Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog - Deel 13 – Bijlagen

Alle delen:

1234-14-25-15-26-16-27-17-28-18-29-19-210a-110a-210b-110b-211a-111a-211b-111b-211c12-112-21314-114-2reg

Inhoud

XC

XCVoorgeschiedenis Mijn kwartaalverslagen Mijn werkwijze / De 'fiches' Voortgang van het project De televisieserie 'De Bezetting' Hoe ik mijn taak onderschatte Bronnen De kritische lezing der concept-manuscripten De discussies met de begeleidingsgroep Het aspect der verantwoordelijkheid Het aparte deel 'Reacties' Slot 13 15 20 22 26 32 52 66 7 0 76 78 Overzicht van wijzigingen

XCDeel I: 'Voorspel' Deel2: 'Neutraal' Deel 3: 'Mei '40' Deel z : 'Mei '40 - maart '41' Deels: 'Maart '41 - juli '42' Deel6: 'Juli '42 - mei '43' Deel 7: 'Mei '43 - juni '44' Deel 8: 'Gevangenen en gedeporteerden' Deel 9: 'Londen' Deel IO a: 'Het laatste jaar I' Deel 10 b: 'Het laatste jaar II' Deel II a: 'Nederlands-Indië I' Deel II b: 'Nederlands-Indië II' Deel II c: 'Nederlands-Indië III' Deel 12: 'Epiloog' 79 81 85 87 96 101 1°9 118 128 134 144 15° 156 166 174 175 Registers 181

ISBN 906890272

Indextermen: Oranjewoud

'Verantwoording'

XC

XCHet geschiedwerk tot welks samenstelling ik in 1955 opdracht kreeg en waarvan de voltooiing meer dan dertig jaar in beslag heeft genomen, heeft niet alleen een eigen geschiedenis maar ook een eigen voorgeschiedenis gekend. In deze Verantwoording wil ik weergeven hoe ik tot mijn opzet kwam, welke werkwijze ik heb gevolgd, welke bronnen ik bestudeerde, hoe mijn concept-teksten tot stand kwamen, welke personen of instanties met die concept-teksten bemoeienis hadden en wat mijn verantwoordelijkheid inhield. Dat ik eerst op de voorgeschiedenis inga, heeft niet alleen te maken met het feit dat zij er bij hoort maar vooralook met de omstandigheid dat vele van de denkbeelden die ik bij het opzetten van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tu/eede Wereldoorlog ging verwezenlijken, mij al voor ogen stonden voordat ik de opdracht tot de samenstelling kreeg.

Verantwoording

XC

XCHet geschiedwerk tot welks samenstelling ik in 1955 opdracht kreeg en waarvan de voltooiing meer dan dertig jaar in beslag heeft genomen, heeft niet alleen een eigen geschiedenis maar ook een eigen voorgeschiedenis gekend. In deze Verantwoording wil ik weergeven hoe ik tot mijn opzet kwam, welke werkwijze ik heb gevolgd, welke bronnen ik bestudeerde, hoe mijn concept-teksten tot stand kwamen, welke personen of instanties met die concept-teksten bemoeienis hadden en wat mijn verantwoordelijkheid inhield. Dat ik eerst op de voorgeschiedenis inga, heeft niet alleen te maken met het feit dat zij er bij hoort maar vooralook met de omstandigheid dat vele van de denkbeelden die ik bij het opzetten van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tu/eede Wereldoorlog ging verwezenlijken, mij al voor ogen stonden voordat ik de opdracht tot de samenstelling kreeg.

Voorgeschiedenis

XC

XCEen klein deel van de voorgeschiedenis ligt in Londen, een veel groter deel eerst in bezet en vervolgens in bevrijd Nederland.

XCWat Londen betreft, het volgende ..

XCIk was in september '32, achttien jaar oud, geschiedenis (en sociale aardrijkskunde) gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam, waar van alle hoogleraren N. W. Posthumus (economische geschiedenis) mij het meest had aangesproken, vooral met zijn doctoraal-colleges over de Leidse lakenindustrie van de zestiende tot de achttiende eeuw - uit een veelheid van bronnen had hij een boeiend beeld opgebouwd. Ik had in november '37 het doctoraal examen afgelegd, had vergeefs getracht een functie te krijgen bij het door Posthumus opgerichte Internationale Instituut voor Sociale Geschiedenis (er was geen geld), was in februari '38 redacteur geworden van het weekblad De Groene Amsterdammer en was èn op grond van mijn werkzaamheid bij dit blad èn op grond van mijn Joodse afkomst op 14 mei '40 naar Engeland uitgeweken.

XCDaar werd ik per I juli '40

VERANTWOORDING HET PLAN VAN POSTHUMUS

waar ik mij met hart en ziel aan gaf. Maar ik bleef ook mijn studievak trouw. Begin '41 schreef ik op verzoek van het hoofd van de Regeringsvoorlichtingsdienst, A. Pelt, voor de Britse uitgever Lindsay Drummond een boekje over de gebeurtenissen in Nederland tijdens de Duitse invasie en in de eerste maanden van de Duitse bezetting dat onder de titel Holland fights the Nazi's uitkwam. Vervolgens vroeg de Netherlands Publishing Company te Londen, uitgever van het 'Londense'Vrij Nederland, mij een samenvatting te schrijven van wat in Londen bekend was over Nederland in het eerste bezettingsjaar. Er is hieruit geresulteerd dat ik successievelijk vier boeken schreef Ue Maintiendrai I t.e.m. IV), handelend over het eerste, tweede, derde en vierde jaar van de Duitse bezetting. De Nederlandse dag- en weekbladen (alle via Lissabon of Stockholm binnengekomen), de in Londen opgenomen uitzendingen van Radio Hilversum, de illegale bladen (in april '42 arriveerden de eerste in de Britse hoofdstad), mededelingen van Engelandvaarders en (voor de delen III en IV) een snel wassende stroom van door de inlichtingengroepen naar Londen gezonden stukken en rapporten vormden mijn belangrijkste bronnen. Deel I steekt vol pathos, deel II is informatiever en dat geldt, meen ik, vooral voor de delen III en IV. Dat alle delen nogal aan de oppervlakte moesten blijven, spreekt vanzelf. Ook ontbraken alle gegevens over de illegaliteit - die werden door het Bureau Inlichtingen terecht geheimgehouden. Met dat al heeft deze Londense serie in twee opzichten betekenis gehad voor mijn latere werk: zij noopte mij, een eerste structuur aan te brengen in mijn kennis van de ontwikkelingen in bezet gebied en ik leerde met grote snelheid een boek te componeren. Alle gegevens die ik per deel nodig meende te hebben, had ik door de typistes van Radio Oranje op aparte papiertjes, 'fiches', laten overtypen (een systeem dat ik als student al voor mijn doctoraal-scripties had gebruikt) en aan de hand van die 'fiches' typte ik elk deel van een paar honderd bladzijden in twee of drie weken - meer tijd had ik er niet voor. Begin '44 won ik de Londense minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, dr. G. Bolkestein, voor het denkbeeld dat de regering na de bevrijding een rijksinstelling zou oprichten die zich zou belasten met het verzamelen van historisch materiaalover Nederlands oorlogsgeschiedenis. Het tweede kabinet-Oerbrandy keurde dit denkbeeld goed en Bolkestein deed er vervolgens in maart '44 mededeling van aan de luisteraars in bezet gebied, zulks in een door mij geschreven toespraak. I

I Tekst in: Rijksinstituut voor 1945-1946, p. 36-38.

XCNiet aan dit initiatief is het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie ontsproten maar aan een initiatief dat in bezet gebied was genomen.

XCPosthumus, in januari '42 door de bezetter ontslagen, had nadien allerlei elandestien circulerend materiaal laten verzamelen en medio '43 een memorie geschreven' waarin hij bepleit had, ten eerste, dat na de bevrijding de functie van 'directeur-generaal voor's rijks oorlogsarchieven' (die had hij zichzelf toegedacht) zou worden ingesteld, welke functionaris met zijn dienst alle Duitse archieven en archieven van 'foute' instellingen en organisaties zou moeten verzamelen, en, ten tweede, dat een particuliere organisatie zou worden opgericht om in opdracht van de overheid tot publikaties over te gaan. 'Daarvoor zullen', schreef hij, 'in alle lagen der bevolking en in alle delen des lands vele maanden lang de gegevens verzameld moeten worden, in het bijzonder die welke als mondelinge wetenschap bestaan' - evenwel zou voor 'enige onderwerpen' 'een officiële enqaêtecornmissie' moeten worden ingesteld: een commissie dus met wettelijke bevoegdheden. De particuliere organisatie zou van haar bevindingen 'in een geregeld verschijnende wekelijkse, soms tweewekelijkse, periodiek' verslag doen en in drie jaar klaar moeten zijn. Dat alles zag Posthumus 'als voorbereidend werk voor de wetenschappelijke publikatie over de geschiedenis van de bezettingstijd in al haar aspecten', welk werk hij wilde doen schrijven door 'een aantal vooraanstaande historici of historisch· aangelegde personen (juristen, kerkhistorici enz.).' Het moest in drie delen, elk van ca. 600 pagina's, verschijnen in een oplaag van 3000 exemplaren maar daarnaast diende in een oplaag van 10000 exemplaren een uit één deel bestaand populair werk uit te komen.

XCVoor zijn memorie vond Posthumus de instemming van een hoofdambtenaar die op een sleutelpositie zat: mr. J. K. van der Haagen, chef van de afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming van het departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming (onder die afdeling ressorteerde o.m. het rijksarchiefwezen). De secretaris-generaal van dat departement, prof. dr. J. van Dam, was 'fout', van der Haagen was 'goed' - hij stimuleerde Posthumus om door te gaan en bracht hem in contact met van Dams voorganger, prof. dr. G. A. van Poelje, in de zomer van' 40 door de bezetter ontslagen, van wie aangenomen mocht worden dat hij na de bevrijding weer secretaris-generaal zou worden. Posthumus had vele contacten in socialistische kringen - van Poelje rieda.v.,p.e.v.

I Tekst: 32

VERANTWOORDING

hem aan, de basis van het te ondernemen werk te verbreden en Posthumus betrok daar toen een katholieke en een gereformeerde hoogleraar bij, resp. prof. mr. B. H. D. Hermesdorf (Katholieke Universiteit Nijmegen) en prof. dr. Z. W. Sneller (in die tijd verbonden aan de Nederlandse Economische Hogeschool te Rotterdam, spoedig na de bevrijding aan de Vrije Universiteit te Amsterdam). Met hen beiden voerde Posthumus enkele clandestiene besprekingen. Zonder hun medeweten vroeg hij bovendien aan zijn Amsterdamse, eveneens door de bezetter ontslagen collega dr. J. M. Romein, een opzet te ontwerpen voor de eerder bedoelde 'wetenschappelijke publikatie'. Ook Romein dacht aan een werk van drie delen. Deel I, Kroniek, zou 'bestaan uit een beredeneerd verslag der feitelijkheden, gevolgd door een chronologische lijst der gebeurtenissen', deel z, Aspecten,'een aantalonderwerpen systematisch moeten behandelen', deel 3, Geschiedenis, de 'synthese' bevatten, 'die geschreven kan worden op grond van de delen I en 2 en van andere, inmiddels eventueel verschenen publikaties, documentenverzamelingen, verhoren, enz.'

XCIn de hongerwinter bestendigde Posthumus zijn contact met van Poelje en van der Haagen en het gevolg was dat enkele dagen na de bevrijding van West-Nederland, nl. op 8 mei '45, door van Poelje, weer secretarisgeneraal van het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, een besluit werd ondertekend waarbij een 'Rijksbureau voor documentatie van de geschiedenis van Nederland in oorlogstijd' werd ingesteld hetwelk tot taak had, die documentatie bijeen te brengen en te ordenen en aan de hand daarvan 'publikaties te doen verschijnen.' Het besluit werd gepubliceerd op gezag van het College van Vertrouwensmannen en, mèt alle andere door het college genomen of goedgekeurde besluiten, om formele redenen vrijwelonmiddellijk door het Militair Gezag geannuleerd. Dat verhinderde het Rijksbureau (het ging zich spoedig 'Rijksinstituut' noemen, omdat de term 'Rijksbureau' te veel deed denken aan de Rijksbureaus voor handel en nijverheid) niet om zijn werk aan te vatten - dat gebeurde van 15 september '45 af onder mijn dagelijkse leiding. Posthumus, voorzitter van het zich toen 'Directorium' noemend bestuur, had mij dat gevraagd en ik wilde niets liever dan juist deze functie uitoefenen.

XCIn samenwerking met van der Haagen ontwierp Posthumus een wet die het Rijksinstituut een nieuwe formele basis zou geven en bovendien een commissie in het leven zou roepen met enquêtebevoegdheden, gelijk aan die welke de Tweede Kamer bezat. Dat wetsontwerp, goedgekeurd door het kabinet-Beel, werd door koningin Wilhelmina veel te omslachtig geacht - het kabinet besloot toen een eenvoudiger regeling te treffen

HET PUBLIKATIEPLAN VAN 1948

en het Rijksinstituut werd in september '47 bij koninklijk besluit' heropgericht; dat besluit bepaalde kortaf: 'Er is een Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, dat tot taak heeft een wetenschappelijk onderzoek in te stellen naar de geschiedenis van Nederland gedurende de Tweede Wereldoorlog'; naast het Directorium kwam er (dat was een denkbeeld van mij geweest) een Commissie van Bijstand, waarin o.m. de georganiseerde oud-illegaliteit en de belangrij kste Kamerfracties vertegenwoordigd waren.

XCEnkele maanden later nu, in januari '48, verzocht de minister, dr. Jos J. Gielen, het Directorium, hem een publikatieplan voor te leggen. Het stuk, door mij in overleg met de wetenschappelijke staf van het instituut in concept opgesteld, werd in mei aan de minister toegezonden" en bevatte omtrent wat binnenskamers 'het Hoofdwerk' was gaan heten, het volgende:

XC'Van de aanvang af heeft het in de bedoeling gelegen van het Directorium, de arbeid van het Rijksinstituut te bekronen met een wetenschappelijk werk, dat op grond van de totale verzamelde kennis een gedetailleerd beeld zou geven van de geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog. Het Directorium hoopt, dat in deze geschiedenis te zijner tijd ook de lotgevallen van de overzeese gebiedsdelen beschreven zullen kunnen worden. Het accent zal echter stellig vallen op de geschiedenis van bezet Nederland in engere zin. Kennisneming van hetgeen tot dusver als samenvattende historie van Nederland in de Tweede Wereldoorlog verschenen is of verschijnt, heeft bij het Directorium slechts de overtuiging versterkt, dat een samenvattend werk, als hier bedoeld, wenselijk is.

XCIn dat samenvattende werk zullen alle aspecten van het onderzoek van het Rijksinstituut, welke niet in andere publikaties tot uiting gebracht worden, hun plaats kunnen vinden. Met de voorbereiding dier uitgave zal veel tijd gemoeid zijn. Men hoede zich voor overhaasting. Zou men te vroeg overgaan tot het op schrift stellen van een relaas, dan zou men de kans lopen, het geschrevene telkens op grond van nieuw materiaal te moeten herschrijven.

XCOver de vraag, of de leiding bij het voorbereiden en schrijven van dit hoofdwerk aan één dan wel meerdere historici toevertrouwd moet worden, hoopt het Directorium Uwe Excellentie binnen afzienbare tijd een nader advies te doen toekomen. Het vertrouwt echter, dat met inachtneming van alle genoemde factoren deze wetenschappelijke geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog in de periode 1955-1960 zal kunnen verschijnen. Aan de voorbe

1 Tekst in 1947, p. 44. 2 Tekst in /948, p. 62 e.v.

VERANTWOORDING

reiding zullen uiteraard de medewerkers van het Rijksinstituut op tal van gebieden onontbeerlijke assistentie kunnen verlenen.'

XCVoorgesteld werd óók om naast dat Hoofdwerk een samenvattende uitgave te doen verschijnen ten behoeve van het voortgezet onderwijs - die 'schooluitgave' diende in een omvang van minder dan 10 vel (160 pagina's) in '50 gereed te zijn, voor het Hoofdwerk werd gedacht aan vijf in de jaren' 56 t.e.m. '60 te publiceren delen, elk van meer dan 20 vel (320 pagina's).

XCDrie maanden na het indienen van het publikatieplan bereikte het instituut de mededeling dat de ministers Gielen en Lieftinck (Financiën) samen besloten hadden, het instituut per I januari' 50 op te heffen. Dat werd voorkomen. Met steun van Drees (nu minister-president) werd bereikt dat het instituut na I januari' 50 buiten de rijksbegroting om zou worden gefmancierd uit overheidsgelden die door de Stichting Nationaal Steunfonds werden beheerd, en dat het voorlopig tot I januari' 59 mocht doorwerken :- een termijn die enkele malen werd verlengd, de eerste keer tot I januari '61, waarna de voor het instituut nodige gelden tenslotte van het begrotingsjaar '65 af weer normaal op de rijksbegroting werden aangevraagd.

XCHet denkbeeld van de 'schooluitgave' verdween uit het zicht maar voor de plannen voor het Hoofdwerk (nu als 'het Geschiedwerk' aangeduid) gold dat niet.

XCToen eenmaal de financiering van het instituut via de Stichting Nationaal Steunfonds was geregeld, vond ik dat het op mijn weg lag, het Directorium mijn visie te geven op de problemen die bij de voorbereiding van dat Geschiedwerk zouden rijzen: ik dicteerde daartoe begin juli '49 een lange nota I waarin ik allereerst de wenselijkheid van dat werk onderstreepte. 'Men kan de vraag opperen', stelde ik in dat verband,

XC'of het niet de voorkeur verdient, het schrijven van het Geschiedwerk over te laten aan een later geslacht: dat zou, zo is wel betoogd, de uitgebreidheid der documentatie en de objectiviteit van oordeel ten goede komen. Ik acht die voordelen gering. Historici plegen, uitgaande van hun eigen levens- of wereldbeschouwing, elkaar over kwesties van eeuwen her even fel te bestrijden als over 'actuele' historische vraagstukken: dat de 'objectiviteit' met het tijdsverloop zou toenemen, is een onbewezen stelling. Voorts geloof ik, dat latere generaties aan de documentatie, die wij in het Geschiedwerk kunnen verwerken, relatief weinig

I Tekst in dr. L. de Jong: (1977), p. II

MIJN NOTA UIT JULI 1949

zullen hebben toe te voegen. Daarentegen kunnen wij onze objectiviteit van oordeel verhogen door persoonlijk contact met de voornaamste figuren uit de periode 1940-1945; dezen kunnen nu nog antwoord geven op gestelde vragen en daardoor in vele gevallen een bijzonder licht werpen op bewaard gebleven documenten. Die verificatie van schriftelijke gegevens zallater niet mogelijk zijn; bovendien zal men zich dan de 'atmosfeer' van de oorlogsen bezettingsjaren alleen nog kunnen indenken - men zal haar niet beleefd en ervaren hebben. En juist die 'atmosfeer' moet in het Geschiedwerk bewaard blijven. Dan alleen ontstaat een werk, dat door de tijdgenoot als waarachtig erkend wordt - aan welke erkenning het een deel van zijn objectieve betekenis voor de toekomst ontlenen zal.'

XC'Neen', zo betoogde ik verder,

XC'het Geschiedwerk is niet een min of meer toevallige afsluiting van de arbeid van ons Instituut; het is er het meest wezenlijke deel van: het hoge doel, waar van meet af aan op toe is gewerkt. Niet alleen de auteur, onze gehele instelling zal zich eerst in dat Geschiedwerk ten volle kunnen ontplooien, zoals zij ook eerst met dat Geschiedwerk een werk kunnen vervaardigen dat ver buiten de wetenschappelijke kringen zijn invloed kan doen gelden.'

XCIk gaf vervolgens een overzicht van de voor dat Geschiedwerk reeds beschikbare documentatie, eindigend met deze conclusie:

XC'Het materiaal, dat de auteur in het Geschiedwerk zal kunnen verwerken, is dus even uitgebreid als veelzijdig. Zal niet hij, en zullen niet met hem zijn assistenten, erin verdrinken? Slechts de praktijk zal het bewijs van het tegendeel kunnen leveren doch ik koester het vertrouwen, dat een verstandige organisatie van het werk de auteur voor de verdrinkingsdood zal behoeden.'

XCMen ziet: ik sprak van 'de auteur'. 'Eén of meer auteurs?' was de vraag die ik vervolgens behandelde. 'Ook hier', aldus mijn antwoord, 'zal de praktijk een voornaam woord meespreken. Wanneer er niemand te vinden zou zijn, die bereid is en in staat geacht wordt om als 'de' auteur van het Geschiedwerk te fungeren, zou uw college noodgedwongen naar een andere oplossing moeten zoeken. Persoonlijk zou ik er het meest voor voelen, wanneer althans in eerste instantie gezocht werd naar één auteur. Deze zou auteur zijn in zoverre, dat hij het gehele manuscript schrijft. Natuurlijk behoeft hij niet persoonlijk alle onderzoekingen te verrichten. Hij is leider van een équipe,

XCZou één auteur het Geschiedwerk schrijven, dan zou dat twee nadelen hebben.

XCHet eerste nadeel is dat hij over sommige onderwerpen met minder persoonlijke deskundigheid zou schrijven dan over andere: de historicus, die een voor

VERANTWOORDING

treffelijk beeld weet te schetsen van de snelle bloei van de Nederlandse Unie, behoeft niet persé in staat te zijn, even duidelijk weer te geven, waarom de Nederlandse landbouwers zich tegen de invoering van de koolzaadteelt verzet hebben. Dit eerste nadeel acht ik naar verhouding gering: er is geen onderwerp uit de oorlogsen bezettingsjaren, waaromtrent de auteur niet spoedig van betrouwbare en deskundige zijde de voorlichting en de gegevens zal kunnen krijgen, die hij dan zelf op zijn eigen wijze in zijn manuscript zal kunnen verwerken.

XCVan wezenlijker belang acht ik het tweede nadeel: dat een werk, door één auteur geschreven, altijd in diens persoon geworteld zal blijven en zijn geest met zijn ruimten (naar ik hoop), doch ook met zijn beperktheden (naar ik vrees) zal weerspiegelen. En toch: wil het Geschiedwerk adequaat zijn aan de geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog zelve, dan moeten NSB'ers en communisten, KP'ers en aangebleven hoge ambtenaren, strijdbare humanisten en van de wereld afgewende christelijke gereformeerden 'zich zelf erin herkennen' en, de betrokken passages lezend, moeten toegeven: 'Ja - zo hebben wij toen gedacht.'

XCDie 'zelf-herkenning' zou men door benoeming van meerdere auteurs wellicht vergemakkelijken. Doch ik acht het nadeel, dat dan een verbrokkeld werk ontstaat, van overwegend belang. Zou men trouwens aannemen, dat één historicus niet in staat zou zijn, van vijf jaar geschiedenis van een volk van negen miljoen zielen een adequaat beeld te geven, dan zou men impliciet het overgrote deel van alle historiografie van onwaarde moeten verklaren. Daar komt bij, dat de auteur in staat zal zijn - in staat moet zijn - om door persoonlijk contact met andersgezinden zoveel mogelijk de nadelen op te heffen, samenhangend met het feit, dat hij, als ieder mens, in een bepaald milieu opgegroeid is en daar zijn psychische en geestelijke vorming ontvangen heeft. Is de auteur zich van zijn eigen onvermijdelijke beperktheden bewust, dan zal hij, naar ik aanneem, gaarne beschrijvingen van personen, groepen, gebeurtenissen of ontwikkelingen, waar hij van zichzelf uit vreemd tegenover stond, ter toetsing voorleggen aan personen of instanties, die door uw college of door hem voor het uitbrengen van een advies competent geacht worden.'

XCDie ene auteur moest zich, meende ik, 'geheel of nagenoeg geheel aan de voorbereiding van het Geschiedwerk wijden.' Hij zou zich moeten beperken 'tot de op het eerste gezicht belangrijkste delen van onze collecties.' 'Van de Duitse en Nederlandse documenten kan hij beginnen met de regesten' (inhoudssamenvattingen die door de afdeling Beschrijving van het instituut werden vervaardigd en waarvan de gestencilde lijsten toen al duizenden pagina's telden),

XC'waar nodig teruggrijpend op de oorspronkelijke stukken; alle delen van de Parlementaire Enquêtecommissie zal hij van a tot z moeten doorwerken, van de

MIJN NOTA UIT JULI 1949

overige in Nederland verschenen werken zal hij slechts sommige geheel, vele andere alleen maar gedeeltelijk begeren te lezen; de volledige jaargangen van de voornaamste illegale bladen (tien tot twintig) zal hij zelf moeten bestuderen; de honderden illegale uitgaven, die alleen nieuws bevatten, behoeft hij niet persoonlijk te excerperen. Ik stel mij voor, dat hij ook een aantal dag- en weekbladen uit de jaren 1940-1945 in hun geheel zal wensen te lezen; in verreweg de meeste zal hij zich echter slechts bij uitzondering behoeven te verdiepen. Zo zal de auteur overal zijn eigen werkzaamheden beperken (moeten beperken: anders komt hij nooit klaar) tot die gedeelten van onze verzamelingen, die hem relatief veel bouwstenen zullen geven voor het monument, door hem op te trekken.

XCWat die bouwstenen betreft, nog dit: het lijkt mij wenselijk, dat aan de auteur verzocht wordt, elke aantekening, elk citaat, elke verwijzing, ja elke gedachte, die hem invalt, te noteren of te laten noteren op een apart standaard-fiche. Hoeveel typewerk dat met zich zal brengen, is niet te voorzien. Het voordeel lijkt mij dat zodoende de gehele schriftelijke voorbereiding van het Geschiedwerk zo los mogelijk gemaakt wordt van de persoon van de auteur, ~ie ook maar een kwetsbaar en sterfelijk mens is.

XCVan essentieel belang acht ik het, dat de auteur in persoonlijk contact treedt met de voornaamste figuren uit de jaren van oorlog en bezetting. Wat the man in the street dacht en voelde, zullen hem de door het instituut verzamelde dagboeken verhalen, doch met vele, zeer vele anderen zullen langdurige en vertrouwelijke gesprekken gevoerd moeten worden. Tot hen zullen bij voorbeeld behoren: vooraanstaande Duitsers, voor zover nog te achterhalen en voor zover zij nog niet benaderd zijn; de ministers uit de Londense kabinetten; Londense hoofdambtenaren; de Nederlandse secretarissen-generaal; Nederlandse hoofdambtenaren; provinciale en gemeentelijke gezagdragers; personen, die tijdens de bezetting op politiek terrein actief waren; voormannen van het verzet in al zijn vormen en schakeringen; vooraanstaande figuren uit de NSB en aanverwante organisaties - enzovoort.'

XCIk meende dat de auteur twee full-time assistenten moest krijgen - daarvoor kwamen A. J. van der Leeuwen B. A. Sijes, beiden lid van de wetenschappelijke staf van het instituut, in aanmerking. 'Verder', zo stelde ik,

XC'zou het naar mijn mening aanbeveling verdienen, wanneer uw college aan de auteur in overweging wilde geven zijn manuscript in geheel of bij gedeelten, alvorens tot zetten overgegaan wordt, aan al diegenen ter vertrouwelijke lezing toe te zenden, die door u of door hem in staat geacht worden, waardevolle open aanmerkingen te maken. In hoeverre hij van die op- en aanmerkingen gebruik wenst te maken in het manuscript, dat hij uiteindelijk aan u voorlegt, staat natuurlijk ter beoordeling van de auteur. Ik zie zulk een werkwijze niet als een hinderlijke beperking van zijn vrijheid, doch als een mogelijkheid tot verbetering

VERANTWOORDING

en verrijking van het Geschiedwerk - en tevens als een waarborg, die de regering redelijkerwijs mag stellen.'

XCHet volgende punt dat ik behandelde, was 'de begrenzing van de stof. Daarbij bepleitte ik dat ook 'Londen', de West, het Nederlands-Indische bewind 'tot aan de capitulatie op java' en 'zijn uitlopers in Engeland, de Verenigde Staten en Australië' beschreven zouden worden, en eveneens 'de lotgevallen van de Nederlandse burgers in de japanse concentratiekampen' (ik vergat de krijgsgevangenen) maar ik vreesde dat de inmiddels opgerichte Indische Afdeling van het instituut niet voldoende gegevens bijeen zou kunnen krijgen om ook 'de japanse bezetting van Indonesië' te doen behandelen. Ik kwam tenslotte tot 'de indeling van het Geschiedwerk'. Ik kritiseerde Romeins opzet: deel I Kroniek, deel 2 Aspecten, deel 3 Geschiedenis. De nadelen daarvan vond ik 'evident':

XC'Ik zie het voornaamste nadeel in de willekeurige scheiding, door hem gemaakt tussen 'feit' en synthese. Ik acht die scheiding ken-theoretisch niet houdbaar. Immers, een feit ontleent zijn belang eerst aan de plaatsing binnen een bepaald systeem. Ook een zogenaamde eenvoudige synchronische feitenlijst veronderstelt impliciet de synthese - die er nog niet zou zijn. Eerder is het mijns inziens zo, dat feiten, 'aspecten' en synthese met betrekking tot de geschiedenis van Nederland in de Tweede Wereldoorlog, in de afgelopen jaren tegelijk en samen gegroeid zijn. Waar nog bij komt, dat vele belangrijke 'feiten' pas veel later aan het daglicht gekomen zijn dan tijdens de bezetting door velen vermoed werd. Zo zal men van het Englandspiel, dat in de periode herfst 1941-herfst 1943 voor de ontwikkeling van het Nederlandse verzet, en dus voor de gehele bezettingsgeschiedenis van Nederland, van fundamentele betekenis geweest is, de voornaamste 'feiten' eerst kunnen opmaken uit het betrokken rapport van de Parlementaire Enquêtecommissie.

XCWat prof. Romein met dee! 2 Aspecten wilde, is en wordt verwezenlijkt in de uitgave Onderdrukking en Verzet: een zeer los samenhangende behandeling van de in systematische onderdelen gesplitste oorlogsen bezettingsgeschiedenis door deskundigen.' Deel I Kroniek zou in zoverre aangehouden kunnen worden, dat aan het Geschiedwerk een chronologische lijst van de voornaamste feiten enJ.J. J.J.

is een uitgave geweest van van Loghum Slaterus en M. Meulenhoff die in de jaren 1948-1955 in tot vier delen gecombineerde afleveringen is verschenen onder redactie van mr. van Bolhuis, prof. dr. C. D. Brandt, H. M. van Randwijk en prof. mr. B. C. Slotemaker. Deze delen bevatten bijdragen van 106 auteurs.

MIJN NOTA UfT JULI I949

gebeurtenissen zou kunnen worden toegevoegd - eventueel een serie chronologische tabellen. Voor het overige meen ik, dat het Geschiedwerk, nu wij zoveel jaren verder zijn, een synthese behoort te wezen van de drie door prof. Romein voorgestelde delen: gewone, normale geschiedschrijving dus - zuiver en ongesplitst.'

XCGeheel in het midden latend hoeveel boeken daarvoor nodig zouden zijn, zag ik de indeling van het werk als volgt: Inleiding:'Het Koninkrijk der Nederlanden aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog'Deel 1: De neutraliteitsperiode

XCDeel 2: De Duitse invasie

XCDeel T Bezet Nederland t.e.m. de Februaristaking van 1941

XCDeel 4: Bezet Nederland t.e.m. de uitroeping van de NSB tot enig toegelaten partij, december 1941 Deel y: Londen t.e.m. de val van Indië, maart 1942 Deel 6: Bezet Nederland t.e.m. de April-Meistakingen van 1943 Deel 7: Bezet Nederland t.e.m. 'Dolle Dinsdag' (5 september I944)

XCDeel 8: Londen tot begin september 1944 Deel 9: De periode september 1944-mei 1945

XCDeel i 0: De Nederlanders in Japanse gevangenschap, Japans ineenstorting en 'de voorbereiding van de terugkeer van het Nederlandse gezag'Deel 11: Suriname en de Nederlandse Antillen

XCEpiloog: 'Terugblik en Overzicht van het Koninkrijk der Nederlanden na afloop van de Tweede Wereldoorlog ... Het Overzicht sluit het gehele werk af door in korte lijnen te verhalen van de terugkeer naar normale verhoudingen in Nederland en van de beginnende politieke moeilijkheden in Indië.' 'Dat', zo eindigde ik, 'het probleem van het voordragen van één of meer auteurs in toenemende mate urgent wordt, spreekt vanzelf.'

XCHet leek mij van belang, hier zo uitgebreid stil te staan bij deze in juli '49 gedicteerde nota: men vindt er een groot deel van de grondgedachten in terug die ik bij het opzetten van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tu/eede Wereldoorlog in het oog hield. Welte verstaan: het stuk dicterend

VERANTWOORDING

(en spoedig volledig vergetend I), hield ik het voor uitgesloten dat ik zelf die ene auteur zou worden. Ik gaf leiding aan een staf van een kleine honderd medewerkers, kon mij onmogelijk op zulk een werk concentreren en kwam er, meende ik, ook niet voor in aanmerking: ik was nog niet eens gepromoveerd. Ik had wèl het gevoel dat ik, als de omstandigheden zich ooit zouden wijzigen, het werk zou aankunnen.

XCNiet zo heel veellater, namelijk in april' 5 I, werd het Geschiedwerk op voorstel van het Directorium (daarin was de plaats van Posthumus ingenomen door prof. dr. jhr. P. J. van Winter, en die van Sneller door prof. dr. T. P. van der Kooy) met instemming van de Commissie van Bijstand door de minister aan vier ervaren historici toevertrouwd: de drie hoogleraren dr. 1. J. Brugmans (liberaal), dr. C. D. J. Brandt (socialist), dI. L. J. Rogier (katholiek) en de gepensioneerde leraar dr. J. c. H. de Pater (protestant) - een 'verzuilde' opzet. En een ietwat hachelijke omdat, terwijl dr. de Pater voldoende tijd kon vrijmaken, de drie anderen door hun hoogleraarsfunctie al zwaar belast waren.

XCDe wetenschappelijke staf en ik boden hun alle mogelijke hulp - te hunnen behoeve werden ca. 60 'Notities voor het Geschiedwerk' geschreven" en onderwerp-schema's opgesteld (al die stukken werden uitgebreid met hen besproken) maar er kwam geen schot in het werk. In november' 53 promoveerde ik op het proefschrift De Duitse Vifde Colonne in de Tweede Wereldoorlog en in de loop van' 54 kwamen de vier auteurs tot het inzicht dat zij beter om ontheffing van hun opdracht konden vragen - zij waren het die aan het Directorium het denkbeeld voorlegden dat hun taak door mij zou worden overgenomen en dat zij zelf verder als adviseurs bij het project betrokken zouden blijven, in welk kader zij, als zij er tijd voor hadden, ook eigen deelstudies konden gaan schrijven.'

XCHet Directorium nam de denkbeelden van de vier oorspronkelijke auteurs over, zag ze goedgekeurd door de Commissie van Bijstand en legde ze op 15 februari' 5 5 aan de minister van Onderwij s, Kunsten en Wetenschappen voor; deze, mr. J. M. L. Th. Cals, ging er met een schrijJ.J.

I Toen mijn secretaresse, mevr. A. E. Heuwekemeijer-de Lange, het mij in '72 op nieuw toonde, had ik er geen enkele herinnering aan bewaard. 2 Te mijnen behoeve later ca. roo, uit welke serie de studies van A. van der Leeuw vaak van veel betekenis waren. 3 De enige die dat gedaan heeft, was dr. de Pater zijn belangrijkste werkstuk werd de in '69 verschenen monografie Daarnaast heeft Brugmans zich speciaal verdienstelijk gemaakt bij bet onder zijn leiding door dr. H. de Graaf, mevr. A. H. ]oustra en kapitein-ter-zee b. d. A. G. Vromans samenstellen van het in '60 verschenen werk

DE OPDRACHT VAN 20 APRIL 1955

ven d.d. 20 april '55 akkoord mee. 'Met name keur ik goed', schreef hij o.a.,

XC'dat de heer dr. L. de Jong zal worden belast met de samenstellling van [het] Geschiedwerk, onder toezicht en redactionele verantwoordelijkheid van uw college. Ik stel het zeer op prijs dat de heer de Jong zich bereid heeft verklaard, deze zeer omvangrijke en moeilijke taak op zich te nemen. Aan mijn goedkeuring is uiteraard de voorwaarde verbonden dat dit Geschiedwerk uiterlijk op I januari 1961 zal zijn voltooid.'

XCWat betekende die bij.het Directorium gelegde 'redactionele verantwoordelijkheid'? Ik maakte er mij geen zorgen over. Evenmin maakte ik mij zorgen over de datum I januari 1961; wij hadden de opheffingsdatum van het instituut, I januari' 50, al opgeschoven weten te krijgen, eerst naar I januari '59 en vervolgens naar I januari '61 waarom zou dat de laatste opschuiving zijn? Ik was er van overtuigd dat uit de spoedig te verschijnen nieuwe publikaties van het instituut (de voorafgaande waren uitstekend ontvangen) en uit de diensten die wij aan overheid en samenleving bewezen, zou voortvloeien dat van opheffing per I januari '61 geen sprake zou zijn. Wanneer zou ik klaar zijn? Misschien, zo hoopte ik, omstreeks '65 viel alles tegen, dan zou het wellicht '70 worden.

Mijn kwartaalverslagen

XC

XCHet feit dat de minister voor mijn werk een eindtermijn had bepaald, was voor mij een extra stimulans om over de voortgang met regelmaat en uitgebreidheid te rapporteren in de vorm van kwartaalverslagen die voorgelegd zouden worden aan het Directorium (van I januari '60 af heette dit 'Bestuur" en ruilde ik mijn titel van Chef voor die van Directeur), aan de Commissie van Bijstand, aan de wetenschappelijke staf van het instituut, aan de minister en aan enkele buitenstaanders van wie ik wist dat zij er belangstelling voor zouden hebben. Ware die eindtermijn niet gesteld, dan zou ik, neem ik aan, toch tot het dicteren van kwartaalverslagen zijn overgegaan, maar ik was mij ervan bewust dat ik, zo ik voor mijn eigen werk meer tijd nodig zou hebben, de kansen op

'Over de samenstelling van het Bestuur in latere jaren vindt men de nodige gegevens in de paragraaf 'De kritische lezing der concept-manuscripten'.

VERANTWOORDING

de verlening daarvan belangrijk zou vergroten als ik met mijn kwartaalverslagen zou aantonen dat ik mij inderdaad in een maximaal tempo aan mijn opdracht gaf en dat ik vorderingen maakte; ook nam ik aan dat uit die verslagen zou blijken hoe uitgebreid de materie was waarin ik mij moest verdiepen. Ik vertrouwde erop dat zij zouden bevorderen dat de verantwoordelijke bewindsman en zijn hoofdambtenaren begrip zouden krijgen voor de problematiek waarmee ik werd geconfronteerd, en dat zich uit dat begrip een reëel medeleven zou ontwikkelen - 'medeleven' niet in de zin van 'medelijden' maar van 'gelijk-op denken'.

XCDe verslagen hadden niet betrekking op wat ik in mijn functie van Chef (later Directeur) deed - het waren verslagen van de 'auteur Geschiedwerk'. Zij gaven nauwkeurig weer wat ik per kwartaal had gedaan: welke stukken en publikaties ik had gelezen en met wie ik had gesproken (en waarover). Die stukken en publikaties werden niet alleen alle vermeld maar ook becommentarieerd: ik gaf aan in welk opzicht ze voor mij van betekenis waren, veelalook wat ik op de inhoud tegen had. Het werden, met name in de eerste jaren waarin ik mij vooral in de Verslagen van de Parlementaire Enquêtecommissie 'Regeringsbeleid 1940-1945' verdiepte (maar heel vaak ook later), stukken van tientallen pagina's. Ik begon derhalve mijn verslag van het derde kwartaal' 56 (het telde 39 pagina's) met de volgende passage:

XC'De uitgebreidheid van dit verslag doet het mij wenselijk voorkomen, er, wellicht ten overvloede, opnieuw op te "vijzen dat de verslagen die ik elk kwartaal pleeg uit te brengen, verschillende functies vervullen. Zij dienen ertoe, de instanties die daarop recht hebben, inzicht te geven in de ontwikkeling van een project dat zich nog over vele jaren zal uitstrekken. Daarnaast zijn zij voor mij persoonlijk van betekenis omdat ik hier in een gemakkelijk te raadplegen vorm allerlei details vastleg die, wellicht eerst na geruime tijd, wederom voor mij van belang kunnen zijn. Wat dit verslag aangaat, leek het mij in het bijzonder wenselijk dat, zoals ook in vorige verslagen geschied is, alle punten vastgelegd zouden worden, hoe gering ook, waar mijn voorlopig oordeel van dat van een zo gezaghebbend lichaam als de Enquêtecommissie van de Tweede Kamer verschilt of waar ik op de werkwijze van de commissie aanmerkingen heb. Het zal vermoedelijk niet mogelijk zijn dat dat alles t.z.t. in het Geschiedwerk in den brede opgenomen wordt; het lijkt mij goed dat mijn kritische visie dan toch in detail vastligt.

XCHet is voorts een functie dezer verslagen, op concrete punten lezers tot het verstrekken van aanvullende gegevens ofhet uiten van tegenspraak te stimuleren; ook dat doel is slechts te bereiken wanneer men zich niet tot vage algemeenheden beperkt doch in bijzonderheden afdaalt.

XCTenslotte koester ik de hoop dat mijn verslagen juist door hun gedetailleerd

KWARTAALVERSLAGEN

heid opmerkingen kunnen bevatten die voor de arbeid van andere medewerkers van het instituut of van instellingen als de Krijgsgeschiedkundige Afdeling van de Generale Staf en het Bureau Maritieme Historie van de Marinestaf van belang zijn.'!

XCDe kwartaalverslagen werden door mij steeds èn met het bestuur èn met de wetenschappelijke staf van het instituut besproken - bestuurs- en stafleden konden dus op de inhoud reageren, bijvoorbeeld voorstellen dat ik mijn onderzoek in bepaalde richtingen zou uitbreiden of beperken; ook kon kritiek worden geleverd op voorlopige beoordelingen die ik in de verslagen had opgenomen en (in een later stadium) op in de verslagen weergegeven denkbeelden inzake de structuur van het gehele te schrijven werk of van bepaalde delen daarvan.

XCHet spreekt vanzelf dat alle kwartaalverslagen bewaard zijn gebleven"; zij tellen vanaf het eerste (het verslag over het tweede kwartaal 'SS) tot en met het verslag over het eerste kwartaal '88 3, 1789 pagina's en bieden, meen ik, als geheel een gedetailleerd overzicht van de voortgang van het mij toevertrouwde project.

MU'n u/erkioijze / De 'fiches'

XC

XCBij elke historische studie doet zich het probleem voor hoe men de gegevens vastlegt die men voor het schrijven van de tekst (in mijn geval: de concept-tekst) nodig heeft. Ik vermeldde al dat ik het in mijn in juli '49 gedicteerde nota wenselijk noemde dat voor dat vastleggen gebruik zou worden gemaakt van 'standaard-fiches' - de 'fiches' die ik zelf ging gebruiken, waren papieren velletjes van ca. 10 bij ca. IS cm die aan twee kanten beschreven of betypt konden worden en waarvan bij langere citaten twee of meer aan elkaar geniet konden worden. Beschreven werden zij slechts wanneer ik zelf iets aantekende - bijna alle zijn betypt, soms door mij maar in veruit de meeste gevallen door typistes van het instituut, van welke er steeds één maar vaak ook wel twee louter voor

! Kwartaalverslag 1956 III, p. 1-2. 2 Het eerste dat ik uitbracht, is opgenomen in de bundel 3 Dat was het kwartaal waarin ik de uiteindelijke tekst van deel vaststelde.

VERANTWOORDING

mij aan het werk waren. Ik legde zelf alle gegevens vast die ik in vele honderden gesprekken verwierf, maar ook wel voorlopige conclusies of bepaalde invallen. De typistes van het instituut typten de passages over van welke ik op de documenten of in de publikaties die ik las, met haakjes had aangegeven dat zij overgetypt moesten worden. Onderaan elk 'fiche' kwam de bron te staan en elk 'fiche' kreeg voorts bovenaan een korte aanduiding van de inhoud, een 'titel' - dat zou het indelen vergemakkelijken. Voorzover uit documenten of publikaties overgetypt moest worden, werd gecontroleerd of inderdaad alle passages welke ik had aangegeven, op de 'fiches' stonden en of de bronaanduidingen klopten. Alle 'fiches' werden in de laden van een brandkast opgeborgen en toen na enkele jaren de eerste brandkast vol was, kwam er een tweede.

XCIk schat dat in totaal aan de verschillende delen van mijn werk ca. 120 000 'fiches' ten grondslag hebben gelegen.

XCZij werden aanvankelijk per bron bijeengehouden.

XCToen ik deel I,Voorspel, moest gaan schrijven, haalde ik uit die grote (en zich steeds uitbreidende) verzameling de 'fiches' die ik voor dat deel nodig had: vele duizenden. Die werden aan de hand van de 'titels' in hoofdstukken ingedeeld en de hoofdstukken in deelonderwerpen - dat konden er per deel enkele honderden worden. Was ik van oordeel dat een zinvolle volgorde tot stand was gekomen, dan begon ik te schrijven.

XCZo ging het bij elk deel.

XCIk was mij ervan bewust dat dit systeem een evident nadeel had: ik maakte elk gegeven (elk 'fiche') los van de samenhang waarin ik het had aangetroffen. Zeker, ik kon, als ik dat wenste, bij het schrijven het betrokken document of de betrokken publikatie opnieuwaan mij laten voorleggen teneinde mij van die samenhang te vergewissen maar de bedoeling was juist dat ik dat niet zou doen.

XCMen kan bij het voorbereiden van een historische studie drie methoden volgen: alles onthouden wat men nodig heeft (hetgeen in mijn geval evident onmogelijk was), 'fiches' maken of laten maken (zoals ik deed) waarop al die gegevens zijn vastgelegd, of per onderwerp verwijzingsaantekeningen maken. Als student had ik voor mijn kandidaats-scripties die derde methode gevolgd maar daarbij had ik bemerkt dat veel hinder ontstond en tijd verloren ging doordat ik talrijke bronnen waarnaar veelvuldig werd verwezen, telkens opnieuw ter hand moest nemen - door toen voor mijn doctoraal-scripties alle gegevens die ik wellicht nodig zou hebben, op aparte 'fiches' vast te leggen, maakte ik mij bij het schrijven als het ware los van mijn bronnenmateriaal. Die methode was mij ook bij het typen van de vier delen van Je Maintiendrai goed bevallen.

MIJN 'FICHE' -SYSTEEM

De nadelen van de derde methode bleken ten institute overduidelijk in de jaren waarin Presser zijn werk Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom schreef - hij had per onderwerp een blocnootpagina gevuld met verwijzingen naar de passages in documenten en publikaties waar hij iets over dat onderwerp had gevonden. Was hij aan dat onderwerp toe, dan moesten uit de collecties van het instituut alle des betreffende documenten en pu blikaties naar hem toe gebracht worden. Was hij met dat onderwerp klaar, dan werden die documenten en publikaties weer opgeborgen (andere onderzoekers hadden ze ook nodig). Voor het volgende onderwerp had hij dan weer andere maar vaak ook dezelfde documenten en publikaties nodig - er zijn er geweest die in de jaren waarin hij schreef, tientallen malen naar hem toe gebracht en even vaak weer opgeborgen moesten worden. Dit gebeuren versterkte mijn overtuiging dat ik voor mijn eigen opdracht het beste het 'fiche'<systeem kon volgen.

XC'Het voordeel van dit systeem is', schreef ik in mijn verslag over het tweede kwartaal van' 57 (ik was toen ruim twee jaar met mijn onderzoek bezig),

XC'dat men bij het schrijven van het manuscript de oorspronkelijke collecties niet meer nodig heeft. Werkt men niet met deze fiches, dan moet men voor iedere alinea uit dozij nen collecties een vracht stukken aanslepen; voor de volgende alinea heeft men dan weer andere stukken nodig. Door dit alles zou de compositorische arbeid voortdurend geremd worden.

XCEen belangrijk psychologisch gevolg van de door mij gekozen werkwijze is, dat ik mijn geheugen thans niet met details behoef te bezwaren. Ik weet dat datgene wat ik misschien over vijf of zes jaar, of nog later, opnieuwonder ogen moet krijgen, nu al vastgelegd is. Wat ik wèl poog vast te houden, zijn algemene indrukken, uit het contact met de materie voortvloeiend. De moeite, ook bijzonderheden bewust in het geheugen te fixeren, neem ik mij niet; zou ik dat wel doen, dan zou mijn geest na korte tijd bezwijken. De verantwoordelijkheid voor het te schrijven werk drukt op zichzelf al zwaar genoeg. In technische zin brengt het fiche-systeem een belangrijke, ja onmisbare verlichting van zorg."

XCEr rijst een vraag: hoe weet men wat men wèl c.q. niet op 'fiches' moet laten vastleggen (of waarnaar men wèl of niet moet verwijzen)? Men laat datgene vastleggen waarvan men denkt: dat kan ik nodig hebben. Die

, Kwartaalverslag 1957 II, p. 5-6.

Indextermen: 'Fiches', Presser, J.
VERANTWOORDING

beslissing vloeit voort uit het geheel van de vragen waarmee men aan het onderzoek begint, uit het primaire 'beeld'. Dat 'beeld' was bij mij in '55 als gevolg van het schrijven van de vier delen Je Maintiendrai, van alles wat ik tussen '45 en '55 had gelezen en van wat ten institute aan discussies was gevoerd, o.m. met de vier 'eerste' auteurs, al rijkelijk gedifferentieerd maar mocht natuurlijk niet als een vaststaande grootheid worden beschouwd. Integendeel: het groeide, een boom gelijk, naar alle kanten uit en werd steeds gedifferentieerder. Anders gezegd: het aantal vragen die bij het onderzoek een rol speelden, nam toe. Maar had ik dan niet in een vroege fase van het onderzoek allerlei gegevens over het hoofd gezien omdat ik toen nog slechts van het primaire 'beeld' uitging? Zonder twijfel. Het is dan ook wenselijk dat men al zijn bronnenmateriaal minstens twee keer leest - bij de tweede en eventueel volgende lezing treft men, zij het in afnemende mate, gegevens aan waar men in eerste instantie overheen heeft gelezen.

XCDoordat ik mij in een overstelpende hoeveelheid bronnen moest verdiepen (ik zal daar nog opgave van doen) en mijn tijd beperkt was, heb ik veruit de meeste van mijn bronnen maar één keer kunnen lezen - ik heb dat met geconcentreerde aandacht gedaan, zodat veel dat ik niet op 'fiches' vastlegde of liet vastleggen, toch in mijn geheugen bleef hangen, maar ik twijfel er niet aan of er zijn in de documenten en publikaties welke ik doorwerkte, gegevens blijven zitten waar ik overheen gelezen heb. Dat zag ik als onvermijdelijk.

XCEen voorbeeld.

XCOp normaal boekformaat omgerekend tellen de negentien delen Ver slagen van de Parlementaire Enquêtecommissie 'Regeringsbeleid 19401945' ca. 30000 pagina's. Het aandachtig en kritisch doorlezen van die Verslagen heeft mij meer dan anderhalf jaar gekost - had ik daar voor een tweede lezing nog eens meer dan anderhalf jaar aan moeten toevoegen? Had ik, algemeen gesteld, alle duizenden publikaties en honderdduizenden documenten die ik onder geen beding mocht overslaan, tweemaal, misschien driemaal moeten lezen? Uit wetenschappelijk oogpunt was dat zonder enige twijfel wenselijk maar het zou de totale voorbereidingstijd voordat ik de verschillende delen ging schrijven, met ca. vijftien jaar hebben verlengd. Dat vond ik onaanvaardbaar. 'Le mieux est l'ennemi du bien' Posthumus hield ons als studenten dat gezegde van Voltaire menigmaal voor. Ik heb er vaak aan gedacht.

XCGelijk gezegd, vormden mijn 'fiches' daarbij het uitgangspunt. Ik had in mijn uit juli '49 daterende nota al aangegeven hoe de totale materie kon worden ingedeeld - daar kwamen enkele wijzigingen in. In de geschiedenis van bezet Nederland tussen de Februaristaking van '41 en de April-Meistakingen van '43 kwam de caesuur niet te liggen in december '41 maar injuli '42, bij het begin van de ]odendeportaties; verder schreef ik in plaats van twee 'delen' over Londen in de periode mei 'zo-begin september '44 er één dat iets eerder, nl. in juni '44, eindigde; het 'deel' over Suriname en de Nederlandse Antillen werd voorts niet meer dan een paragraaf in het deelover Londen; en tenslotte bleek een apart deel onontbeerlijk om de lotgevallen van de door de Duitsers gevangengenomen en gedeporteerde Nederlandse ingezetenen weer te geven.

XCHad ik de op een bepaald deel betrekking hebbende 'fiches' bijeen, dan begon het proces van hun indeling dat tot enkele weken kon uitlopen. Dat indelen trof mij telkens als misschien wel het meest wezenlijke onderdeel van mijn taak: het kwam er telkens weer op aan, binnen het geheel van elk deel een volgorde der hoofdstukken en binnen elk hoofdstuk een volgorde der onderdelen te vinden welke niet alleen logisch was maar ook een zekere immanente spanning kende. Ik moest daar vaak geruime tijd over nadenken - soms, als ik ging slapen zonder een oplossing gevonden te hebben, wàs die oplossing er opeens als ik wakker werd.

XCElk deel beschouwde ik, daargelaten of het in één of twee boeken zou versehij nen " als één geheel: ik schreef de eerste bladzij pas als ik wist wat er op de laatste behandeld zou worden.

XCAlle rnanuscripten schreef ik op ongelinieerde blocnootpagina's: dan was er ruimte voor het aanbrengen van correcties. Merkwaardig was het, telkens weer te ervaren dat pas als alle 'fiches' over een bepaald onderwerp bij elkaar kwamen ('üches' die voortvloeiden uit verschillende bronnen die veelal met tussenpozen van jaren, los van elkaar, gelezen waren), opeens bleek hoe bepaalde zaken in elkaar hadden gezeten - het was of een landschap dat weggezonken was, boven water kwam. Vaak deden

I Dit was ten dele een technische kwestie: de boeken van de Z.g. populaire editie konden met het oog op het binden niet langer worden dan ca. 700 pagina's tekst. Ik vond dat bovendien een maximum, wilde bereikt worden dat men het boek bij het lezen gemakkelijk in de hand kon houden.

VERANTWOORDING

zich nieuwe problemen voor die voortgezette studie vergden; vaak ook bleef ik met vragen zitten die niet meer beantwoord konden worden. Ik had bijvoorbeeld over de Londense periode langdurige en diepgaande gesprekken gevoerd met koningin Wilhelmina en minister-president Gerbrandyen hun toen alle vragen gesteld die ik van mijn toenmalige kennis uit kón stellen, maar toen ik in '78-'79 deel 9 (Londen) schreef, kwamen er talrijke nieuwe vragen in mij op die ik helaas aan geen van hen beiden meer kon voorleggen: Gerbrandy was in '61, Wilhelmina in '62 overleden.

XCIk wist dat wat ik schreef, ook in andere opzichten onvolmaakt zou blijven: van het totale beschikbare documenten-materiaal had ik maar een betrekkelijk klein, zij het zorgvuldig geselecteerd gedeelte gelezen, van het totale aantal beschikbare 'getuigen' had ik slechts met een kleine minderheid gesproken en de duizenden studies van anderen, die ik als bron gebruikte, had ik meestal niet kunnen verifiëren.

XCAl die onvolkomenheden nam ik voor lief, mij troostend met de gedachte dat mijn concept-manuscripten in elk geval nog door enkele tientallen deskundigen zouden worden gelezen voor zij in druk zouden verschijnen.

XCEen historicus dient te streven naar zorgvuldigheid maar alle perfeetionisme is uit den boze: wie zichzelf de eis stelt dat hij geen boek schrijft voor en aleer hij alle bronnenmateriaal gelezen en herlezen, met alle nog levende getuigen gesproken en alle door hem gebruikte studies van derden volledig geverifieerd heeft, zal nooit de pen op papier zetten.

Voortgang van het project

XC

XCHet lijkt mij nuttig dat ik nu de voortgang van het project beknopt weergeef.

XCDe periode van het tweede kwartaal' 55 tot en met het eerste kwartaal ,57 wijdde ik aan de al vermelde bestudering van de Verslagen van de Parlementaire Enquêtecommissie 'Regeringsbeleid 1940-1945' en van een groot aantal daarmee samenhangende andere publikaties alsmede aan het voeren van talrijke gesprekken met vooraanstaanden wier beleid door de Enquêtecommissie was onderzocht.

XCIn het tweede, derde en vierde kwartaal van' 57 bestudeerde ik het z.g. Londense archief van het Kabinet der Koningin en maakte ik een begin met het doorwerken van alle in de bibliotheek van het instituut aanwe

VAN DEEL I TOT DEEL 12

zige werken over de geschiedenis van Nederland in engere zin In de oorlogsen bezettingsjaren.

XCDat doorwerken werd in de jaren' 58 en '59 voortgezet, gecombineerd met de bestudering van de kabinetsnotulen uit de jaren '40-'45, van diverse archiefstukken van het Militair Gezag, van de notulen en circulariestukken van het College van Secretarissen-Generaal en van een aantal van Gerbrandy verworven dossiers.

XCIn '60, het jaar waarin ik van de tot '65 doorlopende televisieserie De Bezetting drie programma's samenstelde en presenteerde (op die serie kom ik nog terug), begon ik aan de bestudering van de collecties van het instituut - die zette ik in de jaren '61 t.e.m. '66 voort, gecombineerd met het lezen van talrijke boeken; van het tweede kwartaal van '66 af concentreerde ik mij op die collecties en boeken welke ik voor het schrijven van de eerste drie delen van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog nodig had.

XCIk begon deel I, Voorspel, te schrijven in februari '67 - het concept was in maart '68 af.

XCDeel z, Neutraal, begon ik te schrijven in mei '68 - het kwam in oktober van dat jaar gereed.

XCHet schrijven van deel 3, Mei '40, sloot hier onmiddellijk bij aan - het concept was af in september '69.

XCEr volgde een periode waarin ik ter aanvulling van mijn kennis collecties en boeken bestudeerde welke ik voor de eerste vier over bezet Nederland handelende delen nodig had. Vervolgens werd deel 4 (Mei 's o-maart '41) in concept geschreven in de periode augustus '7I-maart '72, deels (Maart '41-juli '42) in de periode december '72-november '73, deel 6 (juli 's z=mei '43) in de periode december '73-augustus '74, deel 7 (Mei '43-juni '44) in de periode november '74-februari '76.

XCVoor de delen 8 (Gevangenen en gedeporteerden) en 9 (Londen) moest ik mij weer eerst in allerlei collecties en litteratuur verdiepen. Deel 8 schreef ik in concept in de periode juli '76-augustus '77, deel 9 in de periode februari '78-februari '79.

XCOpnieuw volgde een onderbreking voor aanvullende studie over de materie die in de delen 10 a en IQ b (Het laatste jaar I en II) beschreven moest worden. Met het concept van deel 10 a begon ik in juni '79 - het was af in mei '80, met het concept van deel 10 b in juli '80 en dat was af in januari '82.

XCVervolgens was een periode van onderbreking nodig om de drie over Nederlands-Indië handelende delen in nadere voorbereiding te nemen. Het concept voor deel I I a (Nederlands-Indië I) werd nadien geschreven

VERANTWOORDING

in de periode november '82-februari '84, dat voor deel II b (Nederlands IndiëIl'i in de periode augustus '84-juli '8S, dat voor deel II c (Nederlands Indië III) in de periode september 'By-april '86.

XCEen laatste periode van onderbreking diende er toe om mij nader te verdiepen in de materie die ik in deel 12 (Epiloog) aan de orde wilde stellen. Ik begon het concept voor dat deel in november '86 te schrijven en kwam daarmee klaar in september '87.

XCOp de vele werkzaamheden die ik nog voor elk deel verrichten moest tussen het gereedkomen van de concept-tekst en de verschijning van het betreffende deel, wil ik hier niet in bijzonderheden ingaan (die volgen nog wat betreft de kritische lezing der concepten en de bewerking der ontvangen kritische opmerkingen), behoudens dat ik wil vermelden dat ik alle drukproeven driemaal las, voor de serie als geheel 208 kaarten ontwierp en, na een voorselectie door medewerkers van het instituut, 1740 illustraties uitkoos.

XCVan wezenlijk belang bij dit alles was dat ik mij in de jaren waarin ik de arbeid aan Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog moest combineren met de dagelijkse leiding van het instituut (ik ging per I mei '79 als directeur met pensioen), toch in de vereiste mate op mijn werk als auteur kon concentreren - de stafleden van het instituut waren er aan gewend, in grote zelfstandigheid te werken. Zeer kwam mij te stade dat drs. A. H. Paape (hij werd mijn opvolger als directeur), adjunct-directeur van I juli '71 af, mij in die functie tal van werkzaamheden uit handen nam.

XCIk laat hier verder mijn activiteiten als directeur en de andere taken die ik ter hand nam, terzijde': zij zijn in deze Verantwoording niet relevant. Relevant is wèl de al genoemde televisieserie De Bezetting.

De televisieserie 'De Bezetting'

XC

XCEind Jyç werd mij namens de Nederlandse Televisie Stichting, de NTS,

I Terzake wil ik alleen het rechtstreeks uit de voorbereiding van het Geschiedwerk voortvloeiend onderzoek vermelden dat ik in mei en juni '72 instelde naar de vraag of Himmlers therapeut Felix Kersten inderdaad, zoals hij had beweerd, begin '41 het Nederlandse volk had bewaard voor deportatie naar Oost-Europa. Mijn conclusie was dat hij dat verhaal goeddeels had gefantaseerd en dat zijn z.g. uit de oorlogsjaren daterende bewijsstukken alle na de oorlog door hem waren gefabriceerd.

DE FUNCTIE VAN 'DE BEZETTING'

gevraagd of ik bereid was, een televisieserie samen te stellen en te presenteren over de geschiedenis van het koninkrijk in de Tweede Wereldoorlog. Ik was toen vier-en-een-half jaar met mijn onderzoek bezig en zag niet in hoe ik de voortzetting daarvan met een groot televisieproject kon combineren; daarbij was van belang dat op dat moment het bestaan van het instituut slechts tot I januari '65 gewaarborgd was. Er werd op mijn voorstel een andere samensteller/presentator aangetrokken maar twee maanden voordat in mei '60 het eerste (al aangekondigde!) programma moest worden uitgezonden, bleek dat deze de taak niet aan kon. Ik verklaarde mij toen bereid, voor dat eerste programma zorg te dragen. Dat bleek mij weinig tijd te kosten en de wijze waarop dit programma werd ontvangen, maakte het mij vrijwelonmogelijk mij aan de samenstelling en presentatie van de overige te onttrekken. Het bestuur van het instituut deelde die opinie; daarbij werd overwogen dat het bij uitstek op de weg van de instelling lag om er toe bij te dragen dat via het relatief jonge medium van de televisie een verantwoord beeld van Nederlands oorlogsgeschiedenis zou worden gegeven. De teksten die ik voor alle programma's schreef (het werden er in totaal z r), waren concepten - zij werden met het bestuur en de wetenschappelijke staf van het instituut grondig besproken.

XCWat ik niet had voorzien was hoeveel baat de voorbereiding van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog aan de televisieserie De Bezetting zou ontlenen. Er bestond in '60 het reële gevaar dat ik zou verdrinken in de alleen al door het instituut opgebouwde collecties - de serie De Bezetting bracht structuur in mijn onderzoek. Ik werd gedwongen mij te beperken teneinde de vier programma's die jaarlijks van mij verwacht werden (zij werden geproduceerd door Milo Anstadt en Ben Klokman en door Anstadt geregisseerd), op tijd gereed te hebben, en toen de serie voltooid was, had ik mijn algemene kennis van alle aspecten van Nederlands oorlogsgeschiedenis dusdanig uitgebreid dat nadien voor de verschillende delen van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog slechts aanvullend onderzoek nodig was, zij het dat dat onderzoek, over de verschillende delen of groepen van delen verdeeld, toch nog, zoals bleek, in totaalomstreeks zes jaar in beslag nam.

XCDe directe voorbereiding van elk programma (d.w.z. het schrijven, bespreken en herschrijven van het scenario, de correspondentie, het voeren van voorafgaande besprekingen met enkele belangrijke 'getuigen', het doornemen van het door Anstadt en Klokman bijeengebrachte historische filmmateriaal en het repeteren van de uitzending) kostte mij telkens ca. twee weken. Dit was een nadeel. Maar, zo schreef ik in mijn

VERANTWOORDING

verslag over het tweede kwartaal '60,

XC'hier staan factoren tegenover die, lijkt mij, niet van belang ontbloot zijn.

XCOm te beginnen acht ik het van hoge waarde dat het instituut door middel van deze serie bevordert dat men in vele honderdduizenden huisgezinnen een verantwoord beeld krijgt van de geschiedenis van het koninkrijk in de Tweede Wereldoorlog. Dit zal, naar men mag hopen, in het algemeen tot sterker belangstelling voor het oorlogsgebeuren leiden; ook moet men niet onderschatten dat niets de nabestaanden van de vele tienduizenden die in de strijd omgekomen zijn, dieper grieft dan dat ons volk soms de indruk wekt, achteloos aan de gebrachte offers voorbij te leven. Ik heb de wetenschap der geschiedenis nooit als een maatschappelijke luxe gezien; een volk kan kracht ontlenen aan bezinning op het verleden; daar steken lessen in die men niet straffeloos veronachtzaamt. Bovendien draagt wetenschappelijk historisch onderzoek er toe bij dat een gezui verd beeld van het verleden tot het volksbewustzijn doordringt. Op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd begrip zal vaak bevorderen dat de relativiteit van oude tegenstellingen helderder beseft wordt. Prof. van der Kooy heeft in dit verband van het sociatrisch effect van de geschiedschrijving gesproken. Welnu: het is in het algemeen zo dat de historicus die sociatrische functie via zijn publikaties, wanneer zij eenmaal in de les- en leerboeken overgenomen zijn, ten aanzien van een volgende generatie uitoefent; met de serie De Bezetting evenweloefent het instituut deze functie ten aanzien van het nu levende geslacht uit - en veel effectiever en dieper dan met uitsluitend wetenschappelijke geschriften mogelijk is. De televisie is zich ook in ons land meer en meer tot een volwaardig medium voor massacommunicatie aan het ontwikkelen. Het instituut zal door middel van de serie televisieprogramma's, zij het in niet-wetenschappelijke vorm, toch een op wetenschappelijke bezinning gebaseerd historisch beeld aan de massa van het Nederlandse volk overdragen. Het instituut heeft deze functie niet gezocht; nu de zaken zo gelopen zijn dat zij aan de instelling toegevallen is, mag zij, naar het mij voorkomt, de nieuwe taak zien als een van de belangrijkste die zij in de jaren tot 1965 te verrichten krijgt.

XCMaar hiermede is niet alles gezegd. Ik zie ook belangrijke directe voordelen ten aanzien van mijn eigen hoofdtaak: de voorbereiding van het samenvattend Geschiedwerk. Van aanzienlijke betekenis is het proces van bezinning dat aan de samenstelling van ieder programma voorafgaat. Elk programma dwingt mij, mij tezamen met de daarvoor in aanmerking komende leden van de wetenschappelijke staf rekenschap te geven van de vraag, wat nu eigenlijk de belangrijke aspecten zijn in het thema dat voor de televisie behandeld moet worden. Er worden m.a.w. nu reeds in en door deze programma's hoofdlijnen getrokken die tezamen een deel van de structuur van het latere Geschiedwerk zullen vormen. Bovendien ontwikkelt zich de voorbereiding van de programma's tot een belangrijk samenbindend element tussen de staf en mij persoonlijk.

XCVoorts mag opgemerkt worden dat uit de voorbereiding dier programma's contacten voortvloeien die tot het verwerven van belangrijke nieuwe gegevens,

DE FUNCTIE VAN 'DE BEZETTING'

soms ook van nieuw documentair materiaalleiden. Men mag tenslotte aannemen dat de reeks uitzendingen de plaats van het instituut in den lande zal versterken, de belangstelling voor al onze publikaties ten goede zal komen en met name nu reeds interesse zal gaan wekken voor een samenvattend werk waarin alles wat in de televisieprogramma's toch maar beknopt en schetsmatig aangeduid kan worden, veel breder uitgewerkt zal worden met alle rijkdom van historische schakeringen."

XCMen ziet: hier noemde ik nog niet wat voor mij het belangrijkste effect van de serie De Bezetting was: dat er structuur kwam in mijn onderzoek. Op de serie terugziend schreef ik evenwel in het tweede kwartaalverslag over 1965 dat ik dat effect 'spoedig' ging beseffen:

XC'De historische stof die te onderzoeken valt, is in zichzelf praktisch on begrensd: wie zich tot taak zou stellen, alles te lezen en te verwerken wat door onze instelling aan stukken verzameld is, is daar enkele honderden jaren mee bezig. Het bieden van een historisch beeld vergt het vermogen tot het scheppen van een historische structuur; die structuur moet in het onderzoek aangebracht worden en vindt daarna in het geschreven werk zijn neerslag. Misschien was ik er ook zonder de televisieserie wel toe gekomen, in mijn onderzoek die noodzakelijke structuur aan te brengen - feit is dat de noodzaak tot grondige oriëntatie op hoofdpunten die uit het periodiek uitzenden der programma's voortvloeide, met zich bracht dat die structuur in het onderzoek als het ware vanzelf, d.w.z. als functie van de televisieserie, tot stand kwam. Zo werd het grootste gevaar bezworen dat mij sinds 1955 bedreigd heeft: dat ik zo lang bij bepaalde onderdelen van het totale werk zou blijven verwijlen dat, als gevolg daarvan, te veel jaren verloren zouden gaan en bovendien het totale beeld in de onderzoekfase scheefgetrokken zou worden. Na het voorbereidend onderzoek dat ik (op grondslag van eigen oorlogservaringen, mijn werk in Londen en mijn arbeid bij het instituut in de eerste tien jaren van zijn bestaan) in de periode 1955-1960 verrichtte, is de arbeid aan de televisieserie een solide terreinverkenning geweest waardoor ik in alle aspecten van het gebeuren zowel hier te lande als overzee de hoofdlijnen heb leren ontwaren en voor mijzelf met enige nauwkeurigheid heb kunnen vaststellen op welke onderdelen ik in aanvullend en afrondend onderzoek dieper moet ingaan en welke bronnen daartoe het meest dienstig zijn.

XCDaarvan afgezien meen ik het vertrouwen te mogen koesteren dat de televisieserie niet alleen aan de belangstelling en ontvankelijkheid voor het werk van het instituut in het algemeen ten goede gekomen is, maar speciaalook aan die voor het Geschiedwerk dat mij opgedragen is en dat mijn leven blijft vullen."

1 Kwartaalverslag 1960 II, p. 4-5. 2 A.v., 1965 II, p. 22-23.

Hoe ik mijn taak onderschatte

XC

XCEerder schreef ik dat ik, toen ik in '55 mijn opdracht kreeg, vertrouwde dat ik deze wellicht in tien jaar en, als alles tegenviel, in elk geval in hoogstens vijftien jaar zou kunnen uitvoeren.

XCIk heb mijn taak onderschat.

XC'Stond mij dan', aldus de vraag die ik in het Voorwoord van Epiloog stelde, 'de structuur van het gehele werk niet duidelijk voor ogen? Wel degelijk' (ik verwijs naar mijn uit juli '49 daterende nota). 'Het enige dat ik niet kon voorzien, was zijn lengte. Die zou worden bepaald door de mate van detaillering die mij bij het schrijven noodzakelijk zou voorkomen.'

XCOp die onderschatting wil ik wat dieper ingaan.

XCZij is vooral duidelijk gebleken in de jaren' 55-'66, toen ik nog niet aan het schrijven toe was. Nadien kreeg ik een reëlere kijk op de vermoedelijke duur van het gehele project, zij het dat ik ook toen menigmaal te optimistisch bleef denken over de vermoedelijke lengte van verscheidene delen die ik nog moest schrijven.

XCIn de jaren' 55-'66 was van belang dat ik voor mijzelf nog in bet geheel niet had bepaald of mijn gepu bliceerd werk het karakter diende te krijgen van een beknopte samenvatting (die op zichzelf evenveel voorstudie zou vergen als een uitgebreider werk) dan wel van een meer gedetailleerde beschrijving. Geenszins stond voor mij vast dat, zoals in mijn nota uit juli '49 als mogelijkheid geopperd was, de 'Inleiding', de 'delen' I t.e.m. II en de 'Epiloog' aparte boeken moesten worden - ik zag die indeling toen als betrekking hebbend op een werk waarvan de lengte nog in het geheel niet vaststond.

XCDe evolutie van mijn denkbeelden komt in de kwartaalverslagen duidelijk tot uiting.

XCIn '56 dacht ik dat deel I (toen wèl gedacht als een apart boek) de inleiding en de beschrijving van de neutraliteitsperiode en de Duitse invasie moest bevatten.

XCIn ' 57 schreef ik in mijn derde kwartaalverslag dat ik, terwijl ik sinds '55 aan 'een werk van aanzienlijke uitgebreidheid' had gedacbt ('vier tot vijf delen'), er nu meer voor voelde, 'een manuscript te schrijven waarin vóór alles de spanning der tijden weerspiegeld wordt': 'één flink deel van de omvang van 600-800 pagina's'.' Daarbij was van belang dat ik in

I A.v., 1957 III, p. 2.

VERANDERENDE DENKBEELDEN

overleg met de wetenschappelijke staf van het instituut tot de conclusie was gekomen dat ik, als ik 'de door het instituut verzamelde collecties en de ons bekende collecties elders' alle zou gaan doorwerken (zij het aan de hand van de beschrijvingshulpmiddelen), pas 'in de periode 1970-1975' mijn werk zou hebben voltooid - dat noemde ik 'onaanvaard baar'. I In '59 was ik er nog steeds van overtuigd dat mijn werk 'omstreeks het midden van de jaren '60' moest zijn voltooid 'in plaats van tien jaar later - men mag aannemen', schreef ik o.m., 'dat een in 1965 gepubliceerd Geschiedwerk veel meer respons zal vinden onder het Nederlandse volk dan een in 1975 gepubliceerd boek, hetgeen voor het 'doorgeven' van het historische beeld aan de jeugd niet zonder betekenis is.' Ik stelde mij toen voor, medio '61 'een eerste gedetailleerde opzet te maken voor het gehele werk (ik kan niet genoeg onderstrepen dat het bij uitstek een organisch geheel moet worden)', welke opzet ik met de staf, de adviseurs en het bestuur wilde bespreken.'

XCIn '61 was het mijn voornemen, mijn onderzoek tot omstreeks I januari '65 voort te zetten en vervolgens in drie jaren tijd het gehele Geschiedwerk te schrijven.

XCIn '64 was ik ervan overtuigd dat in elk geval 'een uitvoerig werk' moest ontstaan 'dat in meerdere delen gepubliceerd wordt' - ik noemde het toen 'wenselijk, aan de tekst uitgebreide voetnoten toe te voegen waardoor het aan de beoordelaars, maar met name ook aan historici van latere generaties duidelijk zal zijn, op welke gegevens de auteur zijn beschrijving en zijn conclusies gebaseerd heeft'; ik schreef toen voorts:

XC'De volgorde van het Geschiedwerk zal in hoofdzaak een chronologische worden, waarbij het algemene oorlogsverloop als achtergrond telkens kort geschetst wordt; binnen die opzet zullen bepaalde onderwerpen apart behandeld worden, zoals de sociaal-economische geschiedenis van bezet Nederland, de lotgevallen van Nederlanders in gevangenissen en concentratiekarnpen, het regeringsbeleid in Londen, de geschiedenis van Nederlands-indië en van Suriname en de Nederlandse Antillen"

XChier ligt de oorsprong van hoofdstuk I ('Verarmend Nederland') uit deel 7, van deel 8 (Gevangenen en gedeporteerden), van deel 9 (Londen) en van de Indische delen.

XC1 A.V. 2 A.V., 1959 II, p. 5, 7, 14. 'A.v., III en iV, p.

VERANTWOORDING

In de zomer van (de serie De was achter de rug) diende

XC'65Bezetting ik nieuwe voorstellen in 'met betrekking tot de hoofdindeling van het werk en van de nog te verrichten werkzaamheden". In de geschiedenis van bezet Nederland zag ik de April-Meistakingen van '43 en 'de zomer van '44, wellicht juni', toen als duidelijke caesuren - Suriname en de Nederlandse Antillen wilde ik behandelen in het aan 'het beleid van de Nederlandse regering te wijden deel' en over Indië wilde ik 'een apart deel' schrijven. Zo kwam ik tot zes 'delen', nu inderdaad gedacht als zes boeken:

XCDeel 1. Het koninkrijk tussen de twee wereldoorlogen ('200 bladzijden'); de neutraliteitsperiode ('ISO bladzijden'); de Duitse invasie ('200 bladzijden').

XCDelen 2 en 3. Bezet Nederland van mei '40 tot de April-Meistakingen van '43.

XCDeel s. Bezet Nederland van de April-Meistakingen van '43 tot in de zomer van '44; de sociaal-economische geschiedenis van bezet Nederland; gevangenen en gedeporteerden; de regering in Londen met inbegrip van Suriname en de Nederlandse Antillen.

XCDeel 5. 'Het laatste bezettingsjaar'.

XCDeel 6. Nederlands-Indië 'tot aan de capitulatie van Japan', 'Slotbeschouwing'.

XCIk schatte toen de omvang van die zes delen op tezamen 3 000 à 4000 pagina's en het leek mij 'van groot belang dat [het] eerste deel zo spoedig mogelijk verschijnt.'

XCIn februari '67 legde ik aan het bestuur, de adviseurs en de wetenschappelijke staf van het instituut een uitgewerkte indeling van het bedoelde deel I voor ('met name wat de neutraliteitsperiode en de Meidagen van 1940 betrof, was het alsof het uitgebreide aantekenmateriaal zich haast vanzelf in een logische volgorde schikte'). Ik dacht dat ik de bedoelde zes delen in ongeveer zes jaar zou kunnen schrijven, schatte de periode van voortgezette bronnenstudie voor de delen 2 t.e.m. 5 op drie tot vier en voor deel 6 op één tot twee jaar en dacht dus dat, 'als zich geen ernstige tegenslag van welke aard ook voordoet, het gehele werk omstreeks 1980 voltooid zal zijn."

XCIn diezelfde maand februari '67 begon ik, zoals al vermeld, 'deel I' te schrijven? Het eerste onderdeel, 'het koninkrijk tussen de twee wereld

XC, Bijlage bij kwartaalverslag 1965, III. 2 Kwartaalverslag 1967 I, p. IS, 17. 3 In de loop van dat jaar kwam ik tot de overtuiging dat het Geschiedwerk

VERANDERENDE DENKBEELDEN

oorlogen', dijde uit tot meer dan 600 pagina's druks. Er zouden dus méér dan zes 'delen' komen ('acht of negen' schatte ik in het Voorwoord van Voorspel) en er zou voor het schrijven dus meer dan omstreeks zes jaar nodig zijn; bovendien achtte ik het begin '68 wenselijk, 'aan het geheel een epiloog toe te voegen die misschien wel iets meer voorbereiding vergt dan ik thans voorzie' - nu schreef ik dat 'ik, als mij leven en gezondheid gelaten worden, tussen 1980 en 1985 het gehele project [zal] kunnen voltooien. Een belangrijk kortere termijn lijkt mij uitgesloten; anderzijds neem ik aan dat ik die termijn ook niet in vèrgaande mate zal overschrij den.' I In april '69, midden in het schrijven van deel j (Mei '40), werd ik door een hersenvliesbloeding getroffen die, gelukkig, spoorloos aan mij voorbijging." Het herstel in het ziekenhuis gaf mij, schreef ik in mijn verslag over het tweede kwartaal '69, 'de gelegenheid, over de indeling van de resterende delen nog eens rustig na te denken' - ik dacht toen dat ik voor bezet Nederland 1940-44 'een stuk of vijf delen' nodig zou hebben, waarvan één gewijd zou worden 'aan het lot van de vervolgde groepen'. Dan zou 'Londen' komen, dan 'het laatste jaar' en 'het aparte deelover Nederlands-Indië' en tenslotte Epiloog waarin 'het accent zal moeten vallen op die aspecten in de naoorlogse ontwikkelingen die rechtstreeks met de Tweede Wereldoorlog in verband staan."

XCBegin '71 stond voor mij vast dat ik, gezien de hoeveelheid gereedstaande 'fiches', voor 'het laatste jaar' twee delen nodig zou hebben; ik koos toen voorts 'het begin van de ]odendeportaties' (juli '42) als caesuur in de periode maart '41-mei '43. Overigens bleef 'mijn streven gericht op de voltooiing van het gehele project in het begin van de jaren '80.'4 De nieuwe opzet, waarbij ik tot 12 delen kwam", werd in juli '71 diepgaand besproken met het bestuur, de adviseurs en de wetenschappelijke staf van het instituut.

moest worden. 'Over de oorlogsjaren', schreef ik, 'zijn al tal van goede geïllustreerde werken verschenen die ook later in ruime mate in bibliotheken te vinden zullen zijn; wezenlijk nieuwe illustraties kunnen wij aan de reeds gepubliceerde niet toevoegen. Bovendien ben ik van mening dat historische werken juist door illustraties sneller een verouderde indruk maken.' (a.v., III, p. 8). Mijn vriend Presser maakte mij toen duidelijk dat illustraties juist bij het historische beeld passen. 1 A.v., 1968 I, p. 9-10. 2 Was ik toen overleden, dan had mijn opvolger (of hadden mijn opvolgers) in elk geval gebruik kunnen maken van al mijn 'fiches'. 3 A.v., 1969, II, p. 14-15. 4 A.v., 1971, II, p. 21, 24. 5 In feite tot 13 omdat ik wat later deel 10 a en deel Ia b ging heten en aanduidde als 'deel Ia' en 'deel II'.

VERANTWOORDING

XCIn '72 wist ik dat deel a (Mei '4o-maart '41 ) in twee boeken zou moeten uitkomen; daarop wijzend schreef ik 'dat het voor mij vaststaat dat de tekst van de delen 5 t.e.m. 10 aanzienlijk korter zal worden." Daarin vergiste ik mij.

XCToen ik medio '74 deel 6 (Maart '41-juli '42) af had, constateerde ik dat ik, 'wat het aantal delen betreft' (ikhad tot dan toe aan twaalf gedacht) 'halverwege gekomen' was. 'Dat is een prettig gevoel', schreef ik, eraan toevoegend dat ik het 'nog steeds een redelijke veronderstelling acht dat ik het gehele project ... in of omstreeks I985 voltooid zal hebben'2 - maar de delen I t.e.m. 6 hadden negen boeken gevergd en dat zouden er voor de delen 7 t.e.m. 12 zeventien worden. Dat voorzag ik niet. Integendeel: ik dacht twee jaar later, in '76 dus, dat de delen 8, 9, I I en 12 elk slechts één boek zouden vullen en alleen deel 10 twee. In feite waren er voor de delen 8, 9 en 10 a en b al acht nodig.

XCIn afwachting van een open hart-operatie schreef ik in mei '80 het slot van deel 10 a (Het laatste jaar I) in prof. dr. D. Durrer's hartkliniek.' Na mijn herstel gaf ik mij opnieuw rekenschap van de problemen der resterende delen. Deel 10 b (Het laatstejaar II) bood geen moeilijkheden. Voor deel I I (Nederlands-Indiëj achtte ik een bezoek aan Indonesië wenselijk (dat werd begin '83 gebracht). Ik onderstreepte dat ik in dat deel I look op de Indische voorgeschiedenis wilde ingaan. 'Ik beschouw', schreef ik in februari '81 in de definitieve versie van een (met bestuur, adviseurs en stafbesproken) nota 'De voltooiing van het Geschiedwerk',

XC'de kolonisatie van Indië als een ambivalent proces: die kolonisatie heeft in verscheidene opzichten grote baten opgeleverd voor de bevolkingsgroepen in de archipel - zij heeft anderzijds de vestiging betekend van een als vreemd aangevoeld gezag dat op allerlei terreinen het ontstaan van een 'eigen' ontwikkeling heeft afgeremd. De Europese kolonisatie had in I940 haar tijd gehad, en ik zie het als een van de belangrijkste gevolgen van de Tweede Wereldoorlog dat het dekolonisatieproces is versneld. De problemen van kolonisatie en dekolonisatie zullen dus in deel I I alle aandacht dienen te krijgen.'

XCIk gaf voorts aan, welke thema's ik in deel 12 (Epiloog)'in bijzonderheden' wilde behandelen ('en wat te doen met het militaire ingrijpen in Nederlands-Indië, uitlopend op de erkenning van de Indonesische soeve3

1 Kwartaalverslag I972 I, p. 2. 2 A.v., 1974 III, p. I2. 3 Voor die operatie schreef ik aan de directeur van het instituut, Paape, een brief met mijn denkbeelden. hoe het project in geval van mijn overlijden zou kunnen worden voltooid.

VERANDERENDE DENKBEELDEN

reiniteit? Ik ben geen moment van plan, hier gedetailleerd op in te gaan maar kan er ook niet over zwijgen; daarvoor is het Indonesische conflict in de jaren '45-'49 van te veel betekenis geweest'). De kritieken die ik graag als onderdeel van mijn werk gepubliceerd zag (daarop kom ik nog terug) en die ik aanvankelijk in deel 12 wilde laten opnemen, zag ik nu als een, door 'een apart college' samen te stellen, onderdeel van deel 13, Bijlagen, waarin ook een overzicht van wijzigingen, een algemeen register en 'een overzicht van het tot stand komen van het gehele werk' (deze Verantwoording) een plaats zouden krijgen.'

XCMen ziet: ik zag deel I I (Nederlands-Indië) als één deelbegin '82 nam ik aan dat het er twee zouden worden; het werden er in werkelijkheid drie.

XCIk had dus veel méér te schrijven.

XCIn juli '83 verzocht ik het bestuur, bij de minister van Onderwijs en Wetenschappen het verzoek in te dienen dat de eindtermijn voor mijn werk (wel te verstaan: tot en met deel I3, Bijlagen) van 3I december '85 zou worden verlengd tot 3 I december '87. Dat verzoek werd ingewilligd. Het concept voor deel I2, Epiloog, voltooide ik, zoals al vermeld, in september '87 maar de twee onderdelen die ik voor deel I3 moest schrijven: de Verantwoording en het Overzicht van wijzigingen, had ik pas in maart '88 in concept gereed. Toen was ook de onafhankelijke commissie gevormd die een deel 14, Reacties, zou samenstellen.

XCMen kan uit dit overzicht afleiden hoezeer mijn denkbeelden over de aard van het Geschiedwerk (samenvatting of juist een gedetailleerd relaas ?), over de aantallen delen en over de lengte van de delen gefluctueerd hebben. Het denkbeeld van een in één deel neer te leggen samenvatting heb ik maar korte tijd gehuldigd - wat mij eigenlijk van meet af aan aantrok en bleef aantrekken was juist dat gedetailleerde relaas. Ik heb, daaraan vasthoudend, mij moeten onderwerpen (en heb dat, eerlijk gezegd, met weinig hartzeer gedaan) aan de eisen die de materie bleek te stellen. Al mijn schattingen hoeveel tijd het project zou vergen, waren er aanvankelijk ver naast maar nog voordat ik in februari '67 deel3

, Nota: 'De voltooiing van het Geschiedwerk', p. 4, 8, 11.

VERANTWOORDING

I ging schrijven, voorzag ik, zoals bleek, dat ik het project pas 'omstreeks 1980' zou kunnen voltooien. Toen het eerste van de drie onderdelen van deel I een apart deel (tevens een apart boek) werd, wist ik voorts dat ik dat 'omstreeks 1980' moest wijzigen tot 'tussen 1980 en 1985'. Ik dacht toen aan in totaal twaalf delen (zijnde twaalf boeken) - die twaalf zijn er, de delen IQ b, II b en II c als aparte delen meegeteld, vijftien geworden en het totaal aantal boeken werd in plaats van twaalf zes-entwintig. Het 'tussen 1980 en 1985' is in feite (ik laat mijn bijdragen voor deel 13, waaraan in '67 en '68 nog niet werd gedacht, even terzijde) september 1987 geworden.

XCTerugziende op het gehele project, constateer ik dat ik van de in totaal 32'12 jaar die het in beslag nam (van april' 55 tot september '87), bijna 15 jaar (177 maanden) nodig waren voor het schrijven. De directe voorbereiding van de 21 programma's van de serie De Bezetting vergde ca. tien maanden en ik schat dat de werkzaamheden die ik voor de vijftien delen verrichten moest tussen het gereedkomen van de concept-manuscripten en hun verschijning in druk ca. twintig maanden hebben gevergd. Het voorbereidende onderzoek van het gehele project nam ca. 15 jaar in beslag, anders gezegd: het schrijven heeft ongeveer evenveel tijd gevergd als het voorbereidende onderzoek. Dit zijn allemaal termijnen en omstandigheden geweest die ik in '55 niet heb voorzien. Ik troost mij met de gedachte dat de gecompliceerdheid en de duur van de meeste wetenschappelijke projecten bij hun aanvang ernstig onderschat worden.' Gelukkig maar!

Bronnen

XC

XCIk heb drie soorten bronnen gebruikt: archiefstukken, publikaties (boevan vier jaar - dat nieuwe BW is nu, meer dan veertig jaar later, nog verre van

1 In het Voorwoord van deel I2, wees ik er op dat de Parlementaire Enquê tecommissie 'Regeringsbeleid I940-I945', toen zij eind '47 werd ingesteld, dacht in één jaar met haar werk klaar te zijn - dat werden er negen. Nog twee voorbeelden: in '69 werd erop vertrouwd dat de officiële documenten over het Nederlands Indonesisch conflict I945-I949 vier delen zouden vullen en dat zullen er negentien worden en toen in '46 aan de befaamde jurist Meijers de opdracht werd gegeven om een nieuw Burgerlijk Wetboek te ontwerpen werd daarvoor gedacht aan een termijn

HET PROBLEEM VAN DE VOETNOTEN

ken, artikelen in periodieken, soms ook artikelen in dagbladen) en mondelinge of schriftelijke mededelingen.

XCUit wetenschappelijk oogpunt zou het natuurlijk de voorkeur hebben verdiend wanneer ik bij elke passage zou hebben aangegeven, welke bronnen daaraan ten grondslag lagen. Dat heb ik nagelaten. Veruit de meeste lezers van mijn werk hadden daar naar mijn overtuiging geen belangstelling voor: zij waren geïnteresseerd in mijn teksten, in mijn 'verhaar, niet in de bronnen waarop ik dat 'verhaal' baseerde.' In de populaire editie werden derhalve in het geheel geen bronnen aangegeven. Ik had dat in de wetenschappelijke kunnen en misschien wel moeten doen maar daar heb ik mij er toe beperkt, alleen de vindplaatsen van gebruikte citaten in de voetnoten te vermelden. Dat laatste sprak voor mij vanzelf: ik mocht niet een passage uit een document of uit een publikatie aanhalen zonder aan te geven, welk document en welke publikatie het betrof (en in het geval van een document bovendien tot welke collectie het behoorde) - evenmin mocht ik een mondelinge mededeling weergeven zonder te vermelden door wie en op welke datum die aan mij was gedaan. Verder ben ik niet gegaan. Leden van de begeleidingsgroep (op die groep kom ik straks terug) hebben er herhaaldelijk op aangedrongen dat ik wèl al mijn bronnen zou vermelden, hetgeen ook, zoals bleek, mijn oorspronkelijke bedoeling was - ik heb hun steeds geantwoord dat ik alle begrip had voor hun aandrang maar dat feitelijke omstandigheden het mij onmogelijk maakten om er gevolg aan te geven. Ik heb vrijwel geen alinea geschreven die niet op verscheidene 'fiches', d.w.z. op verscheidene bronnen is gebaseerd. Met een opgave van die bronnen zou niet alles gezegd zijn, immers: bronnen spreken elkaar vaak tegen en de ene bron is betrouwbaarder dan de andere - er gaat dus aan de formulering van al die alinea's een proces van afwegen vooraf dat, wil men werkelijk doen uitkomen hoe die alinea's tot stand kwamen, weergegeven zou moeten worden. Had ik besloten dat te doen, dan had ik bij elke pagina het descriptieve werk moeten onderbreken om een aantal meer analytische, in vele gevallen uitgebreide of zelfs zeer uitgebreide voetnoten te formuleren. Die onderbrekingen kwamen mij hoogst onaantrekkelijk voor. Bovendien moest ik aannemen dat het

I 'De Amerikaanse ton eel- en filmspeler John Barrymore schreef eens', aldus Rob Nieuwenhuys in zijn 'dat hij zo 'n hekel had aan voetnoten. Het is, zei hij, alsof je tijdens je huwelijksnacht telkens de trap af moet omdat er gebeld wordt.' (p. 623).

VERANTWOORDING

geheel van de voetnoten waarin alle bronnen aangegeven en tegen elkaar afgewogen zouden worden, de totale arbeidstaak die op mij rustte, misschien wel met de helft zou verzwaren: voor een deel dat ik anders in een jaar tijd zou kunnen schrijven, zou ik dan wellicht anderhalf jaar nodig hebben en de totale duur van het project zou met zeven tot acht jaar worden verlengd. Dat beschouwde ik als onaanvaardbaar, zulks niet alleen om persoonlijke maar ook om algemeen-maatschappelijke redenen: ik vond de periode van bijna twi.ntig jaar waarin de eerste drukken van de verschillende historiegrafische delen zouden uitkomen (deel I werd gepubliceerd in '69, deel 12 in '88), toch al aan de lange kant.

XCOverigens: de 'fiches' zijn bewaard gebleven, gegroepeerd per deel, binnen elk deel per hoofdstuk, binnen elk hoofdstuk per paragraaf, binnen elke paragraaf per onderdeel daarvan. Het is dus niet alleen mij, het is ook elke geïnteresseerde mogelijk, precies na te gaan op grond van welke bronnen ik een bepaalde passage heb geschreven. Het enige dat men niet aangetekend vindt, is het proces van afwegen van het ene gegeven tegen het andere.

XCIk kom nu tot de drie soorten bronnen die ik eerder noemde: archiefstukken, publikaties, mondelinge of schriftelijke mededelingen. Van de personen met wie ik, sinds ik in '55 mijn opdracht kreeg, gesprekken, meestal langdurige, voerde teneinde mijn kennis uit te breiden, zal ik een volledige opgave laten volgen 1 maar dat wil ik voor de archiefstukken en de publikaties achterwege laten. Ik schat dat zulk een volledige opgave van de archiefstukken meer dan 50 pagina's in beslag zou nemen en van de publikaties meer dan 100. Ik vind dat om twee redenen overbodig.

XCDe eerste is dat al die gegevens vastgelegd en voor serieuze onderzoekers toegankelijk zijn.

XCWat de archiefstukken betreft vormden de collecties van het instituut mijn belangrijkste bron. Ik kon beschikken over de beschrijvingshulpmiddelen (inventarissen en regestenlijsten) die daar in de loop der jaren tot stand waren gekomen of kwamen. Die beschrijvingshulpmiddelen

I Doordat ik de namen der talloze betrokkenen niet noteerde, is dit wat de verstrek kers der schriftelij ke inlichtingen betreft niet wel mogelij k.

BESTUDEERDE ARCHIEVEN EN COLLECTIES

(overzichten die tezamen meer dar. 30000 pagina's tellen) heb ik tweemaal doorgewerkt, erop aantekenend welke stukken ik wilde zien - men kan dus ook constateren wat ik ongelezen heb gelaten. Wie de contemporaine geschiedenis beoefent en alles wil lezen dat bewaard gebleven is, verdrinkt in de kortste keren in immense hoeveelheden stukken: men moet durven overslaan, men moet durven kiezen. Van elke collectie die ik doorwerkte, vaak ook van elke bundel stukken die ik las, hield ik aantekeningen bij op aparte kaarten - al die aantekeningen zijn opgenomen in mijn kwartaalverslagen en de kaarten zelf, alle systematisch gegroepeerd, zijn bewaard gebleven.

XCHetzelfde geldt voor de publikaties. Van elke publikatie legde ik een kaart aan waarop ik niet alleen de gebruikelijke bibliografische gegevens vermeldde maar ook het jaar en de maand waarop ik die publikatie las en (aan de achterzijde) in welk opzicht zij voor mij van betekenis was. Ook deze gegevens werden in mijn kwartaalverslagen opgenomen en ook deze kaarten (alfabetisch gerangschikt) zijn bewaard gebleven.

XCDe tweede reden waarom ik een volledige opgave van doorgewerkte archiefstukken en publikaties overbodig vind, is dat zulk een opgave een suggestie van volledigheid zou wekken waarvoor geen enkele reden is. Ik heb mij in honderdduizenden stukken verdiept maar in miljoenen niet - ik heb over de geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog duizenden publikaties gelezen, maar ook duizenden (speciaal die welke in de laatste vijftien jaar zijn uitgekomen) ongelezen moeten laten. Anders gezegd: mijn volledige opgave zou voor verder onderzoek door derden onvoldoende zijn. Wie tot dat onderzoek wilovergaan, dient zich te oriënteren aan de hand van de beschrijvingshulpmiddelen en het Centraal Trefwoorden-register alsmede van de systematische bibliotheek-catalogus van het instituut.

XCWat de archiefstukken betreft welke ik doorwerkte, wil ik mij tot de volgende beknopte mededelingen beperken.

XCDie archiefstukken waren, zoals al vermeld, in de eerste plaats stukken die in collecties van het instituut zijn opgenomen. Van die collecties resp. archieven, voorzover doorgewerkt (dit betrof vrijwel steeds een selectie, gemaakt aan de hand van de beschrijvingshulpmiddelen), laat ik hier een opgave volgen. De volgorde sluit aan bij de nummers (ze zijn tussen haakjes vermeld) die de betrokken collecties resp. archieven binnen de

VERANTWOORDING

verzamelingen van het instituut hebben gekregen. Men dient bij de opgave in het oog te houden dat van de archieven van 'foute' instellingen en organisaties slechts een gedeelte, veelal een klein gedeelte, is bewaard gebleven en dat, als niet-'foute' instellingen vermeld worden, de naamsvermelding niet anders zeggen wil dan dat het stukken, soms maar weinige, uit het betrokken archief betreft.

Wehrmachtbefehlshaber in den Niederlanden (1- 12)Gericht des Marinebefehlshaber in den Niederlanden (13)Reichsleommissariat in den besetzten niederlandischen GebietenStab (14)Fernschreibstelle (15)Notstandsbeihilfe (16)Deutsches Theater in den Niederlanden (16 a)Präsidialabteilung (17)Generalkommissar jür Verwaltung und justizStab (20)Hauptabteilung [ür allgemeine AngelegenheitenAbteilung Niederlàndische Personalangelegenheiten(21)Abteilung Rechtsetzung (21)Abteilung Planung (22)Abteilung Archivu/esen (24)Hauptabteilung Inneres (25)Abteilung Volksgesundheit (27)Abteilung Veterinärwesen (28)Abteilung Angelegenheiten deutscher Staatsangehörigen (29)Hauptabteilung Erziehung und Kirchen (32)Hauptabteilung justiz (33)Abteilung Gnadensachen (34)Obergericht (35)Generalkommissar jür Finanz und WirtschaftStab (39)Referat Handels und Devisenpolitik (40)Abteilung Feindvermögen (43)Wirtschafisprüfstelle (44)Kartellreferat (45)Deuisenreferat (47)Abteilungjür besondere u/irtschajtliche Angelegenheiten (48)Rijksinsriru u r voor Oorlogsdocumen tatie (RIOD)
BESTUDEERDE VERANTWOORDING BESTUDEERDE VERANTWOORDING BESTUDEERDE VERANTWOORDING BESTUDEERDE
Hauptabteilung Ernährung und Landwirtschafi (49)Hauptabteilung Gewerbliche Wirtschafi (50)Hilfsausschuss fûr die Deutschen in den Niederlanden (52)Abteilung Preisbildung (54)Abteilung Forst- und Holzwirtschafi (55)Abteilung Siedlung und Bauten (56)Generalkommissar zur besonderen Verwendung (6r-76)Stab und GeschäfisführungHauptabteilung Politischer AufbauHauptabteilung Volksaujklärung und PropagandaReferat Sonderfragen, 'Stimmungsberichte'Höherer SS- und Polizeiführer (77)Germanische LeitstelleSS-Schule AvegoorBefehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD (78)Referat IV B 4'Meldunçen aus den Niederlanden''Éerichte ûber die Dienstbesprechungen bei Generalkommissar Schmidt'Befehlshaber der Waffen-SSLandwacht LandstormGermaanse SS in Nederland (83)Beaufiragten des Reichskommissars (86)Arbeitsbereich der NSDAP in den Niederlanden (88)Deutsche Handelskammer jür die Niederlande (90)Beaufiragte jür die Niederlande des Reiehsministers für Rüstungund Kriegsproduktion (92)Rüstungs-Inspektion Niederlande (92 b)Zentralaufiragsstelle (93)A. Flesche (97)Uja- Tobis (98 d)Nederlandse Arbeidsdienst (99)Vredegerechtshof en vrederechters (ro r)Collectie-mr. K. Frederiks (rot a)Departement van Volksvoorlichting en Kunsten (102)Secretaris-generaalKabinetAfdeling Radio-omroepAfdeling PerswezenAfdeling Toneel en DansAfdeling MuziekPropagandaraadCommissie voor pers-reorganisatie'Noten voor de redacties''Verslagen der persconferenties'Nederlandse Kultuurkamer (104)HoofdbureauGilden algemeenPersgilde (105)Nederlandse Kultuurraad (113)Departement van Opvoeding, Wetenschap en CultuurbeschermingBureau Volkscultuur en Volksontwikkeling (II4)Gemachtigde van de Reichskommissar voor het toezicht op deorde en de rust in de scholen (II4 a)Inspecteur voor het onderwijs in algemene dienst (114 b)Departement van FinanciënVertaalbureau (IIS)Departement van Handel, Nijverheid en Scheepvaart (116)Afdeling Economisch OnderzoekBureau NijverheidsonderzoekCentraal Distributie Kantoor (II7)Commissie tot uitzending van landarbeiders naar Oost-Europa(I20 a)Nederlandse Tandartsenkamer (121)Nederlandse Apothekerskamer (121 a)Nederlands Arbeidsfront (122)NSB (I23-168)LeiderAlgemene RaadRaad van beleidHoofdkwartierPlaatsvervangend leiderSecretaris-generaalSecretarie van StaatNationale ]eugdstormNationaal-Socialistische Vrouwen -Organisa tieOpvoedersgildeStudentenfrontEconomisch FrontFront van Nering en AmbachtAfweerdienstEvacuatiebureauHoge Raad van DisciplineBureau van de KamerfractiesLandelijk leider van de organisatie van NSB-StatenledenHet Nationale DagbladNationale OmroepRaad van katholiekenRaad voor de volkshuishoudingGewestelijke, kring- en groepsradenVolk en VaderlandDiverse gewesten en districtenAlgemeen Toezicht LedenVerdinaso (168 a)NSNAP-van Rappard (168 b)NSNAP-Kruyt (168 c)Zwart Front / Nationaal Front (168 d)Collectie-mr. H. C. van Maasdijk (171)'De Driehoek' - 'Het Bolwerk' (173)De Waag (174)De Schouw (174 c)Uitgeverij 'Hamer' (174 e)Uitgeverij 'Westland' (174 f)N ederlands- Duitse Kultuurgemeenschap (175)Collectie-Po Meulenberg (177)Nederlandse Spoorwegen, Railwacht (178)Nederlandse Volksdienst / Winterhulp Nederland (179)Nederlandse Unie (181)Comité voor Joodse vluchtelingen (181 b)Voorzitter Protestants Hulpcomité voor uitgewekenen om ras ofgeloof (181 c)Joodse Coördinatie-Commissie (18 I d)Collectie-Jacques Aa (181 g)Joodse Raad (182)Collectie-mr. M. Bosboom (182 a)Commissaris voor niet-commerciële verenigingen en stichtingen(182 b)Collectie-prof. dr. ir. Goudriaan (182 d)Collectie-mr. B. de Gaay Fortman (182 e)Interkerkelijk Bureau Noodvoedselvoorziening Den Haag (r82 f)Collectie-prof. mr. M. G. Levenbach (r82 g)College van Vertrouwensmannen (r83)Grote Adviescommissie der Illegaliteit (r84)LO / LKP (r84 a)Raad van Verzet en Radiodienst RVV (r8s)Vrij Nederland (r8s a)Nationaal Comité van Verzet (r86)Verzetsgroep-CS 6 (r86 a)Collectie-]. ('Koos') Vorrink (r86 c)Collectie-H, M. van Randwijk (r86 d)Collectie-]. C. Bührmann (r86 e)Colleetie-L Neher (r86 f)Collectie-mr. M. A. Tellegen (r86 j)Zwitserse Weg A (187)Vrije Groepen Amsterdam (r89)Keurtroep [van de Binnenlandse Strijdkrachten] Heemstede (r89 a)Binnenlandse Strijdkrachten, Rotterdam (r92 a)Aanvullingscommissie Voorlopige Staten-Generaal (r93 a)Zuiveringscommissie Staten-Generaal (r93 b)Commissie voor de Perszuivering (r94)Ik beperkte mij tot het doorwerken van de volgende dossiers: ANP, Arbeiderspers, Neerlandia-pers, Nieuwe Rotterdamse Courant, De Standaard, De Telegraaf/Het Nieuws van deDag, De Tijd, Verenigde Persbureaus.Commissie inzake het Driemanschap van de Nederlandse Unie(r9S)Landelijke Ereraad van de Illegaliteit (r97 d)Gemeenschap Oud-Illegale Werkers Nederland (r97 dd)Foreign Office/State Department (207)Dit is de Z.g. FO/SD-collectie, bestaande uit fotokopieën van'archiefstukken van het Auswärtige Amt en de Reichskanzleidie ten tijde van het onderzoek beheerd werden namens hetBritse Foreign Office en het Amerikaanse State DepartmentOffice of Military Government for Germany (United States), FinanceDivision (rapporten over financiën bezet Nederland) (208)Presse-Anweisungen (209)Berlin Document Center (210),fotokopieën van stukken uit archiefcollecties, hoofdzakelijkvan de NSDAP, Himmler en het SS-complexCollectie-dr. H. M. Hirschfeld (212 a)Collectie-mr. Verdam (212 h)Geheime Staatspolizei, Staatspolizeileitstelle Düsseldorf (2 1 3)Collectie fotokopieën Duitse Staatsinstellingen(Volksgerichtshof, Oberreichsanu/alt beim Volksgerichtshof, Reichsministerium für Volksaufklärung und Propaganda, Grenzpolizeikommissariat Kleve, Reichskriegsgericht, onderdelen DeutscheWehrmacht, Wehrmachtbefehlshaber in den Niederlanden, Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD, Reichsminister fûr Volksaufklärung und Propaganda, Deutsches Rote Kreuz) (215)Collectie Nederlandse OverheidsinstellingenCollege van Secretarissen-Generaal (notulen en circulatiestukken), departementen van Justitie (en diverse politieinstanties), Financiën, Waterstaat, Sociale zaken, Binnenlandse zaken, Opvoeding, wetenschap en cultuurbescherming, Handel, nijverheid en scheepvaart, Landbouwen visserij (216)American joint Distribution Committee(fotokopieën uit het New Yorks archief) (217 a)Londense archieven en collecties (218-235)Particuliere dagboeken (244)Van de meer dan 1200 die het Rijksinstituut in origineel ofin fotokopie bezit, las ik er 38 die op grond van de inhoudsanalyses voor mij van speciaal belang leken.Doc I (248) en Doc II (249)Dit zijn twee van de belangrijkste collecties van het instituut.Doc I bevat stukken over ca. 2 000 personen, Doc II stukkenover ca. 1 000 zaken. Een deel van die stukken bestaat uitkopieën uit het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging.Diegenen die dit en andere archieven doorwerkten, hebbeneen keuze moeten doen: alleen al in het Centraal ArchiefBijzondere Rechtspleging bevinden zich meer dan 400000persoonsdossiers. Die keuze bleef beperkt tot personen resp.zaken die van enig algemeen historisch belang leken te zijn.Van alle Doc-dossiers bestaan beschrijvingslijsten - ik maakte mijn keuze op grond van die lijsten. De nadere opsomming van de vele honderden dossiers die ik doorwerkte (allegegevens staan onder de groepen 248 en 249 op mijn archiefkaarten aangetekend en zijn ook vermeld in mijn kwartaalCentraal ArchiefBijzondere Rechtsplegingverslagen), laat ik hier achterwege - zij zou ca. 10 pagina'sin beslag nemen.Afdeling Onderzoek Gevangenissen en Concentratiekampen. Algemene verslagen (25 I).Dit zijn in hoofdzaak verslagen van de interviews die doormedewerkers van het instituut in de eerste naoorlogse jarenzijn afgenomen aan bevrijde politieke gevangenen en gedeporteerden, soms ook verslagen die door de betrokkenenzelf zijn geschreven. Ik heb ze alle doorgewerkt en uit 176verslagen gedeelten laten overtypen of er eigen notities overgemaakt.Collectie LO / LKP (25 I a)Deze collectie is in de eerste naoorlogse jaren opgebouwdin opdracht van de Stichting LO / LKP ter voorbereiding vanhet in ' 5 verschenen werk Het Grote Gebod: Gedenkboek vanhet verzet in LO en LKP.Illegale bladen (263)Ik beperkte mij tot De Baanbreker, Het Bulletin, Bulletin vanhet M[ arx ]L[ enin ]L[ uxemburg] Front, Christofoor, Geïllustreerd Vrij Nederland, De Geus, Geuzenberichten, KatholiekKompas, De Maasbode, Je Maintiendrai, Nieuwsbrief van Pieter't Hoen, Ongetekende brieven aan oude strijdmakkers, Ons Volk,Ons Vrije Nederland, De Oranjekrant, Paraat, Het Parool, DePloeg, Politieke brieven (CPN), Slaet op den Trornmele, Spartacus,De Toekomst, Trouw, De Vakbeweging, Verzet, De Vonk, Vry'Nederland, De Vrije Katheder, De Vrije Kunstenaar en De Waarheid.Office oj Chief oj Counsel jor War-Crimes, Neurenberg (264-266)kopieën van documenten, gebruikt bij de Neurenbergerprocessen, voorzover speciaal van belang voor NederlandDocumenten van de Nederlandse delegat.ie te Neurenberg, verzameld ten behoeve van het proces tegen Seyss-Inquart (269)Collectie Bijzondere Rechtspleging (270 a)stukken over het beleid der bijzondere rechtsplegingStukken, verzameld door dr. H. W. van der Vaart Smit over demisstanden in de karnpen van politieke delinquenten (270 b)Collectie-prof. dr.]. H. W. Verzijl (271 b)Collectie Zuivering (deze collectie en de hier volgende hebbengeen nummer gekregen)Een in de jaren '80---'85 door dr. N. K C. A. in 't Veld4 2opgebouwde collectie kopieën van zich elders bevindendestukken betrekking hebbend op de naoorlogse zuivering inal haar aspecten.Collecties afkomstig van bepaalde personenVrijwel steeds zijn dit personen geweest met wie ik in deloop van mijn onderzoek contact opnam. Ik verwierf stukkenvan: mr. ]. R. M. van Angeren, mr. P. L. baron d'Aulnis deBourouill, jhr. ]. ]. G. Beelaerts van Blokland, dr. G.·Bolkestein, ]. M. de Booy, mr. ]. A. W. Burger, ds. ]. ]. Buskes,prof. mr. R. P. Cleveringa, dr. W. Drees, A. H. Dijxhoorn,prof. mr. P. S. Gerbrandy, mr. G. ]. van Heuven Goedhart,mr. Ch. H. ]. F. van Houten, P. A. Kerstens, mr. E. N. vanKleffens, jhr. ir. O. C. A. van Lidth de Jeude, dr. H. ]. vanMook, ]. G. van Niftrik, mr. ]. ]. Oyevaar, prof. dr. ]. Presser,jhr. P. ]. Six, M. Sluijser, dr. ]. van den Tempel, mr. H. A.Wassenbergh, Ch.]. I. M. Welter.

XCIk kom nu tot de niet tot de verzamelingen van het instituut behorende archieven en collecties welke ik doorwerkte. Ook hier was veelal grote of zeer grote beperking noodzakelijk.

XCAlgemeen Rijksarchief Collectie-mr. ]. R. H. van Schaik Militair Gezag Raad voor het Rechtsherstel Secretariaat Afdeling Rechtspraak, Centrale Griffie N ederlands Beheersinstituut Rijksarchief Noord-Brabant A.rchief Arnold Meyer Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis Collectie-mr. ]. M. Barents Collectie-]. Engels Kabinet der koningin Geheim archief 1939, 1940-1946 'Londens archief Kabinet van de minister-president

VERANTWOORDING BESTUDEERDE ARCHIEVEN EN COLLECTIES

Ministerraad, 1933-mei 1940 Ministerraad, 18 mei 1940-juni 1945 Commissie Terugkeer Nederland Commissie Oorlogvoering Koninklijk Instituut van Ingenieurs Collectie-jhr. ir. O. C. A. van Lidth de Jeude Ministerie van buitenlandse zaken Ministerie van defensie, Centraal archievendepot OD-archief Ministerie van defensie, Sectie Militaire Geschiedenis Landmachtstaf o.a. stukken van J. J. G. baron van Voorst tot Voorst, commandant Veldleger Ministerie van justitie Procureur-generaal Amsterdam Rapporten over verzetshandelingen 1940-1941 Bijzondere Raad van Cassatie Dossiers van J. A. Dekker, A. J. Fey, A. Fiebig, C. van Geelkerken, jhr. mr. D. J. de Geer, W. Goedhuys, mr. P. M. C. J. Hamer, ir. A. A. Mussert, prof. mr. J. J. Schrieke, A. F. en C. F. de Vilder Bijzonder Gerechtshof Amsterdam Dossiers van J.Ph. van Kampen, prof. dr. G. A. S. Snijder, mr. A. J. Zondervan Bijzonder Gerechtshof Den Haag Dossiers van mr. L. J. Broersen, J. J. Weissman Procureur-fiscaal Arnhem Dossier van ir. C. Staf Tribunaal Den Haag Dossier van prof. dr. J. van Loon Tribunaal Zutphen Dossier van C. L. ten Cate Ministerie van landbouwen visserij Rijksbureau voor de voedselvoorziening in oorlogstijd, College van overleg Ministerie van marine, bureau maritieme historie 'De Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog', gepubliceerd in Mededelingen van de Marinestaf Ministerie van onderwijs, kunsten en wetenschappen Ereraden voor de kunst, Centrale Ereraad voor de kunst

Ministerie van oorlog Generale Staf, Centrale Inlichtingendienst Militair Gezag, zeer geheim en geheim archief chef-staf Commissie van onderzoek inzake de redding van de Waalbrug te Nijmegen in september 1944 Ministerie van sociale zaken stukken betreffende Joodse vluchtelingen uit Duitsland Nederlandse Spoorwegen Raad van commissarissen, notulen Rijksuniversiteit Groningen, Documentatiecentrum Nederlandse politieke partijen Archief J. Schilthuis Staten-Generaal, Tweede Kamer, Enquêtecommissie 'Regeringsbeleid 1940-1945' Alle niet gepubliceerde bijlagen 1 en alle met betrekking tot punt n ('het beleid betreffende de overzeese gebiedsdelen, daaronder begrepen het beleid der N ederlands-Indische regering') afgenomen, niet-gepubliceerde verhoren Yad Vashem instituut, Jeruzalem Joodse Coördinatie-Commissie Zwitserland

XCIk heb in het voorafgaande nog geen melding gemaakt van de archieven en collecties welke ik speciaal doorwerkte voor de drie Indische delen: 11 a, r r b en r ï c. Mijn uitgangspunt vormde daarbij de z.g. Indische Collectie van het Rijksinstituut. Ik werkte de inventaris door en liet mij voorlichten door het hoofd van de Indische afdeling, F. de Rochemont. Ik las: Stukken van gouverneur-generaal jhr. mr. A. W. L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer en verslagen van met hem gevoerde gesprekken 190 stukken met z.g. IC-nummers

, De commissie heeft in totaal 3446 bijlagen verzameld maar daarvan slechts 780 in de opgenomen.

VERANTWOORDING

soms betrof dit stukken van slechts enkele maar soms ook van vele honderden pagina's. Documenten van het proces voor het International Military Tribunal for the Far East te Tokio Diverse uitgebreide studies en chronologisch geordende gegevens van kapitein-ter-zee b. d. A. G. Vromans Nigis (Netherlands Indies Government Information Service): Monitoring reports, Press-messages Regeringspubliciteitsdienst: Persoverzicht en Overzicht van de Inland se (later: Indonesische) en Chinees-Maleise pers Uittreksels (met citaten) uit 49 particuliere dagboeken

XCVoorts verdiepte ik mij ten behoeve van de Indische delen in de volgende archieven c.q. collecties die niet tot de verzamelingen van het instituut behoren: Algemeen Rijksarchief Ministerie van koloniën, Londen Gezantschap Canberra Algemene Secretarie Batavia, Eerste zending. Parket procureur-generaal Collectie-mr. P. J. A. Idenburg Collectie-Po A. Kerstens Collectie-dr. H. J. van Mook Collectie-Ch. O. van der Plas Collectie-ir. C. J. Warners Ministerie van defensie, Centraal archievendepot Nefis, Melbourne

XCGelijk gezegd wil ik de publikaties welke ik las, in deze Verantwoording niet vermelden. Terzake wil ik toch wel iets schrijven.

XCI. Mijn uitgangspunt was dat ik de geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog schetsen moest als onderdeel van de algemene geschiedenis van die oorlog. Er zijn over die oorlog tienduizenden publikaties verschenen waarvan zich een groot deel in de bibliotheek van het instituut bevindt. Ik heb mij beperkt tot het bestuderen van algemene werken over de geschiedenis van Duitsland en van Japan alsmede van de beste werken over de politieke en militaire strategie van de grote oorlogvoerende mogendheden.

Indextermen: 'Geschiedwerk'
'SYSTEMATISCHE GESPREKKEN'

XC2. Een tweede uitgangspunt was dat ik, voordat ik een bepaald deel begon te schrijven, zoveel mogelijk alles had gelezen wat op dat moment over de te beschrijven materie in ons land was gepubliceerd - ik had dus bijvoorbeeld, toen ik aan deel 3 (Mei '40) begon, nagenoeg alles gelezen wat door anderen over de Duitse invasie was geschreven. Toen ik deel 3 af had, kwamen er weer nieuwe publikaties, soms uitgesproken waardevolle - het zijn die nieuwe publikaties die ik, bezig met het schrijven van deel 4 en volgende delen, niet heb kunnen bestuderen.

XC3. Elke publikatie was voor mij een met voorzichtigheid te hanteren bron - ik heb daarbij geen verschil gemaakt tussen werken van historici en van amateur-historici c.q. journalisten. Ook aan de onderzoekingen van leden van die laatste twee groepen heb ik vaak veel te danken gehad.

XCMijn derde bron vormden gegevens, verworven in gesprekken.

XCIk noem deze bron als derde omdat hij, als geheel genomen, de minst belangrijke was. Zeker, mondelinge mededelingen zijn soms van grote, een heel enkele keer zelfs van vitale betekenis geweest maar ik heb er niet naar gestreefd, dáárop mijn relaas te baseren. Men doet een beroep op het geheugen van tijdgenoten als aanvullende gegevens nodig zijn - meestal weet men al heel veel van de zaken die ter sprake komen.

XCEerder schreef ik over 'gesprekken, meestallangdurige, teneinde mijn kennis uit te breiden' - die gesprekken ('interviews') had ik in de regel degelijk voorbereid. Er zijn daarnaast nog talloze andere gesprekken geweest. Ik kwam van '45 af in contact met honderden personen die elk hun eigen ervaringen in de Tweede Wereldoorlog hadden gehad, hetzij in Europa, hetzij overzee. Deze meer losse gesprekken droegen bij tot de vorming van een algemeen beeld maar leidden er in de regel niet toe dat ik bepaalde aantekeningen maakte. Bij de langdurige, meer systematische gesprekken was dat wèl het geval. Ik begon er al mee in '55, zodra mij bij de bestudering van het eerste en het tweede Verslag van de Enquêtecommissie bleek dat veel niet voldoende opgehelderd was. Ik voerde toen gesprekken met Gerbrandyen van Kleffens alsmede (over de conflicten die zich in de neutraliteitsperiode hadden voorgedaan tussen de regering en de toenmalige opperbevelhebber van land- en zeemacht, generaalL H. Reynders) met het toenmalige hoofd van de sectie krijgsgeschiedenis van de Generale Staf, kolonel O. J. Siersema. Deze gesprek

VERANTWOORDING

ken vermeldend merkte ik in mijn eerste kwartaalverslag (d.w.z. mijn verslag over het tweede kwartaal ' 55) op,

XC'dat ik, voorziende dat ik in de loop der komende jaren met een groot aantal mensen over tal van onderwerpen zou moeten spreken, mij afgevraagd heb op welke wijze aldus te verkrijgen gegevens het beste vastgelegd kunnen worden. Het is denkbaar dat in sommige gevallen van stenografen of van draadgrammofoons 1 gebruik gemaakt zal moeten worden; over het algemeen lijkt het mij echter het beste dat zulks nagelaten wordt en dat genoegen genomen wordt met een situatie waarin ik, eventueel aan de hand van korte aantekeningen, zelf na het gesprek datgene opschrijf wat mij de moeite van het vastleggen waard lijkt. Men kan opmerken dat de op deze wijze te verkrijgen teksten geen authenticiteit zullen verwerven die boven alle twijfel verheven is. Ik kan dat slechts beamen doch moet daarbij naar voren brengen dat ik, waar het hier veelalom het verkrijgen van vertrouwelijke of zelfs zeer vertrouwelijke gegevens zal gaan, vrees geen succes te zullen boeken wanneer degene met wie ik spreek, weet dat ieder woord nauwkeurig vastgelegd wordt.'

XCTerugziende op alle meer systematische gesprekken die ik heb gevoerd, meen ik dat ik in ' 5 5 een juiste beslissing nam. Ik week overigens enigszins van mijn voornemen af: tijdens vrijwel elk gesprek maakte ik korte aantekeningen; degene met wie ik sprak, zag mij dat ook doen en hij of zij kende mijn opdracht. Aan de hand van die aantekeningen legde ik, per onderwerp op een apart 'fiche', de mij gedane mededelingen vast met vermelding van de zegsman of zegsvrouwe en van de datum van het gesprek. Ik heb in mijn werk als geheel enkele honderden van dergelijke mededelingen als citaten opgenomen - geen van diegenen die ik sprekend invoerde, heeft mij ooit verweten dat ik hem of haar woorden in de mond had gelegd die hij of zij niet had geuit.

XCN oem ik de namen van diegenen met wie ik van' 55 af (voordien had ik al gesprekken gevoerd met Rauter en andere vooraanstaande Duitsers alsook met een aantal vooraanstaande NSB'ers) dat meer systematische contact had, dan teken ik daarbij aan dat vaak van veel meer dan één gesprek sprake was (met Gerbrandy voerde ik er bijvoorbeeld zes, met Hirschfeld tien) - ik geef dat niet nader aan. Ik had van de namen één alfabetische lijst kunnen opnemen maar het lijkt mij zinvoller dat ik ze groepeer.

XCHier volgt dan mijn opgave.

XC1 Zo noemden wij ten institute de zogenaamde wire-recorders (pas later werden het band-recorders)

GESPREKKEN MET WIE?

XCLEDEN VAN HET KONINKLIJK HUIS koningin Wilhelmina, koningin Juliana, prins Bernhard.

XCOUD - MIN I ST ERS ir. J. M. Albarda, mr. J. R. M. van Angeren, dr. G. Bolkestein, J. M. de Booy, mr. J. A. W. Burger, J. Th. Furstner, jhr. mr. D. J. de Geer, prof. mr. P. S. Gerbrandy, mr. dr. G. J. van Heuven Goedhart, P. A. Kerstens, mr. E. N. van Kleffens, mr. dr. A. A. van Rhijn, mr. M. P. L. Steenberghe, Ch. J. 1. M. Welter. 1

XCMILITAIRE SECTOR kolonel C. M. Olifiers (sectie III B Generale Staf), generaal-majoor b.d. H. J. Phaff (adjudant van koningin Wilhelmina), generaal-majoor b.d. J. G. M. van der Plassche (hoofd sectie III B), generaal b.d. I. H. Reynders, J. C. Roelofsen (medewerker sectie III B), luitenant-generaal b.d. H. F. M. baron van Voorst tot Voorst (chef van de landmachtstaf), luitenant-generaal b.d. J. C. C. P. Wilson (chef sectie operaties Algemeen Hoofdkwartier)."

XC'L 0 N DEN' mr. J. G. de Beus (secretaris van Gerbrandy), dr. M. van Blankenstein (hoofdredacteur van het Londense Vrij Nederland), mr. C. L. W. Fock (Bureau Inlichtingen), K. de Graaf (Bureau Bijzondere Opdrachten), mr. Ch. H. J. F. van Houten (Bureau Inlichtingen), A. M. de Jong (Zweedse Weg), F. J. Klijzing (Bureau Bijzondere Opdrachten), luitenant-generaal b. d. mr. H. J. Kruls (Militair Gezag), mr. H. P. Linthorst Homan (Militair Gezag), kapitein-ter-zee b.d. C. Moolenburgh (marine-attaché), S. Noach (Engelandvaarder), schout-bij-nacht b.d. J. W. F. Nuboer (adviseur van Gerbrandy), dr. A. Pelt (hoofd Regeringsvoorlichtingsdienst), W. Chr. Posthumus Meyjes (Militair Gezag), ir. J. B. G. M. ridder de van der Schueren (Militair Gezag), F. van 't Sant (secretaris van de koningin), M. Sluijser (Buitengewone Raad van Advies), dr. J. M. Somer (Bureau Inlichtingen), C. van Stolk (regeringscommissaris voor de voedselaankopen), P. Tazelaar (geheime operaties), ds. W. A. Visser 't Hooft (Zwitserse Weg A).Q.

I Inzake oud-minister A. H. Dijxhoorn, overleden voor ik mijn opdracht kreeg, nam ik contact op met zijn weduwe. 2 Inzake generaal H. G. Winkelman, overleden voor ik mijn opdracht kreeg, nam ik contact op met zijn dochter.

VERANTWOORDING

XCOVERHEID BEZET NEDERLAND majoor b.d. J. N. Breunese (Opbouw- en Arbeidsdienst), prof. dr. J. van Dam (secretaris-generaal), mr. K. J. Frederiks (secretaris-generaal), dr. H. M. Hirschfeld (secretaris-generaal), F. Q. den Hollander (directeur Artillerie-Inrichtingen), dr. W. Hupkes (Nederlandse Spoorwegen), mr. S. J. R. de Monchy (burgemeester), mr. H. J. Reinink (hoofdambtenaar), C. Ringeling (secretaris-generaal), mr. C. J. M. Schaepman (secretaris College van Secretarissen-Generaal).

XCNEDERLANDSE UNIE H. Roelfsema, dr. H. G. van der Wielen.

XCNSB mej. C. W. van Bilderbeek (Musserts secretaresse), M. Meuldijk (NSB en Nederlandse Arbeidsdienst), E. J. Roskam ('Boerenleider').

XCJODENVERVOLGING L. Asscher (zoon van Abr. Asscher, voorzitter Joodse Raad), prof. dr. D. Cohen (voorzitter Joodse Raad), mr. dr. W. Diamand (schoonzoon van A. Asscher), Ch. Engel en S. Engel-Wijnberg (deelnemers aan de Sobibor-opstand), M. H. Gans (voorzitter van de Joodse Coördinatie-Commissie in Zwitserland), prof. mr. 1. Kisch (lid van de Joodse Coördinatie-Commissie in bezet Nederland), E. Spier (notaris).

XCV ERZET EN ILLEGALITEIT vier leden van de familie Allers (geheim agent van Hamel), mr. P. L. baron d' Aulnis de Bourouill (geheim agent), Einar Berkovich (groep-Gerrit van der Veen), W. A. H. C. Boellaard (OD), Joh. Bogaard (Joodse onderduik), A. M. Boissevain-van Lennep (groep-CS 6), mr. L. H. N. F. H. Bosch ridder van Rosenthal (verzetswerk van zijn vader), mr. C. Brouwer (groep-Albrecht), prof. W. Bruin (kunstenaarsverzet), ds. J. J. Buskes (kerkelijk verzet), prof. mr. R. P. Cleveringa (College van Vertrouwensmannen), J. Carels (geheime telefoonverbindingen), mr. J. Cramer (College van Vertrouwensmannen), prof. dr. Ch. Defresne-Ruys (hooglerarenverzet), ir. H. Deinum (groep-Paokard), mgr. J. A. E. van Dodewaard (kerkelijk verzet), G. A. Dogger (OD), dr. W. Drees (Vaderlands Comité, College van Vertrouwensmannen, Contact-Commissie), C. J. Engel-Oostwal (Raad van Verzet), J. J. van der Gaag (Raad van Verzet, College van Vertrouwensmannen), mgr. dr. J. Geerdinck (kerkelijk verzet), A. J. Gelderblom (Nationaal Steunfonds), ds. K. H. E. Gravemeijer (kerkelijk verzet), dr. J. F. Ph. Hers (geheim agent van Hamel), jhr. mr. M. L. van Holthe tot Echten (Bosch van Rosenthal), schout-bij-nacht b.d. H. Jolles (OD), W. C. de Jong-Weber (CS-6), M.

GESPREKKEN MET WIE?

Kiek (geheim agent MI-g), dr. E. Kits van Waveren (BS), mr. A. B. J. Koch (spionage), H. Ch. Kohlbrugge (OD, Zwitserse Weg), H. J. de Koster (groep- 'Peggy'), W. Ch. J. M. van Lanschot (ID), mr. E. E. Menten (financiering verzet), S. Minco (de Geuzen), Chr. Navis (OD), dr. L. Neher (Nationaal Comité van Verzet, College van Vertrouwensmannen), Ed. de Nève (pilotenhulp), dr. W. F. Noordhoek Hegt (illegaliteit Den Haag), mr. J. le Poole (College van Vertrouwensmannen), H. M. van Randwijk (Vrij' Nederland), F. Reuter (CPN), dr. J. H. van Roijen (College van Vertrouwensmannen), jhr. mr. J. A. G. Sandberg (financiering verzet), W. J. H. B. Sandberg (groep-van der Veen), L. Scheepstra (LKP), J. M. Schuilenga (CID), W. Schwarz-van Santen (CS-6), jhr. P. Six (OD), K. C. van Spronsen (prof. dr. K. Schilder), K. R. van Staal (contacten met A. van der Waals), mr. M. A. Tellegen (Nationaal Comité van Verzet), P. M. C. Toepoel (Raad van Verzet), M. R. Tuininga-Boissevain (BS), P. Veerman (Dutch-Paris), C. Verbiest (groep-van der Veen), W. B. Vreugdenhil (groep-Frans Duwaer), G. Wagenaar (CPN, Raad van Verzet), dr. H. M. J. I. Wagenaar (kerkelijk verzet), W. Wagenaar (Stijkelgroep), mr. J. c. S. Warendorf (Het Parool), mr. H. A. Wassenbergh (verzet rechterlijke macht), drs. E. P. Wellen stein (illegaliteit Den Haag), G. Wolffensperger-Rübsaam (groep-van der Veen), generaal-majoor b.d. J. Zwart (OD).

XCBEVRIJDE ZUIDEN dr. J. Hoekstra (arrestatiebeleid), mr. E. L. M. H. baron Speyart van Woerden (procureur-generaal Den Bosch), ir. Th. P. Tromp (relaties Militair Gezag).

XCNEDERLANDS-INDIË EN DE WEST J. P. K. van Eechoud (Nica), luitenant-admiraal b.d. C. E. L. Helfrich (commandant-zeemacht, Bevelhebber Strijdkrachten Oosten), mr. J. A. Jonkman (voorzitter Volksraad), mr. J. E. van Hoogstraten (directeur Ec~nomische Zaken), J. W. Meijer Ranneft (vice-president Raad van Nederlands-Indië), mr. K. G. P. Michielsen (Ne.fis), dr. H. J. van Mook (luitenant-gouverneur-generaal), mr. J. J. Quéré (geheime operaties), jhr. mr. A. W. L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer (gouverneur-generaal), G. J. J. Wouters (gouverneur der Antillen).

XCIk heb dus van 1955 af grondig voorbereide gesprekken gevoerd met in totaal honderdzeven-en-veertig personen. Ik zou dat cijfer niet méér willen noemen dan een redelijk minimum.

De kritische lezing der concept-manuscripten

XC

XCIn '58 schreef ik het hoofdstuk over Nederland in de Tweede Wereldoorlog dat opgenomen zou worden in de Algemene Geschiedenis der Nederlanden. Het concept legde ik niet alleen aan het bestuur, de adviseurs en de wetenschappelijke staf van het instituut voor maar ook aan Presser en aan generaal-majoor b. d. V. E. Nierstrasz en enkele andere deskundigen van de Krijgsgeschiedkundige Afdeling van de Generale Staf. Van allen ontving ik nuttige opmerkingen en dat leidde er toe dat ik in mijn eerste kwartaalverslag over 1958 het volgende opmerkte:

XC'Deze contacten (voor de dagelijkse contacten met de wetenschappelijke staf van het instituut geldt hetzelfde) versterkten mijn overtuiging dat het manuscript dat ik t.z.t. hoop te schrijven, nauwkeurig gelezen moet worden door talrijke personen die elk op eigen terrein speciale deskundigheid verworven hebben; het probleem zal zijn, hun kritische opmerkingen tot hun recht te laten komen zonder aan de eenheid van vormgeving te veel geweld aan te doen. Ik heb alle hoop dat dit vraagstuk in een praktijk van goede samenwerking een harmonische oplossing zal vinden.'

XCHet voorleggen van de concept-teksten aan een brede kring kritische lezers leek mij niet alleen uit wetenschappelijk oogpunt wenselijk maar ook op grond van het feit dat ik in opdracht van de regering schreef: ik was van oordeel dat de minister, werd hij ooit wegens een gepubliceerd deel van mijn werk ter verantwoording geroepen, er op moest kunnen wijzen dat bij de voorbereiding daarvan grote zorgvuldigheid was betracht.

XCDe kritische lezers vielen in drie groepen uiteen: historische deskundigen, al of niet betrokken bij de arbeid van het instituut, officiële instanties in Den Haag en eertijds vooraanstaanden wier daden ik zou beschrijven of op wier kritisch oordeel ik om andere redenen prijs stelde.

XCWie hebben als kritische lezers gefungeerd? Ik laat een volledige opgave volgen.

XC1. het bestuur van het instituut. De concept-delen 1,2,3

WIE LAZEN MIJN CONCEPTEN?

door de hoogleraren van Winter (voorzitter), van der Kooy en Hermesdorf, het concept-deel 4 bovendien door de hoogleraren dr. J. A. de Jonge, dr. P. W. Klein en dr. A. F. Manning, de concept-delen 5 en 6 door het bestuur in zijn nieuwe samenstelling: Manning (voorzitter), de Jonge en Klein. De Jonge overleed in april '75 hij werd opgevolgd door mr. P. J. Verdam. Manning, Klein en Verdam zijn als bestuursleden lezers geweest van de concept-delen 8, 9, 10 a en 10 b - Verdam heeft toen plaats gemaakt voor de hoogleraar mr. E. J. H. Schrage. Ten tijde van de voorbereiding van de delen I I a, I I b, I I C en 12 bestond het bestuur dus uit Manning (voorzitter), Klein en Schrage.

XC2. de adviseurs voor het Geschiedwerk. Van de vier oorspronkelijke adviseurs (de hoogleraren Brandt, Brugmans en Rogier en dr. de Pater) overleed Brandt nog voor ik de concept-tekst van deel I begon te schrijven. Brugmans, Rogier en de Pater zijn als kritische lezers opgetreden van de concept-delen 1,2 en 3. Na het overlijden van de Pater hebben Brugmans en Rogier de concept-tekst van de delen 4 en 5 gelezen, 5 samen met van Winter en Hermesdorf die na hun aftreden als bestuurslid adviseur waren geworden. Rogier overleed voordat hem de concept-tekst van deel 6 kon worden voorgelegd. Adviseurs bij de delen 6, 7 en 8 waren Brugmans, Hermesdorf en van Winter. Voordat deel 9 in concept gereed was, overleed Hermesdorf - prof. dr. B. A. Sijes werd toen adviseur. Adviseurs voor de delen 9, 10 a en IQ b waren Brugmans, van Winter en Sijes, aan welke groep Sijes in '81 kwam te ontvallen - zijn plaats werd ingenomen door A. J. van der Leeuw. Toen het concept voor deel 10 b besproken was, beëindigde van Winter zijn adviseurstaak. Voor de concept-delen II a, II b en II c (de drie 'Indische' delen) werden op mijn voorstel de hoogleraar dr. C. Fasseur en drs. R. C. Kwantes (de bewerker van de in de periode '75-'83 verschenen vier delen De ontwikkeling van de nationalistische beweging in Nederlands-Indië) als adviseurs aangetrokken, voor deel I I C bovendien luitenant-generaal b.d. F. van der Veen. Met betrekking tot de concept-tekst van deel 12 ging Verdam opnieuwals adviseur fungeren en met betrekking tot hoofdstuk 7 ('De worsteling met de Republiek Indonesië') deden dat bovendien Fasseur, Kwantes en van der Veen alsmede Brugmans die zijn adviseurstaak met betrekking tot dat deel tot hoofdstuk 7 heeft beperkt.

XCVan de bestuursleden van het instituut heeft dus van Winter hetzij als bestuurslid, hetzij als adviseur zijn aandacht tot tien van de twaalf delen kunnen uitstrekken en van de vier oorspronkelijke adviseurs is Brugmans de enige geweest die het project tot het einde toe heeft begeleid.

VERANTWOORDING

XC3. De wetenschappelijke staf van Oorlogsdocumentatie. Aan elf staf- resp. oud-stafleden zijn alle delen in concept voorgelegd: mevr. P. C. Gerritse, drs. E. G. Groeneveld, mevr. mr. E. Groeneveld-Ottow, mevr. A. E. Heuwekemeijer-de Lange, mevr. A. H. ]oustra, A. J. van der Leeuw (vanaf deel 10 b tevens adviseur), drs. A. H. Paape, F. de Rochemont, drs. C. J. F. Stuldreher, dr. N. K C. A. in 't Veld en J. Zwaan.

XCAan andere stafleden, die het project van deel I afvolgden, werd door hun overlijden of als gevolg van hun pensionering of door hun vertrek uit de kring van het instituut slechts een gedeelte van de serie in concept voorgelegd. Dit waren: P. A. Bos (t.e.m. deel 10 a), dr. R. de Bruin (t.e.m. deel II a), mevr. drs. E. Fraenkel- Verkade (t.e.m. deel 10 a), P. Rijser (t.e.m. deel 3), Sijes (t.e.m. deel 10 a), kapitein-ter-zee b.d. A. G. Vromans (t.e.m. deel v).

XCWeer andere stafleden konden pas ingeschakeld worden nadat zij, terwijl het project al gaande was, bij het instituut in dienst waren getreden. Dit waren: drs. D. Barnouw (vanaf deel 10 a), mevr. E. P. Dütting (deel 12), drs. D. van Galen Last (vanaf deel 9), drs. R. Havenaar (deel 7 t.e.m. deel II b), drs. J. Th. M. Houwink ten Cate (vanaf deel II a), mevr. drs. M. de Keizer (vanaf deel 10 b), mevr. A. Kloosterman (deel 6), P. F. F. van Leeuwen (deel 6), mevr. drs. P. Micheels (deel 4 t.e.m. deel 8), J. A. van Rhijn (deel v), drs. P. Romijn (vanaf deel I I a), mevr. A. SchölvinckStork (deel 4) en drs. G. P. van der Stroom (vanaf deel 8).

XC4. De hoofden van de secties voor militaire geschiedenis van de Koninklijke Marine, de Koninklijke Landmacht en de Koninklijke Luchtmacht. De benamingen van deze secties zijn nogal eens veranderd en elke sectie heeft in de jaren '68-'88 verscheidene hoofden geteld - bij de Koninklijke Marine commandeur b.d. J. F. van Dulm (delen I t.e.m. 4), kapitein-luitenant ter zee F. C. van Oosten (delen 5 t.e.m. II a) en drs. G. J. A. Raven (delen II b, I I C en 12), bij de Koninklijke Landmacht luitenant-kolonel G. J. van Ojen jr (delen I t.e.m. 6), dr. C. M. Schulten (deel 7 t.e.m. deel II c) en drs. P. M. Kamphuis (deel 12), bij de Koninklijke Luchtmacht kolonel F. J. A. Lutz (deel I t.e.m. deel 3), mr. J. W. Th. Bosch (deel 4), kolonel J. A. Drijgers (delen 5 en 6), luitenant-kolonel P. H. A. Schmidt Crans (deel 7), luitenant-kolonel H. M. G. Coolen (delen 8 t.e.m. 10 b) en luitenantkolonel J. A. Boon (deel II a t.e.m. deel 12). De genoemden hebben menigmaal bij het maken van kritische opmerkingen deskundige stafleden ingeschakeld, van wie ik in verband met haar kritische opmerkingen bij het concept-deel 12 speciaal mevr. drs. P. M. H. Groen wil noemen.

WIE LAZEN MIJN CONCEPTEN?

XC5. Een hoofdambtenaar van het ministerie van Algemene Zaken. De conceptteksten van de delen I t.e.m. 4 zijn voorgelegd aan de secretaris-generaal, jhr. mr. A. M. van Nispen tot Pannerden; zijn taak is na zijn overlijden overgenomen door H. de Ru, aanvankelijk directeur van de Regeringsvoorlichtingsdienst, later raadadviseur (oud-raadadviseur) in het Kabinet van de minister-president. 1

XC6. Een hoofdambtenaar van het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen. De concept-teksten van alle delen zijn voorgelegd aan dr. E. Haas, chef van de directie bevordering wetenschapsbeoefening; hij is ook na zijn pensionering het project blijven begeleiden."

XCHebben de onder I tot 6 genoemde instanties resp. personen bemoeienis gehad met alle concept-delen, er zijn daarnaast instanties resp. personen geweest, aan wie slechts één of meerdere concept-delen voorgelegd werden.

XCDE DELEN I T.E.M. 10 a aan mr. E. N. van Kleffens, oud-minister van buitenlandse zaken.

XCDE DELEN I T.E.M. 10 b aan dr. W. Drees, oud-minister-president.

XCDE DELEN I (Voorspel),2 (Neutraal) en 3 (Mei '40) aan prof. dr. J. Presser.

XCDEEL 2 bovendien aan oud-minister mr. M. P. L. Steenberghe, luitenant-generaal b.d. H. F. M. baron van Voorst tot Voorst (onder generaal Winkelman chef-staf van de landmacht), K. W. L. Bezemer (deskundige t.a.v. de geschiedenis van de Koninklijke Marine en de Nederlandse koopvaardij) en kolonel b.d. F. J. Molenaar (deskundige t.a.v. de geschiedenis van de luchtverdediging).

1 Ter voorkoming van misverstand: van Nispen tot Parmerden en de Ru hebben hun kritische opmerkingen steeds gemaakt. 2 Ook dr. Haas heeft zijn opmer kingen steeds gemaakt.

VERANTWOORDING

XCDEEL 3 aan de vier zojuist genoemde personen en bovendien aan oud-minister mr. dr. A. A. van Rhijn,

XCDEEL 4 (Mei '40-maart '41) aan de leden van het Driemanschap van de Nederlandse Unie: mr. L. Einthoven, mr. J. Linthorst Homan en prof. dr. J. E. de Quay.

XCDEEL 8 (Gevangenen en gedeporteerden) aan de oud-gevangenen resp. -gedeporteerden mr. F. B. Bakels, W. A. H. e. Boellaard, dr. E. A. Cohen, H. P. J. van Ketwich Verschuur, drs. A. Treurniet en N. Wijnen en bovendien aan prof. dr. J. Bastiaans, A. Hiemstra- Timmenga (eerder hoofd van de afdeling Onderzoek gevangenissen en concentratiekampen van Oorlogsdocumentatie), W. van der Noordaa-van der Veer (hoofd van het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis) en mr. e. R. e. Wijckerheld Bisdom (tijdens de bezetting verdediger van talrijke politieke gevangenen).

XCDEEL 9 (Londen) aan de oud-ministers mr. J. A. W. Burger en van Rhijn, aan dr. A. Pelt (hoofd van de Regeringsvoorlichtingsdienst), dr. P. A. Kasteel (tot mei '42 secretaris van Gerbrandy, nadien gouverneur van de Nederlandse Antillen), dr. J. G. de Beus (Kasteels opvolger als secretaris van Gerbrandy), jhr. mr. H. F. L. K van Vredenburch (ambtenaar van de buitenlandse dienst) en drs. (later prof. dr.) A. E. Kersten (bewerker van de serie Documenten over de Nederlandse buitenlandse politiek, 1940-1945).

XCDE DELEN 10 a (Het laatstejaar I), 10 b (Het laatstejaar II) en 12 (Epi loog) aan het hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst.

XCDEEL 10 a voorts aan prins Bernhard, de Beus, van Vredenburch, Kersten, mr. e. L. W. Fock (tijdens de hongerwinter hoofd van het Bureau Inlichtingen te Londen) en verder nog aan acht leidende figuren uit de illegaliteit: jhr. P. J. Six (chef-staf van de 'derde' Ordedienst), prof. dr. ir. H. van Riessen en P. W. Hordijk (de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers en de Landelijke Knokploegen), G. Wagenaar (Raad van Verzet), mr. J. Cramer, J. van der Gaag en mr. J.le Poole (allen College van Vertrouwensmannen) en drs. J. Meijer (Contact-Commissie der Illegaliteit); jhr. Six betrok bij zijn adviezen zes van zijn vroegere medewerkers: Boellaard, mr. e. J. F. Calj é, ir. J. A. van Heerde, mevr. Kohlbrugge, Chr. Navis en e.

WIE LAZEN MIJN CONCEPTEN?

XCDEEL lob, EERSTE HELFT aan prins Bernhard en de achttien overige zojuist onder deel 10 a genoemde personen.

XCDEEL 10 b, TWEEDE HELFT aan dezelfden (behalve van Vredenburch).

XCDEEL I I a (Nederlands-Indië I) aan een grote groep Indische deskundigen: Raden Abdoelkadir Widjojoatmodjo (in Indië voorzitter van de Vereniging van Ambtenaren van het Inlands Bestuur en nadien medewerker van de uitgeweken luitenant-gouverneur-generaal dr. van Mook), prof. dr. H. W. Bachtiar (hoogleraar aan de Universiteit van Indonesië te Djakarta), Bezemer, kapitein-luitenant-ter-zee dr. Ph. M. Bosscher (geschiedschrijver van de Koninklijke Marine in de Tweede Wereldoorlog), mr. dr. P. Creutzberg (bewerker van de documenten over het in Nederlands-Indië gevoerde economische beleid 1900-1942), dr. P. Drooglever (bewerker van het seriewerk Officiële bescheiden over de Nederlands-Indone sische betrekkingen 1945-1949), dr. Go Gien Tjwan (wetenschappelijk medewerker van het Instituut voor moderne Aziatische geschiedenis van de Universiteit van Amsterdam), dr. J. van Goor (wetenschappelijk medewerker voor Oost-Aziatische geschiedenis aan de Rijksuniversiteit te Utrecht), kolonel b.d. C. A. Heshusius (deskundige t.a.v. het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger), mr. van Hoogstraten (directeur van het departement van Economische Zaken te Batavia), prof. Kersten, W. Kielich (in Indië geboren publicist), mr. J. G. Kist (voor de oorlog ambtenaar van de gemeente Batavia, nadien medewerker van van Mook), dr. P. J. Koets (tot '41 leraar te Batavia), prof. dr. J. M. Pluvier (hoogleraar in de moderne Aziatische geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam), prof. dr. Sartono Kartodirdjo (hoogleraar aan de Gadjah Mada-universiteit te Djokjakarta), mr. B. van Tijn (voorzitter van de Indische Sociaal-Democratische Partij), dr. D. van Velden (deskundige op het gebied van de Japanse interneringskampen voor burgers), ir. C. J. Warners (hoofd van de Technische Dienst en de Telefoonexploitatie der Indische PTT), prof. dr. W. F. Wertheim (oud-hoogleraar in de geschiedenis en sociologie van Indonesië aan de Universiteit van Amsterdam) en E. van Witsen (deskundige op het gebied van de Japanse kampen voor krijgsgevangenen).

XCDEEL I I b aan de onder II a vermelde personen behalve Creutzberg, Kielich en van Wits en (Creutzberg en van Witsen waren overleden, Kielich woonde tijdens de oorlog in Nederland) en voorts aan dr. Ide Anak Agoeng Gde Agoeng (oud-minister-president van de deelstaat

VERANTWOORDING

Oost-Indonesië) en S. S. Diredja (deskundige op het gebied van de romoe.ifa-inzet).

XCDEEL I I C aan de onder II a vermelde personen (behalve Creutzberg, Kielich, van Witsen, prof. Bachtiar en van Tijn) en bovendien aan mr. J. J. Quéré (in' 42-'43 belast met het uitzenden van geheime agenten naar Nederlands-Indië) en H. V. Quispel (in Australië hoofd van de Nether lands-Indies Government Information Service).

XCDEE L 12 als geheel is slechts voorgelegd aan de leden van de eerder onder 1-6 opgesomde groepen (de 'vaste lezers').

XCIk kom nu tot de opgave van de namen van diegenen aan wie niet gehele delen maar alleen bepaalde hoofdstukken of gedeelten van hoofdstukken in concept werden voorgelegd.

XCBij D EEL I (Voorspel) waren dit koningin Juliana, prins Bernhard, prins Claus en dr. E. Diemer: aan de koningin en prins Bernhard werd uit het concept-hoofdstuk I4 ('Nederland en Duitsland') de paragraaf 'Prins Bernhard' voorgelegd waarin o.m. hun verloving en huwelijk beschreven werden; koningin Juliana ontving bovendien alle tekstgedeelten welke op stukken uit het archief van het Kabinet der Koningin gebaseerd waren, en prins Bernhard bovendien het concept-hoofdstuk IS:'De defensie'. Aan prins Claus legde ik het concept-hoofdstuk I3 ('Das Dritte Reich') voor. Dr. E. Diemer gaf mij advies inzake het tekstgedeelte over de persoon van Gerbrandy.

XCVan DEEL 2 (Neutraal) werd hoofdstuk I ('Koningin Wilhelmina') in concept voorgelegd aan koningin Juliana, aan de minister-president (P. J. S. de Jong), aan de minister van Onderwijs en Wetenschappen (dr. G. H. Veringa) en bovendien aan drie personen die veelvuldige contacten hadden gehad met koningin Wilhelmina: mevr. mr. M. Tellegen (na de bevrijding directeur van het Kabinet der Koningin), drs. M. Kohnstamm en mevr. J. c. M. Geldens (na de bevrijding haar particuliere secretarissen) en Th. Booy (o.m. haar medewerker bij de voorbereiding van haar autobicgrafie Eenzaam maar niet alleen), en aan Henriëtte L. T. de Beaufort

WIE LAZEN MIJN CONCEPTEN?

(schrijfster van het in '65 verschenen werk Wilhelmina 1880-1962. Een levensverhaal). Ik deed voorts een beroep op het inzicht van twee mij goed bekende psychologische deskundigen: dr. A. Lampl-de Groot en E. IsaacEdersheim.

XCVan DEEL 4 (Mei 'so=maart '41) werd hoofdstuk 16 ('Het begin van de Jodenvervolging') in concept voorgelegd aan mr. dr. J. Donner (betrokken bij het eerste kerkelijke protest tegen die vervolging) en voorts aan kardinaal B. AJfrink en mr. Joan Th. Stakenburgde eerste in verband met het gebruik van stukken uit het aartsbisschoppelijk archief, de tweede in verband met het gebruik van stukken uit het archief van Arnold Meyers Nationaal Front.

XCVan DEEL 5 (Maart '41-juli '42) werden de concept-hoofdstukken I, 2 en 3 waarin de Nederlandse Unie ter sprake kwam, voorgelegd aan de eerder genoemde leden van dat Driemanschap en op hun verzoek bovendien aan drie personen met wie zij in de jaren '40-'42 veel contact hadden gehad: G. Boekhoven, mgr. A. C. Ramselaar en dr. J. H. van Roijen. Hoofdstuk 6 ('Naar het ghetto') werd in concept voorgelegd aan prof. mr. I. Kisch (lid van de Joodse Coördinatie-Commissie en een van de zeer weinigen die het lidmaatschap van de Joodse Raad neerlegden) en de historicus dr. J. Melkman (Michman), hoofdstuk 8 ('Van kerken en kunstenaars') aan Donner en dr. H. M. J. Wagenaar (naaste medewerker van dr. Gravemeyer, de voorman van het verzet der Nederlandse Hervormde kerk), de hoofdstukken 9 ('De illegaliteit') en 10 ('Contact met Londen') aan twee van diegenen die in '41-'42 betrokken waren bij het opbouwen van een geheime verbinding uit Engeland 'via het strand': mr. S. E. Hazelhoff Roelfzema en P. Tazelaar, en hoofdstuk 12 ('Naar de Endlösung') aan Kisch. Bovendien werden alle passages in deel 5 waarin gebruik was gemaakt van archiefstukken van het Nationaal Front, voorgelegd aan mr. Stakenburg.

XCVan DEEL 6 tfuli 's z=mei '43) werden de hoofdstukken I ('Jodendeportaties, eerste fase') en 4 ('Jodendeportaties, tweede fase') in concept voorgelegd aan Kisch, hoofdstuk 3 ('De illegaliteit') aan P. Wijbenga (geschiedschrijver van het verzet in Friesland), L. Pot (oprichter van een spionagegroep) en aan Six en drie van zijn naaste medewerkers: Boellaard, Navis en mevr. Kohlbrugge; het gedeelte uit hoofdstuk 3 waarin de overval te Joure beschreven werd, werd bovendien voorgelegd aan D. D. B. van Veen, die daar een belangrijke rol bij had gespeeld, en aan

VERANTWOORDING

Sjoerd Leiker die van deze overval een speciale studie had gemaakt. Hoofdstuk 8 (' 'In naam van het recht") werd in concept voorgelegd aan Donner, mr. H. A. Wassenbergh (tijdens de bezetting officer van justitie te Amsterdam) en mr. D. Giltay Veth. Uit hoofdstuk 9 ('Toenemend verzet') werd de paragraaf 'De aanslag op het Amsterdamse bevolkingsregister' in concept voorgelegd aan een van de deelnemers aan die aanslag, prof. dr. F. Dekking. Over de concept-hoofdstukken 9 en 10 ('De AprilMeistakingen') won ik nog het oordeel in van prof. dr. P. J. Bouman, auteur van de in opdracht van het Rijksinstituut geschreven, aan die stakingen gewij de monografie.

XCVan DEEL 7 (Mei '43-juni '44) werd hoofdstuk I ('Verarmend Nederland'), handelend over de economie van bezet Nederland in de periode zomer '4D-ZOmer '44, in concept voorgelegd aan het Centraal Bureau voor de Statistiek, aan drie economische deskundigen: de hoogleraren dr. E. W. Hofstee, dr. J. Pen en dr. J. H. van Stuyvenberg, en bovendien aan dr. M. W. Holtrop (de eerste naoorlogse president van de Nederlandse Bank) en dr. B. Pruijt (tijdens de oorlog verbonden aan de Dienst van de Gemachtigde voor de Prijzen), de hoofdstukken 2 ('Jodendeportaties, derde fase') en 3 ('Slot der Jodenvervolging') aan Kisch en Melkman (en uit hoofdstuk 3 de Weinreb-paragraaf bovendien in verband met enkele formuleringen op psychologisch gebied aan de Amsterdamse hoogleraar in de psychiatrie dr. P. C. Kuiper), en de hoofdstukken 6, 7, 8 en 9, handelend over de illegaliteit in de periode mei '43-juni '44, aan een brede groep leidende figuren uit de illegaliteit: prof. dr. H. van Riessen (Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers), L. Scheepstra (Landelijke Knokploegen), mr. G. van Hall (Nationaal Steunfonds), G. Wagenaar en F. Reuter (de illegale CPN en de Raad van Verzet), mr. G. H. Slotemaker, mr. J. Cramer, dr. W. A. Visser 't Hooft en drs. E. Eisma (allen: de 'Zwitserse Weg'), mr. P. L. baron d'Aulnis de Bourouill (geheim agent van het Bureau Inlichtingen), H. J. de Koster (spionagegroep'Kees'), mevr. Tellegen (Nationaal Comité van Verzet), mr. A. H. van Namen (Vrij Nederland), C. J. Rübsaarn (de Persoonsbewijzencentrale) en aan jhr. Six (Ordedienst), nu met zeven van zijn vroegere medewerkers: behalve de drie die wij zojuist onder deel 6 noemden, ook G. A. van Borssum Buisman, Caljé, van Heerde en C. Ch, Westerveld.

XCVan DEEL 8 (Gevangenen en gedeporteerden) werd hoofdstuk 2 ('Krijgsgevangenen') in concept voorgelegd aan luitenant-generaal b.d. A. V. van de Wall Bake, hoofdstuk 3 ('Gijzelaars') aan drie oud-gijzelaars: H. van

WIE LAZEN MIJN CONCEPTEN?

Wermeskerken, prof. mr. P. Sanders en prof. mr. J. H. W. Verzijl. hoofdstuk 9 ('Hulp van buiten') aan twee vrouwen die ten nauwste bij die hulp betrokken waren: L. A. H. M. van Overeem-Ziegenhardt en G. WijsmulIer-Meijer: bovendien werd dit hoofdstuk via het bestuur van het Nederlandse Rode Kruis voorgelegd aan het bestuur van het Internationale Rode Kruis.

XCVan DEEL 9 (Londen) werden de hoofdstukken 4 ('Indië bedreigd') en 5 ('De val van Indië') in concept voorgelegd aan prof. dr. S. L. van der Wal (de eerste bewerker van het seriewerk Officiële bescheiden over de Nederlands-Indonesische betrekkingen 1945-1949), hoofdstuk 10 ('Koopvaardij') aan Bezemer, L. Ruys (hoofdmedewerker van de Nederlandse Scheepvaarten Handelscommissie te Londen), mr. D. A. Delprat (lid van het Nederlands Scheepvaart Comité te New York), mr. H. L. Hoekstra (een van Delprats medewerkers) en mr. J. J. Oyevaar (na de bevrijding directeur-generaal van de koopvaardij). De hoofdstukken I I ('Geheime diensten') en 12 ('Het Englandspiel') werden voorgelegd aan Fock, prof. dr. G. Duisterwinkel (griffier van de subcommissie van de Enquêtecommissie 'Regeringsbeleid 1940-1945', die de geheime diensten en het Englandspiel had onderzocht), H. M. G. Lauwers (geheim agent van de Special Operations Executive) en Jelte Rep, auteur van het in '77 verschenen werk Englandspiel. Spionagetragedie in bezet Nederland 1942-1944. Hoofdstuk 14 ("Vernieuwd' Nederland ?') ontvingen in concept de hoogleraren dr. C. W. Mönnich en J. Kamphuis, zulks in verband met de tekstgedeelten over resp. de Nederlandse Hervormde Kerk en het dogmatische geschil binnen de Gereformeerde Kerken. Hoofdstuk 16 ('Economische en sociale wederopbouw') werd voorgelegd aan mr. H. van Blankenstein (hoofdambtenaar van het Londense departement van Economische Zaken). Tenslotte werden van hoofdstuk 6 ('Doorvechten!') de paragraaf over de regeringsfinanciën in concept voorgelegd aan de Algemene Rekenkamer en de directie van de Nederlandse Bank, de paragraaf 'De West' aan dr. J. Hartog (historicus van de Nederlandse Antillen), de paragraaf 'Prinses Juliana / prins Bernhard' aan koningin Juliana en prins Bernhard. Ook ontvingen de koningin en de minister-president, mr. A. A. M. van Agt, de concept-paragraaf 'Van 't Sant' uit hoofdstuk II.

XCVan DEEL r o a (Het laatstejaar I) werden de hoofdstukken 8 t.e.m. 12, alle handelend over de ontwikkelingen in het bevrijde Zuiden, in concept voorgelegd aan drs. L. J. G. van Oudheusden en drs. J. A. M. Verboom,

VERANTWOORDING

auteurs van de in '77 verschenen studie Herstel en Vernieuwingsbeweging in het bevrijde Zuiden. Eindhoven, 's Hertogenbosch en Waalwijk 1944-1945.

XCVan D EEL lob (Het laatste jaar II) werd hoofdstuk I ('Naar de katastrofe') in concept voorgelegd aan drs. P. R. A. van Iddekinge (deskundige t.a.v. het leegroven van Arnhem), hoofdstuk 3 ('Hongerwinter') aan van Stuyvenberg, het gedeelte uit hoofdstuk 5 ('Terreur'), handelend over de besprekingen van Haagse illegale werkers met de Haagse SD, aan drs. E. P. Wellenstein en dr. W. F. Noordhoek Hegt (beiden bij die zaak betrokken), hoofdstuk 6 ('Illegaal werk') aan van Namen, de hoofdstukken 7 ('Koot, Thijssen en van Bijneri') en 8 ('De Binnenlandse Strijdkrachten') aan A. G. Kloots (vertegenwoordiger van de Landelijke Knokploegen in het Delta-Centrum), Th. A. W. Ruys (commandant van de brigade-Rotterdam van de Raad van Verzet) en C. J. Dudok van Heel-Lee (een van Thijssens koeriersters), hoofdstuk II ('De illegaliteit en het naoorlogs bestel') aan mr, H. Drion en mr. A. J. Andrée Wiltens (beiden goede kenners van deze materie), hoofdstuk J6 ('Redding uit de nood') tenslotte aan oud-minister Tromp, kapitein-ter-zee Nuboer (een van Gerbrandy's adviseurs) en A. J. van der VIis (de historicus van de opstand der Georgiërs op Texel).

XCVan DEE L I I a (Nederlands-Indië I) werd hoofdstuk J ('Capitulatie') in concept voorgelegd aan drs. H. Hagenaar en prof. dr. A. F. P. Hulsewé (de twee Nederlandse tolken bij de capitulatiebespreking te Kalidjati op 8 maart '42), hoofdstuk 2 ('De Kompenie') aan prof. dr. J. G. de Casparis (hoogleraar in de geschiedenis van het oude Java aan de Rijksuniversiteit te Leiden), hoofdstuk 3 ('Negentiende eeuw') aan prof. dr. G. Stuiveling (deskundige t.a.v. Multatuli), de hoofdstukken 6 ('Indië ontwaakt') en 7 ('Twee bewogen decennia') aan de Franse historicus J. Leclerc (een goed kenner van de geschiedenis van de Indonesische nationalistische beweging) en hoofdstuk 8 ('Nippon') aan dr. W. R. van Gulik en K. Vos (resp. directeur en wetenschappelijk medewerker van het Rijksmuseum voor Volkenkunde) alsmede aan dr. L. G. M. Jaquet (na '40 ambtenaar van de Dienst der Oost-Aziatische Zaken te Batavia) en A. H J. Lovink (tot' 42 hoofd van laatstgenoemde dienst).

XCVan DEEL I I b (Nederlands-Indië II) ging hoofdstuk I ('Hoe Japan de oorlog verloor') in concept naar prof. dr. H. B. G. Casimir (in verband met datgene wat ik schreef over de eerste atoombommen), hoofdstuk 6 ('Verzet en illegaliteit') naar Go Gien Tjwan (arts te Soerabaja die daar

WIE LAZEN MIJN CONCEPTEN?

in '42-'43 samenwerkte met een illegale groep) en M. Hamelink (die bij een poging om naar Australië te ontsnappen in Japanse handen viel) en hoofdstuk 8 ('Krijgsgevangenen') naar vijf oud-krijgsgevangenen: prof. dr. N. Beets, generaal-majoor b.d. B. van Dijken, dr. W. Mooy, J. H. W. Veenstra en Erik K de Vries - bovendien werd het aan de ondergang van de '[oenio Maroe' gewijde gedeelte van hoofdstuk 8 aan een van de overlevenden van deze scheepsramp voorgelegd, B. Kruys.

XCVan DEEL I I c iNederlands-Indië III) werd hoofdstuk 4 ('De geheime diensten') in concept voorgelegd aan mr. J. Th. A. de Man (deskundige t.a.v. het van Ceylon uit ondernomen geheime werk), en hoofdstuk 6 ('Van Mooks gouvernement') aan prof. dr. G. W. Locher (in '43-'45Ieraar aan de Bestuursschool in Australië) en ontving mr. S. J. baron van Tuyll van Serooskerken (lid van het eerste Rapu/i-team dat op 8 september '45 Batavia bereikte) de concept-hoofdstukken 8 ('Na Japans capitulatie') en 9 ('Slot').

XCVan het laatste historiegrafische deel tenslotte, D EEL 12 (Epiloog), werden de hoofdstukken I ('Anno 1985') en 3 ('Wederopbouw') in concept voorgelegd aan het Centraal Bureau voor de Statistiek, hoofdstuk I voorts aan prof. Bastiaans (speciaal voor de paragraaf 'Geschonden groepen'), hoofdstuk 2 aan prins Bernhard, Th. Booy en mevr. Geldens (die laatste twee voor het aan koningin Wilhelmina gewijde tekstgedeelte), hoofdstuk 4 ('Zuivering') aan le Poole en drs. W. van Norden (de eerste had als Tweede Kamer-lid veel met de zuivering te maken, de tweede als directeur van Het Parool met de perszuivering), hoofdstuk 5 ('Bijzondere Rechtspleging') aan le Poole (eertijds directeur van de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten) en voorts aan prof. mr. A. D. Belinfante (auteur van het in '78 verschenen werk In plaats van Bijltjesdag, De geschiedenis van de Bijzondere Rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog), mr. J. Zaaijer (procureur-fiscaal bij het Haags Bijzonder Gerechtshof) en prof. mr. G. E. Langemeijer (advocaat-fiscaal bij de Bijzondere Raad van Cassatie) - uit dit hoofdstuk werd verder de concept-paragraaf 'Gratiebeleid' voorgelegd aan prinses Juliana en aan de minister-president, drs. R. F. M. Lubbers. Ook werden uit hoofdstuk 5 (alsmede uit hoofdstuk I) de tekstgedeelten, handelend over de naoorlogse ervaringen van kinderen van 'foute' ouders, voorgelegd aan het bestuur van de voor deze 'geschonden groep' optredende Werkgroep Herkenning. Hoofdstuk 6 ('Rechtsherstel') ging in conceptvorm naar mr. S. Boas (eerst adj unctgriffier van de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel,

VERANTWOORDING

vervolgens lid van de commissie-Meijers die voor de belangen der Joodse beroofden opkwam), naar een medewerker van het Algemeen Rijksarchief die veel van deze materie afwist: H. A. J. van Schie, en naar een oud-functionaris van het Nederlands Beheersinstituut, mr. J. W. Kersten. Voor het lezen van de concept-tekst van hoofdstuk 7 tenslotte ('De worsteling met de Republiek Indonesië') deed ik een beroep op een brede groep deskundigen - dertien lezers noemden wij al in verband met de delen II a, II b of II c: Abdoelkadir, Anak Agoeng, Bezemer, Bosscher, Drooglever, Heshusius, Kist, Koets, Pluvier, van Tuyll van Serooskerken, Veenstra, Warners en Wertheim, maar aan hen werden nog acht toegevoegd: dr. R. A. Gase (auteur van het in '86 verschenen werk Beel in Batavia. Van contact tot conflict. Verwikkelingen rond de Indone sische kwestie in 1948), mr. L. F. de Groot (lid, later president van de Temporaire Krijgsraad te Batavia), ir. J. A. Manusama (voor alle passages over de Ambonnezen), kolonel b.d. J. J. Nortier (deskundige t.a.v. de landmacht-operaties), kapitein-luitenant-ter-zee b.d. F. C. van Oosten (idem t.a.v. de marine-operaties), mr. I. Samkalden en prof. dr. P. Sanders (in '46-'47 beiden secretaris van de Commissie-Generaal) en mr. E. M. J. A. Sassen (tot februari '49 minister van overzeese gebiedsdelen in het kabinet-Drees/van Schaik).'

XCMen ziet: ik heb in het bovenstaande een zekere groepering aangebracht - had ik voor elk deel apart de namen vermeld van diegenen die alle hoofdstukken of één of meer hoofdstukken of gedeelten van hoofdstukken in concept ontvingen, dan had ik lijsten moeten opstellen waarinJ.verdedigers bij de Bondowoso-zaak) aan de begeleidingsgroep voor hoofdstuk 7

I Als gevolg van het uitlekken van de concept-tekst vande paragraaf 'Oorlogsmis drijven' uit hoofdstuk 7 ontving ik (naast brieven van instemming waarin mij niet eerder bekende 'excessen' werden beschreven) rechtstreeks, via de minister van Onderwijs en Wetenschappen en via prof. Bastiaans kritische beschouwingen van een groot aantal personen, veelal namens organisaties verzonden; die beschouwingen waren naar de inhoud over het algemeen van gelijke strekking. Ik heb ze alle gelezen en bovendien de beschouwingen, ontvangen van het Oud-Strijders Legioen, van generaal-majoor drs. B. Bouman en van mr. H. Verstegen (eertijds een van de

SCHATTING: CA. 100 000 OPMERKIN GEN

men veelal (men denke bijvoorbeeld aan de onder I t.e.m. 6 genoemde 'vaste lezers' alsmede aan Drees en van Kleffens) dezelfde namen zou zijn tegengekomen. Zinvol lijkt het mij wèl hier te vermelden dat het concept-deel I als geheel of gedeeltelijk voorgelegd is aan 35 personen c.q. instanties; deel z aan 42; deel j aan 35; deel a aan 40; deel j aan 43; deel 6 aan 45; deel v aan 62; deel 8 aan 47; deel 9 aan 56; deel 10 a aan 53; deel 10 baan 63; deel II a aan 60; deel II baan 58; deel II c aan 52; deel 12 tenslotte aan 67·

XCTel ik de personen en instanties op die in deze opsomming eens of meermalen voorkomen, dan kom ik tot een totaal van 227. Ik heb het mij dus niet gemakkelijk gemaakt maar het spreekt vanzelf dat ik het aantal van diegenen aan wie ik de verschillende delen of gedeelten daarvan had kunnen voorleggen, zonder moeite had kunnen vertienvoudigen. Dit zou zeker de uiteindelijk gepubliceerde teksten ten goede zijn gekomen; anderzijds zou het mij weer met veel extra arbeid hebben belast - één ding moest ik steeds in het oog houden: het werk als geheel diende binnen afzienbare tijd voltooid te worden. Het totale aantal van diegenen wier oordeel ik inwon, was geenszins een maximum maar eerder, meen ik, een redelijk minimum - die term gebruikte ik al eerder.

XCDe betrokkenen hebben niet steeds op mijn concept-teksten gereageerd: van sommige, met eigen werkzaamheden al zwaar belaste medewerkers van het instituut was het bij tijd en wijle te veel gevraagd om ook die teksten kritisch te lezen en er waren soms leidende figuren van illegale groepen uit de bezettingstijd die het niet opbrachten om, zich verdiepend in wat ik aan hen voorlegde, geconfronteerd te worden met smartelijke herinneringen. Ik heb er in moeten berusten dat sommigen (zij zijn een kleine minderheid geweest) om geldige redenen mij niet de hulp konden verlenen waarop ik prijs stelde.

XCAlle manuscripten zijn bewaard gebleven, zo ook de rondgezonden concept-teksten.exemplaar van de rondgezonden concept-teksten bracht ik de correcties aan waartoe de ontvangen kritische opmerkingen mij aanleiding gaven. Hoeveel opmerkingen, hoeveel correcties? Ik trof in mijn

VERANTWOORDING

opmerkingen naar aanleiding van de concept-tekst van deel I (Voorspel): 4- tot 5000. Op grond van dit gegeven schat ik dat het totaal aantal opmerkingen van de orde van grootte van 100 000 is geweest. Heel vaak betroffen zij kleine zakelijke onjuistheden of onvolledigheden - vaak ook werd eenzelfde opmerking door verschillende lezers gemaakt. Alle tezamen hebben de opmerkingen tot tienduizenden verbeteringen van mijn concept-teksten geleid.

XCDat is allemaal vastgelegd.

XCMijn werkwijze was namelijk deze dat ik op de desbetreffende brief of memorie bij elke kritische opmerking in rood aantekende wat ik er mee had gedaan (had de opmerking tot de bepleite wijziging geleid, dan kwam er 'ace' naast te staan) - de kritische lezers kregen steeds te horen tot welke wijzigingen hun kritiek had geleid. De leden van de staf van het Rijksinstituut ontvingen hun memorie met kritische opmerkingen terug met mijn aantekeningen erbij en werden aldus in de gelegenheid gesteld om bij het weer inleveren van het stuk op de aangestipte zaken terug te komen - diezelfde gelegenheid kregen alle andere kritische lezers: zij konden in antwoord op mijn brieven desgewenst kritiek die ik had afgewezen, al of niet met nieuwe argumenten herhalen.

XCAlle brieven en memories met kritische opmerkingen (en mijn reacties daarop) zijn bewaard gebleven, gegroepeerd per deel en binnen elk deel per hoofdstuk, soms per samenhangende groep hoofdstukken.

De discussies met de begeleidingsgroep

XC

XCUit wetenschappelijk oogpunt èn uit het oogpunt der ministeriële verantwoordelijkheid leek het mij niet voldoende om mijn concept-manuscripten aan een brede kring kritische lezers voor te leggen - ik moest, meende ik, nog een stap verder gaan.

XCToen ik in '67 enigermate gevorderd was met het schrijven van de concept-tekst voor deel I, stelde ik in mijn derde kwartaalverslag voor, 'dat alle ontvangers en beoordelaars van het manuscript mij hun opmerkingen die op punten van gering belang betrekking hebben, schriftelijk doen toekomen. Het lijkt mij niet nodig dat daar nader beraad over plaats vindt. Ik kan een gegeven vergeten hebben of men kan een bepaalde formulering minder juist achten: dat kan vlug afgehandeld worden. Ik stel mij evenwel voor dat er ook talrijke algemenere kritische opmerkingen zullen komen .... Dat soort opmerkingen leent zich voor gedachtenwisseling. Ik zou willen voorstellen dat die meer

Indextermen: 'Geschiedwerk'
SAMENSTELLING VAN DE BEGELEIDINGSGROEP

algemene punten mij ook als punten (onder verwijzing naar de betrokken pagina's) kenbaar gemaakt worden door de lezers van het manuscript. Het is mijn bedoeling die punten (het is alleszins denkbaar dat meerdere lezers dezelfde passages aan de orde willen stellen) op te nemen in een systematisch ingedeeld overzicht dat grondslag kan vormen voor de eigenlijke discussie. Die discussie zou ik in tweeën willen splitsen: één met de staf van het instituut, één met bestuur en adviseurs tezamen - eerst die eerste discussie, daarna de tweede .

XC. . . Ik vertrouw dat vooral deze geschetste gang van zaken (aangenomen dat zij de instemming van het bestuur vindt) de minister van Onderwijs en Wetenschappen die jegens de volksvertegenwoordiging staatkundige verantwoordelijkheid draagt voor de verschijning van het Geschiedwerk, de waarborg biedt dat hij die verantwoordelijkheid ook dragen kan. Immers, het te publiceren manuscript is dan tevoren onderworpen aan een gedegen beoordeling door een ruime groep erkende deskundigen. Dat alles zal wel tijd en energie kosten maar dat mag niet als beletsel gelden.'

XCMijn voorstel werd door het bestuur goedgekeurd.

XCEen discussie met de wetenschappelijke staf heeft slechts plaatsgevonden met betrekking tot de opzet van deel I, de opzet van de delen na deel 3 en de opzet van de delen 12 en 13 die staf kreeg echter wel van meet af aan eigen vertegenwoordigers in de op mijn voorstel gevormde Z.g. begeleidingsgroep en het is die groep geweest waarmee het nadere overleg heeft plaatsgevonden.

XCZij bestond uit het bestuur, de adviseurs en, zoals al gezegd, enkele leden van de staf van het instituut: eerst alleen van der Leeuwen Sijes, van deel a af bovendien Paape, van deel I I a af (Sijes was toen overleden) ook nog in 't Veld. Gezien de betekenis van het overleg dat ik met de begeleidingsgroep pleegde, lijkt het mij wenselijk weer te geven hoe de groep bij de verschillende delen was samengesteld.

XCDeel 1 J 2 en 3: van Winter, Hermesdorf, van der Kooy (bestuur), Brugmans, de Pater, Rogier (adviseurs), van der Leeuwen Sijes,

XCDeel 4: de vorigen benevens de Jonge, Klein en Manning (bestuur) mèt Paape maar zonder de Pater.

XCDeel y: Manning, de Jonge en Klein (bestuur), Brugmans, Hermesdorf, Rogier, van Winter (adviseurs), van der Leeuw, Paape en Sijes,

XCDelen 6 en 7: de vorigen, behalve Rogier.

XCDeel 8: de vorigen, met vervanging van de Jonge door Verdam.

XCDelen 9 en loa: Manning, Klein en Verdam (bestuur), Brugmans, Sijes en van Winter (adviseurs), van der Leeuwen Paape.

XCDeel i o b: de vorigen, behalve Sijes wiens plaats als adviseur door van

VERANTWOORDING

XCDelen 11 a en 11 b: Manning, Klein en Schrage (bestuur), Brugmans, Fasseur, Kwantes, van der Leeuw (adviseurs), Paape, in 't Veld.

XCDeel i i c: de vorigen en van der Veen (adviseur).

XCDee112: Manning, Klein, Schrage (bestuur), van der Leeuwen Verdam (adviseurs), Paape, in 't Veld, met toevoeging van Brugmans, Fasseur, Kwantes en van der Veen als adviseurs voor hoofdstuk 7 ('De worsteling met de Republiek Indonesië').

XCDe discussies met de begeleidingsgroep werden steeds door mij voorbereid. Ik stelde daartoe zo vaak als nodig was (in de regel was dat het geval wanneer de kritiek op een groep concept-hoofdstukken door mij was behandeld) een z.g. discussienota op. In elk van die nota's werden de punten opgesomd ten aanzien van welke ik behoefte had aan nader beraad (en had een van de kritische lezers wiens kritiek ik had afgewezen, de wens geuit dat het betrokken punt ter discussie zou worden gesteld, dan werd dat ook telkens in de discussienota opgenomen). Onder de titel van het betrokken punt verscheen dan meestal eerst de concept-passage of concept-formulering waartegen zich de kritiek had gericht - vervolgens werd de kritiek welke die passage of formulering had uitgelokt (veelal niet bij één maar bij verschillende lezers), weergegeven in de oorspronkelijke bewoordingen en daarop volgde dan mijn verweer.

XCMet betrekking tot de concept-tekst van deel I stelde ik 101 punten ter discussie; van deel 2: 4 I; van deel 3: 18; van deel 4: 97; van deel 5: eveneens 97; van deel6: 35; van deel ç: IlO; van deel8: 41; van deel ç: 57; van deel Ia a: 28; van deel Ia b: 51; van deel II a: 91; van deel II b: 48; van deel II c: 57; van deel 12 tenslotte: 60. Ik heb dus in totaal 932 punten ter discussie gesteld, zulks in discussienota's die tezamen I 279 pagina's tellen.

XCVan de discussies werden verslagen gemaakt, aanvankelijk door mijzelf, van deel Ia a af door Paape. Die verslagen tellen tezamen 240 pagina's.

XCDe bedoeling van de discussies was niet dat daar bepaald werd wat ik uiteindelijk zou publiceren - dat werd geheel aan mij overgelaten. Ik was bevoegd, eventueel een unaniem tot uitdrukking gebrachte opinie naast mij neer te leggen, maar zo ging het in de praktijk niet. Hier vond overleg plaats met door mij hooggeachte personen, in de regel tevens ervaren

DE AFFAIRE-VAN 'T SANT

wetenschappers, op wier oordeel ik prijs stelde (personen bovendien die jegens de minister van Onderwijs en Wetenschappen verantwoordelijk waren voor het algemene gehalte van mijn werk) - ik heb hun oordeel in talloze gevallen zwaar laten wegen bij de formulering van mijn uiteindelijke tekst, zuiver en alleen omdat ik bij nader inzien erkende dat voor de ingebrachte bezwaren meer te zeggen was dan ik aanvankelijk meende. In verscheidene gevallen leidden de discussies er toe dat ik gehele hoofdstukken of gedeelten van hoofdstukken herschreef - dan werden de nieuwe teksten opnieuwaan het oordeel van de begeleidingsgroep onderworpen. Rechtstreeks overleg met critici pleegde de groep (in mijn aanwezigheid) slechts in één geval: het Driemanschap van de Nederlandse Unie werd op 28 mei I973 in de vergadering ontvangen teneinde de tegen de concept-tekst van mijn deel 5 door het college ingebrachte bezwaren (uitgebreid op schrift gesteld, door mij even uitgebreid beantwoord) persoonlijk toe te lichten.

XCAlle bijeenkomsten van de begeleidingsgroep (zij vonden tot en met deel 4 onder leiding van van Winter, nadien onder die van Manning plaats) verliepen in de gewenste rust, hoe scherp ook de meningsverschillen soms waren. Er is slechts één keer gestemd, zulks op mijn verzoek. Het ging toen om de vraag of het uit wetenschappelijk oogpunt noodzakelijk was dat ik in deel 9 (Londen) de in veelopzichten delicate van 't Sant-affaire uit de doeken zou doen - verscheidenen van mijn kritische lezers, onder wie Drees en van Kleffens, hadden dat met klem van argumenten ontraden. Ik was van mening dat die argumenten niet relevant waren maar achtte het met het oog op het beraad dat ik nog met de minister-president en wellicht ook met de minister van Onderwijs en Wetenschappen moest plegen, van belang dat ik precies zou kunnen weergeven, in welke mate de begeleidingsgroep het met mij eens was; zij schaarde zich bij die gelegenheid met op één na algemene stemmen aan mijn zijde.

XCDe kritische lezers en de leden van de begeleidingsgroep hebben mij grote diensten bewezen. Hoezeer ik ook in eerste instantie mijn concepten naar beste weten schreef, het bleek met betrekking tot nagenoeg elke bladzij wenselijk dat ik wijzigingen aanbracht en vervolgens leidden de discussies met de begeleidingsgroep tot weer nieuwe wijzigingen. Al die wijzigingen hebben mij niet in het minst het gevoel gegeven dat het werk als geheel niet bleef wat het in oorsprong was: mijn werk. Ik heb niet anders gedaan dan streven naar een zo goed mogelijke verbetering van mijn concept-teksten - dat meende ik aan de wetenschap en aan mijn

Het aspect der verantwoordelijkheid

XC

XCEerder gaf ik weer dat in de brief d.d. 20 april '55, gericht aan het Directorium van het instituut, waarin mijn opdracht was vervat, door de minister werd geschreven dat ik nu belast was 'met de samenstelling van het Geschiedwerk, onder toezicht en redactionele verantwoordelijkheid van uw college.' Ik zou de formulering 'het voorbereiden en het schrijven' juister en in ieder geval duidelijker hebben gevonden dan de formulering 'de samenstelling'. Dat het Directorium op mijn werk 'toezicht' zou houden, sprak voor mij vanzelf, maar wat hield die bij het college gelegde 'redactionele verantwoordelijkheid' in? Geen onzer stond daar bij stil en, gelijk al gezegd, ik maakte mij er geen zorgen over.

XCHet instituut was een rijksinstelling. Voor elk van zijn publikaties was van meet af aan een machtiging van de minister nodig, zijnde een machtiging om de voor die publikatie aangevraagde en toegestane begrotingsgelden inderdaad uit te geven. Uiteraard lag er bij de minister geen enkele verantwoordelijkheid voor de inhoud - voor die inhoud droeg het Directorium (later: het bestuur) een zekere algemene verantwoordelijkheid jegens de bewindsman in die zin dat het college hem waarborgde dat als publikatie van het rijk een werk zou verschijnen dat op het vereiste wetenschappelijke niveau stond. Wat precies de inhoud van het werk was, was de minister niet bekend. Het was wèl bekend aan het bestuur maar dit college respecteerde de wetenschappelijke vrijheid van de onderzoeker/auteur: hij had het onderzoek verricht, hi) had het manuscript geschreven en bij meningsverschil had hij tenslotte bepaald wat er gepubliceerd zou worden - de volle wetenschappelijke verantwoordelijkheid lag dus bij hem.

XCHet leek mij wenselijk om, wat mijn eigen werk betrof, die volle wetenschappelijke verantwoordelijkheid duidelijk op mij te nemen. Derhalve bevatte het Voorwoord van deel I, Voorspel, de volgende passage:

XC'De staatkundige verantwoordelijkheid voor de verschijning van dit deel zo goed als van de overige delen van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog ligt (dat vloeit uit de positie van het Rijksinstituut voort) bij de minister die tot dat verschijnen machtiging gaf. Ik wil aan die verantwoordelijkheid niet tornen en evenmin aan de waarde van de bemoeienissen die anderen (bestuur en medewerkers van het instituut in de eerste plaats) met de door mij geschreven tekst hadden, wanneer ik er van getuig dat ik mij als auteur zelf verantwoordelijk beschouw voor hetgeen hier wereldkundig gemaakt wordt.'

XCIn '72 nu deden zich drie gebeurtenissen

EEN PROCES

verantwoordelijkheid betrekking hadden: de ex-NSB'er dr. H. W. van der Vaart Smit deed mij een proces aan om iets wat ik in Voorspelover hem had gepubliceerd, een der bestuursleden, prof. van der Kooy, nam ontslag omdat hij geen verantwoordelijkheid, ook geen algemene, wenste te dragen voor een bepaald aspect van de inhoud van deel 4, Mei '4o-maart '41, en het Driemanschap van de Nederlandse Unie gaf zich moeite om er de regering toe te bewegen de verschijning van dee! 4 te verhinderen.

XCOver die drie gebeurtenissen iets meer.

XCVan der Vaart Smit was door ds. J. J. Buskes in diens in ' 59 verschenen memoires Hoera vaal"het leuen gekwalificeerd als 'een deugniet die liegen kon dat het zwart zag' - ik had die uitspraak in Voorspel geciteerd. Pas toen drong tot van der Vaart Smit door wat Buskes over hem had geschreven. Hij deed Buskes een proces aan, daarbij o.m. eisend dat aan Buskes verboden zou worden, zijn uitspraak in een nieuwe druk van Hoera voor het leven of op andere wijze te herhalen. De Amsterdamse rechtbank, van oordeel dat Buskes iets verder was gegaan dan in het normale maatschappelijke verkeer gepast was, wees die eis toe en Buskes die geen behoefte had aan een voortgezet geding (en die wist dat Hoera voor het Iet/en niet zou worden herdrukt), legde zich bij de uitspraak van de rechtbank neer. Prompt eiste van der Vaart Smit nu o.m. dat mij verboden zou worden, het citaat uit Buskes in een nieuwe druk van Voorspelap te nemen. Die eis werd in juni '72 door de Amsterdamse rechtbank afgewezen. Van der Vaart Smit ging bij het Amsterdamse Hof in beroep. Dat Hof wees in april '73 arrest. Opnieuw werden alle vorderingen van van der Vaart Smit (hij had ook schadevergoeding geëist) afgewezen, waarbij het Hof, aldus zijn arrest,

XC'het volgende voorop stelt:

XCdat de passages waardoor appellant zich gegriefd gevoelt, voorkomen in het eerste deel, Voorspel, van het werk Het Koninktijle der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, dat geïntimeerde als geschiedkundige schrijft in opdracht van de Nederlandse regering;

XCdat door het met die opdracht beoogde doel (het tot stand brengen van een gezaghebbend geschiedwerk over het in de titel van het werk tot uitdrukking gebrachte onderwerp) het algemeen belang onbetwistbaar in hoge mate wordt gediend;

XCdat geïntimeerde de hem opgedragen taak, waardoor dat doel en mitsdien het algemeen belang wordt gediend, niet naar behoren zou kunnen vervullen indien hem niet in ruime mate de vrijheid zou zijn gelaten om naar eigen inzicht het in aanmerking komend materiaal te verzamelen, het gehalte daarvan te waarde

VERANTWOORDING

ren, en te bepalen wat daarvan zal worden gebruikt onderscheidenlijk ter zijde gelaten; dat hem een zelfde mate van vrijheid moet worden gelaten in het weergeven van zijn bevindingen en van de gevolgtrekkingen waartoe deze naar zijn oordeel leiden, alsook in het, in dat verband, geven van onverbloemde oordelen omtrent de aan zijn onderzoek onderworpen gebeurtenissen en de personen die daarbij een rol hebben gespeeld, behorende ook dit laatste tot het doel van de onderhavige contemporaine geschiedschrijving."

XCVan der Vaart Smit vroeg cassatie aan bij de Hoge Raad maar het arrest van het Hof werd door dit college bekrachtigd.

XCNodeloos te zeggen dat ik in de afloop van dit in drie stadia gevoerde geding (de Landsadvocaat was telkens voor mij opgetreden) een belangrijke rechtsbescherming zag voor mijn verdere arbeid.' In elk geval was mijn wetenschappelijke verantwoordelijkheid als auteur (met de daaruit voortvloeiende juridische aansprakelijkheid) duidelijk onderstreept.

XCNu het heengaan van van der Kooy.

XCVan der Kooy was tijdens de bezetting een der naaste medewerkers van secretaris-generaal Hirschfeld geweest maar was in rapporten van de SD die zich in de collecties van het instituut bevonden, 'die Seele des Widerstandes' op het departement genoemd. In 'SI had zijn benoeming tot lid van het Directorium er toe geleid dat de vertegenwoordigers van de georganiseerde oud-illegaliteit in de Commissie van Bijstand hun functie hadden neergelegd - zij meenden dat van der Kooy zou kunnen bewerkstelligen dat de economische collaboratie in publikaties van het instituut zou worden goedgepraat. Dat was naar het oordeel van de voorzitter van de Commissie (oud-minister Bolkestein), van alle overige leden, van de overige bestuursleden (van Winter en Hcrmesdorf), van de stafleden van het instituut en van mij een ongegronde vrees. Nadien hadden wij van der Kooy leren kennen als een goed beoordelaar en als een karaktervolle man. Hij Q.U had bezwaren gehad tegen wat ik in het concept van deel 4 over de persoon en het beleid van Hirschfeld had geschreven - ik had die bezwaren afgewezen en was dat na een grondige discussie in de begeleidingsgroep blijven doen. Daarop meende van der Kooy dat hij het jegens zichzelf niet kon verantwoorden indien hij enige algemene verantwoordelijkheid voor deel 4 zou aanvaarden. Hij wilde7

, Aangehaald in Kwartaalverslag 1973 II, p. 3. 2 Van der Vaart Smit diende ook nog een klacht in bij de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens te Straatsburg - daarvan heb ik verder niets vernomen.

CENSUUR?

het instituut niet in opspraak brengen en vroeg ontslag 'om gezondheidsredenen'; dat werd hem verleend.

XCTenslotte de activiteit van het Driemanschap van de Nederlandse Unie.

XCIn het concept voor deel 4 van mijn werk waren de oprichting en de eerste activiteiten van de Nederlandse Unie uitgebreid beschreven en daarbij had ik onderstreept dat in het beleid van het Driemanschap, met name in het begin, elementen van aanpassing aan het Derde Rijk onmiskenbaar aanwezig waren. Alle hoofdstukken van dat deel had ik, zoals al vermeld, aan Einthoven, Linthorst Homan en de Quay voorgelegd - ik wilde dat zij datgene wat ik over de Nederlandse Unie geschreven had, in het geheel van deel'a zouden kunnen beoordelen. Over wat vervolgens hunnerzijds ondernomen is, heeft Martin van Amerongen in het nummer van Vrij Nederland van 22 oktober 1983 het nodige gepubliceerd (zulks op grond van hem in handen gespeelde kopieën van stukken uit het persoonlijke archief van de Quay). Het volgende bleek. In april '72 had het Driemanschap de laatste concept-hoofdstukken ontvangen - begin mei pleegde het spoedoverleg in Utrecht. Vervolgens nam de Quay ex-premier Beel in de arm; Beel stelde zich in verbinding met de directeur-generaal voor de wetenschappen, dr. A. J. Piekaar, en kreeg van deze te horen dat bij publikaties van het instituut de auteur steeds het laatste woord had. Dus wendde Einthoven zich tot jhr. mr. M. L. de Brauw, minister zonder portefeuille, belast met de aangelegenheden van het wetenschapsbeleid en het wetenschappelijk onderwijs, en drong er bij deze op aan, mij onmiddellijk van mijn opdracht te ontheffen (dat deed Einthoven mij ook weten). In augustus sprak de Quay met de pas opgetreden nieuwe minister-president, mr. B. W. Biesheuvel, en met de minister van Onderwijs en Wetenschappen, mr. C. van Veen - opnieuw werd door het op censuur beluste Driemanschap de vraag aan de orde gesteld of de regering geen mogelijkheid had om de verschijning van deel a tegen te houden.' Van Veen betoogde dat hij geen enkele verantwoordelijkheid droeg voor de inhoud. Dat deelde hij ook in een gesprek ten departemente, waarbij ik niet aanwezig was, aan het bestuur van het instituut mee. Vervolgens stelde hij de zaak in de ministerraad aan de orde en na de daar gevoerde discussie deed hij de Quay weten:

I Op eenzelfde censuur werd eind '87 en begin '88 aangedrongen door een deel van diegenen die kennis hadden genomen van de uitgelekte concept-tekst van de paragraaf 'Oorlogsmisdrijven' van hoofdstuk 7 van deel 12.

VERANTWOORDIN G

XC'Van een geschiedschrijving door de Staat is in dit geval geen sprake en kan mijns inziens in het Nederlandse staatsbestelook geen sprake zijn. De ministerraad heeft zich met deze visie kunnen verenigen en heeft besloten dat de gevraagde machtiging tot het doen verschijnen van deel 4 van het onderhavige geschiedeniswerk kan worden verleend.'

XCNa deze voor mijn werk en voor het instituut in het algemeen belangrijke beslissing werd de zaak van de verantwoordelijkheid (zij was niet alleen voor mijn project maar ook voor enkele andere onder Onderwijs en Wetenschappen ressorterende projecten van betekenis) nader bekeken, o.m. op grond van een rapport dat op verzoek van het bestuur van het instituut was opgesteld door mr. Y. Scholten. Daarin werd onderscheid gemaakt tussen de staatkundige, de wetenschappelijke, de civielrechtelijke, de strafrechtelijke en de auteursrechtelijke verantwoordelijkheid c.q. aansprakelijkheid. Bevestigd werd dat de wetenschappelijke verantwoordelijkheid bij een werk als het mijne bij de auteur berustte en daarmee werd ten volle rekening gehouden, toen in de zomer van '79 (van mijn Geschiedwerk zouden nadien nog de delen IQ a, 10 b, II a, II b, II C en 12 verschijnen) bij koninklijk besluit, gecontrasigneerd door de minister van Onderwijs en Wetenschappen, dr. A. Pais, een 'nieuwe regeling' en bij ministerieel besluit een 'reglement' voor het instituut werden vastgesteld.' Artikel 4 ('verantwoordelijkheid wetenschappelijk onderzoek'), lid I van het koninklijk besluit bepaalde:

XC'Onze minister heeft geen bemoeienis met de inhoud van het ten laste van de begroting van het instituut verrichte wetenschappelijke onderzoek. De verantwoordelijkheid voor de onderzoeksresultaten en de openbaar gemaakte weergave van die onderzoeksresultaten berust bij de onderzoeker.'

XCArtikel 8 ('adviseurs') hield o.m. in dat het bestuur adviseurs kon

1 In september '47 had het koninklijk besluit waarbij het instituut werd (her)opgericht o.m. de bepaling bevat: 'De werkwijze van het instituut en de taak en de bevoegdheden van de Commissie van Bijstand zullen worden omschreven in een door onze minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen vast te stellen reglement.' Ik had nadien voor dat reglement een concept opgesteld dat aansloot bij de praktijk van ons werk en het eerste functieneren van de Commissie van Bijstand, maar van der Haagens opvolger als chef van de afdeling Oudheidkunde en Natuurbescherming, E. A. Kui pers, had zich op het standpunt gesteld dat er aan een reglement geen behoefte was omdat het instituut toch maar een tijdelijke instelling was. De 'nieuwe regeling' is gepubliceerd in het 1979, no. 426.

HET 'REGLEMENT'

aanwijzen ten behoeve van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog,

XCArtikel 14 van het door minister Pais vastgestelde reglement bepaalde o.m.:

XC'Voor alle publikaties welke geheel of ten dele ten laste komen van de begroting van het instituut, vraagt het bestuur bij de voltooiing van het desbetreffende manuscript machtiging aan de minister tot het financieel mogelijk maken van de uitgave. Deze aanvrage bevat een verklaring van het bestuur dat het manuscript van zodanig wetenschappelijk niveau is, dat het verdient te worden gepu bliceerd',

XCen artikel 15 bepaalde:

XC'Bij de machtigingsaanvrage voor de publikatie van elk van de delen van het geschiedwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog wordt tevens een verklaring omtrent het advies van de in artikel 8 van het koninklijk besluit genoemde adviseurs overgelegd.'

XCTen aanzien van mijn werk was het enige nieuwe element in deze regelingen dat de verklaringen van het bestuur en van de adviseurs omtrent het niveau van de alsnog te verschijnen delen van elkaar werden gescheiden. Overigens waren deze regelingen een codificatie van de praktijk die van de aanvang af bij alle wetenschappelijke publikaties van het instituut was gevolgd, de delen van mijn werk (het enige project waarbij ook adviseurs waren betrokken) inbegrepen.

XCIk voeg hier nog aan toe dat ik met het oog op de algemene verantwoordelijkheid der adviseurs in het Woord vooraf van deel II a (Neder lands-In die' I) melding maakte van de van de mijne afwijkende inzichten van Brugmans en Kwantes, dat ik van een der adviseurs voor hoofdstuk 7 ('De worsteling met de Republiek Indonesië') van deel 12 (Epiloog), van der Veen, een eigen beschouwing opnam als een der bijlagen en dat de verschijning van deel II a leidde tot de oprichting van een Comité Geschiedkundig Eerherstel Nederlands-Indië, welk comité o.rn. langs gerechtelijke weg de regering trachtte te dwingen, aan één of meer andere historici opdracht te geven, een deel van de in deel II a beschreven materie opnieuw te beschrijven.

Het aparte deel (Reacties'

XC

XCWanneer men uit het voorafgaande concludeert dat ik bij belangrijke beslissingen ten aanzien van de organisatie van mijn werk rekening hield met de staatkundige verantwoordelijkheid van de minister, dan is die conclusie juist. Ik was, zo voelde ik het, een in wetenschappelijke onafhankelijkheid werkende auteur maar ik was ook een ambtenaar en ik zag het als mijn taak om als ambtenaar te bevorderen dat de minister mij de wetenschappelijke onafhankelijkheid zou laten waaraan mijn werk behoefte had. Ik overwoog hierbij dat ik op talrijke terreinen omstreden kwesties zou moeten behandelen, waarop ik (na al het intern te voeren beraad) mijn visie zou moeten geven - die visie zou met machtiging en met gelden van de overheid gepubliceerd worden.

XCZou het dan niet verstandig beleid van die overheid zijn om, als onderdeel als het ware van de aan mij verstrekte opdracht, ook visies te publiceren die van de mijne afweken, en was dat niet ook uit wetenschappelijk oogpunt wenselijk? Ik meende van wel.

XCBegin april '68, toen het manuscript voor Voorspel in concept gereed was, schreef ik aan het slot van het eerste kwartaalverslag van dat jaar:

XC'Nog één denkbeeld wil ik ... opperen. Het werk dat ik schrijf, zie ik vooral voor volgende generaties van ons volk als het eerste werk waar men naar grijpt wanneer men, door serieuze belangstelling gedreven, de geschiedenis van het koninkrijk in de Tweede Wereldoorlog wil nagaan. Ik geloof dat bij diegenen die later voor dit werk op zichzelf al belangstelling zullen hebben, ook de vraag zal rijzen: hoe heeft de tijdgenoot dit historische beeld beoordeeld dat tenslotte door één historicus neergelegd is, al heeft hij zijn oordeelook aan dat van anderen getoetst? Ik neem aan dat aan de verschillende delen vrij uitvoerige besprekingen gewijd zullen worden die vaak ook een kritisch karakter zullen dragen en ik zou het, vooral in het perspectief van later, van belang vinden indien, hetzij als toevoeging bij de Epiloog, hetzij als een apart deel alle beoordelingen afgedrukt zouden worden die zakelijk van belang zijn. Misschien zal dat de waarde van het beeld dat ik zelf vastleg, enigszins relativeren: dat acht ik niet alleen geen bezwaar, ik acht het een voordeel. Geschiedschrijving is, aldus Geyl, een discussie zonder eind en het zou wel eens kunnen zijn dat de discussie waartoe de verschijning van de verschillende delen aanleiding geeft, het waard is, in het seriewerk opgenomen te worden. Doet men dat niet, dan zal het vooral later nauwelijks doenlijk zijn, de misschien vele en waardevolle kritische beschouwingen die aan het werk gewijd worden, in de dag-, week-, maandbladen en andere periodieken uit de periode 1968-1985 terug te vinden."

XC, Kwartaalverslag 1968 J, p.

Indextermen: Geyl, P. C. A.
DEEL 14-'REACTIES'

XCMen ziet: ik schreef hier niets over de beleidsfactor die ik eerder noemde, maar ik meen mij met stelligheid te herinneren dat ik daar ook toen wèl aan heb gedacht. Hoe dit zij, mijn denkbeeld werd nadien intern herhaaldelijk besproken. Ik vergat daarbij dat ik in '68 de mogelijkheid had geopperd dat de kritieken op mijn werk eventueel 'als een apart deel' zouden verschijnen - ~ zag ze in de jaren '70 eerder als een onderdeel van het slotdeel, Epiloog. mijn in februari '8 I opgestelde nota 'De voltooiing van het Geschiedwerk' stelde ik evenwel voor dat zij in deel 13, Bijlagen, opgenomen zouden worden en toen opperde ik ook het denkbeeld dat dat onderdeel door 'een apart college' (d.w.z. niet door mij) zou worden samengesteld.

XCHet denkbeeld van de onafhankelijke commissie werd overgenomen maar het opnemen van de kritieken in deel 13 leek niet aanbevelenswaardig. Deel 13 zou immers in verband met het daarin opgenomen algemeen register snel op deel 12 (Epiloog) moeten volgen, maar viel niet te verwachten dat pas enige tijd na de verschijning van deel 12, d.w.z. na de voltooiing van de mij opgedragen geschiedschrijving, kritische beschouwingen over het gehele werk gepubliceerd zouden worden die voor opname in aanmerking zouden komen? Daar kwam nog bij dat het het bestuur van het instituut en de door het college geraadpleegde historici wenselijk leek om niet alleen gepubliceerde kritieken op te nemen maar ook intern opgestelde, niet-gepubliceerde, die menigmaal op kernelementen van mijn werk betrekking hadden gehad. Uit die uitgebreidere opzet (ik had tegen die uitbreiding geen enkel bezwaar) vloeide voort dat, met machtiging van de minister, besloten werd, als deel 14 een apart deel, Reacties, te laten verschijnen en dat deel te doen samenstellen door een onafhankelijke commissie.

XCDie commissie is, terecht, buiten mij om samengesteld. Zij bestaat uit de emeritus hoogleraren dr. E. H. Kossmann (voorzitter) en dr. I. Schöffer, de hoogleraren dr. J. Th. M. Bank, dr. C. Fasseur en dr. A. F. Manning alsmede uit drs. A. H. Paape, directeur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie; drs. P. Rornijn, lid van de wetenschappelijke staf van het instituut, treedt als secretaris op.

XCHet spreekt vanzelf dat de commissie, voorzover zij dat wenst, van mij alle medewerking zal krijgen.

Slot

XC

XCHet is misschien goed, duidelijk aan te geven wat deze Verantwoording wèl en wat zij niet is.

XCZij is een verantwoording van de totstandkoming van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. heb ~n de voorgeschiedenis van de opdracht verhaald, mijn werkwijze geschetst (met de voor- en nadelen daarvan), doen uitkomen welke specifieke betekenis de televisieserie De Bezetting voor de uitvoering van mijn opdracht had, onderstreept hoezeer ik vele jaren lang die opdracht onderschatte, weergegeven van welke bronnen ik gebruik maakte, vermeld door wie mijn conceptmanuscripten gelezen en met wie de belangrijkste door mij afgewezen kritische opmerkingen besproken zijn, aandacht besteed aan het aspect van de verantwoordelijkheid en tenslotte uiteengezet waarom tot het deel Reacties besloten werd, het enige deel uit de serie waarvoor ik geen verantwoordelijkheid draag.

XCNietverantwoord heb ik de resultaten van het project, d.w.z. de inhoud van de zes-en-twintig boeken welke ik schreef. Had ik dat wèl willen doen, dan zou ik, zoals ik eerder al aanstipte, aan die zes-en-twintig boeken nog eens tien of meer moeten toevoegen.

XCIk voel mij daar niet toe geroepen.

XCTenslotte wil ik opmerken dat ik mij ervan bewust ben, een werk te hebben geschreven waaraan, hoezeer ik er ook naar heb gestreefd, fair te blijven, persoonlijke opvattingen ten grondslag liggen, dat de door mij beschreven materie op talloze punten verder kan worden uitgediept en wellicht dient te worden gecorrigeerd en dat de mogelijkheid blijft bestaan om het in mijn werk geschetste totaalbeeld in andere belichtingen te plaatsen.

XC

Indextermen: De Bezetting

Appendix

XC

Overzicht van wijzigingen

XC

XCIk hoop dat uit het voorafgaande gedeelte ('Verantwoording') blijkt dat ik mijn opdracht zo zorgvuldig mogelijk heb uitgevoerd - desniettemin heb ik van meet af aan geweten dat mijn werk onvolkomenheden zou bevatten: ten eerste was het mensenwerk en dus feilbaar, ten tweede is er altijd heel veel meer gebeurd dan uit de bewaardgebleven documentatie blijkt, en ten derde heb ik van die documentatie slechts een deel kunnen bestuderen. Er is door medewerkers van Oorlogsdocumentatie en door mijzelf met in totaal enkele duizenden tijdgenoten gesproken maar er zijn er uiteraard heel veel meer met wie niet gesproken is. Uit de bewaardgebleven archieven heb ik, zoals uiteengezet, een keuze moeten doen. De beschikbare litteratuur, betrekking hebbend op een bepaald deel, heb ik kunnen bestuderen voordat ik dat deel ging schrijven, maar was het af, dan had ik, aan volgende delen bezig, over het algemeen geen tijd om mij te verdiepen in de litteratuur die nadien uitkwam. Ik wees daar al op maar het heeft zin, een enkel cijfer te geven. Welnu, van I970 af zijn in ons land per jaar gemiddeld ca. 200 oorspronkelijke studies verschenen, vele kort, andere uitgebreid, die op de door mij beschreven materie betrekking hebben - een klein deel (en dan vooral die werken welke over Nederlands-Indië en over de naoorlogse periode handelen) heb ik gelezen, een groot deel niet. Ik twijfel er niet aan of er bevinden zich in de duizenden na I970 verschenen maar door mij niet gelezen studies gegevens die mij, las ik die studies alsnog, aanleiding zouden geven mijn teksten op bepaalde punten te herzien - dat laat ik nu na. Ging ik wèl tot die herziening over, dan zou dat enkele jaren werk betekenen - werk bovendien dat onvermijdelijk een onvolledig karakter zou dragen, want er zouden na die enkele jaren weer nieuwe studies gepubliceerd worden. Geschiedschrijving is nooit 'af.

XCHoe zijn dan de wijzigingen die nu volgen, tot stand gekomen?

XCZij zijn voor een klein deel gevolg geweest van het feit dat ik zelf bepaalde onjuistheden constateerde, voor een veel groter deel van de

OVERZICHT VAN WIJZIG IN.G EN

omstandigheid dat anderen (willekeurige lezers van mijn werk' dan wel auteurs van gepubliceerde kritische beschouwingen) opmerkingen maakten die mij juist leken. Het gevolg was dat de tweede (en latere) drukken van de verschillende delen in de regel al enkele tientallen wijzigingen bevatten. Maar hoe konden die wijzigingen onder de aandacht worden gebracht van de grootste groep lezers: de lezers van de eerste drukken? Noodzakelijk leek het mij om in dit deel een volledig overzicht op te nemen van alle wijzigingen die ik reeds aanbracht maar ook van die welke ik nu alsnog wil aanbrengen.

XCDit overzicht volgt thans.

XCIk maak er de volgende opmerkingen bij:

XCI. Correctie-fouten hebben alleen dan tot aangegeven wijzigingen geleid, wanneer zij zinstorend waren.

XC2. Onjuistheden in de (in oorlogstijd frequent verhoogde) rangen van militairen hebben alleen bij militairen van de Koninklijke Marine, de Koninklijke Landmacht en het Koninklijk Nederlands-Indische Leger tot wij zigingen geleid.

XC3. Ik heb de wijzigingen aldus aangegeven dat eerst het onderwerp wordt vermeld waarop zij betrekking hebben.

XC4. De wijzigingen zijn gegroepeerd per deel en binnen elk deel naar de pagina-volgorde.

XC5. Soms heb ik wijzigingen aangebracht in mijn beoordeling van personen of in de vermelding van gegevens die tot die beoordeling konden bijdragen - het leek mij wenselijk om de lezer speciaal op die wijzigingen attent te maken; zij zijn vóór het onderwerp aangegeven met het teken *.

XC6. Een beperkt aantal wijzigingen draagt het karakter van een aanvulling van de tekst. Belangrijke aanvullingen zijn eveneens met het teken * aangegeven.

XC7. De mogelijkheid bestaat dat deel 14 een opgave zal bevatten van aanvullende wijzigingen (met name in deel 12: Epiloog) waartoe ik na het afsluiten van de kopij voor dit deel zou willen overgaan.J.

, Aan twee hunner: rnr. M. G. A. Dronkers (Den Haag) en drs. P. H. Werner (Velp), ben ik in het bijzonder dank verschuldigd, omdat zij mij van de verschijning van deel 6 aflijsten deden toekomen van onnauwkeurigheden die huns inziens in de verschil lende delen voorkwamen.

Deel 1: 'Voorspel'

XC

XCBEGIN RADIO (p.20, r. 17 e.v.).De PIT opende in 1904 in Scheveningen een voor het publiek bestemd radiostation; dat werd meer en meer van belang voor de koopvaardijvloot. De marine kreeg eigen radioverbindingen.

XCNEDERLANDSE HERVORMDE KERK (p.25, r.4 V.O.). De aanduiding 'Nederduitse Hervormde Kerk' is onjuist (idem P.78, r. 3 v.o. en P.360, r.6).

XCTWEEDE ARBEIDERS INTERNATIONALE (p.34, r.I7). Is opgericht in 1891.

XC'MARXISTEN' IN DE SDAP (p.36, r.20 e.v.). Onder leiding van D. J. Wijnkoop, W. van Ravesteyn en J. c. Ceton (die uit de SDAP geroyeerd waren) hadden de 'Marxisten' met hun weekblad De Tribune een groep van ca. vijfhonderd volgelingen in de Sociaal-Democratische Partij bijeengebracht.

XCKONING IN -MOEDER EMMA IN NO VEMBER 1918 (p. 5I, r. 25). Zij was toen zestig jaar.

XCEERSTE RADIO-UITZENDINGEN (p.82, r.6 e.v.). In 1910 was ir. H. H. Schotanus à Steringa Idzerda met de eerste uitzendingen begonnen. De eerste regelmatige vonden van december '20 af in Amsterdam plaats: de beurskoersen. De Vereniging voor de Effectenhandel droeg er ten behoeve van abonnees zorg voor met een zender waar het persbureau Vaz Dias ruim een jaar later gebruik van ging maken voor het uitzenden van nieuwsberichten, ook al alleen voor abonnees.

XCRADIOBESTEL (p. 82, r. 27 e.v.).De vrijheid waar de omroepverenigingen over beschikten, droeg een beperkt karakter. Voor beide zenders, Hilversum en Huizen, gold dat alle programma's onder de preventieve en repressieve censuur stonden van de Radio-Omroep-Controle-Commissie. De programma's moesten tevoren aan die commissie voorgelegd worden, elke te spreken tekst moest tevoren ingezonden worden. Daarbij hield de commissie de regel aan dat politieke uitzendingen die een duidelijk polemisch karakter hadden, uit de aether geweerd dienden te worden.

OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

STAKINGEN IN DE TWENTSE TEXTIELINDUSTRIE (p·98, r. IS). Vielen in dejaren '31 en 'p.

XCHET NAS (P.99, noot 2). Was syndicalistisch, niet anarchistisch (P.I07, r.27)·

XCBELASTIN G DR UK 1920-2 I (p. 1°3, eerste alinea). Tot '3 I moest behalve rijksinkomstenbelasting ook gemeente-inkomstenbelasting worden betaald.

XCOPRICHTING COMMUNISTISCHE PARTIJ (p. ro8, laatste alinea). Juiste datum: 17 november '18.

XCHITLERS VEROORDELING IN 1924 (p. 157, tweede alinea). Van de vijf jaar tuchthuisstraf was vier-en-een-half jaar voorwaardelijk opgelegd - Hitler kwam in oktober '24 weer vrij.

XC'DE ZEVEN PROVINCIËN' (p. 175-76). De passage over de betrokkenheid van de Komintern vervalt. Er staat een betere tekst in deel I I a, P·373·

XCDE OVERVAL OP CURAÇAO (p. 192, laatste alinea). Deze vond plaats op het gouvernementscentrum, het Fort Amsterdam.

XCDEP LAN - EC 0 NOM IE IN DE SOW J ETU N IE (p.224, laatste alinea). Begon in '28.

XCDE LATERAANSE VERDRAGEN (1929) EN HET HUWELIJKSRECHT (P.243, r. 20 e.v.). Dat 'alle Italiaanse huwelijken voortaan kerkelijk gesloten (moesten) worden', is niet juist: wie dat wilde, kon het bij een burgerlijk huwelijk laten. Een kerkelijk huwelijk had evenwel dezelfde rechtskracht en de paus verbood de katholieken een burgerlijk huwelijk te sluiten. Niet alleen de kerk kende de echtscheiding niet maar deze kwam ook in het uit 1865 daterende Italiaanse Burgerlijk Wetboek niet voor.

XCBERTUS ZUURBIER (p.248, r.x). Zuurbier nam aan de raadsvergaderingen deel en voerde een aantal malen het woord - de pers nam er volgens onderlinge afspraak niets van over. Hij werd niet herkozen.

DEEL I

ERICH WICHMANN (P.269, eerste alinea). 'Wichmann', aldus een ooggetuige, 'voerde de hele nacht geen klap uit en deed niets dan warhoofdig kletsen en drinken.' (J. H. van den Hoek Ostende: 'Zuurbier in de raad', Amstelodamum, 1963, p. 1-6).

XCMA]OOR C. ]. A. KRUYT (P.274, r. 5). Was majoor b. d. van de Koninklijke Landmacht.

XCHET BELGISCH VERDRAG (p. 281, r. 17 V.O.).Werd in november '26 door de Tweede Kamer goedgekeurd en in maart '27 door de Eerste verworpen.

XCMR. A. j , VAN VESSEM (p. 282, r. 12). Was in Rotterdam geboren en geen vluchteling uit België.

XCDE NSB BI] DE VERKIEZINGEN VAN 1935 IN ZEELAND (P.302, r.I9 e.v.). In Zeeland deed de NSB verscheidene partijen kiezers verliezen, daaronder ook Kerstens Staatkundig Gereformeerde Partij. * MR. A. D. VAN BUUR EN (p. 337, r. 8 V.o. e.v.). Bij Musserts bezoek aan Italië hielp hem, op verzoek van de Italiaanse gezant in Den Haag, mr. A. D. van Buuren, goed kenner van Italië en het Italiaans. Er is ten onrechte van hem vermeld dat hij lid was van de NSB.

XCKARL BARTH (p. 360, r. 12). Was een Zwitserse theoloog die enkelejaren in Duitsland had gedoceerd maar zich in '35 in Bazel had gevestigd. * DR. H. W. VAN DER VAART SMIT (p. 361, r. 18 e.v.). Werd in september '36 geheim lid van de NSB. Hij kreeg in dat jaar op eigen verzoek eervolontslag als predikant bij de gemeente die hij zeven jaar had gediend; 'gestoorde onderlinge verhoudingen' waren daar debet aan. Overigens werden juist in '36 Nazileer en NSB door de gereformeerden veroordeeld, principieel en algemeen, d.w.z. door de kerkelijke gemeenschap. * DS. C. VAN DER VOORT VAN ZIJP (P.36I, r.z V.O.).Zijn naam moet geschrapt worden - hij was geen medestander van Mussert. * COMITÉ VAN WAAKZAAMHEID (p. 368, r. Ia V.o. e.v.). Op de oprichting daarvan had de schrijver E. du Perron al in '34 aangedrongen. Hij en Menno ter Braak behoorden tot de initiatiefnemers.

OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

Franse Comité de Vigilance des Anti-fascistes intellectuels een 'communistische mantelorganisatie' noemde. * H. W. DETERDING (P.394, eerste alinea). Het citaat uit Meyer Schwencke's artikel waarin antisemietische uitspraken werden weergegeven welke Deterding zou hebben gedaan, dient te vervallen. Overigens blijkt uit niets dat de situatie waarin de Joodse bevolkingsgroep in Duitsland kwam te verkeren, enige afbreuk deed aan de positieve gevoelens welke Deterding ten aanzien van Duitsland was gaan koesteren.

XCDE KRIEGSMARINE IN SEPTEMBER' 39 (P.463, laatste alinea). Telde o.m. 22 torpedobootjagers en 56 U-Boote.

XCOPPAKKEN JOODSE VLUCHTELINGEN IN DECEMBER' 38 (p.542, laatste alinea). De juiste datum is 19 december.

XCZAKGELD VOOR JOODSE VLUCHTELINGEN (p. 543, r. 13).Was 40 cent per week, niet per dag.

XCVORMING VIERDE KABINET-COLIJN (p.659, r. 9). Noch de liberalen, noch de vrijzinnig-democraten waren bereid, de passage over het 'positief-christelijke' karakter van het te voeren beleid te aanvaarden. Het gevolg was dat in Colijns vierde kabinet drie in plaats van vijf partijen vertegenwoordigd waren.

XCHET VIJFDE KABINET-COLIjN (p.667, r.7). Het telde zes, niet zeven nieuwelingen.

XCG. W. SANNES (p.690, r.I5 v.o.). Is ten onrechte als H. W. J. Sannes aangeduid.

XCGERBRANDY'S TOETREDEN TOT HET KABINET-DE GEER (p.697, slot eerste alinea). Hierbij speelde ook een rol dat zijn verhouding met het bestuur van de Vrije Universiteit, dat kort tevoren o.m. had geëist dat hij al zijn nevenfuncties zou neerleggen, grondig was verstoord.

XCW. NAUDIN TEN CATE (p.727). Was lid van de CHU, met liberale

Deel 2: (Neutraal)

XC

XCKONINGIN WILHELMINA EN DE KABINETSFORMATIE IN 1901 (P.32, r. 3 V.O.). De bedoelde generaal was niet W. Cool maar A. Kool, chef van de generale staf.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na P.56, foto 17). Moet luiden: 'Duitse soldaten op weg naar Polen 'om Joden een pak slaag te geven'.' Een wel heel domme vertaalfout! Maar ik had dan ook bij mijn gymnasiaal eindexamen een onvoldoende voor Duits. * EMILE LALIEU (p.76, r. II-IO v.o.). De zin 'Tijdens de bezetting bleef hij allerlei werkzaamheden voor de Abu/ehr verrichten' vervalt. * JACKIE HOOPER EN DE ABWEHR (p.84, r. 1-5). De mededeling omtrent Hoopers contact met de Abwehr vervalt.

XCDR. J. H. VAN ROljEN (p.98, r.8 V.O.). Zijn naam is in de delen 2,3,4, 5,7 en 9 abusievelijk aangegeven als: van Royen.

XCKOSTEN VER B LIJF SCHEPEN IN HA VENS (p. 169, r. 10).f 1000 of f 2000 per dag waren de totale kosten, niet alleen het liggeld.

XCG. J. H. SEELEN (P.233, r. 17). Was in die tijd inspecteur van politie te Maastricht.

XCGENERAAL CARSTENS (p.236, r. 15 V.O.). Was sous-chefvan de generale staf, niet chef van de landmachtstaf.

XCDISPUUT OVER DE PEEL-RAAM-STELLING (P.255, kaart VIII). Verzuimd is, het door Belgisch Limburg lopende deel van de Zuid- Willemsvaart aan te geven. Generaal Winkelman wenste dat de Belgen achter de westelijke oever troepen zouden opstellen. * GEHEIM CONTACT MET DE BRITSE MARINE (p.267-68). Toegevoegd moet worden dat op Brits verzoek tussen 4 en 9 mei '40 ook de nodige gegevens over de ligging van de Nederlandse mijnenvelden aan de Admiralty zijn verstrekt.

OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

JHR. MR. H.F. L. K. VAN VREDENBURCH (p.273, noot 3). Zijn voorletters zijn onjuist aangegeven en hij was in die tijd niet kabinetschef van Buitenlandse Zaken maar sous-chef van de afdeling diplomatieke zaken. * BEWERING VAN DE ABWEHR-OFFICIER RICHARD GERKEN (p. 320, r.2-1 V.O.). Deze bewering over 'een hoogst interessante Nederlandse bron' moet beschouwd worden als een produkt van's mans fantasie.

XCDE DUITSE AANVAL OP DE GREBBELINIE (p.338, r.8 V.O.). De twee Duitse divisies en de twee regimenten waren numeriek niet zwakker dan de vier Nederlandse divisies.

XCDE DUITSE VERKENNING VAN DE GREBBELINIE (p.341, tweede alinea). Deze werd niet door Generalmajor F. Ziekwolf uitgevoerd maar door Oberst H. von Zitsewitz, chef-staf van het Armee-Oberkommando 18. De stafbespreking bij von Bock vond niet op 30 maar op 20 maart plaats.

XCDE WAFFEN-SS-EENHEDEN BIJ DE AANVAL OP NEDERLAND (p.358, r. 5-9). Deze zin vervalt.

XCDE DUITSE SCHATTING VAN DE STERKTE VAN HET NEDERLANDSE VELDLEGER (p. 358, noot I). Ten onrechte is vermeld dat de schatting betrekking had op de Nederlandse Landmacht.

XCVERBETERDE FOTO-ONDERSCHRIFTEN (na P.360). Foto 78 is een opleidingsvliegtuig van de Marineluchtvaartdienst, foto 79 een gevechtsvliegtuig. Het onderschrift van foto 85 moet luiden: Een patrouillevaartuig bij Den Helder, en dat van foto 91: Een mitrailleurkoepel die nog met beton en aarde omgeven moet worden.

XCHET IOC M - V EL D GES c a U T (p. 368, r. 18 e.v.). Dit geschut is ten onrechte als 'niet werkelijk up-ta-date' aangeduid; wat ontbrak waren moderne houwitsers.

XCDE TEGEN NEDERLAND INGEZETTE BOMMENWERPERS VAN DE LUFTWAFFE (p.378, r.II). Hetjuiste aantal is 260.

XCDE 'WILLEM VAN DER ZAAN' (p.380, r.4 V.O.). Was in '39 gereedgekomen, niet in '38.

DEEL 3

VERDEDIGING VAN GRONINGEN, DRENTE EN FRIESLAND (p.390, derde alinea). De beschikbare troepen waren wel in linies opgesteld maar er waren nog geen verdedigingswerken aangelegd.

XCVERDEDIGING GREBBEBERG (p.396, r. II-I2). Niet het Grebbefront had een breedte van 4 km maar de voorpostenlijn voor de Grebbeberg.

XCONTRUIMING OOST-NEDERLAND (p.420, r. 14-13 V.O.). De provincie Groningen moet worden toegevoegd.

XCDR. MICHAEL GRAF SOLTIKOW (p.46S, r. IS-II V.O.). Zijn betrokkenheid bij het uitwissen van de sporen van wat Oster had gedaan, staat niet vast.

XCDE DUITSE OVERVAL OP DE MARECHAUSSEE-KAZERNE TE VLODROP IN DE NACHT VAN 7 OP 8 MEI' 40 (P.48o-84). De twee personen die de brug bij Roosteren wilden verkennen, gingen op maandag 6, niet op dinsdag 7 mei op pad. Dit waren de Nederlander J. F. Orta (niet Ortha) en de Sudetenduitser O. Heller. Beiden werden aangehouden en naar de marechaussee-kazerne te Vlodrop overgebracht. Orta beweerde onderweg te zijn naar zijn moeder in Susteren en werd vrijgelaten, Heller in arrest gehouden. Het was Orta die de Abwehr-officieren in het kamp Arsbeek waarschuwde en de in de nacht van 7 op 8 mei ondernomen overval op de kazerne te Vlodrop diende er toe om Heller, niet Orta, te bevrijden. Deze laatste werd vervolgens in Susteren gearresteerd en naar Roermond overgebracht; daar werd hij op 10 mei door de Duitsers bevrijd.

XCHET SONDERVERBAND HOCKE (P.487, r. S e.v.). Ook de fietsers van dit Sonderverband kwamen niet verder dan Borgharen.

Deel3: 'Mei '40'

XC

XCDUITSE GEVECHTSRAPPORTEN (p·S, r.ç). Wij schreven dat er geen bewaard zijn gebleven - dat moet zijn: enkele.

XCDE VERDEDIGING VAN HET VLIEGVELD VALKENBURG (p.IO,

OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

v.o.). De versterkingen bij de mitrailleurs waren niet afgedekt doordat er nog geen gelden voor ter beschikking waren gesteld.

XCDE VERDEDIGING VAN HET VLIEGVELD YPENBURG (p. 13, r. 13 V.O.) Het betrokken bataljon telde niet ca.duizend maar ca.zevenhonderd man en er waren niet acht maar zes lichte pantserwagens. (p. 16, r.20) Na de eerste Duitse aanvallen vluchtte niet een groot deel maar een deel van de Nederlandse troepen en (p. 16, r. 30 e.v.) toen de eerste Duitse transporttoestellen landden, waren van de negen zware mitrailleurs nog zeven bemand en van de elflichte zes en waren de pantserwagens nog aanwezig.

XCVERBETERDE KAART (p. IS, kaart III). De zwarte pijl richting zuid-oost vervalt.

XCDE VERDEDIGING VAN HET VLIEGVELD OCKENBURG (p. 18, r. 5 e.v.). De verdedigers (nauwelijks geoefende troepen die hier en daar toch stevig van zich afgebeten hadden) werden geleidelijk van het vliegveld weggedrukt; vooral bij hun terugtocht leden zij zware verliezen: op elke vier man sneuvelde er één.

XCDE VERDEDIGING VAN HET VLIEGVELD WAALHAVEN (P.24, r.I9). Er waren niet omstreeks duizend maar omstreeks zeshonderd verdedigers.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na P.32). Foto 9 beeldt op de achtergrond niet de 'Statendam' af maar de 'Veendam'.

XCDE KOMST VAN GENERAAL WINKELMAN OP HET ALGEMEEN HOOFDKWARTIER IN DE VROEGE OCHTEND VAN laMEL (p. 59, r. 12). Wij schreven dat de generaal 'vermoedelijk omstreeks kwart voor vijf op zijn post was - hij was er in werkelijkheid omstreeks vier uur.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na P.72). Foto 22 is niet in Heerlen gemaakt maar in Vaals.

XCDE VERDEDIGI NG V AN DE MAASLINIE (p.75, r. 13). De zeven Nederlandse bataljons waren samen minder dan één divisie.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na p.80). Wat op foto 29 wordt afgebeeld, speelt zich niet op de Maas af maar op het Julianakanaal.

DEEL 3

HET GEVECHT BIJ MILL (p. 84, r. 14 V.O.).Er waren niet negen maar twaalf oude kanonnen opgesteld, zulks in formaties van vier.

XCVERBETERDE KAART (p. 90, kaart XII). De twee bruggen over het MaasWaal-kanaal die in Neerbosch lagen, ontbreken. Beide werden vernield. Er is daar geen strijd geleverd.

XCDE REGIMENTEN HUZAREN OP DE VELUWE (P.94, r. 15 V.O.). Zij beschikten tezamen ook nog over achttien sterk verouderde pantserwagens.

XCVERBETERD E FOTO-ONDERSCHRIFTEN (na p. 96). Foto 43 toont de bij Zutphen (niet Westervoort) opgeblazen bruggen en foto 47 een tot ontsporing gebrachte locomotief op de spoorbrug over de Willemsvaart in de lijn Zwolle-Kampen.

XCVERBETERDE KAART (p. 97). '17 uur' bij Wageningen moet zijn: '19 uur' en aan de zz-zste Infanterie-Division was slechts één SS-Standarte toegevoegd.

XCHET SS-BATALJON OP WEG NAAR DE GREBBEBERG (p.98, r.6 V.O.). Van Arnhem oprukkend ondervond het bataljon (het is ten onrechte als 'regiment' aangeduid) plaatselijk tegenstand.

XCDE DUITSERS BIJ DOESBURG (p. 99, r. 12). De eerste Duitsers kwamen om zeven uur des ochtends over de Ijssel maar de doorbraak werd pas in de middag geforceerd. Vervolgens werd de schipbrug hersteld. Derhalve moet vóór 'Zutphen' (r. 14) het woord 'ook' worden ingevoegd.

XCDE VERDEDIGING VAN DE NOORDELIJKE PROVINCIES (p. lOl, rro e.v.). De r ste Kavallerie-Division was met haar zes versterkte bataljons numeriek in de meerderheid.

XCKOMST VAN DE DUITSE VOORHOEDE IN LEEUWARDEN (p.I02, r.o v.o. e.v.). De voorhoede werd er begroet door twee politiefunctionarissen die zich spoedig als handlangers van de bezetter zouden ontpoppen.

XCDE IN LEEUWARDEN OP STRAAT GEZETTE DUITSE VLUCHTELINGEN UIT WESTERBORK (p, 106, r. 10 e.v.). Zij zijn nadien gehuisvest en verzorgd door de Joodse

OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

PLUNDERINGEN IN RHENEN (p. 108, r. 8). De woorden 'en de zakken vol gouden ringen' vervallen.

XCNEERSCHIETEN VAN EEN DUITS TRANSPORTTOESTEL BOVEN DEN HAAG OP Ia MEI EVEN NA HALF ZES DES OCHTENDS (pr r y, r.I6). Het vliegtuig werd door enkele van een dak afgevuurde karabijnsalvo's getroffen.

XCDE Z.G. VIJFDE COLONNE IN DEN HAAG (p. II7, r.z V.O.). Er was niet slechts één onopgehelderd geval maar er waren er enkele.

XCSTERKTE VAN DE DUITSE LUCHTLANDINGSTROEPEN TUSSEN HAARLEM EN HOEK VAN HOLLAND (p. 130, r. 8 V.O.). Juiste cijfer: bijna negen-er:-dertighonderd man.

XCDE STRIJD BIJ VALKENBURG OP Ia MEI (p. 132, r. 14). De betrokken compagnie trok in goede orde naar Katwijk aan de Rijn terug, van waaruit het schieten op de Duitsers werd voortgezet.

XCDE DUITSE GROEP IN VALKENBURG (p. 180, r. Ia). De groep had geen radioverbinding met Graf von Sponeck. * DE 'FAHNDUNGSLISTE HOLLAND' (p.I9I, r. I). De Rotterdamse publicist Loek Elfferich heeft het met diverse publikaties aannemelijk gemaakt dat deze lijst niet alleen betrekking had op personen die gearresteerd moesten worden maar ook op enkelen op wier medewerking de Einsatzgruppe Feldmann een beroep zou doen.

XCDE STRIJD IN DE VOORPOSTENLINIE VAN DE GREBBEBERG OP I I MEI (P.207, r. 8 V.O.). Sommige groepen Nederlandse militairen boden moedig verzet, enkele gaven zich spoedig over.

XCKAARTCORRECTIE (p.2I4). Op kaart XXIII moeten de namen Boxtel en Vught worden verwisseld.

XCDE FRANSE AANVAL OP HET DUITSE BRUGGEHOOFD BIJ MOERDIJK OP 12 MEI (p.2I7, r. IS V.O.). De tweede Franse poging werd op de rzde niet ondernomen maar slechts voorbereid.

DEEL 3

WAPEN DER KONINKLIJKE MARECHAUSSEE (p.220, r.5). Is ten onrechte aangeduid als Korps. * DE EVACUATIE VAN BREDA (p.222, LIO en 4 v.o.). Deze evacuatie begon niet op maandag 13, maar op zondag 12 mei. Op p.223, r. 7 moet 12 mei gewijzigd worden tot: 13 mei.

XCHET GEVECHT BIJ DE WASSENAARSE SLAG (p.236, r. 5 v.o. e.v.).Hierbij was aan Nederlandse kant slechts een verzwakt bataljon betrokken. Het werd door ca. driehonderdvijftig Duitsers aangevallen.

XCKAARTCORR ECTIE (p.239). Op kaart XXVI staat ten onrechte aangegeven dat op de aanvallen op 12 mei van Delft uit in de richting van Overschie terugtochten volgden.

XCDE NEDERLANDSE ARTILLERIE BIJ DE STRIJD OM DE GREBBEBERG OP 12 MEI (P.253, r. 13 V.O.). Het betrokken gebied is wel degelijk door de divisie- en legerkorpsartillerie bestookt maar de uitwerking daarvan was veel geringer dan de avond tevoren.

XCEEN SERGEANT GEFUSILLEERD WEGENS DESERTIE (p.256, r.a). Deze fusillering werd aan de troepen die de Grebbelinie verdedigden, wèl bekend gemaakt.

XCDE REGERINGSPERSDIENST IN DE MEIDAGEN (p.286, r. II e.v.). Dat de ministers niets van deze dienst (die slechts vijf man telde) vernamen, was gevolg van het feit dat de dienst geheel door de binnen- en buitenlandse journalisten in beslag werd genomen.

XCHET KABINETSBERAAD OP 13 MEI (P·305, r. 13-14). Jhr. mr. H. F. L. K. van Vredenburch, sous-chef van de afdeling diplomatieke zaken van Buitenlandse Zaken, was hier niet bij aanwezig. Hij reed (p. 309, r. 13) ook niet in een der ministeriële auto's naar Hoek van Holland maar bereikte die plaats met een eigen auto. Van Kleffens had hem verzocht, zich naar Londen te begeven. * HET MINISTERIËLE BERAAD IN HOEK VAN HOLLAND OP DE MIDDAG VAN 13 MEI (p.309). Aan onze beschrijving voegen wij toe dat enkele ministers er enige tijd op hebben aangedrongen dat de regering zou capituleren. Tenslotte werd besloten dat de ministers zich via Enge9

OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

land naar Zeeland zouden begeven. Daarop doelde het woord 'elders' in het in Hoek van Holland opgestelde en op p. 3 13 vermelde regeringscommuniqué.

XCVER BETERD FOTO- ON DERSCHRIFT (na p. 320). Foto 85 toont de brand in de Shell-installatie te Vlaardingen na het Britse bombardement van 20 mei 1940.

XCDE OPMARS NAAR OVERS CHIE 0 P 14 MEI (p. 329, r. 2 e.v.). Deze werd door meer troepen ingezet dan de tekst in de eerste druk doet vermoeden.

XCDE STRIJD BIJ RHENEN OP 14 MEI (p. 335, r. 13 V.O.). Niet 'heel wat' maar slechts sommige militairen deserteerden.

XCDE TERUGTOCHT NAAR ELST OP 14 MEI (p.336, r. II-I4). De regimentscommandant voerde deze terugtocht in goede orde en nog vol strijdlust uit.

XCKAPITEIN TER MATEN (p.339, r. 13 V.O.). Is abusievelijk aangeduid als: Termoten.

XCDE WATERTOREN BIJ DE GREBBELINIE (p. 343, r. 12 V.O.). Deze lag niet ten westen maar ten oosten van de commandopost van kolonel van Loon. Bij die commandopost (p.343, r. 10 en r. 8) lag een villa die door de Nederlandse artillerie onder vuur werd genomen.

XCDE AFDELING ARTILLERIE DIE IN GOEDE ORDE VAN HET FRONT AAN DE GREBBE WESTWAARTS TROK (p. 344, r. IS V.O.). Deze afdeling stond onder commando van reserve-majoor J. H. Kramer.

XCONJUISTE FOTO-ONDERSCHRIFTEN (na p. 344). Foto 86 is niet bij de Grebbeberg genomen. In het onderschrift bij foto 92 moet Achterberg vervangen worden door: Achterveld. Foto 95 toont de resten van een aangevallen Duitse transportcolonne.

XCDE DUITSE AANVAL BIJ OCHTEN OP 13 MEI (p.346, r. I V.O.). Deze aanval werd door ca. duizend Duitse militairen ondernomen.

XC13 MEI. DE BRITSE MILITAIRE MISSIE IN DEN HAAG (p.3S6, r.8). Deze missie stond onder leiding van Major-General Heywood. 9

DEEL 3

* DE RODE LICHTKOGELS BIJ ROTTERDAM (p.378-79). De Rotterdamse publicist Loek Elfferich heeft in '87 betoogd dat de rode lichtkogels welke de Duitse generaal Schmidt op 14 mei '40 om 13 uur 22 en om 13 uur 25 liet afvuren, niet de bedoeling hadden het bombardement van Rotterdam door de Luftwaffe af te gelasten maar alleen maar de plaats van Schmidts troepen duidelijk wilden maken. Elfferich heeft evenwel het Duitse document waarop hij zich heeft beroepen, verkeerd geïnterpreteerd en aangezien wij in eerste instantie (ietwat onvoorzichtig) aan zijn conclusie steun hebben verleend, stellen wij er prijs op, nu als ons oordeel te geven dat wij die conclusie niet aanvaarden.

XCHET GEBRUIK VAN BRANDBOMMEN BIJ HET BOMBARDEMENT VAN ROTTERDAM (p, 385, r. 7-8). In de tekst staat: 'brandbommen gebruikte de Luftwaffe nog niet'. Deze mededeling is vermoedelijk onjuist: er zijn aanwijzingen dat op Rotterdam wel degelijk ook brandbommen afgeworpen zijn.

XCHET UUR VAN UITZENDING VAN GENERAAL WINKELMANS PROCLAMATIE OVER DE CAPITULATIE EN VAN ZIJN RADIOTOESPRAAK TERZAKE (p.405, tweede alinea). Anders' dan wij schreven, is er een tijdsverschil geweest tussen de uitzending van de proclamatie en die van de toespraak. De radio-uitzending van de proclamatie begon om kwart over zeven 's avonds en Winkelman begon pas om kwart over tien te spreken (ook op P.446, derde alinea, staan deze tijdstippen verkeerd vermeld). * ONTSNAPPING VAN VLIEGTUIGEN OP DE AVOND VAN 14 MEI (p. 4II). Er zijn na de capitulatie twee kleine toestellen van Schiphol naar Engeland overgevlogen: een z.g.luchttaxi van de KLM, een Koolhoventoestel, en een in oktober '39 van een Nederlandse burger gevorderde De Havilland-Moth. Wie dit tweede toestelovergevlogen heeft, is niet. bekend - met het eerste ontsnapte een onderofficier van de Militaire Luchtvaart, Justus Heymans, die van Joodse afkomst was.

XCDE BEZETTING VAN SCHIERMONNIKOOG OP 16 MEI (p. 412, r. 7 e.v.). Het geciteerde Duitse rapport berust niet op fantasie; de bezetting vond overigens op 16 en niet op 18 mei plaats.

XC15 MEI. DE CAPITULATIE-OVEREENKOMST MET BETREKKING TOT DE MARINE (p.4I5, r.8-9). Anders dan wij schreven was deze overeen

OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

komst aan generaal Winkelman bekend: schout-bij-nacht Heeris ontving het stuk van generaal Winkelman die hem opdracht gaf, het verder af te handelen. * DE ORDER DIE SCHOUT-BIJ-NACHT HEERIS IN DE MIDDAG VAN I4 MEI LIET UITGAAN (p.423, r. I e.v.). In de eerste druk schreven wij dat in deze order, waarin opdracht werd gegeven om alle vernielingen uit te voeren en zoveel mogelijk personeel en materieel van de marine naar Engeland te zenden, het codewoord 'gramschap' was 'vergeten'. Dat was niet juist. Heeris nam aan dat dat codewoord dat al anderhalve dag in gebruik was, aan de Duitsers bekend was geworden en meende bovendien dat zijn order door zijn inhoud ontwijfelbaar echt was.

XCDE MIJN E N LEGGER 'M ED U SA' (p.424, laatste alinea en P.425, eerste alinea). Verzuimd is te vermelden dat ook dit schip naar Engeland ontkwam.

XCDE CODE-AMBTENAAR VAN BUITENLANDSE ZAKEN (P.432, r.2122). Deze is ten onrechte aangeduid als 'een ambtenaar van de codeafdeling': die afdeling bestond niet en er was maar één ambtenaar die dit werk deed.

XCDE BRITSE OFFICIER DIE OP I4 MEI MET EEN GEHEIME OPDRACHT IN IJMUIDEN AANKWAM (p.441, derde alinea). Het staat vast dat deze na een bezoek aan Amsterdam (wat hij daar verricht heeft, is niet bekend), 's avonds Ijmuiden weer heeft verlaten.

XCZELFM 0 ORDEN NA DE CAPITULA TIE (p.451, derde alinea). Aan de drie vermelde gevallen waarin niet-Joden zelfmoord pleegden, moeten nog worden toegevoegd die van de Zaanse leraar en publicist Sipke Lootsma en van de Haagse officier van gezondheid, luitenant-kolonel W,. S. Göbel en zijn echtgenote.

XCMIJN EIGEN ONTSNAPPING UIT IJMUIDEN (p.452, r. I V.O.). Ik hoorde 's avonds om kwart over zeven in een hotelletje te Velsen niet Winkelmans radiotoespraak maar zijn proclamatie, voorgelezen door het ANP.

XCDE VLUCHTPOGING VAN ABRAHAM ASSCHER (P.455, r.2-3). De tekst moet luiden: nu constateerde hij wanhopig dat de kustvaarder waarop hij

DEEL 3

zich bevond, niet uitvoer; zijn vrouw maakte die dag een einde aan haar leven. * HET VERLATEN VAN DE BATH-STELLING OP DE AVOND VAN 14 MEI (p.471, laatste alinea). Anders dan wij schreven, is het oude raadhuis van de gemeente Rilland, waarin de commandopost was gevestigd, door de adjudant van de bataljonscommandant opzettelijk in brand gestoken teneinde de zekerheid te hebben dat geen enkel geheim stuk de Duitsers in handen zou vallen. De gemeentekas en het bevolkingsregister waren tevoren uit het gebouw verwijderd. Het bevel tot ontruiming van de stelling is door de bataljonscommandant gegeven in opdracht van de commandant van het regiment infanterie waartoe het betrokken bataljon behoorde.

XCDE SS-STANDARTE 'DEUTSCHLAND' (p.472, r.z). Is ten onrechte in de tekst, op kaart XLI en op P.480, r. 12 'SS-Standarte 'Gross-Deutschland" genoemd.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na P.480). De opname van foto 140 is in Kapelle (Zuid-Beveland) gemaakt.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na P.480). De opname van foto 146 is gemaakt in 1941.

XCPRINS BERNHARDS TOCHT NAAR ZEELAND (p.486-87). De eerste die in Londen het denkbeeld opperde dat de prins zich naar Zeeland zou begeven, was jhr. van Vredenburch; hij vergezelde de prins ook op deze tocht. * DE DUITSE WEHRMACHT EN HET NEDERLANDSE LEGER (P.509, r. 12 V.O.). Anders dan wij in de eerste druk schreven, was de Duitse Wehrmacht voorzover tegen Nederland ingezet, kwantitatief enigszins superieur aan het Nederlandse leger. * HET AANTAL DESERTEURS (p. 510, r. 18). Wij schreven in de eerste druk over 'duizenden' - beter is: 'velen'.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na P.520). Foto 164 1S III Den Bosch genomen.

Dee14: {Mei 'so-maart '41'

XC

XCDE PRESIDENT-DIRECTEUR VAN HET ANP, H. H. J. VAN DE POL, IN DE MEIDAGEN VAN '40 (p.9,r.7-8).ZijnpogingomnaarEngeland te ontkomen vond in opdracht van de regering plaats.

XCDE PROVINCIALE EN NIJMEEGSE COURANT (p. 13, r. I2-I3). Ten onrechte aangeduid als: Nijmeegs Dagblad. * DE KRO OP 15 MEI '40 (P.I5, r.7-8). Er was van ontslag van het KRO-personeel geen sprake - wel kreeg dat personeel op die dag een maand salaris uitbetaald. * DE DOOR W. VOGT OP 21 MEI '40 GEGEVEN ONTSLAGEN (p.I6, r. 6). Niet alle Joodse medewerkers werden ontslagen maar alleen diegenen hunner die aan de uitzendingen plachten deel te nemen.

XCDANIËL WOLF (p.II9, r. 5-4 V.O.) Voor 'grootindustrieel' leze men: groothandelaar.

XCMR. H. P. MARCHANT (p. 148, r. II-I3). Hij werd in '31, niet in '23, in Den Haag wethouder.

XCHET HOOGLERAARSCHAP VAN DR. G. A. VAN POELJE (p.148, r. 16). Zijn leeropdracht was bestuurswetenschap.

XCMR. D. G. W. SPITZEN (p. 153, r.z), Hij was wel een uitnemend pianist maar had geen conservatorium doorlopen. * DE AFKOMST VAN DR. H. M. HIRSCHFELD (p. 163, laatste alinea). Hij had een Joodse vader maar zijn moeder was niet-Joods. Hij was dus (p.I66, r. 7 en r. 2 v.o., en p. 167, r. 2) niet een Jood maar (volgens de Nazi-begrippen) een half-Jood - hij had twee, niet (p.I66, rro) drie Joodse grootouders. Ook p. 168, r. 5 moet gecorrigeerd worden. Tenslotte moet p.I68, r. I2-IO v.o. gecorrigeerd worden tot: Hirschfelds beide ouders waren nog in leven, hij woonde met zijn enige zuster samen.

XCDE COMMISSARIS VAN DE KONINGIN IN NOORD-HOLLAND, MR. DR. A. BARON RÖELL (p. 161, tweede alinea). Deze is niet begin '41 door Seyss-Inquart ontslagen maar in november

DEEL 4

DE AMSTERDAMSE INSPECTEUR VAN PUBLIEKE WERKEN W. PATHUIS (p. 191, r.ç). Is abusievelijk H. Pathuis genoemd.

TEKSTCORRECTIE'Veel pleit er voor'.

XCDE BROCHURE-VERSIE VAN DE TOESPRAAK VAN MR. DR. J. IN 'T VELD OP 21 MEI 1940 (p.256, r.8-6 V.O.). Ds. F.J. Krop had als voorzitter van de Marnix-Stichting na de capitulatie een aantal patriottische brochures doen verschijnen. De nog aanwezige exemplaren waren na het verbod van de Rijkscommissaris om over nog levende leden van het Koninklijk Huis publikaties uit te geven vernietigd. In 't Velds toespraak is dus niet door de SD in beslag genomen.

XCLEDENTAL VAN HET NATIONAAL JONGEREN VERBOND (P.285, noot 5). Het verbond had in '40 ca. vijf-en-zeventighonderd leden.

XCTH. N. BA UTZ (P.287, r. 7 V.O.). Abusievelijk gaven wij de voorletters aan als: Th. M.

XCDE 'LOYALITEITSVERKLARING' DER BEROEPSMILITAIREN (p.326, r. 14). De groep van de adelborsten die ook geweigerd had, werd, merkwaardig genoeg, over het hoofd gezien.

XCMAJOOR C. GIEBEL (p.326, r. 19). Is abusievelijk aangeduid als: G. Giebel.

XCDE PHOHI-ZENDER (p.340, r. 3). Was een korte-golf-, niet een ultrakorte-golfzender.

XCHELD RING & PIERSON (p.419, r. 14 v.o.). Abusievelijk aangeduid als: Pierson, Heldring & Pierson.

XCARB EID ERSGEMEENSCHAP V AN WOODB ROOKERS (P.455, r. 7-8). Ten onrechte wordt hier het Religieus-Socialistisch Verbond genoemd. * J. B. BROEKSZ IN '41 EN VOLGENDE JAREN (P.479, noot I). Toegevoegd moet worden dat Broeksz na twee maanden ontslag nam als chef van de administratie van 'de Nederlandse Omroep'.

OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

BOND VAN ARBEIDERS-MUZIEKVERENIGINGEN (P.490, r. 14-15). Is ten onrechte aangeduid als: Bond van Arbeiders Zang- en Muziekveremgmgen. * JHR. J. A. H. VAN DER DOES (P.494, r.2-3). Deze had in '38 als lid van de NSB bedankt.

XC'HET GEMENEBEST' EN DE WOUDSCHOTEN-CONFERENTIES (P.507, tweede alinea). Het eerste nummer van Het Gemenebest kwam in oktober '38 uit en de belangrijkste Woudschoten-conferenties vonden plaats in januari en april '39.

XCDE NCSV (p. 507, r. 18). De juiste volledige naam is: Nederlandse Christen-Studenten Vereniging (zelfde correctie: p. 755, r. 12 v.o.). * DR. JOHAN BROUWERS BROCHURE 'GEESTELIJKE VERWARRIN G' (p. 509, tweede alinea). Deze passage dient te vervallen, aangezien zij geen fair beeld geeft van Brouwers opvattingen.

XCMR. G. E. VAN WALSUM EN 'DE NEDERLANDER' (p.528,r.I4-I3 V.O.). Van Walsum was niet hoofdredacteur (dat was Q. A. de Ridder) maar lid van de commissie die namens de CHU toezicht op De Nederlander uitoefende.

XC'IN ONS ISOLEMENT LIGT ONZE KRACHT' (p. 561, rz V.O.). Dit is een woord niet van Kuyper maar van Groen van Prinsterer.

XCPROF. DR. HUGO VISSCHER (p.570, r.7). Hij was een voorman van de tot de Nederlandse Hervormde Kerk behorende Gereformeerde Bond.

XCF. E. FARWERCK EN DE VRIJMETSELARIJ (p. 582, r. 3 e.v.) Farwerck was lid van een internationaal genootschap dat door een Franse Jood werd geleid maar niet tot de officiële Vrijmetselarij behoorde.

XCC. M. DOSKER, DIRECTEUR V AN 'DE NIEU WE KOERIER' (p.6I3, r. 18). Deze werd in oktober '40 een van de 'Indische' gijzelaars. * PROF. DR. K. SCHILD ER (p.621, r. 2-1 V.O., en p. 622, eerste en tweede alinea). Deze alinea is als volgt gewijzigd: 'Aan dat verbod hield hij zich,

DEEL 4

predikant op te treden. Was hem de gevangenschap toch zwaarder gevallen dan hij gedacht had? Een feit is in elk geval dat, hoewel hij een groot deel van zijn energie ging concentreren op een dogmatisch geschil binnen de Gereformeerde Kerken, na enige tijd weer verzetsimpulsen van hem uitgingen. Aan de Hogeschool te Kampen hield hij bij enkele gelegenheden weerbare toespraken en ook trad hij weer meermalen als voorganger op in Gereformeerde diensten waar hij zich impliciet tegen SeyssInquarts gelijkschakelingsbeleid uitsprak. Het onverhulde getuigen evenwel, dat zijn optreden in de zomer van '40 gekarakteriseerd had, liet hij achterwege.' Op p. 622, r. IQ-II vervallen de woorden: 'Eigenlijk was hij een groot kind'. Voetnoot I op deze pagina begint met de woorden 'Buiten het luchtledige van de beginselen enz.'

XCMR. J. HUI]TS (p.626). Is op de pagina's 626, 627, 628 (noten I en 2) en p.635 ten onrechte aangeduid als: mr. J. Huyts. * H UIJTS' AR TI KELEN IN DE ZOMER V AN 40 (p.626, r. 5-4 V.O.). Voor 'enkele artikelen in de geest van het 'nieuwe Europa" leze men: 'een of meer artikelen over Europese ruimtepolitiek'. * DE BRIEF DIE HUI]TS EIND JULI' 40 AAN MR. M. ROOY SCHREEF (p.627, r. 16). Aan het citaat moet worden toegevoegd: 'Hij meende overigens dat het Nederlandse volk 'in staat [zou] zijn om onder nieuwe omstandigheden zijn volkskarakter nog eens te bevestigen." * DE OPINIE VAN DE BUITENWERELD OVER HUI]TS (p.628, r.3). Voor 'rancune' leze men: zelfoverschatting.

XCH. M. C. HOLDERT (p.628, r.4-3 v.o.). Deze leerde het drukkersvak in Duitsland, niet in Nederland, en (p.630, r. I9) vestigde zich in '15, niet in de jaren '20, in Frankrijk. Hij overleed (p.632, r. 10) in Bussum, niet in Frankrijk.

XC'DE VRIJE WESTFRIES' (p.640, r.6). Dit blad verscheen in Enkhuizen, niet in Hoorn. * DE KRO EN DE RUNDFUNKBETREUUNGSSTELLE (p.653, r.6 v.o. e.v.). De geciteerde brief is niet van de hand geweest van pater Dito en directeur Speet maar was een door mr. G. P. J. M. Bosman eind juni '40 opgesteld concept dat naar het oordeel van Dito en Speet te ver ging.

OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

* DE BETALINGEN VAN IR. DUBOIS AAN HET DOOR DE AVRO ONTSLAGEN JOODSE PERSONEEL (p.666, r. 8-9). Het geld daartoe werd door de Avro ter beschikking gesteld.

XCHET KADER V AN DE 0 PBOUW DIENST (p.670, r. 1 V.O.).Er is ten aanzien van de bedoelden geen sprake geweest van vrijwilligheid - zij werden als beroepsmilitairen bij de Opbouwdienst ingedeeld.

XCHET OPROLLEN VAN DE ORANJEGARDE, HERFST '41 (p.696, r.IO). Dit heeft aan ca. tien personen het leven gekost.

XCACTIVITEIT VAN DE LEEUWENGARDE (p.697, r.2-3). Enkele van de bedoelde plannen zijn uitgevoerd.

XCJ. A. A. MEKEL (P.703, r.I3). Zijn voorletters zijn abusievelijk aangegeven als: J. J. A.

XCDE DOOR SOE UITGEZONDEN ZEEMAN J. VAN DRIEL (p.706, r. IS). Inderdaad is zijn missie door de Special Operations Executive georganiseerd; hij werd (noot I, r. 7) in de nacht van 17 op 18 augustus '40 aan land gezet. Hij had een zender bij zich waarvan hij geen gebruik heeft gemaakt of heeft kunnen maken.

XCJ. H. K. ALLERS (p.708, r. 10). Hij was oud-adjudant-onderofficier van GS III (zelfde correctie: p. 7II, r.7).

XCDE ARRESTATIE VAN LODO VAN HAMEL C.S. (p.7IO, r.6). Geschiedde door een gemeenteveldwachter en een wachtmeester van de rijksveldwacht (niet van de marechaussee).

XCMR. R. P. S' JACOB (p.717, r.S V.O.).De achternaam IS abusievelijk vermeld als: 's Jacob. * PERSONEN DIE DE ARIËRVERKLARING WEIGERDEN TE TEKENEN (P.764, r. I). Ook moeten nog vermeld worden mr. F. Ligtenberg, kantonrechter te Leiden, en prof. mr. J. G. Koopmans, hoogleraar te Rotterdam; op p. 763, r. 10 v.o.leze men voor 'Wijkerslooth': de Wijkerslooth.

XCMR. J. LE POOLE (P.763, r.8 V.O.).Ten onrechte zijn zijn voorletters als J. L. aangegeven.

100 [PDF]
DEEL 5

XCPATER C. WESSELS S.J. (p.778, r.8 V.O.). Was niet de hoofdredacteur maar een medewerker van het maandblad Studiën.

XCCLEVERINGA'S PROTEST TEGEN HET AAN MElJERS VERLEENDE '0 NTS LA G' (p.795, tweede alinea). Het gesprek tussen Cleveringa en Telders heeft plaatsgevonden tijdens een op vrijdag 22 november ten huize van Cleveringa gehouden vergadering van de juridische faculteit, waar goedgevonden werd dat Cleveringa namens die faculteit zou spreken. Cleveringa had zich daartoe na overleg met zijn vrouw bereid verklaard.

XCDE STRIJD IN OOST-AFRIKA (p.807, r.6-5 V.O.). Hierbij waren van Britse zijde Afrikaanse, Zuidafrikaanse en Brits-Indische strijdkrachten betrokken - de Australiërs en Nieuw-Zeelanders vochten in de Western Desert. * MR. G. E. VAN WALSUM EN DE NEDERLANDSE UNIE (p.Bjz, r.2I). Van Walsum en zijn groep zochten in september '40 niet aansluiting bij maar contact met de Nederlandse Unie.

XCRABBIJN L. H. SARLOUIS (p. 884, r. 13).Is ten onrechte als 'opperrabbijn' aangeduid.

XCJAN JANSENS CONCEPT-OPROEP TOT DE FEBRUARISTAKING (p.914, r. II V.O.). Werd op de zondag, niet de zaterdag vóór de staking geschreven.

XCLEEN SCHIJVESCHUURDER (p.929, r. 12). Dit is de juiste naam, niet Schijvenschuurder (zelfde correctie: P.934, r. I I v.o.).

XCTEKSTVERBETERING (p.938, noot I). In plaats van 'gearresteerd' leze men: gefusilleerd.

Deel ç: {Maart '41-juli '42'

XC

XCH ET FRAN S E MA N DAA TG EBI ED S Y R I Ë (p.8, r. 4 V.O.). Is ten onrechte een 'Franse kolonie' genoemd.

101 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

DE BRITSE SLAGKRUISER 'HOOD' (p.II, r.9-8 V.O.). Is ten onrechte een 'slagschip' genoemd.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na p.I6). Onder foto 2 moet 'Hollandse Schouw' zijn: Haagse Schouw. * DE PERSCHEF VAN DE NEDERLANDSE UNIE, R. KRAUS (p.40, r. I v.o. en P.4I, r. 1-2). Hij werd na zijn arrestatie enkele weken in de Cellenbarakken te Scheveningen vastgehouden. * MR. G. E. VAN WALSUM EN DE NEDERLANDSE UNIE (p.49, noot 3). Voor: 'hij stond er in de herfst van '40 met grote sympathie tegenover' leze men: hij gaf zich in de herfst van' 40 veel moeite om de tegenstelling tussen de Unie en de politieke partijen te overbruggen.

XCDR. G. HARMSEN (p.99, noot I). Abusievelijk aangeduid als: G. W. Harmsen (zelfde correctie: p. 819, noot I, r.4).

XCDE VOORNAMEN VAN MR. I. P. HOOYKAAS (p. II8, noot I). Deze had zijn eerste voornaam, Isaäc, niet bij het begin van de bezetting maar in februari '39 gewijzigd tot: Johannes.

XCMR. J. A. DE WILDE (p. 138, r.8 v.o. e.v.). Behoorde tot de grote groep der gearresteerde vooraanstaande anti-revolutionairen maar kreeg niet, zoals Colijn, een gedwongen verblijfplaats in een hotel aangewezen. De Wilde kreeg wèl (p. 139, r. 10 v.o.) na zijn vrijlating zulk een gedwongen verblijfplaats, nl. in een hotel in Vught.

XCVERBETERDE FOTO-ONDERSCHRIFTEN (na p. 152). Op foto 19 wordt een brug in Amsterdam, niet in Den Haag afgebeeld en de op foto 22 afgebeelde afdruk van een linoleumsnede is niet in de zomer van '41 maar in die van '44 in circulatie gebracht.

XCHET PROTEST VAN EEN AANTAL SECRETARISSEN-GENERAAL TEGEN DE CONFISCATIE VAN HET VERMOGEN VAN DE KONINKLIJKE FAMILIE (p. 160, noot I). Dit protest is verzonden. * BURGEMEESTERS DIE WEIGERDEN DE INSTRUCTIES OP TE VOLGEN TEN AANZIEN VAN HET VERWIJDEREN VAN DE NAMEN VAN LEVENDE LEDEN VAN HET ORANJEHUIS (p. 166, tweede alinea). Dit

102 [PDF]
DEEL 5

is ook nog door een tweede burgemeester geweigerd: mr. M. M. Kwint (Velsen); ook hij werd ontslagen.

XCDE GEDEPUTEERDE VAN GRONINGEN E. H. EBELS (P.255, r.4 V.O.). De eerste voorletter is abusievelijk aangegeven als: L. * AARTSBISSCHOP DE JONG EN 'DE TIJD' (p. 306, r. 13-I4). Men leze: de aartsbisschop was van opinie dat met een voor de bezetter aanvaardbare figuur althans een proef genomen kon worden. * JOH. RAATGEVER, HOOFDREDACTEUR VAN 'HET NATIONALE DAGBLAD' (p.313, r.7). Abusievelijk 'J. G. Raatgever' genoemd.

XCHET EERSTE KABINET-COLIJN (p. 383, r. 8 V.O.). Ten onrechte is hier het tweede kabinet-Ruys de Beerenbrouck vermeld.

XCCHR. W. J. VAN DE BILT, VOORZITTER VAN DE ALGEMENE NEDERLANDSE MIJNWERKERSBOND (p·37I, r.9-8 V.O.). Zijn voorletters zijn abusievelijk aangegeven als: C. L. * WOUTER LUTKIE (p.39I, noot 3, r.3-4). De zin 'In Den Bosch was het Wouter Lutkie die Seyss-Inquarts eis telefonisch doorgaf, dient te vervallen. * DE CNV'ERS DIE NA DE POGING TOT GELIJKSCHAKELING VAN HET CN V LID WERDEN V AN HET NVV (p. 400, derde alinea). De passage, beginnend met de woorden: 'maar dat bedanken deed zich bij het CNV niet zo algemeen voor als bij het RKWV', corrigeren wij aldus: 'Volgens de door het NVV na de bevrijding gepubliceerde gegevens deed zich dat bedanken bij het CNV niet zo algemeen voor als bij het RKWV, waar, gelijk meegedeeld, meer dan 96 % van de leden zich uit de organisatie terugtrok. Bij het CNV lag, aldus de gegevens van het NVV, dat percentage in de buurt van 75 en zouden ongeveer dertigduizend leden hun vakbondslidmaatschap niet hebben opgezegd. Van hen zou bijna een derde bestaan hebben uit leden van de Christelijke Landarbeidersbond. van de twee-en-twintigduizend leden van die bond zouden er namelijk meer dan negenduizend naar de corresponderende NVV-bond zijn overgegaan. Laat men deze Landarbeidersbond buiten beschouwing, dan zou volgens de gegevens van het NVV het percentage van bedankjes bij de CNV-bonden ongeveer 80 hebben bedragen. Ook dat vinden wij een

103 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

imposant cijfer, zij het dat het iets minder imposant is dan bij de katholieke vakcentrale.' Bij deze passage dient de volgende voetnoot geplaatst te worden: 'Dr. M. Ruppert, die in december '40 tot voorzitter van de Christelijke Landarbeidersbond was benoemd, heeft na de bevrijding geschat dat aanvankelijk 70 % van de CNV-leden bedankte maar dit percentage zou volgens hem spoedig opgelopen zijn tot 90 à 95. Is zijn schattingjuist, dan zouden met name de NVV-gegevens met betrekking tot de Christelijke Landarbeidersbond als gefantaseerd beschouwd moeten worden. Onzerzijds achten wij het in elk geval begrijpelijk dat, gegeven de sociale noden op het platteland, naar verhouding minder leden van de Christelijke Landarbeidersbond dan van de andere CNVbonden hun vakbondslidmaatschap hebben neergelegd. Waarschijnlijk lijkt ons óók dat CNV'ers die aanvankelijk de uittocht niet meemaakten, wèl deelgenomen hebben aan de grote uittocht die zich voordeed toen het NVV (waarover straks meer) op I mei '42 werd omgezet in het N ederIands Arbeidsfront.'

XCMR. D. U. STIKKER (P.403, r.7-8). Niet hij maar H. P. Gelderman C. Mzn was voorzitter van het Verbond van N ederIandse Werkgevers.

XCDR. H. WAMSTEKER, LID VAN HET EERSTE 'CENTRUM' VAN MEDISCH CONTACT (p.431, r. 12 V.O.). Zijn naam is abusievelijk met twee e's gespeld (dezelfde onjuistheid in deel 6, p. 701, r. 16 en deel 7, P.560, r. 15).

XCERASMUS EN DE JODENHAAT (P.483, r.3-1 V.O.). De juiste vertaling van het gegeven citaat is: 'Indien het christelijk is, Joden te haten, dan zijn wij hier allen bij uitstek christelijk.'

XC1 OODSE BURGEMEESTERS (p. 504, r. 4 v.o.). Een oftwee Joden zijn vóór de Duitse bezetting burgemeester geweest van kleine gemeenten.

XCMR. H. EDERSHEIM (p. 525, r. 12). Deze was jurist maar geen advocaat.

XCTEKSTCORRECTIE (p. 557, r. 6 V.O.). Voor 'psychopaten' leze men: geestelijk onvolwaardigen.

XCDE HALIFAX-BOMMENWERPERS (p.620, r.13 V.O.). Hadden vier, niet twee motoren.

104 [PDF]
DEEL 5

DE PUBLIKATIE, 4 DECEMBER 1941, VAN ROOSEVELTS 'VICTORY PRO GRAM' (p. 633, noot I). De Chicago Tribune kreeg de geheime stukken van een isolationistische senator, aan wie zij door een legerkapitein in handen waren gespeeld.

XCDE GILBERT-EILANDEN (p. 644, r. 10 V.O.).Waren niet Amerikaans maar Brits bezit.

XCDE AMERIKAANSE HISTORICUS SAMUEL E. MORISON (p.652, r.2I V.O.). Als zijn voornaam is abusievelijk 'Stanley' aangegeven.

XCHITLERS TOESPRAAK VAN I I DECEMBER 1941 (p.655, r. II V.O.). Als datum is abusievelijk 10 december vermeld (derhalve moet p. 656, r. 18 'Eén dag later' luiden: Dezelfde dag).

XCDE AFZETTING VAN DE HOOFDREDACTEUR VAN 'STORM-SS' (p.684, r. 3). Geschiedde in de lente van '44, niet van '43 (r.6 : 'in september van dat jaar' wordt dan: in september '43). * DE JEHOVA'S GETUIGEN NA DE MASSALE ARRESTATIES VAN OKTOBER '41 (p.687, derde alinea). Wij schreven: 'Het is onze indruk dat de Nederlandse groep deze haar in de herfst van '41 toegebrachte slag tijdens de bezetting niet te boven is gekomen.' Daarvoor leze men: 'Het was een zware slag voor de Nederlandse groep maar zij zette onder leiding van W. C. Reijntjes haar actie voort en wist deze na enige tijd zelfs nog uit te breiden.'

XCHET AANTAL PREDIKANTEN DER GEREFORMEERDE KERKEN (p.689, r. 6 V.O.). Dit waren er ca. achthonderd, niet ca. vijfhonderd (op p. 696, r.3 leze men voor 'ca. vijfhonderd': een kleine achthonderd).

XCDS. G. H. KERSTEN EN 'HET VAREN VAN DE PRINSES OP ZONDAG' (p. 712, r. IO-II en noot 2). Kersten doelde niet op het uitwijken van de prinses naar Engeland maar op een boottocht die het prinselijk paar eens op een zondag met de 'Piet Hein' op het Ijsselmeer had gemaakt.

XCDE ARRESTATIE VAN JOHAN BUZIAU ALS GIJZELAAR (P.767, noot I). Vond plaats in juli, niet in mei '42.

XCHET VERZET VAN DE CHRISTELIJKE AUTEURS KRING (P.777, r. 13

105 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

e.v.). Wij noemden H. M. van Randwijk en dr. K H. Heeroma als de initiatiefnemers maar toen de vraag van de aanmelding bij de Kultuurkamer aan de orde kwam, stond voor vrijwel alle leden al vast dat die aanmelding zou worden geweigerd.

XCHET TEGEN DE NSB GERICHTE GEDICHT DAT IN APRIL' 42 IN 'DE GIDS' WERD GEPUBLICEERD (p.778, noot 2). Dit is niet geschreven door Werumeus Buning maar door A. Roland Holst. * ANTOON COOLEN EN DE KULTUURKAMER (p.780). Coolen heeft zich na de eerste brief van Bergfeld niet aangemeld, wèl na de tweede waarin met de SD werd gedreigd. Hij deed Bergfeld toen echter weten dat zijn aanmelding bepaald geen aanvraag inhield om als lid te worden erkend.

XCDE ECHTGENOTE V AN MR. G. VAN HALL (p. 788, noot I, r. 5). Was niet de dochter maar een nicht van de Haagse uitgever Wouter Nijhoff.

XCDE LIGGING VAN WESTMAAS (p.796, r. II-12). Dit dorp ligt midden in de Hoekse Waard. * HAN S LUTERAAN (p. 819, noot I, r. 8-7 v.o.). Deze naam leze men voor: 'zekere 'Velo" (r. 3-2 v.o.: Luteraan bleef inderdaad in leven). Op p. 833, r.8 leze men in plaats van 'Velo': Luteraan.

XCJAN WILLEM SCHOUTEN (p.823, r. 5 V.O.). Zijn tweede voornaam is abusievelijk niet vermeld.

XCPIERRE V ERSTEEGH, 'CH EF-STAF' VAN DE 0 D IN 4 I (p. 835, r. 12-1 I V.O.). Deze was als luitenant-kolonel van de marechaussee niet ontslagen maar op non-actief gesteld.

XCJHR. JOAN SCHIMMELPENNINCK EN ZIJN 'RAAD VAN DIRECTEUREN' (p.839, noot 2). Het zinsgedeelte over mr. F. R. Mijnlieff moet geschrapt worden.

XCHET BANKIERSHUIS HELDRING & PIERSON (p.854, r. 14-13 V.O.). Is ten onrechte genoemd: Pierson, Heldring & Pierson. * DE ONTSNAPPING, 6 MEI 1941, VAN GOVERT STEEN MET EEN

106 [PDF]
DEEL 5

FOKKER-WATERVLIEGTUIG (p.863-64). Bij de twee passagiers: jhr. J. J. G. Beelaerts van Blokland en W. J. Lindeman die wij noemden, was er nog een derde: een mecanicien, E. W. Boomsma. Van deze is het plan uitgegaan om met een funkers-s : te ontsnappen en het denkbeeld om in plaats daarvan gebruik te maken van een Fokker T VIII W, is niet van Beelaerts uitgegaan maar van Steen. Op de Fokker-toestellen was hij gewezen door een van de invliegers van Fokker, Gerben Sonderman.

XCJ. G. V AN NIFTRIK (p. 867, r. 6). Was geen steenfabrikant maar fabrikant van kunststoffen. De Hagenaar die hem hielp (p.867, r. JO), was een accountant. Vermeld dient ook te worden dat van Niftrik in zijn illegale werk krachtig door zijn vrouw geholpen was.

XCCOLO N EL RABAG LIA TTl (p. 869, r. 9). Zijnjuiste voorletters zijn: C. E. C.

XCIR. A. P. VAN DER MEER EN DE VERRADER VAN DER WAALS (p.879, r. 12 e.v.). Het contact met mr. Otto Verdoorn en Jan van den Ende werd niet door ir. van der Meer gelegd maar door diens illegale relaties die met van der Waals in verbinding waren gekomen.

XCRESERVELU ITEN ANT J. DE GEUS (' L 63') (p. 880, r. 20-21). Was geen beroepsofficier en had de kapiteinsrang nog niet bereikt (zelfde correcties: deel 6, p. 142, r.8-9 en p.224, r. 20-21).

XCDE ZENDER VAN JOHANNES KLINGEN (p.88I, r. 19). Was verborgen in de bibliotheek niet van het seminarium maar van het broederhuis te Heemstede.

XCIR. J. A. A. MEKEL (p. 881, r. 5 V.O.). Als tweede voorletter is abusievelijk een J vermeld.

XCJ AN VAN DEN ENDE EN DE VERRADER VAN DER WAALS (p.882, tweede alinea). De drie vermelde arrestatie-acties van de SD zijn vermoedelijk aan van den Ende niet bekend geweest maar voor hem stond wèl vast dat van der Waals een verrader was. Na van den Ende's arrestatie, begin augustus 1941,vielen aan van der Meer en mr. Verdoorn de schellen van de ogen. Zij besloten toen met van der Waals af te rekenen maar enkele pogingen om hem uit de weg te ruimen mislukten. * DE SPIONAGEGROEP VAN DR. M. BROUWER

107 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

verraadster kreeg niet de opdracht, 'het vriendinnetje' van Brouwer te worden maar om bij hem onder te duiken.

XCDE OVERVAL OP DE ZENDER VAN AART ALBLAS, EIND AUGUSTUS 1941 (p.894, noot 3). Op de dag van de overval werd de gehele familie Hoogervorst (behalve de dochter die de zender van Alblas uit het huis gesmokkeld had) gearresteerd. De familie hield vol dat Alblas een kennis was van wiens illegale werk ze geen denkbeeld had gehad. De Duitsers konden het tegendeel niet bewijzen en de familie werd toen vrijgelaten. De bedoelde dochter werd ca. een jaar later gearresteerd en toen omstreeks anderhalf jaar gevangen gehouden.

XCDE GEHEIME AGENT JOHANNES TER LAAK (p. 898, r. 18).Abusievelijk als 'Terlaak' aangeduid (zelfde correctie op de pagina's 901, 903, 904, 905, 917,918,954 en IlI8).

XCDE ONTSNAPPING VAN J. EMMER (p.929, r. 19 en r.22). Deze ontsnapping vond niet plaats samen met jhr. mr. E. de Jonge. Aangezien de arts Bolle Emmer had geholpen, was het (p.929, r. 24-25) niet nodig dat MI-6 diens adres aan Emmer als aanloopadres gaf - wèl keurde MI-6 goed dat Emmer allereerst naar Bolle zou gaan.

XCJHR. MR. E. DE JONGE (p.930, r.8). Deze was in '41 naar Londen gekomen uit Curaçao waar hij werkzaam was geweest bij de BPM.

XCHET OPROEPEN VAN DE BEROEPSOFFICIEREN, ADELBORSTEN EN CADETTEN (p.980, r. 17-18). Zij zijn ten onrechte aangeduid als 'het militaire beroepskader' - de beroepsonderofficieren die ook tot het beroepskader behoorden, werden namelijk niet opgeroepen (zelfde onjuistheid: p. III4 onder 15 mei 1942).

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na p. 1052). In rz van het onderschrift onder foto 96 leze men 'kleindochters' in plaats van 'dochters'.

XCDE BURGERS VAN CALAIS (1347) (p. 1061, noot 2). Zij werden niet opgehangen maar kregen gratie.

XC'NELIS' EN "MAL HERUNTER!" IN HET CONCENTRATIEKAMP AMERSFOORT (p. 1072, noot 2). 'Nelis' was de bijnaam van Schutzhaftla

108 [PDF]
DEEL 6

gerführer Stöver, "mal herunter!" die van een Duitse kampbewaker. * CAFÉHOUDERS IN FRIESLAND DIE IN '41 WEIGERDEN, HET BORDJE 'VERBODEN VOOR JODEN' OP TE HANGEN (p. 1076,r.23-24). Er zijn er twee geweest: R. Walda te Hindeloopen en J. L. Kabel te Lekkum.

XCDE TIEN EIND MEI' 42 IN MAASTRICHT GEARRESTEERDE JODEN (p.1078, zesde alinea). Een van hen die gemengd-gehuwd was, werd vrijgelaten, de negen anderen werden via Amersfoort en Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd waar zij allen omkwamen. * DE SPOEDVERGADERING VAN DE JOODSE RAAD OP 30 APRIL '42 (p. 1087, r. 5-6). Niet Gertrud van Tijn liep verontwaardigd de vergaderzaal binnen maar een medewerkster van de Joodse Raad, mevrouw Gerzon-Hurwitz.

Deel 6: Juli 's z=mei '43'

XC

XCDE ZENTRALSTELLE FÛR JÛDISCHE AUSWANDERUNG (p.2, r.5-4 V.O.). Was te Amsterdam gevestigd in de christelijke hbs (hogere burgerschool), niet in de gemeentelijke hbs voor meisjes. * DE AMSTERDAMSE INSPECTEUR VAN POLITIE MR. J. VAN DEN OEVER (p.31, r.z V.O.). Als zijn achternaam is abusievelijk 'van der Hoeven' vermeld (zelfde onjuistheid: P.32, r. 16 v.o.). * POLITIEFUNCTIONARISSEN DIE MEDEWERKING AAN HET OPHALEN VAN JODEN WEIGERDEN (p. 38).Toegevoegd moet worden dat in De Bilt brigadier van politie A. D. van der Haar ook weigerde en deswege werd ontslagen (dezelfde toevoeging: P.242, tweede alinea).

XCHET FUSILLEREN VAN DE 'VIJF GIJZELAARS VAN ROTTERDAM' (p.75, r. 5). Geschiedde in de bossen bij Goirle (bezuiden Tilburg), niet bij St. Michielsgestel.

XCJ. C. FRAENKELS HOOFDARTIKEL IN 'DE TELEGRAAF' VAN 17 AU

109 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

GUSTUS 1942 (p.76, laatste alinea). De door Fraenkel aangehaalde passage uit de Londense bekendmaking is ook in andere dagbladen gepubliceerd; de perschef van het Reichskommissariat had haar doorgegeven in de verwachting dat zij louter opgevat zou worden als een waarschuwing om zich van verzet-nu te onthouden.

XCDE VIJFTIEN IN OKTOBER '42 GEFUSILLEERDE GIJZELAARS (p.79, eerste alinea en noot). J. H. Roebers en A. J. Ymkers waren revolutionairsocialisten. Er zijn dus tien communisten terechtgesteld, niet twaalf.

XCHET GEZIN WAARIN GERRIT-JAN VAN DER VEEN WERD GEBOREN (p. 102, r. 2-1 V.O.). Het was een ontwikkeld gezin. Zijn vader was hervormd, zijn moeder luthers maar de sfeer thuis was niet kerkelijk. * DE ILLEGALE WERKER HARRY REESKAMP (p. 112, r. 6). Hij werd in Friesland niet door velen maar slechts door sommigen ongunstig beoordeeld. Dat (p. lI8, r. 9 v.o.) Theo Dobbe het vertrouwen in hem had verloren, staat niet vast. Dat Reeskamp en Leendert van der Groep een deel van de buit van de overval te Wommels verkochten (p. II9, r. 5-6), gebeurde om geld te krijgen voor de voortzetting van het illegale werk. Reeskamp (p. 119, r. I I v.o.) dook na zijn ontsnapping uit het Amsterdamse Binnengasthuis opnieuw in Friesland onder.

XCORANJEWOUD (p.1I2, r. 13). Is een plaats, even ten zuidoosten van Heerenveen. * DE OPRICHTING VAN DE LANDELIJKE ORGANISATIE VOOR HULP AAN ONDERDUIKERS (p. 126 e.v.). In aansluiting op het het na de oorlog door de LO en de LKP samengestelde boekwerk Het Grote Gebod hebben wij in onze beschrijving slechts de namen genoemd van ds. Frits Slomp en Helena Theodora Kuipers-Rietberg ('tante Riek') maar vermelding verdient dat bij deze oprichting ook een illegale werker uit Driebergen, J. van Manen, een rol heeft gespeeld. Hij was tot in '38 onderwijzer in Aalten geweest maar was toen wegens moeilijkheden ter plaatse naar Driebergen verhuisd waar hij een onderwijs-instituut annex accountantsbureau had opgericht. In de zomer van '42 hielp hij talrijke Joden, velen uit Rotterdam, onderduiken. Hij kwam vervolgens met ds. Slomp in contact en er zijn aanwijzingen dat hij ongeveer te zelfder tijd als 'tante Riek' en misschien nog eerder dan zij op het denkbeeld kwam dat ten behoeve van de hulp aan de onderduikers een landelijke organisatie

110 [PDF]
DEEL 6 OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

moest worden opgericht. Hij organiseerde de hulp aan die onderduikers in de streek van Driebergen en vertegenwoordigde dit gebied geruime tijd op de vergaderingen van de landelijke 'beurs'. In '43 organiseerde hij een knokploeg (KP) die eind september '43 haar eerste overval pleegde op het distributiebureau te Amerongen. In dat jaar kwam hij in conflict met de landelijke leiding van de LO omdat hij het opstellen van lijsten met namen van onderduikers en van adressen waar zij ondergebracht zouden worden (lijsten die op de 'beurs' uitgewisseld werden) gevaarlijk achtte. In november '43 moest het gehele gezin-van Manen onderduiken - het werd nadien in Amerongen bij allerlei plaatselijk verzetswerk betrokken. Na de bevrijding werd van Manen ervan beschuldigd dat hij een deel van de buit van de overval te Amerongen ten eigen bate zou hebben verkocht - een ongefundeerde beschuldiging die hem evenwel zo diep griefde dat hij weigerde aan het onderzoek terzake medewerking te verlenen. Zijn rol bij de oprichting van de LO wordt in Het Grote Gebod niet gememoreerd.(p. 136, r. 14Was in het Groot-, niet het Kleinseminarie gevestigd (zelfde correctie: p. 221,17 v.o.). *(p. 146). De initiatiefnemers,Deinum en M. Vader, waren toentertijd Delftse studenten. Hun vriend die in juni '42 naar Zweden uitweek, was Hans van der Stok. In oktober '42 sloot A. A. de Roode, die tot mei '40 verkeersleider bij de Rijksluchtvaartdienst op Schiphol en daarvóór radiotelegrafist was geweest, zich bij Deinum en Vader aan. De Roode was het die de door Deinum gebouwde zender zou gaan bedienen. Zijn verdiensten voor de goede zaak zijn niet minder geweest dan die van Deinum en Vader (dezelfde correctie moet worden aangebracht in deel 9, p·928, noot I).(p. 151, r. IS). Zijn ten onrechte 'zenders' genoemd (zelfde correctie: p. 194,14 v.o., r. 10 v.o.,8 v.o., r.S v.o., r.3 v.o. en p. 833,12-13).(p. 156,22). Was leraar aan de Zeevaartschool te Delfzijl, niet te Gromngen.

DE SD-GEVANGENIS TE HAAREN V.O.). r. HET ONTSTAAN VAN DE INLICHTINGENGROEP 'PACKARD' H. DE ZENDSCHEMA'S 'ETON III' EN 'ETON IV' r. r. r. H. KONING, MARCONIST VAN DE GROEP OOSTERHUIS-BOEREMA r.

111 [PDF]

KOLONEL V. E. WILMAR (p. 182, r. 9 V.O.). Is ten onrechte aangeduid als: luitenant-kolonel.

XCDE GEHEIME VERBINDINGEN VAN JHR. P. SIX IN DE LENTE V AN , 43 (p. 194, r. 16 V.O.). Met gebruikmaking van de zendschema's 'Eton III' en 'Eton IV' liet Six zenden met de 'Wolseley', nadat deze was gerepareerd.

XCDE GEHEIME VERBINDIN G VAN JAN THIJSSEN IN APRIL' 4 3 (P.I95, r. 15). Regel 15 moet luiden: met een zender en twee prima zendschema's. * DE VERRADER ANTON VAN DER WAALS EN DE DOCHTER VAN LEVINUS VAN LOOI (P.209, r. 13-14). Van Loois dochter was wèl even enthousiast als haar vader over van der Waals' Z.g. prestaties maar het is niet tot een verloving, laat staan een huwelijk, gekomen. Op p. 219, r. 8-7 v.o. vervallen de woorden: 'de Wilde's vrouw'.

XCHET TELEGRAM DAT 'DE WILDE' (DE VERRADER VAN DER WAALS) BEGIN MAART' 43 AAN VORRINK TOONDE (p.2I3, derde alinea). Dit telegram was niet door Schreieder gefantaseerd of uitgelokt. * DE VERZETSGROEPEN DIE KOOS VORRINK IN MAART' 43 NA ZIJN CONTACT MET 'DE WILDE' (DE VERRADER VAN DER WAALS) LIET VORMEN (p.2I7). Wat Groningen betreft beschikken wij over nadere bijzonderheden. Hier voerde Adri Vorrink, de broer van Koos, begin maart een gesprek met enkele vertrouwde sociaal-democraten, onder wie H. van Kuilenburg. Adri Vorrink deelde toen mee dat het in mei tot een Brits-Amerikaanse invasie van Nederland zou komen en dat in Groningen twintig parachutisten en twee ton springstof zouden worden gedropt - voor die parachutisten moesten schuilplaatsen, voor de springstof bergplaatsen gevonden worden. Adri Vorrink zei ook dat die hulp bij de invasie de positie van de SDAP in een naoorlogse regering ten goede zou komen. Toen nu van Kuilenburg korte tijd later hoorde dat 'de Wilde' persoonlijk bij een antirevolutionaire directeur van een machinefabriek verschenen was ook al met het verzoek, twintig parachutisten en twee ton springstof te laten verstoppen, hetgeen, had hij gezegd, de positie van de ARP in een naoorlogse regering ten goede zou komen, gingen van Kuilenburg en de anderen de zaak zozeer wantrouwen dat zij weigerden, de door hen inmiddels verzamelde adressen aan Koos Vorrink door te geven. Deze deed toen weten dat hij door de mededeling

112 [PDF]
DEEL Ó

dat 'de Wilde' zich ook tot een ARP'er had gewend, geschokt was maar dit gebeuren heeft toch kennelijk het vertrouwen dat hij in 'de Wilde' was gaan stellen, niet doen verdwijnen.

XCJAN SCHOUTEN NA ZIJN ARRESTATIE (p.221, r. 10-9 V.O.). Jan Schouten is in eerste instantie naar Sachsenhausen gezonden en niet naar Mauthausen.

XCHET OPHALEN VAN DE JOODSE ARBEIDERS UIT DE WERKKAMPEN (P.237, r.2I). Zaterdag 3 oktober 1942 is ten onrechte als Grote Verzoendag aangeduid. * PROF. DR. D. COHEN EN DE ONDERDUIKADRESSEN VAN JOODSE KINDEREN (P.2Ó4, noot I). De passage waarin vermeld wordt dat van prof. Cohen vast zou staan dat hij in een aantal gevallen de Duitsers de onderduikadressen gaf van Joodse kinderen, is geschrapt. Men leze het begin van de noot aldus: 'De vertegenwoordiging van de Joodse Raad in Den Haag heeft in een aantal gevallen Joodse kinderen die als onderduikers gepakt waren, ten behoeve van IV B 4 op bepaalde adressen ondergebracht, zulks ter inleiding van hun deportatie.'

XCDE UITWISSELINGSTRANSPORTEN VAN JODEN UIT DUITSLAND (P.277, r.7-9)· Er waren er drie: het eerste in december '41, het tweede in november '42, het derde in februari '43.

XCDE HUISVESTING VAN DE JODEN VAN DE 'BLAUE REITER'-GROEP (p. 285, r. 9 V.O.). Geschiedde in Doetinchem in de gereformeerde, niet de hervormde pastorie. * DE VERZETSGROEP 'NOMEDOS' EN DE JODEN (P.343, r. II V.O.). Sommige leden van deze groep hebben wèl hulp aan Joden geboden.

XCHET AANTAL JOODSE ONDERDUIKERS IN BROEKHUIZEN (p. 353, r. Ó e.v.). Er waren in dit Noordlimburgse dorp in totaal acht-en-dertig Joden ondergedoken (kinderen en volwassenen), zulks op een bevolking van ca. 180 gezinnen.

XCZÖPFS SCHATTING VAN HET AANTAL JOODSE ONDERDUIKERS (p. 359, r. 18 e.v.). In Zöpfs overzicht uit eind april '43 was het aantal op dat moment gedeporteerde Joden met tweeduizend te hoog aangegeven.

113 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

Zijn schatting van tien- tot vijftienduizend Joodse onderduikers was dus niet ruim tweeduizend maar ruim vierduizend te laag.

XCCORRIE TEN BOOMS LEEFTIJD IN 44 (P.364, r.22-23). Zij was toen twee-en-vijftig, niet twee-en-zestig. * ROSA ROOZENDAAL (p.367, r. 8). Rosa Roozendaal mag niet op één lijn worden gesteld met iemand als Ans van Dijk. Zij viel als meisje van negentien in handen van de SD en werd gechanteerd met de mededeling dat zij, als zij geen medewerking verleende, met haar moeder die eveneens was opgepakt, gedeporteerd zou worden. Zij heeft, steeds onder dwang, in een beperkt aantal gevallen over een periode van ruim vier maanden de SD geholpen maar slaagde er toen in, via Baarn, waarnaar zij was overgeplaatst, met haar moeder in Nijmegen en vervolgens in Heumen onder te duiken. Daar gaf zij in de laatste oorlogswinter belangrijke hulp aan de illegaliteit. De bijzondere rechtspleging hield met dit alles rekening: zij werd tot slechts twee-en-een-half jaar gevangenisstraf veroordeeld en de burgerrechten werden haar niet ontnomen.

XCDE WEHRMACHT IN TUNESIË, APRIL' 43 (p.422, r.7). Stond niet langer onder bevel van Rommel.

XCAFVOER VAN HET BEROEPSKADER IN KRIJGSGEVANGENSCHAP, MEI' 42 (p.423, noot 2). De beroepsonderofficieren werden niet afgevoerd.

XCADMIRAL ERNEST J. KING (p.S22, r.14-15). Ten onrechte 'Harold E. King' genoemd.

XCDE ZEEROUTE NAAR MOERMANSK EN ARCHANGEL (p.528, noot I, r. 6). Deze route kon meestal in de zomermaanden niet gebruikt worden. * HET PROTEST V AN VEERTIG AMSTERDAMSE STUDENTEN TEGEN HET BELEID VAN DE RECTOR-MAGNIFICUS, H. A. BROUWER (P.587, r. 9). Anders dan wij schreven werd het protest niet door 'een groot deel' van de veertig 'ingetrokken' - zij deden Brouwer slechts weten dat zij zijn betrouwbaarheid als persoon niet in twijfel trokken. * LEVENSLOOP VAN DR. JOHAN BROUWER (p.592). Deze passage dient aldus te luiden: 'Brouwer, geboren in 1898, had een bewogen leven

114 [PDF]
DEEL 6

achter de rug. In zijn jeugd (hij behoorde toen tot de meest orthodoxe richting der hervormden) wilde hij zendeling worden, maar hij verliet die opleiding, werd een tijdlang verpleegd in een psychiatrische inrichting, legde vervolgens het staatsexamen af en ging nadien Oosterse talen studeren. In de jaren' 20 werd hij als medeplichtige aan moord op iemand die zijn broer gechanteerd had, tot gevangenisstraf veroordeeld - hij werd in de eenzaamheid van de cel een overtuigd katholiek. De rol die de katholieke kerk in de Spaanse burgeroorlog speelde (Brouwer had zich, wat bij katholieken nogal zeldzaam was, aan de Republikeinse kant geschaard), vervreemdde hem van zijn geloof. In de zomer van '40 publiceerde hij een brochure die zich fel tegen het vooroorlogse Nederland en de Nederlandse Unie keerde, maar waarin overigens, gegeven Duitslands suprematie, op 'berusting' aangedrongen werd. Nu, er was spoedig in Brouwer geen spoor van berusting meer aanwezig - van '41 af, enz.'

XCDE ILLEGALE WERKER C. L. BARENTSEN, HOOFD VAN DE DISTRIBUTIEDIENST TE PIJNACKER (p.611, r.2-1 V.O.). Hij is ten onrechte als hoofd van deze dienst te Voorburg vermeld (zelfde correctie: p. 717, r.II-12).

XCDUITSE STRAFMAATREGELEN NA DE AANSLAG OP DE ZOON VAN DE NSB'ER MR.]. FEITSMA, PROCUREUR-GENERAAL BI] HET AMSTERDAMS GERECHTSHOF (p.612, eerste alinea). De bezetter heeft nadien vijftig Amsterdammers in het concentratiekamp Vught opgesloten, van wie de meesten pas na bijna vijf maanden weer vrijkwamen.

XCDE GEREFORMEERDE KERKEN EN DE KANSELAFKONDIGING VAN ZONDAG 21 FEBRUARI '43 (p.631, noot 2). Deze noot dient aldus te luiden: 'Het tekort aan voorbereidingstijd is niet de enige factor geweest die bij de gereformeerden een rol gespeeld heeft. Zij konden zich met het aan Seyss-Inquart te richten adres geheel verenigen maar zij meenden dat het slechts in zeer bijzondere gevallen tot een publiek getuigenis moest komen; bovendien hadden zij bezwaar tegen de door Gravemeyer voorgestelde procedure: zij waren van oordeel dat, zoals ook bij vorige gelegenheden geschied was, de kerken eerst tot de Reichsleommissar en pas nadien tot de gelovigen moesten spreken. Ook trof het hen pijnlijk dat de hervormden samen met de kleinere protestantse kerken, maar zonder overleg met hen, reeds alle nodige stukken hadden opgesteld.'

115 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

* ARRESTATIES TE ASSEN VAN POLITIEAGENTEN DIE WEIGERDEN, AAN DE JODENDEPORTATIES MEE TE WERKEN (p.635, r.I-4). Aan de twee genoemde functionarissen (G. van Schaik was rechercheur) moet nog één worden toegevoegd: de rechercheur H. W oppenkamp. Ook hij werd naar Dachau gezonden.

XCHET WEER IN GEBRUIK NEMEN VAN DE CELLENBARAKKEN TE SCHEVENINGEN (p.676, r.2-I V.O.). Geschiedde niet in de zomer van '40 maar in maart '41. Voordien waren de door Duitsers gedetineerden louter opgesloten in de Deutsche Abteilungen van Nederlandse gevangerussen.

XCHET FORT SPIJKERBOOR (p.678, r. I). Ligt in Noord-Holland, niet in Utrecht.

XCHET PROTEST TEGEN DE BEHANDELING VAN DE GEVANGENEN VAN o MM EN (p. 686, r. 3-2 V.O.). Het aanschrijven van de ziekenhuizen in het oosten des lands was al geschied door mr. W. de Vries. * DE BIJEENKOMST VAN DE PRESIDENTEN EN VICE-PRESIDENTEN EN DE OFFICIEREN VAN JUSTITIE TE AMSTERDAM OP 20 FEBRUARI ,43 (p. 689, r. 4-5)· Niet 'de Arnhemse rechtbank' bleef hier weg maar de president van die rechtbank - ook had deze de uitnodiging niet aan anderen doorgegeven. * DE AANSLAG OP HET AMSTERDAMSE BEVOLKINGSREGISTER (p.716 e.v.).Van der Veen (p.716, r. 1-2) kreeg de bedoelde gegevens van een betrouwbare politieagent: Cornelis (niet Cornelius, zoals op P.723, r. 13 v.o. en op p. 727, r. 8 staat) Roos, werkzaam op de seinkamer van het hoofdbureau. De mededeling (p.717, r. 14-15) dat C. L. Barentsen verloofd was met Antje Roos, is onjuist (ook te corrigeren op P.723, r. 14 v.o.). Antje Roos was bevriend met Grögers vriendin, de verpleegster Geertruida (niet Geertruida A., zoals op p. 723, r. 15 v.o. vermeld staat) van Essen. De uniformpet (p.7I9, r.c) die als model diende voor de nagemaakte petten, kreeg Einar Berkovich van Cornelis Roos. Dat Bloemgarten Cornelis Roos over de aanslag had ingelicht (p.721, r. 10--9 v.o.), is onjuist. De aanslag van Roos op een Rijksduitser (p.727, noot 2) is mislukt. * DE BERECHTING VAN DE PLEGERS VAN DE AANSLAG OP HET

116 [PDF]
DEEL 6

AMSTERDAMSE BEVOLKINGSREGISTER (p. 730 e.v.). Het 'vreemd mannetje', door Dekking bedoeld (p.73I, r. 18 e.v.), was niet Kemp maar de tandtechnicus Gotjé die in het Huis van Bewaring was vergeten en nu in allerijl naar het Koloniaal Instituut was overgebracht waar het proces plaatsvond. Van Musschenbroeks stiefvader van Doorn werd (p.732, r. 5 v.o. en p. 733, r. 8) niet geëxecuteerd maar kreeg gratie: vijf jaar tuchthuis, en er zijn dus in totaal twaalf, niet dertien (p. 733, r.c) illegale werkers gefusilleerd. Gotjé (p. 733, r. 12 v.o.) kreeg twee jaar tuchthuisstraf.

XCTEKSTCORRECTIE (p.756, r.6 V.O.). Na 'maart' is het woord 'maar' weggevallen.

XCDE NIET-'TEKENAARS' ONDER DE KATHOLIEKE STUDENTEN AAN DE UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM (P.757, noot I). De bedoelde ca. driehonderdzestig studenten waren diegenen die lid waren van de Rooms-Katholieke Studentenvereniging 'Thomas van Aquino'.

XCDE STUDENTENGROEP IN EEN KAMP VAN DE JUNKERS-VLIEGTUIGFABRIEKEN BIJ STRAATSBURG (p.760, r.14). Deze groep was na een jaar verspreid geraakt.

XCHET BOMBARDEMENT OP ROTTERDAM VAN DE AMERIKAANSE EIGHTH AIR FORCE OP 3 I MAART '43 (p.762, r.3 V.O.). Dit was niet het eerste Amerikaanse bombardement op een doel in Nederland maar het eerste grote.

XCDE MELKRANTSOENERING IN DE ZOMER VAN '42 (P.764, r.5). Gerantsoeneerd werd toen de taptemelk.

XCDE ACTIVITEIT VAN DE GEHEIME AGENT JHR. DE JONGE IN DE LENTE VAN ' 4 3 (p. 817, r. 5-6). Van hem kwamen niet geen maar slechts weinig berichten in Londen binnen.

XCGERBRANDY'S BESLISSING TEN AANZIEN VAN DE RADIO ORANJEUITZENDING OP 30 APRIL '43 (p.817, r.I7). Gerbrandy heeft de overige ministers wèl geraadpleegd.

XCRUTGER JAN SCHIMMELPENNINCK (p.853, r. 10-9 V.O.). Hij heeft in 1806 zijn functie verloren en daarop is in 1810 de inlijving van Nederland gevolgd.

117 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

BEREND TRIP (p. 859, r.20). Was hervormd, niet gereformeerd.

Deel r: {Mei '43-juni '44'

XC

XCDE FAMILIERELATIE TUSSEN MR. H. L. WOLTERSOM EN MR. DR. L. G. KORTENHORST (p.22, r.5-4 V.O.). Kortenhorst was gehuwd met een zuster van Woltersom, niet omgekeerd.

XCB. J. M. VAN SPAENDONCK, DIRECTEUR VAN HET RIJKSBUREAU VOOR WOL EN LOMPEN (P.25, r. 5-6). Is ten onrechte als 'industrieel' aangeduid - hij was een bedrijfsorganisator.

XCDE KAMERS VAN KOOPHANDEL (P.29, r.4-5). Deze werden inderdaad van 36 tot II teruggebracht maar de 25 die op papier werden opgeheven, bleven in feite als bijkantoren van de I I nieuwe bestaan.

XCIR. C. T. C. HEYNING, WAARNEMEND DIRECTEUR-GENERAAL VAN DE WATERSTAAT (p.50, r. 12-10 V.O.). Hij werd via het concentratiekamp Vught naar een van de concentratiekampen in Duitsland gezonden.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na P.70). De opname van foto 4 is in Driebergen gemaakt, niet in Bilthoven.

XCNEDERLANDSE DOK-MAATSCHAPPIJ (P.94, r. 14). Is ten onrechte aangeduid als: Nederlandse Dok- en Scheepsbouwmaatschappij. * DE NEDERLANDSE WERVEN EN DE KRIEGSMARINE (P.95, r. 3-4). Op stapel gezet zijn 60, niet 100 mijnenvegers die ook afgebouwd zijn. De genoemde 12 torpedobootjagers waren in werkelijkheid torpedoboten - daarvan zijn er 4 te water gelaten; geen van die 4 is afgebouwd. Toegevoegd moet worden dat ook onder meer 16 torpedo-oppik-boten en 2 bergingsvaartuigen en een onbekend aantal patrouillevaartuigen zijn afgeleverd.

XCDE D U ITS E JU NKERS 52 (p, 95, r. 8-7 V.O.). Was een transportvliegtuig, niet een lichte bommenwerper.

118 [PDF]
DEEL 7

DE DISTRIBUTIE VAN TABAKSPRODUKTEN EN VERSNAPERINGEN (p. 114, r.9 V.O.). Begon in mei, niet in april' 42.

XCOOGSTGAREN (p. 140, r. 1-2). Er zijn wel plannen geweest om oogstgaren uit papier te vervaardigen maar dat bleek niet nodig omdat steeds voldoende gebruikt touw werd ingeleverd. Papiertouw is wèl gebruikt in oogstmachines.

XCHET ACHTERHOUDEN VAN EEN DEEL VAN DE OOGST (p. 140, laatste alinea). Schattingen wat elk perceel moest opleveren, werden voor het eerst in '44 door de Plaatselijke Bureauhouders gemaakt. Voordien was het voor de landbouwer niet al te moeilijk om een deel van de oogst achter te houden.

XCOMVANG VAN HET GELDVOLUME BIJ DE BEVRIJDING VAN HET WESTEN (p.258, r.a). Was in plaats van f9 miljard fII miljard - dus was er (r. 5) f 9 miljard 'zwevende koopkracht'.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na p. 302). Foto 18 is een opname van 20, niet van 25 mei 1943.

XCHET VERTREK VAN DE 'BARNEVELD'-GROEP NAAR WESTERBORK OP 29 SEPTEMBER' 43 (p. 309, r. 18-19). De mededeling dat drie leden van de groep op de ochtend van het vertrek overleden, is niet juist. Ook zijn van de Barnevelders tijdens het transport naar Westerbork niet twee-en-twintig maar negen-en-twintig ontsnapt. * HET BERICHT IN 'HET PAROOL' OVER DE MASSALE VERGASSINGEN IN CONCENTRATIEKAMPEN (p. 347, tweede alinea). Wij schreven dat Frans Goedharts mederedacteuren van Het Parool'het onmiddellijk met hem eens' waren dat de mededelingen die Goedhart uit het coneentratiekamp Vught meebracht, waaruit hij begin augustus was ontsnapt, gepubliceerd moesten worden. Een van die mederedacteuren, drs. W. van Norden, schreef ons evenwel in november '76 dat volgens zijn herinnering Goedharts mededelingen aanvankelijk als 'een Indianenverhaal' waren beschouwd.

XCDE WERKKAMPEN VOOR GEMENGD-GEHUWDE JODEN (p.414, r. IQII). Er is in 't Zandt bij Delfzijl geen zodanig werkkamp geweest.

119 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

* DE NEDERLANDSE MUSEA EN DE KUNSTSCHATTEN UIT JOODS BEZIT (p.424, r.8--6 V.O.). Onze mededeling dat aankopen door de Nederlandse musea zijn geweigerd, is niet juist. Het departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming heeft willen voorkomen dat kunstschatten naar Duitsland verdwenen. Een deel van die schatten was bij diverse musea in bruikleen. Het genoemde departement werd in december '42 door Financiën gemachtigd om voor de aankopen f 500000 uit te geven en die aankopen hebben inderdaad plaatsgevonden.

XCGEVOLGEN VAN WEINREBS 'DOORSLAAN' NA ZIJN ARRESTATIE OP 19 JANUARI' 43 (p.456, r. I). Vast staat dat hierdoor één persoon om het leven kwam (niet twee).

XCGEVOLGEN VAN WEINREBS CELSPIONAGE (p.456, r. 1 V.O.).Hierdoor werden minstens zeventien personen gevangengenomen en kwamen er (P.457, r. I) minstens drie-en-twintig om het leven.

XCGEVOLGEN VAN WEINREBS HULP AAN DE SD IN DE PERIODE OKTOBER '43-jANUARI '44 (p·459, r.o). De hulp heeft aan dertien personen het leven gekost.

XCGEVOLGEN VAN WEINREBS VERRAAD OF 'DOORSLAAN' (p.459,noot I). Niet 'ca. veertig' maar acht-en-veertig personen zijn in Duitse gevangenschap geraakt. * KAMPEN VOOR JOODSE ONDERDUIKERS IN DE NATUUR (p.481, tweede alinea). Na de verschijning van deel 7 is ons bericht dat veertien Joodse onderduikers zich van eind '42 tot april '45 (met een onderbreking omstreeks de jaarwisseling '43-'44) hebben kunnen schuilhouden in een hut in de Staatsbossen benoorden Emmen (Drente). Zij werden verzorgd door een inwoner van Valthe, Bertus Zefat. Toen de Duitsers er achter waren gekomen dat hij Joden hielp, werd van hem geëist dat hij zou zeggen waar zij verborgen waren. Dat weigerde hij, waarna hij op staande voet achter zijn huis werd doodgeschoten. Zijn weduwe zette de hulp aan de onderduikers voort.

XCHET AMERIKAANSE BOMBARDEMENT OP AMSTERDAM-NOORD IN JULI ' 43 (P·497, r. 3 V.O.).Vond plaats op zaterdag 17, niet op maandag 19 juli.

120 [PDF]
DEEL 7

KONING PETER II VAN JOEGOSLAVIË (p. 516, r. I). Abusievelijk aangeduid als: Peter III.

XCHET VERTREK VAN DE STUDENTEN UIT OMMEN, MEI '43 (p.568, tweede alinea). De eerste groepen vertrokken al op 8 mei.

XCDE OORSPRONG VAN DE (ILLEGALE) TD -G ROEP (p. 669, r. 22-29). Wat in deze regels staat slaat op de in Groningen gevormde verzorgingsgroep'de Groot' (G. J. Boekhoven) die niet tot de TD-groep behoorde; deze laatste was breder van samenstelling. * HET PLAN VOOR DE GEFINGEERDE CIRCULAIRE VAN HET CENTRAAL DISTRIBUTIE KANTOOR (HET CDK) AAN DE BURGEMEESTER S (p.676, r. 13). Dit was een plan niet van de LO-Ieider Izak van der Horst maar van de voorman van de LO binnen het CDK, Louis van Zelst (zelfde correctie: p.676, r.9-8 v.o., r. 5 v.o., p. 677, r. 3, r. 8, r. 12, r. 15-16, r.ç v.o. en p. 678, r.z), * FINANCIËLE STEUN AAN DE GROEP-VAN DER VEEN (p.7I7, noot I). De passage over de aannemer F. J. van der Meyden wordt geschrapt. Men leze: 'De groep-van der Veen heeft daarnaast belangrijke fmanciële steun ontvangen van enkele vermogenden.'

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na P.720). Foto 63 is een opname van het 'kantoor' van de Falsificatie-Centrale van de LO te Utrecht.

XCDR. JANTINE VAN KLOOSTER, DIRECTEUR VAN DE UITGEVERIJ 'DE SPIEGHEL' (p.726, noot I). Zij was de enige directeur.

XCHET EINDE VAN DE VERZETSGROEP-BADRIAN (p.728, r.9-7 V.O.). De zin: 'Zijn lijk werd, schijnt het, in een vuilnisschuit geworpen, van Gogh en Boverhuis werden korte tijd later gefusilleerd' komt te vervallen.

XCDE DECENTRALISATIE VAN DE PBC (p.728, laatste alinea en P.729, eerste alinea). Aan onze beschrijving willen wij toevoegen dat de verschillende posten na de doorvoering van de decentralisatie louter door middel van koeriersters met elkaar in contact stonden.

XCDE VENLOSE VERZETSMAN JOHANNES J. HENDRIKX (' AMBROSIus') (p. 735, r.I3 V.O.). Zijn achternaam is onjuist weergegeven als:

121 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

Hendrix (zelfde correctie: P.760, r. 5 v.o., P.762, f·4, P·763, r. 18, P.779, r. I v.o., P.780, r.2 en r. 6, P.796, r. 4, p. 1075, r. I2). * JOHANNES POST OVER ZIJN MOGELIJK BURGEMEESTERSCHAP NA DE OORLOG (p. 747-48, noot 3). Toegevoegd moet worden: 'Het is mogelijk dat Johannes Post, die veel van grapjes hield, zijn uitlatingen niet serieus bedoeld heeft.'

XCDE KP-OVERVAL OP HET DISTRIBUTIEKANTOOR VAN 'T ZANDT (G R ONING EN) (p.753, noot 3). Deze is inderdaad door één KP'er uitgevoerd maar deze wist dan ook dat hij slechts medewerking te verwachten had. * DE GEMEENTESECRETARIS VAN BEDUM (p.76o-6I, noot I, laatste alinea). Wij vermeldden dat deze, leider van de LO ter plaatse, een NSB'er was, 'die van de dwalingen zijns weegs was teruggekeerd.' Dat is niet juist: hij was op aandrang van vrienden uit de illegaliteit puur voor de schijn sympathiserend lid van de NSB geworden.

XCDE LO-LEIDER GERRIT PRUYS (p.762, r.5). 'Kees' was zijn voornaam als illegaal werker.

XCDE SD-OVERVAL OP HET AMSTERDAMSE 'KANTOOR' VAN DE PERSOONSBEWIJZENSECTIE (P.767, derde alinea). De koerierster uit Rotterdam werd niet geboeid; zij slaagde er toen in haar agenda'tje op te eten.

XCALBERT OMTA, LEIDER VAN DE PERSOONSBEWIJZENSECTIE VAN DE LO (p.768, r. 4). Zijn voornaam is abusievelijk aangegeven als 'Arnold'. Hij was ook niet gemeentesecretaris van Oldehove maar ambtenaar ter secretarie en de weigering (r. 5) om Bombenweiber in Oldehove onder te brengen (r.6-7) was niet van hèm uitgegaan. * HET VERRAAD VAN BOB JESSE (p.779-80, noot I). Vermelding verdient dat Jesse, toen hij door de SD werd gearresteerd, de afspraken die hij met de leider van de LO in het district Midden-Limburg had gemaakt, in zijn agenda had staan. Hij werd door die districtsleider, niet door een koerierster, naar het klooster in Weert gebracht waar de leiding van de LO in Limburg in vergadering bijeen was.

122 [PDF]
DEEL 7

DE KP-OVERVAL OP HET HUlS VAN BEWARING IN ARNHEM, I I JUNI 1944 (p.782, r.z). Is ten onrechte aangeduid als een overval op de Strafgevangenis ('de Koepel').

XCDE OVERVAL VAN JOHANNES POST C. S. OP HET HUIS VAN BEWARING AAN DE WETERINGSCHANS TE AMSTERDAM, 15 JULI' 44 (p. 788, r. 6). Van de Knokploeg die deze overval uitvoerde, hadden slechts vijf man eerder aan overvallen onder leiding van Post deelgenomen. Bij de bijeenkomst in de consistoriekamer van de gereformeerde kerk aan de Keizersgracht (r. I3-I2 v.o.) zijn niet alle deelnemers aan de overval aanwezig geweest. Van de zeven deelnemers die op de binnenplaats van het Huis van Bewaring door het vuur van de Duitsers werden verrast maar konden wegkomen, hebben de meesten het complex via de conciërgewoning verlaten. De mededeling dat twee hunner zich onder een brug schuilhielden, waarna zij onder het vuilnis van een passerende vuilnisschuit konden meevaren (p. 79I, tweede alinea), is niet juist. Tenslotte was de zaterdag waarop de verrader Boogaard naar Utrecht werd overgeplaatst (p. 794, r. 5-4 v.o.), de r yde, niet de rede juli.

XCTOBIAS BIALLOSTERSKI, GEHEIM AGENT VAN HET BBO (p.800, 1'.6 V.O.). 'Tobias' was zijn voornaam, niet 'Tom' of (p. 860, r. 3 v.o.) 'Hans' (ook te corrigeren in het onderschrift van foto 95, naast p.856).

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (foto 9I, na p. 8I6). De tweede zin moet luiden: 'De cijfers slaan in dat geval op de werkelijk geleende bedragen. In de hongerwinter werden namelijk vele kleine bedragen geaccepteerd. Als kwitantie zijn in de regel muntbilj etten van f I verstrekt.'

XCHET NAGEMAAKTE NUMMER VAN DE 'FRIESE COURANT' (p.843, r.4 V.O.). Werd vervaardigd op een drukkerij in Leeuwarden, niet in Appingedam.

XCHET NIEUW GEUZENLIEDBOEK (p. 868, noot I, r. 3-4). Is typografisch verzorgd door Dick Dooijes.

XCHET AANTAL DOOR HET LONDENSE BUREAU INLICHTINGEN IN HET EERSTE KWARTAAL VAN' 43 BEHANDELDE NIET-TECHNISCHE TELEGRAMMEN (p. 882, r.4 V.O.). Voor '4' leze men: I2.

123 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

HET HUWELIJK VAN DE GEHEIME BI-AGENT LOUIS D' AULNIS DE BOUROUILL (P.905, r.14-11 V.O.). Werd in Voorhout voltrokken, niet in Voorburg, door de medewerking louter van de eerste ambtenaar ter secretarie. Ook is d' Aulnis (P.904, r. 5 v.o.) niet kort na zijn aankomst maar pas lil oktober '44 in contact gekomen met de Geheime Dienst Nederland. * HET WERK VAN DE INLICHTINGENGROEP 'PACKARD' (P.906-7). Overal waar wij op deze pagina's van Deinum en Vader spreken, moet de Roode met hen in één adem worden genoemd. Hun dagelijks bericht in de 'Kopenhagen-code' (p.906, r. 20) telde niet ca. dertig letters, maar ca. dertig cijfers. * DE GEHEIME DIENST NEDERLAND (P.907-9). In onze beschrijving moeten verscheidene correcties worden aangebracht. De oprichter van deze militaire inlichtingengroep, J. M. W. C. ('Joep') lansen, was niet in '15 maar in '14 geboren en zoon van de directeur van het bijkantoor van de Amsterdamse Bank te Almelo. Hij had al vóór de Tweede Wereldoorlog tegen Duitsland gespioneerd. In '42 had hij hulp aan Joden geboden die wilden onderduiken. Hij werd begin december '42 door een provocateur aan de SD verraden. Na zijn ontsnapping uit gevangenschap bouwde hij eerst een ondergroep van de 'Dienst-Wim', vervolgens (na de uitschakeling van de leiding van de 'Dienst-Wim') een eigen erganisatie op: de Geheime Dienst Nederland (de GDN). Nederland werd in vier z.g. werkgebieden verdeeld (noord, midden, west, zuid), elk met een aantal bureaus voor het verzamelen van gegevens - met de 'bureauhouders' (de term 'lijn-chefs' is niet juist) stond hij (hij noemde zich nu 'Max') via koeriersters in contact. Iansens eerste poging om Spanje binnen te komen vond in januari '44 plaats. Samen met een neef kon hij toen de Pyreneeën, waar veel sneeuw lag, niet over komen. Hij keerde alleen naar Nederland terug, kreeg daar nieuwe valse papieren van de Falsificatie-Centrale van de LO en vertrok op 5 april '44 opnieuw naar Spanje. Vier dagen later waren zijn neef en hij dat land binnengekomen, waar lansen die per parachute naar Nederland had willen terugkeren, door de nogal passieve houding van Somer, hoofd van het Bureau Inlichtingen te Londen, veellanger gevangen zat dan hem lief was - hij bereikte pas begin december '44 Londen, kreeg daar nog een opleiding als geheime agent maar werd tot zijn grote teleurstelling niet boven bezet gebied gedropt.

XClansen had vóór zijn eerste tocht naar Spanje de leiding van de GDN

124 [PDF]
DEEL 7

aan een van zijn naaste medewerkers overgedragen, Jo Pennings. Deze werd evenwel samen met een van lansens belangrijkste koeriersters en met de illegale werkster bij wie alle post binnenkwam, midden maart '44 gearresteerd. In overleg met enkele vooraanstaande GDN'ers wees lansen toen Wim Schoemaker ('Miki') als Pennings' opvolger aan. Schoemaker was in Amsterdam van september '43 af bureauhouder van de GDN geweest. Hij heeft, anders dan wij schreven, niet een nieuwe organisatie opgericht maar in eerste instantie in hoofdzaak gebruik gemaakt van lansens contacten. De latere klachten dat de GDN te veel geld zou hebben uitgegeven, hebben betrekking gehad op de periode-Schoemaker, niet op de periode-lansen.

XCDe GDN heeft in totaal ca. twaalfhonderd medewerkers en medewerksters (0. a. koeriersters) gehad. Van hen zijn zeven-en-zestig gearresteerd (en zes-en-twintig omgekomen), hoofdzakelijk als gevolg van hun contacten met andere organisaties.

XCI. Brandjes werd door het Bureau Inlichtingen niet aan de GDN toegevoegd maar aan de groep van ir. Th. P. Tromp ('Harry').

XCDe betekenis van de GDN moge blijken uit het feit·dat van alle door het Bureau Inlichtingen uit bezet gebied ontvangen telegrammen 36 % van de GDN afkomstig is geweest.

XCIR. TH. P. TROMP (p.908, r. 1 V.O.). Zijn voorletters zijn nietjuist weergegeven, namelijk als: Th. Ph. (zelfde correctie: p.916, noot 1).

XCDE VERRADER ALBERT BRINKMAN (p.910, r.8-7 V.O.). Voordat hij de Koe uithoorde, was hij al ten dienste van de SD opgetreden als celspion bij gevangenen van het Englandspiel.

XCTROMPS MEDEWERKER VERHAGE (p.916, slot eerste alinea). Deze heeft geen microfilms 'gestript' - dat gebeurde steeds in Zwitserland.

XCEDMOND SALOMON CHAIT, MEDEWERKER VAN JEAN WEIDNER (p. 929, r. 19).Zijn eerste voornaam is abusievelijk aangegeven als: Eduard.

XCDE ARRESTATIE VAN JEAN WEIDNER IN MEI' 44 (p.931, r. 16-17). Tegelijk met hem werd Nahas gearresteerd maar deze wist te ontkomen.

XCJEAN WEIDNERS HULP AAN DE ZWITSERSE WEG (P.932, r.2-3). Paul Veerman en Jacques Rens, die uit Brussel naar Zwitserland waren ont12

125 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

komen, keerden ten behoeve van die hulpverlening naar bezet gebied terug.

XCDE OPBOUW VAN WEG B (P.939, tweede alinea). De Nederlander 'Jacques', die voor van Niftrik de nodige verbindingen ging leggen, was Jacques Rens.

XCDE PILOTENHELPSTER JOKE FO LMER (p.951, r. 5-4 v.o.).Zij bracht haar 'piloten' niet naar adressen die Nel Lind in Amsterdam had ingericht, maar naar eigen adressen. Amsterdam vermeed zij. Wist zij door haar contact met het politiebureau te Zeist dat ergens Geallieerde toestellen waren neergekomen, dan (P.953, r.16-15 v.o.) belde zij niet illegale werkers van 'Fiat Libertas' op maar contactpersonen van de LO en de LKP.

XCHENK ROMEYN EN DE AANSLAG OP DE NSB-COMMISSARIS VAN POLITIE TE EINDHOVEN (p. 958, r. 18-19). Romeyn was niet een koerier van de GDN maar een medewerker van de groep die Christofoor uitgaf.

XCDE ILLEGALE WERKER N. J. ('BOB') CELOSSE (P.959, r. 16). De eerste initiaal is abusievelijk als Taangegeven. * W. E. SANDERS EN DE OPBOUW VAN DE CENTRALE INLICHTINGENDIENST (p. 1021, tweede alinea). Sanders was in Enschede al vóór de oorlog chef van de recherche- en vreemdelingendienst. Hij moest van september '39 tot maart '41 verpleegd worden wegens een rugblessure en hervatte nadien de uitoefening van zijn functie. Eind '42 werden hij en zijn chef, de hoofdcommissaris van politie, gearresteerd omdat zij geweigerd hadden, arbeiders te laten oppakken die zich aan de arbeidsinzet hadden onttrokken. Na drie weken werden zij vrijgelaten. Sanders dook toen onder. In de loop van '42 was hij betrokken geraakt bij de hulp aan Joden - ook was hij toen tot de conclusie gekomen dat de illegaliteit telefoonkabels niet moest saboteren maar bij het illegale werk gebruiken. Het was toen het adjunct-hoofd van het telefoondistrict-Hengelo die hem met Schuilenga en Posthuma in contact bracht die een elandestien net van PIT-verbindingen hadden aangelegd. Sanders' eerste gesprek met hen vond inderdaad in maart '43 plaats - nadien werd het clandestiene net (dat verder werd uitgebreid) een net ten dienste van de illegaliteit.

126 [PDF]
DEEL 7

* HET AANTAL Z.G. ORGANISATOREN VAN DE JOODSE ONDERD U I K (p. 1045,r. 4). In plaats van 'duizend' leze men: 'enkele duizenden'. * HET AANTAL ILLEGALE WERKERS VÓÓR SEPTEMBER' 44 (P.I047, tweede en derde alinea). Wij kwamen tot het cijfer 'vijf-en-twintigduizend'. Dat cijfer is nadien in de publiciteit als een vaststaand gegeven overgenomen maar wij willen er nadrukkelijk op wijzen dat het, zo schreven wij, 'niet meer dan een vermoedelijke orde van grootte aangeeft'. Bovendien dient men in het oog te houden dat wij alleen diegenen 'illegale werkers' hebben genoemd die actief opgenomen waren in een vast organisatorisch verband. Daarnaast waren er individuele saboteurs (onze schatting: enkele duizenden), meer dan driehonderdvijf-en-zeventigduizend onderduikers, onder wie ca. vijf-en-twintigduizend Joden, en misschien wel honderd- of tweehonderdduizend gezinnen waarin die onderduikers korte of lange tijd opgenomen waren. Ook moet men in het oog houden dat vrijwel elk lid van een illegale organisatie in zijn omgeving personen had die hem hulp verleenden. Al die individuele saboteurs, onderduikers, gastheren en -vrouwen van onderduikers en helpers van illegale werkers hebben wij, van onze definitie uitgaand, niet tot 'de illegale werkers' gerekend - dat zij plaats hadden genomen in de slagorde van 'het verzet', die heel veel breder was dan die van de georganiseerde illegaliteit, is duidelijk. * MR. DR. J. DONNER (p. IIOÓ,r. 13-12 V.O.). Toegevoegd moetworden dat deze driemaal gearresteerd was geweest. * DONNER EN HET NIET-TOETSINGSARREST VAN DE HOGE RAAD VAN JANUARI '42 (p. UÓI, r.4 V.O.). Toen dit arrest werd gewezen, zat Donner gevangen. * DONNER EN HET VADERLANDS COMITÉ (p. IIÓ7, r.8-5 V.O.). Donner heeft de eerder op die pagina weergegeven brief van van Heuven Goedhart en van Randwijk niet ontvangen, wèl heeft Slotemaker hem de inhoud meegedeeld. Donner stond vervolgens zijn plaats in het Vaderlands Comité aan prof mr. V. H. Rutgers af maar toen deze eind april '44 naar Engeland vertrok, trad Donner weer tot het Vaderlands Comité toe, waarvan Drees inmiddels voorzitter was geworden.

XCDE ILLEGALE WERKER IR. c. J. A. GALESTIN (p, IIÓ9, noot I, r.ç, 10, II). Ten onrechte als 'ter Galestin' aangeduid.

127 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

DE SILBERTANNE-ACTIES (p. 1275, r. 15 en noot 2). Zijn uitgevoerd in twaalf plaatsen. In noot 2 moet ook Purmerend worden vermeld.

XCDE RAZZIA VAN 16 APRIL' 44 IN BEVER WIJK (p. 1275, laatste alinea). Aan deze razzia ging wel degelijk een Silbertanne-actie vooraf; daarbij werd een ter plaatse geliefde huisarts doodgeschoten. * HET BOMBARDEMENT VAN NIJMEGEN OP 22 FEBRUARI '44 (P.1304, r. 16-17). Dit was een dinsdag, niet een woensdag. De 'fout' (P.1305, r.2-1 v.o.) is niet door de (Nederlandse) luchtbescherming gemaakt maar door de Duitse alarmcentrale die verzuimd had, tijdig opnieuw het signaal 'luchtalarm' te laten geven.

XCTEKSTVERBETERING (p.1348, r.4 V.O.). Voor Staatscourant leze men: Staatsblad.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na p. 1360). De tank op de foto's 131 en 132 is een Sherman-tank: toentertijd het zwaarste Amerikaanse type.

Deel B: (Gevangenen en gedeporteerden'

XC

XCDE GROEP WEIGERAARS VAN DE 'LOYALITEITSVERKLARING' ONDER DE BEROEPSOFFICIEREN (p. 123, r.2I en 23). De groep werd in september '40 met acht, niet zeven officieren uitgebreid, onder hen drie, niet twee, officieren van het Algemeen Hoofdkwartier.

XCDE WEGVOERING VAN GENERAAL WINKELMAN (p. 129, r. 12-14). Zijn drie adjudanten en zijn chauffeur hadden gevraagd, hem te mogen vergezellen. Dat werd, wat twee adjudanten en de chauffeur betrof, goedgevonden.

XCMAJOOR C. GIEBEL (p. 133, r.5 V.O.). Zijn voorletter is abusievelijk als 'G' aangegeven.

XCDE OFFICIER VAN HET KORPS MARINIERS BIJ DE COLDITZ-GROEP (p. 136, r. I). Hij was niet adjudant van de koningin geweest.

128 [PDF]
DEEL 8

* DE SIMULANTEN ONDER DE KRijGSGEVANGEN OFFICIEREN IN LANGWASSER (p. 137, r. 9-7 V.O.).Ten onrechte is hier melding gemaakt van kapitein M. de Boer. Hij kwam vrij op verzoek van de directie van de Nederlandse Spoorwegen.

XCDE NEDERLANDSE KAMPOUDSTE IN STANISLAU (p. I38, r. II-I2). Luitenant-generaal S. G. Nauta Pieter was opvolger van vice-admiraal B. Schreuder.

XCKOLONEL S. VELDMEIJER (p. 139, r. II). Was kolonel van de Generale Staf, niet van de infanterie. * KAPITEIN I. L. UIJTERSCHOUT (p. 139). Aan hetgeen op p. 138 en 139 over de door velen afgekeurde actie van deze vermeld is wordt het . volgende toegevoegd: Uijterschout werd in december' 42 in staat gesteld, naar bezet Nederland terug te keren waar hij een functie kreeg bij het Rijkstextielbureau. In '44 kwam hij in contact met de illegaliteit in westelijk Noord-Brabant. Daar is hij actief geweest bij het verzamelen en doorgeven van belangrijke spionagegegevens, met name toen de Geallieerden in Noord-Brabant doordrongen.

XCDE UIT STANISLAU ONTSNAPTE OFFICIEREN DIE IN VRIJHEID BLEVEN (p. 143, r. 10). Dit waren er zes, niet vijf Van die zes wist schoutbij-nacht L. A. C. M. Doorman samen met luitenant-ter-zee D. W. baron van Lynden Engeland te bereiken. Luitenant G. H. M. van der Waals (p. 143, r. 15-18) is in '48 in een gevangenis te Moskou overleden.

XCDE ONTSNAPPING VAN OFFICIEREN UIT HET KAMP STANISLAU (p.I46, derde alinea). De vijf die tijdens de verhuisdrukte ontsnapten, deden dit via een gat onder de buitenmuur, waardoor reeds eerder drie officieren waren gevlucht. Luitenant van der Waals was in augustus '43, verkleed als Servisch soldaat-corveeër, door de hoofdpoort ontsnapt.

XCONTVLUCHTINGEN VAN RESERVE-OFFICIEREN (p. 157, r. 18). Uit het kamp bij Lissa zijn er acht ontvlucht, zeven tijdens de drukte van de verhuizing naar Neu-Brandenburg.

XCDE RANG VAN SS-SCHARFÜHRER (p. 169, r. 18). Deze is een onderofficier (zelfde correctie: noot 2, r. 3).

129 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

* DE VIJF 'GIJZELAARS VAN ROTTERDAM' (p.I86, r. IO-IS). Deze passage heeft betrekking op Bennekers, niet op Ruys. Drie van de vijf weigerden geblinddoekt te worden voor het vuurpeloton en de enige naam die wij kennen (p. 187, r. I v.o.), is die van Ruys.

XCFORT SPIJKERBOOR (p.22S, noot I, r.6). Ligt in Noord-Holland.

XCTEKSTCORRECTIES (p.226, onder D). Voor 'Lost' leze men: Tost, voor 'Tiebenau' : Liebenau.

XCTEKSTCORRECTIE (p.234, r. 16). Voor 'adjudant-inspecteur' leze men: adjunct-inspecteur.

XCDR. W. KAT (p.237, r.21). Was niet van Joodse afkomst.

XCJ. M. KAUB-MEESTERS (p.24I, r. II). Was medewerkstervan de 'eerste' OD, niet van de Stijkelgroep.

XCEEN GEDICHT VAN 'MELIS STOKE' (HERMAN SALOMON SO N) (p.302, r. 9 v.o. en noot 2). Het geciteerde gedicht is van zijn hand. * DE VONNISSEN, GEWEZEN TEGEN DE LEDEN VAN DE DIENSTWIM EN DE GROEP-OOSTERHU1S (p. 3S8, r.4-2 V.O.). Gaston Vandermeerssche en zijn naaste medewerker John Cohen zijn wèl geëxecuteerd.

XCHARMEN VAN DER LEEK (p. 367, r. 4 V.O.). Zijn voornaam is abusievelijk als 'Herman' aangegeven.

XCDE KAPELMEESTER IN AUSCHWITZ-BIRKENAU (p.460, r. 13 V.O.).Zijn juiste familienaam is: Kopycinski.

XCNEDERLANDERS IN HET AUSSENKOMMANDO-LANGENSTEIN (p.489, r. 18). Voor "43' leze men: '44.

XCPASTOOR A. J. SCHEER UIT VELP (p.S42, noot I, r. j), Zijn naam rs abusievelijk als 'Scheers' vermeld.

XCONTSNAPPING MET VLIEGTUIGEN NAAR ENGELAND (p. S82, r. 13). Voor 'twee Fokker's G-I' leze men: een Fokker G-I en een T VIII W.

130 [PDF]
DEEL 8

XCDE GEVANGENEN IN HET CONCENTRATIEKAMP SCHOORL (p.582, r. 5-2 V.O.). De vier-en-twintig waren inwoners van Zandvoort en omgeving die deel hadden genomen aan een eindexamenfeest waarvoor uitnodigingen verzonden waren die honende anti-Duitse termen hadden bevat (vier werden tot gevangenisstraf veroordeeld, de overigen vrij spoedig vrijgelaten). * WILLY ENGBROCKS (P.587, noot 3). Het woord 'beweerde' drukt twijfel uit - wij vervangen het door: schreef. Engbrocks was, zoals al eerder bleek (p.406, noot 3), de gevangenen welgezind.

XCDE MOORD OP DE RUSSISCHE KRIJGSGEVANGENEN UIT HET KAMP AMERSFOORT (p. 594, r. 9 V.O.). Zij zijn niet op de Leusder hei maar dicht bij het kamp doodgeschoten.

XCMR. M. L. KAN (p.610, r.9-11). Deze is niet in het concentratiekamp Amersfoort omgekomen maar in Bergen-Belsen.

XCDE 'ASOCIALEN' IN HET CONCENTRATIEKAMP OMMEN (p.636, r. 7-1 V.O.). Zij die door de kampleiding als 'asocialen' werden aangeduid, waren dat lang niet allen.

XCDE BEHANDELING VAN DE GEVANGENEN IN OMMEN NA MEI '43 (p.637, r. 6-9). De leden van de extra-afgebeulde Strafkompanie werden wèl kaalgeknipt. Een priester werd slechts eens in de maand, een predikant een enkele keer toegelaten. De familiebezoeken op zondag vonden met grote tussenpozen plaats en duurden kort. * HET SMOKKELEN VAN BRIEVEN UIT HET CONCENTRATIEKAMP VU G HT (p.717-18). Deze passage dient te luiden: Incidenteel werden ook wel clandestiene brieven het kamp uitgesmokkeld door politiemannen die 'goed' waren. Meer systematisch werd dat in de zomer van '43 gedaan door een opperwachtmeester van de gemeentepolitie uit Den Bosch, L. M. A. Hermse, die verscheidene malen in gezelschap van een politieman uit Vught het kamp wist binnen te komen; hij stopte dan telkens een hoeveelheid clandestiene brieven in de borstzak van zijn tuniek. Nu was Hermse al eens eerder aan een SS'er opgevallen doordat hij hulp had trachten te bieden aan Joden in een van de Aussenkornrnandos van Vught - toen die SS'er Hermse op 3 augustus '43 Vught zag verlaten, greep hij onmiddellijk in; Hermse, in wiens borstzak meer dan twintig brieven

131 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

werden gevonden (er bleek ook dat hij hoeveelheden vitaminen het kamp had binnengesmokkeld), werd een jaar lang in Vught gevangen gehouden.

XCBij een andere gelegenheid (wij weten niet wie daarbij betrokken was) werden brieven die het kamp binnengesmokkeld waren, hetgeen ontdekt was, door op de Kommandantur werkzame gevangenen zo snel weggewerkt dat Lagerkommandant Chmielewski ervan overtuigd was dat SS'ers dat hadden gedaan - een hele groep SS'ers moest een middag lang strafexerceren.

XCHET VERTREK VAN DAVID KOKER EN DE PHILIPS-GROEP UIT HET JUDENDURCHGANGSLAGER TE VUGHT (p.720, r. 10 V.O.). Viel op 2, niet op 3 juni' 44 (zelfde correctie: P.786, r. 15 v.o. en daar vervalt noot 2) en het vertrek vond, anders dan de geciteerde getuige (niet: Koker) vernam, kort voor middernacht plaats. * DE BELEVING VAN DE JOODSE GODSDIENST IN DE KAMPEN WESTERBORK EN BERGEN-BELSEN (p.725 e.v.). Op 12 december '78 zond de emeritus-opperrabbijn A. Schuster ons vanuit Jeruzalem een brief waarin hij opmerkte dat mr. A. J. Herzberg in Kroniek der jodenver volging en prof. dr. J. Presser in Ondergang te weinig aandacht hadden besteed aan de beleving van de Joodse godsdienst in kampen als Westerbork en Bergen-Belsen. 'Zij beiden', aldus Schuster, 'stonden ver van het religieuze Jodendom' - hij meende evenwel dat het niet juist zou zijn wanneer daarover in ons werk niet werd geschreven. Wij later derhalve hier het grootste deel uit Schusters brief volgen - hij schreef:

XC'Het gedrag der z.g. orthodoxe Joden in Westerbork zowel als in BergenBelsen was van dien aard (de weinige uitzonderingen daargelaten), dat zij een voorbeeld waren voor de anderen met betrekking tot de rustige aanvaarding van hun lot. Zij maakten geen ruzie, drongen niet naar voren bij de etensverdeling, maar zaten rustig in hun hoekj e te lezen of te bidden. Zij beantwoordden geheel aan het beeld, dat de niet-vrome Joden van hen hadden.

XCWat het religieuze leven betreft, werden in Westerbork dagelijks godsdienstoefeningen gehouden. Mij staan nog voor de geest een indrukwekkende predikatie van de heer 1. Maarsen, opperrabbijn van Den Haag, en een wetenschappelijke voordracht van de heer S. Dasberg, waarnemend opperrabbijn van Amsterdam. Ik zelf heb in een der synagogen op de Hoge Feestdagen het gebed geleid en heb enige malen jongens, die bar mitswa (kerkelijk meerderjarig) werden, toegesproken. Ik heb daar zelfs een huwelijk ingezegend en (mede) een kerkelijke

132 [PDF]
DEEL 8

echtscheiding voltrokken. Mijn mederabbijnen deden hetzelfde in hun kring en hun barak. In Westerbork ging dat alles vrij gemakkelijk.

XCVeel moeilijker was het in Bergen-Belsen. Hiervan kan ik u het volgende mededelen.

XCAan de spits van de stoet gevangenen, die op I I januari 1944 van het station naar het kamp te voet ging, liep iemand, het was mijn zwager de heer J. Goldschmidt, met een wetsrol op de arm.

XCMijn ambtgenoten de heren S. Dasberg en A. B. N. Davids, opperrabbijn van Rotterdam, werd (zij hadden als beroep rabbijn opgegeven) het zwaarste werk opgelegd, waardoor zij te uitgeput waren om actief aan het geestelijke werk deel te nemen. Met de heer Dasberg gebeurde het volgende. Hij kreeg de order de beerput alleen te ledigen. Toen hij na vele uren daarmee klaar was en naar boven klom, zei de Scharführer tot hem: 'Na, Herr Oberrabbiner, haben Sie sich schmutzig gemacht?', waarop de heer Dasberg het sindsdien in het kamp en daarna onvergetelijke antwoord gaf: 'Nein, nicht mich. Nur meine Kleider. '

XCWat mijzelf betreft, door een ingeving geleid gaf ik als beroep op: leraar in de klassieke talen, wat ook trouwens waar was. Op mij werd dus niet speciaal gelet. Ik organiseerde synagogediensten, leerde en zong met de jeugd en stond stervenden bij. Een van mijn huidige buurtgenoten in Jeruzalem sprak met mij er over, dat ik zijn bar mitswa-viering in Bergen-Belsen had geleid, wat ik mij nog goed herinnerde. Mij staat nog voor ogen de geheel in het geheim gehouden eredienst op Nieuwjaar (1944) waar ik in het gebed ben voorgegaan en waar zelfs op de sjofar (ramshoorn) geblazen werd. De dienst op de Grote Verzoendag heb ik in het z.g. Altersheim georganiseerd, waarbij de Duitsers om ons te storen het licht doofden, waarop wij bij kaarslicht het gebed hebben voortgezet.

XCIk weet uit wat men mij naderhand vertelde, dat de gezamenlijke J odendomsbeleving in Bergen-Belsen bij een aantal mensen het besef om onder alle omstandigheden vol te houden heeft versterkt.'

XCDE HUISVESTING VAN DE OP 3 OKTOBER '42 IN WESTERBORK BINNENGEVOERDE, OPGEHAALDE JODEN (p.733, r. 12). Het door Coen Rood uit zijn herinnering vermelde getal van 'minstens vierduizend' is stellig te hoog.

XCDE V ADER V AN ESTHER (ETTY) HILLES UM (p.735, r. ro=r r). Was leraar aan het gymnasium te Hilversum, niet rector (zelfde correctie: P.758, r. 9-8 v.o.).

VERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFTdedienst in Westerbork, niet de Fliegende Kolonne. Op foto 63 geeft Piskinstructie aan ordonnansen.Bergen-BelsenDasberg, S.Davids, A. B. N.Goldschmidt, J.Rood, c.Schuster, A.
OVERZICHT
JO SPIER EN DE IN THERESIENSTADT OPGENOMEN FILMr. 1-2). Spier maakte schetsjes van de opnamen.

XCPOST UIT BERGEN -BELSEN (p.779, noot 2). Deze post is een heel enkele keer in Nederland ontvangen. De rest werd door de kamp-SS'ers vernietigd.

XCHET TRANSPORT VAN DE PHILIPS-GROEP UIT VUGHT NAAR AUSCHWITZ (p.786, noot 3). Noot 3 vervalt. Het transport verliep via het traject Vught-Nijmegen-Bentheim-Hannover-Goslar-BreslauAuschwitz.

XCDE TREINTRANSPORTEN TOT MIDDEN IN HET KAMP BIRKENAU (p.802, laatste alinea). Anders dan wij schreven, zijn transporten uit Nederland al van eind maart '44 af midden in het kamp Birkenau (Auschwitz II) aangekomen.

XCDE TRANSPORTEN NAAR AUSCHWITZ VAN 24 AUGUSTUS '43 T.E.M. 3 SEPTEMBER '44 (p.806, r.6-2 V.O.). Als gevangenen werden 6732 (niet 6632) gedeporteerden ingeschreven, onmiddellijk vergast 6899 (niet 6999). * WEIGERINGEN IN HET EXPERIMENTEN-BLOCK VAN HET CONCENTRATIEKAMP AUSCHWITZ I (p. 853, laatste alinea, en p. 854, eerste en tweede alinea). Er zijn ook omstreeks tien weigeraarsters geweest onder diegenen die in het Experimenten-Block bleven; op één na die om onnaspeurlijke redenen in het BLock mocht blijven, werden zij naar Birkenau doorgestuurd.

XCHET AUSSENKOMMANDO WAAR LEX VAN WEREN GEVANGEN ZAT (p.860, tweede alinea). Was niet Jawischowitz maar Janina.

Deel 9: (Londen)

XC

XCDE BEWAKINGSDETACHEMENTEN VAN DE NAAR ENGELAND OVERGEBRACHTE DUITSE PARACHUTISTEN EN LUCHTLANDINGSTROEPEN (p. 5, laatste alinea, en p. 6, eerste alinea). Hier was ook een marinedetachement bij.

134 [PDF]
DEEL 9

J. F. W. NUB 0 ER (p. 8, noot 2, r.2 v.o.). Zijn voorletters zijn abusievelijk aangegeven als: J. W. F. (zelfde correctie: p. 357, r. 6). Zijn rang was die van kapitein-luitenant-ter-zee.

XCGENERAAL G. B. NOOTHOVEN VAN GOOR (P.24, r.5). Zijn rang was generaal-majoor.

XCDE' VANK INS BERG EN' (p. 33, r. I 0). Was een artillerie-instructieschip, niet een lichte kruiser.

XCKOLONEL H. J. PHAFF (p. 39, r. 8). Als zijn rang is abusievelijk 'majoor' vermeld.

XCHET NEDERLANDSE LEGIOEN IN CONGLETON (p. 39, r.7). Hetwas daar in enkele leegstaande fabrieken (niet in één fabriek) gehuisvest (zelfde correctie: p. 705, tweede alinea - ds. van Dorp schrijft daar over de grootste fabriek).

XCLUITENANT-KOLONEL (OVERSTE) VAN DE PLASSCHE (p.S2, r.14 V.O.). Als zijn rang is abusievelijk 'majoor' vermeld.

XCHET VERBLIJF VAN KONINGIN WILHELMINA Bij LONDEN 1944-45 (p. 109, tweede alinea). Benoorden Londen betrok de koningin eerst een villa in South Mimms. Die villa was het die op 20 februari '44 bijna door een Duitse vliegtuigbom werd getroffen. Nadien ging de koningin Lanesu/ood bewonen, niet Stubbings House. Begin mei '45 (niet in april) verhuisde zij naar een landhuis bij Breda.

XCDE GEHEIME AGENT J. C. KIST (p.129, r.20). Was niet een marineofficier.

XCONDERSCHEIDING VOOR ENGELANDVAARDERS (p.I29, r.20). Was het Kruis van Verdienste, niet het Bronzen Kruis (zelfde correctie: p. 183, r. I7).

XCGERBRANDY EN DE ENGELSE TAAL (p. 135, r.20-12 V.O.). Gerbrandy nam les en volgde een Linguaphone-catsas en dáártoe had hij een koffergrammofoon aangeschaft, niet om naar klassieke muziek te luisteren - hij had geen enkel gevoel voor muziek.

135 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

LUITENANT-GENERAAL J. F. VAN DER VIJVER (p. 186, r. 16 V.O.). Als zijn naam is abusievelijk 'van de Vijver' aangegeven.

XCMR. W. G. PEEKEMA EN DE PETITIE-SOETARDJO (P.243, noot 3). Hij had deze aan gouverneur-generaal van Starkenborgh, niet aan minister Welter ontraden.

XCDRIE MOTIES IN DE VOLKSRAAD (p.246, r.6-7). Deze moties zijn niet aangenomen maar vóór de stemming door de indieners uit protest tegen de starre houding van het gouvernement ingetrokken.

XCDE IN DONES ISCHE 'RADEN' -TITEL (p. 247, noot 2). Dit was een adellijke titel die niet door het gouvernement verleend werd.

XCTEKSTCORRECTIE (p.266, r.z). Voor 'opdragen' leze men: verzoeken.

XCPEA R L HAR B 0 R (p. 277, r. 6). De getroffen Amerikaanse slagschepen werden niet 'vernietigd' men leze: uitgeschakeld (zelfde correctie: P.294, r. 8-9).

XCDE CAPITULATIE TE SINGAPORE (p.290, r. 17). Hierdoor raakten tachtig-, niet honderddertigduizend Britse militairen in krijgsgevangenschap.

XCLUITENANT-KOLONEL N. L. W. VAN STRATEN (p.299, r.4). Zijn rang is abusievelijk als 'kolonel' aangegeven.

XCVERTREK VAN HET ISTE BATALJON VAN DE IRENE-BRIGADE NAAR NED ERLA N D S- I N D I Ë (p.304, r. 6). Tot de eersten die vertrokken, behoorde niet de stafcompagnie maar een groep lagere militairen.

XCKAPITEIN A. C. DE RUYTER VAN STEV ENINCK (p. 304, r. 15). Werd tot majoor, niet tot luitenant-kolonel bevorderd.

XCLUITENANT-GENERAAL GEORGE H. BRETT ALS PLAATSVERVANGER VAN WA VELL (p. 310, r. 5-4 V.O.). Zijn benoeming had te maken met het feit dat hij een Amerikaan, niet met het feit dat hij een luchtmachtgeneraal was.

XCKAPITEIN-TER-ZEE J. W. TERMIJTELEN (p.3I9, r.I4). Zijn rang is abusievelijk als 'schout-bij-nacht' aangegeven. 13

136 [PDF]
DEEL 9

WA VELLS TELEG RAM VAN 16 FEBR U ARI ' 42 (p. 325, r. I V.O., en p. 326, r. I). Is wel degelijk voorgelezen in de Pacific War Council te Londen.

XCDE RANG VAN LUITENANT-ADMIRAAL IN DE I9DE EEUW (P.327, noot I). Deze rang is in 1814 verleend aan van Kinsbergen, in 1852 aan prins Hendrik, in 1863 aan kroonprins Willem.

XCHET AMERIKAANSE SCHIP 'LANGLEY' (p. 328, r.ç). Was een vliegtuigtransportschip, geen licht vliegdekschip.

XCDATUMCORRECTIES (p.34I). In r. 8 leze men: 5 of 6 maart, in r. 12: 8 maart, in r. 14: 4 maart.

XCDE DIGOELISTEN NAAR AUSTRALIË (p. 341, r. 8-6 V.O.). Hun overbrenging vond in '43, niet in '42 plaats.

XCA. H. J. LOV IN K (p. 343, r. 3). Was geen dr.

XCDR. P. HONIG (p. 343, r. 18). Was geen ingenieur. * VAN MOOKS PERSOONLIJKHEID (p. 367, r. 13-II V.O.). De woorden: 'hij had voor de persoonlijke problemen van zijn medewerkers geen grein belangstelling, ze moesten maar doen wat hij opdroeg', zijn geschrapt.

XCDE DATUM VAN VAN MOOKS BENOEMING TOT MINISTER VAN KOLONIËN (p. 369, r. 14). Is 25, niet 21 mei '42 (zelfde correctie: p. 1519, r.z).

XCIR. O. C. A. VAN LIDTH DE JEUDE EN COLIJNS VIJFDE KABINET (p. 373, r. 17-18). Hij was daar wèllid van.

XCKAPITEIN DR. J. M. SOMER (p. 377, r. 14 V.O.). Hier ten onrechte aangeduid als 'majoor'.

XCTEKSTCORRECTIE (p. 380, r. 17). Voor 'tot' leze men: als.

XCTEKSTCORRECTIE (p. 399, r. s). Voor 'geheel' leze men: een deel van.

XCHET BOMBARDEMENT VAN ROTTERDAM OP 3 I MAART '43 (P.407,

137 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

r. IS). Dit werd door de Amerikaanse luchtmacht uitgevoerd, niet door deRAF

XCDE WERELDRAAD VAN KERKEN (p.42I, r. 16). Deze was nog slechts in oprichting.

XCDE FIN ANCIËN V AN HET SCHEEPV AARTFON D S (p, 454, tweede alinea). Wij schreven dat de tekorten van I juni '42 tot I juni '45 ca. 12 mln pond beliepen - dat gegeven is nietjuist. De Algemene Rekenkamer heeft ons bericht dat het fonds, dat uiteindelijk (zoals door ons vermeld) een tekort bleek te hebben van ruim f 41 mln, per 3I december '45 een liquiditeitsoverschot toonde van 23 mln pond. Wij hebben dan ook ten onrechte verondersteld (p.462, r. 5-3 v.o.), dat de betalingsmoeilijkheden waarin de regering in de lente van '44 kwam, onder meer uit het nadelige saldo op de exploitatie van de koopvaardijvloot zijn voortgevloeid - bepalend was de wens van de regering om voor de rehabi litatie van Nederland en van Nederlands-Indië en voor de heropbouw van de koopvaardijvloot de nodige activa te reserveren.

XCHET SURINAAMSE BAUXIET (P.504, r.II V.O.). Dejuiste formulering is: werd in de Verenigde Staten tot aluminium verwerkt.

XCDE BEWAKING VAN HET KAMP OP DE]ODENSAVANNE IN SURINAME (p. 507, r. 13). Deze werd in '43 door Surinaamse schutters overgenomen.

XCDE TOCHT OVER DE PYRENEEËN (p. 518, r. 17). Was in de winter niet 'praktisch onmogelijk' maar wèl buitengewoon moeilijk. Beren en wolven (p. 5I9, r. 17-16 v.o.) kwamen er niet meer voor. * DE CERTIFICATEN VAN HET ECHTPAAR DE LEEUW-GERZON (p. 537, r. I2-I3). Dit echtpaar verwierf in Jeruzalem geen echte certificates voor toelating tot Palestina maar het vervaardigde nagemaakte certificates die naar bezet gebied werden gestuurd.

XCTEKSTCORRECTIE (p. 58I, r. 3 V.O.). Men leze: de vroegere Vichy-concentratiekampen.

XCDR. HENRI VLEESCHDRAAGER (p. 587, r. I4 V.O.). Ten onrechte vermeld als: Henri Vleesdrager (zelfde correctie: p. 588, r. IS en r.8 v.o.).

138 [PDF]
DEEL 9

ARRESTATIES IN BRUSSEL VAN LEDEN VAN DE GROEP 'DUTCHPARIS' (p. 588, r. 14-15). Van Cleeff was al eind '43 gearresteerd.

XCP. E. TEPPEMA (p.635, r. 12 V.o.). Was geen mr.

XCF. C. BARO N VAN AERSS EN BEYER EN VAN VOS HO L (p. 635, r. II V.O.). Was geen mr.

XCJHR. W. F. VAN LENNEP (p.635, r.ç V.O.). Was geen mr. Zijn familiebuiten (p. 703, r. 19) lag in Gelderland, niet in Overijssel.

XCTEKSTCORRECTIE (p. 646, r. 17). Voor 'wisseling' leze men: uitwisseling.

XCVAN KLEFFENS' NOTA UIT MEI '42 (p.652, r.8). Dit stuk is niet verloren gegaan.

XCHET KAMP TE WOLVERHAMPTON (p.706, r. 8). Kende wèl een, zij het klein, exercitieterrein.

XCMAJOOR D. VAN VOORST EVEKINK (p.706, r.o V.O.). Zijn rang 1S abusievelijk aangegeven als: luitenant-kolonel.

XCHANDELEN IN STRIJD MET DE MILITAIRE TUCHT (p. 706, noot 2). Dit werd in de regel door de commandanten bestraft.

XCMAJOOR MR. H. J. KRULS (p.7IO, r.I3 V.O.). Zijn rang is abusievelijk aangegeven als: kapitein.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na p.7I6). Op foto 45 zijn Mit [heil-bommenwerpers afgebeeld, waarvan één voor het wapen van de Militaire Luchtvaart van het Knil in Australië bestemd is.

XC322 (DUTCH) SQUADRON VAN DE RAF (p.720, r. 16 V.O.).Telde negenen-vijftig Nederlandse jachtvliegers.

XCOFFICIER-VLIEGER ISTE KLASSE H. SCHAPER (p.722, r.c). Is abusievelijk aangeduid als: kapitein-vlieger.

XCDE 'TIRPITZ' (p.723, r. I V.O.). Lag in een Noorse fjord, niet in een haven.

139 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

MR. J. W. T. BOSCH (p.725, rz). Zijn voorletters zijn abusievelijk aangegeven als: G. W. T.

XCADMIRAL SIR ANDREW CUNNINGHAM (P.744, r. II v.o.). Zijn voornaam is abusievelijk aangegeven als: John.

XCKAPITEIN-LUITENANT-TER-ZEE JHR. E. J. VAN HOLTHE (p.750, r. 13-14). Zijn rang is abusievelijk aangegeven als: kapitein-ter-zee.

XCHARRY HOPKINS (P.759, noot, r.4 v.o.). Was een medewerker van president Roosevelt, niet de Lend-Lease-Administrator.

XCDE ACTIVITEIT VAN DE NEDERLANDSE OFFICIER VAN JUSTITIE TE LONDEN (P.764, noot 2). Het in r. 16 gegeven cijfer slaat op eind '44. Geseponeerd (r. 18) werden ca. 1250 zaken en aan de rechtbank werden bijna 500 doorgegeven, aan het kantongerecht bijna 700.

XCTEKSTCORRECTIE (p.768, r. 3). Voor 'of leze men: en.

XCo ORLOGSMISDRlJVEN DOOR U -BOOT-COMMANDANTEN (p.774, r.4 V.O.). De betrokken gevallen waren zeer zeldzaam. * DE NEDERLANDSE ZEESLEEPBOTEN (p.780, r. 1-2). Er zijn er twee verloren gegaan: behalve de 'Rode Zee' ook de 'Lauwerszee'; dat laatste schip is in oktober '40 in het Kanaal op een mijn gelopen - er was maar één overlevende en er waren dertien mannen die omkwamen.

XCDE RECHTSPOSITIE DER NEDERLANDSE ZEEVARENDEN (P.795, derde alinea). Van de scheepsofficieren waren zeer velen en van de lagere zeevarenden grote groepen wel degelijk georganiseerd. Voorts kende de scheepvaart sinds 1919 een collectieve arbeidsovereenkomst, die evenwel niet gold voor de meeste tankvaartmaatschappij en, voor de kustvaart en voor de in Indië gevestigde scheepvaartmaatschappijen. Er was geen verzekeringsregeling tegen ziekte maar wel een ziekengeldregeling. Schepelingen hadden voorts wel degelijk een wettelijk vakantierecht en de rederijen die niet bij de Stichting Zeerisico waren aangesloten, moesten zich wèl aan de bepalingen van de Zeeongevallenwet houden. Het

140 [PDF]
DEEL 9

DE WAR-BONUSSEN DER ZEELIEDEN (p.79S, r.4 en rr v.o.). Waren £ S per maand, niet per week. (p.796, r. I: f 160 wordt: f 38).

XCTEKSTCORRECTIE (p.8IS, r. II). Incompatibilité d'humeur is de juiste schrijfwijze. * IR. WARNERS EN V AN 'T SANT (p.866, r. 3-S). Voor: 'wetend dat van 't Sant een van zijn coricurrenten was als mogelijk hoofd van de nieuwe inlichtingendienst', leze men: 'wetend dat van 't Sant kandidaat was voor de positie van hoofd van een nieuwe inlichtingendienst'. De passage tussen haakjes (r. 3-2 v.o.) vervalt.

XCVAN 'T SANTS BEHUIZING VAN MIDDEN' 43 AF (p.869, r.ç V.O.). Hij hield zich wat meer op de achtergrond maar verliet Stubbings House niet.

XCHET PERSOONSBEWIJS (p.87S, r.3 V.O.). Was verplicht voor personen van vijftien (niet zestien) jaar en ouder.

XCHET BEDANKTELEGRAM DAT MINISTER FURSTNER UIT BEZET GEBIED ONTVING (p. 88S, noot, r.9-U). Dit was eenbedanktelegram van de geheime agent Aart Alblas die tot luitenant-ter-zee derde klasse benoemd was. * IR. WARNERS ALS HOOFD VAN DE INLICHTINGENDIENST AFGEWEZEN (p.933, r. 9-10). Voor 'Warners, diep gegriefd, ging met verdubbelde ijver zijn rapport tegen van 't Sant voorbereiden', leze men: 'Er restte Warners niets anders dan verder te werken aan zijn rapport tegen van 't Sant.' Op p. 1474, r.4-3 v.o. vervallen de woorden: 'die in die tijd zijn uiterste best deed, in de sector van het geheime werk alle touwtjes in handen te krijgen.' * D. BOEREMA, MEDEWERKER V AN DE GROEP-OOSTERHUIS (p. 937, r. I V.O.). Is in oktober '43 in Perpignan gearresteerd en in juni '44, na ter dood te zijn veroordeeld, gefusilleerd. * EEN BRITSE GEHEIME OPERATIE VÓÓR DE OPRICHTING VAN HET BUREAU BIJZONDERE OPDRACHTEN (p.964-6S). Het BBO is op IS maart '44 opgericht en heeft zijn eerste geheime agenten in de nacht

141 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

merkwaardig genoeg niet door MI-6, dat met het Bureau lnlichtingen samenwerkte, maar door MI-5 onderzocht ofhet mogelijk was, militairen van de Commando's via de Noordzeekust Nederland binnen te werken. Eind oktober '43 mislukte een eerste poging, waarbij zeven Britse Com mando's betrokken waren, in de nacht van 24 op 25 februari '44 een tweede poging met zeven Franse Commando's. In de nacht van 26 op 27 februari evenwel gingen zes Franse Commando's ter hoogte van Wassenaar aan land. Alle zes zijn omgekomen. Vier zijn vermoedelijk aan de voet van de duinen tegen de ontspandraad van een zelfschietend machinegeweer gelopen, twee hielden zich in de duinen schuil en kwamen door uitputting om het leven.

XCDE VOOR KOLONEL DE BRUYNE BESTEMDE WAARSCHUWING VAN 'ZEKERE HUYGENS' (p. 1049, noot I). Dit was I. D. D. Huygens; hij had contact gehad met van Bilsen en gaf zijn waarschuwing aan twee jonge Nederlanders mee die naar Zwitserland onderweg gingen.

XCTEKSTCORRECTIE (p. III4, r. I). Voor 'landen' leze men: eilanden.

XCKOLONEL SPOOR, HOOFD VAN DE NEFIS IN AUSTRALIË (p. 1I2I, r. 5). Dit werd hij in februari '45, niet '44.

XCMACARTHURS HOOFDKWARTIER (p. II27, r. 18). Was van eindjuli '42 af in Brisbane gevestigd.

XCDR. R. E. SMITS (p. II33, r. 9-10). Was directie-secretaris, niet president, van de Javase Bank geweest.

XCGEZAGSBATALJONS NAAR AUSTRALIË (p. II55, r. II e.v.). Er zijn ca. vierhonderd man in Australië aangekomen.

XCDE NEDERLANDSE HERVORMDE KERK (p. II97, r. 14). Toegevoegd moet worden dat ook in '33 en '39 reorganisatievoorstellen verworpen waren.

XCDR. K. H. MISKOTTE (p. 1197, r.2-1 V.O.). Stond als predikant niet in Rotterdam.

XC

142 [PDF]
DEEL 9

HET HERDERLIJK SCHRIJVEN II VAN DE HERVORMDE ALGEMENE S Y NOD E (p. 1199, r. 5-4 V.O.).Miskatte had ds. R. Bijlsma, predikant te Hellendoorn, een concept laten opstellen.

XCDE NIEUWE KERKORDE VAN DE NEDERLANDSE HERVORMDE KERK (p. 1202, r. 4). Een overgangsregeling werd in de lente van '44 door de Algemene Synode unaniem aanvaard.

XCDE 'PERSOONLIJKE BOODSCHAP VAN HARE MAJESTEIT DE KONINGI N VOO R HET NATI 0 NAAL COMITÉ' (p. 1333, laatste alinea, en p. 1334, eerste alinea). Er is geen conflict met Gerbrandy geweest: hij stelde op 10 april '43 een concept op dat koningin Wilhelmina als grondslag nam voor de tekst die zij samen met Beelaerts schreef.

XCPRINS BERNHARDS DISTINCTIEVEN (p. 1352, r. IO--II). Als generaalmajoor had hij recht op twee gouden en twee zilveren, als luitenantgeneraal op vier zilveren sterren.

XCHET BRITSE WAR OFFICE (p. 1381, r.6-7). Ten onrechte aangeduid als: War Department.

XCJACQUES GANS (p.I449, r.4 en r.2-1 V.o.). Verliet bezet Nederland in oktober '42 en kwam na een moeilijke tocht een jaar later in Engeland aan. Hij stond in '43 dus niet met de verzetsgroep CS-6 in contact.

XCDE WAARSCHUWING IN HET NUMMER VAN 'DE WERVELWIND' VAN MEI' 42 (p. I472,laatste alinea, en p. 1473, eerste alinea). In de eerste druk van dit deel hebben wij vermeld dat in het nummer van mei '42 van De Wervelwind (vrij algemeen werd verwacht dat het in de zomer van '42 tot grote Geallieerde landingen in West-Europa zou komen) als mededeling 'van bevoegde zijde' o.m. het volgende zou zijn opgenomen: 'Indien invasie-operaties op til zijn, zal het Nederlandse volk tijdig worden ingelicht en wel door middel van alle Engelse radiostations .... Er zullen in Nederland mensen aanwezig zijn die namens onze koningin hier voorlopig het gezag zullen uitoefenen. De daartoe aan te wijzen personen en instanties zullen via alle radiozenders door onze regering tij·dig worden bekendgemaakt.' Uit deze tekst komt in werkelijkheid slechts de eerste zin in De Wervelwind voor, de rest was er in het illegale Vrij Nederland aan toegevoegd; die rest is door van Randwijk opgenomen

143 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

conform de wensen van Six, met wie hij in die tijd nog nauw samenwerkte.

XCJHR. DR. M.L.VAN HOLTHE TOT ECHTEN (P.1484, r.20). Was vóór de bezetting burgemeester van Zeist geweest en was dus niet ontslagen.

Deel loa: 'Het laatste jaar IJ

XC

XCCORRECTIE KAARTONDERSCHRIFT (p.49). Op 15 augustus '44 begonnen aan de Rivièra de landingen van het Franse Eerste en het Amerikaanse Zevende (niet Negende) Leger. * HET VERZET VAN DE DIRECTIE VAN DE MEKOG TE VELSEN, A U GUS T US' 44 (p.6 I, noot I). Het verzet tegen de levering van chemicaliën die de Duitsers voor springstoffen nodig hadden, is niet alleen door de directie van de Staatsmijnen volgehouden maar ook door die van de Mekog: beide directeuren, ir. A. H. Ingen Housz en dr. M. W. Holtrop, zijn ondergedoken.

XCHET LEVENSEINDE VAN KAPELAAN J. J. NAUS, J. HENDRIKX ('AMBROSIUS') EN HENK DIENSKE (p.78, r. 15 V.O.). Zij zijn niet op 4 september '44 in Vught gefusilleerd maar naar Sachsenhausen getransporteerd. Naus is in april '45 in Bergen-Belsen bezweken, waar Hendrikx begin mei overleden is, is niet bekend, Dienske stierf in februari '45 in een Aussenkommando van N euengamme.

XCM. W. ROMBOUT EN DE LANDELIJKE KP-LEIDING (p.86, r.13-14). Zijn illegale naam was 'Rob' - wij hebben hem abusievelijk als 'R Rombouts' aangeduid. Toegevoegd moet worden dat hij in de begintijd deel had uitgemaakt van de Knokploeg van Johannes Post.

XCA. MEIJER, COMMANDANT VAN DE BS IN FRIESLAND (p.98, r.3-6). Was niet tevoren Gewestelijk Commandant van de OD geweest.

XCJOHANNES ARNOLDUS VAN BIJNEN (p. 113, r. 10). Zijn tweede voornaam is abusievelijk aangegeven als: Adrianus.

144 [PDF]
DEEL lOA

DE RANG VAN DR. J. M. SOMER EN VAN MR. CH. H. J. F. VAN HOUTEN (p. 137, r.6-7). Beiden waren majoor.

XCGERBRANDY'S EERSTE GESPREK MET VAN HEUVEN GOEDHART (p. 138, r. 14). '7 juni' moet zijn: 17 juni ('44)·

XCHET LEVENSEINDE VAN DE GEHEIME AGENT G. F. HOOYER (P.I45, noot 2). Deze is niet op 8 maar op 12 maart '45 doodgeschoten.

XCKR ULS' BENOEM ING TOT CHEF-STAF MILITAIR GEZAG (p. 164, r. 1516). Vond plaats bij koninklijk besluit d.d. 22 augustus' 44 - van Lidth's reactie (laatste alinea) had betrekking op het feit dat koningin Wilhelmina ermee akkoord was gegaan dat Kruls tijdelijk de rang van generaalmajoor zou krijgen.

XCDE DOOR VAN SONSBEECK OPGESTELDE CONCEPT-PROCLAMATIE V AN VERTROUWEN SMANNEN (p.218, r. 3-2 V.O.). Inderdaad, van Sonsbeeck ontbrak bij de bespreking op 30 augustus '44, maar zijn concept lag ter tafel (zelfde correctie: deel 10 b, p. 1002, r. 11-12).

XCDE OP 'DOLLE DINSDAG' OPGESTELDE PROCLAMATIE VAN DE VERTROUWENSMANNEN (p.224, r.z V.O.). Het concept was door Cleveringa en Bosch van Rosenthal samen opgesteld (zelfde correctie: deel 10 b, p. 1002, r. 4 v.o.). Een tweede concept werd in april '45 vervaardigd. Wat op p.225 wordt geciteerd, is die tweede tekst.

XC'DOLLE DINSDAG' IN WAAL WIJK (p.229, vierde alinea en noot I). Niet Duitsers werden hier gevangen genomen en ontvoerd maar NSB'ers. Een groep Nederlandse SS'ers arresteerde toen vier personen: de burgemeester, een huisarts en twee jongens, en maakte vervolgens bekend dat ze zouden worden doodgeschoten als de ontvoerden niet vóór een bepaald uur waren teruggebracht. Dat laatste geschiedde niet. Nadien werd de huisarts vrijgelaten - de burgemeester en de twee jongens werden neergeschoten maar een van die laatste twee werd daarbij slechts zwaar gewond.

XCTEKSTCORRECTIE (p.250, r. 8). Voor 'bijna' leze men: ruim. * DE TREIN MET DE UIT DE PHILIPS-FABRIEKEN GEROOFDE GOEDEREN (P.297, tweede alinea). De pogingen om het vertrek van de trein

145 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

te voorkomen zijn uitgegaan van jhr. ir. M. Reuchlin en een adjunctcommies van de Nederlandse Spoorwegen, W. J. Jonker. De trein is, anders dan wij schreven, op 16 of 17 september uit Eindhoven weggereden - nadien zijn Reuchlin en Jonker er naar op zoek gegaan. Daarbij zijn ze in de Peel gearresteerd door de Duitsers. Ir. Reuchlin wist in Venlo uit de gevangenis te ontsnappen maar werd na enkele dagen opnieuw gegrepen. Hij en Jonker zijn op IS november in Venlo doodgeschoten. Ir. Reuchlin heeft zijn leven dus niet als gevolg van een Duitse represaille verloren.

XCTEKSTCORRECTIE (p. 311, r.a). Voor 'overeenkomst' leze men: overkomst.

XCHET MILITAIR GEZAG IN MAASTRICHT (p. 318, tweede alinea). Majoor mr. C. W. A. Schürmann, hier genoemd, was oorspronkelijk eerste toegevoegde officier van de eerste Militaire Commissaris van Limburg, majoor H. J. J. Vullinghs. Deze werd na vier weken door majoor Schürmann vervangen. Bij zijn vertrek uit Londen had Vullinghs vergeten, de wetsbesluiten mee te nemen waarmee het Militair Gezag rekening moest houden. In feite werd in de eerste weken veel van het gezag uitgeoefend door de samenwerkende leiders van diverse illegale groeperingen.

XCDE 'EUREKA' -TOESTELLEN (p. 329, noot z). Dit waren geen radio- maar radarbakens.

XCDE FUNCTIE VAN LUITENANT-TER-ZEE A. WOLTERS BIJ DE LUCHTLANDINGEN TE ARNHEM (p. 331, r. 19-20). De bedoeling was dat Wolters in het door de British Airborne Division te bevrijden gebied het militair gezag zou uitoefenen, voorzover dat zou worden toegestaan. Officieren met een dergelijke opdracht bevonden zich ook bij de Geallieerde luchtlandingstroepen elders. * DE MISSIE VAN S. KIRSCHEN ('KING') (p.33I, laatste alinea, en P.332, eerste alinea). Alle vier leden van dit team waren Belgen - de sergeant en de marconisten hadden te hunner bescherming op papier een andere nationaliteit gekregen. Kirschen sprak, anders dan wij schreven, redelijk Nederlands en was, eveneens anders dan wij schreven, niet ingelicht over 'Market-Garden' (zelfde correctie: p.428, r. 10-9 v.o.). Jan Thijssens iristructie op 17 september '44 waarin sprake was van 'doorstoten Geallieerde legers naar Zuiderzee'

146 [PDF]
DEELIOA

enige mededeling van Kirschen worden herleid Thijssen was door Londen omtrent' Market-Garden' ingelicht.

XCDE KAARTEN VAN DE AIRBORN E-DI VISIE BIJ AR N H EM (p. 341, tweede alinea). Inderdaad, de kaarten van Arnhem en omgeving waren verouderd maar daarnaast waren er stadskaarten van Arnhem waar de verkeersbrug wèl op stond.

XCHET KEIZER KAREL-PLEIN TE NIJMEGEN (p.346, r.8-9). Ligt ten zuidwesten, niet ten zuidoosten, van de grote verkeersbrug.

XCARNHEM, ZONDAGMIDDAG 17 SEPTEMBER' 44 (p.348, r. 13 V.O.). Enkele Britse militairen verschenen die middag reeds in Arnhem.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na P.372). Foto 49 toont een Britse, niet een Amerikaanse tank.

XCHET BOMBARDEMENT VAN EINDHOVEN DOOR DE LUFTWAFFE OP DE AVOND VAN 19 SEPTEMBER' 44 (p. 375, eerste alinea). De tekst is onjuist voorzover daarin gesuggereerd wordt dat het bombardement plaatsvond op de r Sde.

XCDE VERNIELING VAN DE TELEFOONCENTRALE TE OOSTERBEEK (p.397, tweede alinea). Geschiedde al op dinsdag 19 september, niet op donderdag 21 september.

XC23 SEPTEMBER 1944. HET BEVEL TOT EVACUATIE VAN ARNHEM (p.4IO, r. 13-12 V.O.). Dit bevel was van Model afkomstig. * PRINS BERNHARDS HOOFDKWARTIER EN DE DOOR CAPTAIN BAKER AAN LINDEMANS GEGEVEN OPDRACHTEN VOOR BEZET GEBIED (p.436, r. IS en 18). Het advies van de Graaf is vermoedelijk minder positief geweest dan wij schreven, althans: op 14 september '44 (in de daarop volgende nacht ging Lindemans in opdracht van Captain Baker door de linies) berichtte het hoofdkwartier van de prins aan het Bureau Inlichtingen in Londen o.m. dat het er niet zeker van was dat Lindemans betrouwbaar was. De Graaf heeft Baker evenwel niet geadviseerd, Lindemans onder geen beding uit te zenden. * HET LEVENSEINDE VAN DE VERRADER LINDEMANS (p.442, einde

147 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

eerste alinea). Deze passage is ingrijpend gecorrigeerd - men zie deel 12, p. 588 e.v.

XCDE BEVRIJDING VAN MONTFORT (LIMBURG) (p.458, noot I). Geschiedde door de Britten, niet door de Amerikanen.

XCHET KAMP MET DUITSE KRIJGSGEVANGENEN IN LIMBURG (P.46I463). Dit was niet het onderduikerskamp te Helden (dit was in de zomer van '43 ontruimd en bleef ontruimd) maar een ander kamp dat bij Baarlo lag.

XCVERBETERDE FOTO-ONDERSCHRIFTEN (na P.476). De op foto 66 afgebeelde tankgracht was er een die bij Kleef lag. Foto 67 is in spiegelbeeld afgedrukt.

XCKAPITEIN-TER-ZEE L. G. 1. VAN DER KUN (p.498, r. 18). De derde voorletter moet worden toegevoegd en zijn rang is abusievelijk aangegeven als: schout-bij-nacht.

XCDE LANDING VAN EEN BRIGADE VAN DE LOWLAND DIVISION OP ZUID-BEVELAND IN DE NACHT V AN 25 OP 26 OKTOBER' 44 (p.509, r. 7-10). Toegevoegd moet worden dat als 'advance-party' een detachement meeging van een uit illegale werkers bestaand bataljon dat in de tweede helft van september was opgericht en door Britse Commando's was getraind. Dit bataljon heeft ook deelgenomen aan de bezetting van Duitsland. * HET VOORSTEL AAN GENERAAL HAKEWILL SMITH OM VAN VLISSINGEN UIT MET 'BUFFALOES' NAAR MIDDELBURG OP TE RUKKEN (p. 516, laatste alinea, en p. 517). In onze tekst maakten wij melding van de kanotocht in de nacht van 4 op 5 november van de Middelburgse chirurg E. L. Nauta (deze peddelde niet naar Vlissingen maar naar Zoutelande, vanwaar hij naar Vlissingen werd overgebracht), maar naast Nauta dient ook de Vlissingse politieman Jacob van Holst genoemd te worden. Deze, een illegaal werker, had nog een nacht eerder dan Nauta Middelburg verlaten. Met een bootje bereikte hij Koudekerke. Van daar kwam hij in de avond van 4 november in Vlissingen aan, waar hij zijn mededeling dat de Duitse commandant te Middelburg geneigd was te

148 [PDF]
DEEL lOA

mandant kon doorgeven. Wat Nauta berichtte was dus een bevestiging van wat van Holst eerder had doen weten.

XCG. E. SCHIPPER, HOOFDVERTEGENWOORDIGER VAN HET REGERINGSCOMMISSARIAAT VOOR DE REPATRIËRING IN BELGIË (P.587, r.2 V.O.). Was geen mr. (zelfde correctie: p. 589, r. 12 v.o.). Hij was gemilitariseerd in de rang van kapitein (later: majoor).

XCEEN SOCIAAL COLLEGE IN HET BEVRIJDE ZUIDEN (p.640, tweede alinea). Zulk een college ging wel degelijk fungeren. Het bestond uit mr. dr. A. A. van Rhijn (voorzitter), jhr. dr. ir. W. ]. ]. de Muralt (arbeidsvoorwaarden), mr. Ph. Werner (de gewestelijke arbeidsbureaus), ir. ]. A. Markwaart (de Duw) en ]. A. Raaymakers (Raad van Arbeid).

XCA. VAN DER HOLST, DISTRICTSLEIDER VAN DE LO IN EINDHOVEN (p.698, r. 5). Is abusievelijk aangeduid als: van der Hulst.

XCPROF. DR. M. J. H. COBBENHAGEN (p.714, noot I, r. I). Deze was geen pater, wel een priester.

XCLUITENANT-GENERAAL J. F. VAN DER VIJVER (P.745, r.6 V.O.). Abusievelijk aangeduid als: van de Vijver (zelfde correctie: P.I033, r. IQ v.o.). * HET NEGATIEVE RAPPORT VAN MAJOOR JHR. J. J. G. BEELAERTS VAN BLOKLAND OVER HET STAFKWARTIER VAN DE LIMBURGSE STOOTTROEPEN (p.760, noot 3). Men dient bij het citaat in het oog te houden dat Beelaerts van Blokland een officier was van het vooroorlogse leger, waartegen bij van Kooten en zijn Stoottroepen aanzienlijke weerstanden bestonden. Uit de wijze waarop Beelaerts van Blokland 'het grootste deel van het officierskorps' der Stoottroepen beschreven heeft, spreekt een animositeit welke wellicht door van Kootens onvriendelijke houding is gewekt of versterkt.

XCDE ZAAK-O SS EN DE V AL V AN H ET VIERDE KABIN'ET-COLI]N (P.787, r. 6-8). Die val is niet uit de zaak-Oss voortgevloeid maar uit meningsverschillen over de begroting. * DE PROCUREUR-GENERAAL IN DEN BOSCH, MR. E.L.M.H. BARON SPEYART VAN WOERDEN (P.787, eerste en tweede alinea). Wij

149 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

schreven dat Speyart in het gijzelaarskamp te Sint Michielsgestel, waar hij begin' 44 nog met ca. honderdzestig anderen vastzat, 'velen door zijn hooghartig optreden en zijn autoritaire opvattingen tegen de haren had gestreken' toegevoegd moet worden dat zijn onvervaardheid een algemene achting had doen ontstaan. De geciteerde bewoordingen uit de brief van mr. M. M. van der Goes van Naters ('geen der honderdzestig kan hem luchten') moeten als onjuist worden beschouwd.

XCDE BRIEF VAN H. SPELEERS OVER DE BEHANDELING VAN POLITIEKE DELINQUENTEN TE MAASTRICHT (p. 830, r. 4-3 V.O.). Speleers (juiste voorletters: HA.J.J.M.) richtte deze brief, zoals vermeld, tot het Comité van Illegale Werkers - zelf was hij als districtsvertrouwensrnan van Medisch Contact lid van dat Comité.

XCDR. J. H. VAN ROIJENS ONTSNAPPING NAAR HET BEVRIJDE ZUIDEN (p. 921, r. 18-19). Hij voer niet door de Biesbos maar stak in de nacht van II op 12 oktober '44 bij Tiel de Waalover.

Deel lob: {Het laatste jaar Ir

XC

XCFUNCTIE VAN GENERAAL JODL (p.32, r. I V.O.). Hij was chef van de Wehrmachiführungsstab im Oberkommando der Wehrmacht.

XCDE DRIE OP SCHOUWEN UITGELEVERDE GEALLIEERDE KRIJGSGEVANGENEN (p.70, noot 2). Alle drie zijn in leven gebleven. * DOOD VAN EEN GETUIGE VAN JEHOVA (p. 104, r.8 V.O.). Jacob van Bennekom, die in Zwolle weigerde te spitten en deswege werd doodgeschoten, was een Getuige van] ehova. * CALORISCHE WAARDE DER DAGELIJKSE RANTSOENEN IN DE PERIODEN 1-28 OKTOBER, 29 OKTOBER-25 NOVEMBER EN 26 NOVEMBER-23 DECEMBER' 44 (p.169, r.2-3). De juiste cijfers zijn: 14°°, 1100 en 700.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na p. 184). Foto 50 is een opname van de Laan van Meerdervoort in Den Haag,

150 [PDF]
DEEL lOB

TEKSTCORRECTIE (p. 188, r. 19 V.O.). Na '18' moet het woord 'december' worden toegevoegd. * CALORISCHE WAARDE DER DAGELIJKSE RANTSOENEN IN DEC EM B ER '44, J AN U A RI '45 EN FEB R U A RI' 45 (p. 190, r. 6-7). De juiste cijfers zijn: 700, 600 en 500.

XCTEKSTCORRECTIE (p.246, r.8 V.O.). 'delegatie' moet zijn: legatie.

XCRADIOU ITZENDINGEN IN DE HON GER WINTER (p.285, r. 16v.o. e.v.). Voor de draadomroep werd nog stroom ter beschikking gesteld, de toestellen in de 'foute' gezinnen kon men evenwel niet meer gebruiken. Radio Hilversum ging door met uitzendingen in het Nederlands.

XCVAN GEELKERKENS MILITAIRE RANG IN MAART' 45 (p. p8, r. I V.O.). Hij was SS-Oberführer. * WERK VAN D. L. G. WAKKER IN HET HUIS VAN BEWARING I TE AM ST E R DAM (p. 35 I, noot I). Hij was niet een bewaker maar een politieke gevangene die bij de administratie was ingedeeld (zelfde correctie: p. 385, r.2-4, en p. 386, r. II).

XCTEKSTCORRECTIE (p. 357, r.8 V.O.). Voor 'april' leze men: mei.

XCRANG VAN DR. J. M. SOMER IN DE HERFST VAN' 44 (p. 388, r. 12 V.O.). Hij was toen luitenant-kolonel.

XCTEKSTCORRECTIE (p. 392, noot, r. 7 v.o.). Voor 'Ruys' leze men: van der Does.

XCDE FUSILLERING AAN HET WETERINGPLANTSOEN TE AMSTERDAM OP 12 MAAR T ' 4 5 (p. 395, r. 12 V.O.). Er zijn daar dertig, niet zes-en-dertig gevangenen doodgeschoten. Vijf anderen werden als onderdeel van deze represaille op 3 I maart '45 bij 'Rozenoord' aan de Arnstel doodgeschoten. Ook herinneren wij eraan dat de hervormde predikant dr. J. Koopmans, wiens woning op de Stadhouderskade uitzag op het Weteringplantsoen, op 12 maart dodelijk werd getroffen door een verdwaalde kogel.

XCHET GEDICHT NAAR AANLEIDING VAN DE FUSILLERING AAN

151 [PDF]
OVERZICHT V AN WIJZIGINGEN

WETERINGPLANTSOEN TE AMSTERDAM (p. 395, r. I V.O.). 'N. Slob' was een pseudoniem van de dichter Lou Lichtveld ('Albert Helman'). * DE ACHTERGROND VAN DE DUITSE REPRESAILLE DIE AAN ZESEN-VEERTIG POLITIEKE GEVANGENEN VAN 'DE KRUISBERG' HET LEVEN KOSTTE (p.400-401). Onze beschrijving van wat op de door de bedoelde BS-groep betrokken boerderij bij Varsseveld is geschied, bevat enkele onjuistheden. In die boerderij waren, toen vier Duitse militairen er toevallig binnenstapten, enkele BS'ers van een groep die zich 'de Barkianen' noemde, aanwezig - de vier Duitsers werden onmiddellijk gevangen genomen en ontwapend. Hun werd, hoewel de Geallieerden in aantocht waren, geen onderduikplaats aangeboden. Zij werden ter plekke ernstig mishandeld en vervolgens niet doodgeschoten maar opgehangen - een van de vier had, toen zijn lijk werd gevonden, nog de strop om zijn hals. * MR. J. ZAAIJER EN R. ZWOLSMAN (P.435, r. 10-9 V.O.). Wij schreven over Zaaijers persbericht van december '45 dat het 'van grote animositeit jegens Zwolsman blijk gaf. Dit moet luiden: waaruit een hoogst negatief oordeelover Zwolsman bleek. * DE TD-GROEP EN DE SPOORWEGSTAKING (p. 503, derde alinea en noot 2). De groep wilde zich niet, zoals wij schreven, 'van een zo groot mogelijk deel van de hulp aan de spoorwegstakers meester maken' (daarvoor was zij al te klein) maar wèl de directie van de Nederlandse Spoorwegen en de Personeelraad zoveel mogelijk helpen. Daarbij raakte zij met het NSF in conflict. G. J. Boekhoven, die in noot 2 wordt geciteerd, was niet bij de TD-groep aangesloten.

XCDE VERBINDINGEN VAN HET BUREAU INLICHTINGEN, BEGIN SEPTEMBER 1944 (P.5I9, derde alinea). De Geheime Dienst Nederland is hier ten onrechte vermeld - zijn verbinding verliep niet rechtstreeks maar via de groep van ir. Th. P. Tromp ('Harry').

XCIR. A. B. SCHRADER (p. 525, laatste alinea, en P.526, eerste alinea). De eerste initiaal moet worden toegevoegd. Hij was niet samen met mr. J. A. W. Burger in Londen gearriveerd.

XCHET WERK VAN DE INLICHTINGENGROEP 'PACKARD' IN DE HONGERWINTER

152 [PDF]
DEEL lOB

kreeg een spionagedienst in oost-Nederland, voorzien van een eigen zender, die door E. van der Noordaa werd geleid.

XCHET WERK VAN DE GEHEIME DIENST NEDERLAND IN DE HONGERWINTER (p. 532, tweede alinea). De groep werd van Amsterdam uit geleid en de weergegeven mededeling van Tromp geeft een verkeerde indruk: deze f 500 zijn in november '45 uitgegeven ten behoeve van het afscheidsdiner van de GDN waarbij talrijke hoge autoriteiten aanwezig waren. Wij willen tevens vermelden dat het door sommigen zinloos geachte tellen van Duitse voertuigen plaatsvond in opdracht van het Bureau Inlichtingen.

XCDE MAAGOPERATIE VAN BRIGADIER-GENERAL HACKETT (P.545, r. 14 V.O.). Vond plaats te Arnhem in het Sint Elisabeths Gasthuis, niet in het Diaconessenhuis.

XCDE RANG VAN LEO HEAPS (p.546, r.14 V.O.). Hij was luitenant, niet sergeant. * DE NEDERLANDSE GIDS BIJ DE OPERATIE PEGASUS I (P.549, [,1 V.O., en p. 550, eerste alinea). Dit was niet Jan Peelen maar Maarten van den Bent. Peelen had de verzamelde wapens van de Airbornes in een boerenwagen naar hen toe gesmokkeld.

XCDE MARCONIST VAN A. DU BO IS, GEHEIM AGENT VAN MI-9 (P.551, noot I). Dit was de Belg Raymond Holvoet. Ook hij is in december '44 gearresteerd; hij werd in april' 45 bij Zwolle doodgeschoten.

XCTEKSTCORRECTIE (p.669, [,4). In plaats van 'een' leze men: de.

XCR. C. MICHELS, AGENT VAN HET BUREAU BIJZONDERE OPDRACHTEN (p. 670, noot 3). Hij was in Engeland tot Commando opgeleid; onjuist is dat hij in Brits-Indië tot het Korps Insulinde had behoord.

XCHET BOMBARDEMENT VAN HET HOOFDKWARTIER VAN HET DUITSE VIJFTIENDE LEGER TE DORDRECHT (P.769, [,7-8). Vond niet van Engeland uit plaats maar werd uitgevoerd door Typhoons die hun basis hadden op een vliegveld bij Antwerpen.

153 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

LANCEERPLAATSEN VAN V-2'S (P.774, derde alinea). Er was er ook een op het landgoed 'Te Werve' bij Rijswijk.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na P.788). De jeep op foto 102 is niet met een luchtdoelmitrailleur uitgerust maar met een zwaar machinegeweer.

XCLIEUTENANT-GENERAL SIR RONALD SCOBIE (p.796, r. 14). Zijn voornaam is abusievelijk aangegeven als: Roland.

XCTEKSTCORRECTIE (p.815, noot I, r.3 v.o.). Men leze: bovendien het recht tot het nemen van besluiten enz.

XCVERW IJ ZIN GSC0 RRECTI E (p.842, r. 13). In plaats van naar kaart VIII in deel 10 b dienen wij te verwijzen naar de kaarten VII en VIII in deel 8.

XCDE VROUWEN IN HET AUSSENKOMMANDO-REICHENBACH (p.882, slot derde alinea en noot 2). Van de uit Vught overgebrachte gevangenen is één in Reichenbach overleden en zijn bij de evacuatie twee die ziek waren, achtergebleven - zij zijn, voorzover bekend, niet teruggekeerd. Uit de groep van vijftig werden er tijdens de evacuatiemars twee doodgeschoten. * DE VROUWEN IN HET AGFA-AUSSENKOMMANDO TE MÜNCHEN (p. 883, eerste alinea). Anders dan Ella Lingens-Reiner schrijft, is er geen sprake van geweest dat zij elke zondag met de SS-Aufseherinnen konden gaan wandelen en de staking waartoe het in januari '45 kwam, is vermoedelijk gevolg geweest van het feit dat er te weinig eten werd gegeven, niet van het feit dat daar geen zout meer in zat.

XCTEKSTCORRECTIE (p.917, r.8 V.O.).Voor 'op' leze men: of.

XCSEYSS-INQUART WIST WIE DE VERTROUWENSMANNEN WAREN (p. 1012, r. 5-3 V.O.).Hij kon dat niet weten op grond van de aan de SD in handen gevallen exemplaren van de bevrijdingsproclamatie van het college, want daar stonden geen namen onder.

XCTEKSTCORRECTIE (p. 1016, r. 14 V.O.).Voor 'drie' leze men: twee.

154 [PDF]
DEELlOB

DE BRITSE KANAALEILANDEN (p. 1081, r.4 V.O.). Toe te voegen: Alderney.

XCV ERBETERD KAARTONDERSCHRIFT (p. 1129).Voor 'Canadese Tweede Leger', leze men: Canadese Eerste Leger.

XCVERB ETERD FOTO -0 ND ERS CH R 1FT (na p. 1140).Foto 125 is niet in april '45 in Leeuwarden gemaakt, maar in september '44 in Eindhoven.

XCDE BEVRIJDING VAN DOESBURG, ZUTPHEN EN DEVENTER EN DE CANADESE OVERTOCHT OVER DE IJSSEL (p. II4I, tweede alinea). Op I I april '45 waren Zutphen en Deventer reeds bevrijd (resp. op 8 en op 10 april) - Doesburg werd pas bevrijd op de röde, De Canadese overtocht vond plaats bij Gorssel. Brummen werd bevrijd op IS april.

XCHET OP HET LAATST DOODSCHIETEN VAN TODESKANDIDATE IN HET OOSTEN EN NOORDEN DES LANDS (p. II43 e.v.). Toegevoegd moet worden dat op de dag dat Brummen werd bevrijd, aldaar nog negen inwoners door de SD werden doodgeschoten: ten dele gewone burgers, ten dele illegale werkers. De beschreven SD-terreur heeft dus (p, 1145, r. IS) niet aan 107 maar aan II6 personen het leven gekost.

XCTEKSTCORRECTIE (p. II47, r. 13). Voor 'zondagmiddag' leze men: woensdagmiddag.

XCDE AMERIKANEN NAAR MAAGDENBURG (p. II68, r. 19). Dit deed hun Negende, niet hun Derde Leger.

XCHET SPELDJE NWO BIJ DE GROEP NEDERLANDSE KRIJGSGEVANGENEN IN MÜHLBERG (p. JI82, r. 8 V.O. en noot I). Het was NWO, niet MWO, en NWO was de afkorting van Niet-Werkende Onderofficieren.

XCCORRECTIE FOTO-ONDERSCHRIFT (na p. 1220).Foto 156 is een opname uit Wöbbelin (evenals foto 149).

XCDE CAPITULATIE VAN DE DUITSE HEERESGRUPPE IN ITALIË (p, 1260, r. IS). De Russische vertegenwoordiger nam slechts deel aan de besprekingen in Alexanders hoofdkwartier.

155 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

VERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na p. 1260). Voor 'naast hem' leze men: aan zijn linkerhand.

XCHET BERICHT VAN HITLERS ZELFMOORD, 30 APRIL '45 (p.I364, r. 17 V.O.).Niet Goebbels sprak voor de Reichsrundfunk maar een omroeper.

XCKAPITEI N MR. A. B. j. KOCH (p. 1393, r. 7). Zijn rang is ten onrechte als 'luitenant' aangegeven.

XCOPRUKKEN VAN DE BEVRIJDINGSTROEPEN OP MAANDAG 7 MEI '45 (p. 1421, tweede alinea). Niet alleen de verkenningseenheid van de Britse 49th Infantry Division zette zich in beweging maar dat deden ook de andere onderdelen van deze divisie. Zij reden onder meer Utrecht, Amersfoort en Hilversum binnen (deze correctie geldt ook voor p. 1433, noot I).

XCDE SCHIETPARTIJ OP DE DAM TE AMSTERDAM, 7 MEI 1945 (p.I423, r. 12). Hierbij is één BS'er gesneuveld.

XCTEKSTCORRECTIE (p. 1432, noot I). 'Greef moet zijn: Graaf.

XCDE ARRESTATIE VAN MUSSERT OP 7 MEI' 45 (p. 1436, r. 3-4). Hij werd gearresteerd door de BS-commandant in Den Haag, een tweede hoge BS-functionaris, de waarnemend hoofdcommissaris van de Haagse politie en vier rechercheurs.

XCKAARTCORRECTIE (p.I44I). Kaart XVIII is in zoverre onjuist dat de Betuwe nog aangegeven is als een geïnundeerd gebied. De Betuwe stond alleen onder water als er hoog water was op de grote rivieren. Het gebied was weer droog na ca. 10 maart '45.

Deel 11 a: 'Nederlands-Indië I'

XC

XCONJUISTHEDEN IN DE KAARTEN. In de kaarten is door onvoldoende controle een aantal storende topografische onjuistheden blijven staan - wij zijn daar op gewezen door prof. dr. A. J. Pannekoek.

XCDe ernstigste fouten komen voor op kaart XVII (Java) op p. 1002-1003. De naam Madioen moet vervangen worden

156 [PDF]
DEEL IIA

Kediri door Madioen; de plaats Kediri ontbreekt. De plaatsen Tj epoe, Ngawi, Toeban en Bodjonegoro zijn circa 40 à 60 km te ver westelijk aangegeven. De lengte van de schaalstok is geen 500 doch circa 230 km. De kust van Sumatra is foutief weergegeven.

XCEen foute schaal komt ook voor op de volgende kaarten:

XCXIII, Celebes (p, 8Il): 200 km moet zijn ca. 290 km;

XCXIV, Borneo (p. 816): 500 km moet zijn ca. 250 km;

XCXV, Sumatra (p. 857): 200 km moet zijn ca. 300 km.

XCDe terreinhoogten (gebied boven 100 m en 1000 m) zijn op veel plaatsen onjuist weergegeven. Op kaart I (p.z) is het gebied boven 1000 m ten noorden van Bandoeng te groot aangegeven waardoor enige toegangswegen naar Bandoeng te hoog zijn komen te liggen; de weg van Buitenzorg naar het oosten is te laag aangegeven: hij ligt in werkelijkheid voor een gedeelte boven 1000 m. De kuststrook lager dan 100 m langs de zuidkust is veel te breed; in feite is het op vele plaatsen een steile kust. Veel te brede stroken land lager dan 100 m langs de kusten komen ook voor op de kaarten VI, Sumatra (p.62), VII, Nieuw-Guinea (p. 320), XIII, Celebes (p.Br r), XV, Sumatra (p.857), XVI, Timor (p.899) en XX, Nieuw-Guinea (p. II II).

XCONJUISTE DATUM (p. 3, r. IS V.O.).Voor 'woensdag II maart' leze men: woensdag 4 maart.

XCHET HINDOERIJK MADJAPAHlT (p.26, r.5 V.O.). Dit is een betere schrijfwijze dan 'Modjopahit'. Hetrijk lag niet op West- en een deel van Midden-Java maar op Oost- en een deel van Midden-Java. * DE OOST-INDISCHE COMPAGNIE 'EN DE DOOR JAVANEN BEDREVEN INTERINSULAIRE SCHEEPVAART (p.36, r.I3 v.o. e.v.). Wat wij hier schreven, is niet juist. In een bespreking van deel I I a heeft de historicus P. J. Drooglever opgemerkt dat de politiek van de Compagnie 'niet gericht was op uitbanning maar op regulering van de inheemse handel en scheepvaart door middel van een passensysteem. In hoeverre het handelsvolume onder dit regime is uitgedijd of ingekrompen, valt bij de huidige stand van het onderzoek niet te zeggen.'(Bijdragen van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, 1986, afl. II-III)

XCDE WERKKOLONIES WILLEMSOORD EN FREDERIKSOORD (p. 53, r.6). De eerste lag in Noordwest-Overijssel, alleen de tweede in ZuidoostDrente.

157 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

DE AGRARISCHE WET-DE WAAL (1870) (p. 59, laatste alinea, en p.60, eerste alinea). Het verbod om grond van inheemsen aan niet-inheemsen te vervreemden is niet neergelegd in deze wet maar in een op grond daarvan in 1875 uitgevaardigde ordonnantie. Onder 'vervreemding' werd niet alleen verkoop verstaan maar elke transactie tot blijvende overdracht, zoals schenking en (in sommige gevallen) verpanding op grond van het adat-recht. In noot I wezen wij op de schadelijke gevolgen die het ontbreken van zulk een regeling had in Birma maar hetzelfde kan worden opgemerkt met betrekking tot sommige Britse koloniale gebieden in Àfrika, bijvoorbeeld Kenya.

XCINDIË'S 'FINANCIËLE ZELFSTANDIGHEID' (P.79, r. 19).Wij schreven dat Indië 'op I januari 1867 financieel zelfstandig geworden' was - dat is niet juist. Op die datum werd de Indische Comptabiliteitswet van kracht die onder meer bepaalde dat de Nederlandse Staten-Generaal de Indische begroting moesten goedkeuren. Indië kreeg in 1912 rechtspersoonlijkheid, hetgeen onder meer de bevoegdheid tot het aangaan van leningen inhield, maar ook deze moesten door de Staten-Generaal worden goedgekeurd.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na p.82, foto 8). Voor 'Door het Knil uitgemoorde kampong in de Bovenlanden van Atjeh' leze men: 'Het Knil heeft in de Bovenlanden van Atj eh een door de Atj ehers versterkt punt veroverd.' * HET ACHTERBLIJVEN VAN DE STIJGING VAN DE PRODUKTIVITEIT BIJ DE RIJSTTEELT (P.94, eerste alinea). Wij wezen erop dat de produktiviteit van de suikergronden van 1900 tot 1940 met 75 % steeg en die van de rijst-sawahs van 1916 tot 1940 met nog geen 9 % en vervolgden toen: 'Zo richtte de energie van het Europese bedrijfsleven zich in de eerste plaats op wat voor Europa, niet op wat voor Indië wenselijk was.' In een bespreking van deel II a heeft de historicus P. J. Drooglever er op gewezen dat wij verzuimd hebben te vermelden dat op de aaneengesloten suikerarealen wèl een wetenschappelijke bedrijfsvoering mogelijk was maar 'niet op het eindeloos versnipperde sawah-Iand van de Indonesische rijstverbouwer ... Opmerking had verdiend dat, mede dank zij de inspanningen van de betrokken overheidsdiensten, Java het enige gebied in Zuid- en Zuidoost-Azië was waar in de eerste decennia van de twintigste eeuwalthans nog enige toename van de rijstopbrengst per hectare kor:

158 [PDF]
DEEL IIA

worden gerealiseerd.' (Bijdragen van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, 1986, afl. II-III) * DE G ERIN GE INDUSTR IALI SA TIE IN IN DIË (p. 95, eerste alinea). Wij wezen erop dat de opbouw van een moderne industrie in de Indische archipel moeilijker was dan elders doordat er geen rijke ijzerertslagen waren en de steenkool van matige kwaliteit was, maar ook dat die opbouw door Nederland werd tegengegaan op grond van 'de beduchtheid dat industrieprodukten welke men aan Indië kon leveren, in Indië zelf zouden worden vervaardigd.' Dit tweede motief heeft wel bij sommige investeringsbeslissingen een rol gespeeld maar niet in die mate het beleid bepaald als wij suggereerden.

XCDE UIT INDIË AFVLOEIENDE WINSTEN VAN HET WESTERS BEDRIJFSLEVEN (P.97, r.a). Wij schreven van 'een percentage dat tussen 6 en 7 ligt' - bedoeld wordt uiteraard: per jaar.

XCDE INDIS CHE COMPTABI LITEIT (p. 97, r. 3-2 V.O.). Indië had ook al vóór 1867 een eigen comptabiliteit; deze was evenwel niet bij de wet geregeld.

XCDE VOLKSTELLING VAN 193 ° (p. !O3, r.4-3 V.O.). Deze was onder het Nederlandse bewind niet alleen de laatste maar ook de eerste.

XCKENNIS VAN HET MALEIS BI] EUROPEANEN (p. 107, r. 13 V.O.). Behalve de door ons genoemde bestuursambtenaren, zendelingen en missionarissen hadden ook in het algemeen de op de ondernemingen werkzame Europeanen een redelijke kennis van het Maleis. * DR. P.]. A. IDENBURGS NOTA UIT '40 OVER HET ONDERWI]S AAN INDONESIËRS (p. 151). Wij citeren uit deze nota Idenburgs 'erkenning dat ons de middelen ontbreken om krachtig en in een snel tempo de voor onze doelstelling vereiste activeringspolitiek te voeren.' Daaraan voegden wij toe: 'In breder historisch verband beschouwd, betekende die erkenning dat het Nederlands koloniaal bewind (Idenburg had dat scherp gezien), al zijn inspanningen ten spijt, niet bij machte (was) zijn eigen politieke doelstellingen in een voldoend tempo te realiseren.' Wij hadden er evenwel op dienen te wijzen dat Idenburg in de bedoelde nota het voorstel deed om tot een verdergaande 'Indianisatie' van het onderwijs over te gaan en tot aanpassing daarvan aan het niveau der Indonesiërs. 'Het was', merkte de historicus P. J. Drooglever op, 'niet de erkenning

159 [PDF]
OVERZICHT VAN Wl]ZIGINGEN

van een failliet, zoals de Jong meent, maar de aankondiging van een beleidsombuiging.' Tot die ombuiging is het als gevolg van de Tweede Wereldoorlog niet meer gekomen. (Bijdragen van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, 1986, afl. II-III) * HET KANTOOR VOOR DE VOLKSLECTUUR (p, 175, tweede alinea). Wij zijn over deze vorm van overheidszorg te kort geweest, zoals E. M. Uhlenbeck, oud-taalambtenaar van het Kantoor (niet, zoals wij hier schreven: Bureau) in '86 constateerde. Wij hadden mede dienen te vermelden dat het Kantoor voor uitlening zorgde aan ruim 3°00 bibliotheekjes die door onderwijzers van de Z.g. vervolgscholen werden gehouden; dat het Kantoor een belangrijke rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling van het Maleis (Indonesisch) als nationale eenheidstaal en van een moderne Indonesische letterkunde; dat het veel van de oude Indonesische letterkunde weer toegankelijk heeft gemaakt; dat het o.m. werken van schrijvers als Shakespeare, Molière en Tolstoi heeft uitgegeven; dat het voor uitgaven zorgde om de Javanen tot transmigratie te bewegen en dat het behalve voor periodieke overzichten van de Indonesische pers ook zorgde voor een dagelijks overzicht ten behoeve van de gouverneur-generaal. (Bijdragen van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde, 1986, afl. II-III)

XCHET KONINKLIJK INSTITUUT VOOR TAAL-, LANDEN VOLKENKUNDE (p.176, r.7-8). Is sinds het einde van de jaren '60 in Leiden gevestigd.

XCDE BOROBOEDOER (p.I76, r. 10-9 V.O.). Kan beter aangeduid worden als 'een van's werelds indrukwekkendste getuigenissen van Boeddhistische kunst', in plaats van 'Hindoe-kunst'.

XCDE RECHTSPRAAK TEN AANZIEN VAN INHEEMSEN (p. 183, tweede alinea). Grondslag van de civiele rechtsbedeling was overal het adat-recht - het op de Koran gebaseerde Islamietische recht was alleen grondslag voor de meeste aspecten van het huwelijksrecht in geval sprake was van huwelijken tussen Islamietische echtgenoten. Wij schreven voorts (p. 183, r. 16) dat er in de Buitengewesten één landraad 'per gewest' was - beter is: één landraad in elke belangrij ke plaats van een residentie. Zo kenden de 10 residenties van Sumatra, Riouwen onderhorigheden en Banka en onderhorigheden 39 landraden. In totaal waren er zowel op Java als in de Buitengewesten ruim 70 landraden, bij elkaar dus meer dan 140.

160 [PDF]
DEELIIA

OPRICHTING VAN HET NEDERLANDS ZENDELING GENOOTSCHAP (P.203, r. 5)· Vond plaats in 1797, niet in 1795.

XCHET GOUVERNEMENT EN DE ZENDING EN MISSIE (P.203, tweede alinea). Het Regeringsreglement van 1854 bevatte niet de bepaling dat de gouverneur-generaal de gebieden kon aanwijzen waar zendelingen en missionarissen aan het werk konden gaan, wèl al de op P.204 geciteerde bepaling die in '25 voorkwam in de Wet op de Indische staatsinrichting. Deze bepaling is, anders dan wij op P.204, noot I, vermeldden, alleen in de jaren 1886-89 op inheemse 'Christenleraars, priesters en zendelingen' toegepast. 'Dubbele zending', d.w.z. het in één gebied werkzaam zijn èn van zendelingen èn van rnissionarissen, werd (P.205, noot I) alleen voorkomen in de jaren 1901-1927. In de praktijk werd de geciteerde bepaling steeds meer uitgehold doordat het gouvernement allerlei takken van zendings- en missie-activiteiten aan haar werking onttrok.

XCDE 'RECHTSPOSITIE DER INLANDSE CHRISTENEN' (P.203, tweede alinea). Deze moest, aldus de Troonrede van 1901, beter geregeld worden. Wij merkten vervolgens op dat het in Indië 'niet kwam tot een wettelijke gelijkstelling van inheemse Christenen aan Europeanen' - deze gelijkstelling lag evenwel niet in de bedoeling, omdat het gouvernement de inheemse Christenen in beginsel in de adat-sfeer wenste te houden. De zending was in meerderheid tegenstandster van zulk een gelijkstelling.

XCDE FINANCIËLE STEUN VAN HET GOUVERNEMENT AAN DE CHRISTELIJKE KERKEN (P.204, r.2-1 V.O.). Die steun werd alleen gegeven aan de z.g. Protestantse Kerk in Nederlands-Indië ('de Indische kerk') die de vrucht was van het werk van predikanten en 'ziekentroosters' van de Oost-Indische Compagnie en die haar status kreeg van koning Willem I, alsmede aan de uit de zendingsarbeid voortgekomen kerken van Indonesiërs. De zending als zodanig werd niet door het gouvernement gesubsidieerd. De zending had er voorts bezwaar tegen dat de door haar opgerichte Indonesische kerkgenootschappen deel zouden gaan uitmaken van de Protestantse Kerk in Nederlands-Indië.

XCDE LIGGING VAN NIAS (P.205, r.12). De tekst verwijst naar kaart VI maar op die kaart staat het eiland Nias niet vermeld - het is het op een na noordelijkste van de ten westen van Sumatra liggende eilanden welke op die kaart staan aangegeven.

161 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

DE IN DE NEGENTIENDE EEUW OP BALI VERMOORDE ZENDELING (p.205, noot 2). Deze is niet door zijn enige bekeerling vermoord maar op diens instigatie door twee Indonesische bedienden.

XCHET EINDE VAN HET KABINET-HEEMSKERK (p.279, r. 1-2). Dit kabinet kwam in '13 niet 'ten val' maar vroeg om ontslag in verband met de toen te houden algemene verkiezingen.

XCBUKITTINGGI (p.293, noot 2). Abusievelijk is één g weggevallen.

XCHATTA'S OPLEIDING (p.326, t.j). Hij doorliep niet de hogere burgerschool (hbs) in Padang (daar was geen hbs) maar een hbs in Batavia. * HET BESEF VAN DE TIJDELIJKHEID VAN HET NEDERLANDSE KOLONIALE REGIME (p.409, begin laatste alinea). Dat besef leefde niet alleen bij de politieke linkerzijde in Nederland maar ook bij talrijke zendelingen.

XCEEN CHINESE VOLGELING VAN SNEEVLIET (p.438, r.3 V.O.). Dit was niet Yap Tjwan Bing maar Yap Swie Siang.

XCA. H. J. LOVINK (p.52I, r. 8). Zijn voorletters zijn hier abusievelijk aangegeven als: A. J. H.

XCDE GOUD-INLEVERING IN MEI '40 (p.546, r.7). Gouden sieraden behoefden niet ingeleverd te worden maar aangezien zij 'ongemunt goud' zijn, moet het woord 'dus' geschrapt worden.

XCDE AMERIKAANSE EN BRITSE ZEESTRIJDKRACHTEN IN HET VERRE OOSTEN IN 1940 (p.552, einde tweede alinea). Er waren wèl enkele zware kruisers maar er was geen enkel slagschip en geen enkel groot vliegkampschip.

XCDE PERHIMPUNAN PEGAWAI BESTUUR BOEMIPOETRA (VERENIGING VAN AMBTENAREN VAN HET INHEEMS BESTUUR (p.6I6, eerste alinea). Van deze vereniging konden wel degelijk ook regenten lid worden - in het midden van de jaren '30 had meer dan de helft van die regenten dat gedaan.

XCDE VERVANGING VAN DE 'JAVA' (p.626, r.5-4 V.O.). De 'Jacob van

162 [PDF]
DEEL I I A

Heemskerck' was niet als vervanger van de 'Java' gedacht maar als tweede flottieljeleider (naast de 'Tromp'). De bedoeling was dat de 'Java' en de 'Sumatra' in '42 door twee nieuwe kruisers zouden worden vervangen.

XCDE REGERINGSVERKLARING VAN HET VijFDE KABINET-COLijN (p.629, r. 13). Werd niet eind juni, maar eind juli '39 afgelegd.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na p.6S6). Op foto 90 is op de achtergrond niet de vulkaan Tangkoeban Prahoe afgebeeld maar de vulkaan welke ten westen daarvan ligt, de Boerangrang.

XCDE' 0 P TEN NOOR T' (p. 662, r. 19). Was niet een schip van de Stoomvaart Maatschappij Nederland maar van de KPM.

XCGECORRIGEERD INDONESISCH WOORD (p.698, r. I). Voor 'seantero' leze men: sesandaran.

XCDE AMERIKAANSE VERLIEZEN IN PEARL HARBOR (p.726, tweede alinea). Wij schreven: 'De acht Amerikaanse slagschepen werden alle tot zinken gebracht of zeer zwaar beschadigd.' Dat is niet juist: twee werden er tot zinken gebracht, drie zwaar, drie licht beschadigd en die laatste drie waren binnen drie weken weer in dienst.

XCDE UITWISSELING IN LOURENÇO MARQUEZ (P.7SI, r.8 V.O.). Het jaartal '41 moet zijn: '42.

XCDE INZET VAN DE IN DECEMBER '41 NAAR SUMATRA EN SINGAPORE GEZONDEN NEDERLANDSE BOMMENWERPERS EN JAGERS (p. 769, laatste alinea). Van de drie afdelingen Glenn Martins (te zamen 22 toestellen) werd slechts één naar Java teruggezonden en de resterende toestellen zijn wel degelijk ook offensief gebruikt.

XCDE VIA AFRIKA OVERGEVLOGEN B-I7'S EN B-24'S (p.80S, r.S). Er kwamen er op Java 45 aan, niet 50.

XCGOLF VAN BONE (p. 81 I, kaart XIII). Abusievelijk aangegeven als: 'Golf van Boni'.

XCKO LO N 0 DA LE (p. 813, r. 6-7). Deze plaats op Celebes is hier abusievelijk 'Kolonedale' gespeld.

163 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

GEOGRAFISCHE CORRECTIE (p. 838, r. 10 V.O.). Voor 'Boni' leze men: Bone.

XCHET KPM-SCHIP 'SLOET VAN DE BEELE' (p.867, r.12). Is in 1914 in dienst gesteld en dus ten onrechte als 'modern' aangeduid.

XCDE COMMANDANT VAN DE 'JAVA' (p.936, r. I). P. B. M. van Straelen had de rang van kapitein-ter-zee.

XCKA PITEI N -TER - ZEE W. A. DE JON G (p. 948, r. 20). Als zijn initialen zijn abusievelijk W. J. vermeld.

XCDE LIGGING V AN BROOME (P.949, r. 16-17). Er wordt hier verwezen naar kaart XI maar op die kaart staat Broome niet vermeld, wèl Darwin en Port Hedland. Voor Port Hedland leze men: Broome. * DE TOCHT VAN DE 'JANSSENS' VAN TJILAT]AP NAAR FREMANTLE (P.957, laatste alinea). Er waren slechts vier vrouwen aan boord en geen kinderen van marinepersoneel - bij de beschieting op 3 maart door twee japanse vliegtuigen is een matroos-mitrailleurschutter zwaar gewond. Toen de tweehonderdvijftig van de oorspronkelijk ruim vierhonderd opvarenden het schip verlieten, bleven drie vrouwen aan boord, onder wie de echtgenote van een milicien-matroos, D. Habig-Goulmy, die zich naar Fremantle onderweg zo voorbeeldig gedroeg dat ze van alle overige opvarenden een Leica-fototoestel cadeau kreeg. Haar man werd in Australië naar een marinekamp gestuurd maar zij kreeg te horen: 'Er mochten geen vrouwen uit Indië overkomen, dus u bestaat niet.' (Brief, IS jan. 1986, van W. N. van de Poll)

XCDE MOBIELE EENHEID (p.996, r. 5 V.O.). Vermelding verdient dat deze eenheid O.m. beschikte over de enige 7 van de in de Verenigde Staten bestelde 600 tanks (p. 632, r.4) die Indië bereikten; ze waren uit Tjilatjap opgehaald. De eenheid was een gevechtsgroep van de infanterie.

XCDE JAPANSE LANDING BI] REMBANG (p. 1013, r.o). De plaats van die landing (een kleine, diepe baai waar zich in de jaren '30 japanners hadden gevestigd om uit fossiele schelpen parelmoer en vloertegels te maken) lag op Midden-, niet op Oost-java.

164 [PDF]
DEELIIA

DE MOBIELE EENHEID TREKT UIT BANDOENG NOORDWAARTS (p. 1018, r. 8-9). Zij verplaatste zich met haar eigen transportmiddelen.

XCDE STRIJD OM DE TJIATER-PAS (p. 1039, r. 13-14). Wij schreven dat de stelling aan de Soebangse zijde van de pas op de avond van donderdag 5 maart '42 was opgegeven. Dat is niet juist: in die stelling bevond zich toen nog een aantal militairen, o.m. een groep dienstplichtigen die in opleiding waren voor reserve-officier; deze militairen trokken zich pas de volgende dag terug.

XCH ET V ERTR EK V AN G. A. V AN BOVEN E EN ZIJN VROUW (p. 1060, r. 8). Ze zijn hier ten onrechte vermeld als medepassagiers van van Mook - op P.1052, noot 3, staat al dat zij begin november '41 naar de Verenigde Staten waren gezonden.

XCKAPITEIN H. J. DE VRIES (p. 1060, r. 17-18). Van deze die naar Australië uitweek, hebben wij de personalia onjuist vermeld. Hij was niet een reserve-kapitein maar een beroepskapitein van de Generale Staf, werkzaam bij het Departement van Oorlog te Bandoeng.

XCHET VERTREK VAN H. V. QUISPEL (p. 1060, eerste alinea). Deze is niet met een Lockheed naar Australië uitgeweken maar met admiraal Helfrich meegevlogen naar Brits-Indië. * DE GROEP VAN LIEUTENANT-COLONEL LAURENS VAN DER POST EN DE HULP, VERLEEND DOOR D. W. N. KRIEK (p. 1075-76). Er kornen in onze beschrijving enkele onjuistheden en onvolledigheden voor. Onjuist is dat van der Post Soekaboemi verliet 'na het bericht van de capitulatie van het Knil vernomen te hebben' - toen hij nl. op 8 maart '42 dat bericht vernam, bevond hij zich met zijn groep al in het gastenhuis van de door ons bedoelde mijnbouw-onderneming. Hij was daar opgevangen door de administrateur van de goudmijn, D. W. N. Kriek, die tevens commandant was van de landwacht in de betrokken streek. Kriek heeft van meet af aan belangrijke hulp verleend aan de groep in de bergen (zij vond daar onderdak in een uitwijkkamp voor de gezinnen van Nederlandse employés van de mijnbouw-onderneming). Door het verraad van een mijnbouw-employé kenden de Japanners de streek waar de groep van van der Post zich ophield. Van der Post had, toen hij zich overgaf, slechts één gewonde Australiër bij zich. De vier Australische militairen die naar de Zuidkust trokken, zijn onderweg vermoord. Kriek

165 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

en de Zwitserse geoloog Paul Vogt, de prospector van de mijnonderneming, hebben hun steunverlening aan de groep ook na de uitschakeling van van der Post voortgezet, totdat de laatsten (niet begin augustus maar pas in de loop van september '42) zich aan de Japanners overgaven. Al dezen zijn vermoedelijk door de Japanners om het leven gebracht. Vogt is door de Japanners tot gevangenisstraf veroordeeld, Kriek werd in november '42 geïnterneerd.

XCDE LIGGING yAN KOEALA LOEMPOER (p. I089, r.21-22). Er wordt verwezen naar kaart XV maar op die kaart staat Koeala Loempoer niet aangegeven. Deze stad ligt bij de westkust van Malakka, iets zuidelijker dan de breedtegraad van Medan.

XCDE EVACUATIE VAN VROUWEN EN KINDEREN VAN INHEEMSE KNIL-MILITAIREN UIT ATJEH (p. 1097, r. 8 V.O.). Er werden geen 'auto's en autobussen' gebruikt maar open vrachtauto's.

XCDE MOORD DOOR DE JAPANNERS OP EEN AANTAL GEESTELIJKEN OP EEN VAN DE TANIMBAR-EILANDEN (p. IIIO, r.7-8). Dezewandaad is in werkelijkheid op een van de Kei-eilanden gepleegd. Daar was de zetel van de apostolische vicaris van Nieuw-Guinea, een van de slachtoffers.

XCDE VERNIELING VAN HET SCHIP VAN DE GOUVERNEMENTSMARINE TE MANOKW ARI (NIEUW-G UINEA) (p. I lIS, noot z). Deze vernieling vond plaats conform de vlootorder dat voorkomen moest worden dat aan de Japanners schepen in bruikbare staat in handen zouden vallen. Behalve de matroos eerste klasse die onthoofd werd, werden ook nog enkele schepelingen opgehangen.

XCDE KPM (p. 1I46). Deze drie letters zijn natuurlijk de afkorting van Koninklijke Paketvaart Maatschappij, niet van Koninklijke Petroleum Maatschappij.

Deel 11 b: 'Nederlands-Indië II

XC

XCDE 'PRINCE OF WALES' EN DE 'REPULSE' (p.8, r.6). Kwamen op 2, niet op 6 december '41 in Singapore aan.

166 [PDF]
DEELIIB

KAARTCORRECTIE (p. 17). In het nevenkaartje is de ligging van Manokwari verkeerd aangegeven: deze plaats ligt niet ter hoogte van Baba maar van Sansapor.

XCTEKSTCORRECTIE (p. 19, r. 5 V.O.). Voor: 'verleende Todjo gratie' leze men: liet Todjo gratie verlenen.

XCAMERIKAANSE EN JAPANSE VLIEGKAMPSCHEPEN (p.24, tweede alinea). Vóór de Slag bij Midway hadden de Amerikanen er zes (niet zeven) en na die slag vijf. Voor de Japanners waren die cijfers: elf en zeven.

XCTEKSTCORRECTIE (p.27, r. I v.o.). Voor 'Department of the Army' leze men: War Department.

XCDE ONDERGANG VAN DE 'JAMATO' (p.39, noot I). Dit slagschip, het grootste ter wereld, werd door de Amerikaanse luchtmacht tot zinken gebracht.

XCJAPANS NIEUWE VLIEGKAMPSCHEPEN (p.43, r. 14). Er kwamen in de genoemde periode Ia nieuwe gereed, niet 13.

XCDE CONFERENTIE VAN TEHERAN (p.65, r. 14 V.O.). Vond plaats van 28 november tot 2 december 1943.

XCAANTAL DODEN DOOR DE BOMBARDEMENTEN VAN HAMBURG, JULI-AUGUSTUS '43 (p.86, r.I8). De beste schatting is: ca. vijf-endertigduizend.

XCDE ZEVENDE DAG-ADVENTISTEN (P.I05, noot I, r.z). Zijn hier ten onrechte gelijkgesteld aan de Heiligen der Laatste Dagen (de Mormonen).

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na p. IlO). De juiste datum is: 7 april 1945.

XCTEKSTCORRECTIE (p.220, r. 5). Voor 'vorstendom' moet 'van het' worden ingevoegd.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (voor p.223). De juiste vertaling van de eerste zin van afb. 35 is: 'Volwassenen, kinderen, spreekt de taal

167 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

DE JAPANSE GENERAAL SOEGIJAMA (p.249, r. 14). Zijn voornaam is: Hajima.

XCTWEE TEKSTCORRECTIES (p, 263, r. 5). Voor 'predikanten' leze men 'predikanten en priesters' en de laatste twee regels van deze alinea dienen te luiden: 'mgr. Willekens achtte het prudent, het Japanse verzoek in te willigen.'

XCDE BESPREKINGEN IN HET OLCOTT PARK HOTEL TE BANDOENG (p.298 e.v.).Van de deelnemers aan deze besprekingen onder leiding van mr. H. J. Spit, vice-president van de Raad van Nederlands-Indië, is ir. C. Hillen, hoofd van de P1T, niet onmiddellijk gearresteerd; hij werd begin '43 geïnterneerd en pas later door de Kenpeitai als 'samenzweerder' behandeld: verhoord, gemarteld en begin '45 tot gevangenisstrafveroordeeld; aan de gevolgen daarvan overleed hij begin november '45.

XC'D J ALAN' (p.314, laatste alinea). De juiste vertaling is niet 'boulevard', maar: weg.

XCGENERAAL-MAJOOR L. H. VAN OYEN (p.339, r.11-12). Zijn rang in maart '42 is abusievelijk als 'luitenant-generaal' aangegeven. * DE NIPPON-WERKERS (p. 363, vierde alinea en elders). 'Wij willen', schreven wij, 'de term 'ballenjongens' vervangen door de minder minachtende term welke ook door dr. van Velden' (nl. in haar werk over de Japanse interneringskampen voor burgers) 'gebruikt is: de Nippon werkers.' Daaraan willen wij nu toevoegen dat wij met het gebruik van deze term niets negatiefs ten aanzien van de betrokkenen als groep hebben willen aangeven. Er hebben zeer velen toe behoord die zich bewust waren dat zij door de voortzetting van hun werk de steunkassen ontlastten. Bovendien leek die voortzetting van belang opdat men, als eenmaal de bevrijding daar was, bepaalde posten nog in handen zou hebben.

XCDE PERSOONSBEWIJZEN EN BELOFTEN DER 'NIPPON-WERKERS' (p.366, laatste alinea en P.367, eerste alinea). Wat wij hier vermelden, geldt slechts voor Java. * ONTSNAPPINGEN UIT DE GROTE OOST (D.W.Z. VAN AMBON) NAAR AUSTRALIË IN FEBRUARI-MAART '42 (p.393, laatste alinea).

168 [PDF]
DEEL11B

Aan de vermelde geslaagde ontsnappingen moet worden toegevoegd dat de commandant van het Knil-detachement op het vliegveld Laha, eerste luitenant G. L. Snell, met acht andere Nederlandse militairen met een prauwoverstak naar Ceram, daar een zeilboot uitrustte en via de Keieilanden, waar hij een kustvaartuig wist te charteren, en via Dobo en Merauke eind maart '42 de Australische kust bereikte. De bedoelde acht militairen waren officier van gezondheid C. Ouwehand, luitenant]. F. de Bruyn, onderluitenant W. F. Kniestedt, de sergeanten G. Teljeur en A. G. Hueting, brigadier N. H. M. Donders en de soldaten Th.]. C. Benningshof en Tj. Luitjes. Hueting die bij een schietongeval was gewond, moest op Ceram achterblijven (en werd daar door de Japanners terechtgesteld). Vandaar werden ook twee Australische militairen meegenomen. In Dobo is door Snell met luitenant F. Hieronymus contact gezocht en ds. H. Visser (Hieronymus en Visser zijn door ons genoemd) is op weg naar Merauke opgepikt; ook is tijdens dat traject een zeilboot met Australische militairen op sleeptouw genomen.

XCVoorts is uit Babo (Nieuw-Guinea) een gehele Knil-compagnie in maart '42 naar Australië uitgeweken.

XCDE TOCHT VAN H. J. DE HAAS (P.402, kaart XI). Het eilandje Savoe dat hij aandeed, is abusievelijk als 'Maoernere' aangegeven.

XCKAARTCORRECTIE (p.402). Op kaart XI leze men voor 'Satingar': Satengar.

XCJAPANSE ARRESTATIES ONDER DE CHINEZEN OP JAVA (p.420, r.z). Voor 'maart '42' leze men: maart '43. * HET VERRADEN v AN HANNY HILGERS (p. 432, noot 2). Wij schreven dat zij, een kantoormeisje, begin augustus '43 werd verraden door een vroeger collega'tje. De naam van dat collega'tje hebben wij niet vermeld maar wij stellen er in het licht van informatie die wij na de publikatie van deel II b ontvingen, prijs op, nu als onze mening te geven dat niet vaststaat wie Hanny Hilgers verraden heeft.

XCHET ILLEGALE WERK VAN MR. J. L. WELTER (P.433, r.8-9). Anders dan wij schreven, nam Welter zijn vrouw niet mee naar Bandoeng - zij bleef in Buitenzorg wonen in een ander huis waarheen zij twee revolvers en enkele handgranaten in de luierwas meenam. Pas later verhuisde ook zij met haar kinderen naar Bandoeng. Haar man is (r. 21) niet in Buiten16

169 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

zorg gearresteerd maar in Tjioemboeloeit, een plaats in de omgeving van Bandoeng.

XC'SMITH' (p.440, noot, r.z). Dit was inderdaad Captain John Douglas; deze was een officier van de Australische Intelligence.

XCDE IN MEI '43 DOOR DE JAPANNERS GEVRAAGDE LOYALITEITSVERKLARING (P.443, tweede alinea). Ondertekening daarvan is in Soerabaja door twee werknemers van het Koffiefonds geweigerd - zij werden deswege niet berecht.

XCDE CLANDESTIENE CONTACTEN VAN DE GOUVERNEURS WINKLER EN HARTEVELT (P.445, laatste alinea, en P.446, eerste alinea). Onze tekst suggereert dat de twee gouverneurs een gemeenschappelijke opzet nastreefden - dat is niet juist. Ook is er wel degelijk sprake geweest van Japanse processen. Daarbij werd gouverneur Winkler tot twintig jaar gevangenisstraf veroordeeld - hij is, zoals vermeld, in de Soekamiskingevangenis bezweken en mèt hem zijn nog zeven of acht anderen (dat waren niet alleen bestuursambtenaren) omgekomen.

XCHET ILLEGALE WERK VAN W. A. MEELHUYSEN (P.447, derde alinea). Zijn achternaam is verkeerd gespeld, nl. met een z in plaats van met een s.

XCHET ILLEGALE WERK VAN F. S. VAN DAVELAER (p.448, noot I). Zijn naam is abusievelijk weergegeven als: F. S. Davelaar. Zijn groep te Soerabaja werd begin mei '43 door de Kenpeitai opgerold maar hij is later in een van de kampen te Bandoeng geïnterneerd.

XCSTEYN VAN HENSBROEK (p.450, r.8 en vierde alinea). Dejuiste naam is: van Steyn van Hensbroek; zijn voorletters zijn: J.K.H.

XCRESERVE-KAPITEIN K. TEN VELDE (VERZET OP SUMATRA'S OOSTKUST) (P.464, laatste alinea, en P.465, eerste alinea). Hij was niet procuratiehouder van een aardoliemaatschappij geweest maar directeur van het Belgische administratiekantoor van de Société Internationale de Plantation et de Finance. Zijn voornaam was niet Kees, als weergegeven door de

170 [PDF]
DEEL I I B

XCH. J. STELMA, BINNENLANDS BESTUURSAMBTENAAR OP CELEBES (P.474, r. 7 V.O.).Zijn naam is abusievelijk vermeld als: Stalma.

XCDE RgSTINVOER OP BORNEO EN IN DE GROTE OOST (p.522, laatste alinea, en p. 523, eerste alinea). De geplande invoer uit Java was niet te klein om het tekort aan te vullen.

XCFOUTIEVE KAARTvERwgZING (p. 529, rz). Er moet verwezen worden naar kaart XV op p.635.

XCDE ANTI-JAPANSE BEWEGING VAN DJENAL MOESTAPA (p. 556, derde alinea). Deze ontwikkelde zich bij Tasikmalaja, maar deze plaats staat op kaart XVI op de pagina's 640-41 niet vermeld. Tasikmalaja ligt ca. 35 km ten oost-zuidoosten van Garoet.

XCVLAG- EN OPPEROFFICIEREN (p.6I7, r. 10--12). Bij de marine waren dat destijds officieren met de rang van schout-bij-nacht en hoger, bij het leger officieren met de rang van generaal-majoor en hoger. Bij de Special Party zijn evenwel ook de officieren met de rang van kapitein-ter-zee of kolonel ingedeeld.

XCGENERAAL-MAJOOR H. J. D. DE FREMERY (p.665, r.8 V.O.).Als zijn derde initiaal is abusievelijk een S aangegeven en zijn familienaam is ten onrechte met een ij gespeld. * DE ONDERGANG VAN DE 'JOENIO MAROE' (p.679, r. 14 V.O.).Men schrappe het woord 'slechts' - de kanonneerboot pikte immers ook drenkelingen op. Hetvermelde in de laatste alinea: dat enkele honderden drenkelingen op vlotten de kust van Sumatra bereikten, is onwaarschijnlijk. Wij vermeldden voorts (p. 679, noot I) dat de aalmoezenier Xaverius Vloet tot het laatste toe aan boord is gebleven, maar hetzelfde geldt voor ds. A. F. J. Pieron, een veldprediker van het Knil.

XCTEKSTAANVULLING (p. 695, noot I). Weggevallen is de eerste regel: 'In welke mate gesaboteerd is, valt moeilijk vast te stellen. Majoor van Baarsel heeft'.

XCDE LIGGING VAN MAOEMERE (p.7I4, r.4 V.O.).De tekst verwijst naar kaart XI op P.402 maar op die kaart is Maoemere, dat op de noordkust van Flores ligt, verkeerd aangegeven.

171 [PDF]
OVERZICHT VAN WI]ZIGINGEN

ONJUISTE KAARTVERWI]ZING (P.754, r·3 V.O.). Hier moet verwezen worden naar kaart XIII op p. 629.

XCONJUISTE KAARTVERWIJZING (p. 765, r. 2). Hier moet verwezen worden naar kaart XV op p.635. * DE REGLEMENTEN DER INTERNERINGSKAMPEN (p.770,laatstealinea, en P.771, eerste alinea). Veel van de door ons weergegeven regels golden niet op Sumatra: daar was de aanleg van groentetuinen verboden, werd voor verrichte arbeid geen loon betaald, was briefwisseling niet toegestaan, ontbrak in de kampen buiten de steden alle elektriciteit en was het niet verplicht, japans te leren of het japanse volkslied te zingen. * HET OVERBRENGEN VAN JONGENS VAN VEERTIEN JAAR OF OUDER UIT DE VROUWEN- EN KINDER- NAAR DE MANNENKAMPEN (p.800 e.v.). Vermelding verdient alsnog dat uit de vrouwenen kinderkampen te Ambarawa en Banjoebiroe de jongens van elf tot dertien jaar ondergebracht werden in een van de Ambarawa-kampen waar ook ca. tweeduizend bejaarde mannen van West- en Midden-java geconcentreerd werden. Geen een kon daar door zijn vader worden opgevangen. Velen van die bejaarden stierven - het was voor de jongens een verschrikking, voortdurend met de dood te worden geconfronteerd. Bovendien was de kampleider, een Belg, een egoïst die er zorg voor droeg dat hij zelf niets te kort kwam maar die wèl onder de jongens met de strengste middelen de tucht trachtte te handhaven. Deze groep alleenstaande jongeren heeft het bij uitstek zwaar gehad. * HET CIRCULEREN VAN GETYPTE PREKEN IN HET TJIDENG-KAMP (p. 808, eerste alinea). Wij schreven dat een geïnterneerde lekenpredikante haar preken liet circuleren - in werkelijkheid was het ds. H. J. Kater die zijn preken doorgaf. Zijn vrouwen hun drie kleine kinderen werden daarvoor gestraft met opsluiting. * DE HOUDING VAN DR. J. J. EINTHOVEN EN HET OPPAKKEN VAN ZESTIG KAMPBEWOONSTERS IN HET VROUWEN- EN KINDERKAMP POELOE BRAYAN BIJ MEDAN (p.815, laatste alinea, p.8r6 en P.8I7, eerste alinea). De (op gezag van H. L. Leffelaar gedane) mededeling dat dr. Einthoven 'met haar blote vuist' een ruit uit een deur zou hebben geslagen, is nietjuist: dr. Einthoven had als arts haar handen veel te veel nodig. Onjuist is ook de mededeling

172 [PDF]
DEEL I I B

Brits-Indiër de nagels zouden zijn uitgetrokken. Evenmin juist is Leffelaars relaas over de houding van dr. Einthoven en een verpleegster jegens een Japanner die hen met een geweer bedreigde.

XCHet oppakken van zestig kampbewoonsters heeft voorts niet te maken gehad met het beschreven knuppelincident (degene die de knuppel had gehanteerd, maakte zich zelf bekend) maar met een ander gebeuren. Met het oog op een kampinspectie had de Japanse kampcommandant eind '43 enige houten badhokken laten neerzetten (puur voor het oog, want een waterleiding was er niet) maar toen die inspectie uitbleef, hadden vrouwen die badhokken afgebroken om met de planken hun schaarse bezittingen tegen de regen te beschermen. Ca. zestig vrouwen die in het bezit bleken te zijn van die planken, werden toen naar Medan gevoerd en daar in de kamertjes van een warenhuis opgesloten. Uit deze groep werd een aantal in de gevangenis 'verhoord', van wie een deel naar het kamp teruggebracht werd, een deel (achttien vrouwen) in maart' 44 tot een jaar gevangenisstraf werd veroordeeld.

XCAANTAL GEÏNTERNEERDEN IN BANGKINANG (p. 838, r.13-14). Er zijn in Bangkinang nooit méér geïnterneerden geweest dan ca. twee-endertighonderd; van hen is 7 % omgekomen.

XCNIEUWSVOORZIENING IN HET KAMP VAN HET XVDE BATALJON (p. 863, r. I2-II V.O.). De elandestien opgevangen berichten drongen maar tot een deel van de geïnterneerden door. De woorden 'men wist' zijn dus niet juist.

XCDE LANDSARCHIVARIS, DR. VERHOEVEN (p.873, noot I). Zijnjuiste initialen zijn: F. R. J.

XCGENERAAL KOKOEBOE, HOOFD VAN HET MILITAIR BESTUUR VAN JAVA, MEI '43-NOVEMBER '44 (p.913, noot z), Zijn familienaam is onjuist aangegeven met: Koboehoe.

XC'ANGKATAN BAROE' (P.IO07, r.4-3 V.O.). Een betere vertaling is: 'de nieuwe beweging'.

XCSOEKARNO'S EERSTE KABINET (p. 1045, noot I, en p. 1046, noot). 'Er waren', schreven wij, 'onder de ministers zovelen die een hoge functie hadden bekleed op de door Japanners geleide departementen, dat men dit eerste Indonesische kabinet wel aanduidde als 'het Boesjo-kabinet',

173 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

'het kabinet van de Tweede mannen" - een betere vertaling is: 'het kabinet van de afdelingshoofden'.

Deel 11 c: 'Nederlands-Indië III'

XC

XCDE ON DERSCHEIDING V AN H. J. DE HAAS (P.285, r. 8-4 V.O.). Vermeld dient te worden dat de Bronzen Leeuw de op één na hoogste militaire onderscheiding was. De aan de Haas posthuum verleende Bronzen Leeuw werd niet geannuleerd maar het desbetreffende koninklijke besluit werd gecorrigeerd doordat uit het oog was verloren dat de Haas als drager van het Bronzen Kruis met Eervolle Vermelding na de instelling van de Bronzen Leeuw (I944) deze laatste onderscheiding reeds bezat.

XCTEKSTCORRECTIE (p. 323, r. II). Voor 'Onderzeebootdienst' leze men: Onderzeedienst.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na p. 352). De persoon links op foto 58 is dr. R E. Smits, uiterst rechts mr. J. E. van Hoogstraten. Links op foto 6I eveneens: dr. Smits.

XCGECORRIGEERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na p. 360). Op foto 70 is niet een Nica-arts aan het werk maar de commandant van de door het Curaçaose Rode Kruis uitgezonden Transportkolonne.

XCAFKOMST VAN LORD MOUNTBATTEN (p.400, r.5-6). Prins Louis von Battenberg was getrouwd met een kleindochter van koningin Victoria - hij is ten onrechte een kleinzoon van koningin Victoria genoemd.

XCVRIJWILLIGERS NAAR AUSTRALIË (P.457, laatste alinea). Er zijn ook omstreeks honderd in Zwitserland aangekomen vluchtelingen vóór Japans capitulatie via Frankrijk en Engeland naar Australië vertrokken. Zij

174 [PDF]
DEEL 12

kwamen er begin juni '45 aan. Een deel werd bij het Knil, een deel bij de Nica ingedeeld.

XCDE 'VAN KINSBERGEN' (p. 561, r. 12 V.O.). Was geen lichte kruiser maar een artillerie-instructieschip, van '45 af aangemerkt als kanonneerboot.

XCRATOE LANGIE (p. 586, r. 15). Deze noemde zich niet 'gouverneur van Sumatra' maar 'gouverneur van Soelawesi' (Celebes).

XCDE EERSTE DIENSTWEIGERING DOOR INDONESISCHE KNIL-MILITAIREN IN AUSTRALIË (p.633, begin tweede alinea). De eerste gevallen deden zich niet in Casino voor maar in Melbourne. Toen het in Casino tot moeilijkheden kwam, was daar al een kamp in aanbouw waarin alle dienstweigeraars zouden worden opgesloten.

XCS. L. MANSHOLT (p.657, r. 16-17). Is ten onrechteaangeduidals ir. (zelfde correctie: p.7II, r.z v.o. en deel 12, p. 103, r. II v.o.).

XCTEKSTCORRECTIE (p.703, r. 4). Het kabinetsberaad over de 7 decembertoespraak van koningin Wilhelmina begon uiteraard niet in oktober '41, maar in oktober '42.

Deel 12: {Epiloog'

XC

XCDE TITEL VAN DEEL 14 (p. XI, r. 5. v.o.). Zal luiden: Reacties, niet: Kritiek.

XCUITBREIDING EUROPESE GEMEENSCHAP (p. 7, r. 16-17). Griekenland is in '81 (niet '82) en Spanje en Portugal zijn in '86 (niet '85) lid van de EG geworden. * AANTAL ARBEIDSONGESCHIKTEN IN '85 (p.20, laatste r., en p.2I, r. 1-2). Voor 'ca. tweehonderdvijftigduizend' leze men: ca. zevenhenderdvijftigduizend.

XCDE BEPERKTE WERKING VAN DE WET OP DE BEDRIJFSORGANISATI E (p.26, laatste alinea). Wij hebben die werking te beperkt aangegeven. Het Landbouwschap, het bedrijfsschap voor de landbouw, is een van de

175 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

dertig bestaande bedrijfsschappen. Er zijn voorts twee hoofdbedrijfsschappen. Niet alleen op het terrein van de landbouw maar ook op dat van de groothandel en de middenstand zijn bij de organisatie van het bedrijfsleven belangrijke resultaten geboekt - evenwel is de genoemde wet ten aanzien van de industrie, het vervoerswezen, het bankwezen en het verzekeringswezen dode letter gebleven. Enkele bedrijfsschappen op het gebied v~n de industrie zijn na enige tijd opgeheven.

XCBEGIN TELEVISIE (p. 36, r. 9 V.O.). De eerste uitzendingen uit Hilversum vonden in ' 5 I plaats - in '56 waren er nog geen 100000 geregistreerde toestellen.

XCPA UL DE GRO OT EN DE CPN (p.40, r. 7-8). Hij is niet, zoals wij schreven, 'geroyeerd', maar hem is in '78 het erelidmaatschap ontnomen.

XCFUSIE NVV EN NKV (p. 40, r. 10 V.O.). Vond plaats in '76, niet in '75.

XCDE ZAAK-AANTJES (p. 49, r. 10). Vond plaats in '78, niet in '77.

XCDE BRUGGEN BIJ ARNHEM (p. 99, noot 4). De vooroorlogse bruggen waren vernield maar er lag bij Arnhem een noodbrug.

XCREPATRIËRING VAN DE 'GENERAALSGROEP' (p. 116, tweede alinea). De groep is door de Amerikanen, niet door de Russen bevrijd.

XCTEKSTCORRECTIE (p. r r S, r.z V.O.). Voor 'Buchenwald' leze men: Dachau.

XCDE REPATRIËRING VAN DE LAATSTE GEVANGENEN UIT DACHAU (p. II9, r.20). Voor 'beginjuni' leze men: eind mei.

XCTEKSTCORRECTIE (p. 184, noot I, r. 4 v.o.).Men leze: Ook de Schoolraad voor de scholen met de Bijbel hervatte spoedig enz.

XCOPRICHTING V AN DE PERHIMPOENAN INDONESIA (p. 201, r. 2 V.O.). Vond niet plaats 'in de jaren '20' maar in 1908. * KONINGIN WILHELMINA EN HET BELEID VAN HET KABINETBEEL JEGENS DE REPUBLIEK INDONESIË (p.248, laatste, en P.249,

176 [PDF]
DEEL 12

toespraak die de koningin voor Radio N ederland Wereldomroep uitsprak en waarin zij 'het kolonialisme''dood' noemde en aandrong op 'een nieuw begin'. Op dit tekstgedeelte is door dr. P. J. Drooglever in een artikel in NRC-Handelsblad d.d. 6 mei 1988 alleszins juiste kritiek uitgeoefend - een kritiek welke gevolg is geweest van het feit dat wij dit tekstgedeelte, voorkomend aan het slot van hoofdstuk 2, in tegenstelling tot hoofdstuk 7 niet in concept aan hem hadden voorgelegd. De betrokken toespraak is, anders dan wij schreven, begin februari '48 (niet '47) gehouden en de koningin sprak ook van de wenselijkheid om 'terroristen' en 'de machten van anarchie en wanorde' met kracht te bestrijden. 'Dit was', 'aldus Drooglever, 'aan de vooravond van de plechtige ondertekening van de 'Renville' -overeenkomst, niet bepaald gesproken in de geest van de peetvaders van dit akkoord'. Zijn conclusie was, 'dat Wilhelmina's persoonlijke denkbeelden over de Indonesische kwestie zich, om het voorzichtig uit te drukken, rechts van het centrum bevonden.'

XCMR. J. H. F. BLOEMERS (p. 339, I. II V.O.).Als eerste voorletter is abusievelijk een S vermeld.

XCMR. J. W. M. DES TOMBE (p.537,r.IOV.o.).Devoorletterszijnabusievelijk aangegeven als: J. M. W.

XCMR. J. ZAAIJERS ONTSLAG TIJDENS DE BEZETTING (p.538, r.c), Hij vroeg in mei '42, niet mei '43, ontslag.

XCHET HAAGS BIJZONDER GERECHTSHOF (p. 555, r. 17). De Rotterdamse Kamer hield wel eens zitting in Dordrecht maar daar was geen aparte Kamer gevestigd.

XCTEKSTCORRECTIE (p. 621, I. 3). Voor 'vier' leze men: drie.

XC~AARTCORRECTIE (p.728, kaart II). Tangerang bewesten Batavia is te ver westelijk getekend. De plaats werd in de tweede helft van '46 door Nederlandse troepen bezet.

XCDE ONAFHANKELIJKHEID VAN INDIA, PAKISTAN EN CEYLON (p. 717, r. 4 V.O.- p. 718, r. 3). India en Pakistan werden in '47 Britse Dominions (Ceylon werd dat in '48). India noemde zich onafhankelijk in' 50, Pakistan in '56, Ceylon in '78.

177 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

* DE 'PEMOEDA' -GROEPEN IN EN NA DE 'BERSIAP' -PERIODE (p.746-48). Er zijn op Midden- en Oost-Java ook groepen geweest die niet tot gewelddadigheden tegen Nederlanders en Indische Nederlanders zijn overgegaan. Onze mededeling: 'Er kwam geen geëvacueerde in de Nederlandse enclaves aan die niet te berichten had van diep-schokkende ervaringen van hem of haar zelf of van bekenden' (p.748, r. 6-8), is dan ook te algemeen gesteld.

XCDS. A. A. V AN RULER (p. 783, r. 9 v.o.). Was geen lid van de ARP maar bleef actief in de geest van Lingbeeks Hervormd-Gereformeerde Staatspartij. * HET AFTREDEN VAN KOLONEL DR. J. M. SOMER ALS DIRECTEUR VAN DE 'NEFIS' (CENTRALE MILITAIRE INLICHTINGENDIENST) (p. 830, noot 4). Wij schreven dat kolonel Somer geheime rapporten had toegezonden aan leden van de parlementaire en buitenparlementaire oppositie in Nederland (en dat hij 'daarmee tegen de lamp gelopen' was). Inderdaad, dat werd vermoed maar dat vermoeden werd bij een ingesteld onderzoek niet bevestigd. Wel was de Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon, Beel, in toenemende mate bezwaar gaan koesteren tegen zijn beleid; "hem werd kwalijk genomen dat hij, zonder zijn superieuren er in te kennen, in maart '49 een z.g. signalement van de revolutionaire leider Tan Malaka die zich van Soekarno had losgemaakt (en, zonder dat de Ne.fis dat wist, kort tevoren door troepen die Soekarno trouw waren gebleven, was doodgeschoten), had toegezonden aan de militaire attachés van de buitenlandse consulaten. In april had Beel hem voorts mpeten verzoeken, 'zich van interpretaties die het beleid zouden kunnen doorkruisen, te onthouden' (telegram, II april 1949, van Beel aan Den Haag, ARA, Alg. Secretarie, 3822). Inderdaad, Somer had, zodra was komen vast te staan dat Nederland een akkoord met Soekarno en de zijnen zou gaan nastreven, de grootst mogelijke bezwaren tegen dat beleid. Eind mei' 49 noemde hij in een brief aan de parlementaire redacteur van Het Parool de Republikeinse voormannen 'misdadigers die straks in Den Haag met de Nederlandse politici gezamenlijk aan de ronde tafel zullen zitten.' (brief, 30 mei 1949, van J. M. Somer aan N. Cramer, RvO). Twee maanden later vroeg hij ontslag in een brief aan de Legercommandant waarin hij sprak van de 'willekeur van een aantal Republikeinse machthebbers die binnen afzienbare tijd Indonesië en de bevolking van dat land aan de rand van

178 [PDF]
DEEL 12

3824). Hij werd met ingang van loktober '49 uit zijn functie ontheven en keerde enkele weken later naar Nederland terug.

XCGECORRIGEERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na p. 856).Foto 74 beeldt niet de landing bij Tjilatjap uit maar een landing van mariniers op een onbekende plaats.

XCHET AFWIJZEN VAN DE JAPANSE GRATIEVERZOEKEN (p.898, r.9-5 V.O.). Wij noemden als derde factor 'de overtuiging van de luitenantgouverneur-generaal en de Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon dat gratiëring eenvoudig onverdragelijk zou zijn voor de volksgroepen die tijdens de Japanse bezetting zo bitter hadden geleden.' De enige nog levende van deze autoriteiten, A. H. J. Lovink, heeft in een na het gereedkomen van de tekst door ons met hem gevoerde briefwisseling het gestelde niet ontkend maar evenmin bevestigd. Wat wij schreven draagt dus het karakter van een, naar ons oordeel alleszins redelijke, veronderstelling.

XCBANTAM EN DE TWEEDE POLITIONELE ACTIE (p. 970, r. ro). Deze actie heeft zich wel degelijk ook tot Bantam uitgestrekt; alle grote plaatsen werden er bezet. Op p. 968 dient op kaart VI Bantam dus rose gekleurd te worden.

XCDE HOUTMAN EN KEYZER (p. lO08, noot I). Zijn ten onrechte 'Houtman en de Keyzer' genoemd.

XCTEKSTCORRECTIE (p. lO09, r.I2). Voor 'nog geen vier maanden' leze men: nog geen zestien maanden.

XCGECORRIGEERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na p. lOI6). Op foto 99 staat Soeharto afgebeeld - hij was luitenant-kolonel, niet kolonel. * HET IN HET BOEK VAN s. A. LAPRÉ 'HET ANDJING-NICA-BATALJON (KNIL) IN NEDERLANDS-INDIË 1945-195°' BESCHREVEN INCIDENT (P.I032, noot 4). Lapré gaf geen 'voorbeeld' van een exces maar citeerde slechts een verslag van een tot de Koninklijke Landmacht behorende oorlogsvrijwilliger. Blijkens dat verslag zijn door Knil-militairen geen krijgsgevangenen doodgeschoten maar hebben militairen van een gemengde Knil/KL-eenheid een actie uitgevoerd tegen de kampong waar zich de beschreven Indonesische wandaden hadden

179 [PDF]
OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

voorgedaan, en waren bij die actie 'een aantal daders te grazen' genomen, 'waaronder hun leider.'

180 [PDF]

Appendix

XC

Registers

XC

XCAbdoelkadir Widjojoatmodjo, 57, 64 Adviseurs

XCZie:'Geschiedwerk' Agt, A. A. M. van, 61 Albarda, J M., 49 Alfrink, B., 59 Algemeen Nederlands Persbureau

XCZie: ANP Algemene Geschiedenis der Nederlanden, 52 Algemene Rekenkamer, 61 Allers, familie, 50 Amerongen, M. van, 73 Anak Agoeng Gde Agoeng, Ide, 57,64 Andrée Wiltens, A. J, 62 Angeren, J R. M. van, 43, 49 ANP,40 Anstadt, M., 23 Arbeiderspers, 40 Asscher, L., 50 Aulnis de Bourouill, P. L. d', 43, 50,60 Auteur

XCZie:'Geschiedwerk'

XCBaanbreker, De, 42 Bachtiar, H. W., 57, 58 Bakels, F. B., 56 Bank, J Th. M., 77 Barnouw, D., 54 Barrymore, J, 33 n Bastiaans, J, 56, 63, 64n Beaufort, H. L. T. de, 58 Beel, L. J M., 73 Beelaerts van Blokland, J. J. G., 4J Beets, N., 63 Begeleidingsgroep Zie:'Geschiedwerk' Belinfante, A. D., 63 Berkovich, E., 50 Bernhard, Prins, 49, 56, 57, 58,61,63 Bestuur, Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, 13, 13n, 15,23,27,28,29, 30, JI, 52, 67, 70, 73, 75, 77 Beus,J. G. de,49, 56 Bezemer, K. W. L., 55, 57, 61, 64 Bezetting, De, 21, 22-25, 28, 32,78 BI,2 Biesheuvel, B. W., 73 Bilderbeek, C W. van, 50 Binnenlandse Veiligheidsdienst, 56 Blankenstein, H. van, 6r Blankenstein, M. van, 49 Boas, S., 63-64 Boekhoven, G., 59 Boellaard, W. A. H. C, 50, 56, 59 Bogaard, J, 50 Boissevain-Van Lennep, A. M., 50 Bolhuis, J J van, Ion Bolkestein, G., 2, 43, 49, 72 Boon, J A., 54 Booy, Th., 58, 63 Booy,J. M. de, 43, 49 Borssum Buisman, G. A. van, 60 Bas, P. A., 54

181 [PDF]
REGISTER OP DE 'VERANTWOORDING'

Bosch, J W. Th., 54 Bosch van Rosenthal, L. H. N. F. H., 50 Bosscher, Ph. M., 57, 64 Bouman, B., 64n Bouman, P. J, 60 Brandt, C. D. J, Ion, 12, 53 Brauw, M. L. de, 73 Breunese, J N., 50 Brouwer, C, 50 Brugmans, 1. J, 12, I2n, 53, 67, 68, 75 Bruin, W., 50 Bruin, R de, 54 Bulletin, Het, 42 Bulletin van het M[arx] L[enin] L[uxemburg] Pront.w: Bureau Inlichtingen,

XCZie: BI Burger, J A. W., 43, 49, 56 Burgerlijk Wetboek, jzn Buskes, J J, 43, 50, 71 'Bijlagen'

XCZie: Deel 13

XCCaljé, C. J F., 56, 60 Cais, J M. L. Th., 12 Carels, J, 50 Casimir, H. B. G., 62 Casparis, J G. de, 62 Centraal A.rchief Bijzondere Rechtsple

XCging,4I Centraal Bureau voor de Statistiek, 60, 63 Christofoor. 42 Claus, Prins, 58 Cleveringa, R P., 43, 50 Cohen, D., 50 Cohen, E. A., 56 College van Vertrouwensmannen, 4 Comité Geschiedkundig Eerherstel Ne

XCderlands-Indië, 75 Commissie van Bijstand, Rijksinstituut

XCvoor Oorlogsdocumentatie, 5, 12, 13,

XC72, 74n Coolen, H M. G., 54 Cramer, J, 50, 56, 60 Creutzberg, P., 57, 58

XCDam, J van, 3, 50 Deel I ('Voorspel'), 16,21,28-29,31-]2, 34,52,53,54,55,58,65,66,7°,71,76 Deel 2 ('Neutraal'), 21, 52, 53, 54, 55, 58-59, 65 Deel 3 ('Mei '40'), 21, 29, 47, 52, 53, 54, 55, 56, 65 Deel a ('Mei' 40 - Maart '41'), 21,30,47, 52,53,54,55,56,59,65,71,72,73-74 Deel 5 ('Maart '41 - Juli '42'),21, 53, 54, 55, 59, 65, 69 Deel 6 ('Juli '42 - Mei '43'),21, 30, 53, 54, 55, 59-60, 65 Deel ç ('Mei '43 - Juni '44'),21,27, 53, 54, 55, 60, 65 Deel 8 ('Gevangenen en gedeporteerden'), 21, 27, 29, 53, 54, 55, 56, 60-61, 65 Deel 9 ('Londen'), 20, 21, 27, 29, 53, 54, 55, 56, 61, 65, 69 Deel 10 a ('l--Iet laatste jaar I'), 21, 29, 30, 53, 54, 55, 56, 61-62, 65 Deel 10 b ('Het laatste jaar II'), 21, 29,30, 53, 54, 55, 56, 57, 62, 65 Deel II a ('Nederlands-Indië 1'), 21-22, 27,29,3°,31,45,53,54,55,57,62,65, 75 Deel II b ('Nederlands-Indië II'), 22, 27, 29,3°,31,45,53,54,55,57,62-63,65 Deel 1I c ('Nederlands-Indië III'), 22, 27, 29,30,31,45,53,54,55,58,63,65 Deel 12 ('Epiloog'), 15n, 22, 26, 29, 3031n, 32n, 34, 53, 54, 55, 56, 58, 63-64, 65, 73n, 75, 76, 77 Deel 13 ('Bijlagen'), 31, ]2, 77 Deel 14 ('Reacties'), 31,76-77,78 Defresne-Ruys, Ch., 50 Deinum, H, 50 Dekking, F., 60 Delprat, D. A., 61 Deportatie van het Nederlandse volk, 22n Diamand, W., 50 Diemer, E., 58 'Directeur-generaal voor's rijks oorlogsarchieven', 3 Directorium, Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, 4, 5, 6, 12-13, 70, 7 2 Diredja, S. S., 58

182 [PDF]
REGISTER OP DE 'VERANTWOORDING'

Dodewaard, J A. E. van, 50 Dogger, G. A., 50 Donner, J, 59, 60 Drees, W., 6, 43, 50, 55,69 Driemanschap

XCZie: Nederlandse Unie Drion, H, 62 Drooglever, P. J, 57, 64 Drijgers, J A., 54 Dudok van Heel-Lee, C J, 62 Dütting, E. P., 54 Duisterwinkel, G., 61 Duitse Vijfde Colonne in de Tweede Wereld

XCoorlog, De, 12 Duim, J F. van, 54 Dijken, B. van, 63 Dijxhoorn, A. Q. H, 43, 49n

XCEechoud, J P. K van,S 1 Einthoven, L., 56, 73 Eisma, E., 60 Engel, Ch., 50 Engel-Oostwal, C J, 50 Engel-Wijnberg, S., 50 'Epiloog'

XCZie: Deel 12 Europese Commissie voor de Rechten

XCvan de Mens, 72n Fasseur, C, 53, 68, 77 'Fiches', 2, 9, 15-18, 19, 29, 29n, 33, 34,

XC48 Fock, C L. W., 49, 56, 61 Fraenkel-Verkade, E., 54 Prederiks, K J, 50 Furstner, J Th., 49

XCGaag, J J van der, 50, 56 Galen Last, D. van, 54 Gans, M. H, 50 Gase, R. A., 64 Gde Agoeng, Ide Anak Agoeng

XCZie: Anak Agoeng Gde Agoeng Geer, D. J de, 49 Geerdinek, J, 50 Geïllustreerd Vrij Nederland, 42 Geldens, J CM., 58,63 Gelderblom, A. J, 50 Gerbrandy, P. S., 20, 43, 47, 48, 49 Gerritse, P. C, 54 'Geschiedwerk', 5, 6-Il, 13, 21, 22, 22n, 23,25, 27,28n-29n, 67, 68, 78 'Geschiedwerk', Adviseurs, 12,27,28,29, 30, 52, 53, 54, 67, 74-75 'Geschiedwerk', Auteur, 6, 7-II, 12, 14, 18 'Geschiedwerk', Begeleidingsgroep, 33, 66-69 'Geschiedwerk', Opzet L. de Jong, I, ror r, 19,24,26-32 'Geschiedwerk', Opzet N. W. Posthumusv ; 'Geschiedwerk', Opzet J M. Romein, 4, 100Il 'Geschiedwerk', Samenstelling van, 13, 22,7° 'Geschiedwerk', 'Schooluitgave' van, 6 'Geschiedwerk', Uitgangspunt, 46-47 'Geschiedwerk', Verantwoordelijkheid voor, 66-67, 69, 70-75 Geus, De, 42 Geueenberichten, 42'Gevangenen en gedeporteerden'Zie: Deel8 Geyl, P., 76 Gielen, J J,s, 6 Giltay Veth, D., 60 Go Gien Tjwan, 57, 62 Goor, J van, 57 Graaf, H. J de, I2n Graaf, K de, 49 Gravemeijer, K HE., 50 Groen, P. M. H., 54 Groene Amsterdammer, De, I Groeneveld, E. G., 54 Groeneveld-Ottow, E., 54 Groot, L. F. de, 64 Grote Gebod, Het, 42 Gulik, W. R. van, 62 Haagen, J K. van der, 3,4 Haas, E., 55, 55n Hagenaar, H., 62 Hall, G. van, 60 Hamelink, M., 63 Hartog, J,

183 [PDF]
REGISTER OP DE 'VERANTWOORDING'

Havenaar. R., 54 Hazelhoff Roelfzema, S. E., 59 Heerde, J A. van, 56, 60 Helfrich, C. E. L., 5 I Hermesdorf, B. HD., 4, 53, 67,72 Hers, J F. Ph., 50 Heshusius, C. A., 57,64 Heuven Goedhart, G. J van, 43, 49 Heuwekemeijer-de Lange, A. E., 12n, 54 HiemstraTimmenga, A., 56 Himmler, H., 22n Hirschfeld, H M., 48, 50, 72 Hoekstra, H. L., 6 I Hoekstra, J, 51 Hoera voor het leuen, 71 Hofstee, E. W., 60 Holland fights the Nazi's, 2 Hollander, F. Q. den, 50 Holthe tot Echten, M. L. van, 50 Holtrop, M. W., 60 'Hoofdwerk'

XCZie:'Geschiedwerk' Hoogstraten. J E. van, 51, 57 Hordijk. P. W., 56 Houten, eh. H. J F. van, 43, 49 Houwink ten Cate, J Th. M., 54 Hulsewé, A. F. P., 62 Hupkes, W., 50

XCIddekinge, P. R A. van, 62 Illegaliteit, 2 Indische Afdeling, Rijksinstituut voor

XCOorlogsdocumentatie, ro, 45 Internationaal Instituut voor Sociale Ge

XCschiedenis (IISG), I Internationale Rode Kruis, 6 I Isaac-Edersheim, E., 59

XCJaquet, L. G. M., 62 Je Maintiendrai (L. de Jong), 2, 16, 18 Je Maintiendrai (illegaal blad), 42 Jolles, H, 50 Jong, A. M. de, 49 Jong, P.J. S. de, 58 Jonge, J. A. de, 53, 67 Jong-Weber, W. C. de, 50 Jonkman, J A., SI joustra, A. H., 12n, 54 'Juli '42 - Mei '43'Zie: Deel6 Juliana, Koningin, 49, 58,61 Juliana, Prinses, 63 Kamphuis, J, 61 Kamphuis, P. M., 54 Kartodirdjo, S., 57 Kasteel, P. A., 56 Katholiek Kompas, 42 Keizer, M. de, 54 Kersten, A. E., 56, 57 Kersten, F., 22n Kersten, J W., 64 Kerstens, P. A., 43, 49 Ketwich Verschuur, H. P. J van, 56 Kiek, M., 50-5 I Kielich, W., 57, 58 Kisch, I., 50, 59, 60 Kist, JG., 57, 64 Kits van Waveren, E., SI Kleffens, E. N. van, 43, 47, 49, 55, 69 Klein, P. W., 53, 67, 68 Klokman, B., 23 Kloosterman, A., 54 Kloots, A. G., 62 Klijzing, F. J, 49 Koch, A. B. J, 5 I IÇoets, P. J, 57, 64 Kohlbrugge, Heh., SI, 56, 59 Kohnstamm, M., 58 Koninklijk Besluit van 5 september 1947 (Stbl. 98), 5, 74n Koninklijk Besluit van 28 juli 1979 (Stbl. 426),74-75 Koninklijke Landmacht, 54 Koninklijke Luchtmacht, 54 Koninklijke Marine, 54 Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, Het Zie:'Geschiedwerk' 'Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, Het' (Nota uit 1949), 6-II, 19,26 Kooy, T. P. van der, 12, 24, 53, 67, 71, 72-73 Kossmann,

184 [PDF]
REGISTER OP DE 'VERANTWOORDING'

Koster, H. J. de, 5 I, 60 KruIs, H. J, 49 Kruys, B., 63 Kuiper, P. C, 60 Kuipers, E. A., 74n Kwantes, R. C, 53, 68, 75 Kwartaalverslagen, auteur 'Geschied

XCwerk', 13-15,26, 35

XC'Laatste jaar, Het'

XCZie: Deel IQ Lampl-De Groot, A., 59 Landsadvocaat, 72 Langemeijer, G. E., 63 Lanschot, W. Ch. ]. M. van, 5 I Lauwers, H. M. G., 61 Leclerc, ]., 62 Leeuw, A. ]. van der, 9, I2n, 53, 54, 67,

XC68 Leeuwen, P. F. F. van, 54 Leiker, S., 60 Lidth de Jeude, O. C A. van, 43 Lieftinck, P., 6 Lindsay Drummond, 2 Linthorst Homan, H. P., 49 Linthorst Homan, ]., 56, 73 Locher, G. W., 63 'Londen'

XCZie: Deel ç Lovink, A. H. j., 62 Lubbers, R. F. M., 63 Lu tz, F. ]. A., 54

XC'Maart '41 - Juli '42'

XCZie: Deel 5 Maasbode, De, 42 Machtiging van de minister tot publika

XCtie, 70, 75 Man, J Th. A. de, 63 Manning, A. F., 53, 67, 68, 69, 77 Manusama, ]. A., 64 'Mei '40'

XCZie: Deel 3 'Mei '40 - Maart '41'

XCZie: Deel4 'Mei '43 - Juni '44'

XCZie: Deel ç Melkman, ]. Zie: Michman, ]. Menten, E. E., 5 I Meuldijk, M., 50 Meijer, J, 56 Meijer Ranneft, ]. W., 5J Meijers, E. M., 32n Micheels, P., 54 Michielsen, K G. P., 51 Michman, ]., 59, 60 Militair Gezag, 4 Minco, S., 51 Minister van Onderwijs en Wetenschappen, ]I, 55 Minister-president, 55 Ministeries: Ministerie-Beel, 4 Tweede ministerie-Gerbrandy, 2 Mönnich, C W., 61 Molenaar, F. j., 55 Monchy, S. ]. R de, 50 Maak, H.]. van, 43,51 Moolenburgh, C, 49 Mooy, W., 63 Namen, A. H. van, 60, 62 Navis, Chr., 51, 56, 59 Nederlandse Bank, De, 61 Nederlandse Televisie Stichting (NTS), 22-23 Nederlandse Unie, 56, 59, 69, 71, 73 Zie ook: L. Einthoven; J. Linthorst Homan; J. E. de Quay 'Nederlands-Indië'Zie: Dee! II Nederlands-Indië onder fapanse bezetting, I2n Neerlandia-pers.iao Neher, L., 51 Netherlands Publishing Company, 2'Neutraal'Zie: Dee!2 Nève, Ed. de, 51 Nierstrasz, V. E., 52 Nieuwe Rotterdamse Courant, 40 Nieuwenhuys, R., 33n Nieuws van de Dag, Het, 40 Nieuwsbrief van Pieter 't Hoen, 42

185 [PDF]
REGISTER OP DE 'VERANTWOORDING'

Niftrik, J G. van, 43 Nispen tot Pannerden, A. M. van, 55, 55n Noach, S., 49 Noordaa-Van der Veer, W., 56 Noordhoek Hegt, W. F., SI, 6.2 Norden, W. van, 63 Nortier, J J, 64 'Notities voor het Geschiedwerk', 1.2 Nuboer, ]. W. F., 49, 62

XCOfficiële documenten over Nederlands-Indo

XCnesisch. conflict 1945-1949, 32n Ojen jr., G. J van, 54 Olifiers, CM., 49 Onderdrukking ell Verzet, 10 Ondergang, 17 Ongetekende brieven aan oude strijdmakkers,

XC42 Ons Volk, 42 Ons Vrije Nederland, 42 Ontwikkeling van de nationalistische bewe

XCging in Nederlands-Indië; De, 53 Oosten, F. evan, 54, 64 Oost-Indische Spiegel, 33n Oranjekrant. De, 42 Oudheusden, 1. J G. van, 61 Oudstrijders Legioen, 64n Overeem-Ziegenhardt, 1. A. H. M. van,

XC61 Oyevaar, J J, 43, 61

XCPaape, A. H, 22, 30n, 54, 67, 68, 77 Pais, A., 74, 75 Paraatç çz Parlementaire Enquêtecommissie 'Rege

XCringsbeleid 1940--1945', 8, 14, 18, 20,

XCpn,47 Parool, Het, 42 Pater, J C H. de, 12, I2n, 53, 67 Pelt, A., 2, 49, 56 Pen, J, 60 Phaff, H J, 49 Piekaar, A. J, 73 Plassche, J G. M. van der, 49 Ploeg, De, 42 Pluvier, J M., 57, 64 Poelje, G. A. van, 3, 4 Politieke brieven (CPN), 42 Poole, J Ie,s I, 56, 63 Posthumus, N. W., r , 3-II, 12, 18 Posthumus Meyjes, W. Chr., 49 Pot, 1., 59 Presser, J, 17, 29n, 43, 52, 55 Pruijt, B., 60 ~uay, J. E. de, 56, 73 Quéré, ]. J, 5 I, 58 Quispel, H V., 58 Radio Oranje, I Ramselaar, A. C, 59 Randwijk, H. M. van, IOn, SI Rauter, H A., 48 Raven, G. J A., 54 'Reacties'Zie: Deel 14 Regeringsvoorlichtingsdienst, 2 Reglement voor het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (4 augustus 1979), 74, 74n, 75 Reinink, H. J, 50 Rep, J, 61 Reuter, F., 51, 60 Reynders, I. H., 47, 49 Rhijn, A. A. van., 49, 56 Rhijn, ]. A. van, 54 Riessen, H. van, 56, 60 Ringeling, C, 50 Rochernont, F. de, 45, 54 Roelfsema, H, 50 Roelofsen, ]. C, 49 Rogier, 1. ]., 12, 53,67 Romein, ]. M., 4 Romijn, P., 54, 77 Roskam, E. J. 50 Roijen, J. H van, SI, 59 Ru, H de, 55, 55n Rübsaarn, C J, 60 Ruys, 1., 6r Ruys, Th. A. W., 62 Rijksbureau voor documentatie van de geschiedenis van Nederland in oorlogstijdç a Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, 3, 4-II, 13, 20--21, 22, 23, 27, 34,

186 [PDF]
REGISTER OP DE 'VERANTWOORDING'

XC35,36,54 Rijser, P., 54

XCSamkalden, I., 64 Sandberg, J. A. G., 5 I Sandberg, W. J. H. B., 5 I Sanders, P., 61, 64 Sant, F. van 't, 49, 69 Sassen, E. M. J. A., 64 Schaepman, C. J. M., 50 Scheepstra, L., 51,60 Schie, H. A. J. van, 64 Schmidt Crans, P. H. A., 54 Schöffer, I., 77 Schölvinck-Stork, A., 54 Scholten, Y., 74 'Schooluitgave'

XCZie:'Geschiedwerk'Schoolverzet. Het, I2n Schrage, E. J. H., 53, 68 Schueren, J. B. G. M. de van der, 49 Schuilenga, J. M., 5 I Schulten, C. M., 54 Schwarz-van Santen, W., 5 I Sierserna, O. J., 47 Six, P. J., 43,51,56,59,60 Slaet op den Trommele, 42 Sloternaker, B. C, Ion Slotemaker, G. H., 60 Sluijser, M., 43, 49 Sneller, Z. W., 4, 12 Somer, J. M., 49 Spartacus, 42 Speyart van Woerden, E. L. M. H., 51 Spier, E., 50 Spronsen, K C. van, 5 I Staal, K R van, 51 Stakenburg. J. Th., 59 Standaard, De, 40 Steenberghe, M. P. L., 49,55 Stichting LOjLKP, 42 Stichting Nationaal Steunfonds, 6 Stolk, C. van, 49 Stroom, G. P. van der, 54 Stuiveling, G., 62 Stuldreher, C. J. F., 54 Stuyvenberg, J. H. van, 60, 62 Sijes, B. A., 9, 53, 54, 67 Tazelaar, P., 49, 59 Telegraaf, De, 40 Tellegen. M. A., 51, 58, 60 Tempel, J. van den, 43 Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, A. W. L., 51 Toekomst, De, 42 Toepoel, P. M. c, 5 I Treurniet, A., 56 Tromp, Th. P., 51, 62 Trouu/ç: Tuininga-Boissevain, M. R., 51 Tuyll van Serooskerken, S. J. van, 63, 64 Tijd, De,40 Tijn, B.van, 57, 58 Vaart Smit, H. W. van der, 71-72, 72n Vakbeweging, De, 42 Veen, C. van, 73-74 Veen, D. D. B. van, 59 Veen, F. van der, 53,68,75 Veenstra, J. H. W., 63, 64 Veerman, P., 5 I Veld, N. K C. A. in 't, 54, 67, 68 Velden, D. van, 57 Verbiest, C, 5 I Verboom, J. A. M., 61 Verdam, P. J., 53, 67, 68 Verenigde Persbureaus, 40 Veringa, G. H., 58 Verstegen. J. H., 64n Verzet,42 Verzijl, J. H. W., 61 Visser 't Hooft, W. A., 49, 60 Viis, A. J. van der, 62 'Voltooiing van het Geschiedwerk, De' (1981), 30,77 Vonk, De, 42'Voorspel'Zie: Deel I Voorst tot Voorst, H. F. M. van, 49, 55 Vos, K., 62 Vredenburch, H. F. L. K. van, 56, 57 Vreugdenhil, W. B., 51 Vries, E. K. de, 63 Vrornans, A. G., 12n, 54 Vrij Nederland, 4 2, 73 Vrij Nederland,'Londense',

187 [PDF]
REGISTER OP DE 'VERANTWOORDING'

Vrije Katheder, De, 42 Vrije Kunstenaar, De, 42

XCWaarheid, De, 42 Wagenaar, G., SI, 56,60 Wagenaar, H. M.]. I., SI, 59 Wagenaar, W., SI Wal, S. L. van der, 61 Wall Bake, A. V. van de, 60 Warendarf, ]. C. S., SI Warners, c.]., 57,64 Wassenbergh, H. A., 43, 51,60 Wellenstein, E. P., 51,62 Welter, Ch. ]. I. M., 43, 49 Werkgroep Herkenning, 63 Wermerskerken, H. van, 60-61 Wertheim, W. F., 57,64 Westerveld, C. Ch., 56,60 Wetenschappelijke staf, Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, 12, 13, IS, 23, 27, 28, 29, 30, 52, 54, 67 Wielen, H. G. van der, 50 Wilhelmina, Koningin, 4, 20, 49 Wilson, ]. C. C. P., 49 Winkelman, H. G., 49n Winter, P. ]. van, 12, 53, 67, 69, 72 Witsen, E. van, 57, 58 Wolffensperger-Rübsaam, G., SI Wouters, G. ]. ]., 5 I Wijbenga, P., 59 Wijckerheld Bisdom, C. R c., 56 Wijnen, N., 56 Wijsmuller-Meijer, G., 61 Zaaijer, ]., 63 Zwaan, ]., 54 Zwart, ]., SI

Register op het (Overzicht van wijzigingen)

XC

XCIn dit register zijn begrippen opgenomen uit Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog waarop behoefte aan aanvulling of correctie bestaat. Dit houdt in dat een elders in dit werk onjuist gespelde. naam in dit register in die onjuiste spelling is opgenomen. Waar evenwel het gevaar bestaat dat het juiste trefwoord onvindbaar wordt, doordat .het al te zeer afwijkt van het onjuiste, is ook het juiste in dit register opgenomen.

XCAantjes, W., 176 Abwehr.Bç Adat, 161 Adat-recht Zie: Rechtswezen Aerssen Beyeren van Voshol, F. C. van, 139 Afrika, 101 Agfa-fabrieken, 154 Alblas, A. H., 108, 141 Alderney, ISS Alexander, H., ISS Algemeen Nederlands Persbureau Zie: ANP

188 [PDF]
REGISTER OP HET 'OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN'

XCAlgemene Rekenkamer, 138

XCAllers, J. H. K., 100

XCAmbarawa, 172

XCAmbon, 168-169

XC'Ambrosius', 121-122, 144

XCAmersfoort, 156

XCAmersfoort, kamp, 108-109, 13 I Amsterdam, lIS, 122, 151-152, 156

XCAmsterdam, aanslag Bevolkingsregister, lI6-lI7 Amsterdam-Noord, 120

XCAndjing-Nica-Bataljon Zie: Knil

'Angkatan Baroe', 173 Belgisch Verdrag, 83

XCANP,96

XCAppingedam, 123

XCArbeiders Internationale, Tweede, 81

XCArbeidsongeschiktheid (1985), 175

XCArchangel, 114

XCAriërverklaring, 100

XCArnhem, 123, 146, 147, 153, 176

XCArnhem, evacuatie van, 147

XCARP, 112-lI3

XC'Asocialen', 131

XCAsscher, A., 94-95 Assen, lI6

XCAtjeh, 166

XCAulnis de Bourouill, P. L. d', 124

XCAuschwitz, 134

XCAuschwitz I, 134 _ Auschwitz-Birkenau, 130, 134

XCAustralië, 137, 142, 168-169, 170, 174, 175

XCAuteurskring, Christelijke, 105-106

XCAvro, 100

XCB-17, 163

XCB-24, 163

XCBaarsel, J. van, 171

XCBabo, 169

XCBaker, P., 147

XCBali, 162

XCBandoeng, 165, 168, 169, 170

XCBanjoebiroe, 172

XCBankinang, 173

XCBantam, 179

XCBarentsen, CL., lIS, 116

XCBarkianen, De, 152

XCBarth, K., 83, I42 XVde Bataljon, kamp, 173 Batavia, 162 Bath-stelling,9S Battenberg, L. von, 174 Bautz, Th. M., 97 BBO, 123, 141-142, 153 Bedrijfsschappen. 175-176 Bedum,122 Beel, L. J. M., 178 Beelaerts van Blokland, E, 143 Beelaerts van Blokland, J. J. G., 149 Belastingen, 82 België, 149 Belgisch Verdrag, 83 Bennekers, C, 130 Bennekom, J. van, ISO Benningshof, Th. J. e, 169 Bent, M. van den, 153 Bergen-Belsen, 1]2-133, 134 Berkovich, E., lI6 Bernhard, Prins, 95, 143, 147 Beroepskader, 114 'Bersiap' -periode, 178 Beverwijk, 128 Bevrijde Zuiden, 149 BI, 123, 124, 125, 142, 147, 152, 153 Biallosterski, 'Hans' (Tom'), 123 Bilsen, E K. J. van, 142 Bilt, C. L. van de, 103 Binnenlandse Strijdkrachten Zie: BS Birkenau (Auschwitz II), 134 Bloemers, S. H. E, 177 Bloemgarten, R., lI6 Boekhoven, G. J., 121, 152 Boer, M. de, 129 Boererna, D., 141 'Boejo-kabinet', 173-174 Bois, A. du, 153 Bombardement, Amerikaans, 120 Bond van Arbeiders Zangen Muziekverenigingen, 98 Bone, 164 Boni, 164 Boom, C. ten, 114 Boomsma, E. W., 107 Borneo, I71 Boroboedoer, 160

189 [PDF]
REGISTER OP HET 'OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN'

Bosch van Rosenthal, 1. H N., 145 Bosman, G. P. J M., 99 Bovene, G. A. van, 165 Boverhuis, F. R., 121 Braak, M. ter, 83 Brandjes, I., 125 Breda, 91, 135 Brett, G. H., 136 Brinkman, A., 125 British Airborne Division, 146, 147 Broekhuizen, II3 Broeksz, J B., 97 Bronzen Kruis, 135 Broome.uöa Brouwer, H. A., 114 Brouwer, J, 98, II4-II5 Brouwer, M., 107-108 Brummen, 155 Brussel, 139 Bruyn,J. F. de, 169 BS, 144, 149, 152, 156 Buitenlandse Zaken, 94 Buitenzorg, 169-170 Bukittingi, 162 Bureau Bijzondere Opdrachten Zie: BBO Bureau Inlichtingen Zie: BI Bureau voor de Volkslectuur, 160 Burgemeesters, Joodse, 104 Burger, J A. W., 152 Buuren, A. D. van, 83 Buziau, J, 105 Bijlsma, R., 143 Bijnen, JA., 144 Bijzondere Gerechtshoven, 177

XCCalais, 108 Carstens, N. T., 85 Casino, 175 CDK,I21 Celebes, 163, 171, 175 Cell en barakken Zie: Scheveningen, Polizeigefängnis Celosse, J J ('Bob'), 126 Centraal Distributie Kantoor . Zie: CDK Centrale Inlichtingendienst, 126 Cerarn.u öç Ceylon,I77 Chait, E. S., 125 Chicago Tribune, 105 Christelijke Landarbeidersbond, 103 Cleeff, P. van, 139 Cleveringa. R. P., 101, 145 CNV, 103-104 Cobb en hagen, M. J H, 149 Cohen, D., II3 Cohen, J, 130 Colditz, 128 'College van Algemene Commissarissen voor de sociale sector', 149 College van Vertrouwensmannen, 145, 154 Comité de Vigilance des anti-fascistes intellec tuels, 84 Comité van Waakzaamheid, 83-84 Communistische Partij, 82 Comptabiliteit, Indische, 159 Comptabiliteitswet, Indische, 158 Conferentie van Teheran, 167 Congleton, 135 Cool, W., 85 Coolen, A., 106 Copinski, A., 130 CPN,176 Cunningham, J, 140 Curaçaoç Sz Dachau, 176 Dasberg, S., 132, 133 Datum, Verbeterd: Deel 9, p. 341, r. 8, 137; r. 12, 137; r. 14, 137 Deel IIa, p. 3, r. 15 v.o., 157 Davelaar, F. S., 170 Davids, A. B. N., 133 De Bilt, 109 'De Kruisberg', 152 'De Spieghel', uitgeverij, 121 Deel 14 ('Kritiek'), 175 Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming, 120 Desertie, 91, 95 Deterding, HW., 84 Deventer, 155

190 [PDF]
REGISTER OP HET 'OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN'

Dienske, H., 144 'Dienst-Wim', 124, 130 Digoelisten, 137 Distributie, 119 'Djalan', 168 Djenal Moestapa, 171 Dobbe, Th., IlO Dobo,I69 Does, J A. H van der, 98 Does de Willebois, P. l. H. M. van den,

XC151 Doesburg, 89, ISS 'Dolle Dinsdag', 145 Donders, N. H M., 169 Donner, J, 127 Doorn, C. van, 117 Dooijes, D., 123 Dordrecht, 153 Dosker, CM., 98 Douglas, J, 170 Drente, 87, 89 Driebergen, IIO Driel, J van, 100 Dronkers, J M. G. A., 80n Drooglever, P. J, 157, 158-159, 159-160,

XC177 Dubois, A., 100 Dijk, A. van, II4

XCEbels, 1. H., lO3 Edersheim, H, J04 Eighth Air Force

XCZie: U.S. Airforce Eindhoven, 126, 147, 149 Einthoven, J J, 172-173 Elfferich, 1., 93 EIst, 92 Emma, Koningin-moeder, 81 Emmen,I20 Emmer, ]., 108 Ende, ]. van den, lO7 Endlösung, 119 Engbrocks, W., 131 Engelandvaarders, 135 Englandspiel, 125 Erasmus, 104 Essen, G. A., II6 'Eton III', I II 'Eton lV', II I 'Eureka' -toestellen, 146 Europese Gemeenschap, 175 Experimenten-Block (Auschwitz I), 134 Fahndungsliste Holland, 90 Falsificatie-Centrale, 124 Farwerck, F. E., 98 Februaristaking, ror Feitsma, J, I I 5 Fokker T Vlll W, 130 Folmer, ]., 126 Fort Spijkerboor, II6, 130 Foto-onderschrift, Verbeterd: Deel 2, foto 17, 85; foto 78, 86; foto 79,86; foto 85, 86; foto 91, 86 Dee! 3, foto 9, 88; foto 22, 88; foto 29, 88; foto 43,89; foto 47,89; foto 85, 92; foto 86, 92; foto 92, 92; foto 95, 92; foto 140, 95; foto 146, 95; foto 164, 95 Dee! 5, foto 2, lO2; foto 19, 102; foto 22, lO2; foto 96, lO8 Deel 7, foto 4, II 8; foto 18, 119; foto 63,121; foto 91,123; foto J3I, 128; foto 1]2, 128 Deel 8, foto 62, 133; foto 63, 133 Deel 9, foto 45, 139 Deel loa, foto 49, 147; foto 66, 148; foto 67, 148 Deel lob, foto 50, ISO; foto 102, 154; foto 125, ISS; foto 156, ISS; foto 157, 156 Deel IIa, foto 8, 158; foto 90, 163 Deel IIb, foto 24, 167; foto 35, 167 Deel lIC, foto 58, 174; foto 61, 174; foto 70, 174 Dee! 12, foto 74, 179; foto 99, 179 Fraenke!, ]. C, I09-IIO Frederiksoord, 157 Fremantle, 164 Fremerij, H ]. S. de, 171 Friese Courant, 123 Friesland, 87, 89, 144 Furstner, J Th., 141 Fusillering, 91

191 [PDF]
REGISTER OP HET 'OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN'

Galestin, C. ]. A. ter, 127 Gans, j., 143 GDN, 124-125, 126, 152, 153 Geelkerken, C. van, 151 Geestelijke verwarring, 98 Geheime Dienst Nederland

XCZie: GDN Gelderman C. Mzn., H. P., 104 Geldvolume, II9 Gemenebest, Het, 98'Generaalsgroep' , repatriëring van de, 176 Gerbrandy, P. S., 84, II7, 135, 143, 145 Gereformeerde Kerken, l0S, lIS Gerken, R, 86 Gerzon-Hurwitz, D., 109 Geus, ]. de, I07 Gevechtsrapporten, Duitse, 87 Gezagsbataljons, 142 Gids, De, 106 Giebel, G., 97, 128 Gilbert-eilanden, l0S Glenn Martin, 163 Goebbels, ]., 156 Göbel, W. S., 94 Goedhart, F. j., 119 Goes van Naters, M. M. van der, IS0 Gogh, H. van, 12I Goldschmidt, j, 133 Golf van Bone, 163 Golf van Boni, 163 Gorssel, 155 Gotjé, H. C. E., 117 Goud-inlevering (Nederlands-Indië),

XC162 Graaf, K de, 147 's-Gravenhage, 90, 92 Grebbe,92 Grebbeberg, 87, 89, 90, 91 Grebbelinie, 86, 91, 92 Griekenland, 175 Gröger, K B. R P., II6 Groen van Prinsterer, G., 98 Groep, L. van der, IlO Groep-'Blaue Reiter', II3 Groep-CS-6, 143 Groep-'Dutch-Paris', 139 Groep-'Fiat Libertas', 126 Groep-'Nomedos', II3 Croep-Oosterhuis, 130, 141 Groep-Oosterhuis-Boerema, I I I Groep-'Packard', III, 124, 152-153 Groep-Stijkel, 130 Groep-TD, 152 Groep-Van der Veen, 121 Groningen, 87, 89, 122 Groot, P. de, 176 Grote Gebod, Het, II0-1 II Grote Oost, 168-169, 171 Haar, A. D. van der, 109 Haaren, SD-gevangenis, II I Haarlemç ço Haas, H. ]. de, 169, 174 Habig-Goulmy, D., 164 Hackett, ]. W., 153 Hakewill Smith, E., 148-149 Ha/ifax-bommenwerpers, 104 Hall, G. van, 106 Hamburg, 167 Hamel, 1. A. R ]. van, IOO Harmsen, G. W., 102 Hartevelt, C. C. j, 170 Hatta, M., 162 Heaps, 1., 153 Heeris, F. ]., 94 Heiligen der laatste dagen, 167 Helden.Ya S Helfrich, C. E. 1., 165 Heller, 0., 87 Hendrikx, ]. ('Ambrosius'), 144 Hendrix, ]. J. 121-122 Hermse, 1. M. A., 131-132 Herzberg, A. ]., 132 Heuven Goedhart, G. ]. van, 145 Heymans, ]., 93 Heyning, C. T. c., II8 Heywood, Major-General, 92 Hieronymus, F., 169 Hilgers, H., 169 Hillen, c., 168 Hillesum, E., 133 Hilversum, 156 Hindeloopen, 109 Hirschfeld, H. M., 96 Hitler, A., 82, l0S, 156 Hoek Ostende, ]. H. van den, 83 Hoek van Holland,

192 [PDF]
REGISTER OP HET 'OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN'

Hoeven, J van der, 109 Hoge Raad, 127 Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon,

XC178, 179 Holdert, H. M. C, 99 Holst, J van, 148-149 Holthe, E. J van, 140 Holthe tot Echten, M. L. van, 144 Holtrop, M. W., 144 Holvoet, R., 153 Hongerwinter, 151, 152-153 Honig, P., 137 'Hood',102 Hooper, J, 85 Hooyer, G. F., 145 Hooykaas, J P., 102 Hopkins, H., 140 Horst, I. van der, 121 Houten, eh. H. J F. van, 145 Houtman, F. C, 179 Hueting, A. G., 169 Huis van Bewaring I (Weteringschans),

XC123, 151 Hulst, A. van der, 149 Huwelijksrecht, 82 Huygens, I. D. D., 142 Huyts, J, 99 Huijts, J, 99

XClansen, J M. W. C ('Joep'), 124-125 Idenburg, P. JA., 159-160 Illegaliteit, 127, 148 India, 177 Indonesië, Nederlands beleid t.o.v.,

XC176-177 Industrialisatie (Nederlands-Indië), 159 Ingen Housz, A. H., 144 Irene-brigade, 136 Islamietisch recht

XCZie: Rechtswezen Italië, ISS

XCJacob, R. P. 's, 100 'Jacob van Heemskerck', 162-163 'Jamata', 167 Jansen, J, 101 'Janssens', 164 Japan, 167 Japanners, gratieverzoeken van, 179 Java, 157, 158-159, 163, 164, 168, 169, 171, 172, 178 'Java', 162-164 Javase Bank, 142 Jawischowitz, 134 Jehova's Getuigen, 105, 150 J esse, B., 122 Joden, 113 Joden, 'Barneveld-groep', 119 Joden, deportaties, 116 J oden, gearresteerde, 109 Joden, gemengd-gehuwde, 119 Joden, godsdienst, 1]2-133 Joden, onderduik, 113-114, 120, 127 Joden, uitwisselingstransportea, 113 Jodi, A., ISO'Joenio Maroe', 171 Jong, J de, J03 Jong, W.J. de, 164 Jonge, E. de, 108 Jonge, H. G. de, 117 Jonker, W. J, 146 Joodse Raad, J09 Junkers-52, 118 junkers-vliegtuigfabrieken, 117 Kaart, Verbeterd: Deel 3, kaart III, 88; kaart XII, 89; kaart XIV, 89; kaart XXIII, 90; kaart XXVI,91 Deel JOb, kaart XVIII, 156 Deel r ra, kaart I, kaart VI, kaart VII, kaart XIII, kaart XIV, kaart XV, kaart XVI, kaart XVII, kaart XX, 156 1 57 Deel r rb, kaart II, 167; kaart XI, 169, 171 Deel 12, kaart II, 177 Zie ook: Verwijzing, Verbeterd Kaartonderschrift, Verbeterd: Deel loa, kaart V, 144 Deel lob, kaart XI, ISS Kabel, J 1., 109 Kamers van Koophandel, 118 Kan, M. 1., 13 I Kanaaleilanden, ISS

193 [PDF]
REGISTER OP HET 'OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN'

Kantoor voor de Volkslectuur. 160 Kat, W., 130 Kater, H. J, 172 Kaub-Meesters, J M., 130 Kei-eilanden, 166, 169 Kemp, J, II7 Kenpeitai, 168, 170 Kerkgenootschappen, financiële steun

XCgouvernement, 161 Kersten, G. H., l0S Keyzer, H. de, 179 King, H. E., II4 Kirschen, s. ('King'), 146-147 Kist, J G, 135 Kleffens, E. N. van, 139 Klingen, J, 107 Klooster, J van, 121 Kniestedt, W. F., 169 Knil, 80, 166, 169, 171, 174, 175, 179-180 Koboehoe, S., 173 Koch, A. B. J, 156 Koeala Loempoer, 166 Koker, D., 132 Kolonedale, 163 Koning, H., I I I Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en

XCVolkenkunde, 160 Koninklijk Nederlands-Indisch Leger

XCZie:Knil Koninklijke Familie, 102-103 Koninklijke Landmacht, 80, 86, 95 Koninklijke Marine, 80, 93-94 Koninklijke Petroleum Maatschappij, 166 Koopmans. J, 151 Koopmans, JG., 100 Kooten, B. J G van, 149 'Kopenhagen-code', 124 Koran, 160 Kortenhorst, L. G., 118 KPM,I66 Kraus, R, 102 Kriegsmarine, 84, II8 Kriek, D. W. N., 165-166 KRO, 96, 99 Kroniek derJodenvervolging, 132 Kruis, H. J, 139, 145 Kruyt, G J A., 83 Krijgsgevangenen, Duitse, 134, 148 Krijgsgevangenen, geallieerde, ISO Krijgsgevangenen, Nederlandse, ISS Kuilenburg, H. van, 112 Kun, L. G. van der, 148 Kunstschatten, 120 Kuyper, A., 98 Kwint, M. M., 103 Laha, 169 Lalieu, E., 85 Landbouwschap, 175-176 Landelijke Knokploegen Zie: LKP Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers Zie: LO Landraden Zie: Rechtswezen Lanesu/ood, 135 Langenstein, Aussenkommando, 130'Langley', 137 Langwasser, 129 Lapré, S. A., 179-180 Lateraanse verdragen, 82 'Lauwerszee', 140 Leek, H. van der, 130 Leeuw, A. de, 138 Leeuw-Gerzon, M. de, 1J8 Leeuwarden, 89 Leeuwengarde, 100 Leffelaar, H. L., 172 Lekkum, 109 Lennep, W. F. van, 139 Leusder hei, 131 Lichtveld, L. ('Albert Helman'), 152 Lidth de Jeude, 0. G A. van, 137, 145 Ligtenberg, F., 100 Limburg, 146, 148, 149 Lindemans, G A., 147-148 Lingens-Reiner, E., 154 Lissa, 129 LKP,I22 LO, lID-III, 121, 122, 124, 149 Looi, L. van, II2 Lootsma, S., 94 Lourenço Marquez, 163 Lovink, A. H. J, 137, 179 Lovink, A. J H., 162 Lowland Division, 148

194 [PDF]
REGISTER OP HET 'OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN'

'Loyaliteitsverklaring', Beroepsmilitai

XCren, 97, 128 'Loyaliteitsverklaring' (japan, mei 1943),

XC170 Luchtlandingen, Duitse, 90 Luftwaffe, 86, 147 Luitjes, Tj., 169 Luteraan, H., 106 Lutkie, W., 103 'Lijnchefs', 124 Lynden, D. W. van, 129

XCMaagdenburg, ISS Maarsen, I., 132 Maaslinie, 88 Maastricht, 109, 146, ISO MacArthurs hoofdkwartier, 142 Madjapahit, 157 Malaka, Tan, 178 Maleis, 159, 160 Manen, J. van, lID-III Mannenkampen, 172 Manokwari, 166 Mansholt, S. L., 175 Maoemere, 171 Marchant, H. P., 96 Marechaussee, Koninklijke, 91 Market Garden, 146-147 Markwaart, J. A., 149 Medan, 172-173 Medisch Contact, 104 'Medusa'i ça Meelhuyzen, W. A., 170 Meer, A. P. van der, 107 Mekel, J. J. A., 100, 107 Mekog, 144 Melbourne, 175 Melkrantsoenering, 117 Merauke, 169 Meyden, F. J. van der, 121 Meijer, A., 144 Meijers, E. M., 101 MI-5, 142 MI-6,14 2 MI-9, 153 Michels, R C, 153 Middelburg, 148 Midway, Slag bij, 167 Militair beroepskader, 108 Militair Gezag, 145, 146 Militaire Luchtvaart der Koninklijke Landmacht, 322 (Dutch) Squadron, 139 Militaire missie, Britse, 92 Militaire tucht, 139 Mill,89 Ministeries Eerste ministerie-Beel, 176-177 Eerste ministerie-Colijn, 103 Vierde rninisterie-Colijn, 84, 149 Vijfde rninisterie-Colijn, 84, 137, 163 Tweede rninisterie-De Geer, 84 Ministerie-Heemskerk, 162 Tweede ministerie-Ruys de Beerebrouck, 103 Ministeries (Indonesië) Eerste rninisterie-Soekarno, 173-174 Miskotte, K. H., 142 Missie, 161 Mobiele Eenheid Zie: Knil Model, W., 147 Modjopahit, 157 Moerdijkço Moermansk, 114 Montfort (Limburg), 148 Mook, H. J. van, 137, 165 Morison, S. E., 105 Mormonen, 167 Mountbatten, L., 174 Mühlberg, ISS München, 154 Muralt, W. J. J. de, 149 Musea,I20 Mussert, A. A., 156 MWO, ISS Mijnlieff, F. R, 106 Nahas, G., 125 NAS,82 Nationaal Jongeren Verbond, 97 Nationaal Steunfonds, 152 Nationale Dagblad, Het, 103 Naudin ten Cate, W., 84 Naus, J. J., 144 Nauta, E. L., 148-149 NCSV,98

195 [PDF]
REGISTER OP HET 'OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN'

Nederduitse Hervormde Kerk, 81 Nederlander, De, 98 Nederlands Arbeidsfront, 104 Nederlands Zendeling Genootschap, 161 Nederlandse Doken Scheepsbouw

XCmaatschappij, II8 Nederlandse Hervormde Kerk, 142, 143 Nederlandse Kultuurkamer, 106 Nederlandse Opbouwdienst, 100 Nederlandse Unie, 101, 102 Nederlands-Indië, tijdelijkheid kolo

XCniaal regime, 162 Nefis, 178-179 Netherlands Forces Intelligence Service

XCZie: Nefis Netherlands Indies Civil Administration

XCZie: Nica Nias, 161 Nica,I75 Nieuw Geuzenliedboek, Hel, 123 Nieuwe Koerier, De, 98 Niftrik, ]. G. van, 107 'Nippon-werkers', 168 NKV,176 Noordaa, E. van der, 153 Noord-Holland, 96 Noothoven van Goor, G. B., 135 Norden, W. van, 119 NSB,83 Nuboer, ]. W. E, 135 NVV, 103-104, 176 NWO,I55 Nijhoff, W., 106 Nijmeegs Dagblad, 96 Nijmegen, 147 Nijmegen, bombardement, J28

XCOchten, 92 Ockenburg, vliegveld, 88 OD, 106, 130, 144 Oever, ]. van den, 109 Olcott Park Hotel, 168 Oldehove, 122 Ommen, kamp, II6, 121, 131 Omta, A., 122 Ondergang, 132 Onderwijs (Nederlands-Indië), 159-160 'Op ten Noort', 163 Openbaar Ministerie (Londen), 140 Oogst, schattingen van de, 119 Oogstgaren, 119 Oorlogsmisdrijven, 140 Oosterbeek, 147 Oranjegarde. 100 Oranjehuis Zie: Koninklijke Familie Oranjewoud, 110 Ordedienst Zie: OD Ortha, ]. E, 87 Oss, zaak-, 149 Ouwehand, C, 169 Overschie, 92 Oyen, L. H van, 168 Pacific War Council, 137 Padang, 162 Pakistan, 177 Palestina-certificate, 138 Pannekoek, A. ]., 156 Parool, Het, II9 Pathuis, H, 97 PBC, 121 Pearl Harbor, 136, 163 Peekema, W. G., 136 Peel-Raam-stelling, 85 Peelen, ]., 153 Pegasus I, operatie, 153 Pemoeda's, 178 Pennings, J, 125 Perhimpoenan Indonesia, 176 Perhimpunan Pegatvai Bestuur Boemipoetra (Vereniging van Ambtenaren van het Inheems Bestuur), 162 Persoonsbewijs, 141 Persoonsbewijzencentrale Zie: PBC Persoonsbewijzensectie, 122 Peter III van Joegoslavië, 121 Petitie-Soetardjo, 136 Phaff, H. J, 135 Philips-fabrieken, roof, 145-146 Philips-groep, 132, 134 Phohi-zender, 97 Pieron, A. E ]., 171 Pierson, Heldring & Pierson, 97, 106

196 [PDF]
REGISTER OP HET 'OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN'

Plassche, J G. M. van de, 135 Poelje, G. A. van, 96 Poeloe Brayan, 172-173 Pol, H H. J van de, 96 Politionele Actie, Tweede, 179 Poll, W. N. van de, 164 Poole, J L. le, 100 Portugal, 175 Post, J, 122, 123, 144 Post, L. van der, 165-166 Presser, J, 132 'Prince of Wales', 166 Protestantse Kerk in Nederlands-Indië

XC('de Indische kerk'), 161 Provinciale en Nijmeegse Courant, De, 96 Pruys, G., 122 Purmerend, 128 Pijnacker, lIS Pyreneeën, 138

XCQuispel, H. V., 165

XCRaatgever, JG., 103 Raaymakers, J A., 149 Rabagliatti, W. H. R., I07 Radm,136 Radio,8I Radio Hilversum, 151 Radio Nederland Wereldomroep, 177 Radio Oranje, II7 Radio-uitzendingen, 81, 151 Randwijk, H M. van, 143-144 Rangen, 137, 171 Rantsoenen, Calorische waarde der dage

XClijkse, 150, 151 Ratoe Langie, G. S. s. J, 175 Razzia's, 128 Recht, Islamietisch, 160 Rechterlijke macht, II6 Rechtspositie der inlandse Christenen,

XC161 Rechtswezen (Nederlands-Indië), 160 Reeskamp, H, IlO Regenten, 162 Regeringscommissariaat voor de Repa

XCtriëring, 149 Regeringspersdienst, 91 Regeringsreglement 1854, 161 Reichenbach, Aussenkommando, 154 Reichsrundfunk, 156 Religieus-Socialistisch Verbond, 97 Rembang, 164 Rens, J, 125-126 'Renville'-overeenkomst, 177 Repatriëring, 176 Represaille, Duitse, 152 'Repulse', 166 Reuchlin, M., 146 Reijntjes, W. C, 105 Rhenen, 90, 92 Rhijn, A. A. van, 149 RKWV, 1°3-1°4 'Rode Zee', 140 Roebers, J H., 110 Röell, A., 96 Roland Holst, A., 106 Rombouts, R., 144 Romeyn, H., 126 Rommel, E., 114 Rood, C, 133 Roode, A. A. de, III, 124 Roos, A., 1I6 Roos, C, 1I6 Roosevelt, F. D., l0S Rooy, M., 99 Roozendaal, R., 1I4 Rotterdam, bombardementen, 93, 1I7, 137-138 Rotterdam, gijzelaars van, 109, 130 Royal Air Force, 137-138, 139 Royal Army, 156 Royal Navy, 85, 162 Royen, J H van, 85 Roijen, J. H. van, 150 Ruler, A. A. van, 178 Rundfunkbetreuungsstelle, 99 Ruppert, M., I04 Rutgers, V. H, 127 Ruys, Th. A. W., 151 Ruyter van Steveninck, A. Cde, 136 Rijksbureau voor wol en lompen, 1I8 Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie,79 Rijstteelt, 158-159 Rijswijk, 154

197 [PDF]
REGISTER OP HET 'OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN'

Salomonson, H., 130 Sanders, W. E., 126 Sannes, H. W. ]., 84 Sant, F. van 't, 141 Sarlouis, L. H., 101 Schaik, G. van, 116 Schaper, H., 139 Scheepsbouw, Nederlandse, 118 Scheepvaart, 85 Scheepvaartfonds, 138 Scheers, A. r, 130 Scheveningen, Polizeigifängnis, 116 Schiermonnikoog, 93 Schilder, K, 98--99 Schimmelpenninck, ]., 106 Schimmelpenninck, R. ]., II7 Schipper, G. E., 149 Schoemaker, W. ('Miki'), 125 Schoorl, kamp, T 3 I Schouten, ]., 106, 113 Schouwen, ISO Schrader, B., 152 Schreieder, ]., II2 Schreuder, B., 129 Schürmann, C. W. A., 146 Schuster, A., 132-133 Schijvenschuurder, L., 101 Scobie, R., 154 SD, II4, 120, 122, 124, 125, 154, 155 SDA.P, 81, II2 Seelen, G. ]. H., 85 Seyss-Inquart, A., 154 Sicherheitspolizei und SD

XCZie: SD Silbertanne-acties, 128 Singapore, 136, 163 Six, P., II2 Six, P. J. 144 'Slob, N.', 152 'Sleet van de Beele', 164 Slotemaker de Bruïne, G., 127 'Smith', 170 Smits, R. E., 142 Sneevliet, H. ]. F. M., 162 Snell, G. L., 169 Société Internationale de Plantation et de Fi

XCnance, 170 sos.i.» Soebang, 165 Soegijama, H. 168 Soekaboemi, 165 Soekamiskin-gevangenis, 170 Soekarno, 178 Soelawesi, 175 Soerabaja, 170 Soltikow, M., 87 Somer,]. M., 124, 137, 145, 151, 178-179 Sonderman, G., 107 Sonderoerband Heeke, 87 Sonsbeeck, W. G. A. van, 145 South Mimms, 135 Sowjet-Unie, 82 Spaendonck, B.J. M. van, 118 Spanje, 175 Speleers, H., ISO Speyart van Woerden, E. L. M. H., 149-150 Spier, ]., 134 Spit, H ].,168 Spitzen, D. G. W., 96 Spoor, S. H., 142 Spoorwegstaking, 152 SS, 89 SS-Scharführer, 129 SS-Standarte Gross-Deutschland, 95 St. Michielsgestel, 109, 150 Stakirigen Twentse textielindustrie, 82 Stalma, H ].,171 Stanislau, 129 Staten-Generaal, 158 Steen, G., 106-107 Stelma, H j., 171 Steyn van Hensbroek, ]. K H., 170 Stikker, D. 0., 104 Stöver, 109 Stok, H. van der, III 'Stoke, Melis' (Herman Salomonson), 13° Stoomvaart Maatschappij Nederland, 163 Stoottroepen Zie: BS Storm-SS, 105 Straatsburg, 117 Straelen, P. B. M. van, 164 Strafgevangenis 'de Koepel' (Arnhem), 123 Straten, N. L. W. van, 136

198 [PDF]
REGISTER OP HET 'OVERZICHT VAN WJ]ZIGINGËN'

Studenten, II7, 121 Studenten, protest, 114 Sumatra, 163, 170, 175 Sumatra, interneringskampen, 172 Suriname, 138 Syrië, 101

XCTanimbar-eilanden, 166 Tasikmalaja, 171 'Te Werve', 154 Tekst, Verbeterd:

XCDeel 4, p. 938, noot I, 101

XCDeel 5, p. 557, r. 6 v.o., 104

XCDeel 6, p. 756, r. 6 v.o., II7

XCDeel 7, p. 1348, r. 4 v.o., 128

XCDeel 8, p. 226, onder D, 130; p. 234, r. 16, 130

XCDeel 9, p. 266, r. 2, 136; p. 380, r. 17, 137; p. 399, r. 5, 137; p. 581, r. 3. v.o., 138; p. 646, r. 17, 139; p. 768, r. 3, 140; p. 815, r. II, 141; p. III4, r. I, 14 2 Deel toa, p. 250, r. 8, 145; p. 31I, r. 4, 14 6

XCDeel rob, p. 188, r. 19 v.o., 151; p. 246, r. 8 v.o., 151; p. 357, r. 8 v.o., 151; p. 392, noot 2, r. 7 v.o., 151; p. 815, noot I, r. 3 v.o., 154; p. 917, r. 8 v.o., 154; p. 1016, r. 14 v.o., 154; p. 1I47, r. 13, 155; p. 1432, noot 2, 156

XCDeel r ra, p. 698, r. I, 163

XCDeel IIb, p. 19, r. 5 v.o., 167; P: 27, r. I V.o., 167; p. 220, r. 5, 167; p. 263, r. 5, r. 8-II, 168

XCDeel IIC, p. 323, r. II, 174; p. 703, r. 4, 175 Deel 12, p. lI8, r. 2 v.o., 176; P: 184, noot I, r. 4 v.o., 176; p. 621, r. 3,177; p. 1009, r. 12, 179 Telegraaf, De, I09-IIO Televisie, 176 Teljeur, G., 169 Tepperna, P. E., 139 Terlaak, J, 108 Termijtelen, J W., 136 Termoten, J, 9 2 Theresienstadt, 134 'Thomas van Aquino', lI7 Thijssen, J, 112, 146-147 'Tirpitz', 139 Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, A. W. L., 136 Tjiater-pas, 165 Tjideng-kamp, 172 Tjilatjap, 164 Tjioemboeloeit, 170 Todeskandidate, 155 Tombe, J. ~. W. des, 177 Trip, B., 1I8 Tromp, Th. P. ('Harry'), 125, 152, 153 Tromp, Th. Ph., 125 'Tromp', 163 Tunesië, 114 Twentev Sz Tijd, De, 103 Tijn, G. van, 109 U-Boole, 140 Uhlenbeck, E. M, 160 Universiteit van Amsterdam, lI7 u.s. Airforce, 1I7, 120, 137:-138, 167 U.S. Army, 155 U.S. Navy, 162, 167 Utrecht (stad), 156 Uijterschout, I. L., 129 V-z, 154 Vaart Smit, H. W. van der, 83 Vaderlands Comité, 127 Valkenburg, vliegveld, 87-88, 90 'Van Kinsbergen', 135, 175 Vandermeerssche, G., 130 Varsseveld, 152 Veen, G. J van der, IlO Veerman, P., 125-126 Veld, J in 't, 97 Velde, K. ten, 170 Velden, D. van, 168 Veldmeijer, S., 129 'Velo', 106 Velp, 130 Velsen, 144 Veluwev Sç Verbond van Nederlandse Werkgevers, 104

199 [PDF]
REGISTER OP HET 'OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN'

Verenigde Oost-Indische Compagnie,

XC157, 161 Verhage, M., 125 Verhoeven, F. E. J, 173 Verkiezingen Tweede Kamer der Staten

XCGeneraal 1935, 83 Versteegh, P., 106 Verwijzing, Verbeterd:

XCDeel lob, p. 842, r. 13, 154

XCDeel r rb, p. 529, r. 2, 171; P·.754, r. 3 v.o., 172; p. 765, r. 2, 172 Verzetsgroep-Badrian, 121 Verzorgingsgroep-'de Groot', 121 Vessem, A. J van, 83 Victoria, Koningin, 174 'Victory Program', 105 Visscher, H., 98 Visser, H., 169 Vleesdrager, H., 138 Vliegtuigen, ontsnapping van, 93 Vlissingen, 148 Vlodrop, 87 Vloet, X., 171 Vluchtelingen, Duitse, 89 Vluchtelingen, Joodse, 84 Vogt, P., 166 Vogt, W., 96 Volksraad (Nederlands-Indië), 136 Volkstelling (1?30), 159 Voorburg, II5, 124 Voorst Evekink, D. van, 139 Voort van Zijp, G van der, 83 Vorrink, A., II2 Vorrink, J J, II2-II3 Vredenburch, H. F. L. K van, 91 Vredenburch, H. L. F. K van, 86 Vries, H. J de, 165 Vries, W. de, II6 Vrouwenen kinderkampen, 172 Vrij Nederland, 143-144 Vrije Westfries. De, 99 Vrijmetselarij, 98 Vught, kamp, 131-132, 134, 154 Vullinghs, H. J J, 146 Vijfde Colonne, 90 Vijver, J. F. van de, 136, 149

XCWaal, wet-de, 158 Waalhaven, vliegveld, 88 Waals, A. van der, 107, II2 Waals, G. H. M. van der, 129 Waalwijk, 145 Waffen-SS, 86 Wakker, D. L. G., 151 Walda, R., 109 Walsurn, G. E. van, 98, lal, 102 Wamar, 174 Wamsteeker, H., I04 War Department, 143 War-bonussen, 141 Warners, G J, 141 Wassenaarse Slag, 91 Wavell, A., 137 Weert,122 Weg B, 126 Wehrmacht, 89, 95, 114, ISO, 153, ISS Weinreb, F., 120 Welter, Ch. J I. M., 136 Welter, J L., 169-170 Wereldraad van Kerken, 138 Weren, L. van, 134 Werkkampen, II3 Werner, Ph., 149 Werner, P. H., 80n Werumeus Buning, J. W. F., 106 Wervelwind, De, 143-144 Wessels, G, lal Westerbork, 89, II9, 132-133 Westervoort, 89 Westmaas, 106 Wet op de Bedrijfsorganisatie, 175-176 Wet op de Indische staatsinrichting, 16 I Weteringplantsoen, fusillering aan het, 151-152 Wichmann, E., 83 'Wilde, A. de', II2-II3 Wilde, J. A. de, I02 Wilhelmina, Koningin, 85, 135, 143, 145, 176-177 Willem I, Koning, 161 'Willem van der Zaan', 86 Willemsoord, 157 Wilmár, V. E., II2 Winkelman, H. G., 88,93, 128 Winkler, M. F., 170 Winsten uit Nederlands-Indië, 159 Wolf, D., 96

200 [PDF]
REGISTER OP HET 'OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN'

'Wolseley', 1I2 Wolters, A., 146 Woltersom, H. L., 1I8 Wolverhampton, 139 Woodbrookers, Arbeidersgemeenschap

XCvan,97 Woppenkamp, H., II6 Woudschoten, 98 Wijkerslooth, F., 100

XCYap Swie Siang, 162 Yap Tjwan Bing, 162 Ymkers, A. ]., IlO IJmuiden,94 Ypenburg, vliegveld, 88 Ijssel, ISS

XCZaak-Oss, 149 Zaaijer, j., 152, 177 't Zandt, 119, 122 Zeeland, 83, 95 Zeelieden, rechtspositie, 140 Zeesleepboten, 140 Zefat, B., 120 Zeist, 144 Zelfmoorden, 94 Zeist, L. van, 121 Zending, 161, 162 Zentralstelle [ür jüdische Ausu/anderung, 109 'Zeven Provinciën, De', 82 Zevende Dag-Adventisten, 167 Zickwolf, F., 86 Zitsewitz, H. von, 86 Zöpf, W., 1I3-114 Zuid-Beveland, 148 Zutphen, ISS Zuurbier, B., 82 Zwitserse Weg, 125-126 Zwolle, ISO Zwolsman, R., 152

201 [PDF]

Overzicht van wijzigingen

XC

Overzicht van wijzigingen

XC

XCIk hoop dat uit het voorafgaande gedeelte ('Verantwoording') blijkt dat ik mijn opdracht zo zorgvuldig mogelijk heb uitgevoerd - desniettemin heb ik van meet af aan geweten dat mijn werk onvolkomenheden zou bevatten: ten eerste was het mensenwerk en dus feilbaar, ten tweede is er altijd heel veel meer gebeurd dan uit de bewaardgebleven documentatie blijkt, en ten derde heb ik van die documentatie slechts een deel kunnen bestuderen. Er is door medewerkers van Oorlogsdocumentatie en door mijzelf met in totaal enkele duizenden tijdgenoten gesproken maar er zijn er uiteraard heel veel meer met wie niet gesproken is. Uit de bewaardgebleven archieven heb ik, zoals uiteengezet, een keuze moeten doen. De beschikbare litteratuur, betrekking hebbend op een bepaald deel, heb ik kunnen bestuderen voordat ik dat deel ging schrijven, maar was het af, dan had ik, aan volgende delen bezig, over het algemeen geen tijd om mij te verdiepen in de litteratuur die nadien uitkwam. Ik wees daar al op maar het heeft zin, een enkel cijfer te geven. Welnu, van I970 af zijn in ons land per jaar gemiddeld ca. 200 oorspronkelijke studies verschenen, vele kort, andere uitgebreid, die op de door mij beschreven materie betrekking hebben - een klein deel (en dan vooral die werken welke over Nederlands-Indië en over de naoorlogse periode handelen) heb ik gelezen, een groot deel niet. Ik twijfel er niet aan of er bevinden zich in de duizenden na I970 verschenen maar door mij niet gelezen studies gegevens die mij, las ik die studies alsnog, aanleiding zouden geven mijn teksten op bepaalde punten te herzien - dat laat ik nu na. Ging ik wèl tot die herziening over, dan zou dat enkele jaren werk betekenen - werk bovendien dat onvermijdelijk een onvolledig karakter zou dragen, want er zouden na die enkele jaren weer nieuwe studies gepubliceerd worden. Geschiedschrijving is nooit 'af.

XCHoe zijn dan de wijzigingen die nu volgen, tot stand gekomen?

XCZij zijn voor een klein deel gevolg geweest van het feit dat ik zelf bepaalde onjuistheden constateerde, voor een veel groter deel van de

OVERZICHT VAN WIJZIG IN.G EN

omstandigheid dat anderen (willekeurige lezers van mijn werk' dan wel auteurs van gepubliceerde kritische beschouwingen) opmerkingen maakten die mij juist leken. Het gevolg was dat de tweede (en latere) drukken van de verschillende delen in de regel al enkele tientallen wijzigingen bevatten. Maar hoe konden die wijzigingen onder de aandacht worden gebracht van de grootste groep lezers: de lezers van de eerste drukken? Noodzakelijk leek het mij om in dit deel een volledig overzicht op te nemen van alle wijzigingen die ik reeds aanbracht maar ook van die welke ik nu alsnog wil aanbrengen.

XCDit overzicht volgt thans.

XCIk maak er de volgende opmerkingen bij:

XCI. Correctie-fouten hebben alleen dan tot aangegeven wijzigingen geleid, wanneer zij zinstorend waren.

XC2. Onjuistheden in de (in oorlogstijd frequent verhoogde) rangen van militairen hebben alleen bij militairen van de Koninklijke Marine, de Koninklijke Landmacht en het Koninklijk Nederlands-Indische Leger tot wij zigingen geleid.

XC3. Ik heb de wijzigingen aldus aangegeven dat eerst het onderwerp wordt vermeld waarop zij betrekking hebben.

XC4. De wijzigingen zijn gegroepeerd per deel en binnen elk deel naar de pagina-volgorde.

XC5. Soms heb ik wijzigingen aangebracht in mijn beoordeling van personen of in de vermelding van gegevens die tot die beoordeling konden bijdragen - het leek mij wenselijk om de lezer speciaal op die wijzigingen attent te maken; zij zijn vóór het onderwerp aangegeven met het teken *.

XC6. Een beperkt aantal wijzigingen draagt het karakter van een aanvulling van de tekst. Belangrijke aanvullingen zijn eveneens met het teken * aangegeven.

XC7. De mogelijkheid bestaat dat deel 14 een opgave zal bevatten van aanvullende wijzigingen (met name in deel 12: Epiloog) waartoe ik na het afsluiten van de kopij voor dit deel zou willen overgaan.J.

, Aan twee hunner: rnr. M. G. A. Dronkers (Den Haag) en drs. P. H. Werner (Velp), ben ik in het bijzonder dank verschuldigd, omdat zij mij van de verschijning van deel 6 aflijsten deden toekomen van onnauwkeurigheden die huns inziens in de verschil lende delen voorkwamen.

Deel 1: 'Voorspel'

XC

XCBEGIN RADIO (p.20, r. 17 e.v.).De PIT opende in 1904 in Scheveningen een voor het publiek bestemd radiostation; dat werd meer en meer van belang voor de koopvaardijvloot. De marine kreeg eigen radioverbindingen.

XCNEDERLANDSE HERVORMDE KERK (p.25, r.4 V.O.). De aanduiding 'Nederduitse Hervormde Kerk' is onjuist (idem P.78, r. 3 v.o. en P.360, r.6).

XCTWEEDE ARBEIDERS INTERNATIONALE (p.34, r.I7). Is opgericht in 1891.

XC'MARXISTEN' IN DE SDAP (p.36, r.20 e.v.). Onder leiding van D. J. Wijnkoop, W. van Ravesteyn en J. c. Ceton (die uit de SDAP geroyeerd waren) hadden de 'Marxisten' met hun weekblad De Tribune een groep van ca. vijfhonderd volgelingen in de Sociaal-Democratische Partij bijeengebracht.

XCKONING IN -MOEDER EMMA IN NO VEMBER 1918 (p. 5I, r. 25). Zij was toen zestig jaar.

XCEERSTE RADIO-UITZENDINGEN (p.82, r.6 e.v.). In 1910 was ir. H. H. Schotanus à Steringa Idzerda met de eerste uitzendingen begonnen. De eerste regelmatige vonden van december '20 af in Amsterdam plaats: de beurskoersen. De Vereniging voor de Effectenhandel droeg er ten behoeve van abonnees zorg voor met een zender waar het persbureau Vaz Dias ruim een jaar later gebruik van ging maken voor het uitzenden van nieuwsberichten, ook al alleen voor abonnees.

XCRADIOBESTEL (p. 82, r. 27 e.v.).De vrijheid waar de omroepverenigingen over beschikten, droeg een beperkt karakter. Voor beide zenders, Hilversum en Huizen, gold dat alle programma's onder de preventieve en repressieve censuur stonden van de Radio-Omroep-Controle-Commissie. De programma's moesten tevoren aan die commissie voorgelegd worden, elke te spreken tekst moest tevoren ingezonden worden. Daarbij hield de commissie de regel aan dat politieke uitzendingen die een duidelijk polemisch karakter hadden, uit de aether geweerd dienden te worden.

OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

STAKINGEN IN DE TWENTSE TEXTIELINDUSTRIE (p·98, r. IS). Vielen in dejaren '31 en 'p.

XCHET NAS (P.99, noot 2). Was syndicalistisch, niet anarchistisch (P.I07, r.27)·

XCBELASTIN G DR UK 1920-2 I (p. 1°3, eerste alinea). Tot '3 I moest behalve rijksinkomstenbelasting ook gemeente-inkomstenbelasting worden betaald.

XCOPRICHTING COMMUNISTISCHE PARTIJ (p. ro8, laatste alinea). Juiste datum: 17 november '18.

XCHITLERS VEROORDELING IN 1924 (p. 157, tweede alinea). Van de vijf jaar tuchthuisstraf was vier-en-een-half jaar voorwaardelijk opgelegd - Hitler kwam in oktober '24 weer vrij.

XC'DE ZEVEN PROVINCIËN' (p. 175-76). De passage over de betrokkenheid van de Komintern vervalt. Er staat een betere tekst in deel I I a, P·373·

XCDE OVERVAL OP CURAÇAO (p. 192, laatste alinea). Deze vond plaats op het gouvernementscentrum, het Fort Amsterdam.

XCDEP LAN - EC 0 NOM IE IN DE SOW J ETU N IE (p.224, laatste alinea). Begon in '28.

XCDE LATERAANSE VERDRAGEN (1929) EN HET HUWELIJKSRECHT (P.243, r. 20 e.v.). Dat 'alle Italiaanse huwelijken voortaan kerkelijk gesloten (moesten) worden', is niet juist: wie dat wilde, kon het bij een burgerlijk huwelijk laten. Een kerkelijk huwelijk had evenwel dezelfde rechtskracht en de paus verbood de katholieken een burgerlijk huwelijk te sluiten. Niet alleen de kerk kende de echtscheiding niet maar deze kwam ook in het uit 1865 daterende Italiaanse Burgerlijk Wetboek niet voor.

XCBERTUS ZUURBIER (p.248, r.x). Zuurbier nam aan de raadsvergaderingen deel en voerde een aantal malen het woord - de pers nam er volgens onderlinge afspraak niets van over. Hij werd niet herkozen.

DEEL I

ERICH WICHMANN (P.269, eerste alinea). 'Wichmann', aldus een ooggetuige, 'voerde de hele nacht geen klap uit en deed niets dan warhoofdig kletsen en drinken.' (J. H. van den Hoek Ostende: 'Zuurbier in de raad', Amstelodamum, 1963, p. 1-6).

XCMA]OOR C. ]. A. KRUYT (P.274, r. 5). Was majoor b. d. van de Koninklijke Landmacht.

XCHET BELGISCH VERDRAG (p. 281, r. 17 V.O.).Werd in november '26 door de Tweede Kamer goedgekeurd en in maart '27 door de Eerste verworpen.

XCMR. A. j , VAN VESSEM (p. 282, r. 12). Was in Rotterdam geboren en geen vluchteling uit België.

XCDE NSB BI] DE VERKIEZINGEN VAN 1935 IN ZEELAND (P.302, r.I9 e.v.). In Zeeland deed de NSB verscheidene partijen kiezers verliezen, daaronder ook Kerstens Staatkundig Gereformeerde Partij. * MR. A. D. VAN BUUR EN (p. 337, r. 8 V.o. e.v.). Bij Musserts bezoek aan Italië hielp hem, op verzoek van de Italiaanse gezant in Den Haag, mr. A. D. van Buuren, goed kenner van Italië en het Italiaans. Er is ten onrechte van hem vermeld dat hij lid was van de NSB.

XCKARL BARTH (p. 360, r. 12). Was een Zwitserse theoloog die enkelejaren in Duitsland had gedoceerd maar zich in '35 in Bazel had gevestigd. * DR. H. W. VAN DER VAART SMIT (p. 361, r. 18 e.v.). Werd in september '36 geheim lid van de NSB. Hij kreeg in dat jaar op eigen verzoek eervolontslag als predikant bij de gemeente die hij zeven jaar had gediend; 'gestoorde onderlinge verhoudingen' waren daar debet aan. Overigens werden juist in '36 Nazileer en NSB door de gereformeerden veroordeeld, principieel en algemeen, d.w.z. door de kerkelijke gemeenschap. * DS. C. VAN DER VOORT VAN ZIJP (P.36I, r.z V.O.).Zijn naam moet geschrapt worden - hij was geen medestander van Mussert. * COMITÉ VAN WAAKZAAMHEID (p. 368, r. Ia V.o. e.v.). Op de oprichting daarvan had de schrijver E. du Perron al in '34 aangedrongen. Hij en Menno ter Braak behoorden tot de initiatiefnemers.

OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

Franse Comité de Vigilance des Anti-fascistes intellectuels een 'communistische mantelorganisatie' noemde. * H. W. DETERDING (P.394, eerste alinea). Het citaat uit Meyer Schwencke's artikel waarin antisemietische uitspraken werden weergegeven welke Deterding zou hebben gedaan, dient te vervallen. Overigens blijkt uit niets dat de situatie waarin de Joodse bevolkingsgroep in Duitsland kwam te verkeren, enige afbreuk deed aan de positieve gevoelens welke Deterding ten aanzien van Duitsland was gaan koesteren.

XCDE KRIEGSMARINE IN SEPTEMBER' 39 (P.463, laatste alinea). Telde o.m. 22 torpedobootjagers en 56 U-Boote.

XCOPPAKKEN JOODSE VLUCHTELINGEN IN DECEMBER' 38 (p.542, laatste alinea). De juiste datum is 19 december.

XCZAKGELD VOOR JOODSE VLUCHTELINGEN (p. 543, r. 13).Was 40 cent per week, niet per dag.

XCVORMING VIERDE KABINET-COLIJN (p.659, r. 9). Noch de liberalen, noch de vrijzinnig-democraten waren bereid, de passage over het 'positief-christelijke' karakter van het te voeren beleid te aanvaarden. Het gevolg was dat in Colijns vierde kabinet drie in plaats van vijf partijen vertegenwoordigd waren.

XCHET VIJFDE KABINET-COLIjN (p.667, r.7). Het telde zes, niet zeven nieuwelingen.

XCG. W. SANNES (p.690, r.I5 v.o.). Is ten onrechte als H. W. J. Sannes aangeduid.

XCGERBRANDY'S TOETREDEN TOT HET KABINET-DE GEER (p.697, slot eerste alinea). Hierbij speelde ook een rol dat zijn verhouding met het bestuur van de Vrije Universiteit, dat kort tevoren o.m. had geëist dat hij al zijn nevenfuncties zou neerleggen, grondig was verstoord.

XCW. NAUDIN TEN CATE (p.727). Was lid van de CHU, met liberale

Deel 2: (Neutraal)

XC

XCKONINGIN WILHELMINA EN DE KABINETSFORMATIE IN 1901 (P.32, r. 3 V.O.). De bedoelde generaal was niet W. Cool maar A. Kool, chef van de generale staf.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na P.56, foto 17). Moet luiden: 'Duitse soldaten op weg naar Polen 'om Joden een pak slaag te geven'.' Een wel heel domme vertaalfout! Maar ik had dan ook bij mijn gymnasiaal eindexamen een onvoldoende voor Duits. * EMILE LALIEU (p.76, r. II-IO v.o.). De zin 'Tijdens de bezetting bleef hij allerlei werkzaamheden voor de Abu/ehr verrichten' vervalt. * JACKIE HOOPER EN DE ABWEHR (p.84, r. 1-5). De mededeling omtrent Hoopers contact met de Abwehr vervalt.

XCDR. J. H. VAN ROljEN (p.98, r.8 V.O.). Zijn naam is in de delen 2,3,4, 5,7 en 9 abusievelijk aangegeven als: van Royen.

XCKOSTEN VER B LIJF SCHEPEN IN HA VENS (p. 169, r. 10).f 1000 of f 2000 per dag waren de totale kosten, niet alleen het liggeld.

XCG. J. H. SEELEN (P.233, r. 17). Was in die tijd inspecteur van politie te Maastricht.

XCGENERAAL CARSTENS (p.236, r. 15 V.O.). Was sous-chefvan de generale staf, niet chef van de landmachtstaf.

XCDISPUUT OVER DE PEEL-RAAM-STELLING (P.255, kaart VIII). Verzuimd is, het door Belgisch Limburg lopende deel van de Zuid- Willemsvaart aan te geven. Generaal Winkelman wenste dat de Belgen achter de westelijke oever troepen zouden opstellen. * GEHEIM CONTACT MET DE BRITSE MARINE (p.267-68). Toegevoegd moet worden dat op Brits verzoek tussen 4 en 9 mei '40 ook de nodige gegevens over de ligging van de Nederlandse mijnenvelden aan de Admiralty zijn verstrekt.

OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

JHR. MR. H.F. L. K. VAN VREDENBURCH (p.273, noot 3). Zijn voorletters zijn onjuist aangegeven en hij was in die tijd niet kabinetschef van Buitenlandse Zaken maar sous-chef van de afdeling diplomatieke zaken. * BEWERING VAN DE ABWEHR-OFFICIER RICHARD GERKEN (p. 320, r.2-1 V.O.). Deze bewering over 'een hoogst interessante Nederlandse bron' moet beschouwd worden als een produkt van's mans fantasie.

XCDE DUITSE AANVAL OP DE GREBBELINIE (p.338, r.8 V.O.). De twee Duitse divisies en de twee regimenten waren numeriek niet zwakker dan de vier Nederlandse divisies.

XCDE DUITSE VERKENNING VAN DE GREBBELINIE (p.341, tweede alinea). Deze werd niet door Generalmajor F. Ziekwolf uitgevoerd maar door Oberst H. von Zitsewitz, chef-staf van het Armee-Oberkommando 18. De stafbespreking bij von Bock vond niet op 30 maar op 20 maart plaats.

XCDE WAFFEN-SS-EENHEDEN BIJ DE AANVAL OP NEDERLAND (p.358, r. 5-9). Deze zin vervalt.

XCDE DUITSE SCHATTING VAN DE STERKTE VAN HET NEDERLANDSE VELDLEGER (p. 358, noot I). Ten onrechte is vermeld dat de schatting betrekking had op de Nederlandse Landmacht.

XCVERBETERDE FOTO-ONDERSCHRIFTEN (na P.360). Foto 78 is een opleidingsvliegtuig van de Marineluchtvaartdienst, foto 79 een gevechtsvliegtuig. Het onderschrift van foto 85 moet luiden: Een patrouillevaartuig bij Den Helder, en dat van foto 91: Een mitrailleurkoepel die nog met beton en aarde omgeven moet worden.

XCHET IOC M - V EL D GES c a U T (p. 368, r. 18 e.v.). Dit geschut is ten onrechte als 'niet werkelijk up-ta-date' aangeduid; wat ontbrak waren moderne houwitsers.

XCDE TEGEN NEDERLAND INGEZETTE BOMMENWERPERS VAN DE LUFTWAFFE (p.378, r.II). Hetjuiste aantal is 260.

XCDE 'WILLEM VAN DER ZAAN' (p.380, r.4 V.O.). Was in '39 gereedgekomen, niet in '38.

DEEL 3

VERDEDIGING VAN GRONINGEN, DRENTE EN FRIESLAND (p.390, derde alinea). De beschikbare troepen waren wel in linies opgesteld maar er waren nog geen verdedigingswerken aangelegd.

XCVERDEDIGING GREBBEBERG (p.396, r. II-I2). Niet het Grebbefront had een breedte van 4 km maar de voorpostenlijn voor de Grebbeberg.

XCONTRUIMING OOST-NEDERLAND (p.420, r. 14-13 V.O.). De provincie Groningen moet worden toegevoegd.

XCDR. MICHAEL GRAF SOLTIKOW (p.46S, r. IS-II V.O.). Zijn betrokkenheid bij het uitwissen van de sporen van wat Oster had gedaan, staat niet vast.

XCDE DUITSE OVERVAL OP DE MARECHAUSSEE-KAZERNE TE VLODROP IN DE NACHT VAN 7 OP 8 MEI' 40 (P.48o-84). De twee personen die de brug bij Roosteren wilden verkennen, gingen op maandag 6, niet op dinsdag 7 mei op pad. Dit waren de Nederlander J. F. Orta (niet Ortha) en de Sudetenduitser O. Heller. Beiden werden aangehouden en naar de marechaussee-kazerne te Vlodrop overgebracht. Orta beweerde onderweg te zijn naar zijn moeder in Susteren en werd vrijgelaten, Heller in arrest gehouden. Het was Orta die de Abwehr-officieren in het kamp Arsbeek waarschuwde en de in de nacht van 7 op 8 mei ondernomen overval op de kazerne te Vlodrop diende er toe om Heller, niet Orta, te bevrijden. Deze laatste werd vervolgens in Susteren gearresteerd en naar Roermond overgebracht; daar werd hij op 10 mei door de Duitsers bevrijd.

XCHET SONDERVERBAND HOCKE (P.487, r. S e.v.). Ook de fietsers van dit Sonderverband kwamen niet verder dan Borgharen.

Deel3: 'Mei '40'

XC

XCDUITSE GEVECHTSRAPPORTEN (p·S, r.ç). Wij schreven dat er geen bewaard zijn gebleven - dat moet zijn: enkele.

XCDE VERDEDIGING VAN HET VLIEGVELD VALKENBURG (p.IO,

OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

v.o.). De versterkingen bij de mitrailleurs waren niet afgedekt doordat er nog geen gelden voor ter beschikking waren gesteld.

XCDE VERDEDIGING VAN HET VLIEGVELD YPENBURG (p. 13, r. 13 V.O.) Het betrokken bataljon telde niet ca.duizend maar ca.zevenhonderd man en er waren niet acht maar zes lichte pantserwagens. (p. 16, r.20) Na de eerste Duitse aanvallen vluchtte niet een groot deel maar een deel van de Nederlandse troepen en (p. 16, r. 30 e.v.) toen de eerste Duitse transporttoestellen landden, waren van de negen zware mitrailleurs nog zeven bemand en van de elflichte zes en waren de pantserwagens nog aanwezig.

XCVERBETERDE KAART (p. IS, kaart III). De zwarte pijl richting zuid-oost vervalt.

XCDE VERDEDIGING VAN HET VLIEGVELD OCKENBURG (p. 18, r. 5 e.v.). De verdedigers (nauwelijks geoefende troepen die hier en daar toch stevig van zich afgebeten hadden) werden geleidelijk van het vliegveld weggedrukt; vooral bij hun terugtocht leden zij zware verliezen: op elke vier man sneuvelde er één.

XCDE VERDEDIGING VAN HET VLIEGVELD WAALHAVEN (P.24, r.I9). Er waren niet omstreeks duizend maar omstreeks zeshonderd verdedigers.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na P.32). Foto 9 beeldt op de achtergrond niet de 'Statendam' af maar de 'Veendam'.

XCDE KOMST VAN GENERAAL WINKELMAN OP HET ALGEMEEN HOOFDKWARTIER IN DE VROEGE OCHTEND VAN laMEL (p. 59, r. 12). Wij schreven dat de generaal 'vermoedelijk omstreeks kwart voor vijf op zijn post was - hij was er in werkelijkheid omstreeks vier uur.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na P.72). Foto 22 is niet in Heerlen gemaakt maar in Vaals.

XCDE VERDEDIGI NG V AN DE MAASLINIE (p.75, r. 13). De zeven Nederlandse bataljons waren samen minder dan één divisie.

XCVERBETERD FOTO-ONDERSCHRIFT (na p.80). Wat op foto 29 wordt afgebeeld, speelt zich niet op de Maas af maar op het Julianakanaal.

DEEL 3

HET GEVECHT BIJ MILL (p. 84, r. 14 V.O.).Er waren niet negen maar twaalf oude kanonnen opgesteld, zulks in formaties van vier.

XCVERBETERDE KAART (p. 90, kaart XII). De twee bruggen over het MaasWaal-kanaal die in Neerbosch lagen, ontbreken. Beide werden vernield. Er is daar geen strijd geleverd.

XCDE REGIMENTEN HUZAREN OP DE VELUWE (P.94, r. 15 V.O.). Zij beschikten tezamen ook nog over achttien sterk verouderde pantserwagens.

XCVERBETERD E FOTO-ONDERSCHRIFTEN (na p. 96). Foto 43 toont de bij Zutphen (niet Westervoort) opgeblazen bruggen en foto 47 een tot ontsporing gebrachte locomotief op de spoorbrug over de Willemsvaart in de lijn Zwolle-Kampen.

XCVERBETERDE KAART (p. 97). '17 uur' bij Wageningen moet zijn: '19 uur' en aan de zz-zste Infanterie-Division was slechts één SS-Standarte toegevoegd.

XCHET SS-BATALJON OP WEG NAAR DE GREBBEBERG (p.98, r.6 V.O.). Van Arnhem oprukkend ondervond het bataljon (het is ten onrechte als 'regiment' aangeduid) plaatselijk tegenstand.

XCDE DUITSERS BIJ DOESBURG (p. 99, r. 12). De eerste Duitsers kwamen om zeven uur des ochtends over de Ijssel maar de doorbraak werd pas in de middag geforceerd. Vervolgens werd de schipbrug hersteld. Derhalve moet vóór 'Zutphen' (r. 14) het woord 'ook' worden ingevoegd.

XCDE VERDEDIGING VAN DE NOORDELIJKE PROVINCIES (p. lOl, rro e.v.). De r ste Kavallerie-Division was met haar zes versterkte bataljons numeriek in de meerderheid.

XCKOMST VAN DE DUITSE VOORHOEDE IN LEEUWARDEN (p.I02, r.o v.o. e.v.). De voorhoede werd er begroet door twee politiefunctionarissen die zich spoedig als handlangers van de bezetter zouden ontpoppen.

XCDE IN LEEUWARDEN OP STRAAT GEZETTE DUITSE VLUCHTELINGEN UIT WESTERBORK (p, 106, r. 10 e.v.). Zij zijn nadien gehuisvest en verzorgd door de Joodse

OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

PLUNDERINGEN IN RHENEN (p. 108, r. 8). De woorden 'en de zakken vol gouden ringen' vervallen.

XCNEERSCHIETEN VAN EEN DUITS TRANSPORTTOESTEL BOVEN DEN HAAG OP Ia MEI EVEN NA HALF ZES DES OCHTENDS (pr r y, r.I6). Het vliegtuig werd door enkele van een dak afgevuurde karabijnsalvo's getroffen.

XCDE Z.G. VIJFDE COLONNE IN DEN HAAG (p. II7, r.z V.O.). Er was niet slechts één onopgehelderd geval maar er waren er enkele.

XCSTERKTE VAN DE DUITSE LUCHTLANDINGSTROEPEN TUSSEN HAARLEM EN HOEK VAN HOLLAND (p. 130, r. 8 V.O.). Juiste cijfer: bijna negen-er:-dertighonderd man.

XCDE STRIJD BIJ VALKENBURG OP Ia MEI (p. 132, r. 14). De betrokken compagnie trok in goede orde naar Katwijk aan de Rijn terug, van waaruit het schieten op de Duitsers werd voortgezet.

XCDE DUITSE GROEP IN VALKENBURG (p. 180, r. Ia). De groep had geen radioverbinding met Graf von Sponeck. * DE 'FAHNDUNGSLISTE HOLLAND' (p.I9I, r. I). De Rotterdamse publicist Loek Elfferich heeft het met diverse publikaties aannemelijk gemaakt dat deze lijst niet alleen betrekking had op personen die gearresteerd moesten worden maar ook op enkelen op wier medewerking de Einsatzgruppe Feldmann een beroep zou doen.

XCDE STRIJD IN DE VOORPOSTENLINIE VAN DE GREBBEBERG OP I I MEI (P.207, r. 8 V.O.). Sommige groepen Nederlandse militairen boden moedig verzet, enkele gaven zich spoedig over.

XCKAARTCORRECTIE (p.2I4). Op kaart XXIII moeten de namen Boxtel en Vught worden verwisseld.

XCDE FRANSE AANVAL OP HET DUITSE BRUGGEHOOFD BIJ MOERDIJK OP 12 MEI (p.2I7, r. IS V.O.). De tweede Franse poging werd op de rzde niet ondernomen maar slechts voorbereid.

DEEL 3

WAPEN DER KONINKLIJKE MARECHAUSSEE (p.220, r.5). Is ten onrechte aangeduid als Korps. * DE EVACUATIE VAN BREDA (p.222, LIO en 4 v.o.). Deze evacuatie begon niet op maandag 13, maar op zondag 12 mei. Op p.223, r. 7 moet 12 mei gewijzigd worden tot: 13 mei.

XCHET GEVECHT BIJ DE WASSENAARSE SLAG (p.236, r. 5 v.o. e.v.).Hierbij was aan Nederlandse kant slechts een verzwakt bataljon betrokken. Het werd door ca. driehonderdvijftig Duitsers aangevallen.

XCKAARTCORR ECTIE (p.239). Op kaart XXVI staat ten onrechte aangegeven dat op de aanvallen op 12 mei van Delft uit in de richting van Overschie terugtochten volgden.

XCDE NEDERLANDSE ARTILLERIE BIJ DE STRIJD OM DE GREBBEBERG OP 12 MEI (P.253, r. 13 V.O.). Het betrokken gebied is wel degelijk door de divisie- en legerkorpsartillerie bestookt maar de uitwerking daarvan was veel geringer dan de avond tevoren.

XCEEN SERGEANT GEFUSILLEERD WEGENS DESERTIE (p.256, r.a). Deze fusillering werd aan de troepen die de Grebbelinie verdedigden, wèl bekend gemaakt.

XCDE REGERINGSPERSDIENST IN DE MEIDAGEN (p.286, r. II e.v.). Dat de ministers niets van deze dienst (die slechts vijf man telde) vernamen, was gevolg van het feit dat de dienst geheel door de binnen- en buitenlandse journalisten in beslag werd genomen.

XCHET KABINETSBERAAD OP 13 MEI (P·305, r. 13-14). Jhr. mr. H. F. L. K. van Vredenburch, sous-chef van de afdeling diplomatieke zaken van Buitenlandse Zaken, was hier niet bij aanwezig. Hij reed (p. 309, r. 13) ook niet in een der ministeriële auto's naar Hoek van Holland maar bereikte die plaats met een eigen auto. Van Kleffens had hem verzocht, zich naar Londen te begeven. * HET MINISTERIËLE BERAAD IN HOEK VAN HOLLAND OP DE MIDDAG VAN 13 MEI (p.309). Aan onze beschrijving voegen wij toe dat enkele ministers er enige tijd op hebben aangedrongen dat de regering zou capituleren. Tenslotte werd besloten dat de ministers zich via Enge9

OVERZICHT VAN WIJZIGINGEN

land naar Zeeland zouden begeven. Daarop doelde het woord 'elders' in het in Hoek van Holland opgestelde en op p. 3 13 vermelde regeringscommuniqué.

XCVER BETERD FOTO- ON DERSCHRIFT (na p. 320). Foto 85 toont de brand in de Shell-installatie te Vlaardingen na het Britse bombardement van 20 mei 1940.

XCDE OPMARS NAAR OVERS CHIE 0 P 14 MEI (p. 329, r. 2 e.v.). Deze werd door meer troepen ingezet dan de tekst in de eerste druk doet vermoeden.

XCDE STRIJD BIJ RHENEN OP 14 MEI (p. 335, r. 13 V.O.). Niet 'heel wat' maar slechts sommige militairen deserteerden.

XCDE TERUGTOCHT NAAR ELST OP 14 MEI (p.336, r. II-I4). De regimentscommandant voerde deze terugtocht in goede orde en nog vol strijdlust uit.

XCKAPITEIN TER MATEN (p.339, r. 13 V.O.). Is abusievelijk aangeduid als: Termoten.

XCDE WATERTOREN BIJ DE GREBBELINIE (p. 343, r. 12 V.O.). Deze lag niet ten westen maar ten oosten van de commandopost