H. van Blankenstein, uitkomst: hij was in april hoofdconunies geworden bij Steenberghe's departement, een vriend had hem toen een exemplaar aangeboden van de Staatscourant waarin zijn aanstellingsbesluit stond, en dat exemplaar had hij toevallig nog bij zich toen hij op 14 mei IJmuiden verliet.'

XCA I was een maatregel die zich tegen Duitsland richtte maar waar de Nederlandse regering zelf overigens geen voordeel aan kon ontlenen. Een tweede maatregel die in hetzelfde vlak lag, volgde twee weken later (7 jwli): het omvangrijke en gecompliceerde Besluit rechtsverkeer in oorlogstijd (A 6).2 Deze materie had men vóór 10 mei '40 bij de wet willen regelen; het betrokken wetsontwerp was toen nog niet aan de StatenGeneraal voorgelegd maar wèl al om advies toegezonden aan de gouverneurgeneraal van Nederlands-Indië en de gouverneurs van de Antillen en Suriname. Het ontwerp werd uit Batavia (Djakarta) per luchtpost naar Londen gezonden. Aangepast aan de nieuwe omstandigheden verscheen het als Besluit rechtsverkeer in oorlogstijd. Het bepaalde dat geen rechtsverkeer (dat sloot dus ook het gehele economische verkeer in) gepermitteerd zou zijn tussen Nederlandse personen, instellingen, fIrma's enz. en personen, instellingen, firma's enz. in 'vijandelijk rechtsgebied en door de vijand bezet gebied' (vooreerst was dit dus slechts Duits rechtsgebied en door Duitsland bezet gebied) dan wel met in neutrale landen gevestigde 'vijandelijke onderdanen' (dat konden ook rechtspersonen zijn zoals firma's), behoudens verlof van een door de regering in te stellen commissie: de Conunissie rechtsverkeer in oorlogstijd, afgekort de Corvo. Er kwamen drie van die conunissies: één in Londen, één in Batavia, één in Willemstad (op Curaçao). In Londen kwam die commissie onder Justitie te ressorteren (Gerbrandy had met van Kleffens, Steenberghe en Welter A 6 gecontrasigneerd), van Rhijn, minister van landbouwen visserij wiens departementale taak vrijwel was

1 Hij was in opdracht van Hirschfeld weggezonden en kwam in Ijmuiden aan boord van de 'Texelstroom'. 2 Bij A 2 (3 juni) werd een z.g. Prijsreglement vastgesteld dat o.m. betrekking kon hebben op Duitse schepen zoals die op IQ mei in Nederlands-Indië en de West buitgemaakt waren (22 schepen in Indië, 7 in de West), A 3 (6 juni) bepaalde dat goederen die, door Nederland ingekocht, naar Nederland onderweg waren, ook in andere landen, Engeland bijvoorbeeld, inge voerd konden worden, A4 (6 juni) hield in dat akten waarbij naamloze vennoot schappen hun zetels verplaatsten, in andere landen, Engeland bijvoorbeeld, opge maakt konden worden, A 5 (6 juni) was een eerste Vaarplichtbesluit - daarop komen wij in dit hoofdstuk nog terug.

EERSTE MAANDEN

weggevallen, werd er voorzitter van; leden werden drie hoofdambtenaren, voorts een van de leden van de raad van beheer van het Unilever-concern, mr. J. 1. Polak, en het liberale oud-lid van de Tweede Kamer, mr. G. A. Boon, die, zoals wij al in deel 3 verhaalden, tijdens de Meidagen uit Hellevoetsluis naar Engeland had kunnen oversteken; hij vertrok evenwel spoedig via Portugal naar Canada.

XCOp de werkzaamheden die uit de besluiten A I en A 6 voortgevloeid zijn, komen wij in hoofdstuk 6 terug - hier willen wij ons beperken tot twee opmerkingen.

XCDe eerste is dat in mei en juni '40 geenszins vaststond dat A 6 in de neutrale staten erkend zou worden: de Nederlandse regering kon het een in Zwitserland gevestigde Nederlandse zakenman wel verbieden, handel te drijven met Duitsland of met een Duitse firma in Zwitserland behoudens verlof van de Corvo-Londen (een verlof dat niet verleend zou worden), maar zij kon aan dat verbod alleen kracht bijzetten indien de Zwitserse overheid bereid was te erkennen dat die in Zwitserland gevestigde Nederlander onder A 6 viel, en dienovereenkomstig te handelen. Krachtens de ontwerp-wet rechtsverkeer in oorlogstijd had men overtreders willen straffen, maar die strafbepalingen waren uit A 6 geschrapt, vermoedelijk omdat de regering toen nog het standpunt huldigde (zij heeft dat later verlaten) dat, aldus mr. W. G. Belinfante, een van de twee adjudant-secretarissen van de CorvoLonden, 'het staatsnoodrecht niet toeliet, straffen op te leggen bij een koninklijk besluit."! De regering zou overigens in een land als Zwitserland die straffen niet hebben kunnen executeren - desniettemin had, meent Belinfante, van handhaving der strafbepalingen een zeker afschrikwekkend effect kunnen uitgaan.

XCOnze tweede opmerking is dat het in mei en juni '40 twijfelachtig was, niet alleen of A 6 maar ook of A I in den vreemde erkend zou worden. Wat de Verenigde Staten betrof, behoefde de regering in zoverre niet bevreesd te zijn dat daar (wij wezen er al op) op IQ mei alle Nederlandse tegoeden 'bevroren' waren, maar in Zwitserland bijvoorbeeld was van zodanige 'bevriezing' geen sprake. Afgezien daarvan: het goud van de Nederlandse Bank was dan wel ontoegankelijk gemaakt voor Duitsland, maar het was voorlopig goeddeels óók ontoegankelijk voor de Nederlandse regering.

XCOp de inkomsten en uitgaven der regering komen wij in hoofdstuk 6 terug. Hier volstaan wij met op te merken dat door haar in de eerste anderhalve maand (IS mei-jo juni '40) f 4 mln uitgegeven en f 1,7 mln ontvangen

XC1 W. G. Belinfante in Nederlands recht in oorlogstijd, in Engeland ontstaan en toegepast (I945), p. 57·

REGERINGSFINAN CIËN

werd (die ontvangsten bestonden hoofdzakelijk uit de opbrengst van aan de regering toebehorende scheepsladingen), dat eind juni bepaald werd dat de begrotingen bij koninklijke besluiten zouden worden vastgesteld, telkens per kalenderjaar (behoudens het tweede halfjaar van '40)1, dat de taak van de Algemene Rekenkamer waargenomen zou worden door de minister van financiën, en dat in eerste instantie voor nlÎnisters en ambtenaren in vaste dienst uitgesproken hoge verblijfstoelagen vastgesteld werden (toelagen dus bovenop hun bezoldigingen") - toelagen welke medio juli drastisch werden verlaagd op raad van mr, J. W. Beyen; deze, oud-waarnemend thesaurier-generaal, nu een van de directeuren van de Unilever, was, nadat hij samen met een chef-accountant van het concern, H. ten Haven, uit Parijs overgekomen was, financieel adviseur der regering geworden.

XCDie toelagen werden natuurlijk uitgedrukt in ponden, maar wat was eigenlijk de ruilverhouding van pond en gulden? Ook die wisselkoers moest vastgesteld worden. Met de Engelse autoriteiten werd in jlU1Î definitief afgesproken dat geen officiële koers zou gelden (zolang Nederland bezet was, zouden er immers in Geallieerd gebied geen officiële transacties in Nederlands geld plaatsvinden), maar louter een inofficiële die overigens gelijk was aan die welke op IO mei '40 officieel gegolden had: f 7,60; er kwamen wèl officiële koersen voor het pond, uitgedrukt in NederlandsIndische, Curaçao'se en Surinaamse guldens; eveneens f 7,60. Die koersvaststelling was natuurlijk van onmiddellijk belang voor al diegenen die, soms met grote bedragen op zak, tijdens en na de Meidagen van '40 als vluchtelingen uit Nederland, België en Frankrijk in Engeland aankwamen. Al die vluchtelingen konden overigens hun Nederlandse bankbiljetten niet zomaar inwisselen: zij moesten ze laten registreren bij de Nederlandse eonsulaten en konden dan per week en per persoon tot een bedrag van f 75 inwisselen: dat was voldoende om in huisvesting en voeding te voorzien.

XCWij hebben van die vluchtelingen meer te verhalen.

1 In feite werden ook van I januari '41 af halfjaarlijkse begrotingen opgesteld. 2 Eind mei '40 bepaalde generaal Winkelman dat de echtgenoten van ministers en van naar Engeland overgestoken ambtenaren en arbeidscontractanten twee-derde van de wedde als voorschot zouden ontvangen. Die regeling werd later in bezet gebied tot alle in Engeland verblijvende militairen uitgebreid. In januari '42 werd zij door Seyss-Inguart drastisch gewijzigd: hij stelde de maandelijkse uitkering op slechts f 70 vast, waarbij nog een geringe kindertoeslag kwam. AI deze regelingen waren in Engeland geruime tijd onbekend, maar elk van de betrokkenen nam aan dat zijn gezin financieel geholpen ZOL! worden met bedragen die men na terugkeer naar Nederland zou moeten terugbetalen. Velen legden daarvoor van meet af aan de nodige gelden opzij. Wij komen hierop in hoofdstuk 6 terug.

Vluchtelingen

XC

XCEr zijn, zoals wij eerder vermeldden, tot begin juli '40 ca. zestienhonderd Nederlandse vluchtelingen in Engeland aangekomen: een deel rechtstreeks uit Nederland, een deel uit België, een deel uit Frankrijk. Wij schatten dat rechtstreeks uit Nederland hoogstens duizend vluchtelingen aangekomen zijn. De eersten arriveerden al op 13 mei. Men verwachtte er veelméér dan duizend - in elk geval werd door Nederlanders die in Londen woonden, beseft dat vluchtelingen hulp nodig hadden. Daartoe werd op die r jde mei onder voorzitterschap van de Nederlandse consul-generaal, mr. Th. H. de Meester, een comité opgericht, het Netherlands Bmergency Committee. Enkele weken later werd gemeend dat men er verstandig aan deed, naast dat hulpcornité dat zich slechts met vluchtelingen bezig hield, een Nederlandse Rode Kruis-organisatie op te richten: de voorzitster van het Nederlandse Rode Kruis, prinses Juliana, bevond zich immers in Engeland. Het Internationale Rode Kruis te Genève deed weten dat het bereid was, een door haar te vormen Rode Kruis-lichaam te erkennen; dat werd het London Committee of the Netherlands Red Cross Society, hetwelk voor het eerst bijeenkwam op 3 juni '40: daags nadat de prinses aan de oversteek naar Canada was begonnen. Van dat London Committee werd jhr. ir. O. C. A. van Lidth de [eude, oud-minister van waterstaat in het derde kabinet Colijn ('35-'37), voorzitter; hij had zich tijdens de Duitse invasie in Indië bevonden en was vandaar naar Londen gevlogen.

XCHet Netherlands Emergency Committee heeft niet lang bestaan: het is in ,41 opgeheven - zijn werkzaamheden werden toen door het Londense Rode Kruis overgenomen. Inmiddels had het Emergency Committee een nuttige functie vervuld: het had met gelden die in de vrij kleine Nederlandse gemeenschap van ca. zesduizend zielen ingezameld waren (bijna £ 22 000 in '40 en nog eens bijna £ 12 000 in '41) aan vele vluchtelingen aile mogelijke bijstand verleend in geld en in goederen (bijvoorbeeld kleding); ook wist het in '40 voor ca. honderdvijftig vluchtelingen werk te vinden in Engeland - anderen had het geholpen, uit Engeland naar elders door te reizen, vooral naar Nederlands-Indië, Zuid-Afrika en de Verenigde Staten. Voor die verdere migraties (waarbij spoedig het Londense Rode Kruis ging bemiddelen in plaats van het Emergency Committee) hadden overigens lang niet alle vluchtelingen financiële hulp nodig gehad: verscheidenen konden hun passage zelf bekostigen (en mochten dan hun Nederlandse bankbiljetten tot het voor die passage benodigde bedrag inwisselen) of ontvingen de nodige gelden van persoonlijke of zakelijke relaties in de landen waarheen zij wensten te gaan. De Z.g.Philips

HULPORGANISA TIES

groep ' (behalve dr. Anton Philips en zijn schoonzoon ir. P. F. S. Otten maakten ook enkele vooraanstaande technische en wetenschappelijke deskundigen die belangrijke papieren meegenomen hadden, er deel van uitê) bleef slechts enkele weken in Engeland: de ene helft voer midden, de andere helft eind jLUlÏnaar Canada en reisde vandaar naar New York door.

XCHet aantal Nederlanders dat voordat de Duitsers de Spaanse grens bereikten (27 juni), uit België en Frankrijk wist weg te komen, is klein geweest. Wij willen het eerst over de militairen hebben (die buiten het eerdergenoemde cijfer I 600 vallen) en vervolgens over de burgers.

XCWat met die militairen geschied is, vermeldden wij al in deel j, hoofdstuk 7 ('De strijd in zeeland en zijn nasleep'). Wij vatten hier samen dat in totaal uit België en Frankrijk enkele tientallen officieren en manschappen van de marine, ruim honderd officieren en minderen van de Marineluchtvaartdienst, honderd man politietroepen, ca. tweehonderdvijftig militairen van het wapen van de Militaire Luchtvaart der Koninklijke Landmacht, ca. zevenhonderd militairen van andere wapenen van de landmacht en ca. tweehonderdvijftig marechaussees in Engeland aankwamen alles bij elkaar maar een vrij klein deel van de paar duizend militairen die zich, toen de strijd in zeeland ten einde was (17 mei), naar België ofNoord-Frankrijk hadden kunnen begeven. Het merendeel kon niet wegkomen door de chaotische toestanden die zich met name in de kustgebieden voordeden. Er was evenwel ook een gebrek aan centrale leiding. welhadden de ministers van Kleffens en welter op IS mei tijdens hun bezoek aan Parijs aan de Nederlandse militaire attaché, luitenant-kolonel D. van Voorst Evekink, opdracht gegeven om in samenwerking met de officieren van Winkelmans missie die in Parijs aangekomen waren (bij hen voegde zich spoedig de missie die naar Brussel was gestuurd), zoveel mogelijk Nederlandse militairen naar Engeland te zenden, maar zulks vergde dat krachtige pressie uitgeoefend werd op de Engelse autoriteiten om voldoende scheepsruimte ter beschikking te stellen. Generaal van Oorschot, Winkelmans afgevaardigde te Londen, gaf zich daar moeite voor, maar werd onvoldoende door

1 De groep was op 13 mei uit Hoek van Holland vertrokken en was daarbij ter beperking van het risico over enkele Britse torpedobootjagers verdeeld. 2 Tot de al vóór de Duitse invasie door Philips naar Engeland gezonden papieren be hoorden de gegevens en tekeningen betreffende de nieuwste Philips-radiobuis: 'juist deze nieuwe ontvangbuis ... vormde', aldus later ir. F. Philips, 'een hoofd bestanddeel van de radar-installaties in de Britse vliegtuigen. Volgens Robert Watson-Watt' (de grootste Britse deskundige op radargebied) 'had deze buis ... veel tot de overwinning in de Slag om Engeland bijgedragen.' (F. Philips: (1976), p. 80).

EERSTE MAANDEN

minister Dijxhoom gesteund en het gevolg was dat men slechts een deel van de Nederlandse militairen uit België en Frankrijk wegkreeg. De militaire missie bij het Franse hoofdkwartier vloog tenslotte naar Engeland en hetzelfde deed het hoofd van de militaire missie bij het Belgische, de gepensioneerde luitenant-generaal G. B. Noothoven van Goor, maar twee officieren van diens missie èn overste van Voorst Evekink dienden in eerste instantie in Frankrijk te blijven. Het was namelijk de bedoeling om via de Nederlandse eonsulaten alle zich in Frankrijk bevindende mannelijke Nederlanders die voor de militaire dienst in aanmerking kwamen, te registreren. Die registratie werd ter hand genomen, maar toen het Nederlandse gezantschap en het Nederlandse consulaat-generaal op 9 juni het bedreigde Parijs verlieten (de Duitsers hadden, na het Britse bruggehoofd bij Duinkerken opgeruimd te hebben, op de sde hun offensief over de Somme zuidwaarts ingezet), viel het centrale punt weg. Van Voorst Evekink bevond zich in augustus in Marseille en berichtte toen aan minister Dijxhoorn dat hij op 24 juni, twee dagenna Frankrijks capitulatie (22 jLUU),een kleine duizend geregistreerden op papier bijeenhad - een bericht dat hij, zo schreef hij enige tijd later, 'uitsluitend uit hoofde van zijn historische betekenis' doorgegeven had 1, want voor geen van die geregistreerden had men passage naar Engeland weten te vinden.

XCNederlandse burger-vluchtelingen werden aanvankelijk in Parijs bekwaam opgevangen. Er vormde zich daar op 14 mei onder voorzitterschap van de Nederlandse consul-generaal, dr. A. Sevenster, een Nederlands hulpcomité (de Association de secours aux réfugiés néerlandais) dat met gelden van particulieren, vooral van vooraanstaande industriëlen, enkele duizenden vluchtelingen in de Franse hoofdstad bijstond: ze werden gehuisvest, ze kregen voorzover nodig kleding en werden in de regel naar het zuiden doorgezonden. Op 9 juni waren er evenwel nog meer dan zeshonderd in Parijs die men niet had kunnen wegkrijgen. Een deel van de bestuursleden van de Association bleef toen in de Franse hoofdstad, een deel, onder wie Sevenster, trok zuidwaarts. Hoe groot de chaos in Frankrijk was, wist de regering te Londen niet in bijzonderheden, maar het leek vooral van Kleffens wenselijk, zo spoedig mogelijk enige greep op de zaak te krijgen: in zijn opdracht vloog op IS juni jhr. mr. H. F. L. K. van Vredenburch, die in Den Haag sous-chef van de afdeling diplomatieke zaken geweest was en tijdens de Meidagen op instructie van van Kleffens naar Engeland was gekomen

1 Brief, 2 okt. 1940, van D. van Voorst Evekink aan Dijxhoorn (Memoires Dijx hoorn, bijlage I bij bijlage 40).

VLUCHTELINGEN IN FRANKRIJK

(hij had op de 'Windsor' kunnen meevaren), met een Engels vliegtuig naar Nantes; hij had slechts weinig geld bij zich (f 600 in ponden sterling en Franse franken), maar hij was gemachtigd, in totaal een half miljoen gulden uit te geven (hij had een cheque voor f 200 000 bij zich maar die werd door geen enkele bank geaccepteerd) teneinde voorschotten voor verblijfkosten aan de vluchtelingen uit te keren en een zo groot mogelijk aantal hunner te helpen ontsnappen naar Engeland, Spanje of Portugal.

XCOntsnapping naar Engeland bleek buitengewoon moeilijk. Een week na van Vredenburchs aankomst capituleerde de Franse regering en nogmaals vijf dagen later hadden de Duitsers de laatste havens bij de Frans-Spaanse grens bezet. Enkele honderden Nederlanders waren nog uit Bordeaux weggekomen (van wie sommigen, onder wie de dichter Marsman, op weg naar Engeland verdronken) en enkele tientallen uit de kleine havenplaatsen Bayonne en St. Jean de Luz, maar voor verscheidene duizenden, onder wie talrijke Joden, hadden van Vredenburch (die in eerste instantie van een directeur van de Uni/ever uit Brussel die zich als vluchteling in Frankrijk bevond, enkele duizenden guldens had weten te lenen) en de Nederlandse consuls in Bordeaux en Bayonne, hoeveel moeite zij zich ook gaven, geen passage kunnen vinden.' Die evacuatie overzee werd op 25 juni gestaakt.

XCVijf dagen eerder, op 20 juni, had van Kleffens aan van Vredenburch telefonisch doen weten dat de regering, aangezien er zo veel vluchtelingen waren (enkele tienduizenden, onder wie ca. vierduizend inwoners van het op 12 mei geëvacueerde Breda) en de overtocht naar Engeland evident gevaarlijk was, meende dat aan de vluchtelingen consigne gegeven moest worden, naar Nederland terug te keren; dat consigne gold ook voor mannen van dienstplichtige Ieefiijd", maar niet voor diegenen die zich bedreigd voelden: Joden, medewerkers van Geallieerde inlichtingendiensten en anti-Duitse publicisten. Aan al die bedreigden (onder wie de Joden het talrijkst waren) gaven van Vredenburch en de Nederlandse consuls het advies om, voorzover zij zich aan de FraJ1SeWestkust bevonden, oostwaarts te trekken, naar onbezet Frankrijk. Velen waren daar al eigener beweging

1 De consul in Bayonne werd juist in die tijd wegens malversaties ontslagen; van Vredenburch benoemde toen rnr. S. G. M. baron van Voorst tot Voorst, een naar Frankrijk getogen ambtenaar van de Nederlandse legatie te Brussel, tot consul te Bayonne, maar de ontslagen consul weigerde aan zijn opvolger de consulaats stempels e.d. af te staan. 2 De leden van die twee groepen (de Breda'se en de 'algemene') zijn inderdaad, al of niet in georganiseerd verband, naar Nederland teruggegaan.

EERSTE MAANDEN

naar toegegaan en in dat onbezette Frankrijk werden vooral de Amerikaanse eonsulaten door tallozen belegerd die hoopten er een visum voor toelating tot de Verenigde Staten te krijgen. Zulk een visum werd alleen verleend Walmeer men bewijzen kon dat men in Amerika niet de overheid tot last zou komen - er waren dus, als menniet in Amerika over de nodige tegoeden beschikte, garantie-verklaringen (affidavits) van derden nodig. Waren nu alle moeilijkheden opgelost als men zulk. een garantie-verklaring (die in de regel telegrafisch bij zakelijke of persoonlijke relaties aangevraagd was) kon tonen? Geenszins. De Amerikaanse consuls hadden van de Assistant Secretary of State te Washington onder wie de immigraties ressorteerden, instructie ontvangen, het verlenen van visa met name aan Joden drastisch te beperken; daarbij werd vooral het argument gebruikt dat zich onder die Joden Duitse geheime agenten konden bevinden. Meer dan een gelegenheidsargument was dat niet - het beleid van de bedoelde Assistant Secretary of State, Henry Breckinridge Long, werd, zoals wij al in ons vorige deel (in hoofdstuk 9) aanstipten, bepaald door het streven, het Joodse bevolkingsdeel in de Verenigde Staten zo klein mogelijk te houden.

XCHoeveel Nederlanders in mei en juni '40 in Frankrijk getracht hebben, een Amerikaans visum te verwerven, weten wij niet. Velen onder hen reisden in de tweede helft van mei en de eerste Vall juni naar de plaats waar, dat wist men, een vliegverbinding met Amerika bestond: Lissabon (er vormde zich daar dus een Nederlandse vluchtelingenkolonie), maar er waren enkele duizenden die bij het naderen van de Duitse legers tot hun wanhoop Frankrijk niet konden verlaten, en wij nemen aan dat na Frankrijks capitulatie inderdaad veruit de meesten hunner in onbezet Prankrijk terechtkwamen.

XCAanvankelijk had de Spaanse regering goedgevonden dat vluchtelingen tot Spanje toegelaten werden, ook als niet vaststond wanneer of hoe zij Spanje of Portugal weer zouden verlaten; ook Portugal was vlot geweest met het verlenen van visa. Op 25 juni evenwel (Frankrijk had toen gecapituleerd maar de Wehrmacht had de Frans-Spaanse grens nog niet bereikt) annuleerde de Portugese regering alle inmiddels verleende visa en maakte de Spaanse regering bekend dat zij vluchtelingen die via Spanje naar Portugal wilden gaan, geen doorreis-visum meer zou verlenen. Het was van Vredenburch duidelijk dat hij alleen dan iets ten gunste van de zich in onbezet Frankrijk bevindende Nederlandse vluchtelingen kon bereiken, indien in Madrid en Lissabon aangetoond kon worden dat de betrokkenen slechts voor zeer korte tijd in Spanje en Portugalopgenomen behoefden te worden, aangezien zij spoedig naar de Nederlandse overzeese gebiedsdelen zouden kunnen vertrekken. Hij besloot spoorslags naar Madrid te reizen teneinde

VL UCHTELINGEN IN FRANKRIJK

dat te bevorderen. Toen hij evenwel op de avond van de 25ste juni aan de Spaanse grens kwam, bleek zijn visum ongeldig te zijn; er werd hem gezegd dat alleen journalisten nog tot Spanje toegelaten werden - enkele uren later wàs hij 'journalist', nl. van een Argentijns dagblad, en een dag later was hij in Madrid. In zijn auto had hij diamanten meegesmokkeld die het eigendom waren van een aantal vermogende Antwerpse diamantairs en verscheidenen hunner kon hij toen toch nog helpen, via Spanje en Portugal naar de Verenigde Staten te vertrekken. Niet de vermogenden vormden evenwel het grootste probleem maar, als steeds, de onvermogenden: zij kwamen Amerika niet binnen.

XCHoe stond het met het vertrek van deze vluchtelingen naar Nederlandse overzeese gebiedsdelen?

XCVan Kleffens had op dezelfde zoste juni waarop hij aan van Vredenburch bericht had dat veruit de meeste Nederlandse vluchtelingen naar Nederland dienden terug te keren, de gezanten in Madrid en Lissabon opgedragen, de Spaanse en Portugese regeringen te verzoeken, zoveelmogelijk bedreigde vluchtelingen op te nemen - de Nederlandse regering zou hun verblijfskosten vergoeden. De Spaanse regering antwoordde op de 27ste dat zij bereid was, aan tweehonderd Nederlandse vluchtelingen asyl te verlenen en de Portugese deed weten dat zij er geen bezwaar tegen had, nieuwe visa te verlenen, mits zou vaststaan dat de betrokkenen een toelatingsvisum hadden voor een verder gelegen land. Wat de tweehonderd Spaanse visa betrof: de gezant te Madrid besloot (vermoedelijk in overleg met van Vredenburch) er geen gebruik van te maken, zulks op grond van de overweging dat het, gegeven de hoogst onzekere toekomst van Spanje (zou het zich bij Duitsland aansluiten of zouden de Duitsers in één ruk zelfs naar Gibraltar oprukken ?), eigenlijk geen zin had, vluchtelingen in Spanje op te nemen als niet vaststond dat zij op zeer korte termijn naar de N ederlandse overzeese gebiedsdelen afgevoerd konden worden. Inderdaad, dat was de kern van de zaak: Nederlands-Indië en de West moesten de deuren voor vluchtelingen openen.

XCOp Nederlands-Indië had de regering van Londen uit toen nog geen beroep gedaan - op de West wèl, maar de gouverneurs zowel van de N ederlandse Antillen als van Suriname hadden geweigerd, vluchtelingen toe te laten, zulks ondanks het feit dat in beide gebiedsdelen de burgerij van harte bereid was, asyl te verlenen aan diegenen die daar behoefte aan hadden. Dat was het duidelijkst gebleken op de Antillen en dat was ook van speciaal belang omdat Curaçao frequentere scheepsverbindingen met Europa had dan Suriname. Op Curaçao had men al op 10 mei een comité voor hulp aan vluchtelingen georganiseerd en dat comité had met veel steun uit de

EERSTE MAANDEN

burgerij op 3 juni op Curaçao (bevolkingsaantal: ruim vijf-en-vijftigduizend zielen) een huis-aan-huis collecte georganiseerd die f 270 000 opbracht, 'velen, zeer velen gaven', aldus een verslag uit '52, 'een vol weekloon.' 1 Meer nog: om het de gouverneur, G. J. J. Wouters, gemakkelijk te maken, was op initiatief van het comité een concept-vluchtelingenbesluit opgesteld hetwelk inhield dat de vluchtelingen zich op door de politie aan te wijzen plaatsen zouden vestigen, dat hun verblijf uit eigen middelen of uit het te vormen fonds bekostigd zou worden en dat zij voor een eventuele definitieve vestiging apart verlof zouden moeten aanvragen. Voorshands was er voor die vluchtelingen voldoende woonruimte: de eerste zeshonderd zouden in leegstaande landhuizen opgenomen kunnen worden. Eind mei had minister welter er bij gouverneur Wouters op aangedrongen, Curaçao voor vluchtelingen open te stellen - Wouters had onmiddellijk teruggeseind dat hij daartoe niet bereid was. Welter had vervolgens op 4 juni op een 'coulante houding' aangedrongen, althans 'tegenover Nederlandse uitgewekenen, over voldoende middelen beschikkend', maar Wouters had zijn weigering op 5 juni (twee dagen dus nadat de bevolking van Curaçao van haar grote offervaardigheid had doen blijken 2) nagenoeg geheel gehandhaafd:

XC'Gezien ernstige woningnood, totaal gebrek aan hotelvoorziening, onmogelijk Nederlandse uitgewekenen ook indien zelf over voorlopig voldoende middelen beschikkend in Curaçao toe te laten stop met oog hierop kan ik alleen toelating verlenen aan betrouwbare familieleden van alhier reeds gevestigde Nederlanders die bereid familieleden geheel hunnen laste in eigen huis op te nemen.' 3

XCWelter ergerde zich aan dit standpunt en toen gouverneur Wouters later in juni óók weigerde, enkele honderden Joodse vluchtelingen uit Europa die al maanden vruchteloos met een schip van de Koninklijke Nederlandse Stoomboot-Maatschappij (de KNSM) langs de westkust van Middenen Zuid-Amerika en in het Caraïbische gebied gezworven hadden, tot Curaçao toe te laten, maakte Welter het de gouverneur duidelijk dat hij, als deze blééf weigeren, gebruik zou maken van zijn recht als minister om de gouactie vanjuni '40. 3 Bijlage bij brief, 9 febr. I952, van de gouverneur der Nederlandse Antillen aan G. J. J. Wouters (Enq., dl. VI b, p.

1 Interview met dr. Chr. Engels, (Curaçao), 7 okt. I952 puntenl en m, gestenc. bijl. 467, p. 6). 2 Er zijn in die dagen ook bedragen voor hulp aan vluchtelingen bijeengebracht op Aruba, Bonaire, Saba, St. Eustatius en St. Maarten, maar daarvan kennen wij de grootte niet. Op Aruba is in totaal, mede door giften van de Amerikaanse maatschappij die er een grote raffmaderij had, f 300 000 bijeengebracht, maar dat bedrag slaat niet alleen op de inzamelings

'INHUMAAN BELEID'

verneur bij koninklijk besluit een aanwijzing te geven; zo ver wilde Wouters het niet laten komen: hij liet de rondzwervende vluchtelingen toe. De KNSM zorgde voor hun huisvesting en betaalde hun verblijf(de betrokkenen zijn in de loop van ' 4I en '42 door Amerikaans-Joodse hulporganisaties naar de Verenigde Staten overgebracht) - méér vluchtelingen zag men vooreerst noch op Curaçao noch in Suriname verschijnen, behalve dan dat op Curaçao welgeteld één Belgische vluchteling belandde.'

XCTerzake ondernam Welter verder niets: eind juni stond vast dat hij er zich bij neerlegde dat noch op de Antillen, noch in Suriname Nederlandse vluchtelingen opgenomen zouden worden; daarmee aanvaardde hij de verantwoordelijkheid voor een beleid dat hijzelf, toen hij in '5 I door de Enquêtecommissie verhoord werd, als 'inhumaan' zou karakteriseren.ê Niet ten onrechte! Want dit beleid betekende dat de ondernemende van Vredenburch in Madrid en in Lissabon (ook daarheen begaf hij zich) voor de meeste vluchtelingen niets kon bereiken. Hij trok naar onbezet Frankrijk, stelde zich in Montauban, 50 km benoorden Toulouse, bij Sevenster op de hoogte van de situatie der vluchtelingen, op dat moment in totaal ruim tweeduizend, reisde weer naar Madrid, drong er eind juli in een telegram bij van Kleffens op aan, 'de hulp in te roepen van kapitaalkrachtige Joodse organisaties (in) Engeland en Amerika'", en specificeerde begin augustus in een brief, dat, zo schatte hij, een miljoen dollar voldoende zou zijn 0111. de ca. duizend 'arme Nederlandse Joden in onbezet Frankrijk' naar de Nieuwe Wereld over te brengen om hen daar met 'gemiddeld I 000 dollar per gezin' in staat te stellen, 'een nieuw leven te beginnen'; wellicht konden sommige gezinnen in Suriname 'in de kleine landbouw of de citrusteelt' te werk gesteld worden." Van Kleffens gaf die suggesties aan zijn ambtgenoot van Boeyen door - inmiddels was namelijk bepaald dat de vluchtelingenzorg, waarvoor van Lidth op eigen initiatief tot regeringscommissaris benoemd was, onder Binnenlandse Zaken zou ressorteren. Mede namens van Lidth antwoordde van Boeyen op 2I augustus dat, 'zodra de heer van Vredenburch terug is, ... de departementen van buitenlandse zaken,

1 Het op Curaçao ingezamelde bedrag van f 270 000 is na de oorlog afgestaan aan de oprichters van het Studentensanatorium te Laren; toen in '43 de mogelijkheid bestond, een groep van Jamaica gearriveerde Joodse vluchtelingen te helpen, werd van het geld geen gebruik gemaakt, 'daar', aldus een van de beheerders, 'een woordvoerder van die groep zulke hoge eisen stelde, dat met hem niet te praten viel.' (Interview met dr. Chr. Engels in de 7 okt. 1952, punten I en rn, gestenc. bijl. 467, p. 7). 2 Getuige Welter, dl. VI c, p. 919. 3 Telegram, 26 juli 1940, van van Vredenburch aan van Kleffens punten I en m, gestenc. bijl. 297). 4 Brief, 7 aug. 1940, a.v. (a.v.).

EERSTE MAANDEN

binnenlandse zaken en socialezaken met de regeringscommissaris tijd moeten nemen om het gehele probleem eens rustig door te spreken, waarna enkele vaste punten in het oog moeten worden gevat, die wegwijzer worden voor het te voeren beleid.' 1

XCEen week na van Boeyens brief gaf van Lidth de Jeude aan, hoe men verder met de vluchtelingen kon handelen. 'Evacuatie naar West-Indië op enigszinsruime schaal moet', schreef hij, 'als uitgesloten worden beschouwd' - evacuatie naar Nederlands-Indië was daarentegen nu wèl mogelijk gebleken; men kon, meende hij, die evacuatie uit Engeland èn uit Portugal gaan voorbereiden. In Engeland zou zij door het Londense Rode Kruis ter hand genomen worden en in Portugal zou de gezant te Brussel, mr. B. Ph. baron van Harinxma thoe Slooten, optredend als gedelegeerde van de regeringscommissaris en van het Londense Rode Kruis, het nodige kunnen doen.ê

XCWat toen verricht is, zullen wij in hoofdstuk 7 beschrijven.

XCHier volstaan wij met op te merken dat in de zomer van ' 40, toen Portugal bereid was Nederlandse vluchtelingen uit Frankrijk op te nemen, mits zij naar elders konden doorreizen, ruim tweeduizend van die vluchtelingen, hoofdzakelijk Joden, in Frankrijk waren komen vast te zitten door de botte, naar ons oordeel hoofdzakelijk op afkeer van Joden gebaseerde weigering van de gouverneurs van Suriname en de Antillen om die vluchtelingen toe te laten - een weigering waarbij de regering zich in de persoon van minister Welter neergelegd had.

Strijdkrachten

XC

XCAls men er in mei en jLUll in geslaagd was, uit België en Frankrijk alle zich daar toen bevindende Nederlandse militairen en Nederlandse burgers van dienstplichtige leeftijd naar Engeland te vervoeren, dan zouden de strijdkrachten welke de regering tot haar beschikking kreeg, enkele duizenden personen méér omvat hebben dan nu het geval was. Wel waren, wat de Militaire Luchtvaart betreft, de personelen van de vliegscholen te Haamstede (Schouwen) en Souburg (Walcheren) ontkomen, met inbegrip van de leerlingvliegers, maar van de overige wapens van de landmacht had niet veel meer dan een allegaartje Engeland bereikt. Daarentegen was de marine

XC1 Brief, 21 aug. 1940, van van Boeyen aan van KJeffens (a.v.). 2 Brief, 28 aug. 1940, van van Lidth de Jeude aan van KJeffens (Enq., dl. VI b, p. 26). 3

MARINE

goed vertegenwoordigd en dat sloot de Marineluchtvaartdienst in. In Nederland was het luchtwapen verdeeld geweest over marine en leger Engeland kende een aparte Royal Air Force; daar vloeide al dadelijk uit voort dat bij een deel van het Nederlands militair vliegpersoneel dat de oorlog zou voortzetten, de verdeling over marine en leger, behalve dan in de personeelsadministratie, ongedaan gemaakt moest worden. Wij hebben dus nu drie soorten strijdkrachten te beschrijven: ter zee, in de lucht en te land - en wij mogen bij de landmacht de ca. tweehonderdvijftig marechaussees niet vergeten.

XCDe meeste in Nederland gestationeerde eenheden van de Koninklijke Marine (het grootste deel van die marine vertoefde in Indische wateren) waren er, zoals wij in deel 3 beschreven en in dit hoofdstuk reeds enkele malen aanstipten, tijdens de Meidagen in geslaagd weg te komen. Van groot belang was daarbij dat, zoals wij eveneens al vermeldden, ook de chef van de marinestaf, vice-admiraal Furstner, met enkele stafofficieren Engeland bereikt had: daar was dus een vlag-officier aanwezig die onmiddellijk de leiding in handen kon nemen. Furstner deed dat ook, en op gedecideerde wijze. Hij had, alszoveel marine-officieren, niet veel op met officieren van de landmacht, hij bewaarde een bittere herinnering aan het telefoongesprek dat hij op dinsdagochtend 14 mei met generaal Winkelman gevoerd had (gesprek waarin Winkelman het woord 'weglopen' had laten vallen) en hij koesterde niet veel achting voor de minister van defensie, Dijxhoorn, die overste van de landmacht was. Hij wilde vechten, zo snel en effectief mogelijk (dus in Geallieerd verband) en hij besefte dat daartoe allerlei regelingen met de Britse Admiralty getroffen moesten worden daar wenste hij zèlf voor te zorgen; voor besprekingen op ministerieel niveau voelde hij niets. Twee dagen nadat hij in Londen gearriveerd' was, wist hij (18 mei) een koninklijk besluit uit te lekken- waarbij hij niet alleen van chef van de marinestaf promoveerde tot bevelhebber van de Nederlandse zee- en marineluchtstrijdkrachten voorzover deze zich in Geallieerd gebied bevonden (die strijdkrachten in NederlandsIndië en de West vielen er dus buiten), maar ook gemachtigd werd om 'namens de Nederlandse regering met de bevelvoerende organen der Geallieerde zee- en luchtstrijdkrachten ... de voor een goede samenwerking

XC1 Tekst: a.v., dl. Va, p. 707.

EERSTE MAANDEN

benodigde maatregelen te treffen. . . De minister van defensie zal worden belast met de uitvoering van dit besluit.'

XCOnder dit besluit, waarmee alle ministers op 18 mei ingestemd hadden, plaatste de koningin (die op diezelfde r8de mei Nederlandse marineeenheden die in Engeland aangekomen waren, geïnspecteerd had) een dag later graag haar handtekening - het werd door de Geer en Dijxhoorn gecontrasigneerd. Was Dijxhoorn zich bewust dat hij over zich heen had laten lopen? Vermoedelijk niet. De formulering dat hij 'belast (was) met de uitvoering van (het) besluit', betekende niets - in feite had Furstner met één slag een positie van grote zelfstandigheid verworven, althans in het Nederlandse milieu. Die zelfstandigheid hield overigens niet meer in dan dat hij aan de Admiralty de in Engeland aanwezige strijdkrachten van de marine en de Marineluchtvaartdienst ter beschikking stelde en ter beschikking moest houden - de gehele operationele controle moest hij natuurlijk aan de Britten overlaten. Toen in de zomer van '40 overeenkomsten terzake op regeringsniveau gesloten werden, waren zij niet meer dan een formele bevestiging van een situatie die al enkele maanden bestond.

XCHet was niet weinig wat Furstner aan de Admiralty had kunnen aanbieden.' De oude kruiser 'Sumatra' was weliswaar niet veel waard, maar de nieuwe 'Jacob van Heemskerck' kon na zijn terugkeer uit Canada (waarheen hij de 'Sumatra' met de drie prinsessen aan boord geëscorteerd had) tot een volwaardige moderne eenheid afgebouwd worden (daarbij werden de Zweedse kanons door Engelse vervangen). Dan waren er de onafgebouwde torpedobootjager 'Isaac Sweers' die, eenmaal voltooid, evenzeer een nuttig aandeel kon hebben in de strijd ter zee; zeven onderzeeboten (drie oude en vier moderne van welke er twee eerst afgebouwd moesten worden); twee kanonneerboten (één oude, één moderne); zes stokoude torpedoboten; zes mijnenleggers (één moderne, vijf oudere); één moderne mijnenveger en één (onafgebouwde) motortorpedoboot. Voorzover zij niet eerst voltooid moesten worden, waren al deze schepen, zeker in de noodsituatie waarin de Admiralty zich spoedig bevond, bij uitstek bruikbaar. Verscheidene van de bedoelde eenheden kregen dan ook nagenoeg onmiddellijk een nieuwe oorlogstaak: de kanonneer- en torpedoboten werden nog in mei ingeschakeld bij de verdediging van de mondingen van de Britse rivieren en op 12 juni voer de eerste Nederlandse onderzeeboot, de '0 13', van Dundee uit om te trachten de schepen dieZweedsijzerertsZij vochten op de zeven zeeën. Verrichtingen en avonturen der Koninklijke Marine in de tweede wereldoorlog (1954), p.

1 Wij volgen het overzicht dat K. W. L. Bezemer gegeven heeft in zijn werk:

MARINE

uit het Noorse Narvik naar Duitsland vervoerden, in de grond te boren hij ging helaas al op die eerste operationele tocht verloren.

XCTekort aan personeel had de marine niet. Met inbegrip van bijna vierhonderd personeelsleden die tijdens de Meidagen per schip uit Amerika onderweg waren, beschikte de marine in Engeland over bijna een-en-dertighonderd krachten, onder wie meer dan driehonderd officieren en bijna negentig adelborsten (de opleiding dier adelborsten werd bij Falmouth, aan de Engelse zuidkust, voortgezet). Furstner wenste die marine zo effectief mogelijk in te zetten: op dezelfde dag (18 mei) waarop het kabinet besloten had, hem bevelhebber te maken, kreeg hij verlof, de lichte kruiser 'Van Kinsbergen' aan het bevel van de gouverneur van de Antillen te onttrekken en onder dat van de Britse opperbevelhebber in West-Indië te plaatsen. Gouverneur Wouters protesteerde: hij wilde, nu er Britse en Franse troepen op Curaçao en Aruba geland waren (daarover straks meer), de commandant van de 'Van Kinsbergen' niet missen - het schip kon Curaçao pas bijna vier weken later verlaten nadat er een marine-officier in de rang van kapitein-ter-zee was aangekomen die voortaan als algemeen militair commandant de gouverneur zou bijstaan. Twee Nederlandse onderzeeboten die toen nog in de Antillen waren (de '0 14' en de '0 IS') kregen nog enige tijd later opdracht, aan de oorlogvoering in Europa te komen deelnemen. Al in die tijd (hij zou in '41 op dat punt terugkomen) betwijfelde Furstner of het juist was, het grootste deel van de Nederlandse marine in Indische wateren te laten. Wat daarvan zij: onder zijn leiding had de marine in Engeland haar zaakjes spoedig voor elkaar. Nederland vocht weer - de koningin was hem er erkentelijk voor.

XCOok de Marineluchtvaartdienst werd spoedig ingeschakeld in de Britse oorlogvoering. Eind mei bevond zich een groot deel van de toestellen waarvan de MLD in Nederland gebruik gemaakt had (toestellen die terecht Nederland verlaten hadden - zij waren tegen de Duitse jagers niet opgewassen), in Bretagne. Vandaar werden zij naar Engeland overgevlogen: de meest verouderde naar een RAF-vliegveld bij Harwich waar zij op de schroothoop belandden, de iets minder verouderde naar een andervliegveld vanwaar zij verscheept werden naar Indië (ze waren nog bruikbaar bij de opleiding) en de relatief modernste naar Pembroke Doek bij Cardiff (zie kaart I) waar Coastal Command van de Royal Air Force een grote basis

EERSTE MAANDEN

bezat van waaruit gepatrouilleerd werd boven de scheepsroutes naar Bristol en Liverpool. De MLD vestigde hier een eigen eskader. 320 (Dutch) Squadron, de eerste niet-Britse eenheid in de RAF die geheel uit eigen personeel bestond en met eigen materieel werkte. Het grondpersoneel van het eskader werd spoedig met andere Nederlandse marinemannen versterkt en enige tijd later kon aan 320 (Dutch) Squadron een nieuweskader: 321 (Dutch) Squadron, toegevoegd worden. Het eerste eskader vloog aanvankelijk met Fokkers (het waren er acht) van het type T VIII W, maar die waren eigenlijk ook al uit de tijd en bovendien kwam er spoedig tekort aan reserve-onderdelen waarvan men slechts weinig uit Nederland meegenomen had. Het 320 Squadron werd in de herfst van '40 naar Leuchars aan de oostkust van Schotland verplaatst en kreeg toen nieuwe Amerikaanse toestellen, de Lockheed Hudsons. Ook voor dat alles had Furstner met bekwame spoed de nodige regelingen kunnen treffen.

XCZo vlot als Furstner was met het nemen van de nodige beslissingen, zo traag was minister Dijxhoorn, De Nederlandse legerluchtmacht had in Engeland, anders dan de MLD, geen eigen toestellen, maar wel een tweehonderdvijftig man personeel onder wie zich bijna negentig jongeren bevonden die in Haamstede en Souburg in opleiding waren geweest; negen instructeurs waren met die leerlingen meegekomen. Wat lag meer voor de hand dan dat er ergens een nieuwe Nederlandse vliegschool kwam, zodat na enige tijd een Dutch Squadron aan Fighter Command van de RAF toegevoegd kon worden? De RAF liet het grootste deel van zijn vliegpersoneel niet in Engeland opleiden maar in Canada dat niet alleen veel meer ruimte had voor vliegvelden maar ook een beter klimaat. wel waren de vliegscholen op het vasteland van Canada overvol maar in juni kwam het aanbod binnen dat het vliegveld van Gander op New Foundland gebruikt zou kunnen worden voor de opleiding van de Nederlandse leerlingvliegers ; er moesten daar dan nog wel behuizingen opgetrokken worden en bovendien dienden enkele lestoestellen te worden aangeschaft. De officieren van de Militaire Luchtvaart meenden dat het Canadese aanbod met beide handen aangegrepen moest worden en de leerlingvliegers verheugden zich in het vooruitzicht dat zij, na voltooiing van hun opleiding, spoedig evenals hun collega's van de Marineluchtvaartdienst aan de strijd tegen Duitsland zouden kunnen deelnemen. Dijxhoorn evenwel voelde van meet af aan niets voor het plan. Toen Frankrijk gecapituleerd had, zag hij geen gat meer in de oorlog in Europa en hij legde derhalve eind juni aan de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië de vraag voor of de leerlingvliegers in Indië verder opgeleid konden worden - te verwachten viel dat zij dan ook in Indië zouden blijven. De gouverneur-generaal seinde terug: laat hen maar komen.

OVER ZI CHTSKAA RT

Noordzee

XC

XC1. Engeland

EERSTE MAANDEN

Dat had veel voeten in de aarde. 'Op het departement stond ik', schreef Dijxhoorn ruim een jaar later, 'met dat plan geheel alleen; niemand was het met mij eens en onder de aspirant-leerlingvliegers ontstond over mijn beslissing ontevredenheid.' lOok prins Bernhard gaf van die ontevredenheid blijk en de koningin zond Beelaerts en van Tets naar Dijxhoorn toe om hem te vragen, wat hij op het New Poundland-plan tegen had. 'Hare Majesteit', schreef Dijxhoorn, verbitterd op de zaak terugziend, 'vond het klaarblijkelijk niet nodig, Haar minister van defensie daarover zelf te spreken.' 2 Inderdaad, Dijxhoorns pessimisme kennend, had de koningin geen behoefte aan persoonlijk contact met hem. Het slot van het lied was dat het technische personeel van de Militaire Luchtvaart aan de MLD toegevoegd werd en dat de leerlingvliegers, nadat zij enkele maanden tot hun grote ergernis niets te doen gehad hadden, in de herfst van '40 scheep gingen naar Indië waar bleek dat de vliegscholen over onvoldoende lesmateriaal beschikten - in '4I kwamen zij in groepen weer naar Engeland terug waar zij toen bij de RAF hun opleiding konden voltooien.

XCAls eerste Nederlandse conunandant in het kamp te Porthcawl trad een overste op die, aldus een der jongere officieren, reserve-luitenant mr. G. F. J. Jongbloed, 'gedemoraliseerd' en 'slap' was en sterk onder de invloed stond van enkele andere oudere officieren, die aan het lagere kader en de manschappen een weinig opwekkend voorbeeld gaven: 'de een door zich te buiten te gaan aan drank:,de ander door zich van de rest van de troep niets aan te trekken ... , een derde door midden in het open veld in het k:ampeen schuilkelderte graven en zich daardoor tegenover de soldaten aan de algemene spot en smaad bloot te geven, een vierde door te trachten elders een plaats te krijgen, een vijfde door niet van zijn bed op te staan.' 2

XCOnder de officieren deed op een gegeven moment een rekest de ronde waarin zij vroegen of 'het Nederlandse Legioen' (dat was de benaming geworden) niet beter naar Indië of Curaçao overgebracht kon worden het stuk werd door ca. zestig van de omstreeks tachtig in Porthcawl aanwezige officieren ondertekend. 'Ik heb', aldus [ongbloed,

XC1 Ministerraad: Notulen, 18 juni 1940. 2 Getuige G. F. J. Jongbloed, Enq., dl. VIII c, p. 139.

EERSTE MAANDEN

'behoord tot de groep die weigerde. Over het algemeen waren dit de jongere officieren die het gemakkelijker hadden; ik was bijvoorbeeld ongetrouwd, en dit waren de meesten van de jongeren, dus wij hadden ook veel minder achtergelaten in Nederland en de morele klap was voor ons niet zo zwaar aangekomen.' 1

XCDe rapporten welke generaal Noothoven van Goor (tevoren hoofd van Winkelmans missie bij het Belgische opperbevel), die als 'inspecteur der Nederlandse troepen' was gaan optreden, aan Dijxhoorns departement voorlegde, waren zo ongunstig dat de eerste commandant van het Legioen spoedig vervangen werd. Majoor Sas, de vroegere Nederlandse militaire attaché te Berlijn, werd zijn opvolger. Een slechtere keus had Dijxhoom niet kunnen maken, want Sas, van nature al nerveus, was 'op' van de zenuwen: hij was er van overtuigd dat de Duitsers, als zij hem ooit in handen zouden krijgen (en hij zag de toekomst van Engeland zwart in), hem zwaar zouden martelen om te weten te komen wie de zo hoogst belangrijke geheime informant in Berlijn was geweest die hem telkens de door Hitler vastgestelde aanvalsdata doorgegeven had, en hij had dus maar één wens: zo spoedig mogelijk de Atlantische Oceaan over te steken; hij had dan ook, toen hij de benoeming in Porthcawl aanvaardde, als voorwaarde gesteld dat hij, zodra er een opleiding van Nederlandse dienstplichtigen in Canada kwam, daarvan de leiding zou krijgen. Medio augustus trof de aalmoezenier der Nederlandse strijdkrachten in Porthcawl nog steeds 'een defaitistische sternming' aan, 'ontevredenheid en ... gekanker in alle rangen', waarvan 'de voornaamste reden' deze was: 'de manschappen hadden alle vertrouwen in hun officieren verloren.' 2

XCN a Sas die naar Canada vertrok, toen besloten was daar een infanterie-depot te vestigen, werd de oudste officier der marechaussees, majoor jhr. D. J. H. N. den Beer Poortugael, de derde Nederlandse commandant van het Legioen. Tegen die functie had hij geen bezwaar, maar toen Dijxhoorn, zij het na lang aarzelen, besloot de ca. tweehonderdvijftig marechaussees, die formeel tenslotte deel uitmaakten van de Koninklijke Landmacht (dat deed het korps al sinds 1815), als eenheid op te heffen 3, kwam er heftig verzet van den Beer Poortugael die er niets voor voelde dat zijn marechaussees aan de militaire strijd zouden gaan deelnemen. Het slot van het lied was dat eendier autobussen wilden naar Nederland terugkeren. Daartoe kregen zij geen verlof. Zij werden tenslotte als 'militaire werklieden'

1 A.V. 2 Rapport, 18 aug. 1940, van). Th. van de Poe! punt p, gestenc. bijl. 75). 3 De marechaussees waren met medenemen van een aantal in Zeeuws-Vlaan deren gevorderde autobussen in Engeland beland; velen van de burger-chauffeurs

'NEDERLANDS LEGIOEN'

deel van de marechaussees bij het Legioen ingelijfd werd, dat een ander deel naar Londen overgebracht werd om in Stratton House bewakings- en portiersdiensten te verrichten en om een soort lijfwacht voor de koningin te vormen, en dat den Beer Poortugael als commandant te Porthcawl opgevolgd werd door no. 4: weer een majoor. In diens bevelsperiode werd het Legioen (de winter naderde) uit het tentenkamp te Porthcawl naar een leegstaande fabriek te Congleton overgebracht en per I januari '41 ging daar een van de twee adjudanten van de koningin, majoor H. J. Phaff, als conunandant fungeren - de vijfde.

XCInmiddels had de regering besloten, de Nederlandse strijdkrachten zo snel mogelijk uit te breiden. Vrijwilligers hadden zich al onmiddellijk na de Duitse invasie aangemeld, meestal schriftelijk - vooralook Nederlanders die in Zuid-Afrika, Canada en de Verenigde Staten woonden. Aanvankelijk kon men in Londen weinig meer doen dan hun namen noteren, maar medio juni werd besloten tot het in dienst nemen van vrijwilligers en tot het oproepen van dienstplichtigen over te gaan; voor die dienstplichtigen die in Groot-Brittannië en Noord-Ierland, de Verenigde Staten en Canada woonden, werd begin augustus de dienstplicht afgekondigd; er was toen ook al vastgesteld dat men de dienstplichtigen uit de Verenigde Staten en Canada in het in Canada te vormen depot zou opnemen. Vertrouwd werd dat men uiteindelijk in Engeland een Nederlandse strijdmacht zou kunnen vormen van op zijn minst tienduizend man.

Koopvaardij

XC

XCNiet alleen marine-eenheden waren uit Nederland ontsnapt, maar ook enkele passagiers- en handelsschepen en talrijke kustvaarders. Veel méér schepen waren, toen de Duitse invasie kwam, buitengaats en nog tijdens de Meidagen werd beseft dat op scheepvaartgebied nieuwe regelingen nodig waren. Twee in juni '39 afgekondigde wetten: de Zeeschepenvorderingswet en de Wet behoud scheepsruim.te, gaven de ministers van economische zaken en van defensie de bevoegdheid om in geval van oorlogsgevaar of oorlog het gebruik van schepen te vorderen, niet de schepen zelf - de vordering kwam dus eigenlijk neer op een gedwongen bevrachting. Uiteraard moest, nu Nederland in oorlog was, die centrale leiding door of namens de regering voortgezet worden. Van waaruit? Niet van Den Haag uit, waar nauwelijks cornmunicatie met het buitenland mogelijk was, maar liever van Londen en Batavia uit. Inderdaad, op de tweede

EERSTE MAANDEN

invasiedag, II mei, werden de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië en de gezant te Londen telegrafisch door de ministers Steenberghe en Dijxhoorn gemachtigd", 'namens ons op te treden terzake van de uitvoering van de Zeeschepenvorderingswet 1939 en de Wet behoud scheepsruimte 1939 teneinde alle ons daarbij toegekende bevoegdheden uit te oefenen.' 2 De gouverneur-generaal, jhr. mr. A. W. 1. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, had een geheel departement (Economische Zaken onder zijn directeur H. J. van Mook) tot zijn beschikking om van die bevoegdheden gebruik te maken, maar het gezantschap te Londen was daar niet voor geëquipeerd. Michiels richtte nagenoeg onmiddellijk (12 mei) een commissie van vier reders op teneinde hem te adviseren: vier die zich op de rode mei in Londen bevonden. Dat waren D. Hudig, gedelegeerd commissaris van de Verenigde Nederlandse Scheepvaartmaatschappij, de VNS (die als oudste in jaren voorzitter van de commissie werd), P. Dijkstra, directeur van de tot de VNS behorende Holland-Afrika- en Holland-Westafrikalijnen, mr. C. C. Gischler, directeur van van Ommeren's Scheepvaartbedrijf en S. M. D. Valstar, directeur van de Koninklijke Nederlandse Stoombootmaatschappij. Op dat moment was hun taak niet meer dan te bevorderen dat de regering voor de aanvoer van goederen naar het westen van Nederland (gehoopt werd dat men de Duitsers aan de Grebbelinie geruime tijd zou kunnen tegenhouden) de beschikking zou krijgen over voldoende scheepsruimte; zij zouden dus in feite de belangen niet van hun maatschappijen maar van de staat gaan dienen ('U wordt nu van stropers veldwachters', zei van Kleffens toen hij de vier ontmoette)."

XCTwee dagen na de rzde stonden de commissie en het inmiddels in Londen aangekomen kabinet voor een veel uitgebreider taak: de gehele Nederlandse handelsvloot en het daarvan te maken gebruik moesten onder centrale leiding bij de Geallieerde oorlogvoering ingeschakeld worden. Hoeveel schepen dit betrof (zij waren over de gehele wereld verspreid), wist men aanvankelijk niet en evenrnin wist men waar die schepen zich bevonden. Het eerste wat geschiedde, was dat de corrunissie van vier er een van zes werd: 1. Bohlken, directeur van de Koninklijke Hollandse Lloyd en 1. C. M. van Eendenburg, voorzitter van de raad van beheer van de VNS, die beiden tijdens de Meidagen uit Nederland overgestoken waren, werden door Michiels aan de commissie toegevoegd. Die commissie ging terstondjuni '40 dus - daarop heeft niemand in Londen gelet. 3 Getuige van Kleffens,

1 Tekst van het telegram aan de gezant te Londen: dl. III b, p. r97. 2 Krach tens de twee genoemde wetten vervielen die bevoegdheden na een jaar, eind

NEDE RLANDSE S CHEEPV AA R T EN HANDELS COMMIS SIE

overleg plegen met Steenberghe en zijn twee uit Nederland gekomen hoofdambtenaren A. B. Speekenbrink en D. M. de Smit, om vast te stellen hoe die inschakeling van de Nederlandse koopvaardijvloot zou plaatsvinden. Daar was grote haast mee. Nagenoeg geen enkele scheepvaartmaatschappij had op dat moment haar zetelnaar Nederlands-Indië of de West verplaatstdie zetel was nog steeds in Nederland, bezet Nederland. Maar dat betekende dat de verzekeringsovereenkomsten die in de regel met Lloyd's te Londen gesloten waren, niet langer golden. De Nederlandse koopvaardijvloot met een totale te verzekeren waarde van meer dan f ISO mln voer, behalve wat het oorlogsrisico betrof (dat werd door de regering gedekt), onverzekerd.

XCEén mogelijkheid voor de nieuwe structuur was dat de Nederlandse regering, zoals de Noorse al gedaan had, de gehele koopvaardijvloot zou vorderen. Het kabinet besloot daartoe op 3 juni, maar het denkbeeld werd door de reders afgewezen en ook Steenberghe die ondernemer geweest was voordat hij minister werd, voelde er bij nader inzien niet voor, de particuliere eigendomsrechten zo drastisch aan te tasten. Zulk een vordering zou immers een geheel ander karakter dragen dan A I: dat koninklijk besluit was puur conservatoir, maar als de regering de koopvaardijvloot in gebruik vorderde, zou de staat als reder gaan optreden. Ook van Kleffens had daar bezwaren tegen: werden de schepen staatsschepen, dan zou elk conflict (denkbaar was dat de regering bijvoorbeeld van een Zuidamerikaanse staat onder Duitse druk of omdat een aldaar gevestigde handelsonderneming zulks verzocht, Nederlandse schepen aan de ketting zou leggen) een conflict tussen staten worden. De juridische experts van Lloyd's rieden aan, een naamloze vennootschap op te richten die namens de regering, volgens haar aanwijzingen en onder haar toezicht, als beheerder (custodian) van de koopvaardijvloot zou optreden en dus ook alle rechten en verplichtingen van de scheepvaartmaatschappijen en van de firma's die aan de betrokken schepen goederen toevertrouwd hadden, zou overnemen.'

XCNog voor deze zaak geheel in kannen en kruiken was, zond Steenberghe Speekenbrink naar Parijs om daar in overleg met de Franse autoriteiten een overeenkomstige regeling te treffen. Ook in Parijs kwam een redersconunissie tot stand, maar dat bouwsel stortte ineen toen Frankrijk capituleerde. Op drie kleine schepen in Noordafrikaanse havens na, wisten alle Nederlandse schepen die in juni nog in Franse havens lagen, weg te komen.£

1 het waarmee de vennootschap d.d. I juli '40 officieel geregistreerd werd krachtens de Engelse wetgeving, werd bepaald dat zij een kapitaal had van 500 en dat zij aan de houders van de 25 aandelen geen dividenden of bonus sen zou uitkeren.

EERSTE MAANDEN

Voorzover zij niet tot zinken gebracht werden, kwamen ook zij onder het beheer van het nieuwe Londense lichaam te vallen: de Nederlandse Scheepvaart- en Handelscommissie (de NSHC), zoals de officiële naam ging luiden.

XCVan die commissie maakte Valstar geen deel uit: hij was nog in mei samen met J. F. van Hengel, directeur van de Stoomvaartmaatschappij Nederland, naar Amerika vertrokken teneinde in New York een soort dépendance op te richten van de Nederlandse Scheepvaarten Handelscommissie. Hudig bleef daar voorzitter van, Dijkstra werd lid-secretaris en als leden traden naast diegenen die wij al noemden (Bohlken, van Eendenburg en Gischler), nog vier andere reders toe: de Booy, de directeur van de 'Koninklijke'/Shell van wie wij reeds gewag maakten, G. F. Ferwerda, lid van de groepsdirectie West-Europa van het Unilever-concern, Ph. van Ommeren, lid van de raad van beheer van van Ommeren's Scheepvaartbedrijf (in de Meidagen uit Parijs in Londen gearriveerd), en D. Rahusen, directeur van de Nederlandse Scheepvaartmaatschappij 'Oceaan' (hij kwam in juni uit Italië in Londen aan). De commissie had toen dus negen leden; op verzoek van Indië werd in juli als tiende iemand toegevoegd die deskundig was op het gebied van de scheepvaart in en naar Indië: J. Olyslager, de vertegenwoordiger in Batavia van de Stoomvaartmaatschappij Nederland.

XCTer voorkoming van juridische moeilijkheden formuleerde Steenberghe op 17 juni een in het Engels gestelde machtiging+ waarin nauwkeurig de rechten en bevoegdheden van de Netherland Shipping and Trading Committee Ltd. aangegeven werden, en in een brief van diezelfde datum aan de commissie 2 stipuleerde hij dat namens hem door Speekenbrink toezicht uitgeoefend zou worden op alle scheepvaartkwesties en door de Smit op alle handelsaangelegenheden. De in het Engels gestelde machtiging werd in de Nederlandse Staatscourant gepubliceerd, in no. 153 - in nr. 150 (het eerste te Londen verschenen nummer d.d. 24 mei) had reeds gestaan dat de NSHC met machtiging van de regering d.d. 22 mei als custodian optrad 'voor alle zeeschepen, ladingen en andere belangen van geïnteresseerden, die zich thans in het door de vijand bezette gebied bevinden.' Tussen 22 mei en 17 juni was die machtiging uitgebreid: niet alleen de eigendommen van geïnteresseerden in bezet gebied vielen er onder maar ook alle goederen die aan hen verscheept waren en die, als de koopsommen nog niet voldaan waren, nog niet hifi eigendom waren geworden.

XCWat die verscheepte goederen betrof: er waren er bij, granen bijvoorbeeld, die vóór 10 mei aan de regering geconsigneerd waren, en dan lag de zaak

XC1 Tekst: Enq., dl. III b, p. 197. 2 Tekst: a.v., p. 198-99. 4

NEDERLANDSE SCHEEPVAART EN HANDELSCOMMISSIE

niet moeilijk: de regering gaf aan de NSHC opdracht, die goederen te verkopen. Talrijke andere ladingen waren evenwel eigendom van derden. Daarvan moesten eerst volledige overzichten opgesteld worden. Natuurlijk waren er per schip wellijsten (de z.g, manifesten), maar daarop stond niet vermeld, wat die goederen waard waren en wie er de eigenaren van werden. Duizenden partijen waren het, bestaande, aldus Ferwerda, 'uit alles wat een land in zijn economisch leven gebruiken kan, van spelden tot levende have.' 1 Dat alles moest eerst gelocaliseerd worden, dan opgeslagen, vervolgens geïnventariseerd en tenslotte zo voordelig mogelijk verkocht. Ferwerda en Gischler namen daartoe de leiding van de handelsafdeling van de NSHC op zich. Maar hun collega's van de scheepvaartafdeling hadden het niet minder druk. Elk van de vele honderden onder de NSHC vallende schepen had zijn eigen problemen - geen gezagvoerder was er die niet moest weten waaraan hij toe was, en dat betrof dan veelal kwesties die niet door zijn eigen directie behandeld konden worden, maar louter door de NSHC welke op haar beurt dan weer contact moest opnemen met Steenberghe's departement dat alle zaken van principieel belang met het Britse Ministry of Trans port diende te behandelen. Er werd die eerste maanden, aldus van Eendenburg, door de leden van de commissie 'vergaderd tot's nachts half twaalf of één uur toe, meermalen', en dan was het 'twee, drie uur' voor secretaris Dijkstra (die na elke vergadering ettelijke telegrammen moest opstellen) 'zijn bed kon opzoeken, en om negen uur 's morgens was hij weer op kantoor.'2

XCDat kantoor was in die tijd gevestigd in het Londense kantoor van van Ommeren. Er werkte aanvankelijk een man of tien en het was moeilijk, ervaren andere krachten te vinden, ook doordat de 'Van Rensselaer', een schip van de KNSM dat enkele honderden personeelsleden van die maatschappij aan boord had, in de nacht van I2 op 13 mei vlak bij de pieren van IJmuiden op een mijn gelopen was. 'Te hooi en te gras' werden, aldus weer van Eendenburg, door de NSHC ('de Shipping', zoals ze in Londen genoemd werd), 'arbeidskrachten aangenomen ... , wat zich maar meldde als Hollander en enigszins bruikbaar leek voor kantoorwerk Een heel enkele was er bij die werkelijk iets met een schip te maken had gehad, maar 90 % had nog nooit een schip gezien.l" Het aantal personeelsleden steeg met sprongen: van tien werden het er duizend.

XC1 Getuige G. F. Ferwerda, a.v., dl. III c, p. 243. 2 Getuige L. C. M. van Eendenburg, a.v., p. 149. 3 A.v.

EERSTE MAANDEN

En de opvarenden: de gezagvoerders, scheepsofficieren en leden van het lagere scheepspersoneel? Zij beseften dat zij een moeilijke tijd tegemoet gingen. Allen, waar zij zich ook bevonden, waren, voorzover zij in Nederland domicilie hadden, van hun gezinnen en families gescheiden en diegenen die aan boord waren van schepen die in Engelse havens lagen of die naar die havens onderweg waren, beseften bovendien dat zij aan nieuwe gevaren blootstonden. In de eerste wereldoorlog waren meer dan honderd Nederlandse koopvaardijschepen en bijna honderd vissersschepen tot zinken gebracht en dat had bijna twaalfhonderd opvarenden het leven gekost, de tweede wereldoorlog had tussen september '39 en mei '40 al tot het verlies geleid van zes-en-twintig schepen (waaronder drie vissersvaartuigen) en van tweehonderdvijftig mensenlevens - duurde de oorlog voort, dan zouden die verliezen toenemen, ook doordat Nederland nu met Duitsland in staat van oorlog verkeerde. In de neutraliteitsperiode hadden vooral de mijnen die de Duitsers in de wateren rondom Engeland gestrooid hadden, Nederlandse schepen doen zinken, maar naast die mijnen waren er nu nieuwe gevaren: U-Boote, Schnellboote (motortorpedoboten), Duitse vliegtuigen en, als zij er in slaagden aan de waakzaarnheid van de Britse Home Fleet te ontkomen: Duitse raiders (vermomde oorlogsbodems), Duitse kruisers en Duitse slagschepen. Te verwachten viel voorts dat de Britse havens door de Luftwaffe geteisterd zouden worden. Maar de scheepvaart van de Britten en hun bondgenoten moest doorgaan, Engelands behoud (anders gezegd: Duitsland nederlaag) hing er vanaf.

XCTeneinde te bevorderen dat de Nederlandse koopvaardij de beschikking zou houden over voldoende personeel, besloot het kabinet op 3 juni in beginsel, 't.z.t.' 'burgerdienstplicht (vaarplicht)' in te stellen." Dat geschiedde al drie dagen later. Besluit A 5 (6 juni) bepaalde dat de minister van defensie gemachtigd was, 'regels vast te stellen op grond waarvan Nederlanders en Nederlandse onderdanen' (er voeren op de schepen vele honderden Indonesiërs) 'verplicht worden persoonlijke diensten bij of ten behoeve van de scheepvaart te verrichten', en ter naleving van die regels zou 'de hulp van de sterke arm, waaronder de militaire macht wordt begrepen', kunnen worden ingeroepen. Was de stemming aan boord van de koopvaardijvloot dan dusdanig dat die vaarplicht noodzakelijk was en dat de opvarenden op 6 juni al bedreigd moesten worden met militaire maatregelen? Achteraf gezien: geenszins. Wij nemen aan dat aan de Nederlandse Scheepvaart- en Handelscommissie wèl heel enkele gevallen gemeld waren waarbij opvarenden er blijk van gegeven hadden, niet veel te voelen voor voortgezette

XC1 Ministerraad: Notulen, 3 juni 1940.

AFKONDIGING V AN DE VAARPLICHT

deelneming aan de oorlog, maar zeker van begin juni af, toen het grootste deel van de British Expeditionary Force uit Duinkerken was geëvacueerd, was de stemming aan boord van veruit de meeste schepen bevredigend. Besluit A 5 werd door verscheidene opvarenden dan ook als nodeloos en kwetsend ervaren en het trof menigeen hunner als een pijnlijke tegenstelling dat wèl de arbeidskracht van de mensen die de schepen bemanden, door de regering gevorderd werd, zij het slechts in beginsel (want daartoe moesten eerst nog regels vastgesteld worden en die verschenen niet), maar niet het beschikkingsrecht over de eigendommen van de particuliere scheepsbezitters en van de talloze kleine en grote rederijen. Hier werd de grondslag gelegd voor een conflict dat in later jaren tot grote spanningen zou leiden.

XCWat daarvan zij, de regelingen welke onder Steenberghe's leiding getroffen waren, waarborgden de Engelse (en in de periode waarin die regelingen tot stand kwamen, ook nog de Franse) regering dat, behoudens de schepen in bezet gebied, alle schepen die de Nederlandse vlag voerden, ingeschakeld zouden blijven in de oorlogvoering tegen Duitsland: ca. 570 zeeschepen (tezamen tellende ruim 2,6 mln brutoregisterton), ca. 200 kustvaarders (bijna 60 000 brt), 12 zeesleepboten en 42 treilers.

XCDie regelingen leken er op te wijzen dat het Nederlandse kabinet vastbesloten was, de oorlog tegen Duitsland met kracht voort te zetten. Het feit evenwel dat Frankrijk in juni onder de voet gelopen werd, schiep een situatie waarin niet alleen de Geer maar ook verscheidenen van zijn ambtgenoten gingen betwijfelen of voortzetting van de oorlog zin had, en waarin menigeen hunner (wij stipten dit al aan met betrekking tot Dijxhoorn) zich de vraag stelde of men er niet beter aan deed, Londen of zelfs Engeland te verlaten.

Verdee ldheid

XC

XCOnschokbaar waren het zelfvertrouwen en de vastberadenheid van het Engelse volk. De geslaagde evacuatie van het grootste deel van de British Expeditionary Force uit Duinkerken werd niet als een nederlaag maar als een overwinning beschouwd. Eind mei en begin juni werd nog gehoopt dat de Fransen een nieuw Duits offensief zouden kunnen opvangen, maar toen dat offensief op 5 juni ingezet werd, bleek spoedig dat men de Franse weerstandskracht overschat had. Drie weken later was heel West-Europa in Duitse handen, een nieuwe Franse regering, geleid door maarschalk Pétain, had inmiddels gecapituleerd (22 juni) . Wat zou Hitler doen? Had hij plannen gereed liggen om op korte termijn in Engeland te landen? Het minste

EERSTE MAANDEN

waarop men meende te moeten rekenen was dat Engeland, als het doorvocht, blootgesteld zou worden aan vernietigende bombardementen. Zou het zich kunnen handhaven? Niemand wist het, ook het Britse War Cabinet niet - misschien zou het wel naar het westelijk halfrond moeten uitwijken; daarop zinspeelde Churchill in zijn toespraak van 4 juni. Ook dan evenwel zou de oorlog voortgezet worden. Elk accoord met het Derde Rijk, elke gedachte aan een compromisvrede werd verworpen. Op een vaag aanbod, vervat in de triomfantelijke redevoering die Hitler op 19 juli in de Reichstag hield, ging het War Cabinet niet in; het werd drie dagen later in een radiotoespraak van de minister van buitenlandse zaken, Lord Halifax, afgewezen: 'We shall not stop fighting', zei deze, 'UIttil Freedom is secure.' Dat juist Halifax, in' 38 overtuigd voorstander van het accoord van München, waarbij Engeland en Frankrijk Tsjechoslowakije in de steek gelaten hadden, het standpunt van het War Cabinet had uitgedrukt, kon Hitler duidelijk maken dat zijn hoop op een Engelse Pétain ongegrond was.

XCHad Engeland dan nog een reële kans om Duitsland te verslaan? Dat was voor de meeste Britten geen vraag. Hoe zij Duitsland ooit nog op de knieën zouden krijgen, was hun niet duidelijk, maar dat de oorlog met een Britse overwinning zou eindigen, was een nationaal geloofsartikel. Napoleon had de worsteling met Engeland verloren - zo zou het met Hitler ook gaan. In geen enkele grote Europese oorlog had het Britse Rijk ooit het onderspit gedolven.

XCNog voor Frankrijk ineenzeeg, had Engeland er een tegenstander bij gekregen: Italië. Op 10 juni had Mussolini Engeland en Frankrijk de oorlog verklaard. Daags daarna kwam het Nederlandse kabinet bijeen om zich op verzoek van van Kleffens en Dijxhoorn, die hunnerzijds benaderd waren door admiraal Furstner, te beraden over de vraag of het wenselijk was dat Nederland het Brits-Franse voorbeeld zou volgen: zijnerzijds nu óók Italië de oorlog verklaren; de Geer ('die', aldus de notulen, 'beslissing aan aanwezigen overlaat') was notabene weggebleven.

XCEr was onder aile ministers slechts één die er voorstander van was dat N ederland Italië de oorlog zou verklaren: Gerbrandy; zijn mening was, 'dat de enige heldere positie is, dat wij ons als met Italië in oorlog beschouwen en dit ondubbelzinnig verklaren' - een opinie die zijn ambtgenoot van Rhijn 'meer door sentiment dan door wijsheid ingegeven' achtte.' Anderen

XC1 Ministerraad: Notulen, II

'DE FACTO' OORLOG MET ITALIË

vielen Gerbrandy niet aan, maar namen toch wel een ander standpunt in dan hij. Van Kleffens voelde niet voor een oorlogsverklaring, zij het dat hij wèl een duidelijk anti-Italiaanse maatregel wilde nemen: hij wenste de Italiaanse schepen die zich in havens in Nederlands-Indiê of de West bevonden, aan de ketting te leggen. Dijxhoom achtte dat niet voldoende: hij wees er op dat rekening gehouden moest worden met het feit dat Nederlandse marine-eenheden in Geallieerd verband voeren; dienaangaande werd besloten dat zij, in dat verband opererend, de Britse (en eventueel Franse) orders zouden opvolgen, en voorts dat zij, als zij geheel alleen voeren, Italiaanse schepen zouden mogen aanvallen wanneer die begonnen te vuren, zulks evenwel niet in het zeegebied dat onder de commandantzeemacht van Nederlands-Indië viel (een gebied dat zich westwaarts tot Mauritius uitstrekte); zouden zij in dat zeegebied tot gevechtshandelingen met de Italianen overgaan, dan zou dat namelijk uitgelegd kunnen worden als een wijziging in de positie van Nederlands-Indië, terwijl handhaving van de status quo aan Japan toegezegd was.

XCDe genomen besluiten kwamen er op neer dat de Nederlandse strijdkrachten in en bij Europa de facto aan de oorlog tegen Italië zouden deelnemen, maar dat er geen officiële oorlogstoestand tussen Nederland en Italië zou ontstaan. Tegen die beperking bleek Halifax geen enkel bezwaar te hebben. Wie wèl bezwaar had, was Furstner; niet ten onrechte was deze van mening dat door het kabinetsbesluit een ietwat halfslachtige en in elk geval niet volstrekt duidelijke situatie geschapen was. Dat kon bijvoorbeeld lastig zijn voor de commandant van de 'Sumatra', die (het schip lag op dat moment in Curaçao) opdracht had, naar Indië te varen: hij mocht de strijd met Italiaanse schepen aangaan tot hij bij Mauritius was, maar was hij Mauritius gepasseerd, dan diende hij zich passief te gedragen.

XCIets op ons relaas vooruitlopend, vermelden wij dat als gevolg van Furstners aandrang de 'Sumatra' in september, toen men in de Indische Oceaan een Italiaanse raider vermoedde, gemachtigd werd, de Italiaan onmiddellijk aan te vallen, dat aan de in Indië gebaseerde Nederlandse onderzeeboten in die maand diezelfde toestemming gegeven werd, en dat dat verlof begin november uitgebreid werd tot alle Italiaanse oorlogs- en handelsschepen. Met dat al duurde het toch tot 16 december' 41 voordat Nederland Italië de oorlog verklaarde. Van Kleffens' motief was toen dat Italië (dat de Verenigde Staten de oorlog verklaard had) zich aan de zijde van Japan had geschaard en dat Nederland met Japan in oorlog was. Maar was Nederland in juni '40 dan niet in oorlog geweest met Duitsland en had Italië zich toen niet aan de zijde van Duitsland geschaard? Op de brief d.d. 12 december '41 waarin van Kleffens de koningin om machtiging vroeg

EERSTE MAANDEN

tot de oorlogsverklaring aan Italiè+, tekende de koningin aan: 'Dit had in '40 dadelijk moeten gebeuren.'

XCWaarom was dat nagelaten?Waaromhad Nederland op die lode juni '40, toen Mussolini, gelijk Churchill het uitdrukte, Frankrijk de dolk in de rug stak, zelfs niet de diplomatieke betrekkingen met Italië verbroken 2 en waarom had bijna een jaar moeten verstrijken voordat (29 mei' 41) bepaald werd dat Italië in de zin van het Besluit rechtsverkeer in oorlogstijd (A 6) vijandelijk gebied was?3 Waarom had van Kleffens zijn beleidslijn met zoveel hardnekkigheid doorgetrokken dat hij nog op 9 december '41, twee dagen na Pearl Harbour, geweigerd had Italië de oorlog te verklaren, toen Furstner, die inmiddels minister van marine geworden was, daar, niet voor het eerst, op aandrong?

XCAan de Enquêtecommissie gaf van Kleffens in '49 als motief op dat de regering het in juni '40 'niet raadzaam geacht (had), Italië de oorlog te verklaren, zolang wij in de omgeving van Italië ter zee geen of nauwelijks enige strijdkrachten hadden om aan de oorlogvoering daar deel te nemen'", maar in zijn brief aan de koningin d.d. 12 december' 41 maakte hij, terugblikkend op wat in juni '40 gebeurd was, geen melding van dat 'militaire' motief en noemde hij een geheel ander: 'de Nederlandse economische belangen in dat land'; van datzelfde motief was al in '40 mededeling gedaan aan Furstner. Aan deze werd namelijk in juni' de vaagheid' van het regeringsstandpunt 'verklaard als gevolg van de zeer grote financiële belangen die Nederland in Italië had en nog zou hebben.' 'Ik heb van het beginaf', schreef Furstner in oktober' 40 aan Gerbrandy, die inmiddels premier geworden was, en aan van Kleffens en Welter (met passeren dus van de minister van defensie Dijxhoorn), 'dit argument niet overtuigend gevonden, ik meende en meen nog, dat de wijze waarop Nederland voor het verlies van beleggingen in de thans oorlogvoerende landen al of niet zal worden schadeloos gesteld, ten enen male afhankelijk is, niet van het al dan niet ontwijken van een oorlogsverklaring of van een oorlogshandeling tijdens het conflict, maar van de uitslag van deze oorlog.' 5

XCWat waren eigenlijk 'de zeer grote financiële belangen die Nederland in Italië had'? Drie grote Nederlandse concerns bezaten er vestigingen: De Algemene Kunstzijde Unie, Philips en de 'Koninklijke'. Wij achten hetgenomen. 8 Indië had de A 6-regeling wèl onmiddellijk op Italië toegepast. • Getuige van Kleffens, Enq., dl. VI e, p. 580. 6 DBPN, C, dl. I, p.

1 Archief kab. der koningin. 2 Het initiatief tot die verbreking werd door Italië

WAAROM GEEN OORLOGSVERKLARING?

mogelijk dat van Kleffens en de ambtgenoten die zich naast hem schaarden, een oorlogsverklaring nalatend, onteigening van deze vestigingen hebben willen voorkomen", maar kunnen hier toch niet het enige motief in zien dat bij hen een rol gespeeld heeft. Nederland had in juni '40 inderdaad niets in de Middellandse Zee waarmee het tegen Italië vechten kon en in die omstandigheden zagen van Kleffens en anderen een oorlogsverklaring als een nogal goedkoop gebaar. Later werd die oorlogsverklaring minder urgent, toen eenmaal bleek (zulks was van begin '41 af het geval) dat het ontbreken ervan niet in het minst verhinderde dat Nederlandse marineeenheden in de Middellandse Zee effectiefaan de strijd tegen Italië deelnamen. Eigenlijk zou het logisch geweest zijn indien het ook in december '41 niet tot een oorlogsverklaring aan Italië was gekomen en zo heeft van Kleffens er kennelijk ook aanvankelijk over gedacht; bij de afwijzende houding die hij nog op 9 december '41 innam, speelde evenwel ook irritatie tegen Furstner een rol: deze had op hem en anderen de indruk: gemaakt volledig aan de leiband te lopen van de Admiralty. Intussen moest ook van Kleffens bij nader inzien erkennen dat de situatie in december '41 anders was dan in juni '40: de gemeenschappelijke verdediging tegen Japan vergde dat Nederland zich in alle opzichten naast Engeland en de Verenigde Staten opstelde; Italië had de Verenigde Staten de oorlog verklaard en dus was het wenselijk dat Nederland Italië de oorlog verklaarde. Dat kon geschieden zonder dat bij de buitenwereld de indruk gewekt werd (een indruk die in de zomer van '40 had kunnen ontstaan) dat Nederland een bijwagen van Engeland was geworden; vermelding verdient nog dat in juni '40 ook geen der andere regeringen in ballingschap een oorlogsverklaring aan Italië noodzakelijk geacht heeft.

XCOnze conclusie is dat, hoewel Gerbrandy gelijk had met zijn opvatting dat alleen een onmiddellijke oorlogsverklaring aan Italië een 'heldere positie' had doen ontstaan, en Furstner niet minder terecht betoogd had dat de uitslag van de oorlog bepalend zou zijn voor het behoud van Nederlandse kapitalen, er toch geen termen aanwezig zijn om de terughoudendheid die het kabinet zich opgelegd had, alsschadelijk te zien voor de belangen van het koninkrijk. Het is mogelijk dat bij deze en gene onder de ministers die op II juni' 40 besloten een oorlogsverklaring aan Italië achterwege te laten, de wens om niet nog dieper in de oorlogvoering verstrikt te raken

1 Dat is niet gelukt; de vestigingen van Philips en van de Alm ressorteerden onder de centrale directies in bezet Nederland en golden in juni' 40 dns reeds als 'vijande lijk' vermogen - met de vestiging van de was dat niet het geval, maar zij werd door de Italiaanse regering spoedig onder beheer genomen.

EERSTE MAANDEN

een rol gespeeld heeft, maar daar staat tegenover dat van den Tempel, in wie die wens niet in het minst leefde, het met de op II juni genomen besluiten volledig eens was.

XCOp een Engelse poging om over Nederland heen te lopen was van Kleffens al gestuit op de eerste dag van zijn verblijf in Londen: IQ mei '40. Hij had toen een bezoek gebracht aan Halifax en deze had hem meegedeeld dat Britse en Franse troepen aan land zouden gaan op Curaçao en Aruba teneinde de grote aardolie-raffmaderijen die daar lagen, te beschermen. Voor die extra-bescherming was alle reden: die raffinaderijen waren van eminente betekenis voor de voorziening van Engeland en Frankrijk met aardolie-producten en aan Nederlandse troepen was op Curaçao nog geen driehonderd en op Aruba slechts honderd man aanwezig. Ja, er was ook nog een driehonderd man Curaçao'se schutterij maar deze had weinig militaire waarde. Aan de kustverdediging was ook in materieel opzicht nauwelijks iets gedaan: er zouden op Curaçao zowel als op Aruba welgeteld drie kanonnen komen te staan (oude stukken, overgenomen van een Britse kruiser), maar deze waren nog niet opgesteld. Al vóór mei '40 hadden de regeringen van Engeland en Frankrijk zich zorgen gemaakt over deze situatie - zij badden afgesproken dat, zodra Nederland door Duitsland aangevallen zou worden, een klein Engels bataljon zou landen op Curaçao en een klein Frans op Aruba en St. Maarten.

XCDat werd, gelijk gezegd, door Halifax aan van Kleffens meegedeeld.

XCDe Nederlandse minister van buitenlandse zaken besefte onmiddellijk dat zodanig eenzijdig optreden met betrekking tot de Nederlandse Antillen een gevaarlijk precedent zou kunnen vormen met betrekking tot N ederlandsIndië waar Japan op de loer lag, en misschien ook de Verenigde Staten, afkerig als zij waren van Europees ingrijpen op het westelijk halfrond, zou kunnen irriteren of hen er toe zou kunnen brengen, hunnerzijds zonder Nederlandse toestemming troepen naar de West te sturen. Met Halifax sprak hij af dat bekend gemaakt zou worden dat de regeringen van Nederland, Engeland en Frankrijk samen besloten hadden dat 'a small additional Allied force' naar Curaçao en Aruba gezonden zou worden en dat de Amerikaanse regering dienaangaande ingelicht was.' Op II mei gaf de Nederlandse legatie een persbericht van die inhoud uit.

XC1 Nederlands gezantschap Londen: Persmededeling, II mei 1940 (DBPN, C, dl. r, p. 8).

VERSTERKING DEl( ANTILLEN

XCEen kleine achthonderd Engelsen en Schotten landden op Curaçao, een kleine zevenhonderd Fransen op Aruba en St. Maarten. De Britse troepen waren van goed gehalte, de Fransen daarentegen, aldus gouverneur Wouters, 'een samenraapsel van mensen van die eilanden in de buurt'1 - van de Franse Antillen dus. Bij het belangrijkste eiland daar, Martinique, lag een Frans eskader met het vliegkampschip 'Béam', Welnu, de Franse eskader-commandant schaarde zich eind juni aan de zijde van Vichy en dat betekende dat men de Franse troepen op Aruba en St. Maarten niet wilde handhaven. De laatsten vertrokken op 6 juli - een tweede Brits bataljon van een man of zeshonderd nam. op Aruba hun plaats in. Dat gebeuren onderstreepte hoezeer Engeland alleen stond.

XCGelijk gezegd: de val van Frankrijk had de grote massa van het Britse volk niet in het minst ontmoedigd, ja eerder haar zelfvertrouwen versterkt - een zelfvertrouwen dat gekoppeld was aan een ruime mate van onverstoorbaarheid en koelbloedigheid. 'Engeland tegen het Continent' - dat was een situatie waarmee het Britse volk in zijn lange geschiedenis vaker geconfronteerd was. Velen onder de vluchtelingen evenwel die van dat Continent gekomen waren, hadden de kracht van de Wehrmacht ervaren of zelfs persoonlijk aanschouwd en menigeen hunner had, gedachtig aan de eerste wereldoorlog, vast vertrouwd op de weerstandskracht van het Franse volk. Het mocht dan waar zijn dat die vluchtelingen in een land waren komen te leven waar de uiteindelijke goede afloop van de oorlog niet eens ter discussie stond, maar van de Nederlandse ministers, van wie velen niet of slechts met moeite Engels spraken, hadden de meesten maar weinig contact met gewone Engelse burgers; zij ontmoetten elkáár (het kabinet kwam in mei van de r Sde af dertien maal bijeen, in juni achttien maal, in juli negentienê) en zij ontmoetten die paar hoofdambtenaren die zich in Londen bij hen hadden kunnen voegen. Wie, als Gerbrandy, de sterke overtuiging koesterde dat de strijd tegen de Duitse overweldiger tegen elke prijs voortgezet moest worden, kon bovendien eigenlijk nietJ. J.

1 Getuige G. Wouters, dl. VIII c, p. 195. 2 In augustus dertien maal, en pas in september ging men, toen Gerbrandy premier geworden was, op het systeem van één vergadering per week over; deze vond toen elke dinsdag ochtend plaats.

EERSTE MAANDEN

op reële factoren wijzen op grond waarvan men op een succesvolle afloop rekenen mocht, maar wie die overtuiging miste, had geen gebrek aan argumenten om te betogen dat Engeland nauwelijks kans had, de oorlog nog te winnen.

XCVoor de Geer was elke dag dat de oorlog langer duurde en dus meer mensenlevens vergde, een dag teveel.' Hij voelde zich in Engeland volslagen ontheemd, hij ver-Nederlandste alle Engelse begrippen (wilde hij van Grosvenor House uit een wandeling maken in het Hydepark, dan zei hij dat hij maar weer eens in 'het Heidepark' zou gaan rondlopen, en toen hij in juni zijn intrek genomen had bij een nicht in Boxmoor, duidde hij die plaats als 'Boxmeer' aan) - als hij in Stratton House verscheen, zag men daar een bleke schim zich eenzaam door de gangen spoeden. Hij zocht met niemand contact en doelbewuste leiding ging van hem dan ook niet uit, niet in de zin van voortzetting, en aanvankelijk ook niet in die van beëindiging van de oorlog.

XCDiep onder de indruk van Frankrijks nederlaag was voorts Dijxhoorn. Hij was een uitstekend leerling geweest van de Franse École Supérieure de Guerre, hij had de Franse generaals als de beste van Europa beschouwd wie zou het nog tegen de Wentmacht kunnen opnemen als zij gefaald hadden? Met zijn adjudanten Post Uiterweer en KruIs en met enkele hoofdambtenaren van zijn departement had hij zijn intrek genomen op een landgoed buiten Londen, waar ook majoor van de Plassche en zijn echtgenote woonden - in onderlinge gesprekken werd daar van midden juni af, toen Frankrijks nederlaag zich duidelijk aftekende, door de meesten uiting gegeven aan de overtuiging dat Engeland alléén geen schijn van kans had, Duitsland te verslaan of ook maar zich te handhaven. Dat defaitisme raakte aan anderen bekend: aan Furstner, aan Michiels, aan leden van de Scheepvaart- en Handelscommissie, en toen een van die leden, de Booy, in juli '40 samen met Furstner besloot, het Prins Bernhard-fonds op te richten dat gelden bijeen zou brengen voor uitbreiding van het materieel van de Nederlandse strijdkrachten, werd Dijxhoorn in die oprichting niet gekend.

XCEen tweede centrum van Nederlands defaitisme vormde zich in het luxueuze Selsdon Park Hotel waar Welter was gaan wonen met enkele hoofdambtenaren van Koloniën, onder wie Hart en Peekema. Bezorgdheid om de toekomst van Nederlands-Indië, waar hij carrière gemaakt had,

1 Voor ons beeld van de Geers persoon en levensloop verwijzen wij naar hoofdstuk 16, paragraaf'De minister-president'. In de daarbij aansluitende para graaf'De overige ministers' hebben wij persoon en levensloop geschetst van de leden van het in augustus '39 door hem gevormde kabinet.

DEFAITISME

speelde in Welters opvattingen een belangrijke rol; bezorgd was hij, niet vanwege een mogelijke impuls die de tweede wereldoorlog aan het Indonesisch nationalisme zou geven, maar op grond van zijn verwachting dat Indië een speelbal zou worden in de strijd der grote mogendheden. De structuur van het koninkrijk was in '40, zo zette hij in '48 aan de Enquêtecommissie uiteen, 'archaïsch':

XC'een zeer klein moederland met negen miljoen mensen en ontzaglijk rijke overzeese gebiedsdelen, die, naar ik wist, zeer de jaloezie van andere machten in de wereld hadden opgewekt ... Ik heb dikwijls gezegd, ook in de ministerraad: ik zie het Koninkrijk der Nederlauden op het ogenblik als een pyramide op zijn top. Bij een voortgezette grote beweging in de wereld moet die omvallen. Daarom was het naar mijn mening een Nederlands belang van de eerste orde, dat die beweging Of niet komt, Of zo spoedig mogelijk tot rust wordt gebracht, anders voorzag ik een ineenstorting van het koninkrijk.' 1

XCGekomen wàs zij, die 'beweging': de tweede wereldoorlog namelijk, en Welters wens dat zij 'zo spoedig mogelijk tot rust wordt gebracht', betekende dat hij het betreurde dat Engeland de strijd voortzette, en bepaald ook van mening was dat Nederland en Nederlands-Indië aan eventuele eisen van Japan moesten tegemoet komen. Niet door Churchill werd hij aangetrokken, laat staan geïnspireerd, maar door Pétain die, Duitslands overwinning erkennend, in het deel van Frankrijk dat hem gelaten was, een autoritaire Franse 'Nieuwe Orde' trachtte op te bouwen. 'Er komt bij ons, bij enkelen', noteerde Hart op 20 juni in het dagboek dat hij in het Seisdon Park Hotel bijhield, 'een hoogst bedenkelijke gedachte naar voren: de wens om, met Frankrijk en België samen, een afzonderlijke vrede met Duitsland te verkrijgen en te redden wat er te redden valt, dat wil m.i. zeggen: overgave op genade of ongenade aan Hitler. Dit punt geeft tot steeds heftiger en pijnlijker discussies aanleiding'

XCHart, die van Joodse afkomst was, voelde niet voor die overgave, maar Peekema, hoofd van de juridische afdeling van Welters kleine departement, was er een overtuigd voorstander van. 'Het kan niet worden ontkend', schreef Hart verder, 'dat deze controverse de vriendschapsbanden tussen Peekema en mij niet aanhaalt, terwijlook Welter enigszins aan de verkeerde kant staat, diep onder de indruk als hij is van de ondergang van Frankrijk.' 2

1 Getuige Welter, dl. II c, p. I30. 2 G. H.C. p. 29.

EERSTE MAANDEN

XCPeekema was een uitnemend jurist en een zeer zelfverzekerde, charmante, nogal speelse man. Hij ging prat op zijn vermogen tot logisch redeneren, niet beseffend dat geen mens ooit voldoende gegevens tot zijn beschikking heeft om de gecompliceerde werkelijkheid ten volle te overzien en dat dus geen enkele politieke keuze ooit alleen maar op de logica berust. Peekema' s overtuiging was dat Duitsland niet meer verslagen kon worden, hij hield er, aldus Hart, een 'koud-cynische, opgewekte berusting-filosofie in een Duitse hegemonie over Europa' op na! - en hij kreeg meer en meer invloed op Welter die zich door Peekerna's redeneerkunst liet inpalmen. Het duurde niet lang of Peekema werd door velen in het Londense milieu, ook door verscheidene ministers, als Welters kwade genius beschouwd. Vooralook het wantrouwen jegens de Engelsen, dat bij Welter van meet af aan een rol speelde (zouden zij zich wellicht uiteindelijk van Indië meester willen maken ?), werd door Peekema gevoed.

XCVan dat wantrouwen was ook Steenberghe vervuld die soms de weekenden in het hotel doorbracht waar Welter en zijn hoofdambtenaren woonden. Het bracht er Steenberghe toe, er in het kabinet herhaaldelijk op aan te dringen dat men van de Engelsen precies zou horen wat nu eigenlijk hun oorlogsdoeleinden waren - een aandrang waaraan van Kleffens, beter dan Steenberghe beseffend dat Engeland voorlopig louter voor zijn eigen behoud vocht, telkens weerstand bood; dat leidde dan van de zijde van Steenberghe, alsook van Welter, tot het verwijt dat de Nederlandse minister van buitenlandse zaken braaf aan de leiband van de Engelsen liep. Dat verwijt was onverdiend.

XCVan Kleffens stond aanzienlijk positiever tegenover de oorlogvoering dan Dijxhoorn, Steenberghe en Welter, zij het dat hij vreesde dat de verwoestingen en de ontwrichting die de voortgezette oorlog met zich zou brengen, tot een gevaarlijke groei van de invloed van de Sowjet-Unie en van het communisrne zouden leiden. Uit die beduchtheid had de wens kunnen voortkomen, met kracht een vrede door vergelijk na te streven, maar van Kleffens begreep ten volle dat men, zo die vrede al te bereiken viel, elk initiatief daartoe aan de Engelsen moest overlaten.

XCOp van den Tempel had het overhaast vertrek uit Nederland in eerste instantie een ernstig deprimerend effect gehad. 'Over veertien dagen is Hitler misschien al hier', zei hij eind mei tegen de links-socialistische publicist Jacques de Kadt die op 14 mei uit Ijmuiden ontkomen was, maar drie weken later (in de periode dus waarin Frankrijk bezweek) uitte hij tegen de Kadt de verwachting dat Engeland zou standhouden." Bij Albarda, die minder

XC1 A. V., p. 64. 2 J. de Kadt: Politieke herinneringen /Jan een randfiguur (I977), p. 226.

'EEN BEDENKELIJKE SrTUA TIE'

robuust was dan van den Tempel, was dat laatste in die fase eerder een hoop dan een verwachting, en hetzelfde gold voor de resterende ministers: van Boeyen, Bolkestein en Van Rhijn. Van die drie zag Gerbrandy van Boeyen en Bolkestein overigens als figuren die meer hart voor de oorlogvoering hadden dan van Rhijn.

XCAl met al was het een bedenkelijke situatie dat het kabinet door een premier voorgezeten werd die een accoord met Hitler wenste, en dat het verscheidene ministers telde, onder wie de minister van defensie, die na de val van Frankrijk van voortgezette oorlogvoering geen enkel heil meer verwachtten.

XCBedenkelijk leek die situatie ook aan de Engelsen. Van mel 40 af was, enkele maanden lang, in Engeland sprake van een aanzienlijke angst voor een Vijfde Colonne. Wat was dat Nederlandse kabinet dat zich in Londen had kunnen vestigen, eigenlijk waard? Natuurlijk, informatie over de Britse oorlogsplannen kregen die buitenlanders niet, maar onvermijdelijk was het dat verschillende Nederlandse ministers in hun contacten met Britse departementen gegevens verwierven die voor de vijand van waarde konden zijn. Kon men op hen rekenen? Mocht men vertrouwen dat zij de Nederlandse strijdkrachten en de koopvaardij tot voortzetting van de strijd zouden bezielen en dat zij openlijk en eventueel in het geheim aan de bevolking in bezet Nederland de juiste impulsen zouden geven? De Geer had met zijn radiotoespraak (20 mei) en zijn bepleiten van een 'vrede van Amiens' in zijn gesprek met Churchill (4 juni) een deplorabele indruk gemaakt - maar waarom maakte dat Nederlandse kabinet het zijn voorzitter dan niet duidelijk dat hij diende heen te gaan? Van het defaitisme in sommige Nederlandse kringen was aan het Foreign Office niet veel bekend (Michiels, de Nederlandse gezant, die even stevig in zijn schoenen stond als Gerbrandy, had geen behoefte, Nederlands naam te bederven door het Foreign Office inzicht te geven in de verdeeldheid binnen het kabinet) maar er was een andere Engelse dienst, wiens taak het was, er achter te komen hoe ver die verdeeldheid ging en of zij wellicht een gevaar kon vormen voor Engeland-zelf: M(ilitary) I(ntelligel1ce)-5, de afdeling van de Britse geheime dienst die werkzaam was op het terrein van de binnenlandse veiligheid.

XCVan de Meidagen van '40 af had MI- 5 een wakend oog laten gaan over alle Nederlanders die in Engeland aankwamen: burger-vluchtelingen, militairen, zeevarenden. Binnen de dienst was snel een Nederlandse afdeling

EERSTE MAANDEN

opgericht, waarbij personen tewerkgesteld waren die het Nederlandse milieu goed kenden: Engelsen en Nederlanders. Tot de Engelsen behoorden William Hooper en Seymour Bingham, van wie eerstgenoemde tot in '36 in Den Haag verbonden was geweest aan het Britse Passport Control Office (dit had deel uitgemaakt van de Britse spionage-organisatie die bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog tot MI-6 herdoopt was) en laatstgenoemde tot mei '40 employé was geweest van het Engelse consulaat in Amsterdam; tot de Nederlanders behoorden vroegere 'vaste' medewerkers van MI-6 in Nederland als A. J. J. Vrinten en P. N. van derWillik (beiden reeds genoemd in ons deel z, in de aanloop van hoofdstuk 3), alsmede P. Brijnen van Houten die in het kader van de beweging 'Eenheid door Democratie' een anti-Duitse spionagegroep gevormd had welke haar gegevens in Den Haag aan MI-6 had doorgegeven. Zij en anderen werden over de punten verdeeld waar Nederlanders aankwamen, en al diegenen die door hen, hetzij op grond van eigen wetenschap, hetzij door mededelingen van derden (mededelingen die soms louter door rancune ingegeven waren), van pro-Duitse opvattingen verdacht werden, lieten zij door de Engelse autoriteiten arresteren en interneren. Dat werden er een paar honderd, hoofdzakelijk afkomstig van Nederlandse schepen. Met die interneringen hadden Nederlandse autoriteiten niets te maken, zij het dat de particuliere secretaris van de koningin, van 't Sant, in het algemeen wist wat gaande was.

XCVan 't Sant had (wij komen er in hoofdstuk II op terug) in de eerste wereldoorlog al nauw met de Britse geheime dienst samengewerkt en onmiddellijk na aankomst in Londen nieuwe relaties met MI-5 en MI-6 aangeknoopt; die waren al noodzakelijk omdat hij maatregelen moest treffen ter beveiliging van de koningin en het prinselijk gezin. Die nieuwe relaties werden, wat MI-5 betrof, vergemakkelijkt door bet feit dat deze dienst nog steeds onder hetzelfde hoofd stond als in '14-'18: Sir David Petrie (MI-6 had in de herfst van '39 een nieuwe chef gekregen: Sir Stewart Menzies, een beroepsofficier met de rang van Brigadier-General). Zolang er geen Nederlandse geheime dienst of veiligheidsdienst bestond, sprak het voor van 't Sant vanzelf dat hij gegevens over onbetrouwbare landgenoten rechtstreeks aan MI-5 doorgaf - zijnerzijds hoopte hij van MI-5 gegevens te krijgen over de opvattingen van de Nederlandse ministers; hij wist dat die de koningin, die van twijfel vervuld was over de houding van menigeen hunner, bij uitstek welkom zouden zijn.

XCHet was voor de koningin, onwetend als zij was van het ministerieel beraad (de kabinetsnotulen kreeg zij volgens oud gebruik niet te zien),

VAN 'T SANT EN 'MI-5

wat die mmisters man voor man in de nieuwe omstandigheden waard waren. Van 't Sant kreeg opdracht, op informatie uit te gaan. 'Kort na onze aankomst in Londen', aldus Dijxhoorn,! vroeg hij deze om inlichtingen o.m. aangaande Steenberghe, Welter, Furstner en van Angeren inlichtingen welke Dijxhoorn hem weigerde te geven." Maar Dijxhoorn zal wel niet de enige geweest zijn tot wie van 't Sant zich wendde. Wat deze laatste vernam, rapporteerde hij dagelijks aan de koningin. Beiden waren diep teleurgesteld over de radiotoespraak waarin de Geer er bij de bevolking van bezet gebied op aangedrongen had, 'de achting van de tegenstander te verdienen'. Toen reeds stond, zo nemen wij aan, voor de koningin vast dat deze minister-president ten spoedigste vervangen moest worden." Nauwe samenwerking met MI-s achtte zij allerminst schadelijk voor de Nederlandse belangen, maar juist bevorderlijk: Nederlands bevrijding hing van een uiteindelijke overwinning van Engeland en zijn bondgenoten af, de uitschakeling van diegenen die niet met hart en ziel achter de Engelse oorlogvoering stonden, was tegelijk een Engels èn een Nederlands belang."

XCTwee Nederlanders werden er opgepakt wier internering althans bij de weinigen die er van vernamen, enige deining veroorzaakte: een officier en een zakenman.

XC1 Getuige Dijxhoorn, Enq., dl. IV c, p. 186. 2 Van't Sant heeftjegens de Enquêtecommissie ontkend, het bedoelde gesprek met Dijxhoorn gevoerd te hebben: 'Ik geloof niet', zei hij, 'dat ik zo stom zal zijn geweest, aan Dijxhoorn inlichtingen te vragen.' (a.v., p. 1559). Eind mei' 40 was dat evenwel allerminst 'stom': Dijxhoorn was tijdens de neutraJiteitsperiode als minister niet zonder beslistheid opgetreden, hij had tijdens de Duitse invasie met kracht op het vertrek van het kabinet naar Londen aangedrongen, was uit Londen meteen naar Parijs gevlogen, kortom: was eind mei in de ogen van de koningin nog een aanvaardbare figuur. 3 Van de Plassche (althans dat vertelde hij een maand of acht later aan Dijxhoorn) kreeg eind mei van Hooper, die veel contact had met van 't Sant, te horen dat het voor hem als officier van MI 5 duidelijk was wat diende te geschieden: 'de Geer', aldus Hooper, 'moet verdwijnen en Gerbrandy moet minister-president worden.' (a.v.). Wij kunnen ons niet anders voorstellen dan dat Hooper dat van van 't Sant gehoord heeft. Een overeenkomstige mededeling drong al in die tijd tot Pelt, hoofd van de Regeringsvoorlichtingsdienst, door. 4 De Enquêtecommissie heeft het in van 't Sant gelaakt dat deze 'zich niet heeft ontzien, informaties aan de Britse dierist te geven omtrent Nederlandse ministers' (a.v., dl. IV a, p. 69) - wij onderschrijven deze formalistische kritiek niet: zij miskent de werkelijkheid van 1940 waarin het er voor diegenen die van geen compromis met Hitler wilden weten, in de eerste plaats op aankwam, elkaar in een geest van over en weer welbegrepen eigenbelang te stennen, alle nationaliteitsverschillen ten spijt. Wat van 't Sant deed, was trouwens aan de koningin en Gerbrandy bekend en werd door beiden goedgekeurd.

EERSTE MAANDEN

XCDe officier was de tweede man van van Oorschots missre: lui tenantkolonel J. W. G. Zegers. Deze had zich in '33 als overtuigd NSB'er ontpopt, had dat lidmaatschap in ' 3 4, toen het voor alle ambtenaren en beroepsmilitairen verboden werd, opgezegd - hoe dacht hij, in Londen aangekomen, over de situatie? Daarover had hij zich in een gesprek met Engelse officieren zo pessimistisch uitgelaten dat MI 5 onmiddellijk gewaarschuwd werd. MI-5 nam van 't Sant in de ann, van 't Sant liep naar van Oorschot. Deze bagatelliseerde het geval: ja, hij wist wel dat Zegers NSB'er geweest was, maar in Engeland kon hij geen kwaad doen. Die uitlating schonk van 't Sant en MI 5 louter de overtuiging dat van Oorschot een bedenkelijk naïef persoon was - het besluit om tegen Zegers maatregelen te nemen, bleef gehandhaafd. De overste werd op 28 mei bij Dijxhoorn die door MI- 5 benaderd was, ontboden en deze (die hem notabene commandant van het Nederlandse Legioen had willen maken) deelde hem mede dat hij op staande voet ongevraagd eervolontslag kreeg. In Dijxhoorns karner werd de overste, hoewel hij met tranen in de ogen uitriep, bereid te zijn ter plekke zijn trouwaan koningin en vaderland te bezweren, gearresteerd; hij verdween naar een interneringskamp bij Liverpool, diep verbitterd met name jegens Dijxhoorn wiens jaargenoot hij was geweest op de Koninklijke Militaire Academie te Breda.

XCDe zakenman was de internationale wapenhandelaar rnr. A. D. van Buuren die, hoewel hij geen NSB'er was', in juni '34 Mussert bij Mussolini geïntroduceerd had. Tijdens de Meidagen had hij op advies van het Brits gezantschap (dat advies had op een persoonsverwisseling berust) Den Haag verlaten. Van Bunren was een goede relatie van Dijxhoorn en Steenberghe. Al in mei had van 't Sant MI-5 op van Buuren attent gemaakt, maar het duurde enige tijd voor de Britse dienst tot actie overging. Midden juli was het zover: in zijn hotel werd van Bunren gearresteerd. Drie weken later bevestigde hij in een verhoor door van ' t Sant en Hooper dat hij inderdaad Mussert bij Mussolini gebracht had, en zei hij dat hij bij hun gesprek als tolk was opgetreden. Zijn internering werd bestendigd.

XCDe situatie die met dat alles ontstond, was in zoverre onbevredigend dat niet vastgesteld was, wie aan Nederlandse kant adviezen kon uitbrengen inzake de interneringen en bij welke minister de staatkundige verantwoordelijkheid voor die adviezen zou berusten. Het was evident wenselijk dat een Nederlandse geheime dienst opgericht zou worden die als Nederlandse veiligheidsdienst zou fungeren en er nog een tweede, niet minder nood

XC1 Wij hebben in de eerste twee drukken van deel I ten onrechte vermeld dat mr. van Buuren lid van de NSB is geweest.

VAN 'T SANT HOOFD VAN DE GEHEIME DIENST

zakelijke taak bij zou krijgen: inlichtingen inwinnen in bezet gebied. Wie moest die dienst leiden? Goede samenwerking met MI- 5 en MI-6 was van fundamenteel belang. Voor de koningin kwam in de loop van juni vast te staan dat er maar één minister was aan wie zij de verantwoordelijkheid voor deze in haar ogen hoogst belangrijke dienst wilde toevertrouwen: Gerbrandy-, en voor deze kwam, toen hij, na gepolst te zijn, gesprekken gevoerd had met de chefs van MI 5 en MI-6, vast te staan dat er op dat moment maar één Nederlander was die door de Britse geheime dienst competent geacht werd om als hoofd van die nieuwe dienst op te treden: van 't Sant. Daarvoor kwamen de officieren die aan GS-IlI verbonden geweest waren, bepaald niet in aanmerking: van Oorschot niet, omdat hij deerlijk geblunderd had bij het Venlo-incident en de internering van de oud-NSB'er Zegers overbodig had geacht, van de Plassche niet omdat hij, door tot op het laatste moment niet aan een Duitse invasie te geloven en door na te laten, voorbereidingen te treffen, welke ook, voor geheime verbindingen met Nederland als het ooit bezet zou worden, het bewijs geleverd had van een totaal gebrek aan voorstellingsverrnogen.ê

XCVoordat van 't Sant tot hoofd van de nieuwe geheime dienst benoemd werd, was hij in Londen reeds departementaal ambtenaar geworden. Hij had per I januari '35 ontslag moeten nemen als hoofdcommissaris van politie in Den Haag als gevolg van een affaire die zijn naam veel kwaad gedaan had (ook daarop komen wij in hoofdstuk II terug) en was toen in dienst getreden bij de koningin aan wie het beter dan wie ook bekend was dat hij zich aan geen enkele laakbare handeling schuldig gemaakt had; zij had zijn inkomen bepaald op f 8 000 per jaar (een secretaris-generaal kreeg toen f 7500). Na aankomst in Londen had de koningin eind mei de Geer

1 De opinie van de Enquêtecommissie dat de nieuwe dienst, 'gegeven het feit dat het oorlog was', onder Defensie, d.w.z. onder Dijxhoorn, had behoren te vallen dl. IV a, p. 66), behoeft na alles wat wij reeds over Dijxhoorn vermeld hebben, ons inziens geen weerlegging meer. 2 Het is voor de Enquêtecommissie 'een open vraag' gebleven, 'ofhet niet beter was geweest ... op het gebied van de inlichtingendienst van de diensten van deze officieren' (o.m. van Oorschot en van de Plassche) 'gebruik te maken.' (a.v., p. 67). De commissie heeft daarbij over het hoofd gezien dat en in '40 geweigerd hebben, met van Oorschot en van de Plassche samen te werken en dat zij het daar ook naar gemaakt hadden. In dat verband maakte de commissie nog melding van' de leiding' die van Oorschot in '44-'45 gegeven zou hebben aan het Bureau Bijzondere Opdrachten (het BBO) - de dienst die in samenwerking met de o.m. de Binnen landse Strijdkrachten bewapend heeft. Wij merken daarbij op dat van Oorschot louter formeel hoofd van het BBO is geweest, werkelijke leiding heeft hij niet gegeven. Nadere bijzonderheden volgen in hoofdstuk II.

EERSTE MAANDEN

bij zich laten komen, bij wie zij er op had aangedrongen, van 't Sant, die nu officieel verantwoordelijk was voor haar veiligheid, door een van de departementen te laten bezoldigen - zijzelf wenste vooreerst geen inkomen uit 's rijks kas te ontvangen. Gerbrandy had zich daarop bereid verklaard, van 't Sant een aanstelling te geven als raadadviseur bij zijn departement tegen het al genoemde jaarsalaris van f 8 000; van Angeren, zijn secretarisgeneraal, had allerlei bezwaren geopperd, maar Gerbrandy had hem afgekapt met de woorden: 'Je moet geen moeilijkheden maken."! Uiteraard was het aan Gerbrandy, als aan elke Nederlander die de krant gelezen had, bekend dat er in '34 moeilijkheden rond van 't Sant waren geweest - hij stak zijn licht bij Beelaerts op en Beelaerts stelde hem volledig gerust. Meer dan een formaliteit was van 't Sants aanstelling overigens niet, maar daar kwam wijziging in toen Gerbrandy, na gesprekken terzake met de koningin, Beelaerts en prins Bernhard (ook de prins interesseerde zich zeer voor de geheime verbindingen met bezet gebied) en na zijn contacten met de chefs van MI- 5 en MI-6, besloot, een onder zijn departement ressorterende geheime dienst op te richten: de Centrale Inlichtingendienst (de CID), waarvan van 't Sant hoofd zou worden. Daar was een koninklijk besluit voor nodig - Gerbrandy nam op zich, het te formuleren. Helaas had hij daarin geen ervaring en hoewel de koningin hem verzocht had, van Angeren niet in de zaak te mengen (die zou maar nieuwe moeilijkheden maken), moest Gerbrandy deze in de late avond van 18 juli toch in zijn slaap storen met de vraag, onmiddellijk een ontwerp-koninklijk besluit met daarbij passende aanbiedingsbrief op te stellen. Van 't Sant, zei Gerbrandy daarbij, moest als hoofd van de CID in een generaalsrang geplaatst worden, want hij diende in zijn nieuwe functie als gelijke in rang met de hoofden van de Engelse geheime dienst te kunnen spreken. Die explicatie bevredigde van Angeren niet en mede doordat hij zich al geërgerd had aan de hoge bezoldiging die eind mei voor 'raadadviseur' van 't Sant vastgesteld was, ging hij, zo verklaarde hij aan de Enquêtecommissie, 'lichtelijk saboteren'ê: nadat artikel I van zijn koninklijk besluit- bepaald had dat er een Centrale Inlichtingendienst was, 'voorlopig ter plaatse, waar de Nederlandse regering tijdelijk is gevestigd', bepaalde artikel z :

XC'Aan het hoofd van de ... dienst staat, in de functie vall raadadviseurbij het departement van justitie F. van 't Sant, die (naar de verhoudingen in het leger) in rang gelijk staat met een generaal-majoor'Getuige vana.v.,c, p.A.v., p.Tekst: a.v.,

1 Angeren, dl. IV 413. 2 411. 3 dl. IV b, p. 5.

VAN 'T SANT HOOFD VAN DE GEHEIME DIENST

van 't Sant wèrd dus niet generaal-majoor (dat kon ook moeilijk, want in die rang kon hij slechts aangesteld worden bij een wapen van de landmacht, bijvoorbeeld bij de marechaussee), zijn militaire rang hing, zou men kunnen zeggen, volledig in de lucht, maar dat verhinderde hem niet om zich voortaan als 'generaal van 't Sant' te laten aanduiden.

XCHet door van Angeren opgesteld koninklijk besluit werd op 19 juli door de koningin ondertekend en door drie ministers: Gerbrandy, Dijxhoorn en van Kleffens, gecontrasigneerd. De Geer werd er buiten gelaten en ook de overige ministers werden niet ingelicht.

XC'De benoeming van de heer van 't Sant tot hoofd van de Centrale Inlichtingendienst acht de commissie', aldus de Enquêtecommissie van de Tweede Kamer in 1950, 'ook al had hij vroegere contacten met de Engelse Inlichtingendienst, onjuist. Immers alleen al het feit dat hij secretarisvan H. M. de Koningin was, moest naar het oordeel van de commissie voldoende reden zijn om hem. niet in de zeer delicate functie van hoofd van de inlichtingendienst te plaatsen. Hierbij kwam dat de heer van 't Sant ... in Nederland een veel omstreden figuur was, omtrent wie veel geruchten de ronde deden.' 1

XCWij achten het eerste argument belangrijker dan het tweede, maar toch ook dat eerste in de verhoudingen van '40 slechts van betrekkelijke geldigheid, althans in zoverre dat er toen niemand anders in Londen was die door de Britse autoriteiten, van wier medewerking alles afhing, als hoofd van de CID zou zijn geaccepteerd. De Enquêtecommissie zou, menen wij, haar kritiek juister geformuleerd hebben indien zij het in strijd genoemd had met de tevoren in ons land geldende regels der constitutionele monarchie dat van 't Sant, tot hoofd van de CID benoemd, tegelijk zijn functie als 'secretaris' van de koningin bleef uitoefenen. Opmerkelijk is het dan dat geen van de drie genoemde ministers daar zwaar aan getild heeft. Daar was anders wel reden voor. Immers, de CID onder van 't Sant zou wel formeel een dienst van Justitie zijn, maar in feite een dienst van de koningin. En om nu tot de drie ministers terug te keren die het onderhavige koninklijke besluit gecontrasigneerd hadden: van Kleffens wilde geen geheime diensten

XC1 A.v., dl. IV a, p. 67.

EERSTE MAANDEN

ondergebracht zien bij Buitenlandse Zaken, Dijxhoorn had zich, niet voor het eerst en niet voor het laatst, buiten spellaten plaatsen en tussen Gerbrandy en de koningin was medio juli een zo nauwe relatie ontstaan dat hij tegen een 'koninklijke' CID geen enkel bezwaar had.

XCNog voordat de CID opgericht en van 't Sant als hoofd benoemd was, was de uitzending van de eerste geheime agent naar bezet gebied ter hand genomen. Koningin en ministers waren in die eerste maanden, wat hun kennis van de gebeurtenissen in Nederland betrof, nagenoeg volledig afhankelijk geweest van de uitzendingen van de Nederlandse radio die door de Z.g. Luisterdienst (een afdeling van de Regeringsvoorlichtingsdienst, snel georganiseerd door de journalist M. Sluijser) opgevangen, daarbij op wasrollen vastgelegd, en vervolgens uitgetypt en gestencild werden. Slechts vijf Engelandvaarders kwamen in het gehele jaar '40 in Engeland aan: drie begin juli, twee begin augustus, de eerste berichten van buitenlandse posten (de Nederlandse legaties) werden pas eind juli ontvangen en de eerste Nederlandse dagbladen kwamen pas in september (via Lissabon) binnen. Het was een benauwende situatie waarin, dat was duidelijk, slechts een eerste begin van verbetering kon ontstaan indien in bezet gebied een van een zender voorziene geheime agent zou gaan opereren. Dat zou ook voor de Engelsen van grote betekenis zijn: MI-6 had, voorzover bekend, in de zomer van '40 slechts twee agenten in bezet gebied, twee Britten (zij werden in oktober aan de Belgische grens gearresteerd) - twee was veel te weinig.

XCWie zou als eerste Nederlander in bezet gebied gedropt worden? In eerste instantie werd aan van Vredenburch gedacht, maar van Kleffens voelde er niet voor, deze, die op IS juni ter behartiging van de vluchtelingenbelangen naar Frankrijk vertrokken was, terug te halen. Vervolgens bood van 't Sant zichzelf aan. Bij nadere overweging bleek het raadzamer, de eerste missie aan een jeugdig officier toe te vertrouwen, en na overleg met Furstner (minister Dijxhoorn werd er buiten gehouden) viel de keus begin juli op de luitenant-ter-zee eerste klasse L. A. R. J. van Hamel. Hij werd door van 't Sant aan Hooper doorgegeven die, met medewerking van MI-6, zorg droeg voor van Hamels opleiding. Eind augustus sprong van Hamel in de buurt van Hillegom af. Vóór zijn vertrek was, aldus van 't Sant, met hem afgesproken dat hij na terugkeer in Engeland 'de

EERSTE GEHEIME AGENT

inlichtingendienst (zou) overnemen, want', zo verklaarde van 't Sant in '48, 'wij moesten aan de top hebben iemand die hier' (in Nederland) 'gezien had, hoe het in elkaar zat, die hier moest werken met zijn persoonlijke contacten De bedoeling was niet dat ik die dienst zou houden; ik zou alleen bij de oprichting helpen;'! Wij betwijfelen de juistheid van die mededeling, d.w.z.: wij achten het wèl waarschijnlijk dat van Hamel, ware hij teruggekeerd (hij werd begin oktober '40 bij het Tjeukerneer gearresteerd), hoofd zou zijn geworden van een 'afdeling' van de CID welke het contact met bezet gebied onderhield, maar ook van de veiligheids'afdeling'? Zou van 't Sant dát aspect, zou hij zijn titel van 'generaal' (hij oefende na zijn benoeming herhaaldelijk vergeefse aandrang op Dijxhoorn uit opdat deze hem tot generaal-majoor der marechaussee zou benoemen) prijsgegeven hebben? Dat achten wij onwaarschijnlijk.

XCJuist dat veiligheidsaspect kreeg van van 't Sant extra aandacht. MI-5 stelde in de zomer van '40 onderzoekingen in naar verscheidene Nederlandse ministers. Enkelen hunner die niet ten volle vertrouwd werden, o.m. Steenberghe en Welter, werden geschaduwd, in hun werkkamers werden microfoons verborgen en hun telefoongesprekken werden afgeluisterd. Van 't Sant kreeg afschrift van de rapporten van MI-5 of samenvattingen daarvan: die gingen naar de koningin toe. Over de defaitistische gesprekken die van medio juni af in het landhuis gevoerd waren waar Dijxhoorn en enkele officieren hun intrek genomen hadden, werd van 't Sant (en dus de koningin) spoedig ingelicht door een daar als huisknecht aangestelde soldaat die zich aan die gesprekken dermate geërgerd had dat hij zijn taak had neergelegd en naar van ' t Sant was gelopen die hem prompt bij de CID in dienst genomen had. Al die berichten die in juni en juli aan de koningin voorgelegd werden, kennen wij niet in bijzonderheden, maar wij twijfelen er niet aan dat zij in algemene zin haar overtuiging bevestigden dat de hoogste landsbelangen gediend zouden worden wanneer niet alleen de Geer maar ook enkele van zijn ambtgenoten ten spoedigste uitgeschakeld werden: met deze lieden was geen oorlog te voeren.

XC1

EERSTE MAANDEN UITWIJK-PLAN

westen van Engeland uitkoos, waarheen zij zich zou kunnen begeven, mocht dat noodzakelijk zijn, d.w.z. in het geval van een onmiddellijk dreigende Duitse invasie. Halifax had geantwoord dat men daarmee voorlopig nog kon wachten. Wat dan als Londen aan zo zware bombardementen blootgesteld werd dat men er nauwelijks meer werken kon? Op 25 mei gaf het kabinet minister van Rhijn (die toen ook al Stratton House gevonden had) opdracht, een uitwijkoord te zoeken met het oog op mogelijke bombardementen. Ook de koningin was op haar veiligheid bedacht. Van Rhijn en van 't Sant gingen samen op pad- en in de loop van juni vond van Rhijn in midden-Engeland een groot landhuis, Croome Court, eigendom van de weduwe van de Earl van Coventry, dat als uitwijkoord van het regeringsapparaat ingericht werd - van 't Sant vond voor de koningin een geschikt verblijfsoord niet ver daarvandaan. Duitse bombardementen bleven overigens voorlopig uit, beide gebouwen werden niet in gebruik genomen voor hun oorspronkelijk doel. 2 Natuurlijk moest men met de mogelijkheid van een Duitse invasie rekening blijven houden." In juli kreeg Dijxhoorn opdracht, het eventueel vertrek van het kabinet en zijn ambtenaren naar een overzees gebied voor te bereiden. Dat plan, waarvan de uitvoering afhankelijk gesteld werd van een waarschuwing door de Engelse regering, werd volledig uitgewerkt. Dijxhoorn stak £ 15 000 aan bankbiljetten bij zich+ en maakte met de Nederlandse Scheepvaart- en Handelscommissie de afspraak dat een Nederstap willen zetten' (Gerbrandy, II juli I9S8). Hij heeft ze enige tijd later aan de

1 Op reis deelde van 't Sant aan van Rhijn mee, 'dat hij', zo schreef deze laatste ons op 6 januari '78, 'een geheime opdracht had om alle ministers te controleren. Ik was stomverbaasd dat hij mij dit geheim meedeelde. Ik zweeg er verder over.' 2 De huur van (waar, tijdens de bombardementen van Londen, sommige ministers en hoofdambtenaren af en toe een weekend doorbrachten) werd eind '4I beëindigd, de inventaris werd toen aan de Nederlandse Scheepvaart en Handelscommissie ter beschikking gesteld. S Dat deed ook van Starkenborgh, de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Hij zond Welter beginjuni een con cept voor een geheim koninklijk besluit toe dat inhield dat, als de regering haar regeermacht feitelijk niet langer zou kunnen uitoefenen, het opperbestuur over Indië, de Antillen en Suriname tijdelijk zou berusten bij de gouverneur-generaal van Indië en de gouverneurs in de West. Dit concept kwam pas medio augustus in Londen aan en werd op de 27ste door Welter aan het kabinet voorgelegd; het werd twee dagen later goedgekeurd. Of het aan de koningin aangeboden is, weten wij niet - juist in die dagen kwam vast te staan dat Gerbrandy de Geer zou op volgen en Gerbrandy was in het algemeen tegenstander van dit soort voorzorgs maatregelen, hij had, vertelde hij ons in ook toen hij minister-president ge worden was en ondanks de bombardementen op Londen, 'in geen

lands koopvaardijschip (eerst de 'Westerland', vervolgens de 'Stuyvesant') gereedgehouden zou worden om het gezelschap te vervoeren. Zijn in dat kader ook afspraken gemaakt met de koningin? Wij weten het niet. Bekend is slechts dat van 't Sant haar mogelijk vertrek uit Engeland ging voorbereiden, maar dat zij het overigens niet uitgesloten achtte dat dat vertrek zou mislukken, ja, dat een Duitse invasie gepaard zou gaan met een nieuwe poging door Duitse luchtlandingstroepen om zich van haar persoon meester te maken - een voor haar onaanvaardbaar vooruitzicht. Zij gaf van 't Sant opdracht, haar in dat gevalneer te schieten.

XCWelk reisdoel de 'Stuyvesant' zou krijgen, is ons niet bekend. NederlandsIndië ? Curaçao? Canada? Misschien had men die beslissing tot het laatste moment willen uitstellen. In elk geval was in de kring van de regering (koningin en ministers) van eind juni af het denkbeeld onder ogen gezien dat de regering of een deel van de regering zich in Indië zou vestigen. Voor de koningin stond daarbij van meet af aan vast dat zij niet zou meegaan: zij wenste, zolang dat mogelijk was, zo dicht mogelijk bij bezet Nederland en dus in Engeland, het centrum bovendien van de oorlogvoering, te blijven, zij zou zich in Indië uitgeschakeld voelen, zij kende Indië niet (de enige Oranje die ooit Indië bezocht had, was prins Hendrik geweest, een zoon van de latere koning Willem II, en dat bezoek had plaatsgevonden in 1837 1) en zij betwijfelde of zij tegen het klimaat zou kunnen. Tegen het vertrek van een deel van de ministers had zij evenwel geen bezwaar, integendeel: met diegenen die zij als weerbare figuren beschouwde, wilde zij in Londen blijven en daarmee zou het met de invloed der naar Indië afgeschoven 'defaitisten' gedaan zijn. Zij was de enige niet die dat als hoogst wenselijk beschouwde - Beelaerts die als vice-president van de Raad van State haar naaste adviseur was, dacht er precies zo over, zo ook de directeur van haar kabinet, van Tets, zo ook Gerbrandy, en dat laatste was van speciaal belang omdat, als het er op aankwam te bepalen, wie naar Indië afgeschoven dienden te worden, Gerbrandy op grond van zijn kennis van alles wat in de ministerraad besproken was, adviezen kon geven die meer waard waren dan alle rapporten van MI-5 en van 't Sant bij elkaar.

XC1 De prins kwam toen met een fregat waarop hij als luitenant-ter-zee diende; het ging voor Batavia ten anker.

EERSTE MAANDEN

XCDe eventuele verplaatsing van de regeringszetel naar Indië werd niet door de koningin aan de orde gesteld maar door het kabinet en het initiatief daartoe ging van Steenberghe en Welter uit. Er werd over gesproken van medio juni af toen duidelijk was dat Frankrijk ineenstortte. Prof. dr. J. A. Veraart, die wegens zijn anti-Duitse publikaties in katholieke bladen samen met de katholieke journalist dr. P. A. Kasteel op 14 mei Nederland verlaten had 1 en, evenals Kasteel trouwens, arbeidscontractant geworden was bij Gerbrandy's departement, noteerde in zijn dagboek op 17 juni (daags nadat de Duitsers Parijs binnengerukt waren): 'Eén gedachte houdt ons de hele dag bezig: is een afzonderlijke vrede voor Nederland mogelijk ? Verder: zijn niet meerdere contacten mogelijk? Bijv. contact met de Paus?' (maar Nederland bezat sinds '26 geen diplomatieke vertegenwoordiging meer bij het Vaticaan). 'Dinsdag 18, woensdag 19, donderdag 20 juni: voortdurend gesprekken, vooral met Steenberghe, die het geheel met ons' (Veraart en Kasteel) 'eens is, over veiliger verblijfplaats voor Nederlandse regering. Dreigende aanval op Engeland Willemstad?' (Veraart dacht dus aan vertrek naar Curaçao) 'Vrijdag 21 tot maandag 24 juni blijkt zeer duidelijk, dat de moeilijkheden in de ministerraad zich toespitsen Gesprekken met Gerbrandy, die soms een scherpe wending nemen' 2 geen wonder: Gerbrandy was fervent tegenstander van een verplaatsing van de regeringszetel.

XCHet is plausibel dat de Geer op maandagochtend 24 juni voor het eerst met de koningin over die verplaatsing gesproken heeft, althans die middag begon 'naar aanleiding van' wat de Geer over dat gesprek meedeelde (aldus de kabinetsnotulen 3), een discussie in de ministerraad over een gaan naar Indië, waar de regering zich dan in Bandoeng zou willen vestigen. 'Op 24 juni blijkt ons', aldus weer Veraart, 'dat de ministerraad in grote meerderheid vóór heengaan is. Bandoeng. Koppigheid van Gerbrandy.' Het schijnt dat op die zaste door de 'grote meerderheid' ook al in beginsel bepaald was dat de ministers bij hun vertrek louter hun ambtenaren zouden meenemen maar niet de arbeidscontractanten als Veraart en Kasteel, waarover bij die laatsten op de z yste de 'consternatie', aldus Veraart, 'groet' was." Op maandagmiddag was intussen nog geen definitiefbesluit genomen - dat besluit viel op woensdag 26 juni na een 'uitvoerige discussie' waarin elk der ministers zijn zienswijze gaf; wat in die discussie te berde gebracht

1]. M. de Booy had Veraart en Kasteel aan boord genomen van het scheepje waarmee hij van Scheveningen weggevaren was. 2]. A. Veraart : 'Dagboek', P: 34 (Collectie-]. A. Veraart). 3 Ministerraad: Notulen, 24 juni 1940. 4]. A. Veraart: 'Dagboek', p. 34.

VERPLAATSING VAN DE REGERINGSZETEL?

werd, werd door Albarda niet genotuleerd, maar wij moeten wel aannemen dat over het denkbeeld, de koningin voor te stellen de regeringszetel naar Bandoeng te verplaatsen, tenslotte gestemd werd. VanKleffens maakte een kleine twee maanden later in een brief aan van Harinxma, de vroegere gezant te Brussel, melding van een 'unaniem besluit'l - wij interpreteren dat zo dat diegenen die overtuigde tegenstanders waren van de verplaatsing (Gerbrandy, van den Tempel", Albarda en Bolkestein), zich tenslotte op het standpunt stelden dat zij, als de meerderheid (de Geer, van Boeyen, Dijxhoorn, van Kleffens, van Rhijn, Steenberghe en Welter) vóór verplaatsing was, zich niet tegen de verwezenlijking van dat denkbeeld zouden verzetten; denkbaar is overigens dat Gerbrandy alsook de andere drie al wisten, althans vermoedden, dat de koningin pertinent zou weigeren naar Indië te gaan.

XCDiezelfde avond sprak van Kleffens met de koningin: zonder haar medewerking kon van een verplaatsing van de regeringszetel geen sprake zijn. Zij behield zich de bepaling van haar standpunt voor - wij nemen aan dat zij om te beginnen met Beelaerts de vraag wilde bespreken of zij het constitutionele recht bezat, die medewerking te weigeren, en dat zij bij Gerbrandy informeerde, hoe de verhoudingen binnen het kabinet lagen. Op 2 juli kwam haar reactie, mondeling, zowel aan van Kleffens als aan W elter : 'volstrekt negatief', deelde van Kleffens aan zijn ambtgenoten mee; zij had gezegd dat zij niet tegen het klimaat kon. Was daarmee de zaak van de baan? Neen. 'Minister van justitie' (Gerbrandy), aldus de notulen, 'geeft in overweging, een delegatie uit de ministerraad naar elders te doen vertrekken.' Een delegatie? Dat zou splitsing van het kabinet betekenen. De nadelen waren evident, maar de argumenten om naar Bandoeng te gaan, werden door verscheidene ministers zo overtuigend geacht ('om het vege lijf te bergen, kwam er', aldus Beelaerts, 'ook wel bij '3), dat' na enige discussie' besloten werd, 'dat denkbeeld' (het sturen van een delegatie) 'morgen' (3 juli) 'verder te bespreken.' 4Tempel: Nederland in Londen. Ervaringen en beschouwingen (I946), p. 35). 3 Getuige F. Beelaerts van Blokland,Enq., dl. II c,p. 555. 'Ministerraad: Notulen, z juli

1 Brief, I6 aug. I940, van van Kleffens aan B. Ph. van Harinxma thoe Slooten C, dl. I, p. 347). 2 Van den Tempel gaf later zijn argumenten aldus weer: 'Een geweldige terugslag ware te duchten op het weerstandsvermogen van het Nederlandse volk. Het vertrek der regering naar het Verre Oosten, op dit allerkritiekste ogenblik, kon slechts worden opgevat als een bewijs, dat het uit zicht voor West-Europa hopeloos werd geoordeeld ... Londen was het hart van de weerstand tegen de totalitaire machten; daar was onze plaats. De Engelse rege ring voerde de Geallieerden aan; wij behoorden naast haar te staan.' (J. van den

EERSTE MAANDEN

XCOp die jde juli zei van Kleffens dat hij 'de figuur van een missie' (d.w.z. van een delegatie) 'verwerpelijk' achtte, en was Steenberghe 'niet vóór missie, wel voor verplaatsing meerderheid', waarop Gerbrandy (zonder, menen wij, ook maar een moment te geloven in wat hij zei) betoogde dat de bedoeling van zijn voorstel was, 'het oorspronkelijk besluit van de raad' (het besluit van 26 juni) 'in twee etappen' uit te voeren.' Voorshands kwam het kabinet niet verder dan tot de vaststelling (4 juli), dat een brief aan de koningin gestuurd zou worden waarin het besluit van 26 juni zou worden toegelicht (men hoopte dus dat zij van haar weigering om mee te gaan zou terugkomen). Bij nader inzien bleek de Geer daarvoor niet te voelen ('aangezien de brief gericht zou zijn tegen een door de koningin genomen beslissing'), maar onder pressie van vooral Welter en Dijxhoorn werd afgesproken dat dezen samen toch een concept zouden opstellen. Dat concept was daags nadien gereed, maar een brief was nog niet verzonden toen op 8 juli bericht kwam dat de koningin de Geer wenste te spreken. Dat gesprek vond de rode plaats. 'H. M. blijft bij haar besluit', notuleerde Albarda. 'H. M. zou nu wensen, dat een delegatie derwaarts gaat, nl. een minderheid. Dit zal H. M. schriftelijk bevestigen ... Meent dat min. pres. aan het hoofd daarvan zal staan, maar min. v. buitenl. zaken hier zal moeten blijven ... Besloten wordt, de brief van H. M. af te wachten.' 2

XCDie brief kwam nog diezelfdedag binnen, keurig gesteld in de traditionele vormen. 'Ingevolge de bevelen van Hare Majesteit de Koningin heb ik', aldus de directeur van haar kabinet aan de 'voorzitter van de raad van ministers' , 'de eer, Uwe Excellentiete bevestigendat Hare Majesteitom redenen,mondeling met Uwe Excellentiebesproken, het onder de tegenwoordige omstandigheden in's lands belang zeer gewenst acht, dat Uwe Excellentie als voorzitter van de raad van ministerszich thans met enige Harer ambtgenotennaar NederlandsIndië begeeft."

XCTegen het denkbeeld dat slechts een minderheid van de ministerraad naar Indië zou gaan, werden, toen de raad op II juli bijeenkwam, allerlei bezwaren ingebracht. Er werd gestemd: voor stemden Gerbrandy (uiteraard: hij had het denkbeeld het eerst geopperd), van Boeyen en van Kleffens, tegen alle overigen. Een dag later werd vastgesteld (slechts Gerbrandy sprak zich daartegen uit), dat de door Welter en Dijxhoorn op 5 juli vervaardigde concept-brief (de brief waarin toegelicht werd, waarom verplaatsing van de gehele regering naar Indië wenselijk was) alsnog aan de koningin toe

XC1 A.v., 3 juli 1940. 2 A.v., 10 juli 1940. 3 Exemplaarin Collectie-Bolkestein, 10.

VERPLAATSING VAN DE REGERINGSZETEL?

gezonden zou worden; natuurlijk moest het stuk worden bijgewerkt - dat deed Welter.

XCIn de brief dan, die daags daarna (13 juli) verzonden werd ', werd breedvoerig betoogd dat 'de grote meerderheid' van het kabinet van mening was dat er sinds de Meidagen een 'diepgaande verandering' in de Europese situatie was ontstaan: Frankrijk had zich van Engeland afgewend, 'blijft de Nederlandse regering vasthouden aan de figuur van een hoogstbescheiden positie op Brits gebied, en geheel in de Britse sfeer, dan zal dat onze verhouding tot Frankrijk moeten schaden. Maar ook tegenover Engeland schijnt bestendiging van een verblijf der Nederlandse regering ongewenst. Wij komen thans in de schatting der Engelsen op één lijn te staan met Noren en Polen, regeringen die geen eigen gebied meer hebben, waar haar gezag geldt, en die daarom, omdat haar geen andere keuze blijft, een toevlucht moeten zoeken op Brits gebied. Voor het aanzien des lands komt dat niet gewenst voor;"

XCBovendien: er kon een oorlog uitbreken tussen Engeland en Japan, 'dan komt ons land, indien de regering de indruk blijft maken, geheel in de Britse sfeer te zijn getrokken, tegenover Japan in een zeer scheve positie, een positie die bepaald gevaarlijk kan worden, indien Japan, Nederland met Engeland vereenzelvigend, in Indië mocht toetasten. Verblijft de regering echter in Indië, dan is van die vereenzelviging geen sprake meer.

XC. .. Ook ingeval in Engeland-zelf een militaire nederlaag tegenover een Duitse inval zou worden geleden, zou het een groot verschil ten goede maken, indien de regering in Nederlands-Indië zetelde.'

XCTot zover was de brief (waarin de argumenten tegen verplaatsing welke de minderheid te berde gebracht had, niet weergegeven werden) niet meer dan nakaarten: de koningin had het denkbeeld, de regeringszetel te verplaatsen, afgewezen, doch wèl aangedrongen op het vertrek van de Geer met 'enige ambtgenoten'. Daar voelde het kabinet niet voor: de nadelen, zo werd in het tweede gedeelte van de brief betoogd, zouden groter zijn dan de voordelen; een afvaardiging uit de ministerraad zou dat graag mondeling komen toelichten.

XC1 DBPN, C, dl. I, p. 171-73. 2 'Zoals ook' (wij citeren Steenberghe) 'een van de heren van het toenmalige departement van koloniën' (dat zal Peekema wel geweest zijn) 'het een keer paradoxaal uitdrukte: 'Dan' (d.w.z. bij vestiging in Indië) 'kunnen wij op één lijn staan met Engeland. want dan is bij ons Nederland in Europa bezet en bij Engeland is Guernsey en Jersey bezet zodat er alleen een gradueel, maar geen principieel verschil meer is.' ' (getuige Stcenberghe, Enq., dl. II c, p. 521).

XCHet woord 'paradoxaal'

EERSTE MAANDEN

XCDaartoe werden de Geer, Albarda, van Boeyen, Dijxhoorn, Steenberghe en Welter op 16 juli door de koningin ontvangen, niet als afvaardiging maar de een na de ander; de koningin kon dus van elks opvattingen een duidelijk beeld krijgen. 'H. M. blijft bij haar denkbeeld', aldus de notulen van de ministerraad van 17 juli. 'Tijdelijke delegatie, bij voorkeur meerderheid, zelfs grote meerderheid' (hoe minder 'defaitisten' in Londen, boe beter, dacbt de koningin). 'H. M. is van mening dat afval van Frankrijk in onze positie geen principiële verandering beeft gebracht .... H. M. blijft van oordeel, dat min. pres. moet medegaan.' Vanalle ministers spraken zich vervolgens alleen Gerbrandyen van Boeyen voor splitsing van het kabinet uit. Een beslissing werd aangehouden - de koningin had een tweede brief toegezegd.

XCVoor die brief was een concept opgesteld door Gerbrandy.! 'De missie zal een tijdelijk karakter dragen: 4 maanden', had hij in dit concept opgenomen - 'geen termijn' had de koningin daarbij aangetekend. Voorts had hij in het concept vermeld, welke ministers dienden te vertrekken: de Geer, Dijxhoorn, van Rhijn, Welter, en Albarda of Bolkestein. Maar de koningin noemde in de brief die weer door de directeur van haar kabinet, van Tets, aan de Geer toegezonden werd, geen namen. In die brief d.d. 17 juli'' stond slechts dat, naar het oordeel van de vorstin, bij 'tijdelijke verplaatsing van een deel van het kabinet naar Nederlands-Indië ' de voordelen groter zouden zijn dan de nadelen, 'Hare Majesteit blijft het daarom in's lands belang wenselijk achten, dat Uwe Excellentie als voorzitter van de ministerraad zich met enige van Haar ambtgenoten tijdelijk naar Nederlands-Indië begeeft.'

XCOp 18 juli stelde van den Tempel voor, de koningin een 'beleidvol', maar afwijzend antwoord te sturen.ê Met de sternmen van Gerbrandy, van Boeyen en van Kleffens tegen werd daartoe besloten. De Geer stelde de brief Op.4'Alles tezamen genomen', aldus de zin waarop het aankwam, 'zou de ministerraad Uwe Majesteit wèl in overweging willen geven, vooralsnog van het zenden der gedachte delegatie af te zien.'

XCAfzien? De koningin dacht er niet aan. Zij hield vol - en had succes.

XCDe Geer had op 22 juli in het kabinet formeel voorgesteld dat Nederland contact met Duitsland zou opnemen (daarover aanstonds meer) - hij werd enkele dagen later bij de koningin ontboden die 'ernstige bezwaren' tegen zijn beleid ontvouwde en haar wens onderstreepte dat hij en andere ministers naar Indië zouden gaan. De Geer zond haar toen op 29 juli een timide,

XC1 Exemplaar in archief kabinet der koningin. 2 Exemplaar in Collectie-Bolkestein, 10. 3 Ministerraad: Notulen, 18 juli 1940. DBPN, C, dl. I, p. 201-03. 7

VERPLAATSING VAN DE REGERINGSZETEL?

om niet te zeggen onderdanige brief 1 ('Het is allerminst mijn bedoeling of die van de ministerraad geweest om, indien Uwe Majesteit ... zou volharden bij de mening dat reeds thans het ogenblik gekomen is om een deel van het kabinet naar Indië af te vaardigen, ons daaraan niet ten volk te onderwerpen') en op 3 I juli deed het kabinet de uitspraak dat dan maar, als het plan zou doorgaan ('men (acht) op het ogenblik de uitvoering niet geraden'), een minderheid diende te vertrekken (alleen Welter was tegen: zijns inziens moest de meerderheid heengaan). Uit wie zou die minderheid bestaan? Van Boeyen, Dijxhoorn, van Rhijn en Welter verklaarden zich bereid, de Geer te vergezellen - óók Gerbrandy, maar dat kan zijnerzijds niet meer geweest zijn dan toneelspel. 2

XCDe zes namen werden aan de koningin voorgelegd: wilde zij dat drie, vier of vijf ministers met de minister-president mee zouden gaan? 'Koningin', zo rapporteerde de Geer, 'gevoelde het meeste voor vijf, maar liet het over. Indien drie, dan de Geer; Welter en Dijxhoorn' (de grootste boosdoeners in haar ogen). 'Verder van Rhijn en Gerbrandy, in volgorde' (zij speelde dus met Gerbrandy mee)."

XCHet werd tijd dat terzake contact opgenomen werd met de gouverneurgeneraal van Nederlands-Indië.

XCWelter zond van Starkenborgh op 2 augustus een telegram dat deze persoonlijk diende te ontcijferen." 'Koningin', zo las van Starkenborgh, 'had in deze tijd gaarne met kabinet naar Indië willen komen' (Weher wist wel beter, maar misschien seinde hij zulks omdat, naar hij wist, het Indische gouvernement zich al 'ernstig gegriefd' gevoeld had doordat prinses Juliana met haar dochtertjes naar Canada, niet naar Indië gegaan was"), 'doch heeft daarvan wegens de klimatologische bezwaren ... moeten afzien. Overweegt nu echter, voorzitter ministerraad uitnodigen zich met enige van zijn ambtgenoten waaronder minister van koloniën tijdelijk naar Nederlands-Indië te begeven. Koningin wil u echter gaarne in gelegenheid stellen hierover uw oordeel te geven mede in verband aanstaande onderhandelingen met Japan' (een Japanse handelsdelegatie zou spoedig in Batavia verschijnen).

XCVan Srarkenborgh seinde vijf dagen later (7 augustus) terug" dat 'gehele bevolking' een komst van de koningin (met haar kabinet) als 'grootste voorrecht' zou hebben beschouwd, maar:

1 Exemplaar in Collectie-Bolkestein, 10. 2 Ministerraad: Notulen, 31 juli 1940. 3 A.v., 2 aug. 1940. 4 Tekst: dl. II b, p. 229. 6 Dat was gebleken uit een brief van de directeur van economische zaken te Batavia, van Mook, aan Hart. G. H. C. p. 6 Tekst: dl. II b, p. 229.

EERSTE MAANDEN

XC'Ik acht overeenkomstig eenstemmig en stellig oordeel strikt vertrouwelijk geraadpleegde adviseurs overkomen enige ministers onraadzaamst. Ten eerste wijl Indische gemeenschap hierin niets zal zien ... Ten tweede wijl tot verwarring en wellicht [tot] pogingen tot ongewenst politiek spel leidend nusverstand hier te lande verwachtbaar omtrent staatsrechtelijke positie dezer ministers wier bevoegdheden, ver van Kroon verwijderd, onduidelijkst evenals hun verhouding jegens wettelijke kroonvertegenwoordiger.!

XCIngeval gelijktijdige Japanse onderhandelingen verhoging moeilijkheden vreesbaar daar Japanse vertegenwoordiger' ongetwijfeld zal trachten zaken bespreken naast delegatie met gouverneur-generaal en afzonderlijke leden Nederlandse regering, wier status eveneens te dien aanzien zeer onzeker.'

XCEen week nadat dit telegram ontvangen en ontcijferd was, berichtte van Tets namens de koningin aan de Geer (I4 augustus), 'dat Hare Majesteit van oordeel is, dat in verband met de door de gouverneur-generaal in diens telegram geuite bedenkingen, aan het voornemen van een reis van enige leden van het kabinet naar Nederlands-Indië voorshands geen uitvoering ware te geven.I" Toen zij dit liet schrijven, had de koningin overigens reden om aan te nemen dat althans het minister-presidentschap van de Geer spoedig ten einde zou lopen.

XCAls gevolg van een uit Indië komend voorstel is het punt van de zetelverplaatsing naar dat gebiedsdeel in januari '4I binnen het kabinet opnieuw aan de orde gesteld (wij komen hierop in hoofdstuk 3 terug). Het kwam toen niet in stemming, maar was dat wèl het geval geweest, dan zouden vermoedelijk de stemmen gestaakt hebben: vijf tegen vijf. Eind juni '40 waren er vier tegenstemmers geweest; in de constatering van de Enquêtecommissie, dat in januari '4I 'de tegenstand tegen de verplaatsing van de zetel van de regering ... veel groter (bleek) dan in de zomer van I940'4, zouden wij dus het woord 'veel' willen schrappen. Het kwam in januari' 4I niet tot een voorstel van het kabinet aan de koningin, wèl maakte zij toen opnieuw duidelijk dat, naar haar oordeel, de plaats van de regering in Londen was.

XCOp de behandeling van de twee voorstellen terugziend, schrijft de commissie verder 5: 'Hoewel het vraagstuk van de verplaatsing ... wel sterk het karakter draagt van thuis te horcn in de moeilijke en onzekere tijd van

XC1 De gouverneur-generaal. 2 De leider van de Japanse handelsdelegatie. S Brief in CoJlectie-Bolkestein, 10. Enq., dl. II a, p. 205. 5 A.v. 7

VERPLAATSING VAN DE REGERINGSZETEL?

de zomer van 1940 en het stellig niet geheellos kan worden gezien van de toen nog bestaande onduidelijkheden in de doelstelling van de oorlogvoering' (wij lezen liever: 'niet los van het toen heersend defaitisme'), 'hebben in de overwegingen daaromtrent in het kabinet ook andere aspecten een rol gespeeld, waarbij de wens als zelfstandige regering op eigen territoir gevestigd te zijn, wel als het belangrijkste kan worden beschouwd' (hier laat de conunissie het wantrouwen jegens Engeland en de angst voor Duitse bommen onvermeld). 'Tenslotte heeft het daartegenover staande argument, dat men zich niet op deze wijze uit het centrum van de oorlogvoering, dat Londen was, behoorde te verwijderen, de doorslag gegeven' - ja, bij de koningin, maar nimmer bij een meerderheid van het kabinet!

XCWanneer de commissie dan eerder geschreven heeft dat het kabinet 'in de eerste helft van juli''een meerderheidsbesluit' genomen heeft, 'met de stenunen van de heren Albarda, Bolkestein en van den Tempel tegen', strekkende tot verplaatsing van de gehele regering naar Indië", dan constateren wij nu dat deze mededeling onjuist is: er waren bij de eerste stemming op 26 juni vier tegenstemmers: Albarda, Bolkestein, van den Tempel en Gerbrandy, en dezen hebben bij de tweede stemming terwille van de kabinetseenheid hun verzet opgegeven, waarbij, gelijk reeds vermeld, bij Gerbrandy en wellicht ook bij de overige drie de verwachting dat de koningin zou weigeren te vertrekken (waarmee het gehele plan verviel), een rol gespeeld kan hebben. Wij willen de Enquêtecommissie van die onjuistheid geen verwijt maken: zij kende maar een deel van de kabinetsnotulen en achtte zich verplicht, het aandeel van de koningin aan de besluitvorming buiten beschouwing te laten. Juist de koningin evenwel is in deze zaak de centrale figuur geweest: zij heeft in de zomer van '40 de verplaatsing van de regeringszetelnaar Bandoeng (een verplaatsing die ernstige schade zou hebben toegebracht aan de nationale zaak) voorkomen.

XCDat het kabinet als geheel toen zijn voornemen liet varen, was, gegeven haar weigering om de noodzakelijke medewerking te verlenen, niet opmerkelijk. Hoogst opmerkelijk achten wij het evenwel dat, nadat zich op II juli slechts drie ministers (Gerbrandy, van Boeyen en van .Kleffens) uitgesproken hadden ten gunste van een splitsing van het kabinet, zodanige splitsing, nadat niet meer gebeurd was dan dat de koningin haar wens herhaald had, op 3 I juli althans in beginsel door het gehele kabinet aanvaard werd, ook door de zeven tegenstemmers van II juli. Kon de koningin hier een andere conclusie aan verbinden dan dat zij, als zij maar volhield, haar zin kreeg?

XCIA.v.

EERSTE MAANDEN

XCTerug naar de Geer.

XCEerder maakten wij er al melding van dat hij op 22 juli in het kabinet voorstelde, contact met Duitsland op te nemen. Hij was in Nederlandse kring de enige niet die in die tijd zodanig contact wenselijk oordeelde. 'Het is', noteerde Hart in zijn dagboek op 27 juni (daags nadat het kabinet besloten had, de regeringszetel naar Indië te verplaatsen), 'erg jammer dat het Indië-plan nog niet zo lang geleden door enkelen is gekoppeld aan de mogelijkheid om eventueel een afzonderlijke vrede te kunnen sluiten.'! Wie waren die 'enkelen'? Stellig Peekema die van Duitslands blijvende suprematie overtuigd was, wellicht ook Welter, en wij herinneren verder aan de notitie van Veraart (17 juni): 'Eén gedachte houdt ons de hele dag bezig: is een afzonderlijke vrede voor Nederland mogelijk?'

XCDiezelfde 17de jmu beraadde het kabinet zich over de internationale situatie en daarbij bleek dat verscheidene ministers (de Geer, Albarda, Bolkestein, Steenberghe, Welter) naar wegen en middelen zochten om niet volledig met Engeland geïdentificeerd te worden; van Kleffens achtte daarentegen het innemen van een 'eigen houding' in dit geval niet aanbevelenswaardig en Gerbrandy wees er op dat men in een vredesaanbod van Hitler geen vertrouwen kon stellen ('herinnert aan de ervaringen met aceoorden van Duitsland')", Daags daarna, 18 juni, waarschuwde van Kleffens tegen 'de illusie dat er veel te onderhandelen zal zijn. De overwinnaar legt Op.'3Op 19 juni deelde hij als zijn 'conclusie' mee, 'dat enige onderhandeling met Duitsland op dit ogenblik tot geen enkel gunstig resultaat zou kunnen leiden/"

XCDaar bleef het voorlopig bij, maar een kleine vier weken later, op II en 12 juli (de Duitse veldtocht in West-Europa was ten einde, Hitler had nog geen vredesaanbod gedaan) kwam het in het kabinet, nadat Dijxhoorn op de lode betoogd had dat Duitsland nauwelijks meer verslagen kon worden, tot een lange discussie over de internationale situatie. De Geer wilde 'enig initiatief', 'contact zoeken voor vredesmogelijkheid', en wel via de Zweedse regering." Niemand voelde daar voor. 'Wij zouden', betoogde van Kleffens, 'door het initiatief ons land in de slechtst denkbare positie brengen.' Dat was ook geheel het oordeel van Gerbrandy: 'Wij moeten het wagen', aldus het verslag van hetgeen hij zei,

1 G. H. C. p. 30. 2 Ministerraad: Notulen, 17 juni 1940 dl. II b, p. 185). 3 A.v., 18 juni 1940. 4 A.v., 19 juni 1940 dl. II b, p. 185). 5 A.v., II juli 1940 (a.v., p. 186).

VAN KLEFFENS EN DUITSLAND

'alles te verliezen om voor de toekomst land en volk te behouden. Engeland strijdt weliswaar voor eigen Imperium, maar ook tegen een boze macht: een tegenstander die nooit zijn woord houdt, traetaten niet eerbiedigt, gewetensvrijheid vernietigt, christelijke cultuur vernietigt. Wij kunnen de hand niet toesteken. Ook is dat ontrouw tegenover andere landen. Nederland zou in vazallenpositie komen. Ook een remise-vrede acht hij verwerpelijk.' 1

XCDat laatste was bepaald niet het oordeel van van Kleffens, wie het in die tijd nog schortte aan begrip voor het ware karakter van het Derde Rijk, zoals dat door Gerbrandy zo duidelijk onder woorden gebracht was. Uit de dagelijkse overzichten van de Duitse pers die door het Ministry of In formation gedrukt verspreid werden, had van Kleffens opgemaakt dat in Duitsland veel gepubliceerd werd over een 'Nieuwe Orde' in Europa. Hij stelde er medio juli een nota over Op2, waarin hij schreef: 'Hitler is niet alleen een veroveraar, maar vooral een revolutionair, bezield met gedachten, die (men moge haar verwerpen) een constructief karakter hebben.' Van Kleffens had, zij het met reserve, uit wat de Duitse pers geschreven had, 'de indruk verkregen dat de Duitsers er niet op uit zijn, andere landen te Nazificeren.' Hoe dat zij, als Duitsland een 'continentaal blok' wilde vormen, was het dan zeker dat het wenste dat Nederland daarin opging? Dat stond voor van Kleffens niet vast. 'Veel zal ten deze afhangen van de afloop van de strijd tussen Duitsland en Engeland.' 'In niet te ongunstige omstandigheden' zou Nederland buiten dat 'blok' kunnen blijven dat was een primair Engels belang. Nederland was dus voor zijn 'toekomst als zelfstandige staar' op Engeland aangewezen, maar moest toch ook, mede met het oog op de toekomst van Indië, jegens de steeds op hun commerciële belangen bedachte Engelsen ('een natie van shopkeepers', schreef van Kleffens) 'op zijn hoede zijn.' Het politieke belang dat Engeland bij een onafhankelijk Nederland had, moest onderstreept worden, maar naast dat politieke argument moesten andere argumenten bedacht worden ('op economisch, monetair, fmancieel en sociaal gebied') - hij nodigde zijn ambtgenoten uit, hem die argumenten te verschaffen."

1 A.v., 12 juli 1940 (a.v.). 2 Tekst: a.v., p. 211-12. 3 Van Kleffens' uitnodiging leidde er toe dat door drie ministers nota's geschreven werden: door Steenberghe, door van den Tempel en door Welter. Steenberghe was het eerste klaar. In zijn nota zonder datum (zij is door de Enquêtecommissie ten onrechte op I I novem ber '40 gedateerd (a.v., p. 221-22» onderstreepte hij dat het een evident Engels belang was, ook economisch, 'ieder land dat het uit de Duitse invloedssfeer kan losrukken, te steunen ... Nederland en België zijn onder de eersten'. Engeland zou dat belang evenwel alleen tot gelding kunnen brengen, wanneer het tot een vrede door vergelijk kwam, en Steenberghe was er niet zeker van dat het tot

EERSTE MAANDEN

XCDe onuitgesproken grondslag van dit stuk was dat van Kleffens OU.i achtte zich daartoe als minister van buitenlandse zaken verplicht) rekening hield met de mogelijkheid van besprekingen die tot de 'remise-vrede' zouden leiden welke Gerbrandy juist principieel 'verwerpelijk' genoemd had.

XCDaags nadat de Nederlandse minister van buitenlandse zaken zijn nota voltooid had, sprak, gelijk reeds vermeld, Hitler in Berlijn (I9 juli). In de toespraak die Hitler zelf als zijn 'letzter Appell an die allgemeine Vemunjt' aanduidde, deed hij geen vredesaanbod of iets wat daarop leek; hij drukte slechts een zekere bereidheid tot onderhandelen in één zin uit: 'Ieh sehe keinen Grund, der zllr Fortfiilmmg dieses Kampfes zwingen könl1te.'

XCHoe zou Engeland hierop reageren? Op 20 juli sprak van Kleffens met Halifax. Blijkens zijn schriftelijk verslag aan de koningin hield de Nederlandse minister onderhandelingen met Duitsland voor mogelijk, ja hij was zo optimistisch om (in overeenstenuning met de teneur van zijn nota van 18 juli) te menen dat Hitler bereid zou zijn Nederland te ontruimen, maar Halifax, die daar niet van overtuigd was en aannam dat Duitsland in elk geval Noorwegen zou vasthouden, hechtte geen waarde aan het vage Duitse aanbod. Vrede met Engeland? 'Dat heeft hij ook tegenover Tsjechoslowakije en Polen steeds gezegd.'!

XCzodanige vrede zou komen: er was ook 'de mogelijkheid, dat Duitsland er in zou slagen, het Britse Rijk te vernietigen.'

XCIn zijn nota d.d. 7 augustus (a.v., p. 213-14) beperkte van den Tempel zich er toe, een uitgebreid beeld te schetsen van de nadelige politieke, militaire, economische en sociale gevolgen die voor Engeland zouden voortvloeien uit 'verlies van de onafhankelijkheid van Nederland', ja zelfs uit 'een sterke inbreuk op zijn zelfstandigheid'; ook in de positie van de Nederlandse overzeese gebiedsdelen zou dan verandering komen. 'De gevaren', concludeerde hij, 'welke voor Engeland en het Britse imperium besloten liggen in de vorming van een continentaal blok onder Duitse hegemonie, worden door de al of niet formele opname van Nederland in dat blok in buitengewone mate vergroot.'

XCWelter daarentegen stond blijkens zijn (door Hart en Peekema geschreven) verhandeling van 10 augustus (a.v., p. 219-20) 'niet a priori afwijzend tegenover elke Enropese ordeningsgedachte' , zij het dat hij 'in een nieuw Enropees bestel' wèl 'een zo groot mogelijke zelfstandigheid van Nederland' wilde nastreven; daarbij moest dan vooral gewezen worden op de betekenis van Nederlands-Indië, 'en wat wij ook denken van de gedachtenwereld van het Derde Rijk en zijn machthebbers, op belangrijke punten zo tegengesteld aan Nederlandse overtuigingen, weinigen zullen in nuchtere redelijkheid volhouden, dat het daarginds geheelontbreekt aan een zekere wijdheid van doelstelling en aan grondigheid van intellectuele voorbereiding'. 1 Brief, 20 juli 1940, van van Kleffens aan de koningin (DBPN, C, dl. I, p.

EEN COMPROMISVREDE ?

XCOp de Geer had Hiders toespraak daarentegen een electriserende uitwerking gehad: hier was een kans om al dat akelig bloedvergieten te beëindigen! Wie dat kon, moest de door Duitsland uitgestoken hand grijpen. Dat Engeland dat zou doen, verwachtte hij niet - dan moest, meende de Geer, Nederland het goede voorbeeld geven, zij het na Engeland daarvan verwittigd te hebben. Het voorstel dat hij op 22 juli aan het kabinet voorlegde, hield in, 'door tussenkomst door een van onze gezanten aan de Duitse regering te doen weten, dat onze regering bereid is een deputatie af te vaardigen naar het Continent teneinde over mogelijkheid vredesonderhandelingen (te spreken)', en de minister-president stelde die zaak meteen op scherp: 'Indien kabinet niet accoord, dan zal spr. aan H. M. de Koningin ontslag verzoeken.'

XCVan alle ministers was er slechts één die aan de Geers voorstel enige steun verleende: zijn partijgenoot van Rhijn ; de overigen achtten het contact zoeken met Duitsland ofwel inopportuun ofwel principieel verwerpelijk - Gerbrandy zei bovendien, niet te geloven 'dat Duitsland Engeland kan overweldigen." Men wist dat Halifax die avond namens de Engelse regering op Hiders toespraak zou reageren - besloten werd, vooreerst af te wachten wat die reactie zou inhouden. Zij was, gelijk reeds vermeld, volstrekt negatief. Desondanks handhaafde de Geer zijn voorstel, zij het dat hij het begrip 'deputatie' had laten vallen - hij legde het zelfs, toen het kabinet op 24 juli opnieuw bijeenkwam, schriftelijk aan zijn ambtgenoten voor in de vorm van een aan Duitsland door te geven boodschap:

XC'Naar aanleiding van het beroep, door de Führer van het Duitse Rijk in zijn Rijksdagrede van 19 juli gedaan op redelijk en gezond verstand, ter beëindiging van de oorlog, verzoekt de Nederlandse regering te mogen vernemen, op welke grondslag (met name wat de positie van Nederland betreft) de Führer zich voorstelt, dat op dit ogenblik vruchtbare bespreking ter bevordering van de vrede zou kunnen worden geopend."

XCN u kwam eerst Dijxhoorn, die op de zzste gezwegen had, met een lang en pessimistisch betoog" dat vooral tegen Gerbrandy gericht was: hij, de minister van defensie, geloofde niet alleen dat er een Duitse landing in Engeland zou komen, 'maar als die landing komt, moet men er', voorspelde hij, 'ernstig rekening mee houden, dat ze gelukt. En dan gaat het Engelse moederland er aan.' Hij voelde niet voor een afzonderlijke vrede metMinisterraad: Notulen,julidl.p."A.v., dl.a, p.Tekst:p.

1 22 1940 II b, 187). II 172. 3 C, ell. I, 217-19.

EERSTE MAANDEN

Duitsland maar hij had aan de toespraken van Hitler en Halifax de conclusie verbonden dat beide partijen eigenlijk tot elkaar wilden komen. Zijn voorstel was, die conclusie aan Halifax voor te leggen onder mededeling dat, als zij juist was, Nederland bereid was, het zoeken naar een oplossing te ondersteunen en dán zou, 'als Engeland toestemt', de door de Geer voorgestelde boodschap kunnen uitgaan.

XCDat denkbeeld vond instemming bij Welter en Steenberghe; Gerbrandy en van den Tempel zeiden dat zij tegen een nieuw gesprek van van Kleffens met Halifax natuurlijk geen bezwaar hadden - zij verwachtten er kennelijk niets van. Ook van Kleffens, tegen wie Halifax vier dagen eerder al duidelijk gezegd had, geen waarde toe te kennen aan Hiders vage 'aanbod', zag niet veel in een nieuw gesprek met de Britse minister van buitenlandse zaken; uit een lang betoog van van Kleffens', waarin hij met kracht onderstreepte dat 'eigenmachtig' handelen 'deloyaal' zou zijn, bleek voorts dat hij, in tegenstelling tot Dijxhoorn, het 'onzeker' achtte of Duitsland Engeland zou kunnen overwinnen.

XCTwee dagen later had van Kleffens opnieuw met Halifax gesproken en dat onderhoud, zo deelde hij in de ministerraad mee (26 juli), had hem geleerd, 'dat het ogenblik niet geschikt is voor initiatief onzerzijds. Spr. heeft overigens Lord Halifax onze bereidvaardigheid' (om een eventueel vredescontact te ondersteunen) 'verzekerd en ook gezegd, dat wij niet zonder overleg zouden handelen.' De Geer had daar 'voor het moment' vrede mee."

De koningin grijpt in

XC

XCEén was er die geen moment vrede had, of ook maar kon hebben, met het beeld dat het kabinet als geheel bood: de koningin. Het is aannemelijk dat al tot haar doorgedrongen was, welk een droevig beeld van verdeeldheid de ministers geboden hadden toen zij op de avond van 14 mei op Winkelmans capitulatie-aankondiging hadden moeten reageren, en over de Geers radiotoespraak van 20 mei was zij, gelijk reeds vermeld, ontzet geweest. Niet minder ontzet was zij toen het kabinet haar eind juni voorgesteld had, de regeringszetel naar Indië te verplaatsen - dat zij dat denkbeeld louter afgewezen had met het argument dat zij niet tegen het klimaat kon, was eenvoudig geschied om elke verdere discussie

XC1 Tekst: a.v., p. 220--2I. 2 Ministerraad: Notulen, 26 juli 1940 (Enq., dl. II b,

DE KONINGIN IS ONTZET

af te snijden: dat argument lag immers in haar persoonlijke sfeer.! Zou zij, als zij de overtuiging had gehad, het Indische klimaat (in Bandoeng geenszins onaangenaam) wèl te kunnen verdragen, met de ministers vertrokken zijn? Dat nemen wij geen moment aan. De koningin leefde met het gezicht gekeerd naar, zo voelde zij het, haar volk in bezet gebied en precies als de vier ministers die tegenstanders waren van die verplaatsing (Albarda, Bolkestein, Gerbrandyen van den Tempel), besefte zij dat een vertrek van de regering naar Indië, welke explicatie men er ook aan zou geven, door de brede massa van het Nederlandse volk beschouwd zou worden als een smadelijke vlucht. Het voorstel had het kabinet als geheel verder in haar achting doen dalen - nog verder daalde het toen het, na eerst in meerderheid een splitsing afgewezen te hebben, onder haar druk in beginsel toch weer die splitsing aanvaardde.

XCTwee zaken ging zij in de maanden juni en juli als van primair belang beschouwen: zij wenste de bevolking in bezet gebied duidelijk te maken waar zij stond, en zij wenste een nieuwe minister-president: Gerbrandy.

XCWaar zij stond, zei zij, zo helder als maar kon, in de toespraak waarmee zij op 28 juli '40 de lange reeks uitzendingen van Radio Oranje opende.

XCVoor de nieuwsvoorziening van pers en radio met berichten uit Nederlandse bron had Pelt, de door van Kleffens aangetrokken chef van de Regeringsvoorlichtingsdienst, nog in mei in Londen een tegenhanger kunnen oprichten van het in Nederland gelijkgeschakelde ANP: óók een 'Algemeen N ederlands Persbureau', maar het werd ter voorkoming van misverstand met de afkorting 'Anep' aangeduid. Nieuws naar Nederland werd van april af dagelijks in enkele bulletins van een kwartier uitgezonden door de Dutch Section van de European Service van de BBC - welnu, eind mei stond voor Pelt vast dat de Nederlandse regering de beschikking diende te krijgen

XC1 Bij twee gelegenheden, op 4 juni en op 4 juli '40, sprak van Lidth met de koningin over 'het denkbeeld, de zetel der regering naar Nederlands-Indië te verplaatsen'. 'Zij verwerpt [het]', noteerde hij op 4juni in zijn dagboek, 'omdat zij vreest, dat daardoor het nauwe contact met de Geallieerden zou verloren gaan, hetgeen vóór alles nodig is. Zij ... beaamt dat wij 100 % achter de Engelse regering staan ... In niet onbedekte termen veroordeelt zij de houding der regering.' Een maand later wees van Lidth er op hoe onduidelijk de positie van de gouvemeurgeneraal zou worden, als de regering zich in Indië vestigde; 'de koningin', noteerde hij diezelfde dag, 'betuigt haar ingenomenheid met mijn inzichten.' Geen woord over medische bezwaren!

EERSTE MAANDEN

over eigen zendtijd. Gerbrandy deelde die overtuiging; was hij de enige minister die, als voorzitter van de Radioraad. persoonlijk veel met het medium radio te maken gehad had en hij bezat in de hoogste kringen van de BBC talrijke relaties. Begin juni vroegen Pelt en hij in een gesprek met de Director-General van de BBC, Lord Reith, zendtijd voor de regering aan - Reith legde het verzoek dat talrijke algemene vragen opwierp (als eerste: zouden dan niet de andere regeringen-in-ballingschap óók eigen zendtijd vragen ?), aan het Ministry of Information voor. Reith voelde niet veel voor doorbreking van het BBC-monopolie, maar het Ministry of Information keurde het verzoek uit overwegingen van algemeen beleid goed, zij het dat veiligheidshalve vastgesteld werd dat pelts naam en de namen van alle vaste medewerkers van het nieuwe programma aan MI-5 voorgelegd zouden worden.

XCEind juni werd met de voorbereiding van de uitzendingen begonnen. Sluijser, chef van de Radioluisterdienst van de RVD, bedacht een naam voor het nieuwe programma: Radio Oranje, 'met', schreef hij later, 'als motivering: we verlangen dat de Nederlanders revolutie gaan maken' (tegen de bezetter), 'maar alleen een revolutie op de basis van Oranje heeft kans van slagen." Tot chef van Radio Oranje werd J. W. Lebon benoemd, de met Sluijser op I4 mei uit Ijmuiden ontkomen penningmeester van de Vara. Ik, die op I4 mei met mijn vrouw in Lebons auto van Velsen af had kunnen meerijden, werd op I juli Lebons assistent - met zijn tweeën vormden wij de gehele staf.2

1 M. Slu.ijser:'EnkeleherinneringenaanLonden' (sept. I969), p. I (Collectie-M. Sluij ser). 2 Mijn vrouwenikwaren op I6 mei aan de Engelse zuidkust tegenover Poole ontscheept. Daar verbleven wij enkele dagen in een vluchtelingen kamp en vervolgens in een tweede kamp dichtbij Londen. Na ongeveer een week werden wij (na onderzoek door vr.ijgelaten. Op dezelfde rste juli waarop ik bij Radio Oranje in dienst trad, betrokken wij een piepklein woninkje aan de Ik had in mei onmiddellijk enkeleministers bezochtinhet zij konden mij niet aan werk helpen. Wij leefden van geleend geld. Wat te doen? Uit een soort automarisme besloot ik, de buitenlandse pers weer bij te houden (als redacteur van had ik ruim twee jaar lang het wekelijks buitenlands overzicht geschreven). De Amerikaanse dagbladen vond ik in de zetel van het en in die bladen trof ik begin juni de reportages aan van enkele Amerikaanse journalisten die van Berlijn uit een bezoek hadden mogen brengen aan bezet Nederland. Van die re portages maakte ik een overzicht dat via Pelt naar de ministers ging: het eerste wat ze over bezet Nederland vernamen. Pelt stelde mij toen bij Radio Oranje aan, omdat alle andere plaatsen die voor Nederlandse journalisten geschikt waren, al bezet waren. Onnodig te zeggen dat ik mij met hart en ziel aan de nieuwe taak gaf - ik had overigens in het geheel geen radio-ervaring.

RADIO ORANJE

XCHet had voor de hand gelegen, van Kleffens. onder wie Radio Oranje als afdeling van de RVD administratief ressorteerde, tot 'radio-minister' te maken, maar Gerbrandy was geen ogenblik van plan, de primaire verantwoordelijkheid ervoor prijs te geven. Hij moest wèl een concessie doen: alle door Radio Oranje uit te zenden teksten moesten enkele dagen voor uitzending niet alleen aan hem, maar ook aan de Geer, Albarda en van Kleffens ter goedkeuring voorgelegd worden (ook de Engelse censuur moest die teksten tevoren ontvangen)."

XCGebruikmakend van zijn bevoegdheid had Gerbrandy met de koningin afgesproken dat zij als eerste voor Radio Oranje zou spreken. In de kabinetsvergadering van 22 juli, zes dagen voor die eerste uitzending, vroeg van Rhijn naar de tekst; 'merkt op', aldus de notulen, 'dat kabinet daarvoor verantwoordelijk is. V oorkennis is dus gewenst.' Gerbrandy zegde toe dat hij zou 'proberen dat te bevorderen." Inderdaad kregen alle ministers de tekst te zien" en het college als geheel, bevreesd voor Duitse represailles, had tegen het uitspreken daarvan, zo vernam van Lidth van Beelaerts, 'groet bezwaar. De koningin heeft echter', noteerde van Lidth in zijn dagboek",

XCHoe beoordeelde ik in die tijd Engelands kansen? Ik was zeker niet vrij van angst en ik herinner mij dat ik in juni, toen vermogende kennissen, ook vluchtelingen, naar de Verenigde Staten konden doorreizen, enige jaloezie jegens hen koesterde. Maar de stemming in Engeland sleepte mij spoedig mee. Ze werd onderwerp van de tweede van twee teksten die ik voor de derde uitzending van Radio Oranje schreef: 30 juli - een geheel door mij geschreven en gesproken programma waarin ik eerst Marsman herdacht, eindigend met zijn in het British Museum door mij overgeschreven 'Herinnering aan Holland' (... 'en in alle gewesten I wordt de stem van het water I met zijn eeuwige rampen I gevreesd en gehoord'). Ik dacht, meen ik, toen wel dat de oorlog nog lang zou duren, maar de afloop was voor mij niet twijfelachtig: 'Het Engelse volk zal', zei ik die avond in mijn tweede bijdrage, 'doorvechten tot de overwinning is behaald. Het Engelse volk geeft deze strijd nooit of te nimmer op ... Napoleon, die ook eens geheel Europa in zijn macht had, heeft Engeland niet kunnen verslaan. Ook de moderne Napoleon, ook Adolf Hitler, zal zijn Moskou en zijn Waterloo vinden.'

XC1 Ik herinner mij niet, ooit bezwaren van Albarda of van Kleffens onder ogen te hebben gekregen, wèl kon ik, vermoedelijk naar aanleiding van mijn tekst over de stemming in Engeland (30 juli), een kattebelletje lezen van de Geer, ongeveer van deze inhoud: 'Wie zegt, dat Engeland wint, bedrijft pure rhetoriek, want, zoals de minister van defensie onlangs betoogd heeft' (Dijxhoorn in de ministerraad op 24 juli) 'is daar geen schijn van kans op.' Met dergelijke ontboezemingen hield binnen de RVD niemand rekening - zij wekten wèl grote ergernis en werden verder verzwegen als schadelijk voor de nationale zaak. 2 Ministerraad: Notulen, 22 juli 1940 (Enq., dl. II b, p. 188). 3 Tekst o.m. in a.v., dl. VII a, p. 407. Van Lidth: 'Dagboek', 27-29 juli 1940.

EERSTE MAANDEN

'haar wil doorgezet, mede op advies van Beelaerts', en, zo veronderstellen wij, van Gerbrandy.'

XCDe koningin begon (de Geer had dat op 20 mei nagelaten) met 'het onnoemelijke leed dat over ons volk is gekomen en dat het bij voortduring drukt', te gedenken. 'Hulde' bracht zij (ook dat had de Geer verzuimd) aan 'de helden, diè bij de verdediging van ons Nederland ten offer vielen aan hun plicht, hulde aan de moed van onze weermacht die de zoveel sterkere aanrander' (wij cursiveren - de Geer had geen enkel anti-Duits woord gebezigd) 'veel langer heeft weten te weerstaan dan deze had verwacht.' De oorlog karakteriseerde zij als een worsteling tussen goed en kwaad, 'een strijd tussen God en ons geweten enerzijds en anderzijds de duistere machten die in deze wereld hoogtij vieren.' Maar:

XC'Gelijk eertijds noch gewapend geweld, noch de vlammen van de brandstapel, noch verarming en lijden onze vrijheidszin, onze gewetensvrijheid en onze geloofsvrijheid ooit hebben kunnen uitroeien, zo houd ik mij overtuigd, dat ook in het huidige tijdperk wij en allen die denken zoals wij (tot welk volk zij ook mogen behoren) uit deze beproeving gesterkt en gelouterd zullen herrijzen.

XC. . . In onverbrekelijke eenheid willen wij handhaven onze vrijheid, onze onafhankelijkheid en het grondgebied van het gehele rijk.

XCIk wek mijn landgenoten in het vaderland en overal waar zij zich bevinden, op om, hoe donker en moeilijk de tijden ook zijn, te blijven vertrouwen in de eindoverwinning van onze zaak, die niet alleen sterk staat door kracht van wapenen, doch niet minder door het besef dat het thans gaat om onze heiligste goederen. Ik heb gezegd.'

XCRuim twee weken later, 14 augustus, uitte de Geer in de ministerraad 'de wens dat het aantal uitzendingen van Radio Oranje (zou) worden verminderd.' 2 Niemand viel hem bij.

XCHet is dezelfde vergadering van 14 augustus geweest waarin de Geer een mededeling deed (ze werd niet genotuleerd) die de meesten van zijn ambtgenoten het gevoel gaf dat het zo niet langer ging, en die de koningin, toen

XC1 Zoals wij al in deel 4 vermeldden, zond van Kleffens op 24 juli de koningin een brief toe waarin hij schreef dat de gezant te Bern vernomen had dat van Karnebeek, commissaris der koningin in Zuid-Holland, en Snouck Hurgronje, voorzitter van het college van secretarissen-generaal, het ongeraden achtten, van Londen uit redevoeringen te houden die Duitsland zouden kunnen prikkelen; 'gezien 25 juli W' kwam op de brief te staan (archief kabinet der koningin). • Ministerraad: Notulen, 14 aug. 1940.

DE GEER WORDT TERZIJDE GESCHOVEN

zij er van vernam, haar laatste aarzelingen deed overwinnen. De ministerpresident zei namelijk dat hij, omdat hij in Boxmoor ('Boxmeer') zo slecht sliep, van plan was, in Zwitserland twee weken vakantie te nemen. Verbazing alom. Gerbrandy vroeg wie hem de verzekering gaf dat hij daar veilig zou zijn (drie maanden tevoren hadden de Duitse parachutisten en Luftlandetruppen gepoogd zich van de persoon van de Geer meester te maken), de Geer antwoordde dat hij er geen enkel bezwaar tegen had indien, behalve zijn ambtenaar Mackay (de man van de Nederlandse Bank zonder tekenbevoegdheid) met wie hij al een afspraak gemaakt had, ook een van zijn ambtgenoten hem zou vergezellen. 'Dan ga ik mee', zei Gerbrandy spontaan en toen Bolkestein hem na afloop van de ministerraad vroeg waarom hij dat aanbod gedaan had, antwoordde Gerbrandy: 'Anders gaat hij nog door naar Nederland!'1

XCDe Geers reis naar Zwitserland vond niet plaats: op de rode augustus. lichtte hij zijn ambtgenoten in dat hij gehoord had dat er geen vliegverbinding meer bestond tussen Spanje en Zwitserland, 'derhalve heeft hij zijn plan laten varen.' 2

XCDat plan had bij de koningin diepe verontwaardiging gewekt. Misschien had zij zich in een veel vroeger stadium (na de Geers toespraak van 20 mei bijvoorbeeld) wel eens afgevraagd waarom niet alle overige ministers. en bloc aan de Geer meedeelden dat hij hun vertrouwen volledig verloren. had en dat zij niet bereid waren, onder zijn voorzitterschap aan te blijven, maar in juni en juli was de vorstin gaan beseffen dat op de vorming van zulk een eenheidstront tegen de Geer niet te rekenen viel: hij was dan wel de ergste (in zekere zin de meest consequente) defaitist, maar het defaitisme was in het kabinet veel wijder verbreid. Het met Gerbrandy uitgewerkte. plan, de Geer naar Indië te lozen, was mislukt. Misschien besefte de koningin tevens dat het voor de andere ministers die persoon voor persoon in augustus. '39 (van Rhijn op 8 mei '40) uitgenodigd waren, tot de Geers kabinet toe te treden", moeilijk was, de man die hen uitgenodigd had, te zeggen dat hij diende heen te gaan - een pijnlijke operatie: welke indruk zou die zo· duidelijke verdeeldheid in bezet gebied maken? En zou die verdeeldheid niet ook in Engeland het prestige van de regering ondermijnen? Maar die operatie werd, meende de koningin, onontkoombaar en zulks ook daaromaangeboden in het Savoy Hotel; Gerbrandy meende zich in '55 te herinneren dat hij daar opzettelijk was weggebleven. (Gerbrandy, 14 nov.

1 G. Bolkestein: 'Herinneringen en beschouwingen' (1948), p. 22. 2 Ministerraad: Notulen, 19 aug. 1940 dl. II b, P: 236). 3 Op de eerste verjaardag van het kabinet, 12 augustus '40, werd aan de Geer door zijn ambtgenoten een lunch

EERSTE MAANDEN

omdat de Geers opvattingen tot verscheidenen in de Nederlandse kringen in Londen doorgedrongen waren.

XCDe stemming in die kringen sloot aan bij die van het Engelse volk, defaitistische centra zoals die zich rond Dijxhoorn en Welter alsmede onder de officieren in het Nederlands Legioen gevormd hadden, waren uitzonderingen - ook de kleine Nederlandse gemeenschap in Londen vond dus geen weerspiegeling meer in het kabinet. Ds. van Dorp, de predikant van de Nederlandse hervormde gemeente te Londen, zette elke zondagochtend in het fraaie, uit de rade eeuw daterende kerkgebouw van Austin Friars aan een groot gehoor uiteen dat de beproeving van de oorlog met moed en vertrouwen doorstaan moest worden, en diezelfde opvatting bleek van meet af aan uit het Londense weekblad Vrij Nederland dat op 3 augustus begon te verschijnen 'als', zo schreef dr. M. van Blankenstein, die (niet geheel tot genoegen van het kabinet) tot hoofdredacteur benoemd was ', 'een strijdblad ... , strijdend voor de Nederlandse zaak en voor de zaak onzer Geallieerden' - de radiotoespraak die de koningin op 28 juli gehouden had ('een waarlijk koninklijke rede'), kreeg in dat eerste nummer een ereplaats, en er was van het defaitisme binnen het kabinet voldoende aan van Blankenstein bekend om hem er toe te brengen, de tegenstelling aan te stippen tussen de woorden van de koningin en alle 'opportunisme', 'kortzichtigheid' en 'wankelmoedigheid'.

XCAan dat 'opportunisme', die 'kortzichtigheid' en die 'wankelmoedigheid' had zich van meet af aan vooralook Michiels geërgerd, de Nederlandse£blad, door de Duitsers zou worden beschouwd als bewijs dat Nederland het met zijn neutraliteitspolitiek niet zo nauw had genomen;

1 Het initiatief tot de oprichting van was genomen door Pelt en een advertentie-acquisiteur van Willem Baas. Baas woonde in mei '40 in Parijs en had daar in mei en juni met steun van Nederlandse industriëlen plannen gemaakt om een Nederlands dagblad op te richten. Bij wendde zich, uit Frankrijk ontkomen, tot Pelt en deze, die meende dat een nieuw blad los moest staan van de regering en haar voorlichtingsdienst, verwees hem naar het bedrijfsleven: de de 'Koninklijke'/ Philips, grote scheepvaartmaat schappijen en Blijdensteins Bank die ook een vestiging in Londen had. Deze ondernemingen brachten IQ 000 bijeen en uit hun midden werd een raad van commissarissen benoemd voor een die zou gaan uitgeven; als voorzitter van die raad trad Paul Rijkens op, voorzitter van de raad van beheer van de Voor die raad stond vast dat van Blanken stein de redactionele leiding van het nieuwe weekblad diende te krijgen, maar vooral de Geer en van KIelfens (ook andere ministers!) hadden op deze tegen dat hij in Nederland nauw met de Britse samengewerkt had en dat zulks aan de Duitsers bekend was: gevreesd werd dat het feit dat juist van Blankenstein de leiding zou krijgen van het enige in Londen verschijnende Nederlandse week

DE GEER WORDT TERZIJDE GESCHOVEN

gezant. Hij had veel contacten met vooraanstaande personen uit het Nederlandse bedrijfsleven, met name met Paul Rijkens - van mei af kwam Michiels eens per week of per veertien dagen met Rijkens samen voor wat zij onderling 'het kankeruurtje' noemden.' Nu, te 'kankeren' was er genoeg in de maanden juni en juli! Wanneer de topfiguren van het Nederlandse bedrijfsleven (hetzij diegenen die vóór de Meidagen al in Londen gevestigd waren, hetzij diegenen die van het Continent overgekomen waren) de snelheid waarmee de meesten hunner zich aan de nieuwe situatie aangepast hadden, vergeleken met de aarzelingen waarvan het beleid van het kabinet getuigde (om niet te spreken van het defaitisme), dan rees bij hen de vraag hoe lang het nog zou duren voor er een Nederlands kabinet was waarin de strijdvaardigheid van de Britse natie weerspiegeld zou worden. Dat in dat opzicht van de Geer niets te verwachten viel, had zijn radiotoespraak van 20 mei al aangetoond en was bevestigd door alles wat men nadien omtrent zijn doen en laten vernomen had. Michiels en Rijkens wisten dat het kabinet eind juni tot verplaatsing van de regeringszetel besloten had - het kwam zo ver dat Rijkens mede namens enkele gelijkgezinden in juli aan Michiels de vraag voorlegde of deze er niet namens hen bij de koningin op kon aandringen dat zij het kabinet-de Geer door een nieuw kabinet zou vervangen. Michiels hield zulk een stap voor ongepast, maar besprak de hem voorgelegde vraag wèl met Gerbrandy, 'het was bij die gelegenheid', vertelde Gerbrandy ons in '59, 'dat Michiels en ik elkaar vonden. Wij waren eens geestes." Ook tot prins Bernhard drong door hoe Rijkens en de zijnen over het kabinet-de Geer dachten, want van begin juni af boden

XCleden van het kabinet het bezwaarlijk dat van Blankenstein een Jood was: hem aanvaardend zou men, meenden dezen, voedsel geven aan de Duitse propaganda, dat de Geallieerde oorlogvoering door Joden bepaald werd. Rijkeus en zijn medecommissarissen achtten beide bezwaren volledig irrelevant, ja zij ergerden zich er aan. Het kabinet steunde Vrij Nederland door er 2 000 abonnementen op te nemen (de 'Shipping' nam er I 000 de oplaag bedroeg 10 000 exemplaren), maar kreeg verder geen invloed op het redactionele beleid.

XCWij vermelden in dit verband dat begin' 4I ook in New York een Nederlands weekblad begon te verschijnen: The Knickerbocker. Tevoren was er in de Verenigde Staten een maandblad geweest van die naam, opgericht en geredigeerd door Albert Balink. Met steun, alweer, van het Nederlandse bedrijfsleven werd door een Nederlandse uitgever, H. eh. Gomperts, die daartoe door Pelt gestimuleerd was, van dat maandblad een weekblad gemaakt. President-commissaris van de vennootschap die dit uitgaf, werd S. M. D. Valstar (directeur van de KNSM), de redactionele leiding kregen Balink en de vroegere hoofdredacteur van de Haagse Post, Bernard Person. The Knickerbocker Weekly kreeg spoedig ca. I4 000 abonné's.

XC1 Getuige P. Rijkens, Enq., dl. V c, p. 326. 2 P. S. Gerbrandy, I4 okt. I959.

EERSTE MAANDEN

Rijkeris en enkele gelijkgezinden, onder wie J. M. de Booy en de financieel adviseur der regering Beyen, eens in de drie of vier weken de prins een lunch aan - de veronderstelling ligt voor de hand dat hij hun klachten en wensen aan de koningin overbracht.

XCHoe kon men uit de moeilijkheden komen? In concreto: hoe kon bereikt worden dat de Geer als minister-president verdween?

XCIn juli en de eerste helft van augustus werd aan de koningin duidelijk dat van het kabinet terzake geen enkel initiatief te verwachten viel. Kon zij dat initiatief nemen? Mocht zij het? Zij had in 1898 bij haar inhuldiging in de Nieuwe Kerk te Amsterdam de eed op de Grondwet afgelegd. In art. 79 bepaalde die Grondwet o.m.: 'De koning stelt ministeriële departementen in. Hij benoemt ministers en ontslaat hen naar welgevallen', maar de vrijheid die de drager of draagster van de Kroon naar de letter van dat artikel kreeg, was slechts schijn: ook de toepassing van dat artikel viel onder de algemene regel van het voor de werking van de constitutionele monarchie fundamentele artikel 55 waarmee het gedeelte van de Grondwet begon dat 'de macht des konings' regelde: 'De koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.' Dat artikel betekende dat de koningin slechts handelend kon optreden, wanneer er ministers waren die de verantwoordelijkheid voor haar handelen wilden dragen. Hadden de overige ministers uit het kabinet of had een meerderheid hunner haar schriftelijk doen weten dat de Geer diende te verdwijnen, dan zou zij de zekerheid gehad hebben dat een mededeling harerzijds aan de Geer: 'u dient af te treden', de vorming van een nieuw kabinet niet in de weg zou staan, maar tot dit bericht van de ministers kwam het niet. De koningin mocht niet meer dan vertrouwen dat die mededeling harerzijds geen onoplosbare crisis zou doen ontstaan, en zij kon dat vertrouwen ook baseren op de gang van zaken bij het plan, een minderheid uit het kabinet naar Indië te sturen (dat plan, eerst afgewezen, was tenslotte in beginsel door het kabinet aanvaard en de Geer had in zijn brief van 29 juli geschreven over een zich 'ten volle onderwerpen' van het kabinet aan een beslissing van de koningin), maar zekerheid had zij niet. Het heensturen van de minister-president zou mogelijkerwijs de vorming van een nieuw kabinet betekenen - daartoe had noch zijzelf, noch haar vader ooit het initiatief genomen of, binnen het Nederlands constitutioneel bestel, ook maar kunnen nemen. Mocht zij dat wèl doen? Zij legde die vraag aan Beelaerts, van Kleffensen Gerbrandy voor. Het advies van Beelaerts kennen wij niet, maar het was zonder twijfel positief VanKleffens zette haar uiteen, zo vertelde hij ons in '58, 'dat er situatieswaren waarin de Grondwet niet voorzag en het belang van de continuïteit van de staat toch eiste dat er verder geregeerd werd. Ik zei dat er in

DE GEER WORDT TEnZIJDE GESCHOVEN

Oostenrijk een decoratie was die alleen gegeven werd aan militairen die hun instructie overtreden hadden, d.w.z. als het goed afgelopen was, kregen ze die onderscheiding en als het slecht afgelopen was, werden ze doodgeschoten.' Ik vond dus wel dat de koningin jegens de Geer mocht doorzetten, maar wees er haar tegelijk op dat dit een uitzonderlijk geval was en dat zij mijn advies niet mocht zien als een vrijbrief voor willekeurig handelen van haar kant.' 2

XCOok Gerbrandy adviseerde tot doorzetten. Hij gaf ook het punt aan waarop de Geer bitmen het kabinet kwetsbaar was: zijn door allen afgewezen denkbeeld, voor twee weken vakantie naar Zwitserland te gaan; dat de Geer om praktische redenen van dat voornemen afgezien had, maakte, aldus Gerbrandy, geen enkel verschil.

XCDe koningin was het daarmee eens. Zij liet de Geer (aan wie zij, wij herinneren er aan, al eind juli gezegd had dat zij 'ernstige bezwaren' had tegen zijn beleid) op vrijdag 23 augustus bij zich komen, veroordeelde in scherpe bewoordingen zijn Zwitserland-plan en gaf hem naar aanleiding daarvan in overweging, ontslag te vragen. 'Bedoelt u ontslag als ministerpresident of als minister van fmanciën?' vroeg de Geer. De koningin antwoordde dat zij dat nog wilde overwegen, ze zou dat de Geer schriftelijk doen weten maar voordien eerst nog een nieuw gesprek met hem voeren: maandagochtend.

XCNog op diezelfde vrijdag kwam het kabinet bijeen. De Geer deed daar mededeling van zijn gesprek met de koningin. Het nagenoeg algemeen gevoelen van de ministerraad (Gerbrandy zweeg) was dat een poging moest worden ondernomen, de koningin tot andere gedachten te brengen. Bolkestein wenste, 'dat H. M. de mening van het kabinet zou vernemen. Een ontslag van de minister-president zou noodlottige repercussies ook in Nederland teweeg brengen' - afgesproken werd dat van Kleffens de koningin zou vragen, een delegatie uit de ministerraad te ontvangen", en dat die delegatie er bij de koningin op zou aandringen dat de Geer, hoewel aftredend als minister-president, minister zou blijven; toen dat ill stemming kwam, stemden allen vóór, behalve Gerbrandy - hij stemde tegen, 'dat hebben wij hem', aldus later Steenberghe, 'zeer kwalijk genomen.i"

XCDe Geer was totaal verslagen - en juist op die vrijdag, waarop hij, zo voelde hij het, door de koningin de laan uitgestuurd was, bereikte hem het verzoek van de redactie van Vrij Nederland, een bijdrage over de koningin te schrijven ter plaatsing in het nummer waarin haar naar aanleiding van haar zestigste verjaardag, zaterdag 3 I augustus, hulde zou worden betuigd.

XCJ Zulk een onderscheiding heeft in werkelijkheid nooit bestaan. 2 Van Kleffens. 2 juni I958. a Ministerraad: Notulen, 23 aug. I940. 4 Steenberghe, 1 nov.

EERSTE MAANDEN

Hij overwon zichzelf en schreef in het weekend een artikel- in warme en hartelijke bewoordingen waarin hij 'de vredelievendheid' van de koningin onderstreepte en zich 'overtuigd' noemde, 'dat (het moge dan zijn per visserspink of per modem verkeersmiddel) koningin Wilhelmina straks naar haar land zal terugkeren en daar door een juichende bevolking met de oude en toch ook weer nieuwe geestdrift zal worden ontvangen.' 2

XCVan Kleffens had nog op vrijdag het gesprek met de koningin aangevraagd. Het vond zaterdag plaats. De kabinetsdelegatie bestond uit hemzelf, Albarda en Welter. Zij wezen haar, zo vernam Hart nog diezelfde dag van Welter, 'op de ongewenstheid, speciaal tegenover de publieke opinie in Nederland, van het brengen van veranderingen in de regering door een ontslag van de Geer. Het bleek, dat de koningin niet alleen grieven had tegen de Geer in verband met het haar niet meedelen van zijn plan om naar Zwitserland te gaan, maar ook om zijn gebrek aan leiding en aanpassingsvermogen' 3 dat gebrek werd door de drie ministers toegegeven, maar was het dan niet mogelijk om niet verder te gaan dan tot vervanging van de Geer louter als voorzitter van de ministerraad, zodat hij zijn minister-portefeuilles (hij was behalve minister van financiën ook minister van algemene zaken) althans gedurende zekere tijd zou kunnen behouden? Vooral Welter bepleitte, dat men, zei hij, '[ortiter in re, sed suaviter in modo'4 zou optreden. 'Ik ken geen Latijns', antwoordde de koningin, 'maar ik weet wel een goed Nederlands spreekwoord: 'Zachte heelmeesters maken stinkende wonden.' ' 5 Zij zegde toe dat zij het verzoek der ministers zou overwegen.

XCOnmiddellijk na het gesprek deed van Kleffens nog eens schriftelijk, nl. in een brief die door Beelaerts naar haar verblijf meegenomen werd, een beroep op de koningin om de Geer niet volledig te laten vallen: kon deze niet als minister zonder portefeuille voorlopig aanblijven? Hij zou dan van zijn feitelijke invloed beroofd zijn, maar aan de buitenwereld zou het beeld van een kabinetscrisis bespaard blijven.

XCHet betoog maakte op de koningin geen indruk. Zondag ging de door(Londen),aug.De Geer zond zijn tekst op maandagaugustus in afschrift aan de koningin toe; hij vroeg of zij bezwaren had. De koningin stelde op schrift dat Beelaerts en van Tets moesten beoordelen, 'of de vredelievendheid ermee door kan' (zij vonden van wel). Er moest voorts een brief naar de Geer uitgaan. 'Ingeval', schreef de koningin, 'eraan toevoegen dar ik getroffen ben door de gevoelvolle woorden.' (Archief kab. der koningin).G.p.'Krachtig in de zaak, maar zacht in de wijze waarop.'Welter,nov.vanKleffens,febr.

1 31 1940. 2 26 3 H. C. IO!. 6 7 1955, 7 1956.

DE GEER WORDT TERZIJDE GESCHOVEN

van Tets ondertekende brief aan de Geer uit: de Geer had gevraagd, als minister van financiën te mogen aanblijven - neen:

XC'Hare Majesteit is na ampele overweging tot de conclusie gekomen dat 's lands belang zich onder de gegeven omstandigheden ook daartegen verzet en verzoekt Uwe Excellentie mitsdien morgen a.s. uw schriftelijk verzoek om ontslag uit uw ambt van minister ... te willen indienen. Nu de beslissingvan de koningin niet meer voor wijziging vatbaar is, ziet Hare Majesteit van het aanvankelijk op morgenochtend bepaalde onderhoud af. Hoogstdezelve vertrouwt dat u het op prijs zult stellen haar op deze wijze te vernemen.

XCHare Majesteit heeft mij opgedragen, u daarbij niet te verhelen, dat deze beslissing haar zeer zwaar gevallen is en zij de vele en belangrijke diensten die Uwe Excellentie den lande en haar gedurende zo vele jaren heeft bewezen, met grote erkentelijkheid en waardering blijft gedenken."

XCMet die brief verscheen de Geer maandagmiddag in de ministerraad hij deed er voorlezing van. De meeste ministers waren teleurgesteld, zelfs gegriefd, dat de koningin het haar door Albarda, van Kleffens en Welter overgebrachte advies naast zich neergelegd had. Allen, Gerbrandy incluis, waren van opinie dat het gehele kabinet diende af te treden. De Geer, aldus de notulen, 'bespreekt nu de vraag hoe hij zijn ontslagaanvraag zal motiveren. Het beste schijnt hem, gezondheidsredenen te vermelden. Besloten wordt, over de motivering, die bij de publikatie zal worden vermeld, in een volgende vergadering nogrnaals te beraadslagen en de gehele zaak volstrekt geheim te houden tot de kabinetswijzigingen volledig zijn tot stand gekomen' 2 die afspraak verhinderde Welter niet, diezelfde dag aan Hart 'in strikt vertrouwen' mee te delen dat de Geer zou heengaan en het gehele kabinet zijn portefeuilles ter beschikking gesteld had: 'dat is aanstonds geschied.' 3 Albarda had de ontslagaanvraag geschreven en alle ministers behalve de Geer (hij had een aparte brief geschreven) hadden er hun handtekening onder geplaatst.

XCNog op maandagavond werd Gerbrandy bij de koningin ontboden. Dat juist hij de nieuwe minister-president diende te worden, leed voor haar geen twijfel. Beelaerts was het daarmee niet eens geweest: hij had van Kleffens aanbevolen, waarbij wellicht twee van Beelaerts' overwegingen waren dat Gerbrandy weinig staatkundige ervaring had en dat hij in de praktijk een weinig soepele figuur kon blijken; Beelaerts vreesde in elk geval óók dat het Gerbrandy als meest militant lid van het kabinet moeilijk

XC1 Exemplaar van dezebrief: Enq., punten b, c, d, e, gestenc.bijl. 36. 2 Ministerraad: Notulen, 26 aug. 1940. 8 Het dagboek van dr. G. H. C. Hart, p.

EERSTE MAANDEN

zou vallen, een veel verdergaande breuk te voorkomen. De koningin deelde die beduchtheden niet - als Gerbrandy bereid was, als formateur op te treden, wilde zij hem geheel de vrije hand laten en als hij behalve de Geer ook andere ministers wenste te vervangen, was dat zijn goed recht. Zij wilde harerzijds Gerbrandy slechts drie voorwaarden stellen: van den Tempel, wiens strijdvaardigheid zij had leren waarderen, moest in het kabinet terugkeren, het kabinet moest een nieuwe regeringstaak aanvaarden en bekend maken: de voorbereiding van de materiële voorziening van Nederland na de bevrijding (het Z.g. naoorlogs relief daarop had van Lidth aangedrongen), en voor het nieuwe kabinet moest vaststaan dat het bij die bevrijding zou aftreden. Tegen die voorwaarden bleek Gerbrandy in een later stadium geen enkel bezwaar te hebben, maar hij zei die maandagavond neen op de uitnodiging van de koningin om als formateur op te treden. Beelaerts had hem's morgens gezegd, dat 'een formatie door de heer van Kleffens vlotter (zou) verlopen', maar die mogelijkheid sneed de koningin bij voorbaat af. 'Om half negen', aldus Gerbrandy in een kort nadien geschreven terugblik", 'ben ik bij H. M. Deze vraagt mij zonder verdere inleiding een opdracht te willen aanvaarden en voegt er terstond aan toe, dat zij niet de heer v. K. wil hebben, daarbij de nadruk leggend op het feit dat het van het grootste belang is hem. alleen aan B. Z., ook voor de toekomst. Hieraan worden andere redenen toegevoegd. 2 Ik: deel met de grootst mogelijke klem mijn bezwaren mee. Dit voor H. M. zichtbaar zeer teleurstellend verloop eindigt met verlof tot dinsdag half zes'

XCGerbrandy beloofde dus, er nog eens over te zullen nadenken. Hij had het er moeilijk mee. Vrij als hij was van eerzucht, vervuld ook van twijfel a~ zijn eigen capaciteiten voor die functie, begeerde hij niet, minister-president te worden. Bovendien meende hij dat 's lands belang vergde dat het bij de vervanging van de Geer zou blijven: het in augustus '39 gevormde kabinet was uitdrukking van de staarkundige wil van het Nederlandse volk en als nu bepaalde ambtgenoten niet bereid waren, zijn leiding te aanvaarden, wie moest hij dan als vervangers aantrekken? Nederlandse figuren uit het bedrijfsleven? Hij koesterde wantrouwen jegens de grote concerns.

XCDinsdagochtend en in het begin van de middag sprak Gerbrandy met van Boeyen, Dijxhoorn, van Kleffens. Steenberghe en Welter. 'Hun9

1 Gerbrandy's Terugblik (stuk z.d.) in archief min. pres., M 18 (a). 2 De koningin zag, zo vertelde Gerbrandy ons in '56, in van Kleffens niet de onwrikbare figuur die Nederland toen nodig had. (Gerbrandy, 22 juni 1956).

GERBRANDY WORDT PREMIER

ontvangst van een eventuele opdracht aan mij viel mij mee', schreef hij in zijn terugblik. Enthousiast was die ontvangst dus bepaald niet, Steenberghe zei dat hij verwacht (en blijkbaar gewenst) had dat van Kleffens de formatie zou krijgen - dat verwachtte ook Dijxhoorn, maar die sprak er niet over. Aan van Kleffens (aan wie Gerbrandy al enkele weken tevoren de positie van minister-president toegedacht had, toen hij o.m. met Beelaerts en van Boeyen vagelijk overwogen had, de koningin voor te stellen, een kabinet zonder defaitisten te vormen 1) vroeg Gerbrandy: 'Wil jijhet niet zijn?' 'Ik heb toen', aldus van Kleffens jegens de Enquêtecommissie, 'gezegd: 'Neen, zeker niet; ik heb mij nooit op het terrein van de binnenlandse politiek bewogen; ik wil mij niet gaan bewegen op een terrein dat het mijne niet is.' '2 Later in de middag zei Beelaerts tegen Gerbrandy, 'dat, als ik', aldus deze, 'maar goed duidelijk mijn niet-bereidheid aan H. M. te kennen gaf, de heer van Kleffens wel met de opdracht zou worden belast/"

XC'Met het besliste voornemen te verzoeken, niet met de opdracht te worden belast, werd ik', schreef Gerbrandy, 'door H. M. om. half zes ontvangen. Ik rapporteerde en deelde, zonder over de mededeling-Beelaerts te spreken, als mijn conclusie een krachtig gemotiveerd verzoek tot niet-opdracht aan H. M. mee. Tot mijn grote verrassing wilde echter H. M. daarvan niets weten en heeft H. M. op de meest stellige wijze aangedrongen, om niet te zeggen: mij onder allerhoogste druk geplaatst, toch9

1 Aan die episode refereerde Gerbrandy, toen hij in I946 in zijn officiële verslag in op pag. 39 schreef dat in het overleg dat aan de formatie van zijn kabinet voorafging, 'de gedachte van de formatie van een oorlogskabinet, waarin alleen zij zouden worden opgenomen, die volkomen de idee 'geen compromis ooit met Duitsland' aanhingen, een ogenblik ter sprake (was) geweest.' Men kan zich indenken dat dit denkbeeld, waarbij Gerbrandy de post van minister-president aan van Kleffens toegedacht had, inderdaad slechts 'een ogenblik' besproken is: hoe moest men het verwezenlijken? Maar besproken het, zij het eerder dan Gerbrandy vermeldde. Met zijn onjuiste datering (bij de formatie heeft hij namelijk de vorming van een kabinet van niet overwogen) bracht hij de Enquêtecommissie op een dwaalspoor en dat bleef deze volgen, ook toen hij, terzake door de commissie verhoord, zei dat 'de constructie ... injuni - juli '40 ter sprake kwam' (getuige Gerbrandy, dl. V c, p. 392). In elk geval is de conclusie van de commissie: 'Het ware ... voorzichtiger geweest, indien de auteur van het memorandum de onderhavige, op het eerste gezicht raadselachtige passage in de pen had gehouden' (a.v., dl. V a. p. I9), onjuist. Die conclusie is een van de vele voorbeelden van de animositeit tegen Gerbrandy welke vooral bij de betrokken voorzitter van de En quêtecommissie, mr. L. A. Donker, leefde. 2 Getuige van Kleffens, a.v., dl. II c, p. 301. 3 Gerbrandy's Terugblik.

EERSTE MAANDEN

de opdracht te aanvaarden. Het onderhoud duurde één uur en ik kon en mocht niet anders dan in elk geval mij beraad tot de volgende dag 12 uur vragen. Dat werd verleend onder dringend beroep op mij, het toch zeker te doen."!

XCNog op dinsdagavond pleegde Gerbrandy nieuwoverleg met van Boeyen, Sreenberghe en Welter, 'dezen vonden een afzien van de opdracht ontoelaatbaar. Dit werd ook mijn conclusie.' 2 Op het afgesproken tijdstip: woensdag 12 uur, was hij bij de koningin. Hij zei ja. 's Middags ontving hij in een brief, geadresseerd aan 'Zijne Excellentie Dr. P. S. Gerbrandi', schriftelijk opdracht tot vorming van 'een kabinet',"

XCVoordat Gerbrandy met zijn formatiewerk begon, zocht hij de Geer op, beleefdheidshalve. 'Ik zei hem', vertelde hij ons na de oorlog, 'dat ik een kabinet moest samenstellen. Hij zei: 'Zo, ben jijhet geworden? Dat had ik niet verwacht.' Toen, na een tijdje: 'Gerbrandy, heb je niet iets anders te vragen?' Ik: 'Nee.' Toen zei de Geer: 'Ik dacht dat je me een plaats in het kabinet kwam aanbieden.' Ik zei hem toen dat ik daar niet voor voelde. 'Dat is de grootste deceptie van mijn leven', was de Geers reactie"

XCkennelijk had deze aangenomen dat de koningin zich alsnog bereidverklaard had, hem als minister van fmanciën te accepteren. Hij ging in een brief aan de koningin d.d. 31 augustus bij haar in beroep tegen Gerbrandy's beslissing: kon zij, smeekte hij, niet zorgen dat hij zijn portefeuille behield? De koningin tekende op die brief aan: 'Hier kan en mag niet worden toegegeven W.'5 Zij liet de zaak verder aan Gerbrandy over.

XCIn welke volgorde deze zijn ambtgenoten benaderd heeft, weten wij niet en achten wij ook niet belangrijk, behoudens dan dat wij willen vermelden dat Bolkestein de eerste was die hij uitnodigde. 'Eindelijk krijgen wij iemand die oorlog voert', zei deze." Twee portefeuilles moesten 'nieuw' verdeeld worden: Financiën en Algemene Zaken; met Financiën zou zich voorlopig Welter, met Algemene Zaken van Boeyen belasten. Van Rhijn (minister van landbouwen visserij) 'was', aldus de formateur, 'zeer ontstemd over het feit dat de verantwoordelijkheid voor het relief-werk ... door mij bij minister Steenberghe werd gebracht.' 7 Op vrijdag 30 augustus had Gerbrandy zijn kabinet gereed. Er werd toen afgesproken dat van het heengaan van de Geer en van de kabinetswijziging pas na Koninginnedag (zaterdag 3 I augustus) mededeling zou worden gedaan.

1 A.v. I A.v.sExemplaar in Collectie-Bolkestein, II. 'Gerbrandy, 22 juni 1956. 5 Archiefkab. der koningin. 6 Gerbrandy, 12 jan. 1956. 1 Gerbrandy's Terugblik.

GERBRANDY WORDT PREMIER

XCEr vond die zaterdag in de Queen's Hall te Londen een bijeenkomst plaats die bedoeld was als een huldebetoon aan de vorstin op haar zestigste verjaardag. Zij was niet aanwezig (prins Bernhard, die enthousiast toegejuicht werd, vertegenwoordigde haar) - wel zat het gehele kabinet-de Geer in de zaal. 'Diep medelijden had ik die middag', schreef Bolkestein later, 'met de man, voor de talloze Nederlanders daar bijeen nog steeds de minister-president, maar die zelf, met enkele ingewijden, wist, dat het einde van zijn taak gekomen was.' 1

XCOp zondag stelde Gerbrandy een kabinetsprogramma op: een samenvatting van de punten die hij bij zijn formatie mondeling te berde had gebracht.ê Wij willen er slechts van vermelden dat er in stond, dat de regering met inzet van al haar krachten aan de oorlog zou deelnemen maar dat zij 'bij terugkeer in Nederland onvoorwaardelijk de portefeuilles ter beschikking stelt', en voorts dat punt e: 'Materiële zorg voor onze bevolking direct na de oorlog', op verzoek van van den Tempel gewijzigd was tot: 'Voorbereiding en organisatie van tijdens en direct na de oorlog aan onze bevolking te verlenen materiële hulp.'

XCEen dag later, maandag 2 september, berichtte Gerbrandy schriftelijk aan de koningin dat zijn formatie geslaagd was. Hij droeg de verschillende ministers voor (waarbij hij de namen van Bolkestein en Dijxhoorn verkeerd spelde) en kon daar spoedig het ontwerp-koninklijk besluit op laten volgen dat op woensdag 4 september gepubliceerd werd." Ter verklaring van de Geers heengaan werd daarin slechts gewezen op diens 'gezondheidstoestand' en die fIctie werd door van Boeyen volgehouden toen hij op zaterdagavond 7 september voor Radio Oranje (dat op de sde het regeringscommuniqué over de kabinetswijziging omgeroepen had) de Geer huldigde als 'de man aan wie van nature ingeschapen was, een eigen weg te gaan', man van 'onversaagdheid en onverzettelijke vasthoudendheid', 'een zeer bijzondere, zeer bekwame en onkreukbare figuur', 'hoogst begaafd', 'gaaf', 'wijs', begiftigd met 'de gave der zelfanalyse en der zelfkritiek' - het was alles in de situatie van het moment even overdreven als onwaarachtig.

XCEn ook riskant. Want zonder dat wij ons willen verdiepen in de vraag in hoeverre de Geer in de zomer van '40 de hem door van Boeyen toegeschreven eigenschappen nog bezat, op één punt had van Boeyen zonder twijfel gelijk: het was de Geer nog steeds 'van nature ingeschapen, een eigen weg te gaan', en met overschrijding van de voor dit hoofdstuk geldende tijdgrens willen wij hem nu op die weg volgen.

XC1 G. Bolkestein: 'Herinneringen en beschouwingen', p. 23. 2 Tekst: Enq., dl. II b, p. 237. 3 Tekst: a.v., p. 235.

De Geers 'desertie'

XC

XCWat te doen met de ontslagen minister-president?

XCFinancieel was met royaliteit voor hem gezorgd (krachtens een geheim koninklijk besluit van 28 augustus was hij in het genot gesteld van een wachtgeld van 85 % van zijn ministersalaris en bleef hij bovendien de voor ministers vastgestelde verblijfsvergoeding ontvangen), maar men wilde hem ook iets te doen geven, bij voorkeur buiten Engeland. Gerbrandy dacht aan een opdracht om in Nederlands-Indië (de Geer had er drie dochters wonen) te gaan onderzoeken of de belastingen ten bate van de Londense regering verhoogd konden worden. Daar werd door het kabinet wel voor gevoeld, maar de Geer zelf wilde liever eerst in Zwitserland een paar weken rust gaan nemen. Dat wekte argwaan. Op 9 september vroeg hij een visum voor Portugal aan; het werd hem door de Portugese legatie verleend maar hem werd tegelijk gezegd dat de Nederlandse legatie zijn aanvraag schriftelijk moest ondersteunen : de Portugezen wisten dat zulk een stuk nodig was om van het Engelse Passport-Office een exit-permit te krijgen - voor zulk een permit was binnen het Engelse bestel een verklaring van 'geen bezwaar' van MI 5 noodzakelijk.

XCDe Geer wendde zich tot Michiels, Michiels legde de zaak aan het kabinet voor, Gerbrandy besprak haar met de koningin en zij zei, 'het zeer ongewenst te achten dat jhr. de Geer eventueel naar Zwitserland gaat.'! Gerbrandy zond de Geer toen op 24 september een brief waarin stond dat de regering zijn aanvraag van een visum voor Portugal alleen kon ondersteunen, als hij met zijn verzoek 'uitsluitend de verkrijging van een visum voor doorreis naar Nederlands-Indië op het oog (had).'2 De Geer had toen al tweemaal rechtstreeks bij het Passport-Office om het exit-permit gevraagd; dat was hem beide malen geweigerd, zulks op advies van MI- 5 dat terzake contact had opgenomen met van 't Sant.

XCGerbrandy's brief kwetste de Geer diep. Hij wist dat een van zijn eigen arbeidscontractanten, H. ten Haven (de accountant die door Beyen uit Parijs meegenomen was), en het Tweede Kamer-lid mr. Schaepman begin augustus wèl een exit-permit gekregen hadden'' - nu werd dit hèm ont

XC1 Ministerraad: Notulen, 17 sept. 1940 (Enq., d). II b, p. 270). 2 Brief, 24 sept. 1940, van Gerbrandy aan de Geer (Collectie-Bolkestein, 13). 3 Waarom ten Haven naar Nederland wilde terugkeren, weten wij niet. Schaepman, het enige Kamerlid dat Engeland bereikt had, wenste terug te gaan om, zo verklaarde hij in '46 aan de justitie (nI. bij de voorbereiding van het proces-de Geer), 'weer temidden van mijn mensen in het noordoosten van Brabant te zijn die mij gekozen hebben tot lid der Tweede Kamer ... en nu in de narigheid zitten.' Dat was

DE GEER GEKWETST EERSTE MAANDEN

houden! Hij zag van een regeringsopdracht in Indië af; 'de jongste ervaring toont mij met nieuwe en ontstellende klaarheid', schreef hij aan Gerbrandy, 'dat de gelukte kabinetsformatie van 1939 de grootste mislukking van mijn leven is geweest." Namens het kabinet antwoordde Gerbrandy met een hoflelijke brief waarin 'de gaafheid' van de Geers karakter volkomen werd erkend, maar die overigens strak was: 'Er zalniets zijn, dat zij' (de regering) 'u weigeren zal, indien het verlangde haar slechts niet voorkomt te zijn in strijd met's lands belang.' 2 Inmiddels had gouverneur-generaal van Starkenborgh uit Batavia geseind dat hij geen behoefte had aan een onderzoek naar een eventuele verhoging van de Indische belastingen, en het gevolg was, dat toen de Geer medio oktober aan het kabinet deed weten dat hij bij nader inzien nu toch besloten had, 'een opdracht (voor Indië) te aanvaarden' 3, het noodzakelijk was, een nieuwe te formuleren. Die nieuwe opdracht, de 'tweede' (een onderzoek naar de fmanciële verhouding tussen Nederland en het gebiedsdeel Neder

één motief. Een tweede was, dat hij 'niet in dit gezelschap van ministers wilde blijven, daar dit milieu mij niet beviel.' (BRvC: dossier-de Geer, p.v., I3 juni I946, van Th. F. M. Schaepman, p. 2). Een van de redenen waarom het hem niet beviel, was dat het kabinet geweigerd had hem een voorschot uit te betalen op zijn bezoldiging als Kamerlid en hem slechts het gebruikelijke ondersteuningsbedrag voor vluchtelingen had willen uitkeren, 'terwijl de ministers', zo zei Schaepman enkele maanden later in Den Haag tegen Aalberse, 'zichzelf een verblijfsvergoeding van f 42 hadden toegekend!' (P.]. M. Aalberse: 'Dagboek', 22 febr. I94I). Schaepman had die ondersteuning geweigerd. Werk was hem niet aangeboden (hij was een-en-zestig). Hij had toen besloten, naar Nederland terug te keren, maar werd deswege door Gerbrandy (en van 't Sant) gewantrouwd; zij wilden hem geen laten geven. Tegen die beslissing ging Schaepman, vermoede lijk via Steenberghe en Welter, bij het kabinet in beroep en het slot van het lied was dat Gerbrandy onder protest een stnk tekende waarbij de Nederlandse regering verklaarde, tegen Schaepmans vertrek geen bezwaar te hebben. Jegens de Enquête commissie beweerde Schaepman dat hij aangeboden had, in Nederland een geheime verbinding te leggen maar dat Gerbrandy van dat aanbod geen gebruik had willen maken. Schaepman had op Gerbrandy, zo zei deze ons in '55, 'geen prettige indruk gemaakt' (Gerbrandy, I4 nov. I955). Schaepman en ten Haven vlogen begin augustus naar Lissabon en kregen aldaar begin oktober een voor bezet Nederland van de Duitse gezant. Er zijn nog enkele andere, tijdens de Meidagen toevallig in Engeland verblijvende Nederlanders geweest (o.m. een paar bollenkwekers) die in de zomer van '40 van de Engelsen verlof kregen, naar het Continent terug te keren. 1 Brief, 26 sept. I940, van de Geer aan Gerbrandy (Collectie-Bolkestein, I3). 2 Brief, 8 okt. I940, van Gerbrandy aan de Geer (a.v.). 3 Brief, I6 okt. I940, van de Geer aan Gerbrandy (a.v.).

lands-Indië, speciaal met het oog op de naoorlogse toestand), was, aldus later van den Tempel, 'min of meer gefingeerd ... Het was de onschuldigste wijze voor hem en het land om het kwaad zoveel mogelijk te keren'l - het kabinet wenste nu eenmaal dat de Geer uit Engeland verdween, men zag in hem, aldus Michiels, 'de grootste anti-propaganda voor Nederland.P Gorbrandy (die, zoals wij eerder weergaven, al begin augustus aangevoeld had dat de Geer naar bezet gebied wilde terugkeren) had tegen zijn vertrek wel bezwaren (de Geer zou, als hij eenmaal op doorreis naar Indië in Lissabon zat, aan alle controle ontsnapt zijn) en van 't Sant was fcl tegen de verstrekking van een exit-permit (wij nemen aan dat de koningin ook op dat standpunt stond), maar toen het kabinet eind oktober aan de Engelse autoriteiten deed weten, tegen die verstrekking geen bezwaar te hebben, was MI-5 machteloos.

XCOp 5 november vloog de Geer per KLM-toestel naar Lissabon. Hij was voor zijn reis naar Indië, dat hij via de Verenigde Staten zou bereiken, door de regering in het bezit gesteld van $ I 900. Een week na zijn vertrek vroeg Welter de koningin om machtiging tot het verlenen van de 'tweede' opdracht aan de Geer; zij verleende die machtiging (een weigering zou de Geer alleen maar stimuleren, naar Nederland te gaan) en op 28 november ondertekende Welter vervolgens het officiële stuk waarin aan de Geer opgedragen werd, zich voor zijn onderzoek 'op 's rijks kosten naar NederlandsIndië te begeven.' 3

XCTwee dagen later kwam in Londen een brief van de Geer binnen waarin stond dat hij voornemens was, niet naar Indië maar naar Nederland te gaan. Dus toch! De verontwaardiging was groot. Maar hoe de Geer te weerhouden? Spoedberaad tussen Gerbrandv, welter en van Kleffens leidde er toe dat Gerbrandy onmiddellijk een telegram naar de Geer zond 4 waarin groot bezwaar gemaakt werd tegen zijn voornemen en er op gewezen werd dat 'medewerking Nederlandse regering aan uw uitreisvisum uitsluitend verleend (was) voor doorreis naar Nederlands-Indië.' Zou de Geer nu zijn plan opgeven? Ieder betwijfelde het, en Gerbrandy liet voor alle zekerheid door Kasteel, die inmiddels zijn secretaris geworden was, een toespraak opstellen die, mocht de Geers vertrek naar Nederland wereldkundig worden, door Radio Oranje uitgezonden zou kunnen worden. Overigens stelde het kabinet zich nogal passief op. Het door Steenberghe op Ia december geopperde denkbeeld, een der ministers naar Portugal af te vaardigen teneinde

XCi 1 Getuige van den Tempel, Enq., dl. II c, p. 165. 2 Getuige Michiels, a.v., p. 672. 3 Welters besluit, 28 nov. 1940 (Gerbrandy: Enige hoofdpunten, p. II). 'Tekst: Enq., dl. II a, p.

DE GEER IN LISSABON

op de Geer pressie uit te oefenen, werd op advies van van Boeyen (die de Geer het beste kende) 'nutteloos' geacht", wèl werd besloten, Gerbrandy's telegram door een brief te laten volgen. Van Boeyen stelde deze namens het kabinet op; 'die scheen', aldus later van Kleffens. 'een soort van stijl te hebben, die geacht werd op de heer de Geer de meeste indruk te maken. Als dat niet lukte, zei men, lukt niets.' 2 Van Boeyen deed zijn best en in zijn door Gerbrandyen Albarda (als secretaris van het kabinet) op I2 december ondertekende brief" werd nadrukkelijk gewezen op het noodlottig effect dat de Geers terugkeer naar Nederland zou hebben en werd aan het slot de suggestie gedaan dat hij zou pogen, zijn echtgenote naar Portugal te doen komen, hetgeen 'de grote kwellende last die op uw schouders is gelegd, wat (zou) kunnen verlichten.' Uit die suggestie concludeerde de Geer terecht dat het kabinet niet insisteerde dat hij naar Indië ging en er vrede mee zou hebben als hij in Portugal bleef.

XCDat laatste was hij niet van plan. Hij nam in Lissabon contact op met de Duitse gezant en vroeg een Einreisevisum voor Nederland aan. Via het Auswärtige Amt werd dat verzoek aan het Reichskommissariat voorgelegd. Uiteraard beseften Seyss-Inquart en zijn Generalleommissare onmiddellijk dat het bericht: 'De vroegere minister-president is uit Londen naar Nederland teruggekeerd', propagandistisch uitgebuit kon worden, het Auswärtige Amt werd van die opinie in kennis gesteld en eind januari of begin februari '4I werd de Duitse gezant te Lissabon er van verwittigd dat hij de Geer het aangevraagde Einreisevisum kon verstrekken.

XCHet bezoek aan de officiële vertegenwoordiger van het land dat Nederland overvallen had, was, schijnt het, de Geer niet moeilijk gevallen. Hij gaf Engeland geen enkele kans de oorlog nog te winnen en Duitsland beschouwde hij nauwelijks meer als vijand: in de badplaats Estoril verhuisde hij midden januari naar zijn tweede hotel, het hotel Atlantica, waarvan algemeen bekend was dat het een 'Duits' hotel was; 'ten eerste', zo vertelde de Geer ons in '55, 'was de cuisine er beter, in de tweede plaats kwam er een beter gezelschap en in de derde plaats lag het mooier aan zee.' 4

XCWat hadden iruniddels de Nederlandse officiële vertegenwoordigers in Lissabon gedaan?

XCDe gezant, mr. J. G. Sillem, was een defaitist" - er kan van hem niet veel

1 Ministerraad: Notulen, 10 dec. 1940 (a.v., dl. II b, p. 270). 2 Getuige van Kleffens, a.v., dl. lIe, p. 302. 3 Tekst: a.v., dl. lIb, p. 275. 4 De Geer, 28 okt. 1955. 6 Sillem is korte tijd later door van Kleffens op non-activiteit gesteld, waar over meer in hoofdstuk 8.

EERSTE MAANDEN

pressie op de Geer zijn uitgegaan. Veel actiever was de 'tweede man' van de legatie, mr. F. C. A. baron van Pallandt, die zich zowel aan de gezant als aan de Geer groen en geel ergerde. Hij ging in samenwerking met de Britse geheime dienst na of men de Geer kon kidnappen en naar Engeland terugvoeren (terzake hadden, in Londen, Gerbrandyen van 't Sant contact opgenomen met MI-5), maar die operatie werd, gegeven de gevoeligheden van Portugal dat de Engelsen te vriend wilden houden, onaanvaardbaar riskant geacht.

XCAls zaakgelastigde optredend (Sillem was toen afwezig), had van Pallandt op 9 december op instructie van van Kleffens de Geer bezocht. 'Hij is zo koppig en verkalkt', rapporteerde hij een dag later, 'dat ik bang ben, dat zelfs een telegram van de ministerraad hem niet stoppen zal ... Mij lijkt de enige mogelijkheid dat H. M. persoonlijk ingrijpt en hem in krachtige termen verbiedt te reizen.' 1

XCDie suggestie werd niet gevolgd en toen medio januari uit de Geers antwoord (7 januari '41) op de door Gerbrandyen Albarda ondertekende brief van 12 december bleek dat hij nog steeds begeerde naar Nederland terug te keren ('ik ben voomemens (er) als een vergeten burger te Ieven'"), werd het eind januari voordat een tweede, weer door van Boeyen opgestelde en door Gerbrandyen Albarda ondertekende brief naar hem uitging.

XCDie brief was te laat: hij had de Geer nog niet bereikt toen deze op 3 februari Welter per brief berichtte dat hij op het punt stond te vertrekken, en evenmin toen hij op 4 februari in het Lujthal1sa-toestel stapte dat hem naar Berlijn bracht. Vandaar reisde hij per trein naar Den Haag, begeleid door Bene, de vertegenwoordiger van het Auswärtige Amt bij het Reichsleommissariat. Bene trachtte hem uit te horen, maar hij zweeg."

XC1 Brief, Ia dec. I940, van F. C. A. van Pallandt aan van Kleffens tBnq., dl. II b, p. 274). 2 Brief, 7 jan. I94I, van de Geer aan de ministerraad (a.v., p. 276). 3 Het bericht dat de Geer naar bezet Nederland teruggekeerd was, heeft daar wel korte tijd indruk gemaakt op de publieke opinie, maar men kan niet zeggen dat de Duitse propaganda er veel voordeel aan heeft ontleend. Zijn daad werd algemeen afgekeurd; al op de dag van zijn terugkeer, 7 februari, werd hij in onderlinge gesprekken aangeduid als 'Jonk de G', 'zonder 'heer' en zonder 'eer'.' (H. Mees: Mijn oorlogsdagboek, 10 mei 1940-8 mei 1945 (I94S), p. !IS). Wat hij gedaan had, werd door zijn echtgenote diep betreurd en hij werd zowel door voormannen en kader van de Christelijk-Historische Unie als in zijn kerk gemeden. Aan zijn in bezet gebied publiekelijk herhaalde toezegging dat hij 'als een vergeten burger (zou) leven', hield hij zich niet. In april '42 publiceerde hij met verlof van het 'foute' departement van volksvoorlichting en kunsten een brochure, De synthese in de oorlog, waarin hij wederom een vrede door overleg bepleitte; daarvan werden ca. 20 000 exemplaren verkocht. Twee

DE GEER NAAR NEDERLAND

XCHet nieuws van de Geers vertrek werd op 5 februari door een Amerikaans verslaggever uit Lissabon naar de Verenigde Staten geseind en nog diezelfde dag door een Amerikaans radiostation omgeroepen, Uiteraard moest nu het kabinet onmiddellijk in het publiek stelling nemen. Gerbrandy haalde Kasteels tekst te voorschijn en deze werd, ietwat bijgewerkt, op 6 februari als 'officiële verklaring''namens de Nederlandse regering te Londen' voor Radio Oranje door pelt als hoofd van de Regeringsvoorlichtingsdienst voorgelezen." Er werd eerst in herinnerd aan het aan de Geer verleend ontslag als minister. 'Dat de koningin hem', aldus de tekst, 'in september j.l. van de ministeriële verantwoordelijkheid ontheffing verleende, is een daad, waarvoor, zoals gij weet, naar goed Nederlands staatsrecht geen verantwoordingsplicht bestaat. De Kroon kan daarvoor uiteraard gronden hebben, die bekend zullen worden wanneer Zij dat nodig mocht oordelen in ,s lands belang.'

XCMeegedeeld werd verder dat de regering de Geer geholpen had, Engeland te verlaten terwille van' een opdracht die hem naar een der overzeese gebiedsdelen des rijks zou voeren'; het feit dat hij nu 'zonder andere waarschuwing dan een op de valreep verzonden brief aan een der leden van het kabinet' (de brief aan Welter d.d. 3 februari) 'de hem verleende opdracht neergelegd (had) en naar bezet Nederland (was) afgereisd', moest 'de regering zeer tot haar leedwezen bestempelen als een daad van desertie, die een zwarte vlek werpt op een leven, dat zij zo gaarne in waardigheid had zien eindigen.'

XC'Desertie' - het was een hard woord, maar het drukte precies uit waaraan de Geer zich schuldig gemaakt had, en het was als uiting van felle verontwaardiging de Nederlanders in de vrije wereld welkom. De koningin, die een ogenblik bevreesd was dat de Geer als 'de Nederlandse Quisling' zou optreden 2, duidde wat hij gedaan had, als 'zijn jongste schanddaad' aan.ê De meeste ministers daarentegen waren niet ingenomen met de scherpe tekstJ.

111 druk; voor de eerste weigerde Volksvoorlichting en Kunsten papier aan de uitgever en bij de tweede was de uitgever, die o.m. door mr. G. E. van Walsum erop gewezen was dat de Geers schrifturen niet bevorderlijk waren voor de goede geest in Nederland, niet langer bereid zijn medewerking te verlenen. 1 Tekst: dl. II 6, p. 179. 2 van den Tempel; 'Dagboek', 28 febr. 1941. • Aantekening op ecn telegram uit Indië z.d. (archief kab. der koningin).

EERSTE MAANDEN

die Gerbrandy had laten uitzenden en die hij aan geen van zijn ambtgenoten had voorgelegd - ambtgenoten overigens die blijkbaar geen van allen sinds 30 november '40, toen zij wisten wat de Geer van plan was, de vraag aan de orde gesteld hadden wat de regering diende te doen als de Geer zijn plan zou uitvoeren. Het kwam op 12 februari '41 in de ministerraad tot een geprikkelde discussie waarbij Gerbrandy, wat de procedure betrof, opmerkte dat de tijd ontbroken had andere ministers te raadplegen, en geen toezegging deed dat hij in spoedgevallen namens het kabinet af te leggen verklaringen eerst aan het college zou voorleggen; wat de inhoud aanging, zei hij dat juist de scherpe tekst 'veel kwaad gekeerd' had. Die tekst werd door Albarda, van Kleffens, Steenberghe, van den Tempel en Welter afgekeurd, zij het door de een wat sterker dan door de ander. Steenberghe maakte speciaal nog bezwaar tegen 'de vermelde stelling dat voor ontslag van een minister geen verantwoordingsplicht bestaat.' 1

XCAndere ministers deelden dat bezwaar van Steenberghe en wij nemen aan dat zij er, al zwijgen de notulen er over, ook iets over zegden. Wat terzake in de door Gerbrandy goedgekeurde verklaring stond, raakte inderdaad kant noch wal: het mocht dan waar zijn dat de koningin het initiatief genomen had om de Geer als minister-president en als minister heen te zenden en dat zij, ondanks de pressie die de grootst mogelijke meerderheid van het kabinet op haar uitgeoefend had, ook zijn heengaan als minister had doorgezet, maar voor die ingreep had Gerbrandy die het koninklijk besluit waarbij aan de Geer ontslag verleend werd, gecontrasigneerd had, de staatkundige verantwoordelijkheid aanvaard. Of meende hij in die tijd dat de koningin, los van en boven de ministerraad staande, het recht had, ministers die haar niet zinden, te ontslaan zonder opgaaf van redenen en zonder dat de ministeriële verantwoordelijkheid in het geding kwam? Dan werd artikel 79 van de Grondwet waarin sprake was van het 'naar welgevallen' benoemen en ontslaan van ministers volledig losgemaakt van artikel 55: 'De koning is onschendbaar; de ministers zijn verantwoordelijk.'

1 Ministerraad: Notulen, 12 febr. 1941 dl. II b, p. 270-71).

100 [PDF]

Hoofdstuk 2: Koningin en minister-president

XC

XCIn Londen zijn in de eerste maanden die wij in het voorafgaande hoofdstuk beschreven, drie beslissingen gevallen die bepalend zijn geweest voor hetgeen er in later tijd geschiedde:

XC1. Nederland zet met inzet van al zijn krachten de oorlog voort;

XC2. Londen blijft de zetel van de Nederlandse regering;

XC3. de Geer wordt uit het kabinet verwijderd en als minister-president door Gerbrandy vervangen.

XCDe eerste beslissing werd door koningin Wilhelmina almet duidelijkheid aangegeven in haar proclamatie van 14 mei welke, wat de ministers betrof, slechts door van Kleffens gezien was (hij had haar ontworpen), en bij die beslissing hebben de meeste ministers zich niet dan met aarzeling aangesloten; de tweede en de derde beslissing zijn persoonlijke beslissingen van de koningin geweest - bij de tweede had zij slechts de steun van een minderheid van het kabinet en bij de derde had zij, wat de onmiddellijke verwijdering van de Geer uit het kabinet betrof, alle ministers behalve Gerbrandy tegenover zich en wat de benoeming van deze tot minister-president aanging, had zij geen der overige ministers geraadpleegd. Gerbrandy had dus (het is door van den Tempel terecht ten overstaan van de Enquêtecommissie geconstateerd") zijn benoeming aan de gunst van de koningin te danken. 'Het laatste', zo voegde van den Tempel toe, 'heeft mijns inziens op den duur (het kon moeilijk anders) tot een verzwakking van de positie van de verantwoordelijke regering' (bedoeld wordt: het verantwoordelijk kabinet'') 'geleid."

XCVan den Tempels toevoeging is onjuist: 'op den duur' heeft het kabinet onder Gerbrandy's leiding zijn positie met betrekking tot de koningin juist weten te versterken en die positie is niet zwak geworden doordat Gerbrandy's benoeming een persoonlijke benoeming door de koningin geweest is, maar die positie was in Londen zwak, bij uitstek zwak, juist in de periode-de Geer, terwijl toch deze formateur volgens de normale regels van de parlementaire

1 Getuige van den Tempel, dJ. V c, p. 114. 2 In het spraakgebruik is het woord 'regering' vaak een synoniem van 'kabinet', maar wij willen er naar streven, alleen dan van 'regering' te spreken wanneer wij koningin èn kabinet op het oog hebben. 8 Getuige van den Tempel, dJ. V c, p. II4.

101 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

democratie, d.w.z. op grond van de aan de koningin in augustus '39 uitgebrachte adviezen, benoemd was en zijn kabinet op een solide meerderheid in de Staten-Generaal berustte.

XCAchteraf lijken de drie beslissingen die wij noemden (beslissingen die Nederlands aandeel aan de oorlogvoering en dus ook zijn naoorlogse positie ten goede gekomen zijn), vanzelfsprekend. In werkelijkheid waren zij dat in die onzekere, ja hachelijke maanden waarin zij genomen werden, allerminst - maanden waarin de Europese beschaving en de toekomst van een onafhankelijk en democratisch Nederland op het spel stonden. Het is de verdienste van de koningin, niet van het kabinet, geweest dat het tot deze beslissingen kwam. Waren van meet af aan alle of ook maar veruit de meeste leden van het kabinet-de Geer bezield geweest van de overtuiging van de koningin: dat een strijd op leven en dood gevoerd werd, en had in hen eenzelfde vuur van strijdbaarheid gebrand, dan zou er tussen koningin en kabinet eensgezindheid hebben geheerst. Deze was in werkelijkheid ver te zoeken en wanneer men constateert dat, als gevolg daarvan, het feitelijk aandeel van de koningin aan het regeringsbeleid wezenlijk groter was dan het in de voorafgaande twee-en-veertig jaren van haar bewind ooit was geweest, ja dat het een bepalend karakter aangenomen had, dan ligt voor deze situatie niet alleen de staatsrechtelijke maar ook de historische verantwoordelijkheid bij het kabinet en in de eerste plaats bij de Geer: niemand heeft er meer toe bijgedragen dan hij dat de koningin aan het roer van het schip van staat kwam te staan.

XCDat laatste was geheel in overeenstemming met haar diepste verlangens.

XCToen wij met deelvan ons werk, Neutraal, de periode genaderd waren waarin de tweede wereldoorlog uitgebroken was, hebben wij het eerste hoofdstuk van dat deel aan koningin Wilhelmina gewijd en daarin uit het bewogen leven van de in r880 geboren vorstin de elementen naar voren gehaald die, naar ons oordeel, haar handelen in de tweede wereldoorlog konden verklaren. In dat hoofdstuk onderstreepten wij enerzijds dat Wilhelmina zichzelf van jongsaf zag als de geboren leidster van het Nederlandse volk, verantwoordelijk voor het wel en wee van dat volk jegens de groten onder haar voorouders, jegens haar geweten en jegens haar God met wie zij zich, buiten alle kerkelijke bindingen om, als het ware rechtstreeks verbonden voelde - en anderzijds dat de wijze waarop zich in ons land in de

2

Indextermen: Gerbraody, P. S.
102 [PDF]
DE KONINGIN VÓÓR MEI' 40

negentiende eeuw de verhoudingen tussen koning en kabinet ontwikkeld hadden, haar nauwelijks ruimte gelaten had om dat leiderschap feitelijk uit te oefenen. Wij herinnerden aan de formulering van Walter Bagehot volgens wie de drager of draagster van de kroon in een constitutionele monarchie drie rechten bezit: het recht om aan te moedigen, het recht om te waarschuwen en het recht om geraadpleegd te worden; dat derde recht, grondslag van de eerste twee, noemden wij het belangrijkste, en wij wezen er toen op dat juist dat recht ten onzent heel onvolkomen toegepast was. Dat had hoofdzakelijk te maken gehad met de onophoudelijke reeks van conflicten tussen Wilhelmina's vader, koning Willem III, en de liberale en liberaal-conservatieve kabinetten in de tweede helft van de negentiende eeuw. Gevolg van die conflicten was geweest dat de koning die het niet kon verkroppen dat zijn macht slechts een schaduw was van die welke vooral koning Willem I nagenoeg gedurende zijn gehele regering uitgeoefend had, nauwelijks inlichtingen kreeg over het beleid dat zijn ministers het meest wenselijk oordeelden. Hij voelde zich gedenatureerd tot een machine voor het zetten van handtekeningen onder wetten en koninklijke besluiten; van op vertrouwen gebaseerde samenwerking tussen de ministers en de koning was geen sprake. Een wezenlijk symptoom daarvan was dat de notulen van de kabinetsvergaderingen die nu eenmaal krachtens gebruik aan de koning voorgelegd werden, verschraalden tot een korte opsomming van de minst belangrijke besluiten.

XCSlechts één van de meer dan twintig kabinetten waarmee koningin Wilhelmina heeft moeten samenwerken, is door haar in haar autobiografie Eenzaam maar niet alleen gunstig beoordeeld: het kabinet-Cort van der Linden tijdens de eerste wereldoorlog. Deze minister-president, die wist dat de koningin een heldere kijk had zowel op vele internationale als op militaire vraagstukken, besprak nagenoeg dagelijks met haar de vaak delicate problemen die uit de handhaving der Nederlandse neutraliteit voortvloeiden; dat voorbeeld vond evenwel geen navolging en dat kan samengehangen hebben met het feit dat de koningin, zoals wij in het genoemde hoofdstuk in deel z beschreven, in '18 óók met het kabinet-Cort van der Linden overhoop was komen te liggen. Ze was, als koningin, veeleisend en lastig; ze was en bleef vervuld van het wantrouwen jegens ministers dat haar moeder als regentes (1890-'98) haar al bijgebracht had, zij had zich, nauwelijks koningin geworden, vast voorgenomen om, werden haar ontwerp-koninklijke besluiten of wetsontwerpen voorgelegd die haar strijdig leken met het nationaal belang, zo hardnekkig mogelijk op wijziging of intrekking aan te dringen, daarbij overigens beseffend dat er een grens was aan dat verzet: Oranje, boven de partijen staande, mocht nooit inzet worden van de poli

103 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

tieke strijd en inlaatste instantie moest zij dus, Walmeer een minister die van de steun van het parlement zeker was, volhield, haar verzet opgeven. Het gebeurde vóór '40 niet zo vaak dat een conflict zo hoog opliep, maar geen 'nederlaag' vergaf zij ooit aan degeen die hem haar toegebracht had; ze was nu eenmaal, zo zei zij na haar abdicatie ('48) tegen haar toenmalige secretaris Thijs Booy, 'een pasja', en toen deze haar vroeg wat ze daar precies mee bedoelde, antwoordde zij: 'Een grote baas, meneer. Iemand die altijd het laatste woord en altijd zijn zin wil hebben."

XCBij dat alIes kwam dan nog dat zij vooral in de jaren' 30 menen mocht, een veel scherper inzicht te hebben in de gevaren die Nederland gingen bedreigen, dan de ministers. Het werd haar vaste overtuiging dat het land in wezenlijke opzichten met weinig verbeeldingskracht, en dus slecht, bestuurd werd. Was de massale werkloosheid haar al een gruwel (het wilde er bij haar niet in dat daar geen oplossing voor gevonden kon worden), de verwaarlozing Vall de defensie werd haar een nachtmerrie. Onophoudelijk drong zij op versterking van het militaire apparaat aan, Zij voorzag de tweede wereldoorlog, zij voorzag óók de Duitse invasie waartoe het op 10 mei' 40 kwam. Drie dagen later stond zij in Engeland als verdrevene, als balling, als vorstin die van haar volk gescheiden was.

XCEerder herinnerden wij er aan dat het vertrek van de koningin uit Den Haag plaatsgevonden heeft zonder overleg met, laat staan goedkeuring door het kabinet. In haar visie representeerde niet dat kabinet de continuïteit van de Nederlandse staat - zij deed dat, zij alléén. en dat zij zo spoedig, zo smadelijk spoedig, haar land had moeten verlaten, nam zij de verantwoordelijke ministers kwalijk. Hoe onvoldoende waren dezen op ,s lands veiligheid bedacht geweest! Hoe vaak had, om slechts dat ene te noemen, majoor Sas uit Berlijn gewaarschuwd! Zij wenste nu precies te weten wat de inhoud van zijn waarschuwingen geweest was, en zijn mededelingen daaromtrent (hij werd na aankomst in Engeland onmiddellijk 'in een lange audiëntie ontvangen' en moest 'herhaaldelijk . . . terugkomen om nogmaals zekere details te herhalen'ê) waren evenveel kerven aan de balk van het kabinet. Dat de Geer als voorzitter diende te verdwijnen, stond (aldus de veronderstelling die wij eerder uitten) al eind mei voor haar vast, tenzij hij natuurlijk zijn gehele houding in gunstige zin wijzigde. Het tegendeel was het geval. In Gerbrandy vond zij de bondgenoot die zij nodig had: men mag wel stellen dat de koningin en hij samen de Geer opzij geschoven hebben-nadienJ.10

1 Th. Booy: (1965), p. G. SasJr.: 'Het begon in mei 1940' II, 31 okt. 1953, p. 10.

104 [PDF]
KERSTMIS' 40

was de koningin, niet zonder diep wantrouwen jegens de 'defaitisten', bereid, Gerbrandy's pleeg a fair chance te geven. Zij onderstreepte dat door op 23 december '40 alle ministers naar Eaton Square uit te nodigen voor de viering van het Kerstfeest - prins Bernhard, Beelaerts, van Tets en van Lidth waren daar ook aanwezig en in een korte toespraak die de koningin hield 1, onderstreepte zij dat de prins en zij zich bewust waren dat de ministers het in het persoonlijke vlak zwaarder hadden dan 'mijn schoonzoon en ik ... (Wij) hebben het voorrecht vrij te kunnen schrijven en hen die wij liefhebben, veilig te weten in een gastvrij, vriendschappelijk land - hoeveel moeilijker nog heeft u het allen.' Er heerste bij die Kerstviering, aldus later van den Tempel, man van grote huiselijkheid (hij had zijn ambtgenoten op Ia december, in de eerste vergadering van de ministerraad na Sinterklaas, op een banketletter getracteerd), 'een allergenoegelijkste stemming van verbondenheid ... , welke de harten verwarmde.' 2 Nu, dat genoegen was bij Welter niet onverdeeld, want toen alle ministers een klein Kerstgeschenk van de vorstin kregen, ontging het hem niet dat het zijne 'een prul' was; 'ik kan wel zien dat ik uit de gratie ben', zei hij tegen Bolkestein. 3 Omgekeerd kregen Gerbrandyen van den Tempel het fraaiste geschenk: een actetas; 'wij staan in de pas', zei Gerbrandy tegen de tweede gelukkige."

XCMet Kerstmis' 41 werden de geschenken van de koningin bij de ministers aan huis bezorgd, zij het nog wel met een kaartje er bij dat haar handtekening droeg; in '42 en volgende jaren liet zij het bewijzen van die attentie aan prins Bernhard over. "Kleinigheden', zal menigeen zeggen of denken', schreef Bolkestein later, 'maar toch typerend. Typerend voor de toenemende persoonlijke afstand tussen koningin en ministers. Het menselijke verdween; alleen het zakelijke bleef, voorzover dit onvermijdelijk was.' 5

XCIn dat zakelijke vlak hadden zich (men denke aan de drie beslissingen welker betekenis wij onderstreepten) van meet af aan conflicten voorgedaan. Maar hoe anders was de situatie waarin zij opgelost moesten worden, vergeleken met die welke vóór de Duitse inval bestaan had! Er was geen parlement

1 Exemplaar in Collectie-Bolkestein, 16. 2 Van den Tempel: in p. 55. • Bolkestein, 19 okt. 1955. • Van den Tempel: 'Dagboek', p. 41. • Bolke stein: 'Herinneringen en beschouwingen', p. 26.

105 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT WEDERZIJDS VETO

Imeer en de publieke opinie in bezet gebied kon zich niet manifesteren. Tevoren hadden, bij conflicten, de krachtsverhoudingen in het parlement als factor op de achtergrond steeds de doorslag gegeven - die factor was weggevallen. Niet weggevallen was de situatie waarbij de regering als zodanig slechts handelen kon wanneer er wilsovereenstemming was tussen kabinet en koningin: de koningin kon, althans wat het naar buiten blijkend optreden der regering betrof, niet handelen zonder ministerieel contraseign en dat gaf de ministers, wanneer zij bepaalde maatregelen voorstelde die slechts bij wetsbesluit of koninklijk besluit genomen konden worden, de gelegenheid, 'neen' te zeggen - anderzijds was zij in de gelegenheid, 'neen' te zeggen wanneer een minister of verschillende ministers of zelfs het gehele kabinet een bepaald wetsbesluit of koninklijk besluit wenselijk achtten: zij kon haar handtekening weigeren. Een machtig wapen ! Van de betekenis ervan was zij zich ten volle bewust. In de eerste maanden van '44 placht zij enige vooraanstaande Engelandvaarders te raadplegen met het oog op enkele concept-wetsbesluiten welke op de periode onmiddellijk na de bevrijding betrekking hadden; welnu, met betrekking tot, zo noteerde een dier Engelandvaarders in zijn dagboek, 'een wetsontwerp van ingrijpende betekenis' (wij weten niet, welk ontwerp-besluit bedoeld is) 'waarbij de ministers geweldig aandringen op afdoening harerzijds', zei zij in april '44: 'Ik teken dat ding niet, ik wens mijn naam niet onder zoveel onzin te zetten, daar acht ik hem. nog te goed voor!' Daar voegde zij aan toe: 'Het is wèl een voordeel, dat ik alles eerst moet tekenen - dit is voor mij een zeer nuttig wapen!'l Kabinet en koningin hadden dus, zou men kunnen zeggen, een wederzijdse veto-mogelijkheid: wederzijds konden zij elk initiatief smoren. Wat waren de consequenties? Voor de koningin gene: abdicatie achtte zij in strijd met het hoogste landsbelang en daarmee heeft zij dan ook nooit gedreigd. Ministers daarentegen konden aftreden, wetend dat zij door anderen vervangen zouden worden. Zij konden evenwel dat aftreden niet publiekelijk toelichten, bevorderden door dat aftreden het tegendeel van wat zij trachtten te bereiken, en beseften bovendien dat de bevolking in bezet gebied wenste dat het kabinet in Londen een beeld van ongebroken eendracht zou vormen. 'Dus', zo schreef van den Tempel, 'wanneer men zich op een gegeven moment aan de verantwoordelijkheid onttrok, betekende dat dat men, waarschijnlijk tegen de volkswil in, de zaken van het land overliet aan anderen en zijn beginselen niet meer ... kon doen gelden."'Ik heb het', aldus mr. J. A. W. Burger die in augustus '43 in het kabinet 1 eh. H. J. F. van Houten: 'Dagboek', 25 april 1944. 2 Getuige van den Tempel, Enq., dl. II c, p. 16}.

106 [PDF]

opgenomen werd, 'altijd aldus bekeken: nu er geen parlement is, nu er geen instantie van de bevolking is, waar men zijn politiek kan voordragen en voorleggen ter beoordeling, kan men niet weggaan, of het moet volstrekt onhoudbaar zijn geworden.'! Niet alle ministers dachten er zo over. Bolkestein bijvoorbeeld kon zich, zo verklaarde hij aan de Enquêtecommissie, 'altijd schikken ... in de opvatting die Hare Majesteit had, dat bij het wegvallen van de Staten-Generaal zij" optrad als vertegenwoordigster van het Nederlandse volk, aan wie de ministerraad of de ministers afzonderlijk verantwoording hadden af te leggen. Dat is natuurlijk zuiver Nederlands genomen inconstitutioneel, maar dat was in die dagen en die plaats,naar mijn opvatting, niet onredelijk."

XCBij die opvatting werd de koningin dus boven het kabinet geplaatst en dat was, althans in '40-'41, bepaald ook de opvatting van Gerbrandy. Injuli '41, toen hij na het ontslag van Dijxhoom trachtte te bereiken (geheel conform de wensen van de koningin) dat hij als minister-president méér bevoegdheden zou krijgen dan de overige ministers, stelde van den Tempel in de ministerraad de vraag: 'Wie vertegenwoordigen hier het Nederlandse volk?' Zelf gaf hij meteen het antwoord: 'Koningin en kabinet. Nu bestaat er', zo vervolgde hij blijkens de notulen, 'op het ogenblik nog een raad van ministers; dit kan men niet negéren. Wensen koningin en formateur toch hun weg te gaan, dan mag dit niet geschieden zonder wat als representatie voor het Nederlandse volk nog geldt, hierin te kermen: dat is dus de bestaande regering' (bedoeld wordt: het bestaande kabinet). Gerbrandy was het daarmee evenwel niet eens: hij 'brengt hiertegen in dat de koningin hier de representatie is van het Nederlandse volk.P

XCToen wij deze belangrijke uitspraak (dubbel belangrijk omdat hij door de minister-president gedaan was) in '59 aan Gerbrandy voorlegden, zei deze: 'Dit staat in de notulen wel wat kort. Ik bedoelde dit: de koningin was blijvend, wij tijdelijk. Er waren collega's die hun eigen betekenis overschatten en die dachten dat het volk naar hun terugkeer zat uit te kijken'? - woord voor woord juist, maar als uitleg van hetgeen in de kabinetsnotulen staat, onbevredigend. In werkelijkheid drukte dat ene zinnetje uit hoe ook Gerbrandy in '40-'41 de koningin zag. Toen was er tussen hen beiden overeenstemming van denken, niet alleen wat de oorlogvoering betrof, maar ook ten aanzien van de wenselijkheid dat de koningin in een bevrijd, 'vernieuwd' Nederland op de post moest blijven staan die zij in de zomer van '40 in Londen ingenomen had: aan het roer van het schip van staat.

XC1 Getuige Burger, a.v., dl. V c, p. 137. 2 Getuige Bolkestcin, a.v., p. 250. 3 Ministerraad: Notulen, 8 juli 1941. 4 Gerbrandy, 14 okt.

107 [PDF]

Wilhelmino"

XC

XCIn juni '40 had de koningin, zo schreven wij in hoofdstuk I, haar intrek genomen in een huisje in het zuidwesten van Londen, in Roehampton bij Richmond Park. In zijn eenvoud was het haar welkom: zij hield niet van paleizen en wenste bovendien, terwijl haar volk aan ontberingen blootgesteld zou worden, zo simpelmogelijk te leven. Toen Londen van begin september af zwaar door de Luftwaffe gebombardeerd werd, verhuisde zij na enige tijd naar het landhuis Stubbings House dicht bij Maidenhead (zie kaart I op pag. 35); het huis op Eaton Square werd in '41 verlaten en zij kreeg toen nieuwe werkvertrekken in een kleiner huis op Chester Square. Daar en in Stubbings House werd zij bewaakt door marechaussees die in ploegen dienst deden. Prins Bernhard, die een flat in Londen had, was vaak in Stubbings House bij haar. Er woonden voorts een Engelse detective, haar 'secretaris' (en thesaurier) van 't Sant en één hofdame, mevrouw L. Verbrugge van's Gravendeel geboren baronesse Prisse, een Belgische van afkomst, die een toonbeeld was van warmte en menselijk begrip - begrip óók voor de vaak heftige emoties van de koningin welke het samenzijn met haar soms buitengewoon moeilijk maakten. Na enige tijd aanvaardde de koningin (zij had dat eerst geweigerd) dat haar uit de schatkist per week een bedrag van £ 300 uitbetaald zou worden (per jaar niet veel meer dan een tiende van de EI mln waar zij recht op had) - dat bedrag werd in januari '42 verhoogd tot bijna f 20000 per week (f I mln per jaar) en toen vond ook een nabetaling plaats": al die gelden alsook haar vermogen werden door van 't Sant zuinig beheerd." Het leven op Stubbings House was eenvoudig. 'De koningin', zo vertelde van 't Sant ons in '56,

XC1 Een eerste samenvattend beeld van het beleid van de koningin in Londen gaf ik in ,66 in mijn voordracht voor de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Koningin Wilhelmina in Londen; hij is in datjaar gepubliceerd in de Mededelingen van de Afdeling Letteren, Nieuwe reeks, dl. 29 (no. 2) en herdrukt in mijn bundel Tussentijds. Historische studies (1977). Ik had, toen ik die voordracht hield, in februarimaart ' 57 drie lange gesprekken met koningin (toen: prinses) Wilhelmina kunnen voeren waarin zij openhartig antwoord gegeven had op alle vragen die ik haar van de kennis uit die ik toen bezat, stellen kon. Vervolgens kreeg ik met haar goedvinden en met goedvinden van koninginJuliana en de toenmalige minister-president, dr. W. Drees, toegang tot haar stukken, bewaard in het archief van het kabinet der koningin. Voor al deze medewerking wil ik ook hier mijn grote erkentelijkheid betuigen. 2 Hetzelfde gold voor de bedragen waar prinses Juliana en prins Bernhard recht op hadden, resp. f 400 000 en f 200 000 per jaar; daarvan werd evenwel slechts een gedeelte uitbetaald: onder het hoofd 'Huis der Koningin' werden jaarlijks slechts uitgaven gebracht tot een totaal van ca. f I 400 000. 3 Hetgeen aldus gespaard werd, heeft de koningin na de bevrijding goeddeels weggeschonken.

108 [PDF]
SOBER BESTAAN

'had een strikt verbod uitgevaardigd, ook maar iets 'zwart' te kopen. Wij moesten uitkomen van de gewone rantsoenen. Wij hadden op Stubbings House twee koeien, maar hadden dan ook onze melkkaart moeten inleveren. De melk die overbleef, ging naar een schoenmaker in de buurt die tbc had. De koningin en de prins hadden verder ieder zes kippen, maar kregen dan ook weer geen eieren op de bon. Waren er eieren over, dan gingen die naar een oud vrouwtje in Londen."

XCBegin februari '44 verhuisde de koningin om gezondheidsredenen naar Laneswood, een klein landhuis in Mortimer bij Reading; ze had in Maidenhead, aan de Theems, nogal last gehad van het vele vocht in de atmosfeer, Mortimer lag hoger. 'De omgeving', aldus later mej. mr. M. A. Tellegen (de eerste naoorlogse directeur van het kabinet der koningin), 'was heel mooi en trof mij als bijzonder 'Hollands': hei met dennetjes. Het was net of je op de Veluwe was." Op 20 februari '44 werd Laneswood (er lag een munitiefabriek in de buurt) bijna door een Duitse vliegtuigbom getrofienê - twee marechaussees verloren toen het leven. De koningin trok toen weer naar Stubbings House dat leeg was blijven staan en daar bleef zij tot zij zich in april '45 bij Breda kon vestigen.

XCIn de bijna vijf jaar die zij in Engeland doorbracht, leefde de koningin dag in, dag uit met het gelaat gekeerd naar de delen van haar koninkrijk: naar (zo ging zij het noemen) 'Groter-Nederland onder de keerkringen', t.w. de West waaruit elk teken van belangstelling haar welkom was", en Nederlands-Indië - in de eerste plaats evenwel naar Nederland in Europa,

'F. van 't Sant, 2 okt. 1956. 2 M. A. Tellegen, 18 dec. 1957. 8 'De eerste en sterkste reactie die ik' zo vertelde Gerbrandy ons in ' 59, 'van haar op die bom hoorde, was eigenlijk verbazing dat een bom het gewaagd had, haar, de koningin, bijna te raken. Dat was immers in strijd met Gods plan.' (Gerbrandy, 23 febr. 1959). 'Zij was er', aldus Booy, 'van overtuigd dat de luchtaanval op haar huis ... geen toeval was, maar een poging van de vijand om haar uit de weg te ruimen.' (Th. Booy: p. 282) In mei '41 kwam op haar schrijftafel de volgende notitie van van Tets te liggen: 'Uit Curaçao is een bedrag van 3 pond ontvangen met verzoek daarvoor bloemen te kopen en die aan Uwe Majesteit aan te bieden met de volgende boodschap: 'Wil op Moederdag eerbiedige bewijzen vanliefde en aanhankelijkheid aanvaarden. Vrouwenorganisaties Curaçao.' Wenst Uwe Majesteit die aan te kopen bloemen te ontvangen of voelt Zij er mogelijk iets voor om aan de schenksters vriendelijk dank te doen betuigen voor hun bloemenhulde, maar het bedrag ter beschikking te stellen bijvoorbeeld van de heer van Lidth' (voorzitter van het Londense Rode Kruis). Onder die notitie schreef de koningin: 'ja, ik vind het juister, de wens der schenksters te vervullen. Wilt u mij de bloemen doen toekomen te zijner tijd. W' (archief kab, der koningin) Een kleinigheid, wij erkennen het - maar een voorbeeld van zuiver aanvoelen.

109 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

het bezette vaderland. In gedachten was zij voortdurend 'thuis'. Zij eiste van zichzelf dat zij geen uur dat voor werk in aanmerking kwam, ongebruikt liet voorbijgaan, zij eiste dat ook van anderen; het minste wat vrouwen dan konden doen, was onafgebroken sokken breien voor de militairen en zeelieden. Alle vormen van nood die in bezet gebied geleden werden, troffen haar diep, vooral oak doordat zij zo machteloos was om die nood te keren of te lenigen. Bij elk bericht omtrent het fusilleren van illegale werkers, stelde zij zich voor dat hun laatste gedachten mede bij háár verwijld hadden en dat (menigmaal is dat ook in werkelijkheid gebeurd) 'Leve de koningin l' hun laatste woorden waren geweest. Dat schiep een ontzaglijke verplichting. Elk illegaal blad, elk illegaal rapport dat haar bereikte, was haar heilig: een tastbaar bewijs dat leden van haar volk hun leven veil hadden voor de bevrijding. Dat besef en de angst voor wat bezetting en oorlog nog aan rampspoed zouden kunnen brengen, gingen met innerlijke spanningen gepaard die zij tot geen prijs aan de buitenwereld wilde tonen en ook binnenskamers wenste te beheersen. 'Het ontzettende verdriet over wat er met onze mensen thuis gebeurde, mocht mij', zo vertelde zij later aan Booy, 'niet de baas worden, want dan zou ik niet sterk meer zijn terwille van die mensen. Het vroeg veel om me niet aan de ontroering prijs te geven, want ik trok mij alle berichten van de ellende erg aan. Ik voelde mij bij alleswat in het vaderland gebeurde, betrokken. Ik moest alsmaar denken: arm, arm volk van mij en ik zo weinig voor je doen ... '1

XCUit haar geloof putte zij dan telkens opnieuw kracht. Christus, zo voelde zij het, stond haar terzijde terwijl zij volhield, reikhalzend uitziend naar de bevrijding, uitziend niet eens van dag tot dag maar, schrijft Bolkestein, 'van uur tot uur'."

XCZij had in de eerste helft van de oorlog de neiging, die bevrijding spoedig te verwachten, waarbij zij zich vastklampte aan de mogelijkheid van een plotselinge Duitse ineenstorting. In februari '41, kort na de eerste Britse overwinningen in Noord-Afrika, nam zij van Welter die met van Kleffens een lange reis naar Indië zou maken, afscheid met de woorden: 'Tot weerziens in Holland, in juni." In mei van dat jaar zag zij in de 'vlucht' van Rudolf Hess, zo seinde zij verheugd aan haar dochter, 'het inluiden van het laatste bedrijf Een spoedige ineenstorting is mogelijk, het is echter

1 Th. Booy: in (1963), p. 72. 2 Bolkestein: 'Herinneringen en beschouwingen', p. 31. 3 G. H. C. p. 259.

110 [PDF]
'ARM, ARM VOLK VAN MI;'

waarschijnlijker dat de huidige machthebbers zich nog voor enige tijd zullen weten te handhaven. Ben evenwel hoopvol gestemd.'! In augustus (Hitler had inmiddels de invasie van de Sowjet-Unie ingezet) vroeg zij een van de Nederlandse militaire artsen om advies hoe zij zich bij haar terugkeer persoonlijk tegen besmetting (zij had daar een grote angst voor) moest beschermen. In de eerste dagen van '42 zei zij tegen Steenberghe' s opvolger P. A. Kerstens die, uit Indië komend, in het kabinet opgenomen was: 'En ik had zó gehoopt, met Kerstmis '4I thuis te zijn! Maar dan zal het in elk geval wel de volgende Kerstmis zijn.' Kerstens: 'Majesteit, ik teken er voor als het in '44 zo is.' De koningin: 'U lijkt Churchill wel!' Kerstens: 'Dat vind ik een compliment.' De koningin: 'Zo was het niet bedoeld."

XCNa het eindeloos lijkende jaar '42 werd zij, al had dan ook het einde van dat jaar 'de grote ommekeer' gebracht (Alamein, Stalingrad), in '43 en '44 nerveus en verdrietig. Zij pleegde roofbouw op haar krachten, ze slikte veel pervitine. Soms maakte zij op bezoekers een uitgesproken overspannen indruk - artsen onder de Engelandvaarders schreven haar daar wel eens bezorgde brieven over. Zij leed onder de duur van de oorlog die (zo kwam het de bevolking in bezet gebied óók voor) wel eindeloos leek - en toch: ééns zou de bevrijding daar zijn! Voor de radiotoespraak die zij dán zou houden, begon zij in de vroege zomer van '44, vermoedelijk kort na D-Day (6 juni '44), de eerste ontwerpen te maken. 'Mannen en vrouwen van Nederland', aldus de aanhef, 'onze taal kent geen woorden voor de blijdschap van dit ogenblik. Ons volk, vertrapt, gefolterd, nog bloedend uit vers geslagen wonden, is vrij, is vrij, is vrij !'3 Het was als een kreet, recht uit haar hart.

XCDie kreet zou de luisteraars in Nederland niet verbazen maar zou eerder ten volle passen in het beeld dat zij zich sinds '40 gevormd hadden van de koningin die toen via de radio niet minder dan zes-en-dertig maal tot hen gesproken had."

XCHet was vroeger gebruikelijk geweest dat een toespraak van de koningin

1 Telegram, 17 mei 1941, van koningin Wilhelmina aan prinses Juliana (archief kab. der koningin). 2 P. A. Kerstens, 18 okt. 1955. 3 Archiefkab. der koningin. 4 Teksten:

111 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

aan het gehele kabinet voorgelegd werd. Dat is met haar openingstoespraak van Radio Oranje (28 juli' 40) het geval geweest, maar nadien willigde Gerbrandy, eenmaal minister-president geworden, haar wens in dat haar toespraken tevoren in de regel alleen hèm onder ogen zouden komen. Later we~d dat (en wij beschouwen dat als een tekenend feit) het enige punt waarop de koningin in Eenzaam maar niet alleen met betrekking tot de Londense kabinetten 'een woord van dank en waardering' uitte: dank en waardering 'voor dit vooruitziend beleid en voor de moed van het kabinet om deze verantwoording op zich te nemen." Nu, het was van de andere ministers minder een zaak van moed geweest dan een van zich onwillig schikken, en er zijn uit de door Gerbrandy getroffen regeling (getroffen in een periode waarin de koningin en hij, om een eerder van hem aangehaald woord te bezigen, 'eens geestes waren') heel wat moeilijkheden voortgevloeid. Wat daarvan zij, elk van die toespraken, waarop de koningin steeds lang gezwoegd had, maakte diepe indruk op de luisteraars. Haar stem die helder doorkwam, klonk strijdvaardig en wat zij zei, was in eenvoudige, markante bewoordingen gesteld die een onmiskenbaar persoonlijk cachet droegen. Haar teksten, met name die welke naar aanleiding van kerkelijke feestdagen uitgezonden werden, getuigden van een intens geloofsleven, zij waren steeds aansporingen om vol te houden en om op een beleidvolle wijze verzet te plegen, maar ook en vooral betuigingen van een innig medeleven, waarbij zij voor de bij uitstek algemene opgave die haar gesteld was (zij moest haar gehele volk toespreken), telkens een dusdanige oplossing gevonden had dat elke luisteraar kon menen dat hij of zij persoonlijk door haar toegesproken werd. Er was geen 'afstand'. Haar taalgebruik droeg daar toe bij. Het was voor de meeste luisteraars in bezet gebied een aangename verrassing, hun koningin, eens zo hoog, zo verheven, in mei '4I te horen gewagen van 'schurken' (Vijfde Colonnisten) die de Nederlandse weermacht een jaar tevoren in de rug aangevallen zouden hebben, en haar in juni, twee dagen na de Duitse invasie van de Sowjet-Unie, te horen zeggen: 'Wie op het juiste ogenblik handelt, slaat de Nazi op de kop.'In vijf toespraken, van april '42 tot september '43, sprak zij voorts van 'de Mof', 'de Moffen' of 'de Moffenbenden' en wij achten het waarschijnlijk dat ook dàt woordgebruik de meeste luisteraars in bezet gebied bij uitstek welkom is geweest."

XCVooral in '41 was zij, wat de duur van de oorlog betrof, in haar toespraken

1 Wilhelmina: p. 304-05. 2 Gerbrandy was tegenstander van het gebruik van het scheldwoord 'Mof': tenslotte waren de moeder, de echt genoot en de schoonzoon van de koningin van Duitse afkomst; zijzelf zag dat anders: die drie waren Nederlander geworden.

112 [PDF]
RADIOTOESPRAKEN DER KONINGIN

aan de optimistische kant: op 20 maart zag zij 'aan de kim de overwinning dagen', op 30 juli sprak zij van 'de laatste loodjes' en op 24 december zei zij: 'Wij zien het tijdstip van de eindoverwinning dagen.' Later uitte zij zich voorzichtiger. Niet zozeer overigens door dat optimisme maar eerder door hun algemene inhoud waren, dunkt ons, haar toespraken uit de jaren '40 t.e.m. '42 de inspirerendste; nadien trad een zekere verslapping in die de weerslag was van vermoeidheid en verdriet - toen had zij overigens in bezet gebied, waar in de zomer van '43 de radiotoestellen geconfisceerd waren, een kleiner luisteraarspubliek.

XCDat de koningin zou spreken, werd in de regel enkele dagen tevoren door de Londense radio aangekondigd en er werd dan in bezet gebied, alle stoorzenders ten spijt, gespannen en vaak met grote ontroering naar haar geluisterd. Menigeen kon, als die kordate stem uit Londen zweeg en het Wilhelmus weerklonk, zijn tranen niet bedwingen. De teksten van haar toespraken werden vaak in illegale bladen afgedrukt. Het tekent de mate waarin de koningin steeds de juiste toon had weten te treffen, dat de politieke leider van de CPN, Paul de Groot, in '52 door de Enquêtecommissie om een oordeel gevraagd over het effect van de Londense radio-uitzendingen op de publieke opinie in bezet gebied, antwoordde, 'dat die opinie het meest en het zuiverst werd beïnvloed door de redevoeringen van Hare Majesteit de Koningin Wilhelmina.'!

XCWelnu, door die radiotoespraken werd het beeld dat veruit de meeste mensen zich van de koningin gevormd hadden, radicaal gewijzigd. Wanneer wij met betrekking tot de gehele periode vóór de Meidagen in deel 2 over de koningin schreven, dat zij 'met haar strakheid van optreden en gestrengheid van uiterlijk velen misschien eerder ontzag dan liefde ingeboezemd (had)' en dat 'de mens Wilhelmina voor de grote massa een onbekende' was geweest, dan mogen wij nu toevoegen dat zij voor die grote massa in de jaren '40-'45 louter door het medium van de radio een mens wèrd (strijdvaardig, warmvoelend, meelevend), terwijl zij een koningin blééf: een koningin om trots op te zijn zo werd het gevoeld.

XC'Angst, gebrek aan durf en aan fierheid, bekrompen koopmansberekening en eigenbelang, duidelijk gebrek en gemis aan sociale zin en gemeenschapsliefde, maken het onwaarachtig, het Nederlandse volk als geheel te canoniseren, als stijl- en karaktervol in de bewaring en de verdediging van zijn heiligste vaderlandse deugden en edelmoedigste nationale gevoelens.'

XCMen zou kunnen veronderstellen dat al die te idealiserende bewoordingen door de koningin louter als aanmoediging bedoeld waren (zij hadden inderdaad op menigeen een inspirerend effect) en dat zij in haar hart beter wist, maar die veronderstelling is niet juist. Zij geloofde oprecht in het beeld dat zij zich van Nederland gevormd had. Zij verbond daar ook belangrijke staatkundige eonsequenties aan. Reeds in de zomer van' 40 stond voor haar vast dat de bevrijding tot een 'vernieuwd' Nederland diende te leiden, een land ook met een 'vernieuwd' staatsbestel - nadien ging zij er toe over om, overigens in zeer algemene en niet voor ministeriële kritiek vatbare bewoordingen, in haar radiotoespraken op die 'vernieuwing' van dat staatsbestel te preluderen. Zo in de eerste radiotoespraak (12 september' 40) welke zij na de formatie van het kabinet-Gerbrandy hield:

XC1 Tekst: a.v., dl. VU a, p. 178-79.

114 [PDF]
DE 'VERNIEUWING'

XC'Is eenmaal de vrijheid herwonnen, dan wacht ons het werk van de wederopbouw. Gemakkelijk zal dit niet zijn, want het zal daarbij niet eenvoudig gaan om een herbouw naar een oud model. Een open oog voor de fouten die in de loop der jaren in ons staatsbestel waren geslopen, zal gepaard moeten gaan aan het inzicht en de moed orn de veranderingen aan te brengen die nodig zijn gebleken. Ik zie hier een arbeidsveld in het bijzonder voor de jongeren.'

XCOp 20 maart' 41 :

XC'Dat ons staatsbestel met de veranderde omstandigheden en met de ervaringen van de laatste tijd rekening zal moeten houden, is boven elke twijfel verheven. Zo spoedig dit doenlijk is na onze bevrijding zullen daartoe de eerste stekken moeten worden uitgezet. Daarbij zal reeds van den beginne aan ruimschoots gelegenheid bestaan tot vrije gedachtenwisseling over dit belangrijke onderwerp en naar voren brengen van denkbeelden en voorstellen, alsdan in de gewenste atmosfeer.'

XCNog geen twee maanden later, op IQ mei '41, zei zij dat die denkbeelden en voorstellen aan haar persoonlijk ('te mijner kennis') voorgelegd zouden kunnen worden.

XC'Ik heb u begrepen', zei zij vervolgens begin september' 41, 'en weet wat gij thans denkt en voelt. Daarom zal ik, als eenmaal de tijd daarvoor rijp is, in staat zijn geheel in uw geest te handelen.'

XCEind november '41 repte zij van 'het nieuwe dat komt als de vijand eens uit onze landpalen zal zijn verdreven, het nieuwe, waarover ik u vorige keren gesproken heb.'

XCMedio oktober '42: 'Wie bevrijding zegt, zegt ook vemieuwing.'

XCBegin september '43: 'De vemieuwing (zal) de grondslag . . . vormen waarop het gebouwonzer toekomstige vrijheid zal rusten en de voortstuwende kracht voor alle verdere ontwikkeling en ontplooiing.'

XCEind november '43: 'Bij het eerste vrijheidsgloren verrijst het nieuwe Nederland. '

XCWat heeft zij onder die 'vernieuwing' verstaan?

XCIn algemene zin een proces dat wij misschien nog het best kunnen weergeven (want het is rijkelijk vaag+) met de woorden: doorbraak van solidanteitsgedachten; het 'ene gezin' moest werkelijkheid worden. Allen die verzet gepleegd of illegaal werk bedreven hadden, beschouwde zij als 'vemieuwd'.

1 Eind '44 zei de koningin eens tegen van 't Sant: 'U kunt niet mee terug naar Nederland, want u bent niet vernieuwd.' Van 't Sant vroeg: 'Wat betekent dat eigenlijk?' Zij antwoordde: 'Dat u dat vraagt, betekent al dat u niet vernieuwd bent.' (F. van 't Sant, I okt. I956)

115 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

Dorstend als zij was naar de eenheid van alle kerken, zag zij ook het Interkerkelijk overleg als een symptoom van 'vernieuwing' (het katholicisme bleefhaar overigens afstoten') en elk rapport dat uit Nederland kwam, elk relaas ook, waarin sprake was van een krachtig gevoel van nationale eendracht of zelfs eenheid, beschouwde zij als aanwijzing dat de oude partijschappen hadden opgehouden te bestaan. Een spoedige terugkeer van politieke partijen, laat staan van de vroegere politieke partijen, beschouwde zij als uitgesloten en in elk geval als hoogst onwenselijk: dan zou de 'vernieuwing' geen kans krijgen. Begin' 44 wist zij dat de meeste ministers daar anders over dachten en meenden dat het herstel van de parlementaire demoeratie natuurlijk gepaard zou gaan met de herleving van duidelijk van elkaar verschillende en zich tegen elkaar afzettende politieke partijen. Het leek haar toen wenselijk, aan de illegaliteit in Nederland rechtstreeks te doen weten dat zij zich als gevolg van dit afwijkende inzicht door het kabinet gedwarsboomd voelde. In die tijd maakte A. W. M. Ausems die, zoals wij in deel 7 beschreven, door Jan Thijssen, voorman van de Raad van Verzet en hoofd van de Radiodienst, naar Londen gestuurd was, zich gereed om als agent van het Bureau Inlichtingen met een opdracht ter coördinatie van de illegale groepennaar bezet gebied te vertrekken. Eind januari of begin februari typte de koningin eigenhandig een mededeling die Ausems doen moest aan alle leiders van illegale groepen met wie hij in aanraking zou komen. Hij moest dan het volgende zeggen:

XC'Hij 2 heeft sterk de indruk gekregen dat de koningin door voortdurend voeling te houden en zich te laten inlichten door uit Nederland overgekomenen, geheel met Nederland, zoals het vernieuwd is, meeleeft en ook geheel alles voelt zoals men alles in vernieuwd Nederland aanvoelt.

XCHij 2 heeft in Londen de indruk gekregen (ofwel: het is hem verteld) dat er velen in Londen bepaald niet zijn meegegroeid met het nieuwe Nederland. Dus, dat bij al wat de koningin doet, zij met deze moeilijkheid te karnpen heeft.

XCDaarvan zal men zich in Nederland terdege rekenschap moeten geven.'

XC1 De betekenis van de geloofsbelevenis door katbolieken is pas na de oorlog tot haar doorgedrongen in haar contact met haar particuliere secretaresse Jeannette Geldens. Anderzijds is het natuurlijk tekenend dat zij voor deze functie een katholieke medewerkster uitkoos. Natuurlijk had zij grote waardering gekoesterd voor de houding van het Episcopaat; zij wist óók dat katholieken een werkzaam aandeel hadden gehad aan het illegale werk. Vóór de oorlog had zij zich er maar moeilijk mee kunnen verzoenen dat er Nederlanders waren die als 'Roomsen' een autoriteit buiten Nederland erkenden. 'Na de oorlog', aldus mr. Tellegen, 'is ze zelfs eens mee geweest naar de Passiespelen in Tegelen, maar toen hield ze mijn hand vast en zei dat ze me knijpen zou als ze vond dat het griezelig werd.' (M. A. Tellegen, 22 nov. I957) 2 In de tekst staat 'X'.

116 [PDF]
WAARSCHUWING AAN DE ILLEGALITEIT

XCDeze tekst stelde de koningin op 3 februari' 44 aan mr. Charles van Houten ter hand 1 die in die tijd als verbindingsofficier fungeerde tussen haar en het Bureau Inlichtingen, en wij nemen aan dat Ausems, die in de nacht van 29 februari op I maart gedropt werd, de waarschuwing tegen het kabinet die in de tekst van de koningin vervat was, inderdaad doorgegeven heeft aan de of aan sommige leiders van illegale groepen die hij ontmoette. Heeft ze veel indruk gemaakt? Wij betwijfelen het, want het was niet een waarschuwing die Ausems uitdrukkelijk namens de koningin kon doen, maar louter het weergeven van een persoonlijke 'indruk' van hemzelf. Dat neemt niet weg dat de koningin, de waarschuwing doorgevend, een daad verrichtte die zich rechtstreeks tegen het kabinet richtte - een daad overigens die de hartelijke instemming had van Charles van Houten; over hem en zijn contact met de koningin hebben wij inlatere hoofdstukken meer te schrijven.

XCMinisters werden door koningin Wilhelmina steeds gezien als in essentie tijdelijke dragers van het overheidsgezag - ach, zij had er tot in '40 al zovelen zien komen en gaan: de Geer was sinds 1898 de elfde politicus geweest die als minister-president gefungeerd had, zijn kabinet het achttiende van haar regering, en als zij er toe overgegaan was, het aantal personen te tellen die sinds haar troonsbestijging minister waren geweest, dan zou zij geconcludeerd hebben dat zij bij het kabinet-de Geer met nummer 129 moest beginnen. Voor de meesten van al die ministers had zij weinig waardering gekoesterd: Nederland, aldus haar mening, was arm aan staatslieden van formaat (van Starkenborgh was de enige die zij in '40-'41 als zodanig beschouwde''). Wèl had zij de neiging om korte tijd met een bepaalde minister te dwepen, maar zodra deze iets gedaan had wat haar niet zinde, was hij uit de gratie, in de regel definitief Ze kon in dat opzicht wraakzuchtig, zelfs wreed zijn, zij het dat zij, als zij fel van zich had afgebeten, daar ook weer bittere spijt van kon hebben en het gevoel kon krijgen dat zij iets had goed te maken. Neem de ervaringen van van Angeren, Gerbrandy's secretaris-generaal, die in '42 minister van justitie werd en in '43-'44 grote moeilijkheden met haar kreeg, hetgeen tot verscheidene bewogen gesprekken leidde. Aan het eind

1 Collectie-Ch. H.]. F. vanHouten, 'Londense tijd', I. 2 'Hij heeft in alles voorzien en aan alles gedacht', schreef zij in (p. 3r6).

117 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

van een van die gesprekken kwam het tot de volgende dialoog. De koningin: 'Hebt u haast?' Van Angeren: 'Majesteit, ik sta tot uw beschikking zolang dat nodig is.' De koningin: 'U moet straks toch lekker gaan lunchen in de Ritz?' Van Angeren: 'Majesteit, ik wilopmerken dat ik in de regel een paar sandwiches in mijn werkkamer eet.' De koningin: 'Dat deugt niet. U moet in de Ritz eten om connecties te maken." Maar jegens diezelfde van Angeren uitte zij zich, toen hij in de zomer van '44 op afscheidsaudiëntie kwam, met een zo oprechte warmte dat hij dacht: 'Wat kun je toch een fijn en hartelijk mens zijn!'2

XCWat haar relaties met de Londense ministers betreft, moet natuurlijk bedacht worden dat, al was zij in zoverre bevoorrecht dat zij haar dochter en kleindochters in veiligheid wist, het ballingenbestaan háár extra zwaar viel. Haar eenzaamheid (niet bij toeval is 'eenzaam' het eerste woord in de titel van haar autobiografie) werd er geaccentueerd; de verdrijving uit haar land had haar bovendien als een vernedering getroffen. Welter placht tegen zijn ambtgenoten te zeggen: 'Wij moeten steeds bedenken dat wij uit de eerste verdieping gevallen zijn, maar zij uit de vijfde.'3 Zij moest dus in haar contacten met andere mensen, ook met haar ministers, veel afreageren.

XCDaar kwam bij dat ze de neiging had, vooraloudere mannen snel te minachten. De meeste ministers die ze gekend had, waren niet zo jong geweest. Velen onder hen waren, door gevoelens van ontzag bewogen, in het contact met haar ook niet zichzelf geweest, maakten op de koningin de indruk, bang voor haar te zijn (en waren dat ook veelal) - voor haar een reden te meer om hen innerlijk te laten vallen. Van mannen vergde zij dat zij onder alle omstandigheden flink, weerbaar en met wat men 'mannelijke moed' placht te noemen, zouden optreden - ministers moesten dan bovendien bij uitstek gedreven worden door grote concepties en realistische toekomstvisies. Die concepties en visies had zij vooral in de jaren '20 en '30 in haar kabinetten bitter gemist en die miste ze ook in het kabinet-de Geer. Defaitisten verachtte zij en al op die grond konden talrijke leden van dat kabinet sinds de zomer van '40 geen goed meer doen in haar ogen. Dat zij de belangrijkste beslissingen had moeten nemen, was haar als vorm van uitoefening van een feitelijk leiderschap welkom geweest, en tegelijk had zij het de ministers kwalijk genomen dat zij het zo ver hadden laten komen. 'Dat we nou net met dát stel moesten komen', was een verzuchting die haar in vertrouwde kring herhaaldelijk ontsnapte." Dat van bijeenkomsten van de

1 Van Angeren, 7 nov. 1955. 2 A.v., 24 nov. 1955. 8 Welter, 2I nov. I955. 4 F. van 't Sant, 2 okt. 1956.

118 [PDF]
'UIT DE VIJFDE VERDIEPING GEVALLEN'

ministerraad bij voorbaat voor haar vaststond dat ze met eindeloos palaver gevuld waren, ontging de meeste ministers niet. Bolkestein, die zich eens na zulk een bijeenkomst naar haar toe begaf, werd ontvangen met de woorden: 'Èn hebben de heren weer lang vergaderd, èn hebben ze weer niets bereikt!'!

XCZiet men zulk een uitlating als een symptoom van de 'afstand' die tussen de koningin en haar ministers bestond, dan kunnen wij niet nadrukkelijk genoeg onderstrepen, dat die 'afstand' voortdurend in de hand gewerkt werd door de verhoudingen die tijdens het bewind van koning Willem III ontstaan waren - verhoudingen waarin in Londen geen wijziging kwam, ja in zekere zin werden zij voor de koningin nog onbevredigender. Wel hadden de haar toegezonden notulen van de ministerraad vóór IQ mei '40 weinig van belang bevat, maar in Londen kreeg ze in het geheel geen notulen: die werden door de minister die als secretaris van de ministerraad optrad, in een schrift geschreven. slechts bij één gelegenheid, nl. bij de 'tweede' discussieover een eventuele verplaatsing van de regeringszetel naar Indië (17 en 18 januari' 41), werd door het kabinet uitdrukkelijk besloten, de koningin een afschrift van de betrokken notulen te sturen. Daarbij is het gebleven. Anders gezegd: over de beraadslagingen van het kabinet kreeg de koningin geen regelmatige, betrouwbare informatie. Zij was afhankelijk van hetgeen Gerbrandy haar als minister-president wilde meedelen alsook van de inlichtingen die zij, in gesprekken, van andere ministers kreeg. Uiteraard moesten haar alle ontwerp-koninklijke besluiten, ontwerpbesluitwetten incluis, voorgelegd worden en daarbij bevond zich in de regel een toelichting. Verder stuurden sommige ministers haar af en toe belangrijke stukken - vooral van Kleffens deed dat. Zij zond ook vaak van Tets of Beelaerts op nadere informatie uit. Vaak ook vroeg zij daar zelf om, in de regel op een bloknoot-vel waarop zij eigenhandig, meestal met potlood, vragen stelde die door de betrokken minister aan de keerzijde beantwoord moesten worden.

XCEenzaam was zij, ook en vooral als koningin. Wat de ministers betrof, liet zij zich in de Londense jaren vaak adviseren door van Kleffens, ook in zaken die met het buitenlands beleid niet te maken hadden; voorts waardeerde zij de adviezen van Michiels die nimmer een blad voor de mond nam, en dan waren er tenslotte (op de rol van van 't Sant komen wij in hoofdstuk II terug) de adviezen van de directeur van het kabinet der koningin, van Tets, en van Beelaerts, de vice-voorzitter van de Raad van State, door wie zij zich bij haar vertrek uit Den Haag had laten vergezellen. Beelaerts

1 Bolkesteiu: 'Herinneringen en beschouwingen', p. 28.

119 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

(een wijs man met veel gezond verstand, maar 'geen krachtfiguur', volgens de voorzitter van de Tweede Kamer-fractie van zijn eigen partij, de Christelijk-Historische Unie') dacht in veel opzichten met de koningin gelijk-op - van Tets, 'die rechtlijnige edelman' (aldus van den Tempel"), die 'perjèct gentleman' (aldus Bolkesteinê), was aanzienlijk weerbaarder; deze kon, aldus van 't Sant, 'de koningin precies zeggen waar het op stond. Op een keer aan tafel legde de koningin met betrekking tot een bepaald probleem een dwaas plan aan hen voor en Beelaerts zei: 'Ja, majesteit, zo zou het opgelost kunnen worden, maar men zou natuurlijk ook kunnen overwegen of misschien, enzovoort.' Van Tets zei: 'Dat plan is nonsens', en toen de koningin weg was, zei hij tegen Beelaerts: 'Frans, )~ helpt haar er niet mee met de dingen zo voorzichtig tegen haar te zeggen 4_

XCwaarbij wij onzerzijds aantekenen dat van Tets zich in zoverre aan de hofétiquette hield dat hij nooit uit zichzelf een onderwerp aansneed, en dat Beelaerts in de van hem bewaard gebleven schriftelijke adviezen (weloverwogen, helder geformuleerde stukken) toch niet aarzelde om, als hij dat nodig oordeelde, blijk te geven van een opinie welke van die van de koningin afweek. Dat kwam overigens niet vaak voor.

XCEn dan, als die adviezen op tafellagen, bij wie lag dan de beslissing? Bij Wilhelmina. Die beslissing was haar strikt persoonlijke aangelegenheid, lag op haar strikt persoonlijk domein als koningin waar niemand anders toegang had. Had zij zich, vóór mei '40, in moeilijke gevallen nagenoeg steeds uiteindelijk moeten eonformeren aan het oordeel van de aan het parlement verantwoordelijke ministers, in Londen kon zij, aangezien er geen parlement was, haar eventueel verzet volhouden: weigerde zij haar handtekening, dan was geen macht ter wereld in staat, haar te dwingen die handtekening toch te zetten. Weh1U, met name wat de naoorlogse periode betrof, kende zij het Londense kabinet geen enkel gezag toe: de naoorlogse 'vernieuwing' van Nederland was háár zaak en zij was er van overtuigd, die 'vernieuwing' voorbereidend, geheel te handelen in de geest van het Nederlandse volk. Wij herinneren aan wat Ausems in bezet gebied moest zeggen: dat hij 'sterk de indruk gekregen had dat de koningin . . . geheel met Nederland, zoals het vernieuwd is, meeleeft en ook geheel alles voelt zoals men alles in vernieuwd Nederland aanvoelt.'

1 G. Puchinger: (1966), p. 142. a Van den Tempel: p. 124. a Bolkestein: 'Herinneringen en beschouwingen', p. II. F. van 't Sant, 25 juni 1956.

120 [PDF]
EENZAAMHEID DER KONINGIN

XCOf dat zo was, d.w.z. of er inderdaad sprake was van identiteit van inzichten tussen de koningin en het Nederlandse volk, kon natuurlijk pas met zekerheid blijken wanneer dat volk zich weer vrij kon uiten. Een spoedige partijstrijd wenste de koningin te voorkomen, zij meende dat het volk ook geruime tijd na de bevrijding aan die strijd geen enkele behoefte zou hebben. Er moest, dacht zij, een kabinet komen, hoofdzakelijk bestaande uit 'vernieuwde' figuren uit de Nederlandse samenleving. Zij wenste die zelf uit te kiezen, te benoemen dus (en eventueel te ontslaan) 'naar welgevallen'. Met die ministers naast zich zou zij in de overgangstijd persoonlijk het bewind voeren; zij vertrouwde dat in die tijd een grondige grondwetswijziging voorbereid zou worden en wanneer háár als gevolg van die wijziging (die door de nieuw-gekozen Staten-Generaal met twee-derde meerderheid goedgekeurd zou moeten worden) blijvend een beslissende stem gegeven zou worden in het regeringsberaad, zou zij zich aan die verantwoordelijkheid niet onttrekken. Ter voorbereiding van die grondwetswijziging wilde zij een instantie onder voorzitterschap van Beelaerts in het leven roepen waarbij een ieder of iedere groep zijn of haar wensen zou kunnen deponeren. In die overgangstijd diende voorts prins Bemhard als opperbevelhebber van land- en zeemacht te fungeren en van 't Sant als 'directeur van politie' (een nieuwe functie: de politie was in Nederland steeds verdeeld geweest over twee departementen: binnenlandse zaken en justitie).

XCEn als nu zou blijken dat het Nederlandse volk Vail zulk een diep-ingrijpende grondwetswijziging afkerig was? Dan ging de zaak niet door; dat stond voor de koningin als een paal boven water. Natuurlijk besefte zij dat wat haar voor de geest stond, althans wat de verhouding tussen de koning en de ministers betrof, lijnrecht indruiste tegen de Grondwet, maar de Grondwet hield zij op dat punt voor verouderd, voor achterhaald door de gebeurtenissen. Natuurlijk, zij moest in haar conceptie waarin zij van de dag der bevrijding af aangewezen zou zijn op de medewerking Vail nieuwe ministers, de mogelijkheid inbouwen dat geen van diegenen aan wie zij een portefeuille wilde aanbieden, bereid zou zijn, medewerking te verlenen aan een ingrijpende Grondwetswijziging. Wat dan?

XChl dat geval zou haar niets anders resten dan haar opzet prijs te geven en weer constitutioneel vorstin te worden conform de bepalingen van de oude Grondwet.

XCDat laatste heeft koningin Wilhelmina ook gedaan en, voorzover ons

121 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

bekend, zonder een zweem van aarzeling." Van aile plannen die zij voor de 'vernieuwing' van het staatsbestel gekoesterd had, vooral in de jaren' 4 0-' 44, is niet één verwezenlijkt. Het eerste naoorlogse kabinet, het kabinetSchermerhorn, had wel andere zorgen aan het hoofd dan een Grondwetswijziging voor te bereiden - een wijziging bovendien die door alle ministers, hadden zij van de denkbeelden van de koningin weet gehad, beschouwd zou zijn als een volstrekt onwenselijke terugkeer naar de tijden van koning Willem I; de politieke partijen hebben zich in de zomer en herfst van '45 weer geconstitueerd; prins Bernhard is geen opperbevelhebber van landen zeemacht geworden en van 't Sant heeft de functie van directeur van politie nooit uitgeoefend. Men zou dan ook kunnen zeggen dat de denkbeelden van de koningin inzake het 'vernieuwde' staatsbestel spoorloos aan de geschiedenis van de Nederlandse constitutionele monarchie voorbij zijn gegaan - maar niet spoorloos aan die van de regering te Londen! Met de regelingen, bijvoorbeeld, voor het militair gezag en voor de terugkeer van vertegenwoordigende lichamen heeft de koningin, vasthoudend aan haar conceptie, zich ten nauwste beziggehouden en die regelingen hebben binnen het kabinet en tussen de koningin en het kabinet tot talloze conflicten geleid; ook het beleid dat de koningin ten aanzien van de illegaliteit gevoerd heeft, kan niet losgemaakt worden van haar denkbeelden inzake het 'vernieuwde' staatsbestel. Vandaar dat het tot onze taak behoort, die denkbeelden in hun ontwikkeling weer te geven. Dat is mogelijk doordat de koningin van begin '41 af veel van die denkbeelden voor zichzelf noteerde; die notities bewaarde zij zorgvuldig in een map met het opschrift 'Proclamatie' - het was namelijk lange tijd haar bedoeling, ten tijde van de bevrijding een proclamatie uit te geven inhoudend dat zij besloten had, zelf de regering in handen te nemen.

XCVan deze (en enkele andere) stukken geven wij nu het volgende overzicht; terwille van de duidelijkheid voegen wij in onze citaten enkele leestekens en soms één of meer tussen rechte haken staande letters of woorden in.

XCNa het ontslag van Dijxhoorn (juni '41) noteerde de koningin: 'Uiterst

1 Dr. W. Drees, minister van juni '4.5 tot augustus '48, minister-president van augustus '48 tot december '58, schreef ons na kennisneming van dit hoofdstuk in januari '78, 'dat koningin Wilhelmina in de gesprekken die ik m.et haar had, ten slotte soms van zeer vertrouwelijke aard, nooit met een woord ook maar gezin speeld heeft op wat zij staatsrechtelijk veranderd had willen zien.'

122 [PDF]
VERNIEUWINGS -PLANNEN DER KONINGIN

gewenst hier reeds juiste interpretatie grondw. toe te passen ten opzichte v. d. Kroon. In ieder geval dit punt als eis stellen bij de nieuwe kab, formatie Een zuiver Kon. kabinet (ontslag n. welgevallen, samenstellen door de Kroon), dat zich moet verenigen met werkplan V. d. Kroon.'

XCOp 8 juli '41 schreef van Tets een concept voor een telegram van de koningin aan van Starkenborgh met betrekking tot de naoorlogse positie van Indië waarin o.m. stond: 'De Staten-Generaal, gekozen volgens nieuwe Grondwet, herziene Kieswet enz.' (hoe de koningin zich de herziening van de Kieswet voorstelde, weten wij niet), 'wens ik binnen 8 of hoogstens 12 maanden bijeen te zien komen.'

XCUit april' 42 dateert een notitie waaruit blijkt dat de koningin de politieke partijen wilde bewegen tot een 'Godsvrede ... bedoeling 3 jaar na thuiskomst', en uit diezelfde tijd (tijd, waarin de regering de socialistische leider Vorrink naar Londen trachtte te halen) dateert een notitie waarop onder het hoofd 'Loop van zaken' het volgende vermeld staat:

XC'Afwachten antw. uit Nederland, I of bevoegd persoon overkomt, 2 of men een gemeenschappelijk voorstel indient, regeling voorlopig bewind, mededeling automatisch eindigen als nieuw partijloos kabinet is samengesteld. Ik behoud mij onmiddellijk bij thuiskomst voor, voor!. bewind aan te vullen naar bevind van zaken door in Ned. aanwezigen of personen die uit Londen terugkeren .

XC. . . Het huidige kabinet is van zijn taak ontheven op het ogenblik dat ik uit Engeland vertrek (ik reis niet met het kabinet naar huis)' de koningin dacht toen dat de regeringstaak na de bevrijding, o.m. met het oog op de oorlog tegen Japan, gedeeltelijk van Engeland uit, gedeeltelijk van Nederland uit verricht moest worden; voor de 'Nederlandse' taken zouden dan ministers nodig zijn die de bezettingstijd doorstaan hadden. Dienaangaande schreef zij:

XC'Ik behoud mij voor, deze ministers uitzoeken zonder mij te behoeven storen aan 't inzicht v. h. zittend kabinet noch wat betreft de personen, noch hun al of niet partijloosheid. Wil 't kabinet dit niet aanvaarden, dan benoem ik de Ned. ministers onder hun [eigen] verantwoordelijkheid en vorm desnoods een tweede kabinet.

XCGrieven handhaven min. die volgens mij niet meer passen [bij] 't Ned. volk. Men houdt zich bij die ministers bezig met bespiegelingen of en in hoever een gedeelte [van het Nederlandse volk] nog gehecht is aan 't verleden zonder de werkelijkheid in het oog te houden dat gehele volk eensgezind is en thans partijschappen opzij wil zetten. Denkbeelden die ook in 't publiek geuit worden, waardoor 't Ned. volk nu al zegt dat de K[oningin] heel anders spreekt dan haar ministers, met 't nodige commentaar over gebrek aan vertrouwen in de reg. te Londen.' 12

123 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

XCIn mel 42 vond tussen de koningin en Beelaerts uitgebreid overleg plaats over de tekst van de 'Proclamatie'. Een eerste ontwerp, wellicht door Beelaerts gemaakt, is niet bewaard gebleven - wèl zijn dat zijn opmerkingen bij een tweede ontwerp dat hem door de koningin voorgelegd werd. In dat ontwerp stond o.m. :

XC'Overtuigd dat in deze buitengewone omstandigheden het hoogste belang van de Staat ons aller hoogste richtsnoer moet zijn en dat bestaande Grondwettelijke bepalingen daarbij geen belemmering behoren te vormen, acht ik een overgangstijd gewenst waarin ik, bijgestaan door mijn verantwoordelijke raadslieden, het bewind zal voeren, teneinde, zodra de herziene Grondwet zal zijn tot stand gekomen, tot de nieuwe constitutionele regeringsvorm te kunnen overgaan.'

XCNaar aanleiding van dat tweede ontwerp gaf Beelaerts de koningin in een brief d.d. 3 I mei '42 het advies, in de proclamatie in elk geval 'geen melding te maken van de Staten-Generaal:

XCIn januari '43 kreeg de koningin een stuk onder ogen dat via de Zwitserse Weg naar Genève en vandaar naar Londen gezonden was; bij het stuk stond vermeld dat het van een katholiek Nederlander, 'politiek ongeschoold', afkomstig was. De schrijver had bepleit dat men na de bevrijding 'zowel politieke partijen, zij het in gezuiverde toestand, als confessioneel gescheiden onderwijs, jeugdbeweging en sociaal-paedagogisch werk (zou) handhaven, op straffe van anders de pluriformiteit in ons volk te miskennen 1. Men (zou) echter een vorm moeten vinden waarin het bewustzijn van de gezamenlijk te verrichten éne taak als Nederlands volk bindend element is.' Hierbij schreef de koningin: 'Heel slecht'.

XCIn februari of maart '43 legde de koningin aan Beelaerts met verzoek om advies een denkbeeld van Gerbrandy voor, dat onmiddellijk na de bevrijding enkele ministers uit Londen naar Nederland zouden gaan. Beelaerts hield zich in zijn advies d.d. 17 maart nogal op de vlakte. Op zijn stuk tekende de koningin aan: 'u moet zelf verkenningswerk ter plaatse doen. Met name onderzoeken of een w~rk-ministerie zoals ik het mij voorstel, op de toestand past. Een zuiver onpolitiek kabinet dus, dat aanblijft tot na herstel v. d. normale toestand en grondwetsherziening en na gehouden verkiezingen'

XChet is een notitie waaruit blijkt dat de koningin er niet zeker van was of dede tekst staat 'erkennen'.

1 In

124 [PDF]
'VERNIEUWINGS' -PLANNEN DER KONINGIN

constructie 'zoals ik het mij voorstel', wel uitvoerbaar zou blijken ('op de toestand past').

XCEind' 43 en begin' 44 typte de koningin eigenhandig verscheidene nieuwe ontwerpen voor haar 'Proclamatie' en noteerde zij gedachten daarvoor. In een van die notities staat, 'dat we een moeilijke tijd tegemoet [gaan], de strijd om Indië komt nog.' Uit een tweede notitie citeren wij nog de volgende passage:

XC'Ik handhaaf het voorlopig bewind tot ik een kabinet gevormd heb. Handhaaf de staat van beleg ... benoem tot Opperbevelhebber ... Hoogste staatsbelang is hoogste wet. Neem Regering en gezag zelf in handen. Zal zo spoedig mogelijk dit is, een grondwetsherziening ... Nieuwe grondwettelijke en wettelijke toestand. Totdan K[oninklijke] b[esluiten] Regering. Geen St[aten]Gen[eraal]. Getrouwaan Volkskarakter en traditie regeren en hand slaan onverwijld aan herstel en opbouw ... Bedoeling beleid. Omlijning st. v. beleg. Raad van State in functie per kb of proclamatie.'

XCIn een derde notitie leest men: 'in de geest van de Grondwet, niet naar de letter. Raad v. Advies', en in een getypt stuk staat: 'Tot Opperbevelhebber van Onze strijdkrachten te water, te land en in de lucht benoem ik mijn schoonzoon, Prins Bernhard der Nederlanden.'

XCBegin '44 tenslotte overwoog de koningin, onmiddellijk vóór de bevrijding van Nederland drie proclamaties uit te vaardigen: één voor Nederland, één voor de West, één 'voor het nog vrije deel van Ned. Indië' (een klein stukje van Nederlands Nieuw-Guinea). Onder het hoofd 'Punten voor de proclamatie tot Nederland te richten' schreef de koningin als eerste zin: 'Met diepe bewogenheid en blijdschap richt ik mij heden tot u.' Daarop volgde getypt: 'Eindelijk is de vijand verslagen, eindelijk is de ure uwer bevrijding aangebroken. Onze troepen en die onzer bondgenoten zijn in aantocht.' Zij wilde vervolgens een beroep doen op ieders medewerking bij de 'handhaving orde en gezag en rust', oproepen tot 'voortzetting van politieke Godsvrede' en enkele praktische maatregelen aankondigen. Dankwam:

XC'Voortbouwende op het bereikte onder de bezetting, op uw rechtsbewustzijn ... , uw vastberadenheid en dappere inborst en op onze beste tradities, doe ik een beroep op u allen om de handen ineen te slaan en ieder op uw eigen wijze mede te werken aan uw bevrijding en aan de opbouw van het nieuwe Vaderland.

XCTen spoedigste zal er begonnen moeten worden met de herziening onzer grondwet. In afwachting dat zij tot stand komt en tot de nieuwe constitutionele regeringsvorm kan worden overgegaan, zal het regeringsbeleid doordrongen moeten zijn van de geest en de beginselen, neergelegd in onze huidige grondwet 12

125 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

(dit nader uitwerken, de voornaamste rechten van de staarsburger eventueel opsommen).

XCIn de buitengewone omstandigheden van dit ogenblik, waarin de belangen van de Staat ons aller hoogste richtsnoer moeten zijn en bestaande, voor normale tijden geldende wettelijke regelingen daartegen geen belemmering mogen vormen, is een overgangstijd onvermijdelijk, waarin ik, bijgestaan door na ontvangen ontslagaanvraag van het Londense kabinet onverwijld te benoemen nieuwe verantwoordelijke raadslieden, het bewind zal voeren ...

XC(volgen verdere zakelijke mededelingen) dan slot.'

XCIn latere hoofdstukken zullen wij op de uit deze notities blijkende denkbeelden van de koningin terugkomen. Hier willen wij volstaan met op te merken dat de kern van hetgeen haar voor ogen stond, haar opvatting was dat het in's lands belang zou zijn indien zij in het 'vernieuwde' staatsbestel boven de ministers kwam te staan; dat beschouwde zij, althans blijkens haar uit juni-juli '4I daterende notitie, als de 'juiste interpretatie' van de Grondwet: 'een zuiver Koninklijk kabinet (ontslag n. welgevallen, samenstellen door de Kroon)'. Frappant is dan, althans wat dat 'ontslag naar welgevallen' betreft, de overeenkomst met de aan het slot van het vorige hoofdstuk geciteerde passage uit Gerbrandy's 'regeringsverklaring' naar aanleiding van de Geers terugkeer naar Nederland: hij had het aan de Geer verleende ontslag een daad genoemd, 'waarvoor naar goed Nederlands staatsrecht geen verantwoordingsplicht bestaat.' Kennelijk was er op dit punt in '4I overeenstemming in denken tussen de koningin en de ministerpresident - een overeenstemming die, als de bedoelde passage al in het eind november '40 opgestelde concept voor de 'regeringsverklaring' voorkwam (dat concept is niet bewaard gebleven), reeds in de herfst van '40 aan beiden duidelijk moet zijn geweest. Wij onderstrepen daarbij dat de regering in die tijd nagenoeg verstoken was van informatie uit bezet gebied en dat niet meer dan een handvol jeugdige Engelandvaarders de Noordzee had overgestoken. Er is in later tijd vooral in Londen door sommigen verondersteld dat het denkbeeld van een wezenlijke uitbreiding van de koninklijke macht de koningin door sommige Engelandvaarders als het ware zou zijn aangepraat. Nonsens! Koningin Wilhelmina liet zich op staatkundig gebied door niemand iets aanpraten - het bedoelde denkbeeld is haar strikt eigen denkbeeld geweest, onderdeel van een eigen conceptie die zich bij haar, mede als weerslag op het gefrustreerde bestaan dat zij meer dan veertig jaar als koningin had moeten leiden, gevormd had zonder dat zij iemand om raad had gevraagd: niet prinses Juliana of prins Bernhard, niet Beelaerts of Gerbrandy. Wel had zij aan de prins en enige tijd ook aan de prinses functies toegedacht die in haar conceptie pasten, en ook dienden Beelaerts en

126 [PDF]
'VERNIEUWINGS'-PLANNEN DER KONINGIN

Gerbrandy haar te helpen, haar plannen te verwezenlijken, maar het was in oorsprong háár conceptie, niet de hunne.

XCDat wil niet zeggen dat het contact met de Engelandvaarders niet toch ook in dit opzicht voor de koningin van betekenis is geweest.

Engelandvaarders

XC

XCWij zullen in hoofdstuk 7 ('Hulp aan Engelandvaarders en Joodse vluchtelingen') weergeven, hoeveel moeite het veel Engelandvaarders gekost heeft om uit het geïsoleerde Nederland Engeland te bereiken. Beperken wij ons nu tot het contact tussen de koningin en de Engelandvaarders, dan is het wenselijk dat wij eerst beschrijven hoe die Engelandvaarders in Londen ontvangen werden.

XCOm te beginnen werden alle Engelandvaarders na aankomst onderzocht door MI-5, en dat was nodig ook: er heeft zich een aantal gevallen voorgedaan waarbij zogenaamde vluchtelingen (onder hen ook enkele Nederlanders) in werkelijkheid Abwehr-agenten waren. Dat veiligheidsonderzoek geschiedde aanvankelijk op diverse plaatsen, maar werd in april' 4I geconcentreerd in een groot gebouw in het zuiden van Londen dat in I 857 opgetrokken was om er de meisjes in op te nemen die wezen geworden waren doordat hWI vaders als soldaat of matroos in de Krim-oorlog (I853-'56) gesneuveld waren: The Royal Victoria Patriotic Asylum for the Orphan Daughters of Soldiers and Sailors killed in the Crimean War. In '39 was in het gebouween internaat (annex school) voor wezen van zeevarenden gevestigd; dat internaat werd in de beginfase van de tweede wereldoorlog uit Londen geëvacueerd. In het lege gebouw dat in het spraakgebruik de 'Patriotic School' ging heten, werd het grote onderzoek-centrum van MI-5 gevestigd. Een staf Vall enkele tientallen ondervragers was er werkzaam; als hun cheftrad tot oktober '42 een Nederlander op die al in 'I4 in Engeland was gaan wonen, Oreste Pinto. Onbesproken was zijn reputatie niet: hij was in de jaren '20 en '30 enkele malen veroordeeld wegens malversaties; in '39 was hij eigenaar van een vertaalbureau (hij was een talengenie: een dozijn talen kon hij vloeiend spreken), maar hij had in die tijd ook al nauwe relaties met het hoofd van MI-5, Sir David Petrie. Waarom Pinto in oktober ,42 zijn functie in de Patriotic School moest neerleggen, weten wij niet - hij kreeg toen in elk geval een veel minder belangrijke betrekking bij de Nederlandse recherche te Londen: de Z.g. Politiebuitendienst.

XCIn de Patriotic Sc!1001 werden alle Engelandvaarders aan scherpe verhoren I2

127 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

onderworpen. Bleken zij betrouwbaar, dan werden zij vrijgelaten en in aanraking gebracht met instanties van de Nederlandse regering; allen moesten hetzij bij de strijdkrachten of de koopvaardij ingedeeld worden, hetzij een functie krijgen in het zich snel uitbreidend regeringsapparaat. Voordat zulks geschiedde, dienden zij evenwel 'uitgemolken' te worden: over de algemene toestanden in bezet gebied, over plaatselijke en regionale gebeurtenissen, eventueel ook over illegale contacten. In '40 en '41 kwamen, gelijk reeds vermeld, maar heel weinig Engelandvaarders aan: van mei '40 tot mei '41 welgeteld vier-en-twintig, maar nadien gingen, vooral toen hun evacuatie uit Spanje en Portugal en later ook uit Zweden enigszins op gang gekomen was, die cijfers stijgen: in '41 arriveerden er na mei honderdtachtig , in '42 ruim vijfhonderd, in '43 ruim vierhonderd en in '44 en '45 samen ruim tweeduizend, maar dat laatste cijfer sluit vermoedelijk een grote groep in die in Frankrijk aangetroffen was als arbeiders van de Organisation Todt - er zijn, neemt men aan, niet meer dan ca. zeventienhonderd 'echte' Engelandvaarders geweest.

XCHun 'opvang' liet vooral in de eerste twee jaar veel te wensen over: talrijke Engelandvaarders ergerden zich aan het feit dat zij telkens hetzelfde verhaal moesten afdraaien voor weer andere ambtenaren en zij misten vooral menselijke belangstelling van de zijde van het overheidsapparaat. Pas in juli' 42 werd door de zorgen van minister van Boeyen een tehuis in Wimbledon, in het zuiden van Londen, geopend, 'Huize Florys', waar Engelandvaarders na hun vrijlating uit de Patriotic School enige tijd op verhaal konden komen; wat hun onmiddellijke huisvesting betrof, hadden zij dan geen zorgen meer, maar dat betekende niet dat zij het gevoel kregen dat de ambtelijke bureaueratie met welke zij te maken kregen, voldoende begrip voor hen had. 'Men is gekomen', zo stelde in augustus '43 een Engelandvaarder op schrift, 'met de vaste wil om te vechten en net zo lang te vechten, totdat onze landgenoten in bezet gebied in Nederland dan wel in Indië weer vrij zullen kunnen ademhalen. Men heeft het beloofde land bereikt, en men ontmoet niets dan lauwheid, onverdraagzaamheid en inactiviteit, hetgeen 'n verlammende invloed uitoefent.'!

XCVerscheidene ministers, met wie Engelandvaarders in persoonlijke aanraking kwamen, troffen menigeen hunner als allerminst inspirerende figuren - figuren ook die vaak de neiging hadden, hen met vage beloften en onbevredigende toezeggingen af te schepen; bij één van die ministers kwam Sally Noach die zich in onbezet Frankrijk zoveel moeite gegeven had om Enge

1 S. Manheim: 'Rapport', 3 aug. 1943 (Doc II-217, a-I).

128 [PDF]
'0 RANJEHA VEN'

landvaarders te helpen, eens binnen met de vraag: 'Excellentie, bent u nu het kastje of bent u de muur?' In de herfst van '43 moest Leendert Pot, die in bezet gebied twee jaar lang zijn leven gewaagd had op het gebied van de spionage en die in mei '43 naar Zweden had moeten vluchten, zijn eerste opwachting maken bij van Lidth, de minister van oorlog - hij was om half drie besteld. 'De minister', aldus Pot jegens de Enquêtecommissie, 'kwam zelf om drie uur; hij had een beste lunch gehad; het rook er erg lekker. Een kleine man met een dik hoofd achter een groot bureau. Hij haalde een grote sigaar te voorschijn; vuurtje aan, en toen zei hij: 'Zo, u komt uit Nederland; naar hebben de mensen het daar, tja.' Zo hebben we een beetje 'tja, tja' zitten doen en toen ben ik weer vertrokken."

XC'De psychologische gaven van de Londense bureau-officieren waren', zo verklaarde mr. J. A. W. Burger, die in mei '43 de Noordzee overgestoken was, 'goeddeels beperkt tot commando's om in de houding te gaan staan. Ik spreek uit persoonlijke ervaring."

XCNeen, dàn koningin Wilhelmina! Zij wenste elke Engelandvaarder persoonlijk te ontmoeten, van 't Sant moest dat regelen. In de regel kwamen die Engelandvaarders eerst in groepen bij haar; de koningin speldde hun dan de onderscheiding op die zij in de zomer van '40 ingesteld had (het Bronzen Kruis) en hield veelalook een korte toespraak. De marine-officier J. C. Kist, een Engelandvaarder (later een der slachtoffers van het England spiel), werd begin april '42 met een zestigtal andere Engelandvaarders door de koningin in het gebouw van de legatie ontvangen. 'Zij is wel oud geworden', schreef hij in een brief aan een vriend. 'Ze hield een zeer goede toespraak', nadien had zij voor elk van de zestig een persoonlijk woord gehad, 'wat een ongelofelijk geheugen!' Enkele dagen later werd Kist met acht andere Engelandvaarders voor een langer gesprek op Stubbings House ontvangen - 'ze is zo voornaam en eenvoudig tegelijk dat het niet te beschrijven is; zo moederlijk."

XCDie moederlijkheid toonde de vorstin ook toen zij, na geërgerd geconstateerd te hebben dat het kabinet terzake niets deed (tot de oprichting van 'Huize Florys' was toen nog niet besloten), in de lente van' 42 met eigen fondsen (zij stelde er £ 5 000 voor beschikbaar) een soort 'club' voor Engelandvaarders liet inrichten: 'Oranjehaven' , in het centrum van Londen gelegen - Gerard Dogger, de koerier van de Ofr-leiding, die in april '42GetuigePot,dl.c, p.Getuige Burger, a.v., dl.c, p.Brief,aprilvan].aanZuidijk (DocB, a-b).

1 L. IV 247. 2 V 138. 3 5 1942, C. Kist R. 1-859

129 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

Londen bereikt had, werd er met ingang van 2 juni (toen werd 'Oranjehaven' door de koningin geopend) de eerste beheerder van.

XCDie Engelandvaarders nu, werden zonder uitzondering door de koningin als waardige vertegenwoordigers van haar 'heldenvolk' gezien. 'Allen', zo schreef zij in Eenzaam maar niet alleen, '(verklaarden) zonder uitzondering' (in antwoord op een door haar gestelde vraag) 'dat zij eerst tot hun besluit om over te steken waren gekomen, nadat hun gebleken was, dat de mogelijkheid, aan de ondergrondse strijd deel te nemen, voor hen niet meer bestond." Waren zij dan inderdaad allen illegale werkers geweest? Velen wel, maar ook velen niet, en bij een deel van diegenen die blijkbaar tegen de koningin zeiden dat de 'SD' hun op de hielen gezeten had, hadden menigmaal factoren die niets met de risico's van het illegale werk te maken hadden, de doorslag gegeven bij het besluit om naar Engeland te gaan: louter de behoefte om zich bij de strijdkrachten aan te sluiten of moeilijke verhoudingen in het persoonlijke vlak, een disharmonisch huwelijk bijvoorbeeld. Al die nuances zag de koningin niet wilde zij niet zien.

XCDaar kwam nog bij dat zij zich niet bewust was dat de meesten van die Engelandvaarders in het contact met haar nauwelijks zichzelf waren; de koningin werd, schreven wij al in deel z, door de meeste Nederlanders 'als een wezen van hoger orde beschouwd.' Er was veelal grote bevangenheid aan de kant der Engelandvaarders - er was óók bevangenheid aan de hare, want het leven had haar niet geleerd met 'gewone mensen' gewoon om te gaan, wat ze juist nu bij uitstek begeerde. 'Ik heb', aldus eind' 62 de cineast Gerard Ruttendie als Engelandvaarder in de periode '43-'44 een tijdlang een zekere vertrouwenspositie bij de koningin bezat,

XC'vele van die bezoeken van Engelandvaarders meegemaakt en het is mij vaak opgevallen dat de koningin moeite had, een persoonlijk contact te leggen. Dit was geenszinsdoor een gebrek aan intense belangstelling,maar een soort verlegen nervositeit ... En ook haar bezoekers konden nauwelijks hun nervositeit bedwingen en daardoor ontstond er vaak een beetje moeilijke sfeer. De bezoekers waren (min of meer plotseling) tegenover een vrouw gesteld, die bijna een legende ... was geworden ... Hoewel zij altijd bijzonder innemend was en er niets van enige vorstelijke praal of enig protocol bestond, had men toch steedsWilhelmina:p.Eind novemberschreef Rutten in een brief aan de koningin: 'In een van de gesprekkendie ik eens met u heb mogen hebben, heeft Uwe Majesteitmij o.a. gezegd dat u niet de eenzame kerktoren wilde zijn op het grote plein.' (Brief, 22 nov. 1944, archief kab. der

1 297--98. 2 '44

130 [PDF]
ENGELANDVAARDERS TEGEN HET KABINET

een gevoel van een bijna onoverbrugbare afstand tussen haar en een gewone burger."

XCDoor die' afstand' waagden velen het niet, haar tegen te spreken - wie dat wèl deed, kon er overigens, op een enkele uitzondering na, zeker van zijn dat de koningin hem of haar niet voor een nieuw gesprek zou uitnodigen. Gevolg hiervan was dat de veel te idealistische kijk die de koningin op de Nederlandse samenleving tijdens de bezetting had ('één groot gezin', 'een heldenvolk'), in haar contact met de Engelandvaarders bevestigd werd in plaats van gecorrigeerd.

XCDaarvan valt een bij uitstek tekenend voorbeeld te geven.

XCRadio Oranje zond op 20 oktober '42 de tekst uit van een door 'een medewerker in bezet gebied' geschreven beschouwing of 'brief'2, waarin, geheel in overeenstemming met wat men in die tijd in de illegale bladen kon lezen (bladen die sinds april '42 met regelmaat in Londen aankwamen), onderstreept werd dat veel Nederlanders persoonlijke offers voor de zaak van vrijheid en menselijkheid ontweken:

XC'Daar zijn duizenden die niet wakker geschud zijn door de doodsklokken van deze tijd. Zij worden nauwelijks beroerd door wat om hen heen gebeurt ... Wij hebben ons diep te schamen voor deze slappe en bange lieden, wier liefde voor waarheid en recht zich beperkt tot platonische uitingen in streng besloten kring.'

XCTien dagen na die uitzending bracht de koningin een onaangekondigd bezoek aan 'Oranjehaven' . De brief, aldus een in de lente van' 41 aangekomen Engelandvaarder, ir. W. den Boer, 'had Hare Majesteit onaangenaam getroffen en omdat zij zich nu temidden van deskundigen bevond, die nog kort geleden in het vaderland vertoefd hadden en tot oordelen bevoegd waren, zou Hare Majesteit graag hun mening willen horen.

XCEen zeeman stond direct op en gaf als zijn mening te kennen, dat de briefschrijver abuis was',13

1 Gerard Rutten in I dec. I962, herhaald in zijn (I962), p. 3I-32. 2 Het was in werkelijkheid H. M. van Randwijks hoofdartikel in van 8 mei' 42 (II, I4); het blad werd door Radio Oranje niet met name genoemd omdat de Londense geheime diensten niet wensten dat de bezetter zou weten dat er illegale bladen in Londen aan kwamen.

131 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

en wie van de Engelandvaarders verder de mond openden, 'verklaarden, het niet met de briefschrijver eens te zijn."

XCOmgekeerd evenwel was de koningin uitermate gevoelig voor elke negatieve mededeling over de ministers of over het kabinet die haar van de zijde der Engelandvaarders bereikte. VanKleffens liet haar in februari '43 door van Tets uitdrukkelijk waarschuwen dat er nogal wat kaf onder het koren school en een klein jaar later besprak hij, aldus een van zijn dagboekaantekeningen, 'twee uur lang' met haar 'allerlei vaag omlijnde klachten over zijn collega's, blijkbaar ingegeven door lasterende Engelandvaarders. Dezen hebben bij H. M. gemakkelijk spel omdat de koningin het werkelijke leven niet kent, hetgeen ik haar heb gezegd." Had zulk een mededeling effect? Nauwelijks, vrezen wij. Wij herinneren aan de door Ausems mee te nemen boodschap die de koningin twee of drie weken na van Kleffens' vermaan op schrift stelde: 'dat de koningin, door voortdurend voeling te houden en zich te laten voorlichten door uit Nederland overgekomenen, geheel met Nederland, zoals het vernieuwd is, meeleeft.'

XCHet waren de (wij zouden haast zeggen: 'natuurlijke') tegenstelling tussen de Engelandvaarders en de departementale bureaueratie èn de mate waarin de koningin voor klachten van Engelandvaarders over de ministers gevoelig was, die vooral op het punt van het naoorlogse Nederland de Engelandvaarders tot een soms niet onbelangrijke factor maakten in de worsteling tussen koningin en kabinet. Wel te verstaan: veruit de meeste Engelandvaarders hebben van die worsteling geen weet gehad en er ook geen actieve rol in gespeeld, maar sommigen deden dat wèl; in de lente van '44 kwam het zelfs tot een poging van enkelen hunner, de koningin er toe te bewegen, het kabinet-Gerbrandy af te danken - dat initiatief (wij komen er in eenlater hoofdstuk op terug) werd onmiddellijk door haar afgewezen. In het algemeen kan men echter wèl zeggen dat de actieve minderheid onder de Engelandvaarders, hoog tegen haar opziend, ja haar vererend, de tegenstelling tussen koningin en kabinet verscherpt heeft. Inderdaad, 'laat de koningin het straks maar voor het zeggen hebben', was een opinie die ook wel in bezet gebied vernomen werd en wanneer nu Engelandvaarders aan de koningin deden weten, 'dat heel Nederland er zo over dacht' (alsof iemand in bezet gebied wist, hoe'heel Nederland' dacht!), dan kreeg haar denken een nieuwe impuls in een richting die in '45 onvruchtbaar zou blijken. Als tekenend voorbeeld willen wij Iller gedeelten uit de brief d.d. 28 maart' 42 aanhalen die mr. S. E. Hazelhoff Roelfzema (toen nog bezig met zijn

XC1 W. den Boer: 'Mijn rapport', II, p. IS (Doe 1-I39, b-I). 2 Van Kleffens: 'Dagboek', 10 jan. 1944.

132 [PDF]
ENGELANDV AARDERS TEGEN HET KABINET

pogingen om 'via het strand' een geheime verbinding met bezet gebied te leggen) haar toezond.' 'Majesteit', schreef hij, 'het volk [in bezet gebied] is bitter, miserabel, diep teleurgesteld en voelt zich wanhopig in de steek gelaten. Dit is niet slechts één rapport met één subjectieve mening waarop het gevaarlijk is een oordeel te vormen, het is dezelfde stem van het volk, die wij en zovelen die uit Holland zijn overgekomen, al zoveel maanden tot wanhopens toe bij de regering hebben trachten hoorbaar te maken. Wij herkennen die stem die wij zelf vertolkt hebben, en wij weten dat het inderdaad die van het volk is.

XC. . . Thans is het volk waar het onvermijdelijk komen moest: het beseft dat het door zijn regering, onbegrepen, in de steek gelaten is geweest in een periode, dat juist iedere geste, ieder wèl aangevoeld woord, een wereld van hoop en dankbaarheid had verwekt in miljoenen vertwijfelde harten, zoals slechts de woorden van Uwe Majesteit, van de Prins en de Prinses hebben vermogen te doen.

XCEen der resultaten daarvan ... wordt door mij en ieder ander overgekomene onderstreept: het volk in Holland voelt slechts één band met 'Nederland in Londen', nl. het Huis van Oranje. Dit is niet slechts bij wijze van spreken, Majesteit. Wij hebben toch van nabij meegemaakt hoe Uwe stemmen telkens weer ons allen en negentig percent van de bevolking, de tranen in de ogen deden staan, terwijlof er een minister, zelfs de minister-president over de radio te horen was, ternauwernood iemand interesseerde, laat staan ontroerde. En dan opeens, overgekomen naar Engeland, zien wij hoe deze zelfde ministers plotseling de belangrijkheid zelve zijn en zelfverzekerd weigeren in te zien hoe zij, vastgeworteld in vooroorlogse ideeën, ons arme volk in zijn ellende onthouden waar het naar snakt.'

XCHet mocht dan waar zijn dat de ministers als 'ervaren politici' voor de oorlogvoering waardevolle dingen tot stand hadden gebracht, 'maar', zo besloot Hazelhoff, 'in alle zaken die het bezette gebied aangaan, speelt een nieuwe factor een allesoverheersende rol, een factor die hun door omstandigheden ten enenmale vreemd is: het door lijden herboren Nederlandse volk.'

XCWellicht heeft juist deze uit eind maart '42 daterende ontboezeming er toe bijgedragen dat de koningin enkele weken later in haar eerder aangehaalde notitie 'Loop van zaken' o.m. schreef:

XC'Grieven handhaven min. die volgens mij niet meer passen [bij] 't Ned. volk. Men houdt zich bij die ministers bezig met bespiegelingen of en in hoever een gedeelte [van het Nederlandse volk] nog gehecht is aan 't verleden zonder de werkelijkheid in het oog te houden dat gehele volk eensgezind is en thans partij

1 punt f, gestenc. bijl. 348.

133 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

schappenopzij wil zetten. Denkbeelden die ook in 't publiek geuit worden, waardoor 't Ned. volk nu al zegt dat de K[oningin] heel anders spreekt dan haar ministers, met 't nodige commentaar over gebrek aan vertrouwen in de reg. te Londen.'

XCMet dat al kon de actieve minderheid onder de Engelandvaarders bij de koningin hoogstens haar tevoren al bestaande overtuiging versterken dat het nieuwe staatsbestel dat haar voor de geest stond, precies datgene was wat 'het door lijden herboren Nederlandse volk' wenste - veel belangrijker was, hoe de ministers zich tegenover haar conceptie zouden opstellen: zij konden haar remmen, zij konden haar stimuleren. Veel hing daarbij af van de inzichten van de nieuwe minister-president: Gerbrandy. Alle aangelegenheden van het koninklijk huis waren nu eenmaal in de eerste plaats aangelegenheden van de voorzitter van de ministerraad.

Gerbrandy

XC

XCGerbrandy was onverschrokken - het is vooral die eigenschap geweest die indruk maakte op elkeen die met hem in aanraking kwam. Duitse bommen of niet, de minister-president bleef in het centrum van Londen wonen, in het ouderwetse maar stijlvolle Brown's Hotel, enkele minuten gaans van Stratton House, zij het dat hij van de herfst van '42 af soms zijn weekenden terwille van de rust buiten Londen placht door te brengen, vooral in Essenden waar hij een landhuisje had gehuurd (zie kaart I op pag. 35). Kwam er in de tijd van de V-I'S (na medio juni '44) een warning voor luchtalarm (huilende sirenes over de wereldstad), 'dan gingen', aldus Burger, 'sommige leden van de ministerraad een beetje schuifelen: zou men niet beter naar beneden gaan? Maar niemand durfde de eerste zijn om dat te suggereren. Gerbrandy zei: '0 - is dat de all clear?' en ging rustig verder. Kwam dan de all clear, dan zei hij: 'Er wordt weer een warning gegeven', maar dan bleef hij zitten alsof er niets aan de hand was'l - schuilkelders zag hij liever van buiten dan van binnen.

XCHij was een overtuigd Calvinist, een gereformeerde van het zuiverste water. Voor hem sprak het vanzelf dat hij nagenoeg onmiddellijk na zijn aankomst in Londen naging, waar hij elke zondag ter kerke kon gaan. Austin Friars deugde daar niet voor: dat was een hervormde kerk, maar opBurger,nov.

1 24 1955.

134 [PDF]
GERBRANDY'S GELOOF

de tweede zondag die hij in Londen doorbracht (26 mei) werd hij op St. Columba's Church of Scotland attent gemaakt; 'ik heb het', zo schreefhij ruim vier jaar later in een concept voor een afscheidstoespraak die hij in die kerk op zondag 17 september '44 wilde houden (de dag van de Geallieerde luchtlandingen bij Eindhoven, Nijmegen en Arnhem) 'ik heb het gevoeld als een gemis, wanneer de gebeurtenissen mij dwongen, een zondag over te slaan,want ik kan niet buiten dat Woord, dat, opengelegd voor de mensenziel,in de korte preek aan het einde van de dienst, het hoofd verheldert, het hart vernieuwt, de hand bekwaamt, doordat het appelleert aan onze Heer en Meester, aan ons geloof in God."

XCIn de Church of Scotland voelde hij zich als Nederlandse gereformeerde geheel thuis; in november' 40 werd hij als tijdelijk lidmaat toegelaten. Hij bleef veel in de Bijbellezen; toen hij behoefte had aan een 'Trommius' (de concordantie waarin voor alle woorden in het Oude en Nieuwe Testament aangegeven staat, waar zij voorkomen), kon van Rhijn er met een aanduiding in een brief aan zijn vrouw voor zorgen dat Gerbrandy via Genève een 'Trommius' ontving. Naast de Bijbel was er de muziek: concerten werden in Londen vrijwel niet gegeven, maar hij had zich een koffergrammofoon met enkele klassieke platen aangeschaft; daar kon hij bij tijd en wijle intens van genieten.

XCNiet dat hij zich opsloot in zijn persoonlijk bestaan! Wijd waren zijn contacten in de Engelse wereld, vooral met kerkelijke dignitarissen en met geleerden. Hij was in Londen de eerste minister die zijn Engels trachtte te verbeteren met dagelijkse lessen - in de zomer van '43 trok hij daar nog twee uur per week voor uit. 'My English is still horrible', schreef hij toen in augustus aan Kasteel (zijn secretaris, die in '42 gouverneur van de Antillen geworden was), maar Engelse vrienden hadden hem gelukkig verzekerd, 'that the English of dr. Kasteel was [ar worsel? Hij was een gul gastheer die op zijn stemmige werkkamer in Brown's Hotel de gin of de jenever (als die er was) in waterglazen placht te schenken, en waar het hem maar mogelijk was, terwille van de vaderlandse zaak met lunches of diners iets te bereiken, nodigde hij iedereen uit die daarvoor in aanmerking kwam. De hoogte van zijn banksaldo was hem volmaakt onverschillig; hij wist dat vele van zijn ambtgenoten grote bedragen spaarden om na de terugkeer de schulden te kunnen aflossen die hun gezinnen hadden aangegaan - daar stond geen seconde bij stil: de oorlog ging vóór. In mei '42 moest het

XC1 CoJlectie-Gerbrandy,'persoonlijkestukken 1940-1945'. 2 Brief, 17 aug. 1943, van Gcrbrandy aan P. A. Kasteel(a.v.).

135 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

kabinet hem financieel te hulp komen: hij kreeg een extra toelage van £ 25 per week. Ruim een jaar later, in juli '43, verraste hij desondanks zijn ambtgenoten met de mededeling dat hij bijna failliet was; men gafhem toen het recht, zijn representatie-uitgaven te declareren, deed hem een bescheiden uitkering ineens (£ 510), en ook werd van I juli '43 af de huur van een van de twee kamers waarover hij in Brown's Hotel beschikte (een slaapkamer en een werkkamer) voor rekening van het rijk genomen.

XCIeder wist dat Gerbrandy zich tot het uiterste aan de oorlogvoering gaf. Hij werd door zijn naaste medewerkers op handen gedragen: zij kenden zijn onbegrensde toewijding, zijn bescheidenheid, zijn onbaatzuchtigheid. Kasteels opvolger dr. J. G. de Beus schreef hem in maart' 45 toen hij (de Beus) aan boord van het troepenschip de 'Queen Mary' onderweg was naar Amerika:

XC'Oneindig veel nieuws heb ik in deze tijd geleerd, vooralomtrent de onwrikbaarheid waarmee men in de politiek aan bepaalde beginselen moet vasthouden, wil men uiteindelijk tot een goed resultaat raken, en ik heb voortdurend de inderdaad zeer zeldzame onbaatzuchtigheid en zelfverloochening bewonderd waarmee u 's lands belang hebt trachten te dienen."

XCGeen schaduwkanten? Natuurlijk waren die er ook. Gerbrandy was slordig (zijn staf kreeg grijze haren van de wijze waarop hij de geheimste codetelegrammen liet rondslingeren) en organiseren was niet zijn fort. Er waren nog andere tekorten. 'Hij had', aldus Pelt, 'een levendige intelligentie, maar voor de taak die hij torste, werd die niet genoeg door kennis en ervaring gevoed. Het formaat van een staatsman had hij wel in zich, maar dan had hij tien jaar eerder in de grote politiek moeten komen. Hij trok wel eens te vlug conclusies. Verder vond ik hem te gevoelig. Als hij weer eens iemand zijn congé moest geven, kwamen er altijd moeilijkheden. In de oorlogvoering was hij op zijn best, maar over de voorbereiding van de terugkeer dacht hij veel te simplistisch."

XCSimplistisch was ook zijn kijk op mensen: zelf was hij zo ongecompliceerd dat hij zich de complexiteit van anderen moeilijk kon indenken. Hij wist van zichzelf dat hij, als zich eenmaal een bepaalde overtuiging bij hem had vastgezet, onwrikbaar was, maar overigens overschatte hij zichzelf allerminst. Hij was bescheiden en ook die bescheidenheid kon hem parten spelen. Wij herinneren er aan dat hij twee keer hardnekkig het hem door de koningin aangeboden formateurschap weigerde. Was dat geveinsd, had hij een soort

XC1 Brief, 10 maart 1945, van J. G. de Beus aan Gerbrandy (a.v.). 2 A. Pelt, 30 dec.

136 [PDF]
GERBRANDY'S ONBAATZUCHTIGHEID

toneelspel opgevoerd? Geenszins: hij betwijfelde oprecht of hij, de vijf-envijftigjarige boerenzoon uit het Friese Goëngamieden, wel deugde als leider van een kabinet waarin zoveel figuren zaten (van Kleffens, Steenberghe, Albarda, om slechts dezen te noemen) wier intellectuele meerderheid hij grif erkende. 'God heeft het zo beschikt', dacht hij tenslotte - en hij zei 'ja'. Maar met aarzeling, en die aarzeling verliet hem niet. Zij bracht hem er toe, in conflict-situaties menigmaal niet rechtuit te zijn maar Z.g. slimme omwegen te zoeken waardoor in de regel meer moeilijkheden veroorzaakt werden dan onvermijdelijk was. Verder vloeide uit zijn gebrek aan zelfvertrouwen de neiging voort om zich bij uitstek gedecideerd voor te doen (die neiging kwam ook in zijn stijl tot uitdrukking) en om telkens te varen vooral op het kompas van één lid van het kabinet: zijn 'biechtvader', zoals hij de betrokkene aanduidde. Successievelijk waren dat van Boeyen (in '41), Kerstens (in '42), de nieuwe minister van fmanciën ir. J. van den Broek (in '43) en van Heuven Goedhart (in de zomer van '44). Nadelig was zijn bescheidenheid tenslotte in zoverre dat hij een mateloze verering koesterde voor Churchill! (hierdoor konden Nederlandse belangen in het gedrang komen) en in zijn relatie met koningin Wilhelmina geruime tijd lang teveel bedeesdheid moest overwinnen.

XCOp die relatie met de koningin komen wij aanstonds terug. Wat wij hier willen onderstrepen is dat Gerbrandy, zijn menselijke onvolkomenheden ten spijt, met zijn onverschrokkenheid en strakke beginselvastheid toch de minister-president was waaraan het kabinet en, op dat moment in de oorlog, het koninkrijk behoefte had: een man, volledig doordrongen van het besef dat een compromis met Hitler (het Beest uit de Afgrond) verwerpelijk was, dat er oorlog gevoerd moest worden en dat die oorlog alle offers waard was. Die opvattingen gaven de kleine, strijdvaardige Nederlandse premier met de strakblauwe ogen, de militante snor en de schelle stem spoedig een aparte plaats in de kring van de regeringen in ballingschap: hij werd vertrouwd en hij trok de naam van Nederland omhoog.

XCKoningin Wilhelmina had geen betere keuze kunnen doen. Niet lang duurde het overigens of zij had van die keuze spijt.

XC10p 18 oktober '40 bracht hij Churchill zijn eerste bezoek - nadien stuurde hij de Britse Prime Minister op elk van diens verjaardagen en meestalook op de verjaardagen van de tweede wereldoorlog (3 september) een huldigingstelegram. Af en toe kreeg Churchill ook een fles jenever van hem. In de herfst van '41 hield hij in Oxford een lezing (' The contribution of the churches to the reconstruction of European life') waarin hij 'the Almighty God' prees, 'Who created everything: the Kingdom of the Netherlands, the British Commonwealth. of Nations and the noble heart and the great brain of Winston Churchill.' (p. 9).

137 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

XCTussen de koningin en de minister-president zijn er op het stuk van de oorlogvoering nooit moeilijkheden geweest: daarin waren zij 'eens geestes', Die moeilijkheden kwamen er wèl ten aanzien van twee andere punten: de samenstelling van het kabinet en de plannen voor het naoorlogse staatsbestel.

XCWat het eerste betreft: de koningin had Gerbrandy eind augustus '40 als formateur de vrije hand gegeven, zij het dat zij hem als eis gesteld had dat hij van den Tempel in zijn pleeg zou handhaven. Wat, afgezien van de Geer die diende te verdwijnen (daarover waren zij het eens), met de overige ministers moest geschieden, was haar betrekkelijk onverschillig: wilde Gerbrandy een grotendeels nieuwe ploeg vormen, dan kon hij dat doen. Hij deed het niet: op de Geer na handhaafde hij al zijn ambtgenoten; zijn kabinet moest, meende hij, door het Nederlandse volk en door de buitenwereld gezien kunnen worden als voortzetting van een wettig tot stand gekomen ministerie; het was vooral Kasteel die met zijn rijke ervaring als parlementair redacteur van De Maasbode de wenselijkheid daarvan onder zijn aandacht had gebracht.

XCDe omstandigheden waaronder Gerbrandy in later jaren de staatkundige verantwoordelijkheid voor het ontslag van verschillende ministers aanvaard heeft, zullen wij in volgende hoofdstukken nog schetsen - al die ontslagen maken het feit niet ongedaan dat begin '45 van de negen ministers met wie hij zijn eerste kabinet gevormd had, nog vijf (Albarda, van Boeyen, Belkestein, van Kleffens en van den Tempel) in functie waren, enigen hunner zeer tot ongenoegen van de koningin: zij had voortdurend pressie op hem uitgeoefend om geen enkele rekening te houden met de mate waarin ministers door leden van bepaalde staatkundige groeperingen in bezet gebied als 'hun' vertegenwoordigers beschouwd werden. Tot begin '45 wist hij tot haar ergernis aan die pressie weerstand te bieden. Pas in de loop van' 44 verloor hij zijn greep op het regeringsbeleid - de intense spanningen waaraan hij zoveel jaren blootgesteld geweest was, hadden toen ook teveel van hem gevergd en in de laatste oorlogswinter viel zijn ploeg onder zijn handen in brokken uiteen; tevoren al had die pleeg een beeld geboden dat Beyen eens (vermoedelijk begin '44) tegen Steenberghe deed zeggen: 'Het kabinet is net een modern schilderij: als je het van een afstand bekijkt, is het helemaal zo gek niet, maar van dichtbij is het afschuwelijk."

XC1 Steenberghe, I nov. 1955.

138 [PDF]
'HET KABINET IS EEN MODERN SCHILDERI;'

XCHet tweede punt: Gerbrandy's houding tegenover de denkbeelden van de koningin inzake het naoorlogse staatsbestel, is gecompliceerder dan het eerste: van aanhanger van die denkbeelden werd hij namelijk tegenstander.

XCAanhanger werd hij, dunkt ons, vanuit zijn ervaringen in de jaren '30 en als lid van het kabinet-de Geer.

XCIn de jaren '30 was, meende hij, de Nederlandse parlementaire demoeratie onmachtig gebleken om de grote problemen waar Nederland voor stond, op te lossen: de werkloosheid had men niet effectief genoeg bestreden en de verbetering van het defensie-apparaat veel te laat ingezet. Wel was hij lid gebleven van de Anti-Revolutionaire Partij (zulks ondanks zijn afkeer van Colijn en diens politiek), maar dat dat lidmaatschap weinig voor hem betekende, had hij in augustus '39 getoond toen hij, dwars tegen de wensen van de partijleiding in, als enige anti-revolutionair tot de Geers kabinet toegetreden was. Ook hij zag de tweede wereldoorlog als een gericht over een zwak staatsbestel: er moest een krachtiger komen. Tot kort voor de bevrijding hield hij het voor onwaarschijnlijk en in elk geval voor onwenselijk dat het naoorlogse Nederland min of meer dezelfde partij-indeling zou kennen als het vooroorlogse. In de Verenigde Staten waren maar twee grote politieke partijen, in Engeland maar drie - ook Nederland zou, meende hij, met twee of drie partijen uit kunnen komen. En was het dan nodig, de evenredige vertegenwoordiging te handhaven? Leidde zij niet juist tot een versplintering waardoor ook de kracht van de regering telkens ondermijnd werd? Hij dacht sterk in gezagsstructuren - wie dat doet, zal het steeds toejuichen dat de uitvoerende macht niet te zeer beknot wordt door de volksvertegenwoordiging en dat het hoogste gezag, het regeringsgezag (dat zich keren moet tegen alle extremisme: van rechts zowel als van links), aan zo sterk mogelijke handen toevertrouwd is; wat dat extremisme van links betrof, moet er aan herinnerd worden dat in '40 in velen nog de herinnering leefde aan Troelstra's 'revolutiepoging' in '18 (Gerbrandy, reserve-officier in de eerste wereldoorlog, was toen uit Sneek naar Den Haag gesneld om tot de haastig gevormde Bijzondere Vrijwillige Landstorm toe te treden) en dat in nogal brede kringen aangenomen werd dat zich met de val van het Naziregime een linkse revolutie in Duitsland zou voordoen die wellicht naar N ederland kon overslaan.

XCDe man die er, met een zwakke persoonlijke binding aan het vooroorlogse partijwezen, deze en dergelijke gedachtengangen op na hield, kwam in de zomer van '40 in Londen onder invloed te staan van twee persoonlijkheden tegen wie hij hoog opzag: Churchill en koningin Wilhelmina. De beïnvloeding door Churchill hing niet met enig persoonlijk contact met deze samen, maar was louter gevolg van het feit dat hij naar Churchills radiotoespraken

139 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

geluisterd en zijn toespraken in het Lagerhuis gelezen had: het leek hem of één man, als Prime Minister, in staat was, de Britse natie tot voortzetting van de oorlog te inspireren; daarmee was voor hem de waarde van een op een volksvertegenwoordiging steunend leiderschap aangetoond. Wie kon in de Nederlandse verhoudingen zulk een leiderschap uitoefenen? Dat was voor Gerbrandy aan het einde van de zomer van '40 geen vraag: de koningin. Zij had, beter dan het kabinet-de Geer, de ware aard van het Derde Rijk onderkend, met haar strijdbaarheid een verder afglijden van het kabinet voorkomen, het plan tot een noodlottige verplaatsing van de regeringszetel naar Indië verijdeld en doorgezet dat de Geer uit het kabinet verdween. Was het dan niet in het belang van Nederland dat de koningin ook na de bevrijding in staat gesteld zou worden, althans op beslissende momenten in te grijpen?

XCGerbrandy was niet de enige minister die die vraag in de laatste maanden van '40 en de eerste van '41 bevestigend ging beantwoorden: ook van Boeyen, die in die tijd zijn 'biechtvader' was, deed dat. Van Boeyen legde zijn denkbeelden over het naoorlogse staatsbestel in maart' 41 op Gerbrandy's verzoek in eenlange nota neer!, 'Reorganisatie van de staatkundige opbouw' getiteld, die overigens niet voor het kabinet bestemd was maar louter voor de ministeriële commissie die zich met het vraagstuk van de 'terugkeer' bezighield. 'Eventuele hervormingen', schreef van Boeyen, 'moeten snel na de terugkeer in Nederland voltrokken worden. Een betekenend deel van ons volk zal alsdan om 'daden' vragen ... het wil niet terugvallen in de slakkengang en in de sfeer van compromissen, kenmerken van het verleden, die een bron van ergenis vormden. Doch ... een ander deel van ons volk zal bewust aansturen om de volkssouvereiniteit ten top te voeren. Het . .. kan bij dat willen waarschijnlijk steun vinden in hetgeen zich in naburige landen misschien afspeelt (in dat verband wordt o.m. gedacht aan een revolutie in Duitsland 2). Een tijdig vastgesteld en weldoordacht plan in korte tijd uitvoeren zal ... bevrediging geven, moeilijkheden overwinnen en voorkomt de fatale compromissen.'

XCAls 'hoofdfouten die ons staatkundig systeem kenmerkten', noemde van Boeyen 'de cultivering van het partijwezen', 'de systematische gezagsondermijning (met name ook in de volksvertegenwoordiging en in Staten en Raden)', het streven naar 'een verschuiving van bevoegdheid van Kroon en Regering naar volksvertegenwoordiging', het ontbreken van 'een streng

XC1 Tekst: Enq., dl. V b, p. 91-96. 2 Bij dat 'o.m.' zal van Boeyen wel mede gedacht hebben aan Frankrijk waar van beginjuni '36 tot eindjuni '37 de door de socialist Léon Blum geleide en door de communisten gesteunde 'Volksfront-regering' aan de macht was geweest.

140 [PDF]
VAN BOEYENS NOTA (MAART '41)

doorgevoerde verticale staatkundige opbouw' en de zwakke outillage van het regeringsapparaat. Met het stelsel van evenredige vertegenwoordiging wilde hij 'principieel' breken. Hij wilde 'de Kroon' het recht geven 'om bij weigering door de Raad' (van een gemeente) 'of de Staten' (van een provincie) 'de begroting vast te stellen (en) te beslissen, dat het betrokken college geheel of gedeeltelijk heeft af te treden.' 'Hoewel aarzelend', gaf hij voorts in overweging, aan de Tweede Kamer het recht van amendement te ontnemen. Het algemeen kiesrecht achtte hij 'principieel verwerpelijk': 'het miskent', schreef hij, 'de juistheid van de stelling dat alleen hun die geschikt zijn om over's lands zaken te oordelen, enige bevoegdheid met betrekking tot de behartiging van dat belang in handen mag worden gelegd', maar aangezien 'geen normen te vinden zijn die voor een beoordeling van die geschiktheid redelijk kunnen worden aangelegd', wilde hij zich beperken tot uitbreiding van de uitsluitingsgronden voor dat kiesrecht, zowel het actieve als het passieve, tot het opheffen van de immuniteit van de leden van alle vertegenwoordigende colleges en tot het openen van een wettelijke mogelijkheid om hen door' de Kroon' te laten afzetten.

XCOok met kabinetszaken moest 'de Kroon' zich meer bemoeien. 'Bij geschillen over beleidsaangelegenheden, die niet het beginsel raken, tussen de ministers onderling, wordt', stelde van Boeyen voor, 'veel meer als tot dusver gebruikelijk was, tijdig de Kroon ingeschakeld. In dit opzicht wordt sterker geaccentueerd, dat zij dienaren van de Kroon zijn. Men vergeve mij de oneerbiedige en te realistische tekening: als twee knechten (gelijkberechtigd) ruzie hebben, dient de baas zo spoedig mogelijk het geschil te kennen en daarin te beslissen.'

XCHoe al die wijzigingen (zij vergden een nieuwe Grondwet) door te voeren?

XCVan de in september '37 gekozen Tweede Kamer zou het mandaat in september '4I aflopen. Er zou, nam van Boeyen aan, 'op het ogenblik van de terugkeer' geen Tweede Kamer zijn, 'de wetgevende macht heeft derhalve opgehouden te bestaan' - ook de Eerste Kamer (in april' 39 gekozen) zou dan niet kunnen bijeenkomen, 'aangezien zulks in strijd is met de Grondwet, die de opening van de Staten-Generaal op de derde dinsdag in september in verenigde vergadering voorschrijft.' Van Boeyen becijferde vervolgens dat acht tot zeventien maanden lang zonder volksvertegenwoordiging geregeerd zou moeten worden. In die periode zouden besluitwetten nodig zijn. Tegelijkertijd zou de regering voorstellen tot grondwetsherziening moeten uitwerken die onmiddellijk aan de nieuwe StatenGeneraal voorgelegd zouden worden. Die gehele reorganisatie van het staatsbestel zou door de koningin in een bij haar terugkeer uit te geven 14

141 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

proclamatie aangekondigd moeten worden. 'Dit stuk', aldus van Boeyen, 'moet sterk de indruk maken, welke wensen de Kroon voor ons volk heeft ... Het Koninklijk Gezag moet tot de ziel van het volk doordringen. Door dit staatsstuk moet den volke geleerd worden: het is de Kroon die regeert' - en onder 'de Kroon' verstond van Boeyen niet: koningin èn minister ofkoningin èn kabinet, maar louter de koningin als wier 'dienaren' ('knechten' van 'de baas') hij de ministers zag.

XCToen van Boeyen in maart '41 deze nota schreef, was in de ministerraad al gebleken dat ook in de visie van Gerbrandy de koningin boven de ministers stond, en dan niet alleen wat het ontslaan van ministers betrof (dat had hij op 6 februari in de 'regeringsverklaring' naar aanleiding van de Geers 'desertie' al duidelijk gemaakt), maar ook wat hun benoeming aanging. Uit de notulen van de kabinetsvergadering op 12 februari haalden wij reeds aan dat Steenberghe bezwaar maakte tegen 'de stelling dat voor ontslag van een minister geen verantwoordingsplicht bestaat'. In die vergadering ontspon zich evenwel (de notulen zwijgen er over) een heel 'debat over de ministeriële verantwoordelijkheid. Gerbrandy', zo noteerde van den Tempel in zijn dagboek, 'verkondigt dienaangaande zonderlinge opvattingen: de koningin beslist over aanblijven of ontslag van ministers ... Welter en Steenberghe verdedigen de bestaande constitutie. Wij' (Albarda en van den Tempel-zelf) 'ook, natuurlijk. welter fluistert mij tijdens de zitting toe: 'Dit is reeds de absolute monarchie.' '1

XCDe nota die van Boeyen in maart voor de Commissie-Terugkeer schreef, werd niet aan de koningin ter kennis gebracht. Wèl geschiedde iets anders iets dat veel belangrijker was. Begin april namelijk richtte Gerbrandy met betrekking tot het naoorlogse staatsbestelin diep geheim (zelfsvan Boeyen wist er niets van, evenmin Kasteel) een lange nota van 28 pagina's tot de koningin die hij op haar wens geschreven had en die voor haar persoonlijk bestemd was.

XCIn die nota'' stelde hij in hoofdstuk 1 als zijn eerste conclusie, 'dat het goed is', (na de bevrijding) 'met een parlementloze regering te rekenen,

1 Van den Tempel: 'Dagboek', p. 85-86 (12 febr. 1941). 2 Archief kab. der koningin.

142 [PDF]
GERBRANDY'S GEHEIME NOTA AAN DE KONINGIN

welke ca. acht maanden tot een jaar duurt' (daarbij tekende de koningin aan: 'geen termijn noemen aanvankelijk'). Er moest dan bij die bevrijding een koninklijke proclamatie komen, waarin zou staan, 'dat het de bedoeling is binnen acht tot twaalf maanden een frisse constitutionele regering te hebben' (de koningin: 'zeer goed'). 'Men kan', schreef Gerbrandy, 'de wens koesteren, de oude toestand te herstellenen na dat herstel trachten te komen tot betere staatkundige verhoudingen. Maar men kan ook de wens koesteren, zonder herstel van het oude direct na de overgang dadelijk nieuwe staatkundige verhoudingen te hebben... Ik zou willen adviseren het oog gericht te houden op het terstond na de overgang doen intreden van een verbeterde orde van zaken'

XC'goedgekeurd', schreef de koningin hierbij.

XCTer voorbereiding van de Grondwetswijziging diende, ging Gerbrandy voort, een staatscommissie onder voorzitterschap van een minister of van de minister-president ingesteld te worden; aan die commissie zou de vraag voorgelegd kunnen worden, 'of het te wagen is, zonder toepassing van de bestaande regeling met een herziening te komen, welke dan niet meer de spitsroeden van de bestaande herzieningsvoorwaarden' (goedkeuring met twee-derde meerderheid door een nieuw-gekozen parlement) 'behoeft te doorlopen. De vraag of zulks mogelijk is, zal in sterke mate afhangen van de gehele politiek-geestelijke toestand, waarin Nederland wordt aangetroffen. Een beleidvolle aankondiging kan veel doen' (de koningin: 'ja. Andere voorzitter, Beelaerts').

XCHet Londense kabinet moest, aldus Gerbrandy, 'op een zeker tijdstip van de terugkeer' aftreden (de koningin: 'onmiddellijk aftreden, plus proclamatie opmaken (ik)'). Er zou dan een symbolische plechtigheid kunnen plaatsvinden: in de Ridderzaal zouden de twee 'oude' Kamers bijeenkomen; daar zou de koningin meedelen 'dat de regering tijdelijk zonder parlement zou werken en dat een staatscommissie zou adviseren inzake de nieuwe Grondwet. 'De voorzitter van de Verenigde Vergadering', zo stelde Gerbrandy zich voor, 'legt een verklaring van instemming der vergadering af Discussies vinden niet plaats' (de koningin: 'Neen, lijkt op Berlijnse Rijksdag').

XCIn hoofdstuk 2 van zijn nota schetste Gerbrandy wat de hervorming van het staatsbestel diende in te houden. Er moest, al meende hij dat het op principes gegronde partijwezen een 'enorme zegenrijke invloed' had gehad, een einde komen aan de politieke versplintering; dat bijvoorbeeld antirevolutionairen en christelijk-historischen gescheiden waren, was 'uit een oogpunt van goede en principiële politiek volmaakt onverklaarbaar. De

143 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

heer van Boeyen heeft mij', deelde Gerbrandy aan de koningin mee, 'al jaren geleden beloofd, het verschil tussen deze partijen duidelijk te maken, hij is daarin tot op heden niet geslaagd.' Misschien zouden er één conservatieve en één vooruitstrevende partij komen, maar 'de historie' zou ten deze haar invloed kunnen doen gelden. Onderling verschillende partijen bleven intussen wèl nodig, 'goede politiek in een land waarin het volk meeleeft, en politieke partijen zijn onafscheidelijk' (de koningin was daar niet van overtuigd: 'Aansluiten aan oordeel dat men dan vindt').

XCWat de verhouding tussen de koningin en de ministers betrof, schreef Gerbrandy: 'De bewoordingen der Grondwet kennen alleen ministers die door de Koning naar welgevallen worden benoemd en ontslagen' (de betogen van Steenberghe, Welter, Albarda en van den Tempel hadden kennelijk geen enkele indruk op hem gemaakt) - van ontslag 'naar welgevallen' was, meende Gerbrandy, tot dusver alleen sprake geweest in het geval-de Geer (de koningin: 'in overgangstijd moet 't zo zijn. En later m.i. ook niet 't minste bezwaar'). Het was 'misschien nodig dat de invloed van de koningin op de keuze der ministers versterkt wordt' - daartoe zou de formateur telkens kunnen polsen of de koningin het met zijn keuze eens was. Onjuist zou het zijn indien zij het gehele regeringsbeleid tot zich zou trekken, 'maar wel zou in zeer cardinale aangelegenheden, ik denk bijv. aan de landsverdediging, de koningin ten bate van het land eigen oordeel als in sterke mate maatgevend voor het te volgen beleid moeten kunnen doen doordringen in het kabinet'; bijzondere vergaderingen van de ministerraad ('zulke waarin het uiteindelijk gaat om de grondslagen van het koninkrijk') zou zij voorts persoonlijk dienen te presideren. Ook de positie van de minister-president moest versterkt worden; elke formateur moest weten, 'dat zijn kabinet het vertrouwen van de Kamers kan behouden, maar ook, dat hij in staat is, het kabinet in de richting door hem met de koningin vastgesteld te leiden.'

XCCorporatieve instellingen wees Gerbrandy af ('de staat is staat en geen naamloze vennootschap, staatkunde is staatkunde en geen business') en het algemeen kiesrecht wilde hij handhaven, zij het dat hij 'de eisen aan de kiezers te stellen' wilde opvoeren en aan de gekozenen in de vertegenwoordigende lichamen benoemden wilde toevoegen - benoemden door 'die collectiviteiten in het land, die zich bewegen op enig terrein van het openbaar belang en die niet zijn staatsinstellingen ... Ik denk aan de bijzondere universiteiten en bijzondere handelshogescholen, aan instellingen als het Koloniaal Instituut, aan de grote kerkgenootschappen, aan bepaalde met name aan te wijzen instituten op het gebied van wetenschap, kunst en dgl.' Het stelsel van evenredige vertegenwoordiging wilde hij vervangen

144 [PDF]
GERBRANDY'S GEHEIME NOTA AAN DE KONINGIN

door een districtenstelsel en het recht van amendement wilde hij aan de Tweede Kamer ontnemen.

XCVerder bepleitte Gerbrandy o.m. nog dat de politie in één organisatie zou worden samengevat (de koningin: 'Ja. Met directeur aan het hoofd ... Recrutering van geheel uit militairen').

XCAls 'slotopmerking' schreef de minister-president:

XC'Aan het einde van de revue gekomen meen ik te mogen vaststellen,dat voor bijna alle voorgestane hervormingen het bestaande kader voldoende is en dat veel meer de geest der besturende personen en colleges beslissendis dan de wettelijke regelen. Een zeer beslisteuitzondering op deze regel vormt het kiesrecht in Grondwet en wet en de regeling van de defensiein de Grondwet'

XCwaarbij de koningin aantekende: 'de deur moet veel wijder openstaan.'

XCUit de door Gerbrandy eigenhandig geschreven brief d.d. II april '41 waarmee hij zijn nota aan de koningin aanbood, citeren wij nog dat hij er opnieuw op wees, 'dat het bestaande kader veel meer ruimte biedt tot versterking van het centrale gezag en tot het openen van de mogelijkheid voor Uwe Majesteit om op de gang van zaken invloed te oefenen en daaraan leiding te geven, dan aanvankelijk vermoed werd. In zoverre acht ik dit resultaat bevredigend dat daardoor voorkomen wordt het inluiden van een strijd tussen autoritairen en uiterste democraten.' In elk geval diende in de overgangstijd 'de leiding ... bij Uwe Majesteit zelf te berusten; uit te kijken naar wat 'men' wel of niet wil, schijnt mij in een verwarde wereld gevaarlijk' - waarbij de koningin, blijkbaar denkend aan de door Beelaerts te presideren staatscommissie, noteerde: 'de wensen moeten toch vrij naar voren gebracht worden.' 'Inzake de volksvertegenwoordiging is', schreef Gerbrandy tenslotte, 'veel meer te zeggen. Hier geldt met name, dat het voor een adviseur' (als zodanig beschouwde hij zich) 'van belang is, ook de persoonlijke inzichten van Uwe Majesteit te kennen.'

XCToen wij Gerbrandy inherinnerden aan zijn nota en aanbiedingsbrief en hem alles voorlazen wat wij in het bovenstaande opnamen, zei hij, kennelijk ter verdediging: 'Het stuk lag mij niet, maar ik had het gevoel: laat ik de koningin nu maar ter wille zijn.'Inderdaad, het valt op datGerbrandy,

'58 1 1 II juli I958.

145 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

Gerbrandy, terwijl hij toch in zijn voorstellen een gang van zaken en een staatsbestel bepleit had die fundamenteel van de Grondwet afweken, aan die voorstellen de conclusie verbonden had dat zij hoofdzakelijk in het 'bestaande kader' verwezenlijkt konden worden; daarom ook noemde hij het 'resultaat bevredigend'. Het was of hij, na zijn denkbeelden geformuleerd te hebben, met schrik geconstateerd had dat zij op een staatkundige omwenteling zouden neerkomen - die denkbeelden handhaafde hij, maar hij voegde er, misschien om zijn geweten tot rust te brengen, de onzinnige conclusie aan toe dat van die omwenteling geen sprake zou zijn.

XCHoe werd zijn nota ontvangen? Hij had het stuk, alvorens het aan de koningin voor te leggen, door Beelaerts laten lezen en deze had er mee ingestemd. 'De koningin', zo vertelde hij ons in '58,'was door mijn stuk erg teleurgesteld. Ze vond dat ik de oude partijen teveel de hand boven het hoofd gehouden had.' Inderdaad, hij had van de 'enorme zegenrijke invloed' van het op principes gegronde partijwezen gesproken (daarbij was het overigens gebleven) en ook wilde de koningin nog verder gaan dan hij, maar zou zij door zijn stuk 'erg teleurgesteld' zijn geweest? Misschien wèl door die onzinnige conclusie (daarop sloeg haar opmerking 'de deur moet veel wijder openstaan', anders gezegd: de Grondwet moet wel degelijk ingrijpend gewijzigd worden), maar zij moet overigens in Gerbrandy's nota heel veel aangetroffen hebben dat haar welkom was: een overgangstijd zonder parlement, het onmiddellijk 'doen intreden van een verbeterde orde van zaken', de mogelijkheid van een gedecreteerde Grondwetswijziging, de erkenning van haar recht, ministers 'naar welgevallen' te benoemen en te ontslaan, vergroting van haar invloed op het kabinetsbeleid - ja, Gerbrandy was zo ver gegaan dat hij ten aanzien van de naoorlogse volksvertegenwoordiging, waar 'veel meer' over te zeggen was, zijn eigen denkbeelden pas op schrift wilde stellen nadat hij háár inzichten had gehoord - zij mocht wel aannemen dat hij, als het tot dat nadere stuk kwam (dat is niet het geval geweest), met die inzichten terdege rekening zou houden. En dan vooral: de opsteller van de nota was niet een willekeurige minister, laat staan een willekeurige particulier, maar de ministerpresident, voorzitter van de ministerraad. Zij mocht er blijkbaar op rekenen dat hij haar in vèrgaande mate zou helpen, voor de overgangstijd dusdanige regelingen te treffen dat het pad geëffend zou zijn voor het 'vernieuwde' staatsbestel hetwelk haar voor de geest stond, en dat hij zich bovendien in algemene zin aan haar leiding zou onderwerpen.

XC

146 [PDF]
GERBRANDY'S GEHEIME NOTA AAN DE KONINGIN

XCVan de zomer van '40 tot begin '42 is de verhouding tussen de koningin en de minister-president uitstekend geweest. Er was tussen hen beiden bijna dagelijks telefonisch contact en inzake de belangrijkste beslissingen die genomen moesten worden, waren zij het eens. Hij waardeerde háár radiotoespraken - zij waardeerde de zijne (zij kreeg ze tevoren te lezen en stelde soms kleine wijzigingen voor). In de loop van '42 begon zich evenwel een verwijdering af te tekenen: de koningin ging Gerbrandy verwijten dat hij ambtgenoten die naar haar oordeel niet deugden, de hand boven het hoofd hield, dat hij zich ten aanzien van de regelingen voor de terugkeer niet hield aan de toezeggingen die zij in zijn nota van april ' 4I gelezen had, en dat hij bij meningsverschillen tussen hen beiden op allerlei punten voet bij stuk hield.

XCIn de eerste maanden van '42 kwam zij, evenals trouwens Gerbrandy, sterk onder de indruk van de persoonlijkheid van Steenberghe's opvolger Kerstens: deze leek haar de man die Nederland als minister-president nodig had. In de zomer van '42 vroeg zij hem of hij bereid was, de functie van Gerbrandy over te nemen die zich, zei zij, te vaak tegen haar verzette. Kerstens antwoordde dat ook hij steeds met zijn eigen verantwoordelijkheid rekening zou houden, en daar sprong de zaak meteen al op af

XCNadien drong tot verscheidene ministers door hoe negatief de koningin over hen dacht. Gerbrandy kwam tussen twee vuren te zitten. De koningin vergde van hem dat hij zijn kabinet grondig zou zuiveren (dat weigerde hij) en zijn ambtgenoten vergden van hem dat hij de koningin zou dwingen, haar ministers met respect te bejegenen (dat was hem onmogelijk). Het kwam op I maart' 44 tot een bewogen discussie in de ministerraad waarbij van tal van kanten scherpe kritiek geuit werd op het beleid en het optreden van de koningin door wie twee ministers (Kerstens, sinds lang uit de gratie, en van Angeren) zich persoonlijk beledigd achtten. Gerbrandy's aantekeningen voor het gedeelte van het betoog dat hij toen in algemene zin ter verdediging van de koningin hield, zijn in zijn eigen handschrift bewaard gebleven": zij luiden:

XC'Bepaalde kanten die niet verwaarloosd moeten worden:

XCI De moeilijke omstandighedenwaarin H. M. leeft oude raadgeversweg

1 Archief min. pres., map 'Ministeriële crises, febr.-juni 1944'.

147 [PDF]
KONINGIN EN MINISTER-PRESIDENT

glorie om te leven temidden van eigen volk weg huis en omgeving weg houdt niet van Engeland

XC2 De normale remmen werken niet: a geen publieke opinie b geen parlement c geen milieu.

XC3 Zoekt een eigen milieu Willeven temidden van de mensen Krijgt nu een zelfgemaakt milieu, waarin ze niet schiften kan. Heeft dat nooit geleerd (voorbeelden)

XC4 Vroegere persoonlijke verhoudingen [met ministers] ook niet steeds goed ... Heeft niet leren waarderen

XC5 Toch grootheid'

XCen dan menen wij aan deze aantekeningen de conclusie te mogen verbinden dat Gerbrandy, in zijn ambt gegroeid, toen een veel zuiverder en ook van menselijk begrip getuigende kijk op de koningin gekregen had, dat hij zijn vroegere bedeesdheid had overwonnen en dat hij, met erkenning van haar bijzondere kwaliteiten ('Toch grootheid'), niet meer de man was die in beginsel zijn eigen oordeel aan het hare ondergeschikt maakte. Dat blijkt ook uit de notulen van de vergadering van 1 maart' 44, want met betrekking tot punt 5 uit zijn aantekeningen ('Toch grootheid') staat daar: 'dat niettegenstaande aile moeilijkheden spreker respect heeft voor de grootheid van de koningin en hij herinnert aan 1940 toen in het kabinet verkeerde elementen zaten. De koningin is toen zeer kordaat opgetreden. Spreker meent dat wij veel netelige moeilijkheden zullen moeten aanvaarden tot normale omstandigheden teruggekeerd zijn' - 'normale omstandigheden', d.w.z. óók normale constitutionele verhoudingen.

XCGerbrandy had zijn denkbeelden uit '41 verre achter zich gelaten. Hij had de strijd met de koningin als een onvermijdelijk deel van zijn taakuitoefening leren zien. Gemakkelijk viel het hem niet, voet bij stuk te houden, maar hij deed het. Op weg naar de koningin verliet hij dan menigmaal de ministerraad met de woorden: 'Ik zal de paraplu maar vast opzetten om de bui op te vangen'l - nu, die bui was dar! niet mis, maar hij was er bestand tegen. Bij één gelegenheid kwam het tussen de koningin en hem tot een zo daverende ruzie dat mevrouw Verbrugge, toen ze vóór het eerstvolgende gesprek enkele woorden met hem wisselde, hem zei: 'Het was aller

XC1 Bolkestein: 'Herinneringen en beschouwingen',

148 [PDF]
GEEN EENDRACHT MEER

potsierlijkst, de vorige keer.' 1 Alle vertrouwen had de koningin toen in hem verloren. Als dr. J. M. Somer, hoofd van het Bureau Inlichtingen, wel eens zijn naam noemde, zei zij: 'Ik praat niet meer met dat mannetje'", en toen alle ministers begin' 45 hun ontslag ingediend hadden, deed ze haar uiterste best, van Kleffens tot de nieuwe minister-president te maken. Hij was het die toen (naast andere argumenten) onder haar aandacht bracht dat, al gegeven de uitstekende naam die Gerbrandy in de Geallieerde wereld had, het landsbelang vergde dat er geen wijziging kwam in het ministerpresidentschap. Aan dat landsbelang bracht zij het offer dat zij, hoewel met grote tegenzin, Gerbrandy de formatie-opdracht gaf - hij bracht het offer dat hij, opnieuwals minister-president optredend, staatkundige verantwoordelijkheid aanvaardde voor een kabinet dat in feite goeddeels door de koningin samengesteld was en dat zijn hart niet had. De bescherming-naarbuiten van haar persoon was toen een van de richtsnoeren van zijn handelen geworden: wat er in Londen misgegaan was en tot latere kritiek aanleiding kon geven, moest aan hèm, niet aan háár aangewreven worden. 'De koningin', zo placht hij..in vertrouwde kring te zeggen, 'moet terugkomen zo blank als sneeuwen dan mag ik er best uitzien als een moriaan.P

XCZoals de publieke opinie in andere landen en zoals ook het Nederlandse volk het toen zag, hadden koningin Wilhelmina en prof. Gerbrandy samen en in eendracht het Koninkrijk der Nederlanden door de zware storm geloodst - samen stellig, maar de eendracht was van '42 af ver te zoeken geweest. De koningin heeft de man die naast haar op de brug was gaan staan, na zijn aftreden als minister-president (24 jlU1Ï '45) niet éénmaal meer willen zien. Onvermijdelijk bleven zij wèl in elkaars gedachten leven. Toen Gerbrandy op zijn sterfbed lag, mompelde hij kort voor zijn overlijden opeens: 'Wilhelmina - ik wil haar nog wat zeggen!'Wat hij wilde zeggen, kon hij niet meer onder woorden brengen." Na zijn dood (7 september '61) zond Wilhelmina aan zijn weduwe het volgende telegram: 'Betuig u mijn hartelijke deelneming in het verlies dat u geleden heeft. In dankbare herinnering zal steeds bij mij voortleven het vele, dat uw echtgenoot in moeilijke omstandigheden gedaan heeft."

XC'Hartelijke deelneming', 'dankbare herinnering': zij had zichzelf overwonnen en posthuum de verdiensten erkend van de man die haast op de dag af een-en-twintig jaar tevoren zijn zwaarste levenstaak aanvaard had zwaar vooral door de worsteling die hij telkens met háár had moeten voeren.J.

1 Gerbrandy, 2 jan. 1956. 2 M. Somer, 5 sept. 1957. 3 M. Sluijser, 14 dec. 1956. • H. H. Felderhof en C. A. M. Middelhoff: (1963), p. 265. 5 A.v.

149 [PDF]

Hoofdstuk 3: Gerbrandy's eerste jaar

XC

XCOp de dag waarop de formatie van het eerste kabinet-Gerbrandy bekendgemaakt werd, 4 september 1940, hield Hider in Berlijn een toespraak waarin hij aankondigde dat hij in Engeland zou landen en dat hij, afgezien daarvan, Londen en de overige grote steden van Engeland met de bommenwerpers van de Luftwaffe zou 'ausradieren' ('uitvlakken') - dat was het woord dat hij bezigde. In augustus had de Luftwaffe ter voorbereiding van een Duitse invasie systematisch de vliegvelden van de Royal Air Force in zuidoostEngeland bestookt, zij was er evenwel niet in geslaagd, deze volledig uit te schakelen. Overdag werden die aanvallen in september voortgezet, maar de Duitse jagers leden daarbij zo zware verliezen dat dit onderdeel van het Duitse offensief afgebroken moest worden: the Battle of Brita in werd Hiders eerste nederlaag. De nachtelijke bombardementen werden nadien verhevigd en vooral Londen kreeg het bij die Z.g. Blitz zwaar te verduren. Bijna tien weken lang, van 7 september tot 13 november, werd de Britse hoofdstad elke nacht gebombardeerd. Het regende dan brisanten brandbommen en ook grote aantallen 'luchtmijnen' werden afgeworpen: zware brisantbommen die aan parachutes daalden en die ontploften zodra zij de grond of een gebouw raakten. De 'gewone' brisantbommen ontploften niet alle onmiddellijk: er waren tijdbommen bij die zich diep in de bodem drongen en pas na vele uren ontploften - voordien had men dan in allerijl de huizen in de buurt moeten ontruimen.

XCEr vielen in die twee maanden in Londen ca. vijftienduizend doden en meer dan twintigduizend Londenaren raakten zwaargewond. Het normale leven werd danig verstoord. In de ene stadswijk na de andere viel voor een bepaalde periode de electriciteit, het gas of de waterleiding uit. Zodra het donker werd, reden er geen bussen meer en werd ook het verkeer in de Underground goeddeels stopgezet: op enige afstand van het centrum kwamen alle lijnen namelijk boven de grond en daar kon vaak niet meer gerangeerd worden; bovendien konden, zodra er luchtalarm was, de treinen van de Underground niet meer onder de Theems doorrijden: daar werden de tunnels dan onmiddellijk afgesloten, want als daar één bom een tunnel zou raken, zou het gehele ondergrondse deel van het net vol water lopen. A vond na avond gingen tienduizendenen Londenaren op de perrons van de Under ground slapen; het was er veilig, zij het benauwd en hoogst primitief

150 [PDF]
DE 'BLIT Z'

(er werden na enige tijd metalen ledikanten en nood-toiletten geïnstalleerd), tienduizenden anderen brachten de nacht in de stenen schuilkelders door die zich aan de openbare weg of onder grote gebouwen bevonden; de meeste mensen bleven evenwel thuis. Zij hoorden het alarm van de huilende sirenes, het ronken van de Duitse bommenwerpers, de ontploffingen van de granaten van de luchtafweer (en het neerkletteren van granaatscherven), het omlaagfluiten en het inslaan van brand- en brisantbonunen, het aansnellen van auto's van de brandweer, de eerste-hulp, de technische dienst - en was weer een nieuwe dag aangebroken, dan zagen zij, op weg naar hun werk, nu hier dan daar nieuwe ruïnes waar grote ploegen aan het werk waren om slachtoffers uit te graven.! Er was bij dat allesgeen spoor van paniek, de stemming bleef vastberaden, men voelde zich gesterkt door het besef dat Hitler het nog steeds niet op een invasie had durven laten aankomen en dat er geen schijn van kans was dat hij met zijn nachtelijke bombardementen het Britse volk op de knieën zou dwingen.

XCOok de Nederlanders die in Londen werkten, pasten zich zo goed mogelijk aan. Verscheidenen zonden hun gezinnen naar rustiger oorden of verhuisden naar verre Londense buitenwijken; zo nam een deel van de staf van Buitenlandse Zaken zes maanden lang zijn intrek in een groot huis in Ascot (zie kaart I op pag. 35) voor het dagelijks vervoer werd een autobus gehuurd.ê Er kwam, voor wie daar in de weekends gebruik van wilde

1 de Nederlandse hervormde kerk (het fraaie gebouw dateerde, gelijk reeds vermeld, uit de veertiende eeuw), werd medio oktober door een lucht mijn volledig verwoest. In het notulenboek der hervormde gemeente schreef ds. van Dorp 0.111.: 'Dat het nageslacht nirnmer vergete dat de verschrikkingen en het leed van maandenlange luchtbombardementen niets te achten zijn bij de smart over het verlies onzer onafhankelijkheid; want Vrijheid is het hoogste goed.' (J. van Dorp: (1946), p. 96) 2 Niet zonder jaloezie zag ik aan het eind van elke middag die autobus vertrekken: ik kon Londen niet uit. De toespraken welke Radio Oranje uitzond, werden in die tijd in de regel op grammofoonplaten vastgelegd, maar er moest al voor de aankondigingen elke avond een staflid van Radio Oranje bij de uitzending aanwezig zijn: dat was een van mijn vaste taken. De studio's van de lagen in het centrum van Londen. Ik reed na afloop van elke uitzending met een auto van een particuliere taxi-onder neming door de uitgestorven straten van de verduisterde wereldstad naar Hamp stead waar mijn vrouwen ik woonden. Niet onvermeld blijve dat ik tijdens de na een nacht van zware bombarde menten vanuit de bus die mij naar mijn werk bracht, een sigarenwinkeltje pas seerde waarvan de pui weggeslagen was. In die tijd, waarin veel kantoren uit Londen geëvacueerd waren, placht men bij zaken die er gebleven waren, buiten een bordje aan te brengen: maar de sigarenwinkelier had er iets beters op bedacht: las ik.

151 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

maken (maar dat deden slechts weinigen), naast het eerste Nederlandse rusthuis: Croome Court, een tweede: Dogmersjield Park bij Odiham in Hampshire.' Koningin Wilhelmina bracht van begin september af de nacht veelal in de als zeer veilig bekend staande schuilkelder onder het Claridge Hotel door; enige tijd later ging zij in het al vermelde Stubbil1gs House bij Maidenhead wonen. Gerbrandy bleef in Brown's Hotel - hij is, voorzover ons bekend, de enige Nederlandse minister geweest die de Blitz in het centrum van Londen getrotseerd heeft. Dat wil niet zeggen dat niet ook anderen velerlei ongemak ondergingen en risico's liepen. Trouwens, midden januari (de nachtelijke bombardementen hadden toen een minder geregeld karakter aangenomen) plofte een zware bom vlakbij Stratton House neer zodat een deel van de regeringskantoren waar geen raam meer in de sponning zat, een tijdlang onbruikbaar was.

XCMen had kunnen veronderstellen dat de grote strategische overwinning die de Royal Air Force in de Battle of Britain behaald had, en vooral ook het feit dat president Roosevelt op 5 november voor zijn derde ambtstermijn gekozen was, een einde zouden hebben gemaakt aan alle verdeeldheid in de kring der Nederlandse ministers. Dat was echter niet het geval.

Nieuwe verdeeldheid

XC

XCIn hoofdstuk I gaven wij weer dat enkele ministers (van Kleffens. Dijxhoorn, Steenberghe, van den Tempel en Welter) er in juli-augustus '40 toe waren overgegaan, nota's te schrijven of lange beschouwingen te houden over de internationale situatie en de conclusies die men daaraan, wat Nederland betrof, verbinden moest. Na september kwam het opnieuw tot lange stukken: nota's van Albarda en Steenberghe.

XCOver Albarda's nota d.d. 19 november- kunnen wij kort zijn: hij meende dat de Duitsers en Italianen al oorlogsmoe waren en dat een groots plan voor een naoorlogse reconstructie van Europa, door Engeland op te stellen en te publiceren, een ineenstorting van Duitsland en Italië zou bewerkstelligen hij stelde zijn nota (een rijkelijk optimistisch stuk) in de ministerraad echter niet ter discussie, sprak er wèl over met Clement Attlee, de leider van de Labourparty die in mei zitting genomen had in Churchills War Cabinet, maartot eind' 44 als herstellings- en recreatie-oord in gebruik gebleven. 2 Tekst: Enq., dl. II b, p.

1 dat door de zorgen van minister Dijxhoorn ingericht was, is

152 [PDF]
STEENBERGHE'S NOTA (OKTOBER '40)

Churchill voelde niet voor een bekendmaking als door Albarda bepleit, omdat het, aldus later Albarda (dat had hij van Attlee vernomen), 'zou kunnen worden opgevat als een bewijs van zwakheid en dus om psychologische redenen moest worden nagelaten.'!

XCBij de nota van Steenberghe moeten wij iets langer stilstaan en dit vooral daarom omdat zijn stuk d.d. 29 oktober P tot een lange discussie in de ministerraad leidde.

XCMet zijn nota beoogde Steenberghe 'de gevolgen na te gaan, welke een voortgezette strijd op leven en dood voor ons land zal hebben en welke houding zou zijn aan te nemen tegenover een vrede door overleg, wanneer het sluiten ervan op aannemelijke voorwaarden, inclusief het voorkomen van nieuwe aggressie, mogelijk zou blijken.' Steenberghe constateerde dat Engeland sterker was komen te staan, maar hoe kon het de oorlog winnen? Een voortgezette blokkade zou, wat Duitsland betrof, ineffectief blijken maar wellicht het Nederlandse volk 'in volkomen wanhoop een welwillende houding tegenover Duitsland (doen) aannemen', en gingen de Engelsen tot een invasie van Europa over, 'dan (zou) in ons land geen steen op elkaar blijven staan.' Een 'guerre à outrance was voor Steenberghe alleen aanvaardbaar, indien Duitsland 'zich de rol toegedacht acht om de bestaande wereldorganisatie omver te werpen' - daarvan was hij niet overtuigd; hij hield het integendeel voor waarschijnlijk dat Duitsland en Italië bereid zouden zijn, 'eieren voor hun geld te kiezen.' Wat zou Engeland dan doen? 'Mocht de Britse regering ... in een strijd op leven en dood haar enige heil zien, ... dan zou een conflict in oorlogsdoel moeten worden geconstateerd', meende Steenberghe, want zulk een strijd was, tenzij hij onontkoombaar genoemd moest worden (en dat kon, dacht hij, slechts blijken bij onderhandelingen), niet in het belang van Nederland.

XCToen deze beschouwing (die er op neerkwam dat de Nederlandse regering aan de Britse zou gaan meedelen dat zij zeer geïnteresseerd was in een vrede door overleg) op IS november in de ministerraad in discussie kwam, betoogde Dij:xhoorn, die als eerste het woord nam, dat een Duitse invasie van Engeland misschien wel kans van slagen had, maar dat in elk geval een Britse invasie van het Continent uitgesloten was; het aansturen op 'een vrede door overleg' was dus 'harde noodzaak', maar daarmee hoefde men, aldus Dijxhoorn, geen haast te betrachten, eerst moest Duitsland 'klein' worden gemaakt.ê Niet ten onrechte verweet hem toen Welter dat hij 'terugJ.

1 Getuige Albarda, a.v., dl. II c, p. II3. 2 Exemplaar in Collectie van den Tempel, r. 8 Dijxhoorn: Aantekeningen voor zijn betoog in de ministerraad op nov. 1940 (Collectie-Dijxhoorn, kopieën en dubbelen, no. 7).

153 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

geweken (was) voor de conclusies van zijn eigen stellingen.' Welter schaarde zich van ganser harte achter het betoog van Steenberghe, 'die', zei hij,

XC'het nationale doel op de voorgrond teruggebracht heeft. Dat nationale doel stond bij de formatie van dit kabinet op de voorgrond, maar het is goed daaraan te herinneren, Spr. heeft de indruk dat sommigen van die doelstelling afwijken, bijv. als geëist wordt, dat het Naziregime weg moet. Welk percentage van het Nederlandse volk zou hiervoor de oorlog willen voortzetten, indien de onafhankelijkheid van Nederland verzekerd kon worden? ... In het conflict tussen de beide wereldmachten, Engeland en Duitsland, hebben wij geen rol te spelen'

XCtrouwens, zei Welter, niet hij alléén achtte 'een spoedige vrede uitermate wenselijk', maar ook van Starkenborgh, de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië, deed dat, althans 'zodra Nederlands onafhankelijkheid verkrijgbaar is' (wij komen straks op van Starkenborghs standpunt terug).

XCNaast Welter sprak alleen van Rhijn zich in de geest van Steenberghe's voorsteluit, zij het dat hij geen 'formele verklaring' aan de Britse regering wilde doen - Albarda (die óók de Britse regering wilde benaderen, maar dan voor het andere plan dat wij al weergaven) hield zich op de vlakte, van Boeyen, Bolkestein en van den Tempel spraken zich tegen de door Steenberghe bepleite stap uit, en toen de discussie op de rode voortgezet werd, bleek ook van Kleffens daar niet voor te voelen: 'men moet nooit zich begeven in discussies op grond van hypothesen', waarschuwde de minister van buitenlandse zaken, 'dit is een regel voor de diplomatie.' Gerbrandy ging verder: de minister-president meende dat Steenberghe (die immers aangenomen had dat Duitsland en Italië tot overleg bereid zouden zijn) van een hypothese was uitgegaan' die zich niet zal verwezenlijken. Belangrijke beslissingen kan men niet op hypethesen doen rusten. Vrijheid en onafhankelijkheid en verdwijning [van] aggressie zijn alleen bereikbaar als Duitsland de strijd verliest.' Steenberghe had, meende Gerbrandy, in zijn nota 'de diepgang van de oorlog niet gepeild.'

XCHet slot van het lied was dat, nadat Steenberghe zijn denkbeelden nog eens had toegelicht, niet zonder nieuwe anti-Engelse passages in zijn betoog in te vlechten ('Spr. gelooft dat Engeland slechts een belangenstrijd voert en geen ideologische strijd, zodat het ons best in de steek zou kunnen laten, als zijn belangen dat meebrengen'), een voorstel van Steenberghe om tot 'een uitspraak' te komen, door voorzitter Gerbrandy terzijde gelegd werd. Daarna verklaarden Steenberghe en Welter uitdrukkelijk, 'het met deze afloop van de discussie niet eens te zijn."

XC1 Ministerraad: Notulen, IS en 19 nov. 1940 (DBPN, C, dl. II, p. 36-39 en 64-68).

154 [PDF]

XCVooral welter nam die afloop hoog op. Zijn wantrouwen jegens de Engelsen was nog groter dan dat van Steenberghe, bovendien benauwde hem, zoals wij al in hoofdstuk I betoogden, de bedreigde positie van Nederlands-Indië. Hij beschouwde het als een ramp dat de Engelsen zo halsstarrig waren om de oorlog voort te zetten zonder op welke wijze ook contact met Hitler te zoeken - de toon van de gesprekken in de ruimten van Stratton House, waar Welter met zijn hoofdambtenaren werkte, bleef uitgesproken defaitistisch. 'Ook ik', zo noteerde Hart (die in Londen met Welter een flat betrokken had) op I december in zijn dagboek,

XC'ben warm voorstander van een vrede door vergelijk - als Nederland volkomen onafhankelijk kan worden; ik blijf het vreselijk vinden, deze oorlog voort te zetten! ... Maar Welter en vooral Peekema zijn veel te zeer ingesteld op een 'accoordje' met Duitsland, kankeren op de Engelsen en op alles wat die doen en nalaten ... Zij gispen ook wel wat de Duitsers doen, maar toch met een soort intellectuele bewondering, die mij soms razend maakt. Als ik verhuis ... dan laat ik de minister ... geheel aan Peekema over en dan kunnen er gekke dingen gebeuren; dit is ook de opinie van Steenberghe en enkele anderen en daarom blijf ik maar in Welters buurt, maar 't is vaak een hele zware wissel op mijn zcnuwen.l"

XCVan Welter en zijn defaitistische omgeving werd door velen in het N ederlandse milieu schande gesproken. Medio december ried prins Bernhard, die via van 't Sant door MI-5 benaderd was, de minister en vier zijner hoofdambtenaren, onder wie Hart, schriftelijk aan, zich in hun uitlatingen te matigen: waren zij Engelse staatsburgers, dan zouden zij, zo citeerde Hart de prins, 'allang ... zijn opgesloten." De waarschuwing hielp niet: in een brief die hij nog geen vier weken later aan de Geer zond (deze verbleef toen in Lissabon), uitte Welter het vertrouwen, 'dat deze onzalige krijg, omdat hij zichzelf in het absurde heeft gevoerd, spoedig zal worden besloten.é

XCDán te bedenken dat de man die de oorlog als 'absurd' was gaan zien, in een kabinet dat oorlog moest voeren, niet slechts minister van koloniën maar ook (in die periode) minister van fmanciën was! Dat bleef ook niet zonderJ.

1 Begin april '41, na de omzwaai van Joegoslavië, was Hart van dit tekort aan strijdvaardigheid geheel genezen. 'Ik doe mijn werk', schreef hij toen in zijn dagboek, 'tegenwoordig met maar één conceptie: We overwinnen, omdat we overwinnen.' G. H. C. p. 276). 2 A.v., p. 208. 3 A.v., p. 215. 4 Welters brief d.d. 7 januari '41 wordt geciteerd in de Geers antwoord d.d. I februari: dat was de brief waarin de Geer meedeelde dat hij op het punt stond naar Nederland terug te reizen. (tekst in D. de Geer: (1946), p. 27-28)

155 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

gevolgen: eind januari kondigde Welter in de ministerraad aan dat hij met 'voorstellen tot drastische bezuinigingen' zou komen, 'er zal vooral op de militaire uitgaven moeten worden bezuinigd', 'de oproeping van dienstplichtigen in allerlei landen acht spr. financieel uiterst bedenkelijk' en 'nieuwe aanschaffingen en versterking van de vloot acht spr. in het tweede halfjaar niet meer te betalen.'! De notulen van de ministerraad vennelden niets van Gerbrandy's reactie, maar er is weinig fantasie voor nodig om zich die voor te stellen.

XCEr zijn in die tijd op ministerieelniveau nog drie andere kwesties aan de orde geweest, welker behandeling tot diepgaande en kenmerkende verdeelheid leidde: het bieden van financiële hulp aan Engeland, (opnieuw) de verplaatsing van de regeringszetel naar Nederlands-Indië, en de zaak van de in Indië geïnterneerde Rijksduitsers en de in Buchenwald opgesloten 'Indische gijzelaars'. Aan die laatste zaak zullen wij straks een aparte paragraaf wijden.

XCWat de eventuele financiële hulp aan Engeland betrof: deze werd door de Engelsen gevraagd omdat zij in die tijd krachtens de bepalingen van de Amerikaanse neutraliteitswet voor alles wat zij in de Verenigde Staten bestelden, in goud of deviezen moesten betalen. In de herfst van '40 stond vast dat Engeland met die bestellingen in Amerika spoedig volledig zou vastlopen. Vier Geallieerde regeringen beschikten over goudreserves: de Nederlandse, de Noorse, de Tsjechische en de Belgische." Tot de Nederlandse werden in oktober door de Britse minister van financiën Sir Kingsley Wood twee verzoeken gericht: kon zij Engeland de beschikking geven over f ISO mln aan Nederlands goud (goud van het onder de regering ressorterend Egalisatiefonds van Financiën en een deel van het onder A I vallend goud van de Nederlandse Bank dat zich in de kluizen van de Bank of England bevond) en kon zij goedvinden dat het gehele handelsverkeer met Nederlands-Indië voortaan verrekend werd in ponden sterling? Dat tweede verzoek was onaanvaardbaar en dat maakte Welter in zijn eerste bespreking met Kingsley Wood al duidelijk: Nederlands-Indië moest grote

1 Ministerraad: Notulen, 28 jan. 1941. 2 Aanvankelijk bevonden zich in Londen slechts de Belgische ministers van financiën en van koloniën; bij hen voegden zich eind oktober de minister-president, H. Pierlot, en de minister van buitenlandse zaken, P. H. Spaak. Koning Leopold III was in België gebleven.

156 [PDF]
ENGELAND VRAAGT GOUD AAN NEDERLAND

defensie-orders in de Verenigde Staten plaatsen en had dus óók dollars nodig - Kingsley Wood zag daar de redelijkheid van in en trok het tweede verzoek spoedig in, maar het eerste handhaafde hij. De reactie van het kabinet was aanvankelijk nogal negatief, waarbij vooral Steenberghe ('acht bij deze zaak de souvereiniteit van Nederland betrokken") en van Rhijn bezwaren ontwikkelden; bij de formatie van het kabinet-Gerbrandy was immers afgesproken dat voor het naoorlogs herstel van Nederland grote voedselvoorraden aangekocht zouden worden en voor die aankopen in N oord- en Zuid-Amerika had men dollars nodig. Men werd het er tenslotte over eens, Engeland een voorschot aan te bieden. Dat was voor Kingsley Wood niet zo aantrekkelijk: een voorschot zou immers in goud terugbetaald moeten worden. Op I2 november zei Welter in de ministerraad dat Kingsley Wood bleef aandringen op 'verkoop van al ons goud aan Engeland'2 - verkoop tegen ponden sterling.

XCTwee dagen later, I4 november, stelde van Kleffens het kabinet in kennis van een van het Foreign Office ontvangen concept voor een verklaring, af te leggen door de regeringen van Engeland, de landen van de Britse Common wealth, België, Luxemburg, Nederland, Noorwegen, Polen en Tsjechoslowakije, waarvan punt I luidde, 'that they will continue the struggle against German and Italian oppression until victory is won, and will mutually assist each other in this struggle to the utmost o] their respective capacities.' Gerbrandy achtte die verklaring 'zeer goed', maar Welter en Steenberghe hadden bezwaren en de tekst (waartegen men zich in beginsel moeilijk verzetten kon) werd pas goedgekeurd, nadat er overeenstemming over was bereikt, 'dat wij', zo drukte Gerbrandy het uit, 'zelf beoordelen wat binnen onze capaciteiten ligt. Wij kunnen op grond van de resolutie niet worden gedwongen tot dingen die wij onmogelijk achten, zoals afstand van het goud." Maar Kingsley Wood liet niet los. Enkele dagen later richtte het Foreign Office via de gezant het formele verzoek tot het kabinet, het in Canada liggende goud aan Engeland te verkopen (tegen ponden sterling dus) en Kingsley Wood hoopte dat het goud van de Nederlandse Bank in een later stadium eveneens ter beschikking gesteld zou kunnen worden 'for financing the vital requirements ill the USA of the Allied cause." Welter begreep dat hij dat verzoek niet vlakweg kon weigeren, maar hij maakte Kingsley Wood duidelijk dat het bij f IOO mln moest blijven, vroeg om garanties voor terugbetaling na de oorlog (in goud) en drong er op wens van Steenberghe op aan dat de

1 Ministerraad: Notulen, 29 okt. 1940. 2 A.v., 12 nov. 1940. 3 A.v., 14 en nov. 1940. 4 Brief, 17 nov. 1940, van het aan de Nederl. legatie C, ell. II, p. 49).

157 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

Engelse regering zich bij wijze van contraprestatie bereid zou verklaren, er voor te zorgen dat Nederland een aandeel kreeg in de schepen die op Amerikaanse werven gebouwd werden. Op deze grondslag besloot het kabinet op 24 december met algemene stemmen, aan Engeland f 100 mln aan goud ter beschikking te stellen. 'Ik kreeg de indruk', tekende van den Tempel aan, 'dat Steenberghe en van Rhijn het voorstel ... slechts node aanvaardden. En Welter? Hij had eerst politieke besprekingen aan de transactie willen verbinden en Steenberghe (Welter niet) had onderpand willen vragen uit de Engelse effectenvoorraad in de Verenigde Staten. Ik had mij ... dadelijk tegen dit tweevoudige denkbeeld verzet. De grote meerderheid van de ministerraad was ... blij dat op deze wijze aan de Engelse wens en aan de momentele Engelse nood kon worden tegemoetgekomen.' 1

XCDe toezegging behoefde niet gehonoreerd te worden: tussen Kerstmis en Nieuwjaar deed Kingsley Wood weten dat Engeland het Nederlandse goud niet meer nodig had ('dat is voor ons allen een grote opluchting', noteerde Hart 2); de Britse minister ging er toen namelijk van uit dat het denkbeeld dat president Roosevelt twee weken tevoren gelanceerd had: dat de Verenigde Staten alles wat Engeland en zijn bondgenoten nodig hadden, voor eigen rekening zouden laten vervaardigen en vervolgens aan de Geallieerden zouden 'lenen', door het Congres aanvaard zou worden."

XCWij tekenen bij dit alles aan dat de Belgische regering, die ruim bij kas was", f 450 mln aan goud aan Engeland heeft geleend (en in de loop van de oorlog heeft terugontvangen), dat de Noorse regering geweigerd heeft, haar f 100 mln aan goud (een kleine reserve dus) aan Engeland ter beschikking te stellen, dat de voorlopige Tsjechische regering (die als 'voorlopige' het zwakst stond) haar f 50 mln aan goud tegen ponden sterling aan Engeland heeft verkocht, en dat, wat de Nederlandse f 100 mln betrof (dat was maar een deel van de ca. f 350 mln aan goud en dollardeviezen waarover de regering op dat moment in totaal de beschikking hadl), voordat aan Engeland een defmitieve toezegging was gedaan, met Nederlands-Indië de afspraak gemaakt was dat dit overzeese gebiedsdeel desnoods de helft van het bedrag voor zijn rekening zou nemen.

XC1 Van den Tempel: 'Dagboek', p. 42-43. 2 Het dagboek van dr. G. H. C. Hart, p. 230. 3 De Amerikaanse Lend-Lease-Act werd op II maart '41 afgekondigd. • Door de verkoop van koper en kobalt beschikte de BelgischeKongo over grote

158 [PDF]
ALSNOG VERPLAATSING VAN DE REGERINGSZETEL?

De verplaatsing van de regeringszetel naar Nederlands-Indië was in juni-juli onder ogen gezien; zeven ministers waren vóór geweest, vier (Albarda, Bolkestein, Gerbrandy, van den Tempel) tegen, maar die verplaatsing was niet doorgegaan doordat koningin Wilhelmina haar medewerking geweigerd had; vervolgens had het kabinet eerst geweigerd, háár denkbeeld te aanvaarden dat een delegatie uit de ministerraad naar Indië zou vertrekken, nadien dat denkbeeld toch in beginsel goedgekeurd, maar ook daar was niets van gekomen doordat gouverneur-generaal van Starkenborgh begin augustus had doen weten dat hij de overkomst van slechts een deel van het kabinet zinloos achtte.

XCDat laatste nam niet weg dat van Starkenborgh de overkomst van de gehele regering als bij uitstek noodzakelijk bleef beschouwen: de veiligheid van Nederlands-Indië was zijn grootste zorg, hij vreesde (rnèt Welter) dat een volledige identificatie van Nederland met Engeland de anti-Nederlandse krachten in Japan in de kaart zou spelen en hij was er dus voorstander van dat de Nederlandse regering haar onafhankelijkheid zou onderstrepen; voorts meende hij dat een vrede door vergelijk moest worden nagestreefd, zij het dat deze voor hem alleen aanvaardbaar was indien Duitsland Nederland zou ontruimen en volledig vrij zou laten; zonder zich af te vragen wat dat voor de Tsjechen en Polen zou betekenen, had hij er geen bezwaar tegen indien Duitsland dan een deel van zijn veroveringen in Centraalen OostEuropa behield. Wij nemen aan dat van Starkenborgh wèl wilde opkomen voor het herstel van de onafhankelijkheid van Denemarken en Noorwegen, maar hij noemde die twee staten niet toen hij op 30 september een lang telegram tot Welter richtte.' Daarin merkte hij op, "prime", dat hij 'van het uitnemend Rijksbelang der vestiging van koningin en regering in Indië zo mogelijk nog meer overtuigd' was dan begin augustus:

XC'argumenten voor deze vestiging zijn meer klemmend naarmate de oorlog langer duurt.

XCSecundo. Een spoedige vrede is uitermate wenselijk zodra volledig herstel der Nederlandse souvereiniteit verkrijgbaar is, doch dit is dan ook een volstrekte eis. Alsdan is een vrede bij vergelijk verkiesbaar boven oorlogsvoortzetting tot de vernietiging van de Duitse macht, zelfs indien bereikbaar, aangezien:

XCEerstens. Zodanige vernietiging kwalijk denkbaar is zonder heilloze ontreddering van het vasteland van Europa waaraan de Nederlandse stabiliteit en economisch welzijn eng verbonden zijn.

1 Tekst: dl. II b, p. 230. Welter zei op IS november in de ministerraad dat hij van van Starkenborgh een 'brief' ontvangen had; die brief is, naar wij veronder stellen, een uitwerking geweest van het telegram d.d. 30 september.

159 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

XCTweedens. Werkelijke zelfstandigheid van Nederland bezegelt ons oorlogsdoel. Dit is niet gediend door het beheersen van West- en Centraal-Europa door één mogendheid, ook niet indien deze mogendheid Engeland is, of door deling van het leiderschap tussen Engeland en Rusland.

XCDerdens. Droevige vooruitzichten van het moederland in de komende winter geven dringende reden tot spoed.

XCVierdens. Staatkundig en economisch is de wederinvoering van Nederland en Indië in een gemeenschappelijk verband een hoogst ernstig probleem, hetwelk steeds moeilijker oplosbaar wordt, naarmate scheiding van beide Rijksdelen en de onbevredigende positie van het Opperbestuur langer duren, en ook naarmate het moederland door een gerekte oorlog bij vredesherstel meer uitgeput en in verwarring zal zijn.

XCVijfdens. Positie van Indië tegenover Japan is na herstel van de betrekkingen met het moederland krachtiger, terwijl uiteraard de staking der vijandelijkheden in Europa de machtsverhoudingen in Azië fundamenreel zou wijzigen.

XCZesdens. Deze overwegingen zijnniet in strijd met afkeer van Duitse ideologie en ik vertrouw dat een vrede bij vergelijk, ook al brengt deze Duitsland enig voordeel, vooral in Oost-Europa, wegens het missen van het grootsprakig verkondigd oorlogsdoel het Nazi-regime geenszins zal sterken; integendeel zal het prestige daarvan bij geleden en nog te lijden ellende ernstig in eigen land verzwakken; besmettingsgevaar is in ons land na de ervaring met de bezetting niet aanwezig.'

XCDeze gedachtengangen stemden volledig met die van Welter overeen, maar Welter wist dat de koningin althans in juni en juli het standpunt ingenomen had dat verplaatsing van de regeringszetel voor haar onaanvaardbaar was. Of Welter dat opnieuwonder van Starkenborghs aandacht gebracht heeft, weten wij niet - in elk geval hield deze vol en toen hij in november in Indië bezoek ontving van Pelt, hoofd van de Regeringsvoorlichtingsdienst te Londen 1, gaf hij deze een memorandum mee, 'Vestiging van de Nederlandse regering in Nederlands-Indië ", waarin hij de argumentatie uit zijn telegram aan Welter herhaalde, maar het element: de regering moet zich niet met Engeland identificeren, nu duidelijk onderstreepte: 'zij zou' (bij verplaatsing)

XC1 Pelt was door de regering naar Indië gezonden om te bereiken dat in New York een Nederlands Informatiebureau zou worden opgericht dat voor de helft door de Londense regering, voor de helft door het Indische gouvernement betaald zou worden. Dat werd goedgevonden; hoofd van het bureau in New York werd dr. N. A. C. Slotemaker de Bruïne, een zoon van de oud-minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen. Slotemaker was in Indië zendingsconsul geweest maar was in '35 directeur geworden van het Indische persbureau Aneta. 2 Tekst: Enq., dl. II b, p. 231.

160 [PDF]
ALSNOG VERPLAATSING VAN DE REGERINGSZETEL?

'in binnen- en buitenland het geloof versterken dat zij (alleen van de algemene constellatie afhankelijk) naar zelfstandig inzicht koerst [en] naar dat inzicht met name ook mate en duur van haar samenwerking met de Britse bondgenoot bepaalt. Zij zou steviger staan ook tegenover die bondgenoot zowel in de oorlog als bij de vrede ... (Zij) zou een bedenkelijke tendens tot vereenzelviging met vreemde belangen tegengaan en voedsel toevoegen aan het nationaal gevoel dat het eigene boven alles stelt.'

XCNatuurlijk moest van Starkenborgh aannemen dat het denkbeeld, de regeringszetel te verplaatsen, opnieuwafgewezen zou worden - in dat geval leek het hem aanbevelenswaardig dat van Kleffens en Welter een bezoek aan Indië zouden brengen; aldus de mondelinge boodschap die pelt mèt het memorandum naar Londen meenam.

XCOp 14 januari las Gerbrandy van Starkenborghs memorandum in de ministerraad voor en deed hij er mededeling van de mondelinge boodschap. De 'oude' oppositie (Albarda, Bolkestein, Gerbrandy, van den Tempel) maakte aanstonds al duidelijk, niets voor verplaatsing van de regeringszetel te voelen, maar er werd afgesproken dat alle ministers een afschrift van het memorandum zouden krijgen en dat de zaak grondig in discussie zou komen. Die discussie nam twee vergaderingen in beslag: 17 en 18 januari, en toen lag niet alleen van Starkenborghs memorandum maar ook een volstrekt negatieve brief van Albarda ter tafel ' die deze na een gesprek met de koningin geschreven had. 'Indien op dit ogenblik', aldus zijn eerste argument, 'de Nederlandse regering Engeland verliet, zou men overal in de wereld kunnen denken, dat zij de wijk nam voor het invasiegevaar. dat van Duitse zijde dreigt.' 'Nog steeds kan', aldus zijn laatste argument, 'op de veiligheid van Nederlands-Indië niet worden vertrouwd. De positie van het gehele koninkrijk ... zou vrijwel hopeloos worden, indien Hare Majesteit de Koningin en haar kabinet in Nederlands-Indië in vreemde handen vielen.'

XCBij de discussie van de J7de en de r Sde kreeg de 'oude' oppositie er één medestander bij: Dijxhoom, zij het dat deze laatste na een lang betoog waarvan de strekking was dat men er wijs aan zou doen, in Londen te blijven, niet tot een duidelijke uitspraak kwam. Van Kleffens (wiens houding op dit punt, aldus van den Tempel, 'blijk (gaf) van grote onzekerheid en weifeling'ê) deed tenslotte een tussenvoorstel: 'dat wèl de regering zich verplaatst, maar twee of drie ministers hier blijven' - het verdween onder tafel. Er werd ook niet gestemd (was dat geschied, dan zou het vermoedelijkTekst: a.v., p.Van den Tempel: 'Dagboek', p.

1 228. 2 35.

161 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

vijf tegen vijf zijn geworden), maar wel werd afgesproken dat het memorandum van van Starkenborgh mèt een afschrift van de kabinetsnotulen aan de koningin zou worden voorgelegd.l

XCEen week later wist men haar standpunt: de regering diende in Londen te blijven, tegen een reis van enkele ministers naar Indië had zij geen bezwaar. 'Arm land', noteerde Hart in zijn dagboek."

XCNa nieuwe lange discussieswerd vervolgens begin februari besloten dat, conform het door pelt overgebrachte denkbeeld van de gouverneur-generaal, van Kleffens en Welter een bezoek aan Indië zouden brengen. Er waren vier die tegenstemden: Steenberghe en van Rhijn, die vreesden dat de verplaatsing van de regeringszetel nu definitief van de baan was, en Albarda en Dijxhoorn die elke splitsing van het kabinet, ook een tijdelijke, afwezen. welter zei dat Peekema hem op de reis zou vergezellen; van den Tempel wees toen op Peekerna's defaitistische opvattingen, maar Welter '(zag) geen reden voor ongerustheid. Hij (stond) in voor de gezindheid van die ambtenaar." Op weg naar Indië zou evenwel blijken dat Hart goed gezien had toen hij in november had genoteerd dat er 'gekke dingen' konden gebeuren als hij, zonder zelf enig tegenwicht te bieden, de minister aan de verderfelijke beïnvloeding door het hoofd van zijn afdeling juridische zaken overliet.

Geintemeerde Rijksduitsers en 'Indische gUzelaars'

XC

XCWij moeten nu eerst aanknopen bij een drietal gebeurtenissen die wij in deel 4 (hoofdstuk 8: 'Een comprornisvrede ?') beschreven hebben: de internering der Rijksduitsers in Indië in mei '40, de 'wraak' van de bezetter in Nederland in de vorm van het arresteren van enkele honderden 'Indische gijzelaars', en het streven van het Nederlandse college van secretarissengeneraal om die gijzelaars vrij te krijgen en nieuwe represaille-gijzelingen te voorkomen doordat het Indische gouvernement de geïnterneerde Rijksduitsers zou vrijlaten. Wij vatten samen wat wij in deel 4 over dat alles geschreven hebben.

XCNa de Duitse invasie van Nederland werden in Indië, nog op 10 mei' 40,

1 Het memorandum was de koningin al bekend; tot ergenis van enkele ambt genoten had Gerbrandy haar al een afschrift voorgelegd vóór de discussie in de ministerraad. 2 G. H. C. p. 247. 3 Ministerraad: Notulen, 5 febr. 1941.

162 [PDF]
DE DUITSE GEÏNTERNEERDEN IN INDIË

alle Rijksduitse mannen geïnterneerd; dat waren er ca. vier-en-twintighonderd, onder wie zich ca. negenhonderd bemanningsleden van Duitse schepen bevonden welke op de rode mei in Indische havens lagen. Die internering was op zichzelf volkenrechtelijk toegestaan, maar de behandeling van de geïnterneerden liet aanvankelijk, als gevolg van de in Indië heersende verontwaardiging en de angst voor een 'Vijfde Colonne', veel te wensen over. Pas na enige tijd slaagde van Starkenborgh er in, die Duitse mannen, toen ca. een-en-twintighonderd 1, ondergebracht te krijgen in een nieuw, goed-ingericht kamp in Noord-Sumatra. Naast de mannen waren toen ruim honderddertig Duitse vrouwen die gevaarlijk geacht waren, elders geïnterneerd en ca. honderd andere vrouwen met ongeveer evenveel kinderen had men in z.g. 'beschermingskampen' ondergebracht; in die laatste kampen, meestal vroegere Duitse hotels, kwamen steeds meer Duitse vrouwen en kinderen terecht, mede om hen te beschermen tegen excessen van de Nederlandse en Indisch-Nederlandse bevolkingsgroepen in het eilandenrijk die van een felle haat vervuld waren tegen alles wat Duits was.

XCOver de situatie der geïnterneerden in Indië rapporteerde de Zwitserse regering aan Berlijn; zij had de waarneming van de Duitse belangen in Indië op zich genomen. Details over die situatie bezat men in Berlijn evenwel nog niet toen daar eind mei '40 besloten werd, scherpe represailles in Nederland uit te voeren teneinde het Indische gouvernement te dwingen, alle Rijksduitsers vrij te laten. Seyss-Inquart wist die represailles enige tijd tegen te houden, maar op I9 en 20 juli werden een kleine driehonderd N ederlanders opgepakt, grotendeels Indische verlofgangers, wier namen en adressen door het college van secretarissen-generaalaan de bezetter verstrekt waren. Aan de arrestatie dier gijzelaars werd alle mogelijke publiciteit gegeven, zowel door Radio Hilversum die in Londen beluisterd werd, als in de speciale uitzendingen naar Indië over de z.g. Phohi-zender.

XCIndië reageerde niet. Het gevolg was dat jhr. mr. A. M. Snouck Hurgronje, secretaris-generaal van buitenlandse en van algemene zaken en voorzitter van het college van secretarissen-generaal, en jhr. mr. o. E. W. Six, secretaris-generaal van koloniën, begin september een door Berlijn geredigeerd telegram naar Batavia zonden waarin er o.m. op aangedrongen werd, alle geïnterneerden vrij te laten, c.q. hun de gelegenheid te geven, naar Duitsland terug te keren (dat was mogelijk via Japan en de Sowjet-Unie). Van Starkenborgh wees die eisen af; slechts tot één kleine, 'humanitaire' concessie was hij bereid: de 'ongevaarlijke' Duitse vrouwen en kinderen mochten Indië

XC1 De paar honderd vrijgelatenen waren hoofdzakelijk Duits-Joodse vluchtelingen die men in de Vijfde-Colonne-paniek van 10 mei '40 mee-geïnterneerd had.

163 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

verlaten, maar de overige Duitsers wilde hij vasthouden; hij had daar het volste recht toe, 'gevaarlijke' Duitsers zouden bij vrijlating onmogelijk in Indië kunnen blijven (ongeregeldheden waren dan verre van denkbeeldig), maar liet men hen repatriëren, dan zou een deel in Japan kunnen blijven hangen om straks misschien als geschoolde helpers de Japanse invasietroepen te vergezellen, en een ander deel, de negenhonderd schepelingen in de eerste plaats, zou naar Duitsland kunnen doorreizen om weer aan de oorlogvoering deel te nemen.

XCMet dit strakke en goedgefundeerde standpunt van van Starkenborgh was Welter het van meet af aan niet eens geweest. Op 26 juli had hij, als reactie op het bericht van Radio Hilversum inzake het oppakken der 'Indische gijzelaars', van Starkenborgh voorgesteld, aile geïnterneerde Duitsers de gelegenheid te geven, Indië te verlaten. Van Starkenborgh antwoordde dat hij daar niet aan dacht; hij was zelfs tot geen enkel contact met de Duitse regering bereid als deze niet eerst de onwettige represaillegijzelingen beëindigde. Het kabinet vond dit te hoog van de toren geblazen. Welter stelde een ruil voor, maar van Starkenborgh hield het been stijf: 'ik handhaaf oordeel', seinde hij eind augustus, 'dat thans elk initiatief onzerzijds ... zou staan in teken van wijken voor Duitse druk en daarom onwenselijk' - aileen de 'ongevaarlijke' Duitse vrouwen en kinderen wilde hij laten vertrekken.' Die bereidheid herhaalde hij toen hij Welter de tekst zond van het van Snouck Hurgronje en Six ontvangen telegram. Welter achtte de 'humanitaire' concessie onvoldoende en drong, mede namens van Kleffens, op méér vrijlatingen aan - van Starkenborgh blééf weigeren.

XCDe zaak zat vast.

XCHet waren de Duitsers die de volgende stap zetten: onder pressie van Berlijn liet Seyss-Inquart op 7 oktober een tweede groep 'Indische gijzelaars' oppakken: bijna honderdvijftig. Hun namen waren (via de Zweedse legatie te Berlijn) spoedig in Londen bekend en men wist daar toen ook dat nagenoeg alle gijzelaars mannen waren die zich in het concentratiekamp Buchenwald bevonden.

XCInmiddels hadden, al in augustus, in Den Haag Snouck Hurgronje, Six en hun twee ambtgenoten dr. H. M. Hirschfeld (Economische Zaken) en mr. L. J. A. Trip (Pinanciënê) samen met enkele hooggeplaatste 'gematigde' Duitsers het plan ontwikkeld, twee afgezanten naar Batavia te sturen teneinde de gouverneur-generaal duidelijk te maken dat Duitsland niet meer verp. 362). 2 Trip combineerde die functie met het presidentschap van de Neder

1 Telegram, 22 aug. 1940, van van Starkenborgh aan Welter C, dl. I,

164 [PDF]
MISSIE VAN JONGEJAN EN BOERSTRA

slagen kon worden, dat Nederland zich moest aanpassen, dat het daarbij sterker zou staan indien het de steun had van Nederlands-Indië, en dat Indië dus het Nederlandse belang zou dienen indien het zich duidelijk losmaakte van Engeland en, ten bewijze daarvan, de Duitse geïnterneerden hun vrijheid hergaf. Die afgezanten werden mr. W. G. F. Jongejan, voorzitter van de in Den Haag gevestigde Ondernemersraad voor NederlandsIndië, en luitenant-generaal M. Boerstra, oud-commandant van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger.

XCOp 7 oktober (de dag waarop de tweede groep 'Indische gijzelaars' opgepakt werd) verlieten Jongejan en Boerstra Den Haag. Zij moesten drie weken in Berlijn wachten, reisden via Moskou naar Tokio en meldden zich daar op I4 november bij de Nederlandse gezant, generaal-majoor b.d. J. C. Pabst. Telegrafisch vroegen zij om toelating tot Indië waar zij, zo deden zij weten, namens het college van secretarissen-generaal van Starkenborgh wensten te spreken. Deze achtte het onraadzaam, hen tot Indië toe te laten; het was immers duidelijk dat zij alleen met Duitse steun Tokio hadden kunnen bereiken - aan de andere kant had zowel de naam van Jongejan als die van Boerstra in Indië bij diegenen die hen kenden, een uitstekende klank. Van Starkenborgh overwoog nog, hen op een Nederlands oorlogsschip te ontmoeten, maar dat werd door admiraal Helfrich sterk ontraden 'met het oog op de indruk die het op de manschappen zou maken, wanneer ik', aldus later van Starkenborgh, 'zou samenkomen met mensen die a priori als verraders werden beschouwd, ik bedoelniet door de vlootvoogd, maar door anderen." De beste oplossing leek van Starkenborgh dat hij de chef van zijn kabinet, dr, P. J. A. Idenburg, naar Manila op de Amerikaanse Philippijnen zou sturen waar deze dan met Jongejan en Boerstra zou kunnen spreken (Idenburg zowel als Jongejan en Boerstra moesten dan een Amerikaans visum krijgen), maar die opzet moest natuurlijk door de regering goedgekeurd worden. Er ging een telegram naar Londen. Welter deelde de inhoud daarvan op I9 november aan zijn ambtgenoten mee. Welter had geen enkel bezwaar tegen de voorgestelde ontmoeting in Manila, maar Gerbrandy wèl: 'hij ziet', aldus de kabinetsnotuIen, 'groot gevaar in de erkenning van de beide heren als afgezanten van Nederland, daar zij in werkelijkheid afgezanten van Seyss-Inquart zijn' (inderdaad, dat waren zij óók). 'Spr. acht de politieke zijde van de zaak zeer bedenkelijk.' Van Kleffens protesteerde: Jongejan en Boerstra waren toch 'volkomen betrouwbare mannen' en ook de secretarissen-generaal, in wier opdracht

XC1 Getuige van Starkenborgh, Enq., dl. II c, p.

165 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

zij reisden, waren toch betrouwbaar! Van den Tempel was, evenals Gerbrandy, verre van enthousiast ('meent dat wij te doen hebben met een poging van de Duitse regering om contact met Ned. Ind. regering te verkrijgen buiten ons om'), maar tenslotte was de grote meerderheid van het kabinet van oordeel dat men zich tegen een gesprek te Marilla, dat een zuiver informatief karakter zou hebben, niet kon verzetten. Die conclusie zou eerst nog aan de koningin voorgelegd worden.' Zij had 'aanvankelijk bezwaren', aldus Welter, maar kon zich tenslotte met het kabinetsbesluit verenigen.ê Het was toen 20 november.

XCEen dag later telegrafeerde Welter aan van Starkenborgh" dat de regering zich tegen de ontmoeting in Manila niet wilde verzetten mits Idenburg 'zich strikt beperkt tot aanhoren opmerkingen over interneringen zomede geven inlichtingen daarover.' Daarenboven wenste de regering dat Idenburg met betrekking tot de situatie en de perspectieven in bezet gebied een reeks vragen aan Jongejan en Boerstra zou voorleggen: waren de officieel gepubliceerde rantsoenen (de ministers kenden ze uit de Nederlandse dagbladen die Londen bereikten) inderdaad beschikbaar ? Wat was de kwaliteit van de belangrijkste voedingsmiddelen? Kreeg men groente en fruit ? Wat waren de prijzen der levensmiddelen? 'Is iets bekend over de vraag wie als voornaamste kopers op de beurs optreden?' Maar daarop volgde nog een reeks heel andere vragen: 'Waar zijn Nederlandse wapens en uitrustingen? Is na herstel Nederlands gezag oproeping lichtingen technisch mogelijk? Hoe is ontwikkeling in politiek opzicht bevolking? Wat kan meegedeeld worden over politieke stromingen, met name Nationale Unie?' (bedoeld werd de Nederlandse Unie) 'Bestaan mogelijkheden [tot] scheppen contact van vooraanstaande betrouwbare personen met regering Londen?'

XCDe eerste groep vragen was duidelijk van Steenberghe afkomstig geweestmaar de tweede groep? Wij weten het niet. Die tweede groep was in elk geval in zoverre irreëel dat de betrokken vragen een als het ware antiDuitse strekking hadden, zodat het hoogst twijfelachtig was of Jongejan en Boerstra, die zich met Duitse steun naar Tokio begeven hadden, bereid zouden zijn ze te beantwoorden; iets op ons relaas vooruitlopend, delen wij mee dat zij beiden inderdaad geweigerd hebben, inlichtingen te geven die Duitsland militair zouden kunnen schaden.

XCTerwijl dit beraad tussen Batavia en Londen plaatsvond, schreven Jongejan en Boerstra in Tokio twee lange memoranda" die zij begin december aan

XC1 Ministerraad: Notulen, 19 nov. 1940. 2 A.v., 26 nov. 1940. 8 Tekst telegram: Enq., dl. II b, p. 326. 4 Teksten: a.v., p. 300--03.

166 [PDF]
MISSIE VAN JONGEJAN EN BOERSTRA

een koerier die naar Batavia ging, konden meegeven. In die stukken betoogden zij omstandig dat men 'ernstig rekening (moest) houden' met de mogehjkheid dat Duitsland 'een volledige overwinning' zou behalen (kennelijk: na een geslaagde invasie in Engeland), dan wel dat er een compromisvrede zou komen in een situatie waarbij Nederland nog door Duitsland bezet was. 'Het is', schreven zij, 'onze taak, er voor te zorgen dat ook in het geval dat Duitsland op het Continent het overwicht behoudt, voor een onafhankelijk Nederland, in dat raam van Duitse zeggenschap in bepaalde aangelegenheden' (alsof er bij zodanige 'Duitse zeggenschap' nog sprake zou zijn van 'een onafhankelijk Nederland' I), 'de sfeer zo gunstig mogelijk is. Tot het scheppen van deze sfeer kan in belangrijke mate medewerken het belang van Nederlands-Indië voor het 'nieuwe Europa' - het 'nieuwe Europa': Jongejan en Boerstra waren wèl vlot geworden in het hanteren van Duitse propagandatermen!

XCHoe zij over de situatie dachten, drong in Tokio (waar de Nederlandse gezant IllID geen enkel tegenspel bood) tot de Britse ambassadeur door. Deze waarschuwde het Foreign Office en de Britse consul-generaal in Batavia, 'that', zo stelde deze laatste op schrift 1,

XC'General Boerstra and Mr. ]ongejan are both strongly impregnated with anti-British propaganda o] German inspiration. Mr. ]ollgejan is particularly outspoken in his strong disapproval ~f continuing the collaboration ol the Dutch with the British in the war effort. He maintains that under Hitler's New Order in Europe Holland will flourish economically ... It is, he maintains, important to persuade the Dutch officials in Netherlands India to share these views.'

XCEn van deze twee propagandisten van de 'Nieuwe Orde' logeerde er in Tokio één bij de eerste secretaris van de Nederlandse legatie! De Engelse ambassadeur voelde er niets voor, IllID eventueel gesprek met een afgezant van het Indische gouvernement te bevorderen: hij nam zijn Amerikaanse collega in de arm en het gevolg was dat aan Jongejan en Boerstra een visum voor Manila geweigerd werd.

XCAls nieuwe ontmoetingsplaats werd (het door de Japanners bezette) Sjanghai uitgekozen en daar konden Jongejan en Boerstra in de eerste dagcn van januari' 41 langdurig spreken met Idenburg ; deze laatste had, om een 'tweede man' bij de gesprekken te hebben, uit Batavia een andere hoge ambtenaar meegenomen, J. Ramaer. Jongejan en Boerstra lichtten hun memoranda uitgebreid toe, gaven antwoord op de door Steenberghe

1 Tekst van zijn d.d. 26 dec. 1940: a.v., p. 310.

167 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

gestelde 'economische' vragen, weigerden antwoord op de 'militaire', en onderstreepten vooral dat als teken van goede wil de internering van de Duitsers in Indië beëindigd moest worden. Idenburg en Ramaer deelden van hun kant mee dat het gouvernement niet verder wilde gaan dan de 'ongevaarlijke' Duitse vrouwen en de kinderen te laten vertrekken en dat op de toestanden in de interneringskampen niets meer aan te merken viel. Op 10 januari keerden Jongejan en Boerstra naar Tokio terug. Zij brachten er rapport uit aan de Duitse ambassadeur, aan wie zij meedeelden hoe het er met de geïnterneerden voorstond; zij voegden daaraan toe dat, naar hun persoonlijke mening, van Starkenborgh 'ernsthai]' de mogelijkheid overwoog, alle geïnterneerden in de gelegenheid te stellen, Indië te verlaten." Die toevoeging welke pure fantasie was (Idenburg en Ramaer hadden niets van dien aard gezegd), was een poging, het nemen van nieuwe gijzelaars in bezet gebied te voorkomen - het Reichsleommlssariat had in oktober aan Jongejan en Boerstra, vóór hun vertrek uit Den Haag, meegedeeld dat enkele duizenden Nederlanders op de nominatie stonden om, als Indië niet toegaf, opgepakt te worden.

XCEind januari begonnen Jongejan en Boerstra aan hWI terugreis en bijna vier wekenlater bevonden zij zich weer in Den Haag.

XCNu was, gelijk eerder weergegeven, in de 'tweede groep' vragen bij hen geïnformeerd: 'Bestaan mogelijkheden [tot] scheppen contact van vooraanstaande betrouwbare personen met regering Londen?' Daaromtrent stond in het door Idenburg en Ramaer in Batavia uitgebracht rapport": 'De heren konden geen weg aangeven, waarlangs contact zou worden verkregen ... Zij achten evenwel een zeker contact met medeweten van de Duitse overheid op neutraal gebied, bijv. Zweden, niet geheel onmogelijk.' Met medeweten van de Duitse overheid! Dat was geen contact waarop, om slechts dezen te noemen, de koningin en Gerbrandy ooit zouden ingaan. Maar Jongejan en Boerstra die vóór alles het nemen van nieuwe represailles ln bezet gebied wilden voorkomen, meenden dat zij dat contact moesten trachten te leggen - het beste leek hun dat zij zich daartoe naar Lissabon zouden begeven waar zij zich, zoals zij in Tokio bij Pabst gedaan hadden, bij de Nederlandse gezant zouden melden. Dat werd met het Reiihskom missarlat besproken; het Reichsleommissariat moest immers voor de nodige visa zorgen.

XC1 Telegram, 19jan. 1941, van de Duitse ambassadeur te Tokio aan het Auswärtige Am! (a.v., p. 3II). 2 Uittreksel: a.v., p. 304-09.

168 [PDF]
MISSIE VAN JONGEJAN EN BOERSTRA

Op weg naar Indië vlogen van Kleffens en Welter, de laatste met Peckerna bij zich, op donderdag 6 maart naar Lissabon vanwaar zij per Amerikaanse vliegboot (een z.g. Clipper van de Pan-American Airways) naar de Verenigde Staten zouden reizen; dat was een ongemakkelijke tochtvan drie dagen (eerst naar Portugees Guinea, dan naar Brazilië, vervolgens naar Trinidad en tenslotte naar New York"), maar de Nederlanders moesten, toen zij in de Portugese hoofdstad aankwamen, negen dagen wachten. Er vertrokken normaal per week twee Clippers: een op dinsdag, een op zaterdag, en zij konden pas passage krijgen op de Clipper van zaterdag IS maart doordat die van dinsdag wegens slecht weer Lissabon niet had kunnen bereiken.

XCOp dinsdagavond IO maart berichtte Radio Oranje dat de ministers van Kleffens en Welter Londen verlaten hadden op weg naar Indië dat zij via de Verenigde Staten zouden bereiken. Dat zij eerst Lissabon zouden aandoen, werd daarbij niet gezegd, maar wij nemen aan dat van Den Haag uit door het Reichsleommissariat onmiddellijk bij de Duitse gezant in Lissabon gevraagd werd of de twee Nederlandse ministers wellicht daar waren aangekomen, en dat de gezant die vraag bevestigend beantwoordde. In elk geval vertrokken Jongejan en Boerstra op donderdag 12 maart in allerijl uit Den Haag, per trein; zij zouden zaterdagavond in de Portugese hoofdstad aankomen. De Duitse gezant aldaar werd over hun komst ingelicht, hij gaf dat bericht aan de Zweedse, de Zweedse gaf het aan de Nederlandse door. Juist op tijd! Het was zaterdag de r sde en van Kleffens en Welter stonden op het punt, zich naar de Clipper te begeven.

XCWat wisten zij op dat moment van de opvattingen van Jongejan en Boerstra ?

XCWelter kende hun denkbeelden: van Starkenborgh had hem namelijk op 6 januari eerst een telegrafische samenvatting en vervolgens een volledig afschrift gezonden van de door hen in Tokio geschreven memoranda - dat afschrift moet Welter in februari bereikt hebben. Hij had nagelaten er al zijn ambtgenoten van in kennis te stellen, zonder twijfel opzettelijk: hij zal wel beseft hebben dat hun pleidooi ten gunste van Nederlands invoeging in een door Duitsland geleid Europa (pleidooi dat hem uit het hart gegrepen(brief, 20 maart I94I, archief min. pres., M I7) wij tekenen hierbij aan dat

1 'Het comfort aan boord was', schreef van Kleffens uit Washington aan Gerbrandy, 'tot het uiterste beperkt. Alles werd opgeofferd aan het scheppen van gelegenheid om brieven (en eerst daarna mensen) te vervoeren De voeding (was) slecht en het personeel eenvoudigweg onbeschoft. Ik: heb eigenhandig en met geweld een steward verwijderd uit de dames-wasgelegenheid, waar hij zich stond te scheren'

169 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

was) bij verscheidene ambtgenoten, in de eerste plaats bij Gerbrandyen van den Tempel, de overtuiging zou versterken dat in de zaak van de Duitse geïnterneerden niet toegegeven moest worden. VanKleffens kende de memoranda dus niet; hij was van de betrouwbaarheid van Jongejan en Boerstra overtuigd, maar vroeg zich natuurlijk af of Welter (met Peekema naast zich) niet te ver zou gaan. Snel overleg leidde tot de afspraak dat Welter (met Peekema) in Lissabon zou blijven en pas op dinsdag 18 maart zou vertrekken; 'hij zal zich echter', schreef van Kleffens in grote haast aan zijn secretaris-generaal van Bylandt, 'strikt beperken tot aanhoren van hetgeen zij te zeggen hebben. Dit ... lijkt mij juist."

XCNu, aan die toezegging hield Welter zich in genen dele. Hij gaf van geen enkele reserve blijk. Samen met Peekema ging hij Jongejan en Boerstra zaterdagavond van de trein halen, en toen de vier Nederlanders eenmaal met elkaar in gesprek waren (zondag 16 en maandag 17 maart, telkens de gehele dag), bleek al dadelijk dat hun kijk op de internationale situatie precies dezelfde was: men moest de suprematie van Duitsland op het Europees vasteland erkennen, voortzetting van de oorlog was zinloos en zou alleen maar Nederlands-Indië in gevaar brengen, en het gouvernement in Batavia gaf, wat de zaak der Duitse geïnterneerden betrof, van een laakbare halsstarrigheid blijk. Op gezag van Jongejan en Boerstra gaf Welter op dinsdag 18 maart in een brief aan Gorbrandy de mededeling door, dat in Den Haag 'lijsten klaar liggen van drieduizend Nederlanders, die zullen worden geïnterneerd als deze kwestie niet wordt opgelost. Maar het is ook mogelijk, dat men er twintigduizend of honderdduizend oppakt of wegzendt ... Ik moet mij dus voorbehouden, na overleg met de GG, aanstonds de nodige beslissingen te nemen. De grootste belangen van ons land en van ons volk staan hier op het spel en lang beraad daarover is niet meer mogelijk.P Het was duidelijk: Welter had aan Jongejan en Boerstra beloofd dat hij zich tot het uiterste zou inspannen om de vrijlating der Duitse geïnterneerden te bewerkstelligen.

XCMaar er was meer. Hij had hun ook verteld van de meningsverschillen die zich binnen het Nederlandse kabinet voorgedaan hadden, en hun een beeld gegeven van de verwoestingen die de Luftwaffe in Londen en elders zou hebben aangericht. Toen Jongejan en Boerstra in Den Haag terug waren, zei Snouck Hurgronje op 3 I maart in het college van secretarissengeneraal dat Welter zich 'vol begrip voor de moeilijkheden' getoond had."

1 Brief, IS maart 1941, van van Kleffens aan W. G. F. van Bylandt C, dl. II, p. 2 Brief, 18 maart 1941, van Welter aan Gerbrandy (archief min. pres., M 17). 3 Csg : Notulen, 3 I maart 1941.

170 [PDF]
WELTER IN LISSABON

Daags daarna bracht Jongejan in het gezelschap van Snouck Hurgronje rapport uit aan Gesandtschaftsrat dr. E. G. Mohr, een van de medewerkers van Bene, de vertegenwoordiger van het Ausu/ártige Amt bij het Reichs leommissariat. Mohr zond nog diezelfde dag een telexbericht naar Berlijn \ waaruit wij citeren: 'Welter werde dahin wirken, nicht oorher die englische Regierung ins Bild Z14 setzen, sondern sie uielmehr vor ein Jait accompli Z14 stellen. Auf diese Weise glaube er schnel ler zum Ziel xu kommen ... Die Holländische Regierung sei zudem zu einer oorhert gen Bifragung der englischen Regienmg in keiner Weise verpflichtet, da sie zu den Engländern nicht im Biindnisuerhèltnls stünde, sondern ledig/ich au] Grund der Kriegs lage deJacto mit ihr zusammenginge. Jongejan liess hierbei durchblicken, dass innerhalb der holländischen Regierung Tendenzen uorhanden seien, sich. von der Bevormundung dutch. die Engländer }rei zu machen und dass beispielsweise We/ter und KleJJens sich energiscli Jür eine Übersiedhmg der holiändischen Regienmg nach Batavia einsetzen . . . . Jongejan betonte nochmals. dass er mit T,ve/ter, abgesehen von der Internierten frage, auch einer Meinung gewesen sei hinsichtiich. der Notwendigkeit ... der witt schaJtlichen Ausrichtune Hollands au] den europdischen Kontinent'

XCDrie dagen later, 4 april, bracht majoor J. N. Breunese, commandant van de pas opgerichte Nederlandse Arbeidsdienst, een bezoek aan Snouck die als secretaris-generaal van algemene zaken Brennese's superieur was. Snoucks mededelingen over hetgeen welter in Lissabon gezegd dan wel te verstaan gegeven had, werden door Breunese aldus vastgelegd:

XC'De regering in Engeland heeft geen leiding en bestaat uit verschillende richtingen: enigen zijn anti-Duits, anderen blijven de zaak Nederlands bekijken ... In Engeland is de stemming vasthoudend, doch de omstandigheden zijn slecht; Coventry is gelijk Rotterdam. De City van Londen heeft 24 uur gebrand en is één puinhoop; de havens en dokken zijn vrijwel verwoest. Het eten is minder dan hier ... De koningin leeft zeer teruggetrokken en bemoeit zich vrijwel niet met de regeringszaken.'"

XCEveneens begin april circuleerde tenslotte binnen het apparaat van de bezetter een Z.g. Stimmungsbericht (een geheim rapport, opgesteld ten behoeve van het Reichskommissariat door de Duitser F. W. Wickel die veel contacten had in kringen van vooraanstaande Nederlanders) waarin te lezen stond: 'Nach Äusserungen jongejans' (het is niet duidelijk of Wickel-zelf met Jongejan gesproken had) 'zeigte Welter viel Verstandnis •.. fur die Pläne einer engen

XC1 Tekst: FOjSD, 84617-18. "J. N. Breunese: 'Dagboek'j a april 1941.

171 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

Zusammenarbeit mit Deutschland hinsichtlich der Rohstoffversorgung' (d.w.z.; na een compromisvrede of een Duitse overwinning). 'Auch Welter fühlte anscheinend viel fUr einen Frieden, der zu einer allgemeinen Zusammenarbeit in der Weltwirtschaft führen würde. Jongejan erhielt den Eindruck, dass es in England selbs: in verantwortlichen Kreisen sehr viel Leute gäbe, die einem Kompromiss [rieden nicht abgeneigt sind.'l

XCHart had van Welter, als deze alleen in Peekerna's gezelschap verkeerde, 'gekke dingen' verwacht, maar wat Welter in Lissabon gedaan had, verdient nog wel andere kwalificaties. Hij had zich niet gehouden aan de met zijn ambtgenoot van Kleffens gemaakte afspraak ('strikt beperken tot aanhoren'). Hij had in de zaak van de geïnterneerden klakkeloos Duitse dreigementen doorgegeven ('het is mogelijk dat men honderdduizend (gijzelaars) oppakt') en toegezegd, zo enigszins mogelijk, achter de rug van de Engelsen om de vrijlating der geïnterneerden te forceren. Hij had bij Jongejan en Boerstra (èn bij hun opdrachtgevers: de secretarissen-generaal) het geloof in de Duitse 'Nieuwe Orde' versterkt. Hij had hun kabinetsgeheimen meegedeeld waarvan hij moest aannemen dat zij ze niet voor zich zouden houden (ze werden zelfs aan Duitsers doorgegeven). Hij had hun tenslotte verteld van de verwoestingen die in Londen en elders in Engeland zouden zijn aangericht, waarmee hij het risico aanvaard had dat ook deze mededelingen tot de vijand zouden doordringen.

XCHad Gerbrandy dit alles geweten, dan zou (dat lijdt voor ons geen enkele twijfel) Welter onmiddellijk als minister zijn verdwenen. Hadden de Engelse autoriteiten het geweten, dan zou, dunkt ons, de kans groot zijn geweest dat Welter na terugkeer in Engeland prompt zou zijn onderworpen aan een procedure die tot zijn internering had kunnen leiden. Hetzelfde lot zou dan ook Peekema hebben getroffen - deze ging trouwens, zonder ontdekt te worden, op de ingeslagen weg nog voort ook."J.

1 begin april I94I, p. 8. 2 Het gehelejaar '4I door stond Peekema in briefverkeer met zijn echtgenote, Dora ('Dolly') Peekema-Dibbets, die, in Den Haag achtergebleven, nauwe relaties onderhield met de 'foute' hoofd commissaris van politie mr. P. M. C. Hamer, die op zijn beurt samenwerkte met de Peekema's brieven (hij wist toen niet, in welk kwalijk milieu zijn vrouw verzeild was geraakt) gingen ongecensureerd in de diplomatieke postzak

172 [PDF]
WELTER IN LISSABON

XCHet door Welter overgebrachte Duitse dreigement had op Gerbrandy geen effect; waar was het einde als men voor Duitse chantage bezweek? Maar hij had Welters brief uit Lissabon nauwkeurig gelezen: 'ik moet mij voorbehouden', had welter geschreven, 'na overleg met de GG aanstonds de nodige beslissingen te nemen.' Niets daarvan! Op 9 april zond Gerbrandy aan van Starkenborgh een voor Welter bestemd telegram: 'In intemeringskwestie bedoeld [in] uw particuliere brief uit Lissabonis koningin en regering gekend en te kennen zodat generlei beslissing door u ware te nemen stop ik wacht dus uw voorstellen af' 1 Inderdaad, er kwam een voorstel uit Batavia waaruit bleek dat van

XCnaar Lissabon en werden vandaar naar Nederland gestuurd. In de zomer van '41, toen Nederlands-Indië met machtiging van de Londense regering op militair gebied geheime besprekingen was gaan voeren met Engeland, Australië en de Verenigde Staten, schreef Peekema in een brief aan zijn vrouw dat er binnen het Nederlandse kabinet een ernstig meningsverschil heerste: de meeste ministers waren voorstanders van samenwerking tegen Japan met het Britse Rijk en de Verenigde Staten, maar Peekema zelf en, zo schreef hij, eigenlijk ook Welter waren van opinie dat Indië een strikte neutraliteit in acht moest nemen; zou Japan ooit Indië bezetten, dan zou na hun verdrijving de band tussen Nederland en Indië definitief verbroken worden, d.w.z. dat Amerikanen en Britten Indië niet aan Nederland zouden teruggeven. Dora Peekema liet deze brief aan Hamer lezen. Hamer besprak hem met Jongejan en op diens advies reisde Hamer naar Berlijn teneinde, zo schreefhij na de oorlog, 'de hoogste Duitse regeringskringen' te wijzen op de verdeeldheid in het . Nederlandse kabinet en er bij hen op aan te dringen 'druk op de Japanse regering uit te oefenen, opdat deze de neutraliteit van Indië zou handhaven.' Via Himrnlers lijfarts Felix Kersten drong Hamer tot de ambtenaar van het Auswdrtige Am! door die minister Ribbentrop in het Fuhrerhauptquartier vertegenwoordigde, en van die ambtenaar kreeg hij na enige tijd te horen dat deze 'uit de mond van Hitler' vernomen had dat de toekomst van Indië veilig was, 'zolang dat gebiedsdeel zich van daden van aggressie onthoudt.' (brief, 14 okt. 1959, van P. M. C. J. Hamer aan W. G. F. Jongejan, Doc 1-628, a-I2) Zoals wij al in deel 5 vermeldden, liet Dora Peekema zich in de zomer van '42 door de Abwehr als spionage-agente naar Madrid zenden. In Lissabon, waarheen zij zich vervolgens begaf, vroeg zij een visum voor Engeland aan. De Engelsen wilden haar dat visum geven, met de bedoeling haar (zij wisten welke rol zij speelde), zodra zij in Engeland was, te arresteren, maar de Nederlandse regering verzette zich tegen dat visum: zij had na de deining welke begin '41 door de Geers terugkeer naar bezet gebied gewekt was, geen behoefte aan een nieuw schandaal.

XC1 Enq., dl. II b, p. 317.

173 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

Starkenborgh zijn strakke lijn losgelaten had. Van Kleffens en Welter legden namelijk op 21 april aan het kabinet een door van Starkenborgh als eerste geopperd denkbeeld voor dat de in Indië geïnterneerde Duitsers uitgewisseld zouden worden tegen Nederlanders, 'al of niet geïnterneerd', seinden van Kleffens en Welter, 'wier aanwezigheid hier in Indië van belang is zowel uit militair als uit maatschappelijk oogpunt; wij denken bijv. aan officieren, hoogleraren en wetenschappelijke werkers, alsmede aan Indische ambtenaren. Aangezien dezerzijds hoogwaardige werkers zouden worden gevraagd, zou hun aantal waarschijnlijk belangrijk minder dan dat der Duitse geïnterneerden zijn", anders gezegd (en dat was bezwaarlijk): de uitwisseling zou groepen van ongelijke grootte betreffen.

XCMaar er rezen in Londen méér bezwaren: men zou zich op een onzekere transactie met Duitsland inlaten, de Engelsen zouden vermoedelijk medewerking weigeren, en de uitwisseling zou in bezet gebied gezien kunnen worden als bevoorrechting van hooggeplaatste personen. Geen enkele minister voelde voor het nieuwe denkbeeld en bij het afwijzen ervan kan het kabinet slechts gesterkt zijn geweest door het feit dat enkele dagen eerder de Zweed Tor Wistrand, die als hoofd van de Schutzmacht-Abteitung der Zweedse legatie te Berlijn een bezoek had kunnen brengen aan de 'Indische gijzelaars' in Buchenwald, had doen weten dat hun 'moreel en moed voortreffelijk' waren; 'verschillenden hunner uitten ... wens dat in kwestie behandeling Duitse geïnterneerden in Indië niet worde toegegeven.'2

XCInderdaad, er wèrd niet toegegeven, zij het dat enkele maanden later (medio oktober) het door van Starkenborgh geopperde en door het kabinet tot zijn spijt afgewezen denkbeeld toch als een 'Vorschlag' in Berlijn in behandeling genomen werd 3 wij weten niet van wie aan Nederlandse kant dat voorstel toen afkomstig was. Er gebeurde in feite niet meer dan dat Welter, weer in Londen teruggekeerd, pressie bleef uitoefenen op de gouverneur-generaal om groepen Duitsers in de gelegenheid te stellen, Indië te verlaten, en dat de gouverneur-generaal niet verder ging dan de concessie te verwezenlijken waartoe hij zich al in de zomer van '40 bereid had ver

1 Telegram, 21 april 1941, van van Kleffens en Welter aan Gerbrandy C, dl. II, p. 456-57). 2 Wistrands rapport wordt weergegeven in het telegram, 21 april 1941, van Gerbrandy aan van Starkenborgh dl. II b, p. JI8). 3 Dat voorstel was toen via de Duitse ambassadeur in Tokio aan het voorgelegd. Het zag er niet veel in: het nam aan dat de Engelsen nooit vrijgeleide zouden geven (Nota, 15 okt. 1941, van het a.v. p. 325)

174 [PDF]
VAN STARKENBORGHS RUILVOORSTEL

klaard: in juli '41 konden ruim vierhonderd Duitse vrouwen en bijna driehonderd kinderen Batavia verlaten op weg naar Japan. Toen dat land in december aan de oorlog ging deelnemen, zaten evenwel nog steeds ruim honderd Duitse vrouwen en kinderen, voor wie men geen scheepsruimte had kunnen vinden, in 'beschermingskampen' in Indië vast en in het speciale kamp in Noord-Sumatra bevonden zich nog steeds meer dan tweeduizend Duitse mannen.

XCZien wij op het beleid terug dat in deze moeilijke aangelegenheid door de regering en de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië gevoerd is, dan achten wij het opmerkelijk dat van juli '40 tot april '41 de lijn strak gehouden is door van Starkenborgh, maar van april '41 af juist door de ministers die toen in Londen waren. In hun kring heerste eenstemmigheid om het door van Starkenborgh, van Kleffens en Welter geopperde denkbeeld van uitwisseling af te wijzen. Aan die eenstemmigheid moeten wij evenwel niet teveel waarde toekennen - Gerbrandy, die in die tijd bij zijn beleid voortdurend rekening hield met de wensen van de koningin (men denke aan de geheime nota over het naoorlogse staatsbestel die hij haar in april voorlegde), kon niet voorbijzien aan het feit dat in januari vijf ministers zich voor de tweede maal uitgesproken hadden ten gunste van het onzalige denkbeeld, de regeringszetel naar Indië te verplaatsen.

Van Rhijn verlaat het kabinet

XC

XCDe eerste minister die uit het kabinet-Gerbrandy verdween, was van Rhijn. Dat geschiedde overigens in alle pais en vree, hetgeen, als geen gezondheidskwesties in het geding zijn, bij ministeriële wisselingen praktisch nooit voorkomt.

XCIn juni '40 was, gelijk reeds vermeld, vastgesteld dat de functie van de Algemene Rekenkamer in Londen uitgeoefend zou worden door de minister van fmanciën. Dat was een onzuivere constructie: in de controle op het fmancieel beheer der regering ontbrak het element der onafhankelijkheid. Steenberghe ontdekte bovendien toen hij begin maart' 4I in verband met Welters reis naar Indië de portefeuille van financiën ging waarnemen, dat het kleine departement aan de controle weinig gedaan had: er was niet eens een aparte afdeling voor. Controle diende men, aldus Steenberghe,

175 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

aan een van de regering onafhankelijk orgaan toe te vertrouwen: een uit drie personen bestaande Buitengewone Algemene Rekenkamer, gepresideerd door iemand die door de ministers als hun gelijke zou worden beschouwd. I-lij dacht aan van Rhijn.

XCVan Rhijn was pas minister geworden aan de vooravond van de Duitse invasie, louter om Steenberghe, die als minister van economische zaken een wel heel zware taak had, te ontlasten. Economische Zaken was toen gesplitst en aan van Rhijn, tevoren een kundig secretaris-generaal van economische zaken, was de portefeuille van landbouwen visserij toebedeeld. Nu, met de landbouw behoefde hij zich in Londen niet bezig te houden en de zorg voor de enkele tientallen vissersschepen die overgekomen waren, had niet veel om het lij£ Daar kwam bij dat, zoals wij eveneens al eerder vermeldden, Gerbrandy bij de formatie van zijn kabinet de nieuwe taak waaruit veel werk zou kunnen voortvloeien: de voorbereiding van de naoorlogse hulp, niet aan van Rhijn toebedeeld had maar aan Steenberghe die als een krachtiger bewindsman gold. Gerbrandy had geen sterke behoefte om van Rhijn als minister te behouden, hij was hem als misschien wel de zwakste figuur in de ministeriële ploeg gaan beschouwen; 'van Rhijn was een heel knappe kerel', zei Albarda ons eens, 'maar hij was veel te zachtzinnig."

XCDe Buitengewone Algemene Rekenkamer werd per I mei '41 in het leven geroepen en met ingang van diezelfde datum nam van Rhijn ontslag als minister en werd hij voorzitter van die Rekenkamer. Hij had nog wel aan Gerbrandy gevraagd of hij bij de bevrijding weer minister kon worden, maar Gerbrandy die aan de koningin beloofd had dat het kabinet bij de terugkeer onmiddellijk ontslag zou vragen, had hem geen toezegging kunnen doen.

XCWie zouden naast de voorzitter leden van de nieuwe Rekenkamer worden? In mei werden drie namen genoemd, alle van vooraanstaande personen uit het bedrijfsleven, onder wie van Lidth de [ende, een van de directeuren van de Billitou-maatschappij (die voorzitter was van The London Committee of the Netherlands Red Cross Society en regeringscommissaris voor de vluchtelingen) en rnr, J. 1. Polak, een van de leden van de raad van beheer van de Unilever (die lid was van de Londense Commissie voor rechtsverkeer in oorlogstijd). 'Men vond het echter', aldus later van Rhijn, 'in de kring van het kabinet ruinder aangenaam dat personen uit het bedrijfsleven in Engeland zo nauwkeurig in de keuken van de Nederlandse regering zouden kunnen kijken'2 - vooral bij Gerbrandy leefde wantrouwen tegen

1 Albarda, 31 aug. 1955. 2 Getuige van Rhijn, dl. V c, p. 60.

176 [PDF]
OPRICHTING VAN EEN REKENKAMER

de grote concerns. Men ging er toen accoord mee dat van Rhijn geen leden naast zich kreeg, en daar is het bij gebleven.'

XCOp het werk van de Buitengewone Algemene Rekenkamer, die van I juli' 4I af alle regeringsinkomsten en -uitgaven onder haar controle nam, komen wij in hoofdstuk 6 terug.

Dijxhoorn neemt ontslag

XC

XCWas van Rhijns uittreden uit het kabinet een nagenoeg rimpelloos gebeuren, het ontslag van Dijxhoorn (12 juni '4I) ging met stormen gepaard. zelf heeft hij dat ontslag steeds als resultaat gezien van kwalijke kuiperijen van Gerbrandyen van 't Sant (met de koningin op de achtergrond) - wij kunnen die opvatting niet onderschrijven, erkennend overigens dat Dijxhoorn het bij de koningin verbruid had, met van 't Sant overhoop was komen te liggen en Gerbrandy's vertrouwen geleidelijk-aan had verloren.

XCDijxhoorn was van alle zelfkritiek gespeend; hij had zich met name geen moment gerealiseerd wat het effect geweest was van de defaitistische opvattingen die hij (minister onder wie strijdkrachten ressorteerden!) er in de zomer van '40 op nagehouden had. Nadien kon hij bij de koningin geen goed meer doen. Zeker, eind' 40 en begin' 4I was hij, wat het oorlogsverloop betrof, van meer vertrouwen gaan getuigen (wij herinneren er aan dat hij, in juni en juli '40 voorstander van verplaatsing van de regeringszetel naar Indië, in januari '4I tegenstander was geworden), maar andere tegen hem gerezen bezwaren waren niet verdwenen: hij was weinig besluitvaardig, weinig zelfstandig van oordeel ook en liet voortdurend over zich heen lopen, waardoor hij met situaties geconfronteerd werd waarover hij dan wel heftig verontwaardigd was maar waar hij toch hulpeloos tegenover stond.

XCIn de periode augustus '3 o-rnei '40 had hij als minister geen slechte naam gehad, en naar wij menen: terecht niet. Maar het ministerschap in Londen was geheel iets anders dan het ministerschap in Den Haag. In Den Haag had elke minister de steun gehad van bekwame hoofdambtenaren, van politieke en andere vrienden, en vaak ook van zijn vrouw. In die situatie traden zwakke kanten in zijn persoonlijkheid minder naar voren.

1 De Enquêtecommissie 'heeft zich afgevraagd of de regering zich niet al te gemak kelijk heeft neergelegd bij de toestand, zoals die was gegroeid' (a.v., dl. III a, p. IS), d.w.z. bij een Rekenkamer die slechts uit één persoon bestond. Wij kunnen niet inzien dat daar enig nadeel uit voortgevloeid is.

177 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

In Londen evenwel stond die minister er alléén voor: hij miste de steun van zijn vrouwen van het gezinsleven in het algemeen (dat had voor Dijxhoorn veel betekend), hij had zijn oude politieke en andere vrienden niet langer om zich heen, hij was het contact met de vaste kring van ervaren hoofdambtenaren kwijt. Ook was veel van het beschermend omhulsel van protocol en ceremonieel weggevallen: hij stond in Stratton House in een en dezelfde lift met nieuwsgierige journalisten en drukpratende secretaressen. Leiding kon hij slechts geven, respect kon hij slechts inboezemen, indien hij een krachtige, zelfstandige persoonlijkheid was. Anderen misten die kracht en die zelfstandigheid in Dijxhoorn. Hijzelf niet - en het zijn juist naturen als de zijne die in de conflicten die onvermijdelijk met het ministerschap verbonden zijn (conflicten die in oorlogstijd met extra heftigheid beleefd worden), het vermogen missen om zakelijke argumenten rustig tegen elkaar af te wegen en dan een duidelijke beslissing te nemen, maar die steeds hun persoonlijk prestige bedreigd achten en dan onhoudbare stellingen gaan verdedigen met een hardnekkigheid die zij zelf als kracht ervaren, maar die een gemaskeerde vorm van zwakheid is.

XCWat hebben wij, afgezien van zijn opvattingen, in hoofdstuk I van Dijxhoorn verhaald? Dat hij voor het Nederlands Legioen de ene ongeschikte commandant na de andere uitkoos en ook naliet om persoonlijk het Legioen te inspireren. Dat hij bij de verdere opleiding van de leerlingvliegers eindeloos talmde en tenslotte een beslissing nam (vertrek naar Indië) die onjuist was. Dat hij de marine praktisch volledig uit handen gaf: aan Furstner. Dat hij zich de geheime dienst, die in Nederland steeds onder Defensie geressorteerd had, liet ontnemen: deze kwam (met zijn goedvinden) bij Gerbrandy (Justitie) terecht en werd onder leiding van van 't Sant geplaatst. Nu was die plaatsing onder Justitie wat het aspect 'veiligheid' betrof, nog wel te verdedigen, maar er was ook het aspect 'inlichtingen uit bezet gebied', waarvan te voorzien viel dat dat goeddeels militaire inlichtingen zouden zijn. Een zich van zijn verantwoordelijkheid bewuste minister van defensie zou er op gestaan hebben dat het verzamelen van deze inlichtingen onder hèm zou komen te ressorteren en dat hij het zou zijn die ze aan de Engelsen zou doorgeven. Dijxhoorn wist niet eens dat van Hamel, de eerste geheime agent, door Furstner aan van 't Sant was afgestaan, door wie van Hamel nog voor de Centrale Inlichtingendienst, de CID, opgericht was, aan Ml-6

178 [PDF]
CONFLICT OVER DE INTERNERINGEN

land gedropt was - wèl merkte hij na enkele weken dat geheime inlichtingen uit bezet gebied in Engeland binnenkwamen; hij ontving er afschrift van, maar die toezending werd plotseling gestaakt. Hij eiste verdere inzage. Deze werd hem door van 't Sant op instructie van de koningin en met instemming van Gerbrandy geweigerd - en Dijxhoorn, hoe gegriefd hij ook door die weigering was, liet de zaak rusten.' Nadien zag hij van 't Sant als een vijand die hem geheel onverdiend bij de koningin zwartgemaakt had.

XCIn die tijd, herfst' 40, was Dijxhoorn de enige niet die veel op het optreden van van 't Sant tegen had. Deze had, zoals wij in hoofdstuk I beschreven, van meet af aan in samenwerking met MI- 5 veel te maken gehad met het interneren van onbetrouwbaar geachte Nederlanders, enkele honderden, van wie wij twee in het bijzonder noemden: overste Zegers die lid van de NSB was geweest en op wie MI- 5 na zijn aankomst in Engeland, op grond van een gesprek dat hij met Britse officieren gevoerd had, attent was gemaakt (Dijxhoorn had hem tot commandant van het Legioen willen benoemen), en de zakenman van Buuren die bemiddeld had bij Musserts contact met Mussolini. Van Buuren was een goede bekende van Dijxhoorn en Steenberghe. Dezen namen de internering van hun relatie hoog op en gingen spoedig van Gerbrandy eisen dat van Buuren vrijgelaten zou worden. Inderdaad, hoe begrijpelijk het ook was dat MI-5 van Buuren had laten interneren toen het Engelse veiligheidsorgaan vernomen had (die inlichting kwam van van 't Sant) dat hij Mussert, 'leider van de Vijfde Colonne in Nederland', een belangrijke dienst bewezen had, objectief was er weinig reden, van Buurenlange tijd vast te houden: die dienst was in '34 bewezen, van latere relaties van van Buuren met Mussert was niets bekend, hij had integendeel (maar dit wist van' t Sant niet) af en toe inlichtingen gegeven aan GS-III in de periode waarin van Oorschot daarvan het hoofd was geweest.

XCIn oktober deelden Dijxlioom en Steenberghe formeel aan Gerbrandy mee dat zij persoonlijk ten volle voor van Buurens betrouwbaarheid instonden. Dat liet Gerbrandy weinig keus. Hij gaf van 't Sant instructie, een brief op te stellen die, door Gerbrandy ondertekend, aan het Engelse

1 Oordeel van de Enquêtecommissie: 'Het was de plicht geweest van de minister van justitie' (Gerbrandy) 'die verantwoordelijk was voor de Centrale Inlichtingen dienst, de berichten, waarover zijn dienst de beschikking kreeg, ter kennis te brengen van de minister van defensie' (a.v., dl. IV a, p. 69) in dat oordeel is, menen wij, de algemene houding die Dijxhoorn in de voorafgaande maanden aan genomen had, onvoldoende verdisconteerd. Er kwam nog bij dat Dijxhoorn volgens van 't Sant aan personen die er niets mee te maken hadden, had doen blijken dat er geheim contact met Nederland bestond; of die bewering juist is geweest (wij zijn daar geenszins zeker van), hebben wij niet kunnen verifiëren.

179 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

Ministry of Home Affairs and Home Security gezonden zou worden met verzoek, van Buuren vrij te laten. Van 't Sant schreef een concept voor die brief, dat hij parafeerde, gaf dat concept aan Gerbrandy - en er gebeurde niets. Daarbij veronderstellen wij dat de koningin Gerbrandy had doen weten dat zij wenste (dat wenste trouwens ook van 't Sant) 'dat van Buuren geïnterneerd bleef Medio november nanl Post Uiterweer, een van de twee adjudanten van Dijxhoorn, van Oorschot in de arm die nog allerlei goede bekenden bij MI-5 had: kon hij niet zorgen dat van Buuren vrij kwam? Van Oorschot, die vernomen had dat van 't Sant al een concept geschreven had, zag een oplossing: hij zond Post Uiterweer naar de kamer van Gerbrandy's secretaris Kasteel, liet hem terugkomen met van 't Sants concept, liet daar een afschrift van tikken, zette er 'w.g. van 't Sant' onder, gaf dat afschrift aan een van zijn bekenden bij MI-5 - en 'de volgende morgen' (20 november), aldus van Oorschot, was van Buuren vrij man.!

XCWat van Oorschot gedaan had, was eigenlijk ontoelaatbaar maar de door hem doorgezette oplossing was conform de toezegging die Gerbrandy aan Dijxhoorn en Steenberghe gedaan had, en de minister-president liet de zaak verder rusten, zij het dat hij alle begrip had voor van 't Sants verontwaardiging.ê Van Buuren van zijn kant was razend wegens zijn detentie (hij kreeg, aldus Veraart, 'regelmatig het schuim op de mond als hij het had over de manier waarop hij was behandeld'"), Dijxhoorn en Steenberghe namen de oude betrekkingen met van Buuren weer op (men zag hen gedrieën lunchen in een restaurant) - en de koningin nam het zowel Dijxhoorn als Steenberghe kwalijk dat zij zich zo voor van Buuren ingezet hadden.

XCDe zaak van overste Zegers was ernstiger dan die van van Buuren. Ook voor zijn vrijlating gaf Dijxhoorn zich moeite, maar vergeefs. Daar droegJ.J.

1 Getuige W. van Oorschot, dl. IV c, p. 340. 2 Naar aanleiding van dit gebeuren heeft de Enquêtecommissie louter op van 't Sants beleid kritiek uitge oefend: zij meende, 'dat zijn houding, nadat de ministers van defensie en justitie deze internering niet meer noodzakelijk achtten, getuigde van het voeren van een eigen politiek, die hem als dienaar van de Nederlandse regering niet paste.' (a.v., dl. IV a, P·7 0) Die kritiek lijkt ons niet juist: het is Gerbrandy geweest die, zij het op advies van van 't Sant, de vrijlating van van Buuren enkele weken tegengehouden heeft ('in alles heeft ... de heer van 't Sant mijn sanctie gehad en ben verantwoordelijk', had Gerbrandy verklaard (a.v., dl. IV c, p. 1224)) en het zou, dunkt ons, de Enquête commissie niet misstaan hebben wanneer zij haar bevreemding had uitgesproken over het optreden van van Oorschot die haar, wat hij gedaan had, zelf in geuren en kleuren had verteld (a.v., p. 340) en wiens relaas door Post Uiterweer was bevestigd. (a.v., p. 1361) 3 Getuige A. Veraart, a.v., dl. II c, p. 342.

180 [PDF]
CONFLICT OVER DE INTERNERINGEN

Zegers-zelf toe bij: de man was eerlijk als goud, diep verbitterd over het feit dat men hem gearresteerd had hoewel hij bereid was geweest, zijn trouwaan koningin en vaderland te bezweren, en die verbittering bevorderde dat hij bij elke ondervraging precies de antwoorden gaf die zijn internering bestendigden.! Hij kwam pas in '44 vrij en kreeg toen een functie bij het Nederlandse Rode Kruis te Londen.

XCNu waren in '40, gelijk vermeld, in totaal enkele honderden Nederlanders op aanwijzing van MI-5 geïnterneerd, sommigen op losse gronden. Zij kwamen in karnpen en gevangenissen terecht, waar de behandeling soms goed, soms minder goed was. MI-5 had aanvankelijk voor niets anders tijd dan voor het interneren - het afnemen van nadere verhoren moest wachten. Het hele jaar '40 door had het Home Office, waar de geïnterneerden onder kwamen te ressorteren, ook geen volledig overzicht, wie allemaal geïnterneerd waren, om welke redenen de interneringen waren verricht, en waar de geïnterneerden zich bevonden. Aan Nederlandse kant betrof het meestal schepelingen; hun schip voer dan vaak weg zonder dat de Nederlandse consul, in wiens ressort de internering verricht was, informatie had gekregen en ook van 't Sants CID bleef lange tijd van inlichtingen verstoken. Gevolg was dat de geïnterneerden, met inbegrip van de onschuldigen onder hen, maandenlang niets van 111m eigen regering merkten. Hadden zij met relaties in Engeland contact kunnen opnemen, dan gingen klachten naar Stratton House. Vooral Dijxhoorn en Steenberghe waren voor die klachten zeer gevoelig: zij stelden in november de zaak in de ministerraad aan de orde en het gevolg was dat Gerbrandy op de zöste van die maand van 't Sant een lange brief met kritische constateringen schreef waarin ook de door Dijxhoorn en Steenberghe gebezigde bewoordingen weergegeven werden: te weinig onschuldigen waren vrijgelaten (de CID was 'schromelijk tekortgeschoten'), de CID wist zèlf niet wie er geïnterneerd waren ('voor het prestige van de regering uitermate fnuikend'), veel geïnterneerden waren nog niet eenmaal verhoord (de CID was 'volkomen

1 Wij citeren uit een verhoor van eind mei '41 het volgende. 'Wanneer bedankte u voor de NSB?' 'Ik heb nimmer bedankt ... (Ik) ben ... automatisch afgevoerd ... Ik zou zelf nooit bedankt hebben en vermoedelijk nog lid zijn.' 'Hoe staat u thans tegenover de NSB?' 'Ik weet het niet.' 'Hoe staat u tegenover Duitsland?' 'Ik heb waardering voor de orde die het nieuwe regime in het binnenland gesticht heeft, en als soldaat be wondering voor het militaire kunnen van Duitsland ... (Ik) ben nog steeds van mening dat ... men tot een compromisvrede moet komen. Ik geef toe dat men mij in dit opzicht een defaitist zou kunnen noemen.' (Verslag van verhoor, 28 mei punt f, gestenc. bijl. J63)

181 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

tekortgeschoten'), 'bepaalde Nederlanders' (Dijxhoorn en Steenberghe zullen wel aan van Buuren en overste Zegers gedacht hebben) waren 'juist met medewerking van de Centrale Dienst' zonder voldoende reden opgesloten ('men achtte dit gebeuren op één lijn staande met ... de lettres de cachet van vóór de Franse revolutie') en de gehele toestand was 'absoluut onhoudbaar'; deze 'grieven' overbrengend voegde Gerbrandy als zijn eigen oordeel toe dat de situatie die ontstaan was, wel onmiddellijk verbeterd moest worden, maar dat toch 'in veel opzichten de verwijten te gemakkelijk (waren) gemaakt.'

XCVan 't Sant verscheen op 29 november, negen dagen na van Buurens vrijlating, in de ministerraad (Dijxhoorn vroeg prompt waarom niet ook overste Zegers al vrijgelaten was), erkende dat hij inderdaad nog geen volledig overzicht van alle interneringsgevallen bezat, maar wees er op dat al vijftig geïnterneerden vrijgelaten en een kleine honderd gevallen in behandeling waren. Het eerste overzicht dat Justitie van het Engelse Home Office ontving (Gerbrandy had voor de zaak Churchills persoonlijke aandacht gevraagd), kwam pas eind december binnen, maakte melding van precies honderd Nederlanders die toen geïnterneerd waren - en was onvolledig, want alleen al in één kamp dat van Boeyen begin februari' 4I bezocht, trof deze meer dan negentig Nederlanders aan. Er waren toen vermoedelijk in totaal tussen de twee- en driehonderd Nederlanders geïnterneerd; de meesten hunner zijn in '4I vrijgelaten, ca. zestig 'zware gevallen' werden op het Isle of Man vastgezet, en ernstige klachten zijn ons uit later tijd onbekend.'

XCReden tot het uitoefenen van pressie hadden Dijxhoorn en Steenberghe in de herfst van '40 dus bepaald wèl, maar wij menen dat zij in de noodsituatie waarin Engeland zich bevond, van meer begrip voor van Buurens internering hadden kunnen getuigen, dat Dijxhoorn zich op losse gronden voor de vrijlating van overste Zegers ingezet heeft, en dat hij en Steenberghe onvoldoende oog hebben gehad voor de moeilijkheden waarmee MI-5, en dus ook van 't Sants CID, te karnpen had.

XCEind december, nadat weer 'een lange discussie over de Nederlandse geïnterneerden' in de ministerraad plaatsgevonden had, noteerde van den Tempel onder verwijzing naar van Buuren en Zegers in zijn dagboek: 'Sommige ministers interesseren zich zeer voor deze heren. Zij werden tenslotte wat al te zeer voorgesteld als martelaars, wat mij bij interruptie

1 Toen de CID begin '42 opgeheven werd, werd het veiligheidswerk aan de Politiebuitendienst van Justitie opgedragen en de zorg voor de geïnterneerden werd in juni '42 volledig door van Boeyen overgenomen.

182 [PDF]
KRITIEK OP VAN 'T SANT

enige onvriendelijke commentaar ontlokte." Daar was reden voor. Steenberghe noch Dijxhoorn kwam het toe, zo hoog van de toren te blazen en Gerbrandy voelde zuiver aan dat hun opkomen voor van Buuren en Zegers in feite een politieke aanval was op hèm, op van 't Sant en op de koningin, kort gezegd: op de diehards, wier 'fanatisme' in discrediet gebracht moest worden.

XCVan maand tot maand werd de verhouding tussen de koningin en Dijxhoorn slechter. Zij wenste een andere minister van defensie, maar kon haar doel niet bereiken: gegeven de tegenstellingen die nog steeds binnen het kabinet bestonden, voorzag Gerbrandy dat een heengaan van Dijxlioom door het heengaan van anderen gevolgd zou worden. De koningin, uitermate gebelgd over van Oorschots ingrijpen in de zaak-van Buuren, wenste dat de Nederlandse militaire missie te Londen waarvan van Oorschot nog steeds hoofd was, opgeheven zou worden - Gerbrandy maakte die wens tot de zijne, maar Dijxhoorn weigerde medewerking: de missie bleef. Er waren voortdurend moeilijkheden over het toekennen van onderscheidingen: de eerste drie Engelandvaarders kregen wèl het Bronzen Kruis, maar voor de volgende twee achtte Dijxlioom dat tot ergernis van de koningin niet nodig. Er bereikten de koningin klachten over de slechte geest bij het Nederlandse Legioen - ze gaf ze aan Gerbrandy door, Gerbrandy verzocht Dijxhoorn, in de ministerraad een uiteenzetting te geven hoe het er met het Legioen voorstond, en Dijxhoorn, gegriefd dat Gerbrandy die klachten niet eerst met hèm besproken had, schreef hem prompt dat hij 'ernstig (overwoog)', ontslag te nernen.ê Toen Dijxlioom medio januari ,4I als gevolg van een door Gerbrandy overgebracht verzoek door de koningin ontvangen werd, viel van haar kant de ene geprikkelde opmerking na de andere, 'bij de marine gaat alles goed', zei zij, waartegen Dijxhoorn zich verweerde door te zeggen dat dat niet juist was, 'ik vertelde toen aan Hare Majesteit', aldus Dijxhoorn in het verslag dat hij onmiddellijk na het onderhoud schreef 3, 'dat destijds' (meer dan zeven maanden tevoren) 'H. M.'s 'Sumatra' en 'Van Heemskerck' naar Canada waren vertrokken, zonder dat ik, als minister van defensie, daar iets van wist.' Voorbeeld naGerbrandy (Collectie-Dijxhoorn, map 'Stemming Legioen'). a Dijxhoorn: 'Memoires', bijl.

1 Van den Tempel: 'Dagboek', p. 47. 2 Brief, 13 dec. 1940, van Dijxhoorn aan

183 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

voorbeeld gaf hij 'om aan te tonen hoe vlot men in de Londense samenleving over de tenen van de minister van defensie heenliep' (niet beseffend dat hij met elk voorbeeld dieper in de achting van de koningin daalde). 'Hare Majesteit verzocht mij, in den vervolge dergelijke zaken niet meer met haar te bespreken, zoiets had zij nog nooit meegemaakt. Aangezien ik niets meer zeide, ontstond er een pauze. Na naar schatting een minuut hervatte Hare Majesteit het gesprek met de opmerking dat zij mij in lange tijd niet had gesproken, omdat daar geen aanleiding voor was geweest' - misschien wilde hij haar nu zijn mening zeggen 'over de oorlogvoering te land en in de lucht. De marine mocht er klaarblijkelijk niet bij.'

XCNeen, en de koningin wenste Dijxhoorn ook niet bij de marine te zien. Toen een week of vier later op de 'Van Heemskerck' een oorkonde aangeboden werd aan de koningin, gaf zij Furstner instructie, wèl Gerbrandy voor die plechtigheid uit te nodigen, maar niet Dijxhoorn. Daags daarna, 12 februari, dreigde Dijxhoorn in de ministerraad voor de tweede maal met ontslag: 'het zal voor hem tot eonsequenties kunnen leiden, indien zo iets zich herhaalt.'!

XCGerbrandy zat ermee in. Het was hem al maanden duidelijk dat de koningin de vervanging van Dijxlioom wenste. 'Na veel lastige besprekingen' met haar (want hij wenste, hoewel hij niet veel vertrouwen meer in Dijxhoorn had, deze niet te laten vallen) legde hij tenslotte zijn zorgen aan van Boeyen voor. 'Gerbrandy', zei deze, 'je zult zien dat de koningin haar zin krijgt, niet omdat jij hem afvalt, maar omdat hij niet voldoende gezag . .. uitoefent. Dijxhoorn handelt tegen zichzelf in, hij staat nooit voor wat hij heeft beslist en wordt door zijn omgeving verpest, hoewel hijzelf een aardige kerel is. Trek je er niets van aan als hij straks weggaat, je hebt hem al veel te lang de hand boven het hoofd gehouden."

XCWas geen oplossing te bereiken?

XCMedio februari stelde Gerbrandy aan de koningin voor, het departement van defensie te splitsen in een departement van oorlog en een van marine; admiraal Furstner, bevelhebber der zeestrijdkrachten, zou dan tevens als minister van marine optreden en Dijxhoorn, minister van oorlog, tot generaal-majoor bevorderd, zou tegelijk bevelhebber van de landstrijdkrachten worden; de koningin, vol waardering voor hetgeen de marine onder Furstner presteerde (zij zag de admiraal graag in het kabinet opgenomen), had er geen bezwaar tegen dat Gerbrandy probeerde, zijn opzet te

XC1 Ministerraad: Notulen, 12 febr. 1941. 2 Gerbrandy: 'Aantekeningen inzake

184 [PDF]
DI]XHOORN GEGRIEFD

verwezenlijken. Er werden twee extra vergaderingen van de ministerraad aan gewijd (op vrijdag 21 en zaterdag 22 februari) en nog een afsluitende bespreking in de gewone vergadering op dinsdag 25 februari. Waarlijk, Gerbrandy deed zijn best: hij voegde aan zijn voorstellen nog toe dat hij aan de koningin het denkbeeld wilde voorleggen, Dijxhoorn bij de bevrijding tot opperbevelhebber van land- en zeemacht te benoemen, maar er was in het kabinet een algemeen gevoelen dat men de splitsing van het departement van defensie, juist omdat de koningin zich er al mee verenigd had, moest afwijzen (het kabinet, constateerde Gerbrandy, was 'algemeen beducht voor de gevaren van een min of meer persoonlijk regiment', d.w.z. een regiment door de koningin'), van Boeyen en Dijxhoorn-zelf achtten de combinatie minister/bevelhebber staatsrechtelijk onjuist en Dijxhoorn zei op 21 februari dat hij 'zo diep gekrenkt' was dat hij het liefst meteen ontslag nam (derde dreiging) en op de 25ste dat hij inderdaad zou heengaan als het tot de splitsing van zijn departement kwam (vierde dreiging).

XCGerbrandy's opzet was mislukt - en de zaak liep hem uit handen.

XCEen maand later, in maart, raakte Dijxhoorn in een scherp conflict gewikkeld met de koningin inzake 'de terugkeer'. Achteraf gezien waren alle discussiesover dat onderwerp rijkelijk prematuur, maar zo werd dat toen niet beschouwd: dat Duitsland van de ene dag op de andere zou ineenstorten, was een hoop, soms ook een verwachting, die bij velen en bepaald ook bij de koningin leefde. Begin '41 riep Gerbrandy voor de voorbereiding van de terugkeer een speciale ministeriële commissie in het leven, die aanvankelijk nogal vrijblijvend werkte (de eerste vergadering van de toen officieel opgerichte 'Commissie-Terugkeer' vond pas eind augustus '41 plaats), maar toch wel op gezette tijden bijeenkwam. Taak van die commissie (wij zullen haar als 'de eerste Commissie-Terugkeer' aanduiden) was, aldus Albarda, 'de voorbereiding van de terugkeer in technische zin, dus ook de zorg voor de veiligheid van H. M. de Koningin en voor de veiligheid in Nederland.P Leden van die eerste CommissieTerugkeer waren Gerbrandy (voorzitter), van Boeyen en Dijxhoorn; van 't Sant was adviseur (en als zodanig bij alle vergaderingen aanwezig hij kon de koningin dus nauwkeurig inlichten), Kasteel was secretaris.

XCWas nu inderdaad de taak van die commissie 'de voorbereiding van de terugkeer in technische zin', zoals Albarda het uitdrukte? Dat zal hij wellicht van Gerbrandy gehoord hebben, maar in werkelijkheid was die taak veel

1 Ministerraad: Notulen, 2I febr. I941. 2 Getuige Albarda, dl. V c, p. 6IO.

185 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

ruimer: conform de denkbeelden die van Boeyen in maart '41 neergelegd had in zijn nota voor de commissie, en aan die welke Gerbrandy in april '41 in zijn strikt persoonlijke nota aan de koningin had ontvouwd (van beide stukken gaven wij samenvattingen in ons vorige hoofdstuk), moest de commissie in de eerste plaats aansluiting zoeken bij de wensen van de koningin inzake het 'vernieuwde' staatsbestel,en dat was uiteraard geen 'technische', maar een bij uitstek staatkundige zaak. Natuurlijk, de commissie kon het kabinet als geheel niet binden en op een gegeven moment zouden haar voorstellen aan de gehele ministerraad voorgelegd moeten worden, maar dat stelde Gerbrandy liefst zo lang mogelijk uit: omtrent de beraadslagingen in die eerste Commissie-Terugkeer vernamen de overige ministers aanvankelijk geen bijzonderheden.

XCOp 27 maart gingen van de commissie drie nota's naar de koningin uit: een van Dijxhoorn, een van van Boeyen, een van Gerbrandy. Van Boeyen en Gerbrandy hadden beiden gewild dat zij gedrieën één nota zouden schrijven, maar dat had Dijxhoorn gezien als een aantasting van zijn autoriteit: hij zag de terugkeer in eerste aanleg als een militaire aangelegenheid en daarover wilde hij zijn eigen denkbeelden aan de koningin voorleggen.

XCDe nota van Dijxhoorn was in haar eerste versie d.d. 13 maart' 411 door de minister opgesteld in samenwerking met twee officieren die op dat moment samen het begin februari '41 door hem opgerichte Bureau Bijzondere Aangelegenheden bemanden: de bejaarde luitenant-generaal J. F. van de Vijver, hoofd van Winkelmans missie bij het Franse hoofdkwartier, en de vroegere militaire attaché te Parijs, luitenant-kolonel van Voorst Evekink, die ten tijde van de oprichting van het Bureau Bijzondere Aangelegenheden via Portugal uit onbezet Frankrijk overgekomen was. Blijkens die eerste versie zag Dijxhoorn het als 'het meest waarschijnlijke geval', dat Duitsland 'evenals in november 1918 het geval is geweest', zou ineenstorten. Dijxhoorn wilde dan, minister blijvend, als gedelegeerde van de regering en opperbevelhebber van land- en zeemacht naar Nederland gaan (hij had zulk een combinatie in februari op staatsrechtelijke gronden afgekeurd) - hij zou er dus als eerste regeringspersoon voet aan wal zetten. In Nederland zou de in april' 40 afgekondigde staat van beleg blijven gelden en op grond daarvan zou opperbevelhebber Dijxhoorn het militair gezag gaan uitoefenen. Hij zou dan 'een regeringsproclamatie' uitgeven. Hij zou een reeks maatregelen treffen tegen de NSB, tegen Arnold Meyers Nationaal Front en tegen de NSNAP van majoor Kruyt (van de veel grotere NSNAP-van Rapparda.v.,p.

1 Tekst: dl. Vb, 87-88.

186 [PDF]
DI]XHOORNS NOTA AAN DE KONINGIN

maakte hij geen melding) alsmede tegen de vooraanstaande leden van die formaties. Hij zou alle Duitsers over de grens laten zetten. Hij zou met de secretarissen-generaal, voorzover niet 'fout', en met mr. A. Brants (directeurgeneraal van politie bij het departement van justitie) bespreken of het mogelijk was, alle na IS mei '40 in leidende betrekkingen benoemde ambtenaren te schorsen, de radio te zuiveren, de bladen van de NSB en van Nationaal Front te verbieden, allerlei veiligheidsmaatregelen te nemen en de bevolking op te roepen, drie dagen lang te vlaggen. Hij zou voorts besprekingen houden met de commissarissen der koningin en de burgemeesters der grootste steden ('met die van's Gravenhage eventueel al eerder'). Was er dan 'volledig orde' in Nederland, dan zouden de koningin en de overige ministers op zijn teken kunnen overkomen.

XCMen ziet: Dijxhoorn wilde in wezen aanknopen bij Nederland zoals het in mei '40 reilde en zeilde, met dien verstande dat als regeringsgedelegeerde en opperbevelhebber van land- en zeemacht in de eerste periode na de 'bevrijding' de hoogste autoriteit zou zijn. In de Commissie-Terugkeer had Gerbrandy er evenwel een lans voor gebroken dat, volgens de wensen van de koningin, prins Bernhard opperbevelhebber zou worden - daar had van Boeyen niet voor gevoeld en toen had Dijxhoorn in de eerste versie van zijn stuk zichzelf naar voren geschoven. Maar dat durfde hij toch niet aan de koningin schrijven. Hij maakte een tweede versie d.d. 2I maart en daarin liet hij open, wie regeringsgedelegeerde en opperbevelhebber van land- en zeemacht zou worden.

XCBij Dijxhoorns nota plaatste Gerbrandy, toen hij haar op 27 maart aan de koningin toezond, 'enkele detailopmerkingen'.! Nu, verscheidene van zijn opmerkingen droegen een heel ander karakter: zo meende hij dat de opperbevelhebber niet tegelijk regeringsgedelegeerde moest zijn maar dat wellicht ook een 'delegatie van ministers' onmiddellijk moest vertrekken (Gerbrandy dacht aan van Boeyen, Steenberghe en zichzelf) en dat er geen 'regeringsproclamatie' moest komen maar een proclamatie van de koningin, en, schreef hij, 'of ... de regering' (bedoeld: het kabinet) 'daarna ook nog een oproep zal doen, hangt geheel van de proclamatie van Hare Majesteit af' - anders gezegd: Gerbrandy wilde de weg naar het 'vernieuwde' staatsbestel open houden.

XCVanBoeyens op 27 maart aan de koningin voorgelegde nota was niet het stuk 'Reorganisatie van de staatkundige opbouw' (met daarin de zin: 'het Koninklijk Gezag moet tot de ziel van het volk doordringen') dat wij in ons vorige hoofdstuk behandelden, maar een ander: 'Terugkeer naar

XC1

187 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

Nederland en taak ZKH Prins Bernhard'." 'Het verlangen van Hare Majesteit dat aan ZKH Prins Bernhard bij de terugkeer naar Nederland een taak gegeven dient te worden, is', schreef van Boeyen, 'zeer juist gezien en van het allergrootste belang.' Maar welke taak? Niet een taak 'bij het herstel van de orde': dan zou 'kras moeten worden opgetreden' en dat zou een lid van het Oranjehuis met een verantwoordelijkheid belasten waaruit 'de ernstigste gevolgen' zouden kunnen voortvloeien; evenmin een taak 'op bestuurlijk terrein': 'staatsrechtelijk is deze gedachte in het lichr van de Grondwet niet te verwezenlijken'; wèl echter een taak 'op algemeen maatschappelijk gebied': overal rondreizend zou de prins de noden van het Nederlandse volk moeten peilen.

XCDat denkbeeld werd door Gerbrandy in zijn eigen nota ondersteund." Maar hij ging verder: hij adviseerde de koningin, de prins 'aan te wijzen als commissaris-generaal van herstel, als centrale figuur daarin; in dit herstel', aldus Gerbrandy, 'is begrepen zowel het militaire als het economische.' De prins zou dan tegelijk met de opperbevelhebber oversteken, 'het spreekt vanzelf dat wij ons onthouden hebben te spreken over Uwer Majesteits eigen terugkeer' - ja, Gerbrandy's nota dateert wel volledig uit zijn 'bedeesde' periode waarin hij zich van zijn eigen verantwoordelijkheid onvoldoende bewust was en veel te onderdanig tegenover de koningin stond! Hij vroeg haar, dag en uur te bepalen voor een bespreking met van Boeyen, Dijxhoorn en hemzelf.

XCDat zij gedrieën met hun nota's, ingezonden zonder voorkennis van hun ambtgenoten, bijgedragen hebben tot verwringing van de constitutionele verhoudingen, spreekt vanzelf; 'deze materie was', zo oordeelde de Enquêtecommissie, 'bij uitstek een aangelegenheid van algemene politiek, welke het kabinet in zijn geheel aanging, zodat eventuele voorstellen ... niet dan via de ministerraad hadden moeten gaan'3 - een opinie die wij onderschrijven. Maar de zaak kwam onmiddellijk al vast te zitten. Vanalle konkrete denkbeelden die aan de koningin voorgelegd werden, sprak haar op dat moment slechts één aan: dat prins Bernhard bij de bevrijding een belangrijke taak zou krijgen; zij meende overigens dat de taak van prinses Juliana nog belangrijker moest zijn en zond dienaangaande op 4 april '41 aan haar dochter het volgende telegram: 'Hier in overweging plan voor algemeen herstel bij thuiskomst. Wens jou en B[ernhardJleiding in handen te geven. Stel voor, jij voorzitter commissie van herstel op economisch en militair gebied' (economisch èn militair: de door Gerbrandy voorgestelde

XC1 Enq., punten j en 0, gestene. bijl. r64. 2 Tekst: a.v., dl. Vb, p. 90. a A.v., dl. VIII a, p. 320.

188 [PDF]
TAKEN VOOR PRINSES EN PRINS?

combinatie). 'B[emhard] vice-president en commissans-generaal, omgeven door deskundige werkkrachten. B[ernhardJ ermee eens, met restrictie dat je je niet verplicht alle vergaderingen bij te wonen omdat anders geen tijd voor familie. Dit brengt mee dat jullie samen rondgaat om je op de hoogte te stellen van verwoestingen en leed en mij verslag uitbrengen.'!

XCAfgezien evenwel van wat in de haar voorgelegde nota's over prins Bernhard stond, wees de koningin met name Dijxhoorns gehele benadering van de terugkeer-problematiek af en zij kleedde die afwijzing in de op dat moment sterkst mogelijke vorm: dat zij, om te beginnen, met Dijxhoorn inzake de terugkeer niets meer te maken wilde hebben, zolang hij van Voorst Evekink bij zijn Bureau Bijzondere Aangelegenheden handhaafde.

XCEr waren in Frankrijk met van Voorst Evekink vreemde dingen gebeurd.

XCHij was, zoals wij in hoofdstuk I vermeldden, vóór de val van Parijs naar het zuiden uitgeweken, had zich in onbezet Frankrijk gevestigd en daar waren bij hem de aanmeldingen geconcentreerd van een kleine duizend in die tijd in Frankrijk vertoevende Nederlanders die zich als militairen of aspirant-militairen naar Engeland wilden begeven; die aspirant-militairen waren vrijwilligers, de militairen leden van uiteengeslagen formaties die alleen of in kleine groepjes in Frankrijk waren terechtgekomen. Dijxhoorn had voor die vrijwilligers en militairen geen scheepsruimte kunnen vinden en van Kleffens had toen aan van Vredenburch bericht dat zij, voorzover zij zich niet persoonlijk bedreigd achtten, maar naar Nederland moesten terugkeren; van Vredenburch had dat bericht aan van Voorst Evekink doorgegeven. Maar behalve over de namen van de 'losse' militairen beschikte van Voorst Evekink ook over die van de militairen die in groepen tijdig naar Engeland waren geëvacueerd. De personalia van die laatsten konden voor de bezetter van belang zijn: het was heel wel mogelijk dat deze maatregelen zou willen treffen tegen hun familieleden en bovendien was het voor de bezetter van evident belang, precies te weten, hoeveel Nederlandse militairen naar Engeland overgestoken waren. Toen nu in de zomer van '40 een Rode Kruis-missie naar Frankrijk vertrok om gevluchte Nederlanders op te halen (de missie waarbij zich de Haagse arts A. D. A. van Overeem en zijn latere echtgenote L. H. H. A. van Overeem

XC1

189 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

Ziegenhardt bevonden"), werd, vermoedelijk door de Abwehr, aan dat groepje een Nederlander toegevoegd die opdracht had, zo mogelijk na te gaan welke Nederlandse militairen naar Engeland overgestoken waren. Die Nederlander, die beweerde dat hij inlichtingen inwon welke louter voor de families van de betrokkenen bestemd waren, wekte bij de viceconsul in Parijs, bij wie de Rode Kruis-missie zich meldde, aanstonds verdenking; de vice-consul waarschuwde het gezantschap in Vichy, het gezantschap waarschuwde van Voorst Evekink, die zich toen in La Bourboule bevond, ca. wo km bezuiden Vichy. Van Voorst Evekink legde die waarschuwing naast zich neer en.gaf de man die zijn gebruikelijk verhaal afgedraaid had ('de gegevens zijn alleen voor de families bestemd') een afschrift mee van de personalia van alle bij hem geregistreerde Nederlandse militairen. Het gezantschap was hierover hogelijk verontwaardigd.

XCBegin augustus '40 meende Dijxhoorn dat van Voorst Evekink en de twee kapiteins die hem vergezelden: A. C. de Ruyter van Steveninck en w. P. J. A. van Royen, onmiddellijk naar Engeland dienden te komen waar een groot tekort aan beroepsofficieren was. Op 3 augustus zond hij hun daartoe een instructie via de gezant te Vichy. De drie officieren begonnen met te talmen, beklaagden zich er links en rechts over dat zij zich naar Engeland moesten begeven, trokken tenslotte naar Perpignan bij de Spaanse grens en zagen daar hun talmen beloond: Spanje liet hen, onder Duitse druk, niet toe. Zij bleven enige tijd in Perpignan hangen en wekten daar zozeer de ergernis van andere Nederlanders op dat een van die Nederlanders (de oud-thesaurier-generaal mr. L. A. Ries") die, zo schreef hij, 'wekenlang' in hetzelfde hotel in Perpignan gelogeerd had, minister van Kleffens waarschuwde: 'Zij geloofden in een Duitse overwinning en hadden geen lust naar Engeland te gaan." Van Kleffenswerd trouwens ook door ambtenaren van de buitenlandse dienst ingelicht. Eind september werd hem door de gezantschapsraad van het gezantschap te Vichy bericht, dat het 'zeker' was, dat van Voorst Evekink 'geen zin had naar Engeland te gaan en zich op weinig vleiende wijze over onze regering uitliet ... De 'missie" (drie officieren met enkele minderen) 'zit nu vrijwel voltallig aan de Rivièra met een hoop rijksduiten en koestert zich in de herfstzon'4 - van Voorst Evekink, een befaamd vrouwenjager, smaakte overigens ook nog andere geneugten die niet onbekend bleven.

XC1 Van beiden en van hun missie in Frankrijk maakten wij al melding in ons vorige deel, nl. in hoofdstuk 9: 'Hulp van buiten'. 2 Ries wist enige tijd later via Lissabon Amerika te bereiken. 3 Brief, 9 okt. 1940, van L. A. Ries aan van Kleffens (Dijxhoorn: 'Memoires', bijl. I bij bijl. 40). 4 Brief, 30 sept. 1940, van F. C. A. van Pallandt aan van Kleffens (DBPN, C, dl. I, p. 461).

190 [PDF]
VAN VOORST EVEKINK

XCDijxhoom herhaalde zijn opdracht uit begin augustus, maar het werd eind januari ' 4I voordat althans van Voorst Evekink en de Ruyter van Steveninck van Marseille naar Algiers vlogen. Van Voorst Evekink had toen gedoogd dat van Royen, die onder zijn bevelen stond, met Duitse faciliteiten naar Nederland terugkeerde. Begin februari arriveerden van Voorst Evekink en de Ruyter van Steveninck eindelijk in Londen, zes maanden nadat zij daartoe hun eerste opdracht gekregen hadden. De koningin eiste een onderzoek tegen beide officieren van wie natuurlijk van Voorst Evekink, hoogste in rang, de zwaarste verantwoordelijkheid droeg. Het onderzoek werd aan Dijxhoom en van Kleffens opgedragen - van Kleffens, toen volop bezig met de voorbereiding van zijn reis naar Indië, had er niet veel tijd voor, liet de zaak goeddeels aan Dijxhoorn over die trouwens de verantwoordelijke minister was, en deze liet zich door van Voorst Evekink, een van zijn jaargenoten van de Koninklijke Militaire Academie en een gladde prater die voor elke beschuldiging zijn verdediging klaar had en beweerde dat hij alleen maar het slachtoffer was van geroddel en achterklap, zozeer inpalmen dat hij onmiddellijk de koningin voorstelde, van Voorst Evekink tot kolonel te bevorderen en hem aan generaal van de Vijver toevoegde als 'tweede man' bij het Bureau Bijzondere Aangelegenheden. De koningin verzocht hem via Gerbrandy, die benoeming ongedaan te maken, Gerbrandy verzocht dat ook zèlf, er zijnerzijds de nadruk op leggend dat van Voorst Evekink een losbol was - Dijxhoom weigerde: het bureau behoorde tot zijn bevoegdheid, van Voorst Evekink was een bij uitstek competent stafofficier, er hadden wel meer losbollen verantwoordelijke functies bekwaam vervuld en hij had met de wensen van de koningin niets te maken.

XCTegen deze achtergrond was het dat de koningin deed weten dat van Voorst Evekink van het Bureau Bijzondere Aangelegenheden moest verdwijnen, voordat zij met Dijxhoorn mondeling of schriftelijk ook maar een woord wilde wisselen over 'de terugkeer'. Op 2 april bracht Gerbrandy die boodschap over, twee dagen later, vrijdag 4 april, vond de derde extravergadering van de ministerraad plaats die in Dijxhoorns moeilijkheden haar oorsprong vond, en weer werd de discussie op dinsdagochtend voortgezet. Dijxhoorn stond zwak; hij kon dan wel beweren dat de koningin tegen van Voorst Evekink alleen maar bezwaren had 'wegens oude feitjes', maar andere ministers meenden dat op een zo gevoelig punt als het Bureau Bijzondere Aangelegenheden (Dijxhoorn had van Voorst Evekink daar nu ook chef van gemaakt), belast met de voorbereiding van de terugkeer, geen officier mocht zitten die ernstig in opspraak was gekomen, en dat het

191 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

bureau dat ook háár terugkeer moest voorbereiden. 'Dit is geen zaak', zei Albarda, 'waarover een conflict met de koningin moet worden gewaagd." Dijxhoorn die begonnen was met te zeggen dat hij 'geen lust (had) toe te geven, hij zou het ook onjuist achten", eindigde met een concessie te doen: hij zou de zaak 'nogmaals overwegen'." Die nadere overweging leidde acht dagen later tot zijn mededeling dat hij niet bereid was, van Voorst Evekink 'de militaire voorbereiding (te) ontnemen. Wenst H. M. dat, dan volgt spr.'s vermoedelijk ontslag' (vijfde dreiging om heen te gaan), maar hij zag een oplossing, nl. om de kolonel 'aan een gedeelte van de voorbereiding van de terugkeer (te) onttrekken, en wel aan dat gedeelte, waarbij H. M. persoonlijk is betrokken.'? Nogmaals een dag later (17 april) was Dijxhoorn 'om': er waren, zei hij nu, mutaties te verwachten in de hoogste militaire rangen, 'alsdan is spr. bereid', aldus de notulen van de vierde extra-vergadering van de ministerraad, 'de heer v. V. E. een andere plaats te geven ... Spr. zou de zaak zolang willen laten rusten, misschien drie of vier weken.' Algemene opluchting! 'Min. pres. acht de zaak nu opgelost."

XCMaar neen: hoewel aan Dijxhoorn drie weken later, begin mei, door een officier van het War Office de mondelinge mededeling gedaan werd, dat men kolonel Phaff (de vijfde commandant van het Nederlands Legioen) niet geschikt achtte voor zijn functie, aarzelde hij, Phaff door van Voorst Evekink te vervangen, en dat niet omdat hij van Voorst Evekink ongeschikt achtte, maar omdat hij er zwaar aan tilde, Phaff het commando te ontnemen. De verantwoordelijkheid daarvoor wilde hij aan de Engelsen toeschuiven, maar het War Office wenste de bezwaren tegen Phaff niet op schrift te stellen en daardoor zat Dijxhoorn 'een beetje in de knel, omdat ik', schreef hij kort na zijn aftreden, 'tegenover de kolonel Phaff natuurlijk een 'stuk' in handen moest hebben." Er geschiedde niet meer dan dat Dijxlioom op 3 juni (bijna zeven weken na de dag waarop hij de termijn van 'drie of vier weken' genoemd had) in de ministerraad meedeelde dat hij van Voorst Evekink niet kon overplaatsen, tenzij hem 'zwart op wit' gegeven werd welke bezwaren er tegen deze bestonden." Terecht merkte toen van Boeyen op dat Dijxhoorn zich niet aan zijn toezegging gehouden had; de algemene indruk in de ministerraad was dat Dijxhoorn weer eens was bezweken onder de druk van zijn eigen staf.

XCDe zaak zat vast. Het was van Boeyen die enkele dagen later het denkbeeld(bijlage 40: 'Het geval kolonel van Voorst Evekink'). 7 Ministerraad: Notulen, 3 juni

1 Ministerraad: Notulen, 8 april 1941. 2 A.v., 4 april 1941. a A.v., 8 april 1941. • A.v., 16 april 1941. 6 A.v., 17 april 1941. 6 Dijxhoom: 'Memoires', p. 292

192 [PDF]
DI]XHOORN SPREEKT MET DE KONINGIN

opperde dat Dijxhoorn via Gerbrandy een bespreking met de koningin zou aanvragen opdat aile hangende problemen grondig doorgesproken konden worden. Op maandag 9 juni verklaarde de koningin zich bereid, zowel Gerbrandy als Dijxhoorn de volgende dag te ontvangen. Haar voornemen was om, als niet anders mogelijk was, tegen Dijxhoorn te zeggen (zoals zij tegen de Geer gedaan had) dat hij ontslag diende te nemen, en ook Gerbrandy wilde nu in zijn hart van Dijxhoorn af maar hij besefte dat hij dan moeilijkheden met anderen zou krijgen, met Steenberghe in de eerste plaats die een goed vriend van Dijxhoorn geworden was. Er vond op dinsdagmiddag 10 juni om kwart voor drie in Stubbings House eerst een gesprek tussen de koningin en Gerbrandy plaats. Krijg ik uw contraseign als ik hem ontsla, vroeg de koningin. Ja, zei Gerbrandy, maar pas als het onontkoombaar is; Dijxhoorn moet de gelegenheid hebben, zich behoorlijk te verdedigen, nadien spreek ik nader met u. 'Achter in mijn geest', zo schreef Gerbrandy nog diezelfde dag, 'had ik het gevoel: het loopt nus, zakelijk wenste ik de vreedzame solutie."

XCInderdaad, het liep rnis.ê

XCToen Dijxhoorn om kwart over drie tot het werkvertrek van de koningin toegelaten werd, waar Gerbrandy zich nog steeds bevond, begon hij met haar te vragen, welke bezwaren zij tegen zijn departement had. Zij antwoordde dat zij daar in het algemeen geen vertrouwen meer in stelde. In plaats van voorbeelden te vragen en die te weerleggen, ging Dijxhoorn meteen tot een algemene verdediging van zijn departement over: hij had weinig krachten, moest veel zelf doen, 'het was', zei hij, 'best mogelijk dat er wel eens langzaam werd gewerkt.' De koningin: 'Dat zegt de minister van defensie in oorlogstijd, mijnheer Gerbrandy l' Neen, zo had Dijxhoorn het niet bedoeld: bij zaken die op de oorlogvoering betrekking hadden, was' als het moest, een beslissingin vijf minuten de deur uit' - met 'langzaam werk' bedoelde hij de behandeling van administratieve aangelegenheden en, zei hij, bij andere departementen bleven zelfs stukken die met de oorlogvoering te maken hadden, wel eens liggen, 'een lijst met vragen van het War Office' bijvoorbeeld was door een van de departementen (Justitie, maar dat noemde Dijxhoorn niet) twee maanden lang niet in behandeling genomen. Gerbrandy, getergd door dit 'klikken' (Dijxhoorn heeft er in de eerstvolgende kabinetszitting zijn excuses voor aangeboden), wees onmiddellijk die kritiek af.Gerbrandy: 'Aantekeningeninzake ontslagDijxhoom', p.(archiefmin. pres., MWij volgen in onze weergave hoofdzakelijkhet verslagdat Dijxhoorn nog diezelfdeavond geschrevenheeft (Dijxhoom: 'Memoires',bijl.

1 6 9). 2 II).

Indextermen: Dijxhoorn, A. Q. H.
193 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

XCNa dit ongelukkige begin bracht Dijxhoorn de zaak van kolonel van Voorst Evekink ter sprake. De koningin herinnerde hem aan zijn toezegging uit april (de 'drie of vier weken'), Dijxhoorn zei dat hij zich daar niet aan had kunnen houden doordat het War Office de bezwaren tegen kolonel Phaff niet op schrift had willen stellen. 'Ik heb geen vertrouwen in uw beleid', liet de koningin daar op volgen, 'en u, mijnheer Gerbrandy?' Gerbrandy ging niet verder dan te zeggen dat hij Dijxliooms beleid inzake van Voorst Evekink afkeurde. 'Als Uwe Majesteit', zei Dijxlioom toen, 'geen vertrouwen stelt in mijn beleid, zal ik mij genoopt zien, ontslag aan te vragen.' 'Ik kan u daartoe slechts encourageren', antwoordde de koningin, 'en ik hoop dat u dat spoedig zult doen.' Dijxhoom was geheel uit het veld geslagen. 'Ik heb steeds eerlijk gehandeld', zei hij nog. 'Het gaat niet om uw persoon', zei de koningin, 'het gaat om uw beleid, dáárin heb ik geen vertrouwen. '

XCDe kogel was door de kerk.

XCNog diezelfde avond stuurde Gerbrandy via de sinds kort onder hem ressorterende Regeringscodedienst- een telegrafische uitnodiging naar de oud-gezant te Brussel,van Harinxma, die in Lissabon vertegenwoordiger geworden was van van Lidth, de regeringscommissaris voor de vluchtelingen, met verzoek als minister van oorlog op te treden", en de volgende ochtend, woensdag II juni, kwam het kabinet bijeen. Dijxhoom las er het lange verslag voor dat hij van het gesprek met de koningin gemaakt had. 'Aanvankelijk', zo eindigde hij, 'ben ik begonnen mij te verdedigen om de zaak in het reine te krijgen. Stommeling, die ik was! Het was een onoprecht gedoe, waar ik intippelde. Ik hoop dat mijn ambtgenoten mij thans niet in de steek zullen laren en ik onderwerp het beleid van de minister-president in deze zaak gaarne aan uw oordeel. '3

1 Buitenlandse Zaken, Koloniën en de Marine hadden aanvankelijk in Londen een eigen codedienst, maar begin' 41 werden de diensten van Buitenlandse Zaken en Koloniën tot een Regeringscodedienst samengevoegd en werd afgesproken dat voor alle niet-militaire aangelegenheden van die centrale dienst gebruikgemaakt zou worden. Deze kwam onder Gerbrandy te ressorteren en Gerbrandy bepaalde dat hij elke avond kopieën van de binnengekomen en uitgegane telegrammen wenste te zien; dit gaf hem een zekere mate van controle op het gehele regerings apparaat. Daarenboven keurde hij goed dat de koningin telegrammen wisselde met de gouverneur-generaal van Nederlands-Indië die aan Welter, de verant woordelijke minister van koloniën, onbekend bleven. 2 Van Harinxma aanvaard de de uitnodiging maar maakte daarbij duidelijk dat hij er in de ministerraad onmiddellijk op zou aandringen dat de regeringszetel naar Indië verplaatst zou worden; zijn benoeming ging niet door. 8 Dijxhoom: 'Memoires', bijl. II.

194 [PDF]
DI]XHOORN NEEMT ONTSLAG

XCEén minister was er slechts die zich naast Dijxhoorn schaarde: Steenberghe. Deze zei dat hij, wàt zijn ambtgenoten ook deden, ontslag zou vragen. Afgesproken werd dat alle ministers één lijn zouden trekken maar dat de zaak na de terugkomst van van Kleffens en Welter uit de Verenigde Staten (zij bevonden zich daar na hun bezoek aan Indië) eerst nog een keer onderling besproken zou worden. De afloop van die bespreking stond overigens al vast: Steenberghe was niet van zins, zijn positie te wijzigen.

XCVan Kleffens arriveerde op 21 juni uit Amerika en Welter die behalve Indië ook Suriname en Curaçao bezocht had, op de z yste. Alle ministers besloten vervolgens op 1 juli, formeel op voorstel van Gerbrandy, hun portefeuilles ter beschikking van de koningin te stellen; dat gebeurde niet eens schriftelijk, maar (vermoedelijk wel een unieurn in de geschiedenis van het koninkrijk) bij mondelinge mededeling, overgebracht door de minister-president.

XCOp II juni had Dijxhoorn bij de koningin zijn schriftelijk verzoek om ontslag ingediend, niet alleen als minister, maar ook uit de militaire dienst. Het werd hem daags daarna als minister verleend, van Boeyen nam voorlopig zijn portefeuille over. In de ministerraad werd op hartelijke wijze afscheid van Dijxhoom genomen - dat maakte geen indruk op hem. Hij achtte zich schandelijk behandeld, weg-geïntrigeerd, door allen behalve Steenberghe lafhartig in de steek gelaten. Daarover zweeg hij tegen de buitenwereld; toen hij op 17 juni van de officieren en ambtenaren van zijn departement afscheid nam tijdens een hem aangeboden lunch, zei hij in een korte, van noblesse getuigende toespraak! dat hij 'niet de redenen kon behandelen die mij genoopt hebben, heen te gaan', en hij eindigde met het uitbrengen van een dronk 'op het spoedig herstel van een vrij en onafhankelijk Nederland onder Hare Majesteit onze geëerbiedigde koningin' dezelfde die hem zeven dagen eerder, zo voelde hij het, geheel onverdiend de laan uitgestuurd had.

XCEind augustus, toen in Londen overwogen werd, troepen van het Koninklijk Nederlands-Indisch leger naar Engeland te laten overkomen om bij de 'terugkeer' een rol te spelen, werd Dijxhoorn door de regering gevraagd, die overkomst in Indië te gaan voorbereiden - hij weigerde.

1 Tekst: bijl. 14 bij zijn memoires.

195 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

Eind september werd hem gevraagd, voorzitter te worden van een commissie die de herziening van de Wet op de staat van oorlog en beleg (ook dit stond met de 'terugkeer' in verband) zou gaan voorbereiden - hij weigerde opnieuw. Een nieuwe taak aanvaardde hij pas in januari' 42: hij werd een van de twee Nederlandse regeringsvertegenwoordigers bij de Combined Chiefs of Staff te Washington. Voordien had hij maanden besteed om buiten Londen een manuscript te schrijven dat in getypte vorm bijna 400 pagina's telde. Elke 'krenking', hem aangedaan, stond er uitvoerig in beschreven, alle stukken waren er bij gevoegd. 'Ik kan', schreef hij in een van de talrijke bijlagen, getiteld 'Aan wie(n) de schuld?', 'met de beste wil van de wereld niet ontdekken wat ik fout heb gedaan, of het zou moeten zijn dat ik tegen het geroddel en tegen de tegen mij gerichte intriges niet krachtig genoeg ben opgetreden' - maar ook dat was 'eigenlijk geen fout geweest', want was hij 'tussen al die roddelaars en intriganten met de sabel (gaan) houwen', dan zou hij nog eerder tot zijn ontslagaanvraag gedrongen zijn.!

XCDe Enquêtecommissie kon inaan Dijxhoom in verband met zijn ontslag geen vraag stellen waarop deze aan de hand van zijn in 'geschreven memoires niet een uitgebreid, gedetailleerd en op het eerste gehoor overtuigend antwoord gaP Gerbrandy zei: 'Als ik mocht spreken, zou ik het hele ontslag van de heer Dijxhoom in vijf minuten zo klaar maken als een klontje. Ik mag het niet'" - de koningin die bij alle verwikkelingen rond Dijxhoom ten nauwste betrokken geweest was, moest immers krachtens de regels die de Enquêtecommissie zichzelf gesteld had, buiten geding blijven. De commissie, die de kabinetsnotulen niet kende, die van Dijxhooms defaitistische houding in de zomer vanniet in bijzonderheden op de hoogte was, en aan welke Dijxhoom in zijn lange verhoor slechts verteld had wat hem voor zijn verdediging dienstig leek, had dan ook, menen wij, slechts mogen coneluderen dat de gronden die tot Dijxhooms ontslag geleid hadden, haar niet voldoende duidelijk waren geworden. Zij is evenwel verder gegaan. In een lange slotparagraafschreef zij dat Dijxhoom haar 'een groot aantal feiten' meegedeeld had, 'welke, indien deze zijn

'48 4I '40 4

XC1 Dijxhoorn: 'Memoires', p. 121-22. 2 Getuige Dijxhoorn, Enq., dl. V c, p. 62--66. 3 Getuige Gerbrandy, a.v., p. 381.

196 [PDF]
VERANTWOORDELIJKHEID VOOR DIJXHOORNS ONTSLAG

zoals de heer Dijxhoorn het zegt' (een belangrijke beperking l), 'inderdaad voor een verantwoordehjk minister moeilijk te verdragen waren Van een geschilover het door de minister van defensie gevoerde beleid was hierbij geen sprake', Gerbrandy's verklaring had, aldus de commissie, 'zakelijk geen afdoende weerlegging opgeleverd' - de genoemde beperking uit het oog verliezend en met verwaarlozing van van den Tempels pertinente verklaring: 'Het ging over zijn algemene beleid en zijn algemene opvattingen"; concludeerde de commissie, 'dat het ontslag van de heer Dijxhoorn zeer wel had kunnen worden voorkomen. De voornaamste schuld in deze treft naar haar oordeel ... de minister-president.'

XCDat de staatkundige verantwoordelijkheid voor Dijxhoorns heengaan bij Gerbrandy gelegen heeft, is uiteraard een feit, maar 'de voornaamste schuld'? Die ligt, menen wij, toch eerder bij Dijxhoorn-zelf. De Enquêtecommissie had al beter moeten weten op grond van het haar bekende feit dat, toen Dijxhoorn ontslag nam, van alle ambtgenoten die hem bijna twee jaar in hun midden hadden gehad, in eerste instantie slechts één, Steenberghe, in het gebeurde aanleiding vond om zijn portefeuille ter beschikking te stellen; wij nemen overigens aan dat Welter, ware hij in Londen geweest, hetzelfde gedaan had - Steenberghe en hij hadden van de zomer van '40 af één lijn getrokken en beiden hielden Gerbrandy voor ongeschikt om als minister-president op te treden: hij was niet zelfstandig genoeg jegens de koningin, hij was te pro-Éngels en hij was te fanatiek in de oorlogvoering. 22 juni' 41: de Sowjet-Unie overvallen

XCDe kleine Nederlandse gemeenschap die in Engeland woonde, wist haar lot met dat van Engeland verbonden; voor haar betekende het dagelijks nieuws in de kranten en via de BBC evenveel als voor de Engelsen-zelf Elke Engelse nederlaag was een eigen nederlaag, elke overwinning een eigen overwinning. De triomf die het Britse Achtste Leger begin december '40 op de Italianen behaalde aan de Egyptisch-Libyse grens (de Britten drongen nadien tot Benghazi door, ruim 500 km westwaarts), was een bij uitstek welkom teken dat de Britse bondgenoot het vermogen om ook te land overwinningen te behalen, niet verloren had. Maar, men besefte het, Italianen waren geen Duitsers. Goed en slecht nieuws wisselden elkaar in de eerste vijf maanden van '41 in snelle successie af. Maart bracht eerst met

XC1 Getuige van den Tempel, a.v., dl. V c, p. lIS.

197 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

de aanvaarding van Roosevelts Lend-Lease-Bill door het Congres de zekerheid dat Engeland en zijn bondgenoten aanzienlijk meer Amerikaanse steun zouden ontvangen, en vervolgens de verrassende, met grote vreugde begroete omzwaai van Joegoslavië, maar in aprilliep de Wehrmacht Joegoslavië en Griekenland onder de voet en in mei werd Kreta door de Duitse Luftlandetruppen veroverd. Daar kwam bij dat het Britse Achtste Leger dat een deel van zijn krachten naar Griekenland overgebracht had, bijna al het in Libye veroverde gebied moest prijsgeven - het Duitse Afrika Korps onder Rommel was de Italianen te hulp gesneld. In mei en juni moest voorts een gevaarlijke pro-Duitse opstand in Irak bedwongen worden. Dan was er de strijd ter zee: het modernste Duitse slagschip, de 'Bismarck', aan de waakzaamheid van de Britse Home Fleet ontsnapt, was naar de Atlantische Oceaan doorgebroken, bracht daar de Engelse slagkruiser 'Hood' tot zinken, en Engeland kon pas weer opgelucht ademhalen toen de 'Bismarck' drie dagen later ten westen van Brest in de golven verdwenen was.

XCDe zomer naderde. Waar zou Hitler zijn grote slag slaan? Zou hij toch nog in Engeland landen? Neen - zondagochtend 22 juni '4I overviel hij de Sowjet-Unie.

XCDiezelfde avond sprak Churchill voor de BBC. Hij verloochende ZIJn anti-communistische beginselen allerminst, maar, zei hij, 'all this fades away before the spectacle which is now unfolding. The past with its crimes, its follies and its tragedies, flashes away. .. We have but one aim and one single irrevocable purpose. We are resolved to destroy Hitler and every vestige of the Nazirégime. From this nothing will turn us - nothing. We will never parley, we will never negotiate with Hitler or any ~f his gang. We shall fight him by land, we shall fight him by sea, we shall fight him in the air, until with God's help we have rid the earth if his shadow and liberated its peoples from his yoke. Any man or state who fights on against Nazidom will have our aid ... It follows, therefore, that we shall give whatever help we can to Russia and to the Russian people. We shall appeal to all ourfriends and allies in every part of the world to take the same course and pursue it, as we shall, faithfully and steadfastly to the end.

XCTerecht voorzag Churchill dat Hitler, als hij er in slaagde, de Sowjet-Unie volledig te onderwerpen, nadien zijn strijdkrachten op Engeland en vervolgens op de Verenigde Staten zou concentreren. 'The Russian danger is there/ore', zo eindigde hij, 'our danger, and the danger of the United States, just as the cause of any Russian fighting for his hearth and home is the cause ~ffree men andfree peoples in every q~tarterof the globe. Let us learn the lessons already taught by such cruel experience. Let us redouble

198 [PDF]
CHURCHILLS TOESPRAAK

XCHet was een uitnemende, inspirerende toespraak met precies de juiste accenten, maar van Kleffens. die daags tevoren uit Amerika in Londen was teruggekeerd, was er niet erg enthousiast over. 'Wat Churchill gezegd heeft', dacht hij die zondagavond, 'kan voor ons maar zeer gedeeltelijk richtsnoer zijn." In de bijna kwart eeuw die sinds de Russische Revolutie verstreken was, had Nederland de Sowjet-Unie namelijk niet erkend (Zwitserland en Portugal waren de enige twee Europese staten die dat óók nagelaten hadden) - die niet-erkenning had de Nederlandse economische belangen geschaad en de linkerzijde had er in de jaren '20 en '30 veelvuldig tegen geprotesteerd, maar het regeringsbeleid dat de volledige instemming had van de koningin (wij komen hier in hoofdstuk 8 nog op terug), was ongewijzigd gebleven; vooral in kerkelijke kringen heerste grote afschuw van het 'goddeloze' bolsjewistische regime. Daar kwam bij dat Nederland in de nieuwe situatie slechts weinig hulp aan de Sowjet-Unie kon bieden: tin en rubber uit Nederlands-Indië, maar niet veel meer. 'Ons paste dus', meende van Kleffens, 'een zekere mate van bescheidenheid en lege rhetoriek zou niets tot ons prestige bijdragen;"

XCWat in die zienswijze buiten beschouwing bleef, was het inzicht in de historische betekenis van het gebeurde: Duitsland had er een vijand bij, een machtige vijand wellicht, en was daarmee opnieuw in de Zweiironten krieg gewikkeld waartegen Bismarck reeds gewaarschuwd had. Wie met bezet gebied meeleefde, besefte dat dát aspect daar zou overheersen. Maandagochtend zei de koningin telefonisch tegen van Kleffens dat zij vond dat de regering 'een trompetstoot' moest geven - dat wilde zij zèlf doen, via de radio. Van Kleffens had geen behoefte aan zodanige 'trompetstoot', evenmin Michiels, evenmin Gerbrandy. Ik had zelf op zondagavond in een korte tekst voor Radio Oranje Hiders nieuwe daad van aggressie gekarakteriseerd als 'een wanhoopssprong' waarvan de goede afloop voor Duitsland geenszins zeker was ('Rusland is numeriek een der sterkste mogendheden ter wereld waarvan de militaire macht berust op een industrieel apparaat, dat buiten het bereik ligt der Duitse bommenwerpers') en dat zag er van de regeringsomroep wel als een nogal positieve reactie uit", maar het was, wat de Sowjet-Unie betrof, geen politieke stellingname. Die stellingname kwam maandagavond in de vorm van een van Gerbrandy en van Kleffens afkomstige tekst:

1 Brief, 14 maart 1973, van van Kleffens. 2 A.v. 3 Ik had inzake mijn tekst te voren met Pelt overleg gepleegd. De Britse censuur gaf in zulk een situatie nooit moeilijkheden.

199 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

XC'Het lijkt ons niet overbodig, na hetgeen gisteravond al is opgemerkt, nog enkele woorden te wijden aan de positie, waarin wij nu zijn komen te staan ten aanzien van Sowjet-Rusland.

XCHet spreekt vanzelf dat Nederland nu evenmin als vroeger iets kan gevoelen voor bolsjewistische leerstellingen en methoden; onze gevoelens dienaangaande blijven dezelfde. Ook is het duidelijk, gezien de doelstellingen en werkwijze van de Komintern, dat van een vertrouwelijke samenwerking met de Sowjetregering geen sprake kan zijn. Desniettemin zal men in Nederland evenals wij met genoegen zien dat de Russen zich tegen Duitsland te weer stellen. Evenals wij hebben de Russen thans Duitsland tot vijand. Dat is datgene (maar dan ook het enige) wat wij met het Sowjet-bewind gemeen hebben.'

XCHet kon moeilijk magerder; zelfs een bereidverklaring tot hulp ontbrak.' De koningin achtte haar 'trompetstoot' nu dubbel noodzakelijk, Dinsdagavond 24 juni sprak zij voor Radio Oranje." Zij wees, evenals Churchill in zijn radiotoespraak en Gerbrandyen van Kleffens in hun tekst gedaan hadden, 'de beginselen en praktijken van het bolsjewisme volstrekt' af, maar zij brandmerkte in scherpe bewoordingen Hiders' onverhoedse, verraderlijke .aanval'. 'Heden', zei zij, 'is het Rusland, maar wij weten dat het morgen of overmorgen de machtige bolwerken van de beginselen die ons heilig zijn: het Britse rijk en de Verenigde Staten zullen zijn, die de krachtproef van Hiders oorlogsmachine zullen hebben te doorstaan. Het is daarom dat, waar de omstandigheden daartoe mochten .leiden, wij ook zullen strijden naast de bevolking van Sowjet-Rusland.'

XC'Met instemming en oprechte voldoening' begroette zij voorts 'de besliste, kloeke houding en het wijze staatsmanschap, ten opzichte van dit nieuwe conflict aan de dag gelegd door het Britse Rijk' - vooral de erkenning van dat 'wijze staatsmanschap' betekende dat ook Nederland aan de Sowjet-Unie de directe hulp moest geven die in zijn vermogen lag, en tot die hulpverlening is het inderdaad gekomen: er zijn tot Japans intrede in de

1 Toen ik deze tekst waaraan velen in Londen (ook ik) zich bijzonder geërgerd hadden, in '56 nog eens voorlas aan Gerbrandy, zei deze: 'Er staan wel zo onge veer alle fouten in die er in konden staan.' (Gerbrandy, 12 jan. 1956) a De re geringsornroep zond diezelfde avond ook nog een tekst van van Blankenstein uit, waaruit wij citeren: 'Rusland is door alle eeuwen het land der grote verrassingen geweest ... Napoleon heeft er het begin van zijn einde gevonden Verliest Hitler veldslagen in Rusland, dan is dit zijn spoedig einde; wint hij ze, dan is het zijn langzaam einde. Wij echter kunnen de toekomst weliswaar niet zonder be klemming, maar toch met temeer vertrouwen tegemoet zien.'

200 [PDF]
'TROMPETSTOOT' VAN DE KONINGIN

oorlog aanzienlijke hoeveelheden tin, rubber, thee, koffie en kina uit Indië naar Wladiwostok verscheept.'

XCDinsdagochtend had Gerbrandy de tekst van wat de koningin's avonds wilde zeggen, aan de ministerraad voorgelegd. Van den Tempel en Bolkestein hadden er niets op aan te merken, maar van Kleffens achtte 'de dosering van de rede niet mooi, zij is te opportunistisch; zij maakt van de nood een deugd.' Ook Steenberghe had bezwaren: 'De afkeuring van het bolsjewisme (wordt) met één zinnetje afgedaan, zwak afstekend tegen de felle afkeuring van het Nazisme.' Kon de toespraak niet uitgesteld worden, vroeg van Boeyen ('Spr. vreest voor grote verwarring bij het Nederlandse volk'). Gerbrandy achtte uitstel noch afstelmogelijk en meende bovendien dat de toespraak van de koningin 'in essentie niet (afweek) van het regeringsc0111111uniqué'.Van Kleffens stelde enkele 'kleine wijzigingen' voor, 'strekkende om de afwijzing van de beginselen van het bolsjewisme nader te onderstrepen.' Van Tets, die blijkbaar de tekst van de koningin naar Stratton House gebracht had, werd tot de ministerraad toegelaten, Gerbrandyen hij legden de wijzigingen (die wij niet kennen") aan de koningin voor; zij aanvaardde ze. 3

XCIn tegenstelling tot het 'regeringscommuniqué ' van maandagavond werd de toespraak van de koningin door het Britse Foreign Office warm begroet: 'quite first rate from our point of view', noteerde een van de hoogste arnbtenaren."

XCHet kabinet dat deze zaak behandeld had, verkeerde overigens reeds in een demissionaire situatie.

1 Welter voelde korte tijd niet veel voor het verschepen van tin en rubber, aan gezien hij vreesde dat deze voor de oorlogvoering belangrijke grondstoffen, een maal in de Sowjet-Unie aangekomen, in Dnitse handen zouden kunnen vallen. In de ministerraad drong vooral van den Tempel er enkele malen op aan dat met de hulpverlening aan de Sowjet Unie zoveelmogelijk spoed betracht werd; 'zou men', hij op 8juli, 'aan de zijde van Engeland en de Verenigde Staten dezelfde aarzeling tonen, dan zou kwade gevolgen voor de oorlogvoering kunnen hebben.' (Ministerraad: Notulen, 8 juli 1941) 2 In de bewaardgebleven gestencilde tekst is maar één zin doorgestreept: 'Wij zijn thans met deernis vervuld voor het Russische volk, dat zulk een zware beproeving tegemoet gaat', maar die kunnen wij niet in verband brengen met van Kleffens' voorstellen. 3 Ministerraad: Notulen, 24 juni 1941. Archief

201 [PDF]

Tweede kabinet-Gerbrandv

XC

XCIn het voetspoor van de uitgave Parlement en Kiezer heeft de Enquêtecommissie het kabinet-Gerbrandy dat drie-en-een-half jaar later, op 23 februari' 45, ging optreden, als het 'tweede kabinet-Gerbrandy' aangeduid 1 en dat is men sindsdien in de Nederlandse litteratuur blijven doen. Ten onrechte: na het aan Dijxhoorn verleende ontslag (12 juni '41) hebben, gelijk reeds vermeld, alle ministers op I juli hun portefeuille ter beschikking van de koningin gesteld en werd dus ook een formatie-opdracht gegeven. Wie deze opdracht moest krijgen, leed voor de koningin geen twijfel: Gerbrandy, met wie zij 'eens geestes' was in die tijd, speciaalook op het punt dat bij haar zwaar woog: dat zij zo spoedig mogelijk, en in elk geval bij de bevrijding, een beslissende stem moest krijgen in alle regeringsaangelegenheden. De aan Gerbrandy verleende opdracht luidde: 'het kabinet te reconstrueren, opdat de samenwerking tot het ene grote doel: het bevrijden van het moederland, tot de grootste hoogte wordt opgevoerd'2 - die opdracht werd hem mondeling verleend toen eenmaal door Steenberghe's mededeling praktisch vaststond dat het gehele kabinet zou aftreden, maar Gerbrandy moest met zijn formatie wachten tot van Kleffens en Welter teruggekeerd waren. Steenberghe deed zijn mededeling op 12 juni, van Kleffens arriveerde in Londen op de z rste, Welter op de z yste.

XCDe formulering 'het kabinet te reconstrueren' (in het na afloop van de formatie uitgegeven lange communiqué ê stond het nog wat duidelijker: 'het bestaande kabinet te hervormen') toont aan dat het de instemming van de koningin had dat het kabinet in zijn nieuwe samenstelling, wat de personen van de ministers betrof, op het oude zou lijken. Eén minister wenste zij toe te voegen: Furstner als minister van marine (het departement van defensie zou dus gesplitst worden), overigens stond voor haar evenmin als voor Gerbrandy vast dat alle ministers hun portefeuilles dienden te behouden. Gerbrandy begon in de eerste dagen van juli aan de besprekingen met zijn ambtgenoten en wij zijn er van overtuigd dat hij over de inhoud van zijn voorstellen in de tweede helft van juni uitgebreid overleg met de koningin gepleegd heeft. Haar voornaamste wens gaven wij reeds in het vorig hoofdstuk weer: 'Een zuiver Kon. kabinet (ontslag n. welgevallen, samenstellen door de Kroon), dat zich moet verenigen met werkplan v. d. Kroon.' In concreto stelde Gerbrandy voor zichzelf vast dat hij moest trachten te bereiken dat de koningin buiten het kabinet om meer zaken

dl. V a, p. II. 2 Gerbrandy: p. 40. 8 A.v., p. 41-43.

202 [PDF]
EEN NEDERLANDS 'WAR CABINET'?

rechtstreeks met de individuele ministers zou kunnen regelen, dat hij als minister-president nieuwe, vèrgaande bevoegdheden zou krijgen, speciaal op het punt van de 'terugkeer', dat van Boeyen definitief minister van oorlog zou worden, dat de 'terugkeer' voorbereid zou worden door van Boeyen en Furstner, met medewerking, voorzover nodig, van Steenberghe, en dat drie ministers: Albarda, Bolkestein en van den Tempel, hun portefeuille zouden verliezen om, zolang het kabinet nog in Engeland was, als ministers zonder portefeuille op te treden; voorts zou het nieuwe kabinet niet eens in de week maar slechts eens in de veertien dagen bijeenkomen. Er zou dus in feite een soort War Cabinet komen, bestaande uit Gerbrandy (voorzitter), van Boeyen, Furstner, van Kleffens. Steenberghe en Welter een kabinet ook dat in veel sterker mate dan het vorige onder de persoonlijke invloed van de koningin zou staan.

XCDie opzet was, wat de vorming van een War Cabinet betrof, misschien verdedigbaar uit een oogpunt van staatsnoodrecht maar wat de verhouding tussen de koningin en de ministers aanging, in elk geval in strijd met bijna een eeuw Nederlandse geschiedenis; hij was bovendien innerlijk tegenstrijdig. Immers, walmeer het de bedoeling was, 'het bestaande kabinet te hervormen', impliceerde zulks dat in wezen alle ministers zich in de nieuwe opzet zouden schikken - hoe kon Gerbrandy ook maar een moment aannemen dat ambtgenoten als Steenberghe en van den Tempel dat zouden doen? En zou daar dan niet uit voortvloeien dat ook Welter en Albarda niet tot medewerking bereid zouden zijn? Dat zou betekenen dat de vertegenwoordigers van de grootste twee politieke partijen die zich in augustus '39 achter het kabinet-de Geer geschaard hadden: de RoomsKatholieke Staatspartij en de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij, het kabinet zouden verlaten. Wat zou dan resten? Niet een hervormd, maar een misvormd, niet een gerestaureerd, maar een geamputeerd kabinet. Michiels, die blijkbaar de gedachtengangen van de koningin kende (wij nemen aan dat Beelaerts hem ingelicht heeft), waarschuwde Gerbrandy al kort na Dijxhoorns aftreden tegen de War Cabinet-opzet van de koningin, hem schrijvend dat de 'flinkheid (door) H. M. niet altijd met wijsheid wordt toegepast."

XCGerbrandy besprak zijn opzet eerst met Albarda en Bolkestein; Bolkestein wilde zich wel schikken, Albarda protesteerde maar zei niet dat hij, als Gerbrandy doorzette, zou aftreden. Bolkestein en Albarda waren de eersten van wie van den Tempel op 2 juli hoorde wat Gerbrandy van plan was.

1 Brief, z.d., van Michiels aan Gerbrandy (archief min. pres., M r8(b)).

203 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

Nu, dat schoot hem geheel in het verkeerde keelgat. Nog diezelfde dag zocht hij verontwaardigd Gerbrandy op en zijn woede steeg ten top toen hij van Gerbrandy vernam dat deze niet alleen voornemens was, Sociale Zaken aan van Boeyen te geven (die dus vier portefeuilles zou beheren: Binnenlandse Zaken, Algemene Zaken, Oorlog, Sociale Zaken), maar dat van Boeyen ook zo oncollegiaal geweest was om het aanbod zonder overleg met van den Tempel te accepteren. Gerbrandy's tegenwerping: 'dat de koningin zich tevoren met zijn plannen verenigd had", maakte op van den Tempel niet de minste indruk en hetzelfde gold voor Gerbrandy's belofte dat van den Tempel op de dag van de bevrijding weer minister van sociale zaken zou worden; deze zei tegen Gerbrandy dat hij onder geen beding bereid was, in de nieuwe constructie als minister aan te blijven en zocht onmiddellijk contact met Steenberghe. Tegen diens algemene opvattingen had hij wel bezwaren, maar hij kende hem als een ambtgenoot met zuiver constitutioneel besef Steenberghe kon hem een belangrijk novum meedelen: hij 'had', noteerde van den Tempel enkele dagen later, 'van Gerbrandy vernomen dat de koningin nadrukkelijk als haar recht had gestipuleerd, ministers aan te wijzen naar welgevallen - zonder gebonden te zijn aan de vroegere Nederlandse verhoudingen."'Naar mijn mening', zo concludeerde van den Tempel, 'groef Gerbrandy (die trouwens allerminst bleek opgewassen tegen zijn taak) zijn eigen graf' (was hij eenmaal ministerpresident van een 'koninklijk kabinet', dan zou hij, zodra dat de koningin zinde, de laan uitgestuurd worden) - 'Steenberghe onderschreef deze opvatting geheel'." Dat van Boeyen, een bejaarde, dove man, zonder enige militaire kennis, minister van oorlog zou worden, achtten zij beiden 'een belachelijke oplossing'."

XCMaar Gerbrandy die, naar wij vermoeden, door de koningin aangespoord werd om vol te houden, gaf niet zo spoedig op. Hij richtte op 10 juli een lang memorandum, 'De crisis aan defensie', tot al zijn ambtgenoten en tot admiraal Furstner 5 waarin hij de voorstellen herhaalde die al door Steenberghe en van den Tempel (alsook door Welter) scherp afgewezen waren. Als zijn fundamentele overwegingen somde hij op: er moet 'een oorlogskabinet' komen; Binnenlandse Zaken, Waterstaat, Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en Sociale Zaken 'hebben goeddeels feitelijke grondslag verloren'; 'de rechtstitel van het bestaande kabinet is gelegen in zijn volkomen wettige totstandkoming ... Dit gezicht tegenover Neder20

1 Van den Tempel: 'Dagboek', p. 106. 2 A.v., p. 1I2. S A.v., p. III. A.v., p. 1I3. 5 Tekst: dl. Vb, p. 1I-14.

204 [PDF]
GERBRANDY'S FORMATIE-OPZET

land, tegenover het Rijk, is en blijft van betekenis. Geen hervorming mag deze rechtstitel zonder volstrekte noodzaak aantasten'; er moet een sterker kabinet ontstaan; 'de coördinerende positie van de voorzitter' moet onderstreept worden - 'Hare Majesteit de Koningin verenigde zich met deze overwegingen en droeg mij op, het bestaande kabinet daartoe te hervormen.'

XCWat de werkwijze der ministers betrof, leek het Gerbrandy wenselijk dat zij 'in alle belangrijke zaken' de koningin op de hoogte zouden houden, dat hij als minister-president bevoegd zou zijn, 'zaken, meerdere, maar niet alle ministers rakende, in behandeling te doen nemen, hetzij onder zijn leiding of onder leiding van de door hem aangewezen naastbetrokken minister', en dat alle ministers hun ontslag zouden indienen 'op een geschikt moment bij en na' (vreemde formulering!) 'de terugkeer naar Nederland.'

XCDrie 'hoofddoeleinden van de gemeenschappelijke arbeid' onderscheidde hij verder: 'de meest krachtige deelname aan de oorlog', 'de voorbereiding van de vrijmaking van het moederland' en het afdoen van de lopende zaken. Wat dat laatste betrof schreef hij o.m.: 'Elke minister doe eigen zaken af en stelle zich voor belangrijke zaken zelfstandig met Hare Majesteit de Koningin in verbinding. Dit versterkt de positie van het kabinet' (integendeel: het zou de ministers van elkaar isoleren) 'en is constitutioneel het meest zuiver.' Voorts: 'Gedurende de korte tijd dat het teruggekeerde kabinet in Nederland zalopereren, krijgt iedere minister zijn normale portefeuille terug.'

XCHoe zat het met die tweede taak: 'de voorbereiding van de vrijmaking van het moederland' ?

XCVasthoudend aan de denkbeelden die hij in april in zijn strikt geheime nota aan de koningin voorgelegd had (stuk dat geen van zijn ambtgenoten kende!), schreef Gerbrandy: 'Een commissie, bestaande uit de vier naastbetrokken ministers' (Gerbrandy, van Boeyen, Furstner, en, voorzover nodig, ook Steenberghe), 'behoort deze aangelegenheidgrondig voor te bereiden. De minister-president rapporteert over de algemene opzet aan Hare Majesteit de Koningin, hetzij alleen, hetzij tezamen met admiraal Furstner, al naar gelang Hare Majesteit, die bij de terugkeer het middelpunt vormt, dit praktisch oordeelt. Bij deze vrijmaking komen aan de orde: de militaire organisatie,de staatkundige organisatie en de overgangstoestand,de zuivering der politie, de berechting van verraders, de afzetting van ongewenste ambtenaren, de organisatievan een staatsdienstdie snel en krachtig werkt.'

XCIn een Bijlage gaf Gerbrandy de taak van de Commissie-Terugkeer nog iets gedetailleerder aan: hij sprak van 'een vaststelling van de bekendma20

205 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

kingen en decreten welke nodig zijn om de bevolking in kennis te stellen van de terugkeer der regering, speciaal van Hare Majesteit de Koningin, en om wettelijke grondslag te geven aan de maatregelen der eerste weken. Hiertoe behoren o.a.: proclamatie van Hare Majesteit de Koningin, grondleggend decreet voor de regeringshandelingen, radio-redevoeringen en dergelijke' - in die passage waren de proclamatie en het 'grondleggend decreet voor de regeringshandelingeri' als het ware naar binnen gesmokkeld; wat de koningin zich daarbij voorstelde, is de lezer bekend.

XCOp Steenberghe en van den Tempel paste Gerbrandy in zijn memorandum een nogal doorzichtige verleidingstaktiek toe: Steenberghe zou er de portefeuille van fmanciën bij krijgen, van den Tempel de portefeuille van waterstaat (Albarda) en van onderwijs, kunsten en wetenschappen (Belkestein). 'Het kabinet', concludeerde Gerbrandy,

XC'is hervormd met dezelfde personen. Het is eigenlijk niet meer dan een reshuffle, ingesteld op de actuele toestand.

XCDe minister-president heeft tot taak, uit te kijken, waar en tussen wie nieuwe taken georganiseerd moeten worden. Zijn taak is niet ingrijpen in anderer bevoegdheden.

XCZaken van algemeen beleid blijven aan de volledige ministerraad voorbehouden. Vergaderen om de veertien dagen is voldoende.'

XCEr bleek uit het stuk van één concessie die vooral Steenberghe en Welter welkom was: van 't Sant zou aftreden als hoofd van de Centrale Inlichtingendienst. Op dat aftreden was aangedrongen door van Kleffens die uit Indië teruggekomen was met de mededeling dat van Starkenborgh het volstrekt ongepast achtte dat de particuliere secretaris van de koningin leiding gaf aan het geheime werk, en door Steenberghe die zijn aanblijven als minister afhankelijk gesteld had van van 't Sants verdwijnen als hoofd van de CID. Van 't Sant werd als zodanig met ingang van 15 augustus '41 opgevolgd door reserve-kapitein mr. R. P. J. Derksema die niet onder Justitie maar onder Binnenlandse Zaken (van Boeyen) kwam te ressorteren. In feite veranderde evenwel minder dan men zou denken: met de geheime verbindingen met bezet gebied bleef van 't Sant zich met goedvinden van Gerbrandy via MI-6 intensief bezighouden en Gerbrandy handhaafde van 't Sant als 'uitnemend politie-deskundige' in de terugkeer-opzet. Van belang was daarbij dat Gerbrandy blijkens zijn voorstellen de afdelingpolitie van Justitie wilde overbrengen naar Binnenlandse Zaken (een vooruitlopen op de eenwording van de politie in Nederland onder van 't Sant als 'directeur van politie') en dat hij tenslotte schreef: 'In zaken van het opperbevel' (d.w.z. van de benoeming van een opperbevelhebber van

206 [PDF]
GERBRANDY S FORMATIE-OPZET

land- en zeemacht) 'wordt het overleg met Hare Majesteit gevoerd door de minister-president', en: 'De terugkeer van Hare Majesteit persoonlijk wordt buiten het overleg van de Commissiej-Terugkeer] gehouden.'

XCHet lijkt ons nauwelijks nodig, in bijzonderheden aan te geven, welk een broddelwerk Gerbrandy geleverd had.' Spoedig kwam hij volledig klem te zitten tussen enerzijds de wensen van de koningin en zijn toezeggingen aan haar en anderzijds de hechte overtuigingen van verscheidene ambtgenoten die hij niet kon missen. Dezen hadden in zijn memorandum veel gelezen dat duister was maar in elk geval de indruk wekte dat Gerbrandy meer dan hij bereid was te erkennen, onder invloed stond van de koningin. Twee weken lang werd nog over zijn voorstellen gediscussieerd en geschreven; Albarda bood daarbij weinig verzet en van Kleffens, die voor kwesties van binnenlandse politiek geen belangstelling had, alsmede van Boeyen en Bolkestein hadden zich al in Gerbrandy's eerste opzet kunnen vinden, maar Steenberghe, van den Tempel en Welter weerden zich geducht. Tegen Welter zei Gerbrandy daarbij dat, warmeer hij ministeriële commissies wilde instellen, dit toch slechts zou zijn 'ter voorbereiding van de behandeling in de ministerraad'", maar toen van den Tempel voorgesteld had, in het na voltooiing der formatie uit te geven communiqué in dat verband te spreken van: 'ter voorbereiding van de beslissingin de ministerraad'ê, bleek uit het communiqué zelf dat op 28 juli verscheen, dat Gerbrandy de woorden 'in de ministerraad' toch weer had geschrapt.

XCWat hadden de koningin en Gerbrandy bereikt? Gerbrandy's coördi20

1 Het oordeel van de Enquêtecommissie (die, als steeds, de rol van de koningin buiten beschouwing gelaten heeft) was, dat 'zakelijk voor het copiëren van het Engelse systeem' (een als kern van een veel groter 'weinig of niets te zeggen (was). Waar anderzijds de Nederlandse regering gedurende de oorlogsjaren de enige officiële vertegenwoordigster van het Nederlandse volk was, moest het maken van verschil tnssen tot die regering behorende ministers nood wendig tot interne moeilijkheden leiden. De commissie acht dan ook het plan van de heer Gerbrandy in deze weinig gelukkig' (a.v., dl. V a, p. 22). Voorts: 'Zij zou er ernstige bezwaren tegen hebben gehad, indien een veranderde positie van de minister-president, als door de heer Gerbrandy gewenst, was tot stand gekomen.' (a.v., p. 45) Beide uitspraken lijken onsjuist. 2 Brief, 22 j uli 1941, van Welter aan Gerbrandy, a.v., dl. V b, p. 15-1Ó. 3 Brief, 25 juli 1941, van van den Tempel aan Gerbrandy, a.v., p. 17.

207 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

nerende bevoegdheid was erkend (maar met voorbehoud), van Boeyen had Oorlog gekregen, zij het slechts ad interim, Furstner was minister geworden en de Commissie-Terugkeer leek niet al te onbevredigend samengesteld. Daar stond tegenover dat het War Cabinet-plan mislukt was, dat de opzet dat de koningin talrijke zaken rechtstreeks met de ministers zou bespreken, niet was aanvaard, dat het werk van de ministeriële commissies, de Commissie-Terugkeer inbegrepen, uitdrukkelijk een voorbereidend karakter zou dragen en dat de gehele gang van zaken Gerbrandy's naam bij de meeste van zijn ambtgenoten kwaad gedaan had. 'Men kreeg', aldus later van den Tempel, 'het gevoel dat men op zijn hoede moest zijn' (voor Gerbrandy als werktuig van de koningin), 'hetgeen in het begin niet het geval was geweest." Vooral tussen Gerbrandyen Steenberghe die elkaar in het geheelniet lagen, was de verhouding grondig bedorven. Toen het nieuwe, 'hervormde' kabinet eind juli geconstitueerd was (Furstner werd op de zSste beëdigd), schreefBolkestein in zijn zakagenda: 'Dit duurt geen drie maanden."

XCDat was juist gezien.

XCDe benoeming van van Boeyen tot minister van oorlog ad interim (hij is dat ruim een jaar gebleven) was een misgreep. Verstand van militaire zaken had hij niet (dat had van Harinxma die door Gerbrandy eerst uitgenodigd was, overigens ook niet) en hij zou dus geheel op het kompas van zijn adviseurs moeten varen. Steenberghe en anderen hadden er sterk op aangedrongen dat Defensie niet gesplitst zou worden en dat Furstner minister van defensie zou worden, maar dat was door Furstner, die niets van landmachtzaken afwist, geweigerd. Toen van Boeyen als minister zijn eerste bezoek bracht aan de Nederlandse brigade, meldde de Z.g. luitenant van piket (de officier die de wacht onder zijn bevelen heeft) zich stram saluerend bij hem met de woorden: 'De luitenant van piket meldt zich, Excellentie.'

XC'Minister van Boeyen zei: 'Wàt zegt u?', waarop de luitenant met verheffing van stem zijn melding herhaalde. De minister nam zijn hoed af, stak hem de hand toe en zei: 'Dag meneer van Piket, hoe maakt u het?' Toen later de commandant zijn oflicieren aan de minister voorstelde, klaarde het gelaat van deGetuigevan den Tempel,a.v.,c, p.GetuigeBolkestein,a.v.,

1 dl. V II6. 2 P: 249.

208 [PDF]
'DIT DUURT GEEN DRIE MAANDEN'

heer van Boeyen op toen hij een bekend gezicht terugzag, en zei hij: 'Meneer van Piket en ik kennen elkaar al' ' 1

XCaldus het verhaal dat van Angeren in Londen vernam; heel Stratton House kende het en uiteraard ook de hele brigade.

XCOp zichzelf was van Boeyen een kundig en toegewijd administrateur, een man ook met veel sociaal gevoel - maar een minister van oorlog] Dat toch niet. Op enkele officieren van het Knil die in die tijd aan het kader van de brigade toegevoegd werden, maakte hij de indruk van 'een mummelend doof oud heertje'." Zijn gezondheid ging trouwens achteruit; eind '41 bleek dat hij aan carcinoom leed, hij werd geopereerd (zijn portefeuille werd toen enige tijd door Furstner overgenomen), maar hij kon na de operatie zijn werkzaamheden hervatten.

XCWaarom hebben de koningin en Gerbrandy van Boeyens benoeming doorgezet?

XCWij nemen aan dat bij hen meetelde dat de minister van oorlog bij de terugkeer een bijzondere rol zou spelen en dat zij van van Boeyen wisten dat ook deze de koningin de dominerende plaats wilde geven in het 'vernieuwde' staatsbestel. Bovendien bleek van Boeyen bereid, drastisch in te grijpen in zijn nieuwe departement, volledig conform de wensen van koningin en minister-president. 'De gehele omgeving van minister Dijxhoorn moet worden opgeruimd', zei van Boeyen tegen overste van de Plassche, en inderdaad: allen van wie van 't Sant (en dus de koningin) in de zomer van' 40 uit de mond van de soldaat die bij Dijxhoorn en zijn officieren bediende geweest was, vernomen had dat zij zich in een defaitistisch milieu bevonden hadden, werden weggewerkt. Overste van de Plassche werd op non-actief gesteld 3, van Dijxhoorns twee adjudanten werd de marine-adjudant, Post Uiterweer, weer aan de marine afgestaan en de landmacht-adjudant, Kruls (van Boeyen had, zei hij tegen van de Plassche, deze 'nog maar juist kunnen redden's), verdween uit de directe omgeving van de minister (hij werd afdelingshoofd); van Oorschot werd afgezet alsJ.20

1 Van Angeren: 'Nederlandse regering in Londen', p. 25. 2 Getuige F. Mollinger, dl. VIII c, p. 1281. 3 Het heeft in de zomer van '44 veel moeite gekost, de handtekening van de koningin te krijgen onder een koninklijk besluit waarbij van de Plassche militair attaché bij het Geallieerde hoofdkwartier in Algiers werd. Daarbij was van belang dat de koningin begin '43 van de uit Nederland overgeko men majoor Somer gedetailleerd vernomen had dat van de Plassche, hoofd van de afdeling-inlichtingen van GS-III, tot het laatst had geloofd dat de Duitsers op IQ mei '40 niet zouden aanvallen. 4 G. M. van de Plassche: 'Aantekeningen be treffende 1940-1945', p. 3 punt p, gestenc. bijl. 475).

209 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

hoofd van de militaire missie (prins Bernhard volgde hem op) en het Bureau Bijzondere Aangelegenheden werd opgeheven kolonel van Voorst Evekink verliet Londen: hij werd in plaats van Phaff commandant van de Nederlandse brigade, de zesde en (zoals spoedig bleek) wéér een misgreep.

XCJohannes Theodorus Furstner, de nieuwe mmister van marine, was in 1887 in Amsterdam geboren waar zijn vader importeur van landbouwwerktuigen was. Hij doorliep er een hbs-. De marine trok hem aan: hij werd adelborst. Na voltooiing van zijn opleiding specialiseerde hij zich in de draadloze telegrafie. In '18 volgde hij de lessen van de Hogere Krijgsschool, later ook nog die van de Franse École Supérieure de Guerre. Na een paar jaar aan de marinestaf verbonden te zijn geweest, werd hij in '30 tot directeur van de Hogere Marinekrijgsschool benoemd. Hij gold als een uitstekend theoreticus op marinegebied en als een bekwaam organisator. In '36 werd hij, negen-en-veertig jaar oud, chef van de marinestaf.

XCIntelligent was Furstner zonder twijfel, maar zijn Londense ambtgenoten hadden overigens niet veel met hem op: de meesten hunner vonden hem ijdel en eerzuchtig. Binnen de marine had Furstner op grond van zijn capaciteiten een betere naam, zij het dat 'het varende deel' niet voorbijzag aan het feit dat de bevelhebber der zeestrijdkrachten nimmer een belangrijk commando ter zee had uitgeoefend. 'Ik heb', zo verklaarde later de commandant van de torpedobootjager 'Isaac Sweers' aan de Enquêtecommissie,

XC'alle appreciatie voor de admiraal, maar hij is zo dat hij eigenlijk het varen een beetje minderwaardig vindt. Ik heb het hem ook wel eens gezegd. De Krijgsschool is voor hem alles: dat is het mooie van het mooie. Voor mij is het zaak dat er moet worden gevaren en dat er ook nog een paar lui aan de wal nodig zijn. Voor hem is het andersom Het lag ook aan ons ... Wij deden mee en wij hoorden er bij, terwijl Londen werd beschouwd als de plaats waar werd gezorgd dat je geld kreeg en een paar sokken. Ik van mijn kant heb de Nederlandse admiraliteit ook niet zodanig ingelicht als ik had kunnen doen. Het was helemaal niet nodig; ik had het veel beter bij de Engelsen ... Als ik binnenkwam met mijn snertjagertje en ik wilde de Engelse admiraal spreken, dan sprak ik hem"

1 Hogere burgerschool, thans (1979) te vergelijken met een athenaeum. 2 Getuige W. Harmsen, dl. VIII c, p. 1202.

210 [PDF]
FURSTNER

- tot Furstner was het vooral voor het lagere marinepersoneel heel moeilijk doordringen en men zag hem ook niet vaak aan boord van de marineeenheden. Dat alles wekte grote weerstanden tegen hem.

XCIn de ministerraad speelde Furstner een ondergeschikte rol: hij zat er meestal te zwijgen. Het 'parlementair gedoe' had hem, als zoveel officieren, steeds geërgerd (hij had zich aan het einde van de jaren '20 bij Gerretsons autoritaire 'Nationale Unie' aangesloten en was in '32 een van de initiatiefnemers geweest tot de beweging Nationaal Herstel) - wij nemen aan dat de meeste discussiesin de ministerraad door hem als voortzetting van dat 'parlementair gedoe' beschouwd werden. Waarom werd hij minister? Hij had tegen dat ministerschap geen enkel bezwaar, mits hij bevelhebber der zeestrijdkrachten kon blijven (een combinatie welke door de Enquêtecommissie terecht afgekeurd is: er was geen civiele beroepsinstantie meer 1), Gerbrandy was ook in Nederland al voorstander geweest van een apart departement van marine - en de koningin? Zij was van jongsaf op de marine gesteld geweest, zij had waardering voor Furstners capaciteiten en zij zag voorts, zo nemen wij aan, in hem een belangrijke bondgenoot in haar 'terugkeer' -opzet. De centrale rol die Furstner daarbij zou spelen, werd nog geaccentueerd ook: eind december '41 werd onder hem een Bureau Voorbereiding Terugkeer opgericht dat onder leiding kwam te staan van de uit Indië overgekomen luitenant-kolonel der mariniers M. R. de Bruyne, en begin februari '42 werd, tijdens de ziekte van minister van Boeyen (en tot diens veronrwaardiging l), de Centrale Inlichtingendienst door Gerbrandy aan Binnenlandse Zaken ontnomen en onder Marine geplaatst met de Bruyne als tijdelijk hoofd; Derksema verdween dus.

XCWij voegen nog toe dat tegelijk met de Bruyne nog een andere marineofficier uit Indië overgekomen was: kapitein-ter-zee J. W. Termijtelen; deze was in '36 in Den Haag Furstners chef de bureau geweest. Als chef van de marinestaf werd hij Furstners naaste medewerker. Samen werkten zij in '43-'44 even grandioze als irreële plannen uit voor een naoorlogse uitbreiding van de marine - zij zullen in een later hoofdstuk beschreven worden.

Amerikanen naar de West

XC

XCWij vermeldden al dat Welter, op de terugreis van Indië naar Engeland, in juni een bezoek had gebracht aan Curaçao en Suriname. Op Curaçao en Aruba bevonden zich toen ca. dertienhonderd man aan Britse en ca. elf

XC1 A.v., dl. V a, p. 45.

211 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

honderd aan Nederlandse troepen. Hun bewapening was zwak, vooral van de Nederlanders, en wel waren er in die tijd zoeklichten en stukken luchtafweergeschut in de Verenigde Staten besteld en ook al betaald, maar die waren nog steeds niet geleverd. Hoe dat zij, de grote raffinaderijen hadden een zekere mate van bescherming, vooral doordat nu op beide eilanden walbatterijen opgesteld waren.

XCSuriname was speciaal voor de Amerikaanse wapenindustrie van grote betekenis: de Surinaamse bauxietmijnen leverden twee-derde van het erts waaruit, in Amerika, het aluminium gesmolten werd dat voor de bouw van de Amerikaanse gevechtsvliegtuigen nodig was. Suriname was evenwel praktisch onverdedigd: er lagen in de zomer van '41 vijftig mariniers en ruim tweehonderd militairen van het Knil - er was ook nog een plaatselijke schutterij van een man of vijfhonderd (driehonderd in Paramaribo, tweehonderd bij de grootste bauxietmijn) maar deze formatie had maar geringe militaire waarde. Voorts was er één kustbatterij met drie lichte stukken en waren er negen mitrailleurs en twee mortieren. De geweren waarover beschikt werd, waren van een uit 1895 daterend model (een groot aantal deugde niet; de lopen waren uitgeschoten) en munitie was er veel te weinig. Al die feiten waren uiteraard aan de gouverneur, prof mr. l C. Kielstra, bekend: hij had, nog voor Nederland door Duitsland overvallen werd, herhaaldelijk, maar vergeefs, op het zenden van meer troepen en betere wapenen aangedrongen. In mei '41 opperde hij het denkbeeld dat hij een aantal Amerikaanse piloten (mèt hun toestellen) als huurlingen in dienst zou mogen nemen, en toen Welter in juni '41 bij hem was, wees Kielstra opnieuw op Suriname's onverdedigde toestand, daaraan toevoegend dat, als Nederland niet voor een solider bescherming zorgde, de Verenigde Staten dat vroeg of laat zouden doen. Voor de komst van geregelde Amerikaanse troepen voelde de gouverneur echter weinig: ze zouden heel wel permanent kunnen blijven en in elk geval zou hun komst, zo vreesde hij, een zware slag toebrengen aan het Nederlands prestige.

XCWelter was het daarmee eens en medio juni, toen hij in Washington was, legde hij aan de stafchef van de Amerikaanse marine, admiraal Harold E. Stark, de vraag voor of het de Verenigde Staten mogelijk was, luchtafweergeschut aan Suriname te leveren en met eenheden van de marine regelmatig te patrouilleren voor de Surinaamse kust. Welter zei evenwel dat Suriname ook over land niet geheel veilig was: het Franse bestuur in Frans Guyana stond aan de kant van Vichy. Het was dan ook niet onbegrijpelijk dat een van Starks officieren vroeg of Welter niet eerder prijs stelde op een Amerikaans garnizoen in Suriname, zoals er ook al een Brits garnizoen op Curaçao en Aruba was. Welter zei neen.

212 [PDF]
POSITIE VAN SURINAME

XCToen hij in Londen terug was, besloot het kabinet op zijn voorstel, de 'Van Kinsbergeri' uit het Caraïbisch gebied naar Suriname te zenden, daar voorts een detachement van honderdvijftig man uit de Nederlandse brigade heen te sturen en van Starkenborgh te verzoeken, er evenveel militairen als tweede Knil-detachement aan toe te voegen.' Niemand voelde er voor, de Amerikanen om protectie te vragen.

XCZonder het te beseffenhad Welter de Amerikanen opnieuwattent gemaakt op een probleem waarvoor zij nu maar één oplossing zagen: legering van een Amerikaans garnizoen in Suriname ter bescherming van de bauxietmijnen. Die oplossing werd aan president Roosevelt voorgelegd en deze breidde, nadat een hoog Amerikaans militair de situatie in Suriname persoonlijk opgenomen had, de zaak nog ietwat uit. De president beschouwde de Europese kolonies in de Nieuwe Wereld als relieken uit een achterhaald verleden, was zeer bedacht op goede relaties met de Latijns-Amerikaanse republieken jegens welke hij graag de schijn handhaafde dat zij op voet van gelijkheid behandeld werden, en het gevolg van al deze overwegingen was dat hij in een brief aan koningin Wilhelmina d.d. 1 september het voorstel deed dat drieduizend man Amerikaanse infanterie en het nodige luchtafweergeschut onmiddellijk naar Suriname overgebracht zouden worden. De koningin, 'zeer bezorgd over de geheimhouding van deze boodschap, wilde eerst', zo deelde Gerbrandy op 4 september '41 in de ministerraad mee, 'alleen de zaak met de voorzitter bespreken, maar van de gezant Drexel Biddle' (Anthony J. Drexel Biddle Jr. was eind maart' 41 Amerikaans gezant geworden bij de Nederlandse regering te Londen) 'had de voorzitter vernomen dat een beslissing van de Nederlandse regering gevraagd werd. Vandaar de behandeling in de ministerraad.'

XCDat de Amerikanen dit verzoek zouden doen, was aan gouverneur Kielstra bekend; hij had, nog voor de ministers op 4 september bijeenkwamen, Welter om instructies gevraagd.

XCHet algemeen gevoelen van het kabinet was dat Roosevelts verzoek (verscheidene ministers, onder wie Gerbrandy, namen Welter kwalijk dat

1 Van Starkenborgh liet dat detachement in gereedheid brengen, maar in oktober, toen vaststond dat Amerikaanse troepen naar Suriname gezonden zouden worden, werd besloten, de honderdvijftig man in Indië te houden; uit de Irene-brigade werden toen nog honderd man extra naar Suriname gezonden.

213 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

hij het als het ware uitgelokt had) niet geweigerd kon worden, maar daar waren toch wel bezwaren aan verbonden. Van Kleffens betoogde dat duidelijke Amerikaanse toezeggingen nodig waren dat aan de Nederlandse souvereiniteit over Suriname niet getornd zou worden. 'Wat zullen zij in de toekomst waard zijn', vroeg Welter: 'indien de bezetting er eenmaal is, is de vraag: hoe komt ze er ooit weer weg?' Hij haalde er de geschiedenis bij: had Engeland na het Napoleontische tijdperk niet ook Ceylon, waarvan de teruggave aan Nederland beloofd was, behouden? 'Bezettingen', zei Steenberghe, 'hebben steeds nadelige gevolgen gehad.' Besloten werd, de bedoelde toezeggingen aan president Roosevelt te vragen en hem mee te delen dat het Amerikaanse garnizoen krachtens de Surinaamse staatsregeling onder het opperbevel van de gouverneur zou staan en dat Nederland de kosten van het garnizoen, geschat op f 1 mln per jaar, voor zijn rekening zou nemen.! Met dat alles ging Roosevelt accoord, maar drie weken later kwam de aap uit de mouw: Roosevelt wenste dat het neutrale Brazilië óók uitgenodigd zou worden, troepen naar Suriname te zenden; daarbij verzweeg hij dat hij dat denkbeeld zelf al aan de president van Brazilië voorgelegd had. Voor die Braziliaanse troepen voelde het kabinet niets, ook niet omdat hun komst een gevaarlijk precedent zou kunnen vormen. Men wist dat Venezuela op Curaçao en Aruba aasde" - stond men Brazilië toe, troepen naar Suriname te zenden, dan zou het moeilijk zijn, Venezolaanse troepen uit de Antillen te weren. Met steun van het kabinet hield van Kleffens het been stijf en tenslotte ging Brazilië er accoord mee dat het slechts het recht kreeg, liaison-officieren naar Paramaribo te zenden.ê

XCOp 24 november maakte een gemeenschappelijk Amerikaans-Nederlands communiqué bekend dat in Suriname ter bescherming van de bauxietmijnen tijdelijk een Amerikaans garnizoen gelegerd zou worden en diezelfde dag kwamen de eerste duizend Amerikaanse militairen in Paramaribo aan, een en ander tot grote verrassing van gouverneur Kielstra - hij had hun aankomst willen uitstellen en niemand had de moeite genomen, hem in te lichten dat zijn voorstel afgewezen was.

XCWij voegen aan dit alles toe dat het Britse garnizoen op Curaçao en Aruba teruggetrokken werd; het werd in februari '42 door een Amerikaans

XC1 Ministerraad: Notulen, 4 sept. 1941. 2 Aan Nederlandse kant was ook de pijnlijke herinnering blijven hangen van wat in juni '29, ruim twaalf jaar eerder dus, was geschied: Venezolaanse opstandelingen hadden toen een in Willemstad liggend schip gekaapt en waren, de gouverneur en de militaire commandant van Curaçao als gijzelaars meenemend, daarmee naar Venezuela gevaren; wij komen hierop terug in hoofdstuk 6. 3 Een eigenlijke liaison-missie kwam er niet, wèl brachten twee Braziliaanse officieren in oktober' 42 een kort bezoek aan Suriname.

214 [PDF]
AMERIKAANSE HULP

vervangen (veertienhonderd man op Curaçao, elfhonderd op Aruba) en er kwamen precies dezelfde moeilijkheden als in het Surinaamse geval: Roosevelt (die eind januari '42 tegen van Kleffens zei, 'de wens van Venezuela om Curaçao en Aruba te bezetten, best te kunnen begrijpen'{) verlangde toelating van een Venezolaanse militaire missie; dat werd geweigerd maar wèl werden twee Venezolaanse liaison-officieren toegelaten."

XCDat de vrees voor de kwade gevolgen van een Amerikaanse 'bezetting' waaraan vooral Steenberghe en Welter uitdrukking gegeven hadden, overtrokken was, stippen wij slechts aan. Toen van Kleffens in januari '42 in Washington was, droegen Steenberghe en Welter overigens geen verantwoordelijkheid meer voor de behandeling van kwesties die uit de aanwezigheid van Amerikaanse garnizoenen in de West voortvloeiden: zij hadden op 13 oktober' 41, twee-en-een-halve m.aandna Bolkesteins dagaantekening : 'Dit duurt geen drie maanden', aan Gerbrandy meegedeeld dat zij zijn kabinet zouden verlaten.

Steenberghe en Welter nemen ontslag

XC

XCAanleiding tot de ontslagaanvraag van Steenberghe en Welter was een verklaring die Gerbrandy op donderdagavond 9 oktober '41 'namens de Nederlandse regering' door Radio Oranje had laten uitzenden - een verklaring waarvan het officiële karakter nog onderstreept was doordat zij door Pelt, het hoofd van de Regeringsvoorlichtingsdienst, voorgelezen was. Zij had betrekking op bombardementen die in een nabije toekomst door de Royal Air Force in Nederland uitgevoerd konden worden.

XCOver dergelijke bombardementen was in de voorafgaande periode al het nodige te doen geweest. Uiteraard waren koningin en kabinet er geen tegenstanders van dat belangrijke Duitse doelen in Nederland gebombardeerd zouden worden, ook niet als die bombardementen het risico meebrachten dat Nederlandse burgers er het slachtoffer van zouden worden. Er werd evenwel van de RAF gevergd dat zij met behoedzaamheid zou21

1 Van Kleffens: Verslag 'Reis naar de Verenigde Staten ... 10 januari-v maart 1942' (30 jan. 1942). 2 Toen prinses Juliana in februari-maart '44 een bezoek bracht aan de Nederlandse Antillen, drong Washington er op aan dat zij óók een bezoek zou brengen aan Caracas, de hoofdstad van Venezuela. Het kostte van Kleffens toen veel moeite, de koningin te overreden om dit goed te vinden, vooral toen enkele dagen later bleek dat de president van Venezuela er prijs op stelde dat de prinses een nacht in Caracas zou overblijven; de koningin duchtte daar infectiegevaar. De overnachting ging niet door.

215 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

opereren, d.w.z. dat de doelen met zorg zouden worden uitgekozen. Daarover vond regelmatig overleg met het Air Ministry plaats waarbij voor Nederland de adjunct van marine-attaché de Booy, de luitenant-terzee eerste klasse C. Moolenburgh, ingeschakeld was. Zulks verhinderde niet dat in april '41 door het Air Ministry eigener beweging een plan ontworpen werd dat van volstrekte onkunde met betrekking tot Nederland getuigde. De Wehrmacht maakte in die maand in Joegoslavië en Griekenland snelle vorderingen en om nu op de Duitsers in West-Europa druk uit te oefenen, wilde de RAF dagaanvallen gaan uitvoeren. Hoe kon men het Duitse luchtafweergeschut uitschakelen? Gemeend werd dat men dat kon bereiken door in de kuststrook van Noord-Frankrijk, België en Nederland de electrische centrales te verwoesten zodat ook de Duitse militaire installaties geen stroom meer zouden krijgen. Moolenburgh wees er onmiddellijk op dat de Duitsers bij hun luchtafweergeschut eigen aggregaten hadden staan om stroom op te wekken voor hun vuurleidingstoestellen en dat de RAF, als zij de electrische centrales in Nederland verwoestte, een groot deel van het economisch leven tot stilstand zou brengen en bovendien de bemaling onmogelijk zou maken zodat het westen des lands langzaam maar zeker onder water zou komen te staan. Daar had bij het Air Ministry niemand aan gedacht! Men was er door Moolenburghs mededeling zo teleurgesteld dat hem gevraagd werd, zijn opinie door het Nederlandse kabinet te laten bevestigen. Uiteraard werd zij bevestigd en de electrische centrales werden toen prompt op de lijst van verboden doelen geplaatst, maar men kan zich indenken dat het plan-zelf menige minister de indruk gaf dat de RAF de neiging had, met onvoldoende deskundigheid te opereren.

XCIn de nacht van 3 op 4 oktober '41 nu werd als onderdeel van een RAF operatie tegen de havens van Duinkerken, Antwerpen en Rotterdam, laatstgenoemde havenstad door 33 verouderde Engelse bommenwerpers aangevallen; de bommen troffen in hoofdzaak stadswijken die dicht bij de havens lagen. Er vielen ruim honderd doden - de door de bezetter geïnspireerde berichtgeving in de Nederlandse pers en radio getuigde van grote verontwaardiging. Steenberghe deelde die verontwaardiging en volgens afspraak met van den Tempel stelde laatstgenoemde de zaak op dinsdag 7 oktober in de wekelijkse vergadering van de ministerraad aan de orde. 'Het gebeurde met Rotterdam mag zich niet herhalen', zei van den Tempel; hij achtte 'een mededeling aan het Nederlandse volk via Radio Oranje nodig." Er gold op dat ogenblik als richtlijn dat industriële of transportdoelen in Nederland niet zouden worden aangevallen wanneer

XC1 Ministerraad: Notulen, 7 okt. 194I.

216 [PDF]
BOMBARDEMENTSBELEID

zij 'gelegen (waren) in bevolkingsconglomeraties'i! De havens van Rotterdam lagen daar dicht bij - hoe moest men nu voortaan handelen? Goed doorgesproken werd de zaak niet; het bleefbij een mededeling van Furstner dat hij de RAF om nadere inlichtingen zou vragen aangaande het Rotterdamse bombardement. Ook over een 'mededeling via Radio Oranje' werd geen woord gewisseld.

XCGerbrandy nam aan dat men de formulering van die mededeling aan hèm overgelaten had, en gegeven het misbaar in de Nederlandse pers en radio meende hij dat snel gereageerd moest worden.

XCVoor Gerbrandyen Furstner kwam in hun overleg vast te staan dat de regering zich niet bedremmeld moest opstellen. Furstner kreeg via Moolenburgh precieze gegevens van de RAF over de bombardementen op alle havens in West-Europa tot I juli '4I, waaruit bleek dat de meeste havens in België en Frankrijk veel frequenter gebombardeerd waren dan de Nederlandse; duidelijk was dat de RAF heel wel kon voortgaan, de transportdoelen in en bij Rotterdam te bombarderen - welnu, bewoners van het betrokken gebied die dat wensten, moesten dan maar verhuizen. Op grondslag van door Gerbrandy verstrekte aanwijzingen schreef Kasteel een concept-tekst voor uitzending door Radio Oranje op donderdagavond 9 oktober, maar pelt had tegen die tekst bezwaren. Donderdagochtend sprak Pelt met Gerbrandy af dat hij 's middags om kwart over drie met deze en Furstner de zaak zou bespreken.

XCIn het begin van die middag kreeg Bolkestein, die op die dag zeventig jaar werd, een lunch aangeboden door al zijn ambtgenoten - hij werd daar met warmte toegesproken en Welter nam de gelegenheid te baat om Gerbrandy te prijzen voor de wijze waarop hij het kabinet leidde. Zonder te zeggen dat Radio Oranje 's avonds over het bombardement op Rotterdam zou spreken, verlieten Gerbrandyen Furstner de hmch eerder dan hun ambtgenoten. Gerbrandy kon slechts bij een deel van het gesprek met Pelt aanwezig zijn en toen hij ca. zes uur ill Braum's Hotel terug was, vond hij daar twee teksten: het concept van Kasteel en een langer concept van Pelt. Gerbrandy vond Kasteels concept het beste (hij was bereid, die tekst zelf uit te spreken), maar toen Pelt zei dat de tweede tekst juist samen met de admiraal was opgesteld ('de specialist uit ons kabinet', zoals Gerbrandy enkele dagen later schreef"), keurde hij goed dat die tweede tekst" uitge

1 Die formulering komt voor in de brief die Steenberghe en Welter op dinsdag 14 oktober aan Gerbrandy zonden (Gerbrandy: p. 44-46). 2 Brief, 16 okt. 1941, van Gerbrandy aan Steenberghe en Welter (a.v., p. 46-49). 3 A.v., p. 60-62.

217 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

zonden zou worden, al vond hij 'de grondtoon wat te zakelijk'": het uitspreken liet hij aan Pelt over. Daarbij was nog van belang dat Gerbrandy meende dat die tweede tekst door Pelt aan de 'radio-ministers' (dat waren toen, naast Gerbrandy, Albarda en van Kleffens) toegezonden was; in feite was Pelt daar nog niet aan toegekomen. Wie van de tekst wèl tijdig kennis had kunnen nemen, was de koningin; wij nemen aan dat hij haar voorgelezen was - zij had hem goedgekeurd.

XCSprekend voor Radio Oranje herinnerde Pelt er aan dat de regeringsomroep zes weken eerder, nl. op 4 september, Rotterdam 'een eerste-klasaanvalsobject voor de RAF' genoemd had (dat was geschied in een toespraak door Moolenburgh), 'ongelukkigerwijze', zei Pelt, 'is Rotterdam in (het) Duitse machtsapparaat een sleutelpositie geworden.' Het was moeilijk, bij het bombarderen zuiver te mikken. 'Wij zeggen u dit ronduit', zei Pelt, 'en wij voegen hieraan toe: wilt gij dit soort gevaar vermijden, verlaat dan zoveel mogelijk de omgeving der havens langs de Nieuwe Waterweg en die der rangeerterreinen van Rotterdam. Dit zegt Radio Oranje namens de Nederlandse regering, en niet alleen tot u, maar ook tot de betrokken Nederlandse autoriteiten. Wij zijn ons volkomen bewust, dat wij met deze raad aan een deel der bevolking van het huidige Rotterdam een soort verhuizing opleggen, maar wij menen dat u nog beter naar andere en veiliger plaatsen kunt trekken dan u te blijven blootstellen aan dit soort gevaar, dat zal voortduren zolang de Duitsers Rotterdam gebruiken als een belangrijk transportcentrum in het kader hunner oorlogvoering.'

XCVervolgens vermeldde Pelt de cijfers over de RAF-bombardementen tot 1 juni '41 en aan het slot wees hij op de zoveel zwaardere offers die door het Russische volk gebracht werden. 'Wij zeggen dit niet om u te troosten ... Wij zeggen u dit om u de recente gebeurtenissen in Rotterdam te doen zien tegen de enige achtergrond waartegen wij allen ze zien moeten, namelijk die van een strijd op leven en dood, waarbij verlies van mensenlevens ook in bezet gebied onvermijdelijk is.'

XCDe uitgezonden tekst paste geheel in het kader van de Geallieerde oorlogvoering, maar hij leek in zijn strekking verder te gaan dan de richtlijn waaraan de overige ministers wilden vasthouden, en het 'namens de Neder

1 A.v., p. 47.

218 [PDF]
ADVIES AAN DE BEVOLKING VAN ROTTERDAM

landse regering' gegeven advies: 'de omgeving van de havens langs de Nieuwe Waterweg en die der rangeerterreinen van Rotterdam' te verlaten, was voor de tienduizenden bewoners dier omgevingen onuitvoerbaar en derhalve een slag in de lucht. De Enquêtecommissie concludeerde 'dat met (de) radiorede geen wijziging beoogd (was) van de tot op dat ogenblik gevoerde regeringspolitiek' -neen, 'beoogd' misschien niet, wanneer men daaronder het nastreven van een scherpomlijnd doel verstaat, maar wat donderdagavond gezegd was, kwam in feite toch wel dicht bij zulk een wijziging.

XCDe commissie meende voorts, 'de verklaring van de heer Gerbrandy te moeten aanvaarden, dat hij niet de bedoeling heeft gehad om in deze zaak op eigen gelegenheid politiek te voeren' (ach, Gerbrandy was zo slordig dat 'bedoeling' misschien een iets te zwaar woord is, maar in het feitelijk verloop steekt, menen wij, dat element toch wèl) 'en dat hij getracht heeft, de tekst van de rede tijdig aan de ministers te doen toekomen'! - dat laatste is nonsens: Gerbrandy heeft niets 'getracht', hij meende slechts dat Pelt de uit te zenden tekst, zoals gebruikelijk, naar Albarda en van Kleffens toegezonden had; daarvan had hij zich evenwel niet vergewist en ook als Albarda en van Kleffens de tekst wèl gezien hadden, zou hij toch nog aan van Boeyen, Bolkestein, Steenberghe, van den Tempel en Welter onbekend zijn gebleven.

XCWij hebben het voorafgaande weergegeven als 'aanleiding' tot de ontslagaanvraag van Steenberghe en Welter. De oorzaken lagen dieper. Welter wees in zijn hart de gehele oorlogvoering af en Steenberghe had op dit punt menigmaal een nogal aarzelende houding ingenomen. Van hen beiden (de twee vertegenwoordigers van de Rooms-Katholieke Staatspartij in het kabinet) was Steenberghe de sterkste figuur. Hij minachtte Gerbrandy en had dat deze menigmaallaten merken; hij nam hem kwalijk dat hij zich door de koningin liet domineren; hij beschouwde hem als een slecht leider van het team. De donderdagavond uitgezonden tekst was bij Steenberghe niet meer dan de druppel die de emmer deed overlopen: hij had er nu genoeg van, het roer moest radicaalom, hij hoopte, zijn ontslag aankondigend, een crisis te kunnen forceren die Gerbrandy aan het wankelen zou brengen - en hij nam welter op sleeptouw.p.21

1 dl. V a, 56.

219 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

XCVrijdag, op het eind van de middag, kreeg Steenberghe van de Regeringsvoorlichtingsdienst drie exemplaren van de radiotekst ; daarvan liet hij één naar Welter, één naar van den Tempel sturen. Op zondag pleegden Steenberghe en Welter samen overleg en de eerste met wie zij toen contact zochten, was niet Gerbrandy maar van den Tempel, hun bondgenoot in de strijd die zij gedrieën bij de formatie van Gerbrandy's tweede kabinet gevoerd en grotendeels gewonnen hadden. Van den Tempels steun (deze zou dinsdagochtend naar de Verenigde Staten vertrekken waar hij als hoofd zou optreden van de Nederlandse delegatie op de jaarlijkse conferentie van de Internationale Arbeids-Organisatie) was essentieel voor hen: nam hij de zaak even hoog op als zij, dan zou hij Albarda misschien ook tot het dreigen met aftreden kunnen bewegen. Maar toen zij van den Tempel maandagochtend opzochten, bleek deze het niet met hen eens te zijn: hij deelde wel hun algemene bezwaren tegen Gerbrandy's optreden maar hij stond volledig achter de oorlogvoering en zei hun dat zij het gebeurde met de donderdagavond uitgezonden tekst opbliezen. Hij drong er bij hen op aan, onmiddellijk met Gerbrandy te spreken en niet rechtstreeks hun schriftelijk verzoek om ontslag aan de koningin te doen toekomen; hij herinnerde hen er aan dat na het ontslag dat Dijxhoorn vier maanden tevoren zo spontaan zelf mondeling aan de koningin aangeboden had, afgesproken was dat ministers geen ontslagaanvraag meer zouden indienen voor de zaak in het kabinet besproken was.

XCSteenberghe en Welter zochten nog diezelfde ochtend Gerbrandy op en begonnen met hem mee te delen dat zij zouden aftreden. Waarom, vroeg Gerbrandy verbaasd. Om de tekst van donderdagavond, was het antwoord, en daar werden meteen alle bezwaren aan toegevoegd: Gerbrandy was eigenmachtig van een tevoren vastgestelde richtlijn afgeweken en het advies om te verhuizen kon in bezet gebied slechts een deplorabele indruk gemaakt hebben. Gerbrandy, diep geschokt door de hem gedane aankondiging, zette de omstandigheden uiteen waarin het tot de uitgezonden tekst gekomen was (hij was daarbij zo in de war dat hij de indruk wekte, de uiteindelijke tekst niet eens gezien te hebben) en bood aan, Furstner aan het gesprek te laten deelnemen. Dat aanbod werd door Steenberghe en Welter afgewezen. Zij hadden geen enkele behoefte aan nadere informatie en herhaalden dat zij hWIontslagaanvraag zouden indienen.

XCZij zochten vervolgens opnieuw van den Tempel op met de mededeling, aldus deze in zijn getuigenis voor de Enquêtecommissie, 'dat (het) onderhoud met de minister-president hen had versterkt . . . in hun voornemen om hWI portefeuille ter beschikking te stellen. Ik heb hun gezegd', zo gaf van den Tempel zijn eigen reactie weer,

220 [PDF]
STEENBERGHE EN WELTER WILLEN AFTREDEN

'dat ik hun zienswijze toch niet kon delen en dat de aanleiding, die zij meenden te hebben, toch niet voldoende was voor een zo vèrgaande stap. Ik heb hun aandacht er op gevestigd dat ik de volgende dag zou vertrekken en dat het mij zeer zou spijten, wanneer de crisis zou intreden buiten mijn aanwezigheid. Zij hebben daarop in uitzicht gesteld, dat de crisis slepende zou blijven tot mijn terugkeer uit de Verenigde Staten, ongeveer vijf weken later" anders gezegd: Steenberghe en Welter zouden minstens ongeveer vijf weken wachten voordat zij, werd de zaak in de ministerraad niet bevredigend opgelost, de koningin schriftelijk om ontslag zouden vragen.

XCMaar het liep anders.

XCMaandagmiddag belde Gerbrandy Steenberghe op. 'u stelt de zaak toch in het kabinet aan de orde', vroeg Gerbrandy. Steenberghe bevestigde dat, mede namens Welter. 'Is uw besluit om ontslag te vragen onherroepelijk?' vroeg de minister-president. 'Ik ken geen herroepelijke besluiten', antwoordde Steenberghe'', bits, hooghartig - en met de bedoeling, de druk op Gerbrandy te versterken. Dat laatste doorzag Gerbrandy evenwel niet; hij beschouwde Steenberghe's mededeling als fmaal en was er diep ongelukkig en diep verontwaardigd over. Bovendien vroeg hij zich af wat dan nog de zin was van een bespreking van het geschil in de ministerraad.

XCDinsdag, in het begin van de ochtend, ondertekenden Steenberghe en Welter een lange en scherpe brief" waarin zij nu schriftelijk meedeelden, ontslag te zullen-riemen, zulks onder verwijzing o.a. naar Gerbrandy's uitleg van maandagochtend (dat hij de uitgezonden tekst niet eens gezien had) die, meenden zij, 'een behandeling van zaken' getoond had, welke 'geen dag langer mag duren.' De brief werd bij Gorbrandy afgegeven. Toen het kabinet later in de ochtend bijeenkwam, was de atmosfeer geladen. Gerbrandy, die trilde van bedwongen emotie, las de pas ontvangen brief voor. Hij zei vervolgens dat hem meegedeeld was dat Steenberghe en Welter een onherroepelijk besluit genomen hadden. Hij zei, aldus de notulen, 'dat niet verdiend te hebben; deze gang van zaken is voor hem een bittere grief en teleurstelling. Toen de heren Steenbergheen Welter nog een zeker compromis met de vijand voorstonden en van defaitisme deden blijken, heeft hij niettemin gemeend met hen te moeten blijven samenwerken Evenmin brak hij de samenwerking af, toen hij het beleid van de heer Welter inzake de verdediging

1 Getuige van den Tempel, a.v., dl. V c, p. II7. 2 Brief, 28 maart 1946, van Steenberghe aan Gerbrandy, a.v., dl. Vb, p. 18. 3 Tekst in Gerbrandy: p. 44-46. 4 In de notulen staat 'de Geer' - dit moet een vergissing zijn.

221 [PDF]
GERBRANDY'S EERSTE JAAR

van West-Indië moest afkeuren.Bij de vraag of mr. Peekema als ambtenaar kon gehandhaafdblijven, heeft hij getracht, het mes alleen te keren tegen de ambtenaar, en niet tegen diens minister. De voorzitter meent deze behandeling niet verdiend te hebben; ze is onvriendschappelijk,onzakelijken deloyaal.Er bestaat tussen beide heren en hem veelszinsovereenstemming in religieuze zin, welke hen binden moest. Dat nu juist zij de voorzitter bespringen, daarv