Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog - Deel 5 – Maart '41 – juli '42 (2e band)

Alle delen:

1234-14-25-15-26-16-27-17-28-18-29-19-210a-110a-210b-110b-211a-111a-211b-111b-211c12-112-21314-114-2reg

Inhoud

XC

XCHitler: 'Voorlopig geen kerkstrijd " Hervormden I Gereformeerden Convent der Kerken Bijzonder onderwijs: het tweede treffen Episcopaat Titus Brandsma De kunstenaars en de Kultuurkamer 677 683 697 7 II 7 2 5 738 747 759 Hoofdstuk 9 _ De illegaliteit 79 I 'Pilotenhulp' Sabotage De proclamatie van Schrieke, Hirschfeld en Frederiks Illegale pers De illegale CPN DeOD Vorrink I Het Parool Het Grootburgercomité 79 2 796 801 8 0 5 817 835 846 853 Hoofdstuk 10 _ Contact met Londen 860 Engelandvaart De 'Zweedse Weg' begint Londen contra Abwehr en Sicherheitspolizei

613 [PDF]
INHOUD

Spionagegroepen Geheime agenten Een weg via het strand Begin van het Englandspiel Weer: via het strand Nieuwe arrestaties J Nabeschouwing Hoofdstuk II Een Tweede Front? plan for Holland Duitse maatregelen Publieke opinie Hoofdstuk 12 Naar de Endl~sung

XC, Legale emigratie Competentie-conflicten in bezet Nederland Verantwoordelijkheden De Jodenkartotheek van de Zentralstelle'Emigratie' der Duitse Joden? De Joodse werkkampen Gedwongen verhuizingen Invoering der Neurenberger wetten Reacties in niet-Joodse kringen De Jodenster Laatste voorbereidingen Bijlage 1 Datumlijst van de belangrijkste gebeurtenissen Bijlage 2 Overzicht van de SS-rangen Bijlage 3 - De geheime agenten, juni 1941 juni 1942 Lijst van illustraties Lijst van kaarten VI 880 888 895 9 12 928 935 937 94. 2 95 2 ,957 977 1001 1010 rojz 1046 1048 10 52 1064 1071 10 73 1081 10 95 r roo 1116 1118 ll20

614 [PDF]
INHOUD

Lijst van afkortingen, gebruikt in de voetnoten Register II24 II28x

ISBN90 247 1642

615 [PDF]

Hoofdstuk 7: Amerika komt ill de oorlog

XC

XCDe formidabele en verrassende Japanse aanval op de Amerikaanse Pacific vloot in haar basis Pearl Harbor maakte op zondag 7 december' 41 in de Verenigde Staten een einde aan een periode van onzekerheid, zij het dat het een periode geweest was waarin president Franklin D. Roosevelt wel al enkele jaren duidelijk gemaakt had dat hij zich tegen de machtspretenties zowel van Japan als van Duitsland en Italië wenste te verzetten. Dat verzet was aanvankelijk louter een verzet met woorden geweest. De van interventie afkerige gezindheid van het grootste deel van de Amerikaanse publieke opinie vormde een factor waarmee Roosevelt op het terrein van de buitenlandse politiek bij elke beslissing en bij elke uitspraak rekening moest houden. Hij kon zich eerst iets verder voorwaarts wagen toen die publieke opinie, wel nog steeds gekant tegen directe deelneming aan de oorlog, in de herfst van '40 van een duidelijke sympathie voor Engeland ging getuigen. In ons vorige deel memoreerden wij al dat, eigenlijk in aansluiting op contacten die in ' 38 gelegd waren, van eind januari tot eind maart' 41 het gehele oorlogsperspectief in diep geheim door Amerikaanse en Engelse militaire delegaties in Washington doorgesproken werd. Daarbij werd men het, schreven wij, op één punt niet eens: de Engelsen wensten dat de Amerikanen de verdediging van de grote Britse basis Singapore als een aangelegenheid van primair belang zouden beschouwen, maar hier werd door president Roosevelt en zijn militaire raadgevers niet voor gevoeld: belangrijke Amerikaanse steun aan de defensie van een zo verre basis zou, zo meenden zij, tot versnippering van krachten leiden. Overigens bereikten Amerikanen en Engelsen op aile hoofdpunten overeenstemming: zouden de Verenigde Staten rechtstreeks in de oorlog betrokken worden, dan zou men eerst Italië en Duitsland trachten te verslaan; uiteindelijk zou men in Europa een groot offensief tegen Duitsland inzetten, en daartoe moesten in of bij Europa (in Frans Noordwest-Afrika bijvoorbeeld) posities veroverd worden van waaruit men dat offensief zou kunnen lanceren - een offensief van welks noodzaak overigens de Engelsen niet overtuigd waren.

XCDeze afspraken werden in de lente van '41 door Churchills War Cabinet goedgekeurd. In Washington werden zij eind mei officieel goedgekeurd door de Amerikaanse minister van marine, Frank Knox, en begin juni door de

617 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

minister van oorlog, Henry L. Stimson, maar Roosevelt liet vastleggen dat hij er zijn goedkeuring aan onthouden had. Knox en Stimson deed hij evenwel weten dat de afspraken hem weer voorgelegd konden worden zodra Amerika zich in oorlog. bevond: dàn zou hij ze goedkeuren; de gemeenschappelijke Amerikaans-Engelse planning kon dus voortgang vinden.

XCUiteraard was het zowel voor Engeland als voor de Verenigde Staten een feit van kardinale betekenis dat Duitsland er op de zzste juni een vijand bij kreeg: de Sowjet-Unie. De 'opinie van de meeste Engelse en Amerikaanse hoge militairen: dat de Russen het wel niet lang zouden kunnen bolwerken, werd door Churchill en Roosevelt niet gedeeld. Los daarvan leek het hun wenselijk dat Duitsland, Italië en Japan nog eens uitdrukkelijk geconfron,teerd werden met het feit dat er tussen Engeland en de Verenigde Staten van een groeiende solidariteit sprake was. Begin augustus '41 kwamen zij, beiden door hun belangrijkste adviseurs vergezeld, in een conferentie bijeen die aan boord van twee oorlogsschepen gehouden werd welke voor de kust van New-Foundland voor anker lagen. Roosevelt had de Engelsen tevoren doen weten dat hij, wat Amerika's feitelijke deelneming aan de oorlog betrof, nauwelijks verder wilde gaan dan hij al gedaan had; hoogstens was hij bereid, de Amerikaanse vloot in de 'Atlantische Oceaan verlof te geven, in het zeegebied tot Ijsland te patrouilleren: daar hadden de Amerikanen het Engelse garnizoen door een eigen garnizoen vervangen. De militaire besprekingen ter conferentie hadden dus weer in hoofdzaak betrekking op een nogal vage toekomst en bij die besprekingen manifesteerde zich dezelfde tegenstelling die in januari-maart al bij het stafoverleg te Washington aan de dag getreden was: de Amerikanen hielden het voor onvermijdelijk dat men vroeg of laat met miljoenenlegers de Wehrmacht in Europa moest verslaan; de Engelsen daarentegen, nog steeds onder de indruk van de bloedige verliezen .die zij in de eerste wereldoorlog geleden hadd~n, beschouwden zulk een grote invasie als onaantrekkelijk en trouwens ook als onnodig. 'We do not foresee vast armies of infantry as in 1914-1918', zo heette het in het rapport van de Engelse Chiefs of Staff dat ter conferentie voorgelezen werd. 'The forces we employ will be armoured divisions with the most modern equipment. To supplement their operations the local patriots must be secretly armed and equipped so that at the right moment they may rise in revolt/» Ook in andere opzichten werden de denkbeelden die de Engelsen al eerder ontwikkeld hadden, herhaald: men moest Duitsland blijven blokkeren en

1 31 juli 1941, aangehaald in M. Matloff en E. M. Snell: 1941-1942 (1953), p. SS.

618 [PDF]
'ATLANTISCH HANDVEST'

bombarderen; wenselijk was het om het Midden-Oosten te behouden, ook. om in Frans Noordwest-Afrika te landen - maar Engeland had daar geen krachten voor beschikbaar. De Amerikaanse hoge militairen vonden het alles bijeen maar een pover program dat geen enkele waarborg inhield dat men er binnen een afzienbaar aantal jaren in zou slagen, Duitsland te verslaan. De buitenwereld kreeg omtrent deze militaire discussies niets te horen. Haar aandacht werd slechts gevraagd voor een soort politieke beginselverklaring, het 'Atlantisch Handvest', op 12 augustus op naam van Roosevelt en Churchill gepubliceerd. Er werden hierin enkele belangrijke richtlijnen aangegeven voor ~en naoorlogse wereld, die gekenmerkt moest worden door democratie, vrijhandel en betere economische samenwerking. Van actueel politiek belang waren eigenlijk alleen drie elementen uit de verklaring: ten eerste dat Roosevelt, zich verder verwijderend van het Amerikaans isolationisme, samen met Churchill een toekomstprogram de wereld inzond; ten tweede dat dat program een zinspeling bevatte op de gedwongen naoorlogse ontwapening van de aggressor-staten (Duitsland, Italië en Japan) ; ten derde dat er letterlijk in gesproken werd van 'de volledige vernietiging van de Nazi-tyrannie'. Een formulering als deze laatste was de publieke opinie in bezet Nederland uiteraard welkom, maar kwam overigens geenszins aan haar ongeduld tegemoet. Dagelijks stonden de kranten vol berichten over de verwoede strijd aan het oostelijk front. - -waar bleef het ingrijpen van de westelijke democratieën? Men wilde van Churchill en Roosevelt geen woorden horen, maar daden zien.

Engeland nog steeds in het defensief

XC

XCMenigeen in bezet gebied was er in de zomer van '41 van overtuigd dat de Engelsen spoedig in West-Europa' zouden Ianden. Het leek onbegrijpelijk dat zij daar niets zouden ondernemen terwijl het gros van de Wehrmacht gebonden was door de strijd met de Russen. Inderdaad had Churchill op onmiddellijke actie aangedrongen. Daags na de invasie van de Sowjet-Unie had hij de Chiefs of Staff geïnstrueerd, na te gaan of men met vijf-en-twintig .J tot dertigduizend man een grootscheepse raid kon uitvoeren in de buurt van Calais. Het kon niet. Hem werd meegedeeld dat men in totaal slechts vijftot zesduizend man zou kunnen overzetten die onmiddellijk door de Duitsers in de pan gehakt zouden worden; bovendien zou men met die operatie het verlies riskeren van alle beschikbare landingsvaartuigen die in reserve moesten

619 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

blijven voor het geval de Duitsers Spanje en Portugal zouden binnenrukken; dan waren die landingsvaartuigen nodig om op de Azoren, Madeira en de Canarische eilanden troepen aan wal te zetten.

XCZeker, de Engelse oorlogsproductie kwam in '41 op gang, maar het was in veel opzichten toch nog slechts een begin. Dat de Engelsen in '40 bij de evacuatie van het vasteland zware verliezen geleden hadden, wist men in bezet gebied; men realiseerde zich evenwel niet, hoeveel tijd het zou vergen, nieuwe divisies te formeren en deze zodanig te oefenen en uit te rusten dat zij tegen de Duitsers opgewassen zouden zijn. Churchills War Cabinet gaf zich hier alle moeite voor. De gehele bevolking, mannen èn vrouwen, werd bij de oorlogsinspanning ingeschakeld - vrouwen alleen niet voorzover zij de zorg voor kleine kinderen hadden. Uiteindelijk zou zelfsbijna een derde (32%) van de totale bevolking, kinderen en ouden van dagen inbegrepen, hetzij in de strijdkrachten, hetzij in de oorlogsindustrie opgenomen zijn. Gemiddeld werd door vrouwen vijftig, door mannen drie-en-vijftig uur per week gewerkt, en miljoenen moesten daarnaast nog vele uren per week dienst doen bij de luchtbescherming of in de Home Guard. Inspanning genoeg! Maar modem oorlogsmaterieel vergt voor zijn ontwikkeling en serieproductie een aanzienlijke tijd - niet maanden, maar jaren. Op nieuwe machines, nodig voor de vervaardiging van nieuwe typen vliegtuigen en tanks, moest men als regel een vol jaar wachten, soms nog langer. Waren die machines afgeleverd, dan traden bij de productie menigmaal ernstige tegenslagen op. Van de drie typen zware bommenwerpers die in '37 bij de Britse vliegtuigindustrie besteld waren en waarvan de aflevering in '40 had moeten beginnen, kwam het eerste type dat bruikbaar was, de tweemotorige Halifax, pas in '41 in zekere aantallen beschikbaar. Hinderlijk was mede dat ten aanzien van veel nieuwe wapenen, nauwelijks nadat ze afgeleverd waren, door de strijdkrachten wijzigingen geëist werden.' Vooral de Britse tanks gaven aanleiding tot klachten: ze waren mechanisch minder betrouwbaar dan de Duitse, minder wendbaar en, vooral, met een veel te licht kanon uitgerust.

XCHoe gering het offensievevermogen van de Engelsen was, bleek in' 41 op twee oorlogsterreinen: in het gebied van de Middellandse Zee en bij de bombardementen op Duitsland.

XCWat het eerste betreft, willen wij er aan herinneren dat de Engelsen in april en mei, tot diepe teleurstelling van de bevolking in bezet Nederland, Griekenland en Kreta hadden moeten ontruimen en dat zij in Noord-Afrika

XC1 Zo kwamen er tussen' 40 en '44 van één vliegtuigmotor, de Merlin, een-en-veertig verschillende types, van de Spiifire-jager twintig, van de Churchill-tank elf.

620 [PDF]
DE STRIJD IN NOORD-AFRIKA

vrijwel al het gebied prijsgegeven hadden dat generaal Wavell van december '40 af op de Italianen veroverd had. De Duitse generaal Rommel die met twee Duitse divisies in Libye gearriveerd was, had Wavell weer tot de Egyptische grens teruggedreven; alleen in de vesting Tobroek had zich een Brits garnizoen kunnen handhaven. Dat moest van Alexandrië uit overzee bevoorraad worden. Niet minder moeilijk was de bevoorrading van het eiland Malta dat van Sicilië uit vrijwel dagelijks door Duitsers en Italianen gebombardeerd werd. Maandenlang was elke toevoer onmogelijk, eerst in de zomer en herfst van '41 wisten drie convooien Malta te bereiken. Elk van die convooien werd gedekt door een sterke Engelse vloot die met verlangen naar een treffen met de Italiaanse marine uitkeek. Die werd veiligheidshalve binnengaats gehouden.

XCWaveU die, na een reeks overwinningen, alleen maar nederlagen geleden had, werd begin i uli als opper bevelhe b ber naar Brits-Indië gezonden, generaal Claude Auchinleck, een voorzichtig, misschien wel te voorzichtig strateeg, volgde hem op. Door de aankomst van versterkingen uit Engeland en de Britse Dominions en van militaire vrachtauto's en vliegtuigen uit de Verenigde Staten kreeg Auchinleck een strijdmacht onder zijn bevelen die heel wat geduchter was dan die waarmee Wavell in december' 40 zo onvervaard tot de aanval overgegaan was. Maar de situatie was veranderd. Auchinleck had in de woestijngebieden van Noord-Afrika niet alleen militair onbekwame Italianen tegenover zich, maar Italianen èn .militair bekwame Duitsers. Bovendien moest hij, ook toen hij in de zomer het verzet van de VichyFransen in Syrië bedwongen had, rekening houden met de mogelijkheid dat de Duitsers via Turkije, wellicht ook van het gebied van de Kaukasus uit een offensief zouden inzetten. In augustus moest hij troepen afstaan om samen met de Russen de voornaamste punten in Perzië te bezetten (de Duitse invloed in Perzië moest gebroken en van de Perzische Golf tot de Kaukasus een nieuwe toevoerlijn voor de Russen opgebouwd worden) - kortom: Auchinleck voerde, zo voelde hij het, de strijd in de Westem Desert terwijl hem één hand op de rug gebonden was. Dat was een klemmende reden waarom hij zich niet wilde overhaasten. Een nieuwoffensief teneinde de Duits-Italiaanse strijdmacht te vernietigen en Tobroek te ontzetten, leek hem alleen verantwoord wanneer succes door grondige voorbereiding verzekerd zou zijn. Hij was dan ook ongevoelig voor de pressie die Churchill op hem uitoefende. Want de Britse premier was zich terdege bewust dat de Engelse militaire prestaties pover afstaken bij de Russische; met verlangen keek hij naar een klinkende overwinning in Noord-Afrika uit, elke week uitstel was hem eigenlijk een week teveel.

XCHet werd midden november voor Auchinleck tot de aanval durfde over

621 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

XCVII. De frontposities in Noord-Afrika, april 1941 en eind januari 1942

XCgaan. Numeriek waren de Britse en de Duits-Italiaanse strijdmachten ongeveer even sterk: beide telden zij tussen de honderd- en honderdtwintigduizend man. De Britten bezaten meer tanks, maar de Duitse tanks waren niet alleen kwalitatiefbeter doch Rommel hanteerde ze ook veel bekwamer dan zijn Britse tegenstander die de neiging had, ze in groepen te verdelen in plaats van ze te concentreren op het beslissende punt. Het gevolg was dat Auchinlecks strijdmacht er na weken van soms verwoede strijd wel in 'slaagde, Tobroek te ontzetten en Rommel vele honderden kilometers terug te werpen maar van een vernietiging van diens leger was geen sprake; begin januari'had de Duitse veldheer bij El Agheila stellingen betrokken waarachter hij zijn troepen kon hergroeperen. Hij had ongeveer een derde van zijn strijdmacht verloren en zijn verliezen waren bijna het dubbele geweest van de Britse, maar hij had zijn nederlaag 'beperkt weten te houden.

42

XCTrouwens, nog vóór Auchinleck zijn offensief ingezet had, waren door Hitler enkele besluiten genomen die Rommels positie op korte termijn belangrijk zouden versterken. In september en vooral in oktober hadden de Duits-Italiaanse convooien naar Libye zware verliezen geleden, mede door'dat de Engelsen het waagstuk ondernomen hadden om bij Malta, midden op de route naar Libye, een smaldeel van twee Iichte kruisers en twee tor

622 [PDF]
DE STRIJD IN NOORD-AFRIKA

pedobootjagers te stationeren die in gedurfde uitvallen duchtig huis hielden onder die convooien. Dat overtuigde Hitler van de noodzaak (hem door de Kriegsmarine al sinds het begin van het jaar voorgehouden) dat hij in de Middellandse Zee meer krachten moest samentrekken. Eind oktober liet hij' aan niet minder dan 21 U-Boote opdracht geven, hun activiteit van de Atlantische Oceaan naar de Middellandse Zee te verplaatsen; voorts verdubbelde hij het aantal eskaders van de Luftwaffe die van Sicilië uit opereerden. Binnen enkele weken waren die nieuwe strijdkrachten ter plaatse en terwijl Auchinleck nog bezig was, te land een partiële 'overwinning te behalen, werd ter zee de grondslag gelegd voor zijn komende nederlaag. In november brachten U-Boote eerst het enige Engelse vliegkampschip in de Middellandse Zee, de 'Ark Royal', dicht bij Gibraltar tot zinken, vervolgens een Engels slagschip. In december werd een zware Engelse kruiser getorpedeerd, liep het smaldeel van Malta zware schade op in een nieuw mijnenveld dat bij Tripoli gelegd was en slaagden Italiaanse kikvorsmannen er in, in de haven van Alexandrië explosieve ladingen te bevestigen aan de kiel van de enige twee overgebleven Engelse slagschepen; beide werden door zware ontploffingen getroffen. Zo had de Britse marine eind '41 nagenoeg al haar kracht in de Middellandse Zee verloren. Snel gingen versterkingen naar Rommel toe; hem bereikten ze vlugger dan de versterkingen die Auchinleck ontving: een convooi uit Engeland had drie maanden nodig voordat het, om Afrika heen varend, Egypte bereikt had.

XCGeheel op eigen initiatief (hij had niemand om verlof gevraagd, zelfs Hitler niet), ging Rommel nog in januari .'42 weer in het offensief; pas een kilometer of zeventig ten westen van Tobroek, bij Gazala, wisten de Britten hem tegen te houden. Auchinleck hield er al rekening mee dat Tobroek opnieuw in gevaar zou komen; hij gaf instructie, de vesting in dat geval niet opnieuw blijvend te verdedigen. De Britse marine was nu zo zwak in het oosten van de Middellandse Zee en de Luftwaffe zo sterk dat het uitgesloten leek dat men Tobroek opnieuw van Alexandrië uit maandenlang zou kunnen bevoorraden. En zo waren, wat de strijd in Noord-Afrika betrof, de Brittenbij het begin van de lente van '42 niet wezenlijk verder gekomen dan aan het einde van de zomer van '40.

XCDe oorlogshandelingen in de Noordafrikaanse woestijn waren d~or de Nederlanders' in bezet gebied in gespannen aandacht gevolgd. Van de factoren die op de achtergrond een bepalende rol speelden, waren slechts ;veinigen zich bewust; de zware verliezen die de Navy in de Middellandse

623 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

Zee geleden had, werden door de Engelsen geheim gehouden en derhalve werden de Duitse berichten daaromtrent door de meesten als propaganda beschouwd. Men kon zich eigenlijk slechts oriënteren aan de hand van de plaatsen die, ook blijkens de Engelse communiqué's, nu eens veroverd en dan weer prijsgegeven werden. Wie had tevoren ooit van Tobroek, El Agheila, Gazala gehoord? Nu wist men precies waar ze lagen. Men haakte naar de dag waarop de Britse bondgenoot de hinderlijke Rommel, die blijkbaar een kundig veldheer was, uit Noord-Afrika weggebezemd zou hebben. In november leek het te lukken, maar neen: twee maanden later had Rommel de helft van het terrein dat hij prijsgegeven had, weer heroverd. Dat was een duidelijke, ja pijnlijke weerlegging van alle optimistische verwachtingen.

XCMisschien is in bezet gebied het psychologisch effect van de berichten omtrent het Engelse luchtoffensief tegen Duitsland daarom zo groot gebleven omdat' bij die berichten van geen duidelijke weerlegging sprake kon zijn. De fantasie kon er zich onbelemmerd meester van maken en die fantasie vond ook voedsel in de herinnering aan het bombardement van Rotterdam op 14 mei '40. Hoorde men's nachts Engelse bommenwerpers op weg naar Duitsland, dan kon men zich haast niet anders voorstellen dan dat deze in de Duitse steden een verwoesting teweeg zouden brengen welke op zijn minst van dezelfde orde van grootte zou zijn als die welke de Maasstad getroffen had. De bemoediging die van het motorengeronk van de toestellen der Royal Air Force uitging, kon men eigenlijk niet missen: het was een hoorbaar bewijs dat Engeland doorvocht en dat, zo meende men, Duitsland zwaar geteisterd werd. 'Ik zit mezelf juist af te vragen waar de RAF toch blijft en meteen, kwart over tien, daar hoor ik', schreef begin' 42 een inwoner van Kampen in zijn dagboek, 'het eerste geronk van Britse bommenwerpers. 'Meneer', zei iemand maanden geleden tegen me, 'als ik 's avonds in bed lig en ik hoor ze overkomen, de Engelsen, dan is 't net of ik ze 't Wilhelmus hoor zingen!' '1

XCIn feite hadden, ook in '41, de Britse bombardementen op Duitsland niet veel om het lijf.

XCIn januari had Bomber Command van de Royal Air Force instructie gekregen, de zeventien Duitse installaties voor de productie van synthetische benzine systematisch aan te vallen. Acht lagen er te ver weg maar als men de negen

XC1 A. van Boven: Jan Jansen in bezet gebied, p. 109.

624 [PDF]
LUCHTOFFENSIEF OP DUITSLAND

die men wèl bereiken kon, inderdaad uitschakelde, dan zou, zo had men becijferd, vier-vijfde van de productiecapaciteit vernietigd zijn. Tot medio maart werden die aanvallen ondernomen maar door het slechteweer kon men slechts bij drie gelegenheden althans in de buurt van de benzine-installaties komen. Het bleek niet mogelijk, dit offensief vol te houden. Van maart tot eind mei moesten de Britse bommenwerpers tegen doelen ingezet worden die voor de strijd ter zee van urgent belang waren: bases en werven van U-Boote, de fabrieken van Duitse lange-afstands-bommenwerpers en de slagkruisers 'Scharnhorst' en 'Gneisenau' die in Brest lagen. Na het begin van de Duits-Russische oorlog werden weer nieuwe doelen aangewezen: negen transportcentra in West-Duitsland, hoofdzakelijk rangeeremplacementen. Mede teneinde de Russen zoveel mogelijk te helpen, zond de RAF telkens een maximum aan bommenwerpers de lucht in: in de drie maanden juli, augustus en september werden ca. tienduizend vluchten uitgevoerd, gemiddeld dus meer dan honderd per nacht. Maar hoe effectief waren die bombardementen eigenlijk? In augustus besloot men tot een grondig onderzoek: luchtverkenningsopnamen werden nauwkeurig vergeleken met de logboeken van toestellen die aan bepaalde operaties deelgenomen hadden. De uitkomsten van het onderzoek waren hoogst teleurstellend. Er bleek namelijk dat zelfsop wolkenloze nachten waarop de maan scheen (een situatie die zich per maand niet meer dan drie- of viermaal voordeed), slechts een derde van de toestellen een aangegeven doel in Duitsland tot op een afstand van minder dan acht kilometer had weten te naderen. Waren de weersomstandigheden minder gunstig, dan was slechts een tiende van de toestellen daarin geslaagd. Een treffer op zulk een doel moest als een toevalstreffer beschouwd worden.

XCDit onderzoek leidde er toe dat men naar middelen ging zoeken om van Engeland uit de bommenwerpers effectiever tot boven hun doelen te dirigeren. Voorts kwam men tot de conclusie dat men die doelen aanzienhjk ruimer nemen moest: in plaats van fabrieken moesten steden gebombardeerd worden; fabrieken waren blijkbaar moeilijk te raken, steden daarentegennauwelijks te missen. Drie-en-veertig steden werden daarvoor uitgezocht en men meende dat men ze als centra van oorlogsindustrie zou kunnen uitschakelen indien men er zes maanden lang per maand in totaal zo 000 ton aan bommen op kon laten vallen. Daarbij baseerde men zich op het effect dat één zware Duitse aanval in november' 40 gehad had op de Engelse industriestad Coventry.' Afgezien van het feit dat deze vergelijking een wel heel smalle basis had, 1 In Coventry werd de grootste Engelse fabriek voor de productie van dynamo's verwoest. Dat leidde tot een achterstand van eenjaar in de productie van vliegtuignlotoren.

625 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

was Bomber Command ook nog lang niet sterk genoeg om drie-en-veertig steden herhaaldelijk en met kracht aan te vallen. Men had gehoopt dat Bom ber Command eind' 41 bijna 2000 toestellen zou tellen - het waren er in werkelijkheid slechts ruim 1000. De productie was telkens vertraagd en er gingen door allerlei oorzaken veel meer toestellen verloren dan men tevoren aangenomen had. Men was er van uitgegaan dat elk toestel gemiddeld aan twintig totvijf-en-twintig bombardementsvluchten zou kunnen deelnemen; het bleken er tien tot zestien te zijn. Vooral de vliegongelukken waren veel frequenter dan men dacht. Het gevolg was dat inde tweede helft van' 41 in nachten waarin men vliegen kon, gemiddeld niet meer dan 420 bommenwerpers opstegen, 380 verouderde, 40 moderne. Zeker, alle inspanning werd er op gericht om Bomber Command tot bijna 4 500 moderne bommenwerpers uit te breiden maar men wist in '41 dat dat doel onmogelijk vóór 1 juli '43 bereikt kon zijn. En tenslotte waren in '41 ook de leveranties van Amerikaanse bommenwerpers ver bij de verwachtingen ten achter gebleven: men had er per 1 augustus bijna 650 moeten ontvangen, er waren 69 gearriveerd. Churchill zelf ging af en toe twijfelen aan het effect van het luchtoffensief tegen Duitsland, maar, aldus de historicus Gwyer: 'The bomber remained the primary offensive weapon, if only because no other existed."

XCVeel schade bracht dat wapen in '41 aan Duitsland niet toe.

XCBoven ons land verschenen in '41 niet alleen Engelse bommenwerpers maar soms, en dan vooral overdag, ook lichtere toestellen. Ze werden dan telkens door de radarposten die de Duitsers aan de kust geïnstalleerd hadden, waargenomen: jagers stegen op om ze te onderscheppen en aan te vallen; elke Einflug werd nauwkeurig geregistreerd, Wij bezitten de totaalcijfers van die Britse vluchten o.m. over de periode 1 april' 41 - 1 mei' 42 en daaruit blijkt dat van het totaal, 6603 vluchten (hoofdzakelijk vluchten over Nederland naar Duitsland), meer dan de helft, 3376, plaatsvond in de drie maanden juni, juli en augustus '41. In de zes maanden november '41 t.e.m. april '42 (maanden waarin de Geallieerden alleen maar van tegenslagen en nederlagen wisten te berichten) waren er in totaal slechts 1497 Einflüge.

XCBij die Einflüge werden vele malen aanvallen uitgevoerd op doelen aan of bij de kust, maar werden ook bij twee gelegenheden Nederlandse steden getroffen: eind augustus Maastricht door 'een Engelse bommenwerper die

XC1 Gwyer: Grand Strategy, III, I, p. 37.

626 [PDF]
ROTTERDAM OPNIEUW GEBOMBARDEERD

meende boven Düsseldorf te zijn, op 3 oktober Rotterdam.! Die laatste aanval was onderdeel van een operatie tegen havens onder Duitse controle die in die ene nacht gericht werd op Duinkerken, Antwerpen en Rotterdam. Van de 33 verouderde Engelse bommenwerpers die op Rotterdam afgezonden werden, wisten 32 de stad in het donker te vinden. Samen wierpen zij 52 ton aan brisantbommen af en deze troffen wel hier en daar doelen in en bij de havens, maar toch in hoofdzaak stadswijken die dicht bij de havens gelegen waren. Er vielen onder de burgerbevolking ruim honderd doden. Kleinere aanvallen waren ook in de zomer al op doelen in het gebied van de Nieuwe Waterweg uitgevoerd maar die waren met te vergelijken met wat in de nacht van 3 op 4 oktober geschiedde. 'Niemand ziet hier', noteerde een Rotterdamse arts, 'het nut van zo'n aanval in (hoewel er ook wel Duitse doelen zouden zijn 'geraakt), integendeel, zelfs wanneer misschien een belangrijk strategisch doel zou zijn getroffen, dan nog is dit onsecure bombarderen van dichtbewoonde stadswijken niet te verantwoorden (en dat door onze bondgenoot!). Iedereen is onder de indruk en is er vol van. Velen verlaten de stad voor goed of gaan 's nachts uit logeren elders.' 2

XCDie neiging, Rotterdam te verlaten, werd versterkt toen Radio Oranje zes dagen na het bombardement, op 9 oktober, een officiële regeringsmededeling uitzond waarin aan de burgerbevolking het niet op te volgen advies gegeven werd, 'de omgeving der havens langs de Nieuwe Waterweg en die der rangeerterreinen van Rotterdam' te verlaten.ê

XC1 De bezetter ging van de lente van '41 af rekening houden met de mogelijkheid dat door Engelse bombardementen, maar ook bijvoorbeeld bij een herhaling van de Februaristaking, schade toegebracht zou worden aan openbare nutsbedrijven. Teneinde die in voorkomende gevallen snel te herstellen, werd in mei' 41 door het Reichskommissariat besloten om in aansluiting op de Technische Nothilfe die in Duitsland bestond, in ons land een 'Technische Noodhulp' in het leven te roepen. Deze orgànisatie kreeg in zestig tot zeventig steden aparte groepen die in districten samengevat waren. De landelijke leiding was Duits, de districts- en groepleiders waren meestal Nederlanders. Functionarissen en leden (eind' 41 bijna vierhonderd Duitsers en bijna drie-en-dertighonderd Nederlanders) waren allen vrijwilligers, de Nederlanders onder hen aanvankelijk bijna uitsluitend NSB'ers; later kwamen er ook anderen bij die als 'noodhulpers' gevrijwaard waren van uitzending naar Duitsland. Leden konden een opleiding krijgen die eenjaar duurde; in de zomer van '44 werd een kleine groep naar Duitsland gezonden. De posten van de Technische Noodhulp waren kenbaar gemaakt met blauwe vlaggen - de vlaggen die bij de Nederlandse Unie in beslag genomen waren en waar men een ander embleem op genaaid had. 2 H. Mees: Mijn oorlogsdagboek, p. 186 (4 okt. 1941). 3 Het was deze mededeling die voor de ministers Steenberghe en Welter aanleiding werd, uit het kabinet-Gerbrandy te treden. Wij komen hier in deel ç

627 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

XCOf de bovengeciteerde arts inderdaad de algemene stemming in Rotterdam weergegeven heeft, weten wij niet. Plausibellijkt het ons dat men elders in het land toch eerder geneigd was, de aanval op Rotterdam als een noodzakelijke en nuttige oorlogsoperatie te beschouwen. Trouwens, in het gehele land en ook in Rotterdam gingen spoedig geruchten de ronde doen dat de Engelsen in de nacht van 3 op 4 oktober uitsluitend militaire doelen geraakt hadden en dat de doden onder de burgerbevolking het gevolg waren geweest van Duitse bommen: in de periode waarin de Engelsen boven Rotterdam verschenen waren, twee uur lang, zouden de Duitsers van de gelegenheid gebruik gemaakt hebben om van nabije vliegvelden eigen bommenwerpers de lucht in te sturen met opdracht, Rotterdamse stadswijken te treffen. In de regeringsverklaring van 9 oktober was daar als mogelijkheid van gerept ('wij willen aannemen dat in dit geval de Duitsers zelf geen bommen op Rotterdam hebben laten vallen'), Sluyser stelde het in 'De Flitspuit' als een feit voor en de illegale bladen Vrij Nederland en Het Parool sloten zich daar in hun commentaren bij aan. Het Parool wist te vertellen dat in Rotterdam een patronaatsgebouw geraakt was waar 'tal van Duitse weermachts- en marinekabels samenkwamen ... Juist de treffer op dit, midden tussen de woonhuizen staande gebouw bewijst hoe nauwkeurig de Britse piloten hun doel weten te treffen.'!

XCWat hun koopvaardij betreft, kwamen de Engelsen er in de tweede helft van '41 beter voor te staan dan in de eerste. In de eerste waren zij, zoals wij in hoofdstuk I uiteengezet hebben, bezig, de Battle of the Atlantic te verliezen, maar van de zomer van '41 af bleken nieuwe verdedigingsmaatregelen effectief te zijn. De convooien werden straffer georganiseerd en er werd voor gezorgd dat er overdag steeds vliegtuigen in de buurt waren die de U-Boote noopten, diep onder water te blijven. Alleen midden op de Atlantische Oceaan resteerde een gebied van een 500 km breed dat voor de toenmalige vliegtuigen te ver uit de kusten lag om er regelmatig te patrouilleren. Daar concentreerden zich de U-Boote, maar in die eoncentratie waren zij kwetsbaarder; ook moesten zij een veel grotere afstand afleggen dan vroeger om hun jachtterrein te bereiken. Naast dit alles werden de eerste kleine escorte-vliegdekschepen in dienst gesteld; kleine patrouillevliegtuigen ging men ook met katapulten lanceren. Dan was er het al gememoreerde

XC1 Het Parool, 25 (IQ okt. 1941), p. 2.

628 [PDF]
DE STRIJD TER ZEE

feit dat Hitler in oktober ruim twintig U-Baale (meer dan een derde van het aantal dat regelmatig in de vaart was) de Middellandse Zee inzond waar koopvaardijschepen van de Engelsen en hun bondgenoten, àls zij er zich al in waagden, duchtig beschermd waren. Van belang was tenslotte dat Roosevelt volgens de afspraken die hij bij New-Foundland met Churchill gemaakt had, in september de Amerikaanse marine opdracht gaf, in het grootste deel van de westelijke helft van de Atlantische Oceaan het patrouilleren en dus ook de convooibescherming van de Engelsen over te nemen; ontmoette men daarbij Ui-Boote, dan moesten die vernietigd worden.' Op deze provocerende tactiek ging Hitler niet in: de UsBoote kregen instructie, bij de Amerikanen uit de buurt te blijven.

XCHet gevolg van al deze factoren was dat ondanks het feit dat er nu meer dan anderhalfmaal zoveel Ui-Boote in de vaart waren, het maandgerniddelde van het tot zinken gebrachte Geallieerde tonnage in de tweede zes maanden van '41 tot ver beneden de helft van de eerste zes daalde. Zeker, de scheepswerven van Engeland en de overige staten van het Brits Gemenebest waren niet in staat, zelfs die geslonken verliezen door nieuwbouw goed te maken, maar ook op dat gebied tekende zich in Amerika een ontwikkeling af die reden gaf tot hoop: er was een geheelnieuw type vrachtvaarder ontworpen, het Liberly-schip, niet zo groot, ook niet zo snel, evenmin erg comfortabel, maar geschikt voor het varen in convooi - en het kon door montage in elkaar gezet worden. Dat betekende dat voor het eerst in de geschiedenis bij de nieuwbouw van schepen gebruik gemaakt zou worden van de beproefde methoden van massafabrikatie. Begin' 41 was met de bouw van de eerste nieuwe werven voor die Liberly-schepen een aanvang gemaakt.

Roosevelts 'Victory-Program'

XC

XCRoosevelt en zijn voornaamste adviseurs waren in augustus van de conferentie bij New-Foundland naar Washington teruggekeerd met gemengde gevoelens jegens de Engelsen: met bewondering, stellig, voor hun koppig volhouden en hun incasseringsvermogen, maar naast die bewondering was er iets van wrevel. De Engelsen, zo meenden zij, bezaten geen deugdelijke conceptie voor het winnen van de oorlog. Hoe begrijpelijk het ook was datkaanse torpedobootjager door een U-Boot aangevallen was - bij vergissing, zoals

1 Roosevelt gaf deze laatste opdracht op 11 september' 41 nadat op de 4de een Ameri

629 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

Churchill, het War Cabinet ende Chiefs of Staff afkerig waren van de inzet van miljoenenlegers (Engeland alléén zou die legers nooit op de been kunnen brengen) - zou het wel mogelijk zijn, de oorlog zonder die inzet te winnen? Voor Roosevelt en zijn vertrouwden stond vast dat die vraag ontkennend beantwoord moest worden. Maar dat betekende dat de oorlog niet gewonnen kon worden zonder dat de Verenigde Staten er met alle krachr waarover zij beschikten, aan deelnamen. Hoe kon men evenwel de publieke opinie daarvan overtuigen? Hoe zo inwerken op het Congres dat dit college aan Amerika's volledige deelneming aan de oorlog zijn goedkeuring zou hechten? Dat alles was niet te forceren.

XCIn '17 hadden de Duitsers er door hun eigen optreden (intriges met Mexico, afkondiging van de onbeperkte U-Baat-oorlog) belangrijk toe bijgedragen dat president Wilson een meerderheid gevonden had voor een oorlogsverklaring aan Duitsland, Hitler liet zich evenwel door Roosevelt niet provoceren; elke Amerikaanse maatregel die een verder afwijken inhield van het Amerikaanse neutraliteitsbeleid (wat was daar eigenlijk nog van over ?), werd door hem voor kennisgeving aangenomen; hij onthield zich van alle contramaatregelen, wel beseffend dat zulk een escalatie precies was wat Roosevelt wenste. Stellig, Hitler zag de Verenigde Staten al sinds geruime tijd als een mogendheid met welke uiteindelijk afgerekend moest worden, maar dan toch pas nadat hij eerst de Sowjet-Unie en daarna Engeland volledig bedwongen had; geen enkel Duits belangwas ermeegemoeid, Amerika's intrede in de oorlog, hoe waarschijnlijk deze ook werd, ,te bespoedigen.

XCIn welke omstandigheden zich die intrede zou voordoen, kon ook Roosevelt niet voorzien, Eén ding kon hij wèl: alle voorzorgsmaatregelen nemen die met het oog daarop geboden waren. Eén van die maatregelen had betrekking op Nederlands grondgebied, namelijk op Suriname welks bauxietmijnen drie-vijfde van de grondstof leverden voor de Amerikaanse aluminiumproductie; uit dit lichte metaal werden de vliegtuigen vervaardigd. Eind november '41 werd een Amerikaans-Nederlands accoord gesloten dat bepaalde dat in Suriname, overigens onder Nederlands opperbevel, een klein Amerikaans garnizoen gelegerd zou worden: dat zou de veiligheid van het gebiedsdeel ten goede kornen.!

XCVan belang was voorts dat Roosevelt aan zijn ministers Stimson en Knox

XC1 De minister-president, prof. Gerbrandy, maakte dit accoord op 24 november '4I in een toespraak voor Radio Oranje bekend, Onmiddellijk gingen de Duitsers en hun handlangers een heftige campagne inzetten dat Suriname (en met Curaçao was, beweerden zij, eigenlijk al hetzelfde gebeurd) door 'de emigranten-regering' aan Amerika verkwanseld was. De Nederlandse pers was niet erg gevoelig voor die argumentatie. Janke ergerde zich dermate aan haar lauwe wijze van reageren dat 63

630 [PDF]
DE AMERIKAANSE STRATEGIE

opdracht gegeven had, te becijferen welke doelen men aan de Amerikaanse oorlogsindustrie moest stellen indien men wilde bereiken dat de Amerikaanse militaire productie groter zou zijn dan die van Amerika's potentiële vijanden. Die opdracht dateerde van begin juli. Een grote staf was toen aan het werk getogen. Zes weken later had men bij niet minder dan 25 000 fabrieken nagegaan in hoeverre zij van vredes- op oorlogsproductie konden omschakelen; inventarissen waren opgesteld van meer dan 500 000 grote machines die zich in de belangrijkste van die fabrieken bevonden. Men wilde de zekerheid hebben dat de te stellen doelen niet een wilde schatting zouden zijn maar reëel bereikt konden worden. Overigens gaven de officieren van het Depart ment of the Army die volgens Roosevelts opdracht aan het werk gegaan waren, aan die opdracht een veel wijdere strekking: wat zij in feite op schrift gingen stellen, was een mobilisatieprogram niet alleen van de Amerikaanse industrie maar ook van de Amerikaanse mankracht. Zij veronderstelden daarbij (het was de periode waarin de Duitsers snelle vorderingen maakten in de richting van Moskou en Leningrad) dat de Sowjet-Unie als militaire factor practisch uitgeschakeld zou worden. Welke krachten waren nodig om dan toch Duitsland en Italië te verslaan? Het doel dat de Engelse strategen met een lange omweg wilden bereiken, werd door de Amerikaanse vooropgesteld: 'We must prepare to fight Germany by actually-coming to grips with her and de feating her ground forces and definitely breaking her will to combat." Anders gezegd: niet door de blokkade, niet door luchtbombardementen, niet door de activiteiten van gewapende verzetsgroepen zou men Duitsland werkelijk op de knieën krijgen maar slechts doordat men zijn 'ground 'farces', zijn leger dus, zou verslaan - verslaan'in Europa, d.w.z. in WestEuropa; die beslissende veldtocht moest ingeleid worden door de verovering van nieuwe vooruitgeschoven bases: wellicht Frans Noordwest-Afrika, wellicht Spanje en Portugal, wellicht Noorwegen. Amerika moest daartoe, alleen al voor zijn leger, bijna negen miljoen man mobiliseren van wie een kwart bij de luchtmacht van dat leger, de Army Air Farces, ingedeeld

XChij twee dagen later, 26 november, de deelnemersaan de dagelijksepersconferentie geducht deles las, constaterend, 'dass die Presse fast auf der ganzen Linie versagt hat.' (Verslag persconferentie, 26 nov. 1941 (DVK, 48)) Een dag later was hij 'meer tevreden.' (Noot voor de redacties 953, 27 nov. 1941 (a.v., 84 b)) Wat de reacties in de illegale bladen betreft, willen wij er op wijzen dat De Waarheid het accoord toejuichte en dat het links-socialistischeblad De Vonk schreef: 'Ook wij geloven niet dat de Amerikanen deze waardevolle koloniën weer vrij zullen geven.'(De Vonk, 13 (half dec. 1941), p. 4).

XC1 Citaat in MatIoff en Snell: Strategic Planning for Coalition Waifare 1941-1942, p.

631 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

moest worden; het leger alléén zou 2I5 divisies moeten tellen. Uiteindelijk zou men van de bijna negen miljoen man vijf miljoen overzee dienen te transporteren; voor het transport en voor de bevoorrading moest men dan de beschikking hebben over 2 500 schepen. Dit alles moest, aldus de officieren van het Department of the Army, met maximale spoed in voorbereiding genomen worden: de nieuwe immense strijdmacht diende op I juli '43 klaar te zijn voor de beslissende veldtocht in West-Europa. Van meet af aan gingen dus die Amerikaanse militairen in veel korter termijnen denken dan de Engelse. In de rapporten die Roosevelt gevraagd had, gingen zij overigens niet op de vraag in, welke militaire maatregelen nodig zouden zijn om ook Japan te verslaan. Dat leek niet noodzakelijk: hadden de Verenigde Staten Duitsland en Italië er onder gekregen, dan zou de eventuele afrekening met Japan nauwelijks een probleem vormen.

XCMen is, ook in Amerika, na de oorlog tot de conclusie gekomen dat dit program uit de herfst van' 4I onvoldoende zou zijn geweest indien een van van zijn voornaamste veronderstellingen: dat de Sowjet-Unie practisch uitgeschakeld zou worden, werkelijkheid was geworden. Op basis van die pessimistische veronderstelling was het program te optimistisch. Ook in andere opzichten bleek het later niet reëel te zijn: wel was de totale omvang van het Amerikaanse leger, de Army Air Farces inbegrepen, verbluffend nauwkeurig geschat', maar dat leger zou een geheel andere samenstelling krijgen dan aangenomen was, o.m. doordat van de gemobiliseerde mankracht een veel groter deel dan men geraamd had, opgeslokt zou worden door de bevoorrading en het transport. Men wilde mikken op I54 infanterieen 6I tankdivisies en men zou uiteindelijk 75 infanterie- en I6 tankdivisies formeren. De te hoge aanvankelijke schatting was evenwel a blessing in disguise: doordat men voor de uitrusting van 2I 5 divisiesorders ging plaatsen, had men in '43-'44 inderdaad de beschikking over de uitrusting niet alleen voor de 91 Amerikaanse divisiesdie er tenslotte kwamen, maar ook voor een groot aantal divisies der bondgenoten. En dit is wel het minste wat men zeggen mag: dat op een ogenblik waarop de opbouw van het Amerikaanse leger pas begonnen was'', door diegenen die de door Roosevelt gevraagde

1 Precieze schatting in september 1941: 8.795.658 man; werkelijke sterkte op 31 mei 1945: 8.291.336 man. 2 In augustus '41 telde het Amerikaanse leger 1,6 miljoen man. Er waren toen 29 infanterie- en 4 tankdivisies maar al deze formaties waren nog onvoldoende getraind en dus onbruikbaar. De eerste landingsoefening die in augustus' 41 aan de kust van Noord-Carolina door een infanteriedivisie samen met een divisie van het (aparte) korps mariniers werd gehouden, leidde tot een complete chaos. De geformeerde legereenheden hadden vaak ook een tekort aan moderne wapenen. Er werd gevochten om wat beschikbaar kwam:

632 [PDF]
DE AMERIKAANSE STRATEGIE

rapporten opgesteld hadden, richtlijnen waren aangegeven die inderdaad afgestemd waren op de immense taak die de Verenigde Staten op zich zouden nemen indien zij binnen enkele jaren de Wehrmacht te lijf wilden gaan.

XCOp 25 september '41 kreeg Roosevelt de dikke bundel rapporten voorgelegd. Zij bevonden zich in een map met de trotse titel 'Victory Program'. De president maakte van de gegevens gebruik toen hij in november het Congres om machtiging vroeg voor uitgaven die op de eerste fase van het Victory Program betrekking hadden. Het is mogelijk dat de rapporten zelf bij die gelegenheid, uiteraard op voorwaarde van strikte geheimhouding, onder de aandacht gebracht zijn vanleden van het Huis van Afgevaardigden en van de Senaat.

XCZij werden, met luide kreten van verontwaardiging, op 4 december volledig gepubliceerd door een groep isolationistische dagbladen waarvan The Chicago Tribune de belangrijkste was.'

Pearl Harbor

XC

XCHet is hier niet de plaats om dieper in te gaan op de structuur van de Japanse samenleving en op de doelen die de Japanse politiek in de eerste decennia van deze eeuw nastreefde; wij zouden daar aandacht aan willen besteden in het deel van ons werk dat aan Nederlands-Indië gewijd wordt. Voldoende dunkt het ons wanneer wij nu opmerken dat de militaristische en chauvinistische krachten in Japan die men vooral in elkaar beconcurrerende hechte clans van officieren van het Japanse leger en van de Japanse marine kon aantreffen, na de eerste wereldoorlog en vooral in de jaren' 30, Japan een onaantastbare positie wensten te geven in geheel Oost- en Zuidoost-Azië. Vandaar de bezetting van Mandsjoerije (193 I), vandaar ook de grootscheepse opeonmiddelijk onderzoek gelast maar hij liet dit na Pearl Harbor afbreken omdat

veel ging naar de marine en naar het toe, veel ook naar Engeland en de Sowjet-Unie. Niet alleen het Amerikaanse leger viste vaak achter het net maar vooralook Nederlands-Indië dat bij de Amerikaanse wapenindustrie omvangrijke orders geplaatst en zelfs al betaald had, doch slechts weinig afgeleverd kreeg. schreven twee Amerikaanse historici in R. Leighton en R. W. Coakley: p. lIS). Wij komen hier in deel II van ons werk op terug. 1 De oorsprong van deze indiscretie is nimrner opgehelderd. Roosevelt heeft een

633 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

STILLE OCEAAN

XCJapans opmars naar het zuiden,

634 [PDF]
JAPAN DRINGT ZUIDWAARTS OP

raties van het Japanse leger in China die in '33 begonnen en in '37 tot een complete oorlog leidden. Van een bezetting van heel China was daarbij geen sprake. De Japanners wisten, met uitzondering van het verre Tsjoengking waar zich in '38 de regering van veldmaarschalk Tsjiang Kai-sjek vestigde, de grootste Chinese steden te bezetten; zij beheersten als regel de belangrijkste verbindingen tussen die steden, maar verder was er geen sprake van een effectief Japans gezag. Nationalistische en vooral communistische. guerrillatroepen wisten zich te handhaven. Het leek wel of China een soort moeras werd waarin de Japanse macht wegzonk, maar naarmate dat gevaar zich duidelijker aftekende, waren de Japanners minder geneigd, het avontuur waarin zij zich gestort hadden, als mislukt te beschouwen en hun beleid te matigen. Sterker nog: zij drongen steeds verder op. In maart '39 gingen zij tot de bezetting van het eiland Hainan over, twee maanden later tot die van de Spratly-eilanden ten noordwesten van Borneo en op II september' 40, na Frankrijks nederlaag, dwongen zij de regering van maarschalk Pétain de concessie af dat zij in het noorden van de Franse kolonie Indo-China enkele vliegvelden mochten aanleggen. Er kwam daar ook een Japans garnizoen te liggen.

XCDit systematische opdringen van de Japanse macht werd niet alleen door Engeland, Australië, Nieuw-zeeland en Nederland maar ook door de Verenigde Staten met bezorgdheid gadegeslagen. Het werd een hoofdlijn in de Amerikaanse politiek om het Tsjoengking-bewind te steunen en om, zo mogelijk, te bereiken dat Japan zou afzien van zijn pogingen, China feitelijk in te lijven bij het Japanse rijk. Amerika had daarbij sterke troeven in handen. Japan was namelijk in hoge mat<;:kwetsbaar - kwetsbaar niet zozeer ter zee want het had' in de jaren '20 en '30 een sterke, moderne vloot opgebouwd, maar op het punt van zijn grondstoffenvoorziening. De Achilleshiel van zijn gehele economie werd gevormd door zijn afhankelijkheid van de aanvoer van aardolie uit buitenlandse bronnen. Japan zelf kon maar voor 10% in zijn behoefte aan aardolie voorzien - 90% moest in het buitenland gekocht worden, hoofdzakelijk in de Verenigde Staten en in NederlandsIndië.

XCHet lag voor de hand dat de Japanners na de Duitse bezetting van Nederland zouden trachten, de aardolieleveranties uit Nederlands-Indië belangrijk uitgebreid te krijgen. Er werd in Batavia onderhandeld, maar daarbij werden de Japanse wensen slechts zeer ten dele ingewilligd. Uiteraard begreep men, en niet alleen in Batavia, dat Japan steeds sterker blootgesteld zou worden aan de verleiding, met geweld te grijpen wat het door overleg niet bemachtigen kon, Vandaar ookdat in de periode eind november '4o--eind april '41 een

635 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

alleen tussen Engelsen en Nederlanders, maar daar kwamen in februari de Australiërs en in april de Nieuw-zeelanders en de Amerikanen bij. Een ieder besefte er dat een adequate defensieve strijdmacht in dit deel van de wereld alleen met grootscheepse Amerikaanse hulp opgebouwd kon worden; die hulp werd evenwel, gelijk reeds eerder betoogd, door Washington geweigerd. Men kon nu eenmaal niet alles tegelijk doen en wat het zwaarste was, moest het zwaarste wegen. 'Collapse in the Atlantic would be fatal, collapse in the Far East would be serious but not fatal' - aldus de opinie van de chef van de Amerikaanse legerstaf, generaal George C. Marshall, en niet alleen de chef van de marinestaf, admiraal Harold E. Stark, maar, wat beslissend was, óók president Roosevelt sloot er zich bij aan.! Dat betekende niet dat er later in '4I niet toch wape~en en versterkingen naar Zuidoost-Azië gezonden werden, door de Amerikanen hoofdzakelijk naar de Philippijnen die deel waren van hun imperium, maar die toevoer kon hoogstens de defensie iets versterken; een werkelijk afschrikwekkende werking op Japan kon hij niet hebben.

XCDie werking moest uitgaan van de Amerikaanse Pacific Fleet die, gebaseerd in Pearl Harbor, in '4I acht slagschepen en drie vliegkampschepen als kern bezat. Toen het er naar uitzag dat Duitsland Nederland zou aanvallen, had (7 mei '40) admiraal Stark de bevelhebber van die vloot, admiraal Richardson, gelast, in Pearl Harbor te blijven en niet, zoals het voornemen was, naar de bases op de Amerikaanse westkust terug te keren; op de ongeduldige vraag van Richardson: 'Why are we here?', had Stark geantwoord (27 mei): 'You are there because of the deterrent effect which it is thought your presence may have on the Japs going into the East Indies.'2 Volstrekt duidelijk was dit 'afschrikwekkend effect' overigens niet: het was niet gekoppeld aan een publieke garantie, evenmin aan een niet mis te verstane waarschuwing, want, afgezien nog van de isolationisten, waren er onder de Amerikanen die steun aan landen als Engeland en Nederland van harte onderschreven, velen die er groot bezwaar tegen hadden indien de Verenigde Staten zouden bijdragen tot het behoud van koloniale rijken. Roosevelt deelde dit bezwaar en achtte het in elk geval onwenselijk, bekend te maken dat hij zou ingrijpen als de Japanners inderdaad hun handen naar Nederlands-Indië zouden uitstrekken; elke mededeling van die aard zou in Amerika een storm van protesten uitlokken. De president kon hoogstens vertrouwen dat nieuwe, duidelijke Japanse aggressie een effect zou hebben op de Amerikaanse puPrewar Plans and Preparations (1950), p. 397. 2 Aangehaald in S. E. Morison:

1 Aangehaald in M. S. Watson:

636 [PDF]
COMPROMIS IN TOKIO

blieke opinie waarvan hij zou kunnen profiteren. Hoe ver hij dan kon gaan, was tevoren niet vast te stellen. Ook binnenskamers deed hij aan Engelsen en Nederlanders geen enkele toezegging.

XCHij deed dat evenmin toen de Amerikaanse politiek in de zomer van '41 een wending nam die het risico van oorlog in het Verre Oosten in hoge mate vergrootte.

XCOp de zzste juni werd de Japanse regering door het bericht dat de Duitsers de Sowjet-Unie binnengevallen waren, volledig verrast. wel was in september '40 tussen Duitsland, Italië en Japan het z.g. Driemogendhedenverdrag gesloten maar dit had noch op politiek noch op militair gebied tot ook maar een spoor van coördinatie geleid. Zo had ook de Japanse regering van prins Konoye Hitler danig geërgerd toen zij haar minister van buitenlandse zaken, Matsoeoka, in april' 41 een neutraliteitsverdrag met de SowjetUnie had laten sluiten. Nu had dat verdrag in feite wel niet zoveel te betekenen (Russen en Japanners handhaafden de sterke legers die zij aan weerszijde van de Siberische grens samengetrokken hadden), maar Hitler had natuurlijk liever gezien dat Stalins bezorgdheid met betrekking tot de Japanse intenties op haar maximum gebleven was.

XCWat moest Japan nu doen toen de Sowjet-Unie aangevallen werd? Minister Matsoeoka wist het wel. Overtuigd als hij was dat Duitsland in Europa een onaantastbare positie opgebouwd had en met zijn Blitzkrieg tegen de Sowjet-Unie een beslissend succes zou boeken, stelde hij zijn ambtgenoten en de staven van leger en marine voor, de voorbereidingen voor een verdere opmars in zuidelijke richting te staken en onverwijld eerst de Russische basis Wladiwostok, vervolgens de gehele Russische positie in het Verre Oosten aan te vallen. Hij kreeg zijn ambtgenoten en de hoge militairen niet mee. In heftige debatten werd, zoals gebruikelijk, een compromis uitgewerkt dat op 2 juli Î11 aanwezigheid van keizer Hirohito (die, als steeds, zweeg) in een grote ,gemeenschappelijke vergadering van o.m. minister-president Konoye, de voornaamste ministers en de hoogste staven van leger en vloot, een z.g. keizerlijke conferentie, defmitief vastgesteld werd. Dat compromis hield het volgende in: Japan zou voorlopig niet interveniëren in de Duits-Russische oorlog; het zou wèl het leger in Mandsjoerije versterken en zich voorbereiden voor een aanval op de Sowjet-Unie in de toekomst; voorts zou het de opmars in zuidelijke richting

637 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

en daarbij, door overleg of door wapengeweld, ook de zuidelijke helft van Frans Indo-China bezetten, zulks met aanvaarding van het risico dat de Verenigde Staten en Engeland daarop met een oorlogsverklaring zouden antwoorden; en tenslotte zou Japan langs diplomatieke weg trachten, oorlog met de Verenigde Staten te voorkomen. Dit compromis betekende dat diegenen die van oorlog met de Verenigde Staten slechts onheil verwachtten, hun pogingen om met Washington tot een vergelijk te komen, met verdubbelde kracht konden Voortzetten en dat omgekeerd de meer oorlogszuchtigen hetzelfde konden doen met hun oorlogsvoorbereidingen.

XCTien dagen na die keizerlijke conferentie, 12 juli, stelde het Japanse kabinet de afgesproken eisen aan de regering van maarschalk Pétain: Japan wenste het recht te krijgen, in geheel Indo-China een groot garnizoen te legeren, er marinebases te vestigen en niet alleen in het noorden maar ook in het zuiden vliegvelden aan te leggen. Dat het Japan ernst was, werd door een kabinetsreconstructie in Tokio onderstreept. Matsoeoka trad af en in het nieuwe kabinet dat Konoye vormde, kreeg een als candidaat van een aggressieve legergroep bekend staande generaal, Hideki Tojo, de portefeuille van oorlog toegewezen. Pétains regering zag dan ook geen uitweg: zij aanvaardde de Japanse eisen op 21 juli. Onmiddellijk trachtte Roosevelt te voorkomen dat de Japanners van de hun geschonken rechten gebruik zouden maken: hij stelde op 24 juli voor, dat zij er zich bij zou'den neerleggen dat Frans IndoChina geneutraliseerd werd; in ruil zou Amerika dan de normale [apanse invoer van grondstoffen en voedsel waarborgen.

XCDe afspraken die op de keizerlijke conferentie van 2 juli bekrachtigd waren, maakten het de regering-Konoye onmogelijk, dit voorstel te aanvaarden. Daags na het Amerikaanse aanbod, 25 juli, begonnen de Japanse troepen zuidelijk Indo-China binnen te rukken.

XCWel, als Japan een verscherping der verhoudingen wenste, dan kon het die krijgen! Eén dag later, 26 juli, bevroor president Roosevelt alle Japanse kredieten in de Verenigde Staten en verbood hij de gehele handel met Japan, de uitvoer van aardolie inbegrepen.' De Engelse regering, door Amerika tevoren geraadpleegd, volgde dat voorbeeld; het Nederlands-Indisch gouvernement, niet geraadpleegd, deed hetzelfde.

XCRoosevelt had Japan het mes op de keel gezet. Driekwart van Japans buitenlandse handel kwam op slag te vervallen. Aan aardolie placht Japan per jaar ruim 5 mln ton te importeren; het had voorraden aangelegd diebonden werd; aangezien voor de uitvoer van aardolie geen vergunningen verleend werden, kwam de maatregel op een, aardolie-embargo

1 Formeel was het zo dat op 26 juli de uitvoer naar Japan aan vergunningen ge

638 [PDF]
OLIE-EMBARGO

ongeveer 7 mln ton groot waren. Als Amerika, Engeland en N ederlandsIndië hun embargo handhaafden, dan zou de Japanse economie bij de meest . drastische bezuiniging in vredestijd nog een jaar of twee kunnen doordraaien en in oorlogstijd tussen de twaalf en achttien maanden. Vooral in kringen van de Amerikaanse marine was men er dan ook van overtuigd dat alleen al het aardolie-embargo Japan tot oorlog zou forceren: wilde het al zijn nationale ambities niet opgeven, dan moest het zich nu wel meester maken van Nederlands-Indië. Roosevelt bleef evenwel de hoop koesteren dat de Japanners die ambities of althans een groot deel van die ambities zouden matigen. Hoopte hij anderzijds dat Japan het op oorlog zou laten aankomen? Misschien. Overigens zou de door hem als secundair beschouwde oorlog met Japan het gevaar met zich kunnen brengen dat de Amerikaanse publieke opinie, die op zichzelf veel meer interesse had voor hetgeen in Europa dan voor hetgeen in het Verre Oosten geschiedde, haar aandacht meer op dat Verre Oosten zou concentreren. Oorlog met Japan behoefde nog niet te betekenen dat de Verenigde Staten konden gaan deelnemen aan de oorlog die door Roosevelt als van primaire betekenis gezien werd: die met Duitsland.

XCPremier Konoye begreep dat op die basis geen accoord met Washington mogelijk zou zijn. Zijn plan was, persoonlijk een veel gematigder accoord te sluiten en dat onmiddellijk door de keizer te laten bekrachtigen. Konoye hield er wel rekening mee dat die verrassende stap hem het leven zou kosten maar hij mocht aannemen dat ook de meest chauvinistische officieren tegen een door de keizer goedgekeurde regeling niet in verzet zouden komen. Dit avontuurlijke project kwam evenwel door de begrijpelijke aarzelingen van Washington niet van de grond. Konoye trad af. Op loktober werd een nieuw Japans kabinet gevormd - gevormd door niemand anders dan de minister van oorlog, Tojo. Behalve minister-president werd deze opnieuw minister van oorlog en tevens minister van binnenlandse zaken.

XCDe climax naderde.

XCMet de mogelijkheid dat er vroeg oflaat naast het smeulend Japans-Russisch conflict een Japans-Amerikaanse oorlog-zou uitbreken, hadden de Japanse staven al vele jaren lang rekening gehouden. Het zou Japan in die oorlog niet gaan om het verslaan van de Verenigde Staten, laat staan om de bezetting van delen van het Amerikaanse halfrond: het wilde zijn machtspositie in Oost- en Zuidoost-Azië afronden, consolideren en beschermen. In zekere zin zou het een oorlog worden om de aardolie van Nederlands-Indië. De Japanse staven gingen evenwel beseffen dat een greep naar Indië al door de positie van de Philippijnen, dwars op de route naar het zuiden, vroeg oflaat onvermijdelijkoorlog met de Verenigde Staten zou leiden. Was het dan niet beter, het moment waarop Amerika in die oorlog betrokken zou worden, zèlf te bepalen en gebruik te maken van het element van verrassing om de Amerikanen een zo al niet vernietigende dan toch wel zeer zware slag toe te brengen? Voor de Nederlandse marine in Indische wateren waren de Japanners niet bevreesd, everunin voor de Britse die goeddeels gebonden was door de oorlog in en bij Europa. Er was slechts één volwaardige tegenstander: de Amerikaanse Pacific Fleet die als regel met haar acht slagschepenen drie vliegkampschepen voor anker lag in de haven van Pearl Harbor. Kon men die vloot niet met één klap uitschakelen?

XCHet gehele Japanse operatieplan werd er op gebaseerd dat die klap raak

640 [PDF]
HET JAPANSE AANVALSPLAN

XCDit plan (zie de kaart op de pagina's 642-643) hield in dat een sterk Japans eskader (zes vliegkampschepen, twee slagschepen, drie kruisers, zestien torpedobootjagers, drie onderzeeërs) geconcentreerd zou worden op een eenzame plek in de Stille Oceaan, bij de Koerilen, teneinde van daaruit door gebieden waar Amerikaanse luchtverkenning onwaarschijnlijk was en waar men vermoedelijk ook geen niet-japanse koopvaardijschepen zou ontmoeten, over een afstand van vijfduizend kilometer te varen naar een punt, ongeveer 300 km ten noorden van Pearl Harbor. Bij Pearl Harbor moesten dan al andere Japanse onderzeeërs in positie zijn, allereerst om de nodige waarnemingen te doen vlak voor de grote aanval op de Pacific Fleet, eventueel om hun torpedo's te lanceren op ontsnappende eenheden. Die aanval moest in eerste instantie ondernomen worden door de bommenwerpers, de duikbommenwerpers en de torpedovliegtuigen die van de vliegkampschepen zouden opstijgen. Dat moest vroeg in de ochtend geschieden, liefst op een zondag: men nam aan dat aan boord van de schepen der Pacific Fleet en op de vlootbasis in het algemeen de waakzaamheid op zondagmorgen, na het passagieren op zaterdagavond, het geringst zou zijn.

XCHet denkbeeld van deze vermetele aanval was afkomstig van de opperbevelhebber van de Japanse vloot, admiraal Yamamoto. Als de aanval slaagde, dan zouden, zo vertrouwde deze, niet aileen de krachtsverhoudingen in de Stille Oceaan beslissend gewijzigd zijn maar dan zou ook aan Amerika's moreel een slag zijn toegebracht waarvan het zich niet zou herstellen.

XCIn januari' 41 had Yamamoto zijn denkbeeld voor het eerst aan zijn eigen staf voorgelegd. Deze reageerde met groot enthousiasme. Sommige marineofficieren meenden zelfs dat men de overval op de Pacific Fleet combineren moest met een landing op Oahu (het eiland waar Pearl Harbor op ligt), maar er bleek al spoedig dat Japan niet voldoende troepenschepen, transportschepen en tankers bezat om die landing mogelijk te maken en de eventueel te landen troepen regelmatig te bevoorraden. Die troepenschepen, transportschepen en tankers waren namelijk in de eerste plaats nodig voor het offensiefin de richting van Nederlands-Indië, het eigenlijke oorlogsdoel; de aanval op de Pacific Fleet was aileen maar een middel om het bereiken van dat doel te waarborgen.

XCDe verovering van Nederlands-Indië vergde een gehele reeks andere operaties: de bezetting van de Engelse kroonkolonie Hongkong, van de Amerikaanse Philippijnen en van de Engelse kolonie Malakka met inbegrip van de grote Britse vlootbasis Singapore. Het Japanse leger kon daar maar een klein deel van zijn krachten voor afstaan. Van de 5 I divisies die dat leger in totaal telde, werden er 6 noodzakelijk geacht als garnizoen in Japan en in Korea; aan de grens met de Sowjet-Unie meende men 13

641 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG HET JAPANSE AANVALSPLAN

!IWO-JlMA .\t GUAM INDISCHE OCEAAN IX. Het door Japan nagestreefde machtsgebied De rode pijlen geven de landingen aan die in eerste instantie ondernomen

642 [PDF]

o' e , o OC ODD DoOC ODD DoODD DoDo ALEOETEN \ A \. anyalsroute naar ~ \ 0000.0000.<:til~60.... \ .j.\ .j..j. o \ -. \ \ STILLÉOoOCEAAN00• \ , 00 G - ••00 G - ••G - ••- •• MIDWAY 0 HtwArr \ ~ 0 Pearl Harbor () WAKE \ 'Grens van het door Japan te beheersen \ gebied \ \ GILBERT 0\ EILANDEN '" BISMARCK D ~ ~RCHlPEL ~Rabaul -......r-~ SALOMONS.-s: " o~o EILANDEN li <;) '" SAMOA

XCKORAALZEE o o If' Cl FlDjI-EILANDEN

643 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

haven; 21 zaten in China vast - er schoten dus slechts II over voor het grote offensief naar het zuiden. Ook de legerluchtmacht kon slechts een deel van haar toestellen voor dat offensief missen: van de 1800 toestellen in eerste linie moesten er ca. 800 in Japan en in China blijven, ca. 700 zouden het zuidelijk offensiefkunnen ondersteunen; die 700 zouden evenwel aangevuld worden door 450 toestellen van de marineluchtmacht die niet van vliegkampschepen maar van vliegvelden opereerden. Die vloot zou aan het zuidelijk offensief deelnemen met twee slagschepen, twee vliegkampschepen, vijftien kruisers, twee-en-vijftig torpedobootjagers en achttien onderzeeërs.

XCBij dit offensiefnu, zouden in eerste instantie landingen uitgevoerd worden op Hongkong, voorts op de oostkust van Malakka, bij KotaBaroe, en tenslotte, iets ten noorden daarvan, in de zuidelijke punt van Thailand, bij Singora. Voor die laatste twee landingen zou men gebruik maken van de bases in Frans Indo-China. In tweede instantie zou men dan landen op de Philippijnen. Een groot deel van de tegen de Philippijnen in te zetten strijdkrachten zou men evenwel vervolgens nodig hebben voor de verovering van Nederlands-Indië. Vertrouwd werd, dat die verovering zou samenvallen met het einde van de strijd om Singapore. De troepen die Singapore en Malakka veroverd zouden hebben, moesten dan weer goeddeels ingezet worden ter verovering van Birma en tenslotte zou het gehele zuidelijke offensief afgerond worden met de bezetting van de Andamanen en de Nicobaren in de Golf van Bengalen. De operaties vormden dus een uitermate gecompliceerd geheel: het succes in elke volgende fase zou volstrekt afhankelijk zijn van het succes in de voorafgaande; men zou immers telkens goeddeels dezelfde troepenmacht, dezelfde luchtstrijdkrachten, ja dezelfde transportschepen nodig hebben om, met sprongen als het ware, het veroverde gebied uit te breiden. Dat vergde nauwkeurig rekenwerk. De moeilijkheid was daarbij nog dat een aantal van de beschikbare schepen óók nodig was voor de verovering van enkele Britse en Amerikaanse vlootsteunpunten in het westelijk deel van de Stille Oceaan: de Amerikaanse eilanden Wake en Guam, enkele eilanden in de Amerikaanse Gilbertgroep, en de Australische basis Rabaul in de Bismarck-archipel ten noorden van Australisch NieuwGuinea. Al die vlootsteunpunten zouden veroverd worden van het Japanse eiland Iwo-jima uit; er zouden geen omvangrijke expedities voor nodig zijn maar de afstanden waren groot en elk schip telde.

XCZiedaar dan het Japanse operatieplan dat in de loop van '41 vaste vorm aannam.

XCWelk jaargetijde was voor de uitvoering het geschiktst?

XCDat werd bepaald door het meest gewaagde onderdeel: de overval op de

644 [PDF]
HET JAPANSE AANVALSPLAN

zou ondernemen, moest zo min mogelijk kans lopen om ontdekt te worden, anders gezegd: zij moest een maximale bescherming ontlenen aan het nachtelijk duister. Varen in de winter dus, en zo dicht mogelijk bij de langste nacht, 21 december. Maar 21 december zou net iets te laat zijn: men kon van begin december af hevige stormen verwachten in de Koerilen en bovendien ook zware moessonregens in de Zuidchinese Zee. Kwam het tot de uitvoering van het operatieplan, dan zou een vroegere datum in december de beste zijn, vermoedelijk de 7de - een zondag.

XCHet was een ongehoord riskant plan, allereerst al wat de uitvoering betrof Die kon door vervroegde stormen bij de Koerilen of door een vervroegde moesson in de Zuidchinese Zee op losse schroeven gezet worden. Er was voorts geen zekerheid dat het grote eskader dat naar Pearl Harbor zou varen (een tocht van tien tot elf dagen l), onopgemerkt zou blijven. Natuurlijk, men kon voorzorgsmaatregelen nemen, bijvoorbeeld door te gelasten (die orders zijn inderdaad gegeven) om elk in Britse of Amerikaanse dienst varend schip dat men zou ontmoeten, zonder waarschuwing in de grond te boren; maar denkbaar was dat zulk een schip er in zou slagen om vlak voor het tot zinken gebracht werd of zelfs terwijl het zinkende was, een radiobericht naar de wal te sturen dat op zijn minst tot belangrijk verscherpte waakzaamheid zou leiden. Welke zekerheid was er bovendien dat de acht slagschepen en drie vliegkampschepen van de Pacific Fleet alle elf in Pearl Harbor zouden liggen? Hoe dichter men bij die basis kwam, des te groter werd ook de kans op ontdekking door patrouillerende Amerikaanse toestellen. Dan: de Amerikanen bezaten op Oahu zes radarinstallaties; het was alleszins mogelijk dat zij de naderende Japanse toestellen zouden signaleren voor deze zich bij het aanvalsdoel zouden bevinden. Een waarschuwing, zelfs een zeer late, zou een fataal effect kunnen hebben. Ook wanneer het de eenheden van de Pacific Fleet aan tijd zou ontbreken om uit te varen, zouden zij in elk geval gebruik kunnen maken van hun luchtafweer. Zij bezaten samen achthonderd stukken luchtafweergeschut. Het mocht wel uitgesloten geacht worden dat de Japanse toestellen door het dan te verwachten gordijn van luchtafweergranaten zouden kunnen heenbreken. Maar slaagde men er niet in, de Pacific Fleet te vernietigen, dan zou in de gevechtshandelingen die zich daarna zouden voordoen (de Amerikanen hadden op Oahu 140 bommenwerpers staan), het Japanse eskader zware verliezen kunnen lijden - en dan waren de landingen bij Kota Baroe en Singora al in volle gang! Anders gezegd: er zou voor Japan niet alleen geen terug meer mogelijk zijn maar het zou ook, bij een falen van de overval op de Pacific Fleet, in een oorlog beland zijn die het uiteindelijk met volstrekte zekerheid verliezen zou.

XC

645 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

moto niet onbekend. Hij vertrouwde evenwel dat zij door het element van de verrassing geneutraliseerd zouden worden. Wie waagt, die wint.

XCIn september gaf Yamamoto opdracht, te beginnen met de speciale training voor de aanval op Pearl Harbor. Op een onbewoond eiland bij Japan werd in miniatuur een dummy gebouwd van de installaties van de Amerikaanse basis; de piloten van de bombardementstoestellen konden daar nauwkeurig zien hoe het gebied dat zij moesten aanvallen, er uit zag. In de torpedo's van zijn onderzeeërs had Yamamoto volledig vertrouwen, die van zijn vliegtuigen werden nog geperfectioneerd toen bij oefeningen bleek dat zij de neiging hadden om bij het afleggen van hun baan telkens even boven water te komen.

XCGeneraal Tojo en de zijnen waren er niet op uit, coûte que coûte in een oorlog met de Verenigde Staten te belanden. De internationale situatie werd er immers voor Japan niet gunstiger op. Naarmate de herfstvorderde, werdhet steeds onwaarschijnlijker dat Hitler de Sowjet-Unie op korte termijn zou kunnen bedwingen. Met elke maand die verstreek, kwam Japans bondgenoot Duitsland dus zwakker te staan en Duitslan~ tegenstander Engeland sterker. Dat bleek ook uit de Engelse maatregelen want in de periode waarin het Britse War Cabinet nog verwachtte dat Auchinleck op Rommel een beslissende overwinning zou behalen, had het besloten, de Britse vlooteenheden in Singapore belangrijk te versterken. Dat feit was publiek gemaakt, de bijzonderheden waren geheim gehouden: opnovember kreeg het slagschip 'Prince of Wales' dat op weg was naar Kaapstad (met de bedoeling om daar door Japanners waargenomen te worden; men nam aan dat dit Tokio te denken zou geven), de order om Kaapstad dat het al dicht genaderd was, te mijden en om samen met de slagkruiser 'Repulse', die zich in de Indische Oceaan bevond, onmiddellijk koers te zetten naar Singapore.

I I

XCDroeg de Engelse waarschuwing tot Tojo's aarzelingen bij? Misschien. Hij had de besprekingen met de Amerikaanse regering in elk geval niet afgebroken. Met grote moeite won hij begin november een voldoende mate van steun voor het denkbeeld, een laatste poging tot het bereiken van een accoord te ondernemen. De Japanse ambassadeur in Washington, admiraal Nomoera, kreeg een specialede ervaren diplomaat Koeroesoe, toegevoegd; samen moesten zij trachten, voor nieuwe voorstellen de instemming te verwerven

algezant,

646 [PDF]
AMERIKAANS JAPANSE ONDERHANDELINGEN

Cordell Hull, vervolgens van de president.' Twee voorstellen waren er; het ene, Plan A, bevatte, zou men kunnen zeggen, Japans laatste, het andere, plan B, zijn allerlaatste concessies. Bij plan A hoefde Hull niet lang stil te staan. Aangezien de Amerikaanse geheime dienst enige tijd tevoren de code gebroken had die in het diplomatiek verkeer tussen Tokio en de Japanse ambassade in Washington gebruikt werd, wist Hull dat de werkelijke onderhandelingen niet om plan A zouden draaien maar om plan B. Inderdaad: de twee Japanse diplomaten kregen, toen plan A snel afgewezen was, instructie, plan B in te dienen. Die instructie bereikte hen op 20 november. Twee dagen later, op 22 november, kwam een Amerikaans stuk gereed dat de punten bevatte waaraan Amerika bij een eventueel accoord onder alle omstandigheden wilde vasthouden. Waren nu Plan B en het Amerikaanse plan volstrekt onverenigbaar? Bepaald niet. Als feitelijke concessie boden de Japanners in Plan B aan dat zij hun troepen uit de zuidelijke helft van Indo-China naar de noordelijke zouden verplaatsen; de Amerikanen stelden dit een tikje scherper: zij wensten dat Japan bovendien zijn garnizoen in, noordelijk Indo-China zou verminderen. Hunnerzijds boden de Amerikanen aan dat Japan weer voldoende aardolie zou krijgen voor civiel verbruik; Japan sprak in Plan B over de leverantie van 'een vereiste hoeveelheid aardolie' . Wat tenslotte China betrof, stond in Plan B: 'De Verenigde Staten zouden op zich nemen, zich te onthouden van actie die nadelig zou kunnen zijn voor het herstel van een algemene vrede tussen Japan en China', en in hetAmerikaanse plan: 'De Verenigde Staten zouden het als niet ongunstig beschouwen indien tussen Japan en China vredesoverleg geopend en in het verloop daarvan een wapenstilstand gesloten zou worden.' Misschien was van al deze punten de Amerikaanse bereidheid om het , aardolie~embargo gedeeltelijk op te heffen, ~el het belang~ijkst: het mes zou van Japans keel verdwijnen. Daar kwam bij dat de Amerikanen zich in hun plan ook bereid verklaard hadden, er bij de regeringen van Engeland, Australië en Nederland op aan te dringen, overeenkomstige concessies aan Japan te doen. Cordell Hull had dan ook het.Amerikaanse plan aan de drie genoemde regeringen alsmede aan de Chinese regering te Tsjoengking voorgelegd. Nederland liet op 24 november weten dat het geen enkel bezwaar

XC1 Wij baseren ons beeld van de gecompliceerde onderhandelingen die in november gevoerd zijn op de samenvatting van de Britse historicus Gwyer. (Grand Strategy, dl. III, I, p. 256-66). Het is overigens zo dat in de historiografie sinds '42 een verwoede strijd is gevoerd over de vraag of Roosevelt en Cordell Hull volledig verrast werden door de Japanse aggressie dan wel of zij die aggressie van meet af aan bewust uitgelokt hebben. Met Gwyer menen wij dat de waarheid in het midden ligt.

647 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

had, van Australië was toen nog geen reactie binnen, evenmin van China, maar de Chinese ambassadeur zei die dag wel tegen Cordell Hull dat hij veronderstelde dat zijn regering negatief zou reageren: Eén dag later, . 25 november, arriveerde Churchills opinie: accoord, maar de Britse premier nam aan dat Tsjiang Kai-sjek het gevoel zou hebben dat hij er bekaaid af kwam. En wat geschiedde? Cordell Hull concludeerde dat het, gezien Churchills opmerking en het te verwachten 'neen' van Tsjoengking, geen zin had, op het eigen, Amerikaanse plan dieper in te gaan (persoonlijk had hij daar blijkbaar ook geen al te grote waarde aan toegekend) ; daarmee werd een discussie over Japans plan B overbodig. Hull besloot bovendien, niet alleen het mes op Japanskeel te handhaven, maar de voorwaarden voor het terugtrekken van dat mes drastisch te verscherpen: Japan moest al zijn strijdkrachten uit China en Frans Indo-China evacueren, de erkenning van de marionettenregering in het door de Japanselegers bezette deel van China ongedaan maken en zich feitelijk losmaken van het Driemogendhedenverdrag. Roosevelt die in aangelegenheden van het Verre Oosten de sterke neiging had, op Hulls inzichten af te gaan, keurde diens volte face goed en in de namiddag van 26 november werden de nieuwe Amerikaanse voorstellen aan Nomoeraen Koeroesoe overhandigd. Toen hun telegram in Tokio arriveerde, concludeerde men er dat de Verenigde Staten kennelijk uit waren op een volledig dwarsbomen van de Japanse politiek, ja op een diep vernederen van Japan.

XCNog voor Koeroesoe naar Washington vertrokken was voor de voortgezette onderhandelingen, had (3 november) admiraal Nagano, chef van de marinestaf, die van zijn aarzelingen teruggekomen was, definitief goedgekeurd dat àls de onderhandelingen inderdaad mislukten, de overval op Pearl Harbor als onderdeel van het Japanse operatieplan zou doorgaan. Het e;kader dat naar Pearl Harbor onderweg moest gaan, concentreerde zich op 22 november in de Koerilen. Op 26 november, kort voor in Washington Hulls verscherpte eisen aan N omoera en Koeroesoe voorgelegd werden, begon het aan zijn lange tocht naar de Amerikaanse basis. Natuurlijk kon het teruggeroepen worden. De beslissing: oorlog of voortgezet overleg, was nog niet gevallen. Op 29 november kwamen Tojo, zijn belangrijkste ministers en de staven

648 [PDF]
'DE BESLISSING VIEL: OORLOG'

dagen later, 1 december, werd zij in een keizerlijke conferentie geratificeerd; de keizer zweeg. Terwijl Nomoera en Koeroesoe die van de beslissing onkundig gelaten werden, opdracht ontvingen, de onderhandelingen met Hull voort te zetten, kregen de Japanse bevelhebbers instructie, de zorgvuldig uitgewerkte invasieplannen in uitvoering te nemen. Daar werd op één punt nog een extra risico bij genomen: de landing bij Kota Baroe zou op maandag 8 december 0 uur 45 (plaatselijke tijd) beginnen - maar dat was één uur en tien minuten vóór het begin van de grote aanval op Pearl Harbor die op zondag 7 december 7 uur 55 (plaatselijke tijd) ingezet zou worden.' Nu was het wel zo dat men bij Kota Baroe midden in de nacht zou landen, maar wat als de invasievloot in het maanlicht waargenomen zou worden? Eén bericht uit Singapore zou ook Pearl Harbor kunnen alarmeren.

XCIn feite werd die invasievloot al waargenomen voor zij Kota Baroe en Sing ora genaderd was. Een Brits vliegtuig zag op zaterdagochtend 6 december bij de zuidpunt van Indo-China niet minder dan drie Japanse convooien varen. Om 14 uur (plaatselijke tijd) werd dit aan Singapore bericht, Singapore gaf het door aan Batavia, Batavia gaf het door aan de Nederlandse regering te Londen. Deze pleegde onmiddellijk overleg met de Britse. Waar zouden de Japanners landen? In Thailand? Op Malakka? Op Borneo? Niemand wist het. De situatie was volonzekerheden. Eén onzekerheid was misschien wel de benauwendste: als zou blijken dat Japan het zou laten bij een landing op Brits of Nederlands gebied, hoe zou Amerika dan reageren?

XCEén van die onderzeeërs werd in de nacht van 6 op 7 december ontdekt. Er werd jacht op gemaakt. Het schip werd om 6 uur 45 vernietigd. Het bericht omtrent deze actie dat onmiddellijk de bevelhebber van de Pacific Fleet, admiraal Kimmel, had moeten bereiken, werd ergens opgehouden. Ruim een-kwartier na die actie, om 7 uur 2, nam men van Oahu af op een van de radarinstallaties vijf-en-twintig vliegtuigen waar die op een afstand van 200 kilometer rondcirkelden; dat waren Japanse bommenwerpers die op de langzamer vliegende torpedotoestellen wachtten. De radarwaarnemers maakten de dienstdoende officier attent op die vijf-en-twintig vliegtuigen maar deze dacht dat het Amerikaanse toestellen waren welker aankomst op Pearl Harbor verwacht werd.

XCToen de Japanners ruim drie kwartier later, 7 uur 55, hun aanval inzetten, werd de Pacific Fleet volledig verrast.

XCAan de mogelijkheid van een Japanse overval op Pearl Harbor was door de Amerikaanse staven herhaaldelijk gedacht. Begin'was er in een stafstudie zelfs op gewezen dat het van Japans standpunt uit bij uitstek rationeel zou zijn, een oorlog met de Verenigde Staten met een overval op Pearl Harbor te beginnen. Eind januari' 41 had de Amerikaanse ambassadeur in Tokio aan Washington bericht, van de Peruaanse gezant vernomen te hebben dat de Japanners plannen maakten voor een grootscheepse aanval op Pearl Harbor, en op dat gevaar had de minister van marine, Knox, zijn ambtgenoot van oorlog, Stimson, nog eens extra gewezen. Trouwens, admiraal Kimmel zelf had medio februari in een brief aan de marinestaf geschreven: 'J feel that a surprise attack (submarine, air or combined) on Pearl Harbor is a possibility.'l Generaal Marshall dacht er niet anders over. Maar toch: dat alles was aan Amerikaanse kant niet veel meer dan een abstract overwegen van de vele mogelijkheden die zich steeds bij oorlogshandelingen kunnen voordoen mogelijkheden die trouwens onderschat werden want niemand dacht er aan dat de Japanners een aantal van hun vliegkampschepen tegelijk zouden kunnen inzetten.65

39 1 Aangehaald in M. S. Watson: p. 470.

650 [PDF]
PEARL HARBOR

XCAan de waakzaamheid op en bij Pearl Harbor ontbrak veel. Admiraal Kimmel en de commandant van het Amerikaanse garnizoen, generaal Short, waren ijverige bevelhebbers maar zij legden het accent niet op die waakzaamheid, maar op het traditioneel oefenen van hun ondergeschikten. Het gehele jaar '41 door werd door de staven in Washington bovendien nagelaten, zich er op Oahu van te vergewissen of men reëel met de mogelijkheid van een Japanse overval rekening hield. Dat werd ook nagelaten in de periode van de besprekingen met Nomoera en Koeroesoe, zelfs na die zöste november waarop Cordell Hull Japan volstrekt de voet dwars gezet had. Het waren op zaterdag 6 en zondag 7 december eerst de berichten uit Londen met betrekking tot de op 6 december waargenomen drie Japanse convooien, die in Washington ongerustheid wekten - maar juist die berichten concentreerden de aandacht op de Zuidchinese Zee en leidden haar van Pearl Harbor af Desniettemin werden op dat late moment toch aan Kimmel en short telegrammen gestuurd die de opdracht inhielden, bij uitstek waakzaam te zijn. Al die telegrammen kwamen hun door een veelheid van onbenullige oorzaken niet op tijd onder ogen. Er werd dus in Pearl Harbor geen enkele extra-voorzorgsmaatregel genomen. Men leefde er in een vredes-, niet in een oorlogsatmosfeer en zondagmorgen vroeg was van de officieren van de Pacific Fleet die zich zaterdagavond van boord hadden mogen verwijderen, nog meer dan een de~deniet teruggekeerd.

XCDe Japanse luchtaanval duurde bijna twee uur. Hij richtte zich niet alleen op de schepen maar ook op deAmerikaanse bommenwerpers enjagers die ter verdediging zouden kunnen opstijgen. Van dietoestellen werdenvernield enzwaar beschadigd. Een klein aantal kon in de pauzes tussen de aanvallen der Japanners ,opstijgen. In luchtgevechten en door het afweervuur dat men hier en daar kon uitbrengen, gingenvan deJapanse toestellen verloren. De Japanse bommen en torpedo's hadden een vernietigende uitwerking gehad. De acht Amerikaanse slagschepen werden alle tot zinken gebracht of zeer zwaar beschadigd. Hetzelfde geschiedde met drie kruisers, drie torpedobootjagers en vier andere marineschepen. De Amerikanen verloren ca. drie-en-twintighonderd man aan doden van wie de meesten in enkele grote slagschepen verdronken, de Japanners nog geen honderd.

140 r08 248 188 30 29 360

XC

651 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

XCMaar toch niet met een volledig succes: de drie modernste, potentieel gevaarlijkste eenheden van de Pacific Fleet, de drie vliegkampschepen, hadden zich niet in het aanvalsgebied bevonden. In zoverre was de volledige uitschakeling van de Pacific Fleet niet gelukt. En in nog een opzicht, dat veel belangrijker was, ging Yamamoto's berekening niet op. Er was geen sprake van dat de zware slag die aan de Pacific Fleet toegebracht was, het moreel van de Amerikaanse autoriteiten of van het Amerikaanse volk aantastte. Integendeel, bij vooren tegenstanders van Amerika's deelneming aan de oorlog ging maar één roep op: wraak! Het probleem waar president Roosevelt meer dan twee jaar mee geworsteld had: hoe hij het Amerikaanse volk in eensgezindheid naast Engeland in de oorlog krijgen kon, was opgelost. Opgelost door de Japanners.

XCTrouwens, zelfs als behalve de acht slagschepen ook de drie vliegkampschepen van de Pacific Fleet vernietigd waren, ja zelfs als de Japanners hun aanval niet op die vloot geconcentreerd hadden maar, hetgeen wellicht effectiever geweest was, op de uitgestrekte basisinstallaties, moet men dan niet toch aannemen dat het de Amerikanen, opgezweept door de hun toegebrachte slag, dank zij hun productievermogen, organisatorisch talent en vindingrijkheid gelukt zou zijn, binnen een afzienbaar aantal jaren de krachtsverhoudingen in de Stille Oceaan weer beslissendinhun voordeel tewijzigen? De historicus van de Amerikaanse marine, Stanley E. Morison, heeft in die zin gelijk wanneer hij de overval op Pearl Harbor 'a strategie imbecility' noemt:

XC'One can search military history in vain for an operation morefatal to the aggressor. On the tactical level, the Pearl Harbor attack was wrongly concentrated on ships rather than permanent installations and oil tanks. On the strategic level it was idiotic. On the high political level it was disastrous."

XCDat is allemaal juist, althans: juist gebleken. Gaat men evenwel van de normen uit die in de chauvinistische milieus golden waar Japans koers bepaald werd, dan komt men tot een andere benadering en beoordeling. Om een tweede Amerikaanse historicus, Louis Morton, te citeren:

XC'Considering the alternatives, the international situation in the fall of 1941, and the risks, theJapanese plan was not altogether as unrealistic as it has appeared to many. The seizure of Southeast Asia in the time allotted did not seem too difficult, and with the resources oj this area theJapanese believed they could wage a defensive war along their

XC1 S. E. Morison: History of the United States Naval Operations in World War II, dl.

652 [PDF]
PEARL HARBOR

outer perimeter Jor a long time. Certainly this course even with its risks was preferable {rom their point oj view to submission.

XCIn the view of the leaders of japan, there was no honorable choice but war. The United States and Great Britain, they were convinced, were bent on destroying japan or reducing it to a minor power. Submission was unthinkable and japan had no alternative, 'but to resolutely plunge into war' while it still had the power to do so. The nation entered the war, wrote a prince of the Imperial family, 'with a tragic determination and in des perate self-abandonment.' If it lost, 'there will be nothing to regret because she is doomed to collapse even without war. ' , 1

XCOok dat is allemaal juist, maar, gelijk gezegd (Morton geeft dit aan): alleen wanneer men uitgaat van de normen die in de milieus golden waar Japans koers bepaald werd. Juist die koers was tien jaar lang, sinds de inval in Mandsjoerije, met name door de Amerikanen met bezorgdheid gadegeslagen. Terecht. Was er wel een essentieelverschil tussen Hitler en Tojo en de zijnen? tussen het optreden van de Wehrmacht en de SS in een land als Polen en dat van het Japanse leger in China? Was dus niet ook het Driemogendhedenverdrag eigenlijk de uitdrukking van een vèrgaande overeenstemming in de mentaliteiten die men bij Duitse nationaal-socialisten, Italiaanse fascisten en Japanse chauvinisten kon aantreffen?

XCNiet te ontkennen valt dat Roosevelt en Cordell Hull toen zij op 26 november Hulls eigen compromisplan lieten vallen en het vervingen door een voorstel waarvan zij geen moment mochten aannemen dat het ook maar een gespreksbasis met de Japanners kon vormen, er belangrijk toe bijgedragen hebben dat Japans heersers het besluit waar zij naar toegegroeid waren, een defmitief karakter gaven: oorlog. Anderzijds kan men deze beslissende wending in het Amerikaanse beleid toch niet onverklaarbaar, zelfs niet ongerechtvaardigd noemen: als men de Japanse machthebbers in het ongestoord bezit liet van Mandsjoerije, van de helft van Frans Indo-China en van de delen van China die zij veroverd hadden, was dan de kans niet groot dat zij vroeg of laat weer tot nieuwe aggressie zouden overgaan? Het was juist dat patroon van de traditionele Japanse politiek dat Roosevelt en Cordell Hull wilden doorbreken. Inderdaad, zij wensten dat Japan zijn expansie-politiek opgaf. Het uitbreken van de oorlog in de Stille Oceaan moge dan mede door de wending in het Amerikaanse beleid bevorderd en bespoedigd, tot op zekere hoogte zelfs uitgelokt zijn, de diepere en de werkelijke oorzaak van die oorlog lag toch bij die Japanse ambities.

XCToen Roosevelt nog geen vier-en-twintig uur na de overval op Pearl

XC1 (United States Army in World War II) Louis Morton: The War in the Pacific, Stra tegy and Command: the First Two Years (1962), p. 127.

653 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

Harbor het Huis van Afgevaardigden en de Senaat in verenigde zitting bijeen riep, behoefde hij niet om goedkeuring te vragen voor enig besluit, Japan de oorlog te verklaren. Hij vroeg niet meer dan dat het Congres de uitspraak zou doen (en het deed zulks met slechts één stem tegen), 'that since the unprovoked and dastardly attack by Japan on Sunday December 7, 1941, a state of war has existed between the United States and the Japanese Empire.'

XCOver Duitsland werd in Roosevelts toespraak met geen woord gerept.

XCDat zwijgen was opzet.

XCDe Japanners hadden hun bondgenoten totaal onkundig gelaten van hun besluit, Amerika aan te vallen. Toen het Auswärtige Ami laat op de avond van 7 december Reichsaussenminister von Ribbentrop meedeelde dat volgens berichten-van Amerikaanse persbureaus Japan een zware aanval zou hebben uitgevoerd op Pearl Harbor, was Ribbentrops reactie dat men met een nieuwe truc van de vijandelijke propaganda te maken had. Enkele uren later ging het er naar uitzien dat die berichten toch wel juist waren. Ribbentrop belde zijn Italiaanse collega Ciano uit zijn bed. Die was daar alleen maar geïrriteerd door en weigerde, Mussolini met zo onwaarschijnlijk nieuws in zijn slaap te storen. Wij schreven het al eerder: uit het Driemogendhedenverdrag was geen enkele vorm van coördinatie tussen Berlijn, Rome en Tokio voortgevloeid.

XCMaar zo werd het door Roosevelt en 'zijn naaste medewerkers en trouwens ook door de publieke opinie in landen als de Verenigde Staten en Engeland niet gezien. Men was er het Driemogendhedenverdrag gaan beschouwen als de grondslag van een conspiratie. Trouwens, de Japanse aanval op Pearl Harbor, even verraderlijk ingezet als de Blitzkriege die Hitlers specialiteit waren, leek zozeer in Duitslands voordeel dat men als vanzelf aannam dat Japan en Duitsland bezig waren, een lang tevoren vastgesteld gemeenschappelijk plan af te werken. In de eerste conferentie die na het binnenkomen van de berichten uit Pearl Harbor in het Witte Huis gehouden werd, meende men dan ook dat het practisch zeker was dat Duitsland en Italië nu de Verenigde Staten de oorlog zouden verklaren; besloten werd, hun het initiatief te laten: dat kon alleen maar een gunstig effect hebben op de Amerikaanse publieke opinie; besloten werd óók, te handelen alsof de oorlog met Duitsland en Italië al uitgebroken was. De Amerikaanse marine kreeg terstond opdracht, op de gehele Atlantische Oceaan elk Duits of Italiaans marineschip dat men tegenkwam, in de grond te boren.

654 [PDF]
WAT DOET DUITSLAND?

XCGelijk gezegd: in zijn toespraak voor het Congres op 8 december zweeg Roosevelt over Duitsland. Even opzettelijk vlocht hij in de radiotoespraak die hij een dag later, 9 december, tot het Amerikaanse volk richtte, een passage in waarin hij Duitsland en Italië prikkelde, tot een oorlogsverklaring over te gaan:

XC'We know that Germany andJapan are conducting their military and naval operations with a joint plan. That plan considers all peoples and nations which are not helping the Axis Powers, as common enemies of each and everyone of the Axis Powers .. , Remember always that Gem/any and Italy, regardless of any formal declaration of war considerthemselves at war with the United Statesjust as much as they considerthemselves at war with Britain and Russia ... We expect to eliminate the dangerfrom Japan, but it would serve us ill if we accomplished that andfound that the rest of the world was dominated by Hitler and Mussolini '1

XChet was alles mede een duidelijke poging van Roosevelt, te verhoeden dat zijn luisteraars al hun animositeit op Japan zouden concentreren; het sloot ook aan bij de gedachtengangen die geleid hadden tot het opstellen van het geheime Victory Program dat enkele dagen vóór Pearl Harbor, op 4 december, door de Chicago Tribune gepubliceerd was.

XCDe inhoud van die publikatie was aan Hitler en de zijnen bekend maar zij maakten er zich na Pearl Harbor iets minder zorgen over. Speciaal de Oherhefehlshaher der Kriegsmarine, admiraal Raeder, was van oordeel dat Japan, door aan te vallen, alle berekeningen die in het Victory Program vervat waren, op losse schroeven gesteld had: -het leek wel uitgesloten dat de Verenigde Staten in staat zouden zijn, per I juli I943 de grote strijdmacht gereed te hebben waarmee zij de beslissendeveldtocht in West-Europa hadden willen inzetten. Hitler maakte van dat voornemen melding in de toespraak die hij op IQ december in de Reichstag hield; Roosevelt duidde hij er in aan als een krankzinnige, wiens daden echter wel begrijpelijk waren: 'Wir wissen, welche Kraft hinter Roosevelt steht. Es ist jener ewige.jude, der seine Zeit als ge kommen erachtet.' Overigens deelde Hitler niet mee of hij Amerika de oorlog verklaard had dan wel zou verklaren. Dat was wèl de teneur van zijn schier eindeloze toespraak. Als enige concrete maatregel maakte hij bekend dat aan de Amerikaanse zaakgelastigde opdracht gegeven was, Berlijn te verlaten.

XCWellicht gaat het nier te ver, Hitlers terughoudendheid als een symptoom van aarzelen te zien. Is die veronderstelling juist, dan kunnen zijn aarzelingen slechts versterkt zijn door de sombere stemming die hij in de Reiehstag aan

XC1 Aangehaald in: Addresses and Messages of Franklin D. Roosevelt (1943), p. 105.

655 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

trof. Geen wonder! Nu had Duitsland niet alleen, als in '14-'18, een Zwei frontenkrieg te voeren, maar de Verenigde Staten die in de eerste wereldoorlog de doorslag gegeven hadden, zouden zich volledig in de tweede gaan inzetten - en weer tegen Duitsland! De gelijkenis was onheilspellend.

XCNa zijn toespraak in de Reiehstag ontving Hitler admiraal Raeder en Reichsmarschall Goering, Oberbefehlshaber der Luftwaffe. Aan overleg met de Oberbefehlshaber des Heeres, generaal von Brauchitsch, had hij geen behoefte, evenmin als met zijn eigen Wehrmachtführungsstab. Hij vroeg Raeder of deze het voor mogelijk hield dat Amerika en Engeland in een nabije toekomst de Azoren en de Kaap Verdische eilanden zouden bezetten, eventueel zelfs Dakar in Frans West-Afrika aanvallen? Antwoord: neen. Vervolgens vroeg Hitler of Raeder het voor mogelijk hield dat Amerika en Engeland het gebied van de Stille Oceaan eenvoudig aan Japan zouden overlaten om, in overeenstemming met de voornaamste richtlijn van het Victory Program eerst Duitsland en Italië te verslaan. Antwoord: neen. Duitsland zou dus, zo concludeerde Hitler, in elk geval in '42 van Amerika niets te duchten hebben.

XCEén dag later, II december, kwam de Duitse oorlogsverklaring aan de Verenigde Staten. Italië volgde het Duitse voorbeeld. Roosevelts verwachting was bewaarheid.

XCZo Hitler al de neiging had, te onderschatten in welke mate de Amerikanen er in zouden slagen, tegelijk tegen Japan èn tegen Duitsland plus Italië oorlog te voeren, zijn naaste militaire medewerkers van de Wehrmachtführungsstab en van het Oberkommando des Heeres waren gedecideerd van opinie dat Amerika's intrede in de oorlog de noodzaak met zich bracht, alle Duitse operationele plannen grondig te herzien. Het mocht dan waar zijn dat men invan Amerika niets te duchten had, maar wat zou inwat ingeschieden? Door het Oberkommando der Wehrmacht werd het concept opgesteld voor een nieuwe algemene instructie die van Hitler zou uitgaan. Die instructie zou inhouden: bouw van een 'Atlantische Muur' in West-Europa; verdrijving van alle Britse strijdkrachten uit het gehele gebied van de Middellandse Zee; versterking van Frans Westen Noordwest-Afrika; opneming, desnoods met militair geweld, van Spanje en Portugal, VichyFrankrijk en Zweden in een Festung Europa. Dat alles zou een hergroepering

'42 '43, '44

656 [PDF]
HITLER WIJ ZIGT ZIJN BELEID NIET

aan het oostelijk front op korte termijn over een aanzienlijke afstand teruggenomen worden en indien het in '42 onmogelijk zou blijken, de SowjetUnie als militaire tegenstander uit te schakelen, dan moest Duitsland er zich mee tevreden stellen, een nog groter deel van het Russische gebied prijs te geven teneinde tussen .de Oostzee en de Zwarte Zee een zo kort mogelijk afweerfront op te bouwen. Aldus zou men, in '42 al, de vrije beschikking krijgen over wellicht 100 divisies. Wat zouden Amerika en Engeland daar tegenover kunnen stellen? Hoogstens 20.

XCHet concept werd aan Hitler voorgelegd. Hij verwierp het onmiddellijk: Duitslands Lebensraum in het oosten prijsgeven op welks verovering hij meer dan twintig jaar aangedrongen had? Nooit! De troepen aan het oostelijk front moesten zich verdedigen waar zij zich bevonden, geen meter mochten zij achteruitgaan!

XCAmerika's intrede in de oorlog maakte rechtstreeks overleg tussen Churchill en Roosevelt alsmede tussen de Chiefs of Staff van Engeland en de Verenigde Staten tot een gebiedende noodzaak. Door deze hoogste Engelse militairen alsmede door de Engelse minister van buitenlandse zaken, Anthony Eden, vergezeld, stak Churchill in de tweede helft van december aan boord van het Engelse slagschip 'Duke of York' de Atlantische Oceaan over. Hij haakte naar actie. Zijn Ch/efs of Staffkregen nog aan boord van de 'Duke of York' een reeks nota's voorgelegd waarin de Britse premier bepleitte dat de gehele Afrikaanse kust van de Middellandse Zee invan Duitsers en Italianen gezuiverd zou worden; voor het einde van dat jaar moesten ook de Atlantische havens aan de kust van Frans-Marokko in Geallieerde handen zijn en inzou men dan in West- en Zuid-Europa tegelijk of successievelijk grote landingen moeten uitvoeren met legers, 'strong enough to enable the conquered populations to revolt'. Men zou kunnen landen in Noorwegen, Denemarken, Nederland, België, Frankrijk, Italië, 'and possibly the Balkans' 'The actual choice of which three or four to pick should be deferred as long as possible.' Overigens meende Churchill dat in die algemene bestorming van Europa de onderdrukte volkeren een hoogst belangrijke r;l zouden spelen: 'If the incursion of the armouredformations is successjul, the uprising of the local populations,for whom weapons must be brought, will supply the corpus of the liberating offensive. Forty armoured divisions atmen apiece ... of which Great Britain would try to produce nearly half, would amount to men. Behind the armour

'42 '43 15

657 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE ·OORLOG

another million men of all arms would suffice to wrest enormous territoriesfrom Hitler's domination."

XCAl dat optimisme werd door de Britse Chiefs of Staff niet gedeeld. In '42 kon men, zo meenden zij, alleen wanneer Duitsland duidelijke tekenen van instorting vertoonde, wellicht 'limited land offensives in North-Western Europe or across the Mediterranean' ondernemen; 1943 achtten zij in elk geval te vroeg voor 'the final assault on Germany itself', zij het dat deze dan wel ingeleid zou kunnen worden door 'simultaneous landings in several of the occupied countries of North-Western Europe.'2

XCDie gedachtenwisseling vond plaats nog voor de besprekingen in Washington begonnen.

XCBij die besprekingen waren de Amerikaanse Chiefs of Staff zich bewust dat zij op korte termijn bitter weinig aan te bieden hadden. Van de Amerikaanse divisies die geformeerd waren, liet de oefening nog veel te wensen over. Er was een tekort aan moderne wapenen en doordat de Amerikaanse militaire productie nog slechts 15% van de totale industriële productie vormde, zou geruime tijd verstrijken voor men grote legers adequaat zou kunnen uitrusten. Maar er waren méér belemmerende factoren. De militaire hulp aan de Sowjet-Unie moest doorgaan. Ook Tsjiang Kai-sjek mocht men niet vergeten. Dan kwamen er noodkreten uit de Philippijnen, uit Nederlands-Indië, uit Australië, uit Nieuw-Zeeland: naar al die gebieden diende men wapens te sturen. Natuurlijk, het principe 'Duitsland eerst' wilde men niet uit het oog verliezen, maar nu de strijd in Zuidoost-Azië ontbrand was, kon men de Amerikanen, Nederlanders en Britten die zich daar tegen een wanhopige overmacht verdedigen moesten, moeilijk volledig aan hun lot overlaten. Bovendien was het ter wille van eenlater offensieftegen Japan wenselijk, te voorkomen dat de Japalmersnog veel méér gebied in handen kregen dan hun, na hun succesin Pearl Harbor, vermoedelijk toch al zoulukken.

XCAan al die factoren verbonden de Amerikaanse Chiefs of Staff de conclusie dat offensieven in Noordwest-Europa of dwars over de Middellandse Zee in '42 uitgesloten waren. Trouwens, hun Britse collega's hadden die alleen maar als een mogelijkheid gezien voor het geval Duitsland duidelijke tekenen van instorting vertoonde. Niets doen dus? Dat leek niet alleen Churchill en Roosevelt maar ook de Britse en Amerikaanse Chiefs of Staff onaanvaardbaar. Zo al niet op dan toch bij het Europese strijdtoneel diende men acte de présence te geven, zo spoedig mogelijk. En het besluit viel: op IS februari '42 zouden in Marokko en Algerië de landingen beginnen

XC1 Aangehaald in Gwyer: Grand Strategy, dl III, I, p. 334-36. 2

658 [PDF]
AMERIKAANS-ENGELSE CO Ö RDIN A TIE

van drie Engelse en drie Amerikaanse divisies; die landingen zouden zich over een periode van minstens drie maanden uitstrekken.

XCNauwelijks was dit besluit genomen of de noodkreten uit de Pacific werden zo talrijk dat men er van terugkwam. Vooral de chef van de Amerikaanse legerstaf, generaal Marshall, ging er met klem op aandringen dat men wat Amerika onmiddellijk beschikbaar had, in een groot convooi naar het zuidelijk deel van de Stille Oceaan zou sturen: twee-en-twintigduizend man aan troepen, bijna 400 vliegtuigen, 200 000 ton aan militaire voorraden. De vorming van dit convooi werd goedgekeurd. Toen men er met de grootste moeite de schepen voor had kunnen vinden, bleek het onvermijdelijk om D-Day voor de eerste landingen in Marokko en Algerië van IS februari naar 25 mei te verschuiven. Trouwens, dit uitstelleek ook raadzaam: Auchinlecks poging om Rommels strijdmacht te vernietigen, was mislukt, Rommel was weer tot de aanvalovergegaan; kennelijk waren de Duitsers in Noord-Afrika sterker dan men aangenomen had.

XCDat met de landingen in Frans Noordwest-Afrika gewacht zou worden, was een groot deel van Marshalls stafofficierenniet onwelkom. Zij vreesden dat die landingen door de te verwachten Duitse en Italiaanse reacties tot een situatie zouden leiden waarin meer en meer Geallieerde krachten naar het gebied van de Middellandse Zee gezogen zouden worden. Natuurlijk, daar zou men de Wehrmacht nederlagen kunnen toebrengen, maar men zou haar er niet beslissendkunnen verslaan. En de vrees van die officieren was dat men genoopt zou worden, aan dat neventerrein zoveel aandacht te besteden dat de actie op het hoofdterrein, West-Europa, belangrijk uitgesteld zou moeten worden. In een memorandum dat in januari' 42 de ronde deed in het Washingtonse War Department werd gesteld: 'Our acceptance of a commitment in North West Africa at this time would prove to be a mistake of the first magnitude'»

XCHoe dit zij - er was overeenstemming bereikt. Meer nog. Afgesproken was dat de Britse Chiefs of Staff plaatsvervangers zouden aanwijzen die in Washington samen met de Amerikaanse Chiefs of Staff een apart college zouden vormen, de Combined Chiefs of Staf]; dat met inachtneming van de algemene richtlijnen van Amenka's president en Engelands premier dagelijks de nodige beslissingen zou nemen ten aanzien van de krachten die naar de verschillende strijdtoneelen toe zouden gaan en van de opdrachten waar de daar functionerende bevelhebbers zich aan zouden moeten houden. Dit betekende dat de Engelse oorlogsinspanning op alle terreinen, productie en transport inbegrepen, gecoördineerd zou worden met de Amerikaanse. Het

XC1 Aangehaald in a.v., p.

659 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

Duits-Italiaans-Japans bondgenootschap bestond eigenlijk alleen op papier, het Engels-Amerikaans werd dagelijkse werkelijkheid. De conceptie van de nationale souvereiniteit werd er in gerelativeerd. Hetzelfde geschiedde toen men er zich rekenschap van gafhoe men de urgente problemen waar men,in Zuidoost-Azië mee geconfronteerd werd, het beste kon oplossen. Amerikanen, Britten, Nederlanders en Australiërs waren er in een en dezelfde strijd gewikkeld. Het denkbeeld werd aanvaard, de strijdkrachten van die vier naties onder één opperbevelhebber te plaatsen. De keuze viel op Wavell; hij zou zijn hoofdkwartier op Java vestigen.

XCDat waren hoogst belangrijke besluiten. De Nederlandse regering was er niet in gekend.'

Indië veroverd

XC

XCMet de uitschakeling van de acht slagschepen van de Amerikaanse Pacific Fleet was de Japanse marine oppermachtig geworden in de gehele Stille Oceaan. Enkele dagen na de overval op Pearl Harbo~ werd die superioriteit nog versterkt toen (10 december) de enige twee Geallieerde zware eenheden die zich nog in het Japanse operatiegebied bevonden, de 'Repulse' en de 'Prince of Wales', in de Zuidchinese zee waar zij zonder luchtdekking op zoek waren naar Japanse invasieconvooien, tot zinken gebracht werden door Japanse torpedovliegtuigen. Dit betekende dat het de Japanners geen moeite zou kosten om tegen elke Geallieerde zeemacht die hun operaties in zuidelijke richting zou trachten te verhinderen of te vertragen, een verpletterende overmacht te concentreren. De vloot die zij in eerste instantie in die richting ingezet hadden, was mede doordat zij in combinatie met een efficiënte luchtmacht opereerde, al verre superieur aan wat er zich bevond, maar die vloot werd nog versterkt ook. Drie van de zes vliegkampschepen die de aanval op Pearl Harbor uitgevoerd hadden, arriveerden in februari op het zuidelijk strijdtoneel.

XCDoor die superioriteit ter zee en in de lucht beschermd, konden de Japanse landstrijdkrachten hun landingsoperaties practisch volgens plan uitvoeren. Het patroon was overal hetzelfde. Eerst werden, eilandengroep na eilandengroep, de zwakke, meestal verouderde Geallieerde luchtstrijdkrachten uit

1 Haar protest leidde tot de vorming, inLonden, van de z.g. De eerste bijeenkomst van deze raad vond begin februari' 42 plaats maar deze en de latere bijeenkomsten hadden slechts.geringe betekenis. Bij de werd Nederland vertegenwoordigd door een aparte delegatie.

660 [PDF]
OPTIMISME IN BEZET NEDERLAND

geschakeld: op de vliegvelden vernietigd of neergeschoten in luchtgevechten; vervolgens naderden invasieconvooien die enkele divisies ontscheepten welke geheel op een mobiele oorlogvoering ingesteld waren; hadden die hun taak in de ene eilandengroep volbracht, dan werden zij naar de volgende getransporteerd. Dit patroon was de Geallieerde oorlogsleiders spoedig duidelijk. De krachten ontbraken om er iets van belang tegen te ondernemen.

XCVersterking van de Geallieerde marine in het zuidelijk operatiegebied was onmogelijk, mede doordat, zoals wij eerder beschreven, in november en december '41 alle zware eenheden die de Britten in de Middellandse Zee bezaten, uitgeschakeld waren. Voor de versterking van de Geallieerde luchtmacht werden alle krachten ingespannen. Nog voor het college van de Com bined Chiefs of Staff gevormd was, had men in Washington besloten, zoveel mogelijk moderne viermotorige Amerikaanse bommenwerpers, Z.g. Vliegende Forten, naar Java te zenden. De meeste werden via Afrika overgevlogen. Er kwamen er in totaal in januari en februari vijftig op Java aan, maar zij hadden het nadeel dat zij bij hun vluchten tegen de Japanners nauwelijks beschermd waren door moderne jagers. De aanvoer van de jagers naar Java was namelijk nog moeilijker dan die van de bommenwerpers. De jagers, die geen grote afstanden konden afleggen, werden in onderdelen, naar Z~id-Australië verscheept, daar gemonteerd en vervolgens in vijf etappes naar Java overgevlogen ..Van de vijf-en-zestig toestellen welke die riskante tocht ondernamen, gingen negen-en-dertig onderweg verloren.

XCWavell, die op 10 januari '42 op Java aankwam, koesterde aanvankelijk nog de hoop dat hij er in zou slagen, zich te handhaven in een defensieve zone die in het oosten bij de Australische haven Port Darwin verankerd was en in het westen bij de Britse basis Singapore. Medio februari viel Singapore en werd Port Darwin zwaar geteisterd. De Japanners hadden toen de voornaamste punten van Borneo en Celebes ook al in handen; de bezetting van Sumatra en Java zou, strategisch gezien, niet meer zijn dan de afronding van operaties die nagenoeg met de precisie van een uurwerk verlopen waren.

XCIn bezet Nederland was de eerste reactie op het bericht dat de Verenigde Staten aan de tweede wereldoorlog waren gaan deelnemen, er een van groot optimisme geweest. Hoe hopeloos de strijd was die de Nederlands-Indische strijdkrachten in en bij Indië te voeren zouden krijgen (men vernam al op maandagdecember dat Nederland Japan de oorlog verklaard had),

8

661 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

besefte men niet. Wat de Japanners op militair gebied konden presteren, werd vanuit het traditionele blanke superioriteitsgevoel danig onderschat en dat superioriteitsgevoel werd, speciaal wat de Nederlanders betrof, in de eerste weken van de strijd nog versterkt doordat de Londense radio voortdurend, soms haast dagelijks, kon berichten dat Nederlandse onderzeeboten of vliegtuigen van de Marineluchtvaartdienst dan wel van de legerluchtmacht er in geslaagd waren, de Japanners verliezen toe te brengen: Duitslands bondgenoot kreeg klop! Dat was, bij velen, balsem op de wonde die de Duitsers met hun snelle overwinning in de meidagen van '40 aan het nationaal gevoel toegebracht hadden. 'Indien Indië zich goed houdt', zo noteerde een dagboekschrijver op de dag van Nederlands oorlogsverklaring aan Japan, 'zalons volk met eer uit de strijd kunnen komen. Zal de nederlaag die we in Holland leden, in Indië worden uitgewist. Onze Jantjes: we zullen weer meeleven. Onze luchthelden: we zullen hen volgen. Onze landmacht: ze zullen, ik twijfel er niet aan, geen duimbreed wijken!'!

XCHaast nog optimistischer schreef De Waarheid:

XC'De Nederlands-Indische vloot en luchtmacht is allerminst een factor van geringe betekenis ... De Nederlandse marinestrijdkrachten zullen, wat bekwaamheid en gevechtswaarde betreft, de Japanners heel wat harde noten te kraken geven ... Daarbij komt de nieuwe Indonesische krijgsmacht.' Wij weten sinds de bezetting weinig van Indonesië af. Doch sinds die tijd is daar blijkbaar veel veranderd. Het ergste koloniale onrecht is gemilderd de dienstplicht voor Indonesiërs is ingevoerd. Eennieuw leger met geheel nieuwe krachten komt daar tot stand.' 2

XC'Wij weten sinds de bezetting weinig van Indonesië af' inderdaad, zo was het. De tallozen die familieleden of be ken den in Indië bezaten, hadden hoogJ. J.

1 G. Boot: in p. 91. 2 De 33 (19 dec. 1941), p. 3. Op Java begon men in '41 met de vorming van een Indonesische militie. Zij telde, toen de Japanners aanvielen, een paar duizend man. Aangezien ze onvoldoende geoefend en bewapend was, werd ze niet in de strijd ingezet. Het links-socialistische blad De schreef in december: 'Het Nederlands koloniaal regime in Indonesië heeft een zuiver fascistische politiestaat geschapen ... Daarom staat de overgrote meerderheid der Indonesische bevolking onverschillig tegenover deze oorlog, een groot deel der nationalistische bourgeoisie is Japans-gezind en de vijf-en-zestig miljoenenbevolking vormt geen leger dat voor de verdediging van Nederlands Indië paraat staat, maar een grote, latente Vijfde Colonne.' 13 (half december 1941), p. 2) De constateringen met betrekking tot de onverschilligheid en tot de afwezigheid van een groot Indonesisch leger warenjuist, de overige over trokken.

662 [PDF]
DE STEMMING SLAAT OM

stens af en toe een levensteken gekregen in de vorm van een Rode-Kruisbericht. De algemene ontwikkelingen in Indië had men uitsluitend via de Londense radio kunnen volgen. De toon van de berichtgeving was optimistisch geweest. Zij had van de zomer van' 40 af de indruk gewekt, niet alleen dat heel Indië met hart en ziel achter de Geallieerde zaak stond, maar ook dat veel gedaan was aan het op peil brengen van de defensie. Na het uitbreken van de oorlog met Japan blééf die toon optimistisch en zo kon, zeker in december '41, de bevolking in bezet gebied steun vinden in het denkbeeld dat Nederlandse strijdkrachten de gemeenschappelijke vijand belangrijke verliezen toebrachten, ja dat Nederland blijkens de lof die het door Amerikaanse en Engelse staatslieden en publicisten toegezwaaid werd, zich als een mogendheid van betekenis ontpopt had. Dat alles had ook zijn effect op de houding van de Nederlandse dagbladen. Mede doordat de bezetter zich er aanvankelijk van onthield, zijn solidariteit met Japan duidelijk te onderstrepen, konden verscheidene bladen door selectie van berichten, door speciale koppen, vooral ook door zich van afkeuring van het door Nederland gevoerde beleid te onthouden, een vrij duidelijke sympathie voor de in Indië strijdende rijksgenoten aan de dag leggen. Medio januari' 42 vond Janke dat het uit moest zijn. Op een van de dagelijkse persconferenties brak hij de staf over de 'Kritiklosigkeit' en 'Urteilslosigleeit' van de dagbladpers, hij liet bovendien een Duitse officier aanrukken die dreigde dat het toezicht op de pers door militaire instanties overgenomen zou worden, 'wodurch dann automatisch die Kriegsgerichte eingeschaltet würden.?

XCToen dit dreigement geuit werd, was de stemming in bezet gebied al aan het veranderen. Kritiek op Amerika en Engeland was ook in december al geuit (die hadden zich maar lelijk laten verrassen!), maar die kritiek was in de eerste weken na Pearl Harbor en de ondergang van de 'Prince of Wales' en de 'Repulse' toch nog gepaard gegaan met het vertrouwen dat, waar Amerikanen en Engelsen gefaald haden, Nederlanders er in zouden slagen, Indië met succes te verdedigen. In januari vernam men evenwel dat de Japanners op Borneo en Celebes geland waren. Overal waar Geallieerde troepen vochten, moesten zij terugtrekken; er was geen dag meer waarop de Londense radio gunstig nieuws kon geven. En op 16 februari kwam het schokkende bericht dat het voor onneembaar gehouden Britse bastion Singapore gevallen was! 'Het valt niet te ontkennen', schreef een dag later de auteur van het buitenlands overzicht in Vrij Nederland, 'dat onder het Nederlandse volk op het ogenblik een zeker pessimisme openbaar wordt dat bedenkelijke vormen gaat aannemen. De berichten die ons vanuit

XC1 Verslag persconferentie, 14 jan. 1942 (DVK, 49).

663 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

Londen bereiken, worden met een zwijgend hoofdschudden ontvangen en met minder vleiende kritiek op de Engelse oorlogsvoering overgoten. Wel speciaal treffen de krijgsverrichtingen in het Verre Oosten dit lot. Men verneemt de bezetting van Malakka, men hoort Churchill de tragische woorden spreken: 'Singapore has fallen', de val van Palembang' wordt door .de ether gemeld als ware dit het verlies van een dorp in de Libysche woestijn ... en onze goede vaderlanders zeggen thans luide: 'Wat doet Engeland nu eigenlijk? Waar blijft het nu met al zijn beloften en grootsprekerij? Kan ons Indië nog- wel wat uitrichten tegen de Japanse methoden?"

XCNog was de overzichtschrijver niet pessimistisch: 'Ons geliefd Indië zal het toneel worden van een wellicht nog enige jaren durende! strijd. Maar de overwinning is zeker.?

XCDie strijd duurde niet enige jaren maar slechts enige weken.

XCMen vernam op donderdag 26 februari, tien dagen na het bericht van de val van Singapore, dat generaal Wavell Java verlaten had, op zaterdag de z Sste dat de Koninklijke Marine in de voorafgaande n~cht zware verliezen geleden had in een zeeslag in de Javazee, op zondag I maart dat de Japanners op Java geland waren, op maandag 9 maart dat de bevelhebber van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger onvoorwaardelijk gecapituleerd had. Indië was in Japanse handen. Het was, zo leek het, verbijsterend-, onbegrijpelijk vlug gegaan.

XCDe Londense radio deed haar best, de gevoelens van teleurstelling op te vangen. 'Onze vloot zal herrijzen, sterker dan voorheen', zei koningin Wilhelmina op 3 maart, en op de r sde: 'Ons rijk zal herrijzen, schoner en krachtiger dan voorheen', maar uitspraken als deze sloegen, dunkt ons, in bezet gebied niet erg aan. Zij klonken geforceerd. Èr was diepe bezorgdheid over het lot van de militairen, vooral van de marinemannen, die aan de strijd in Indie deelgenomen hadden, en wie overigens familieleden of bekenden in Indië bezat, vroeg zich af wat hun lot zou zijn onder het regime van . een bezetter van wiens optreden elders men weinig wist, maar dat weinige had geen aanleiding gegeven tot optimisme. 'Het bewustzijn dat het grootste en economisch ook het belangrijkste deel van ons Rijk vrij was van vijandelijke druk en dat daar alle krachten werden ingespannen om mede te werken aan de bevrijdingsstrijd in Europa, wekte', aldus Het Parool eind maart, 'hier te lande vertrouwen en hield de moed er in.' Nu evenwel noemden 'velen Indië verloren en schijnen zij een deel van hun veerkracht kwijt te

XC1 Palembang op Zuid-Sumatra was een centrum van de aardoliewinning in Nederlands-Indië. 2 Vrij Nederland, 10 (21 febr. 1942), p.

664 [PDF]
'ONZE VLOOT ZAL HERRIJZEN'

zijn.' Het blad constateerde een 'inzinking die allerwege In ons land te bespeuren is."

XCAlleszins denkbaar is het dat die inzinking in het moreel nog versterkt werd doordat precies twee weken na de val van Java een verordening verscheen die een zware schaduw ging werpen over het bestaan van honderdduizenden Nederlanders: bij het naar Duitsland zenden van werkende arbeiders zou voortaan dwang toegepast kunnen worden. Juist deze verscherpte arbeidsinzet was het die ten nauwste samenhing met hetgeen wij eerder in dit hoofdstuk behandelden: Amerika's intrede in de oorlog en de daaruit voor Duitsland voortvloeiende gevaren.

Arbeidsinzet

XC

XCIn zijn werk over de gedwongen arbeid van Nederlanders in Duitsland dat wij in deze paragraaf in hoofdzaak zullen volgen, heeft B. A. Sijes terecht onderstreept dat men alle maatregelen die de Duitsers in bezet Nederland op het terrein van de arbeidsinzet namen, zien moet als een gevolg van het tekort aan geschoolde arbeiders dat zich al aan het eind van de jaren' 30 in het Duitse bedrijfsleven was gaan manifesteren. Dat tekort hing hiermee samen dat Hitler die vóór het uitbreken van de tweede wereldoorlog weinig geneigd geweest was, de levensstandaard van het Duitse volk ter wille van de bewapening aan te tasten, na dat uitbreken die beleidslijn doortrok. Hij was er van overtuigd dat de civiele productie niet verminderd behoefte te worden om Duitsland desondanks in staat te stellen, met korte en weinig oorlogstuig verslindende Blitzkriege zijn tegenstanders in Europa te verslaan. De afloop van de veldtochten in Polen, Scandinavië en West-Europa alsmede op de Balkan en zo ook de eerste fase van de strijd in de Sowjet-Unie schenen die opvatting te rechtvaardigen. In schrille tegenstelling tot wat de Duitse propaganda suggereerde en wat in bezet gebied over het algemeen aangenomen werd, spande Duitsland zich in die beginjaren van de oorlog eigenlijk weinig in om -de grote strijd te winnen. De Duitse oorlogsproductie die in 1944 50% van de totale industriële productie zou vormen, maakte er in '40 minder dan 15% van uit en de stijging in '41 was gering: maar 4%.2 Aan

1 33 (23 maart 1942), p. I 2 Duitsland produceerde in 19429300 tanks, bijna 12 000 stukken geschut en 14500 vliegtuigen; in 1944 27 000 tanks, 40 000 stukken geschut en 38 000 vliegtuigen. Daarbij moet men nog bedenken dat de productie van september '44 af door de Geallieerde bombardementen sterk daalde:_

665 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

het einde van dat jaar was de civiele productie, met 1938-39 vergeleken, slechts met 3% gedaald.! De omvang van de totale productie bleef dus ongeveer gelijk. Het probleem was dat daar veel minder arbeiders voor beschikbaar waren. Van mei '39 tot mei '41 waren namelijk ca. 6 miljoen dienstplichtigen onder de wapenen geroepen; mede door de zware verliezen in de Sowjet-Unie werdenhet van mei '41 tot mei '42 nog eens 1,8 miljoen. verlof om vrouwen en meisjes voor de oorlogsindustrie te mobiliseren, werd door Hitler hardnekkig geweigerd (hij duchtte daar zedelijke gevaren van) - er waren dus slechts twee bronnen waaruit men kon putten om het tekort aan Duitse arbeiders op te vangen: de krijgsgevangenen en de buitenlandse arbeiders.

XCIn mei '41 waren in Duitsland ca. I miljoen krijgsgevangenen en 1,3 miljoen buitenlandse arbeiders werkzaam. Dat was toen al te weinig. De verliezen aan het oostelijk front en het feit dat de Verenigde Staten aan de oorlog waren gaan deelnemen, maakten het noodzakelijk, het aantal buitenlandse arbeiders op korte termijn drastisch te vergroten. Duitsland kreeg in februari ,42 een nieuwe Reichsminister für Bewaffnung und Munition, de architect Albert Speer, en scherper dan zijn voorganger ir. Fritz Todt (die begin' 42 verongelukt was) besefte Speer dat de wapenproductie beter georganiseerd en belangrijk uitgebreid moest worden. Hij had dus miljoenen nieuwe arbeidskrachten nodig. Welnu, eind maart '42 werd de NSDAP-Gauleiter van Thüringen, Fritz Sauckel, door Hitler tot Generalbevollmächtigter für den Arbeitseinsatz benoemd. Aangezien Sauckel, gegeven Hitlers verbod om vrouwen en meisjes op te roepen, in Duitsland zelf maar weinig zou kunnen bereiken, was het onvermijdelijk dat hij zijn volle energie van meet af aan zou richten op het naar Duitsland overbrengen van buitenlandse arbeidskrachten. Het lag voor de hand dat deze moderne slavenhaler in dat buitenland zijn verantwoordelijkheid zou doorgeven aan hen die, als hij, de hoogste functionarissen van de Nazipattij waren. In ons land was dat Generalkommissar Schmidt. Het gevolg was dat alles wat met de arbeidsinzet van Nederlandse arbeiders te maken had, te ressorteren kwam onder Schmidt in plaats van onder Fischböck. Begin april' 42 werd de Hauptabteilung Soziale Verwaltung

XCin de cijfers voor 1944 komt dus onvoldoende uit, hoe groot in werkelijkheid de stijging in de wapenproductie geweest is. 'Rûcleblicleend kann. man ohne Übertreibung sagen', schreef na de oorlog een van de vroegere Duitse hoofdambtenaren op de economische sector, 'dass der Krieg wirtschajtlich in áenjahren i ç so-e i verloren tuurde:' (Hans Kehrl: 'Kriegswirtschajt und Rûstungsindustrie' in Bilanz des zweiten Weltkrieges, Erleenntnisse und Verpfiichtungen für die Zukunft (1953), p. 276)

XC1 Zij zou in 1942 met 9% dalen, hetgeen al evenmin imposant is.

666 [PDF]
SAUCKEL

uit het Generalleommissariat jur Finanz und Wirtschaft gelicht en aan Schmidts Generalleommissariat z.b. V. toegevoegd.

XCDeze Hauptabteilung (eerst heette hij Geschäftsgruppe) Soziale Verwaltung had eind' 41 een nieuwe leider gekregen in de persoon van het hoofd van het Landesarbeitsamt in Ponuneren, dr. H. Boening, opvolger van R. Jakob. Jakob had nauw samengewerkt met het departement van sociale zaken, speciaal met ir. R. A. Verwey die in de zomer van '40 benoemd was tot waarnemend secretaris-generaal; Boening zette die samenwerking voort. Zij was vooral mogelijk doordat Jakob en Boening wensten dat Nederlandse werklozen in Duitsland tewerkgesteld zouden worden en doordat Verwey en zijn hoofdambtenaren bereid waren, hun die werklozen te verschaffen. Verwey en die hoofdambtenàren zagen voor het probleem der werkloosheid nu eenmaal geen andere oplossing. Zij lieten werklozen voor werk in Duitsland oproepen en bepaalden dat wie dat werk weigerde, voortaan geen steun meer zou ontvangen. In ons vorige deel wezen wij er al op dat tot september '40 een groot deel, vermoedelijk ca. 30% van die onder dwang uitgezonden werklozen eigenmachtig naar Nederland teruggekeerd was. Verwey had die z.g. contractbrekers met hun gezinnen door intrekking van de distributiebescheiden aan het gevaar van verhongering willen blootstellen, maar daar hadden zijn collega's-secretarissen-generaal een stokje voor gestoken. Het werd regel dat die 'contractbrekers' steun bleven ontvangen, zij het hoofdzakelijk steun in natura - ook de Duitsers en met name hun politie-instanties (in Duitsland het Reichssicherheitshauptamt, in Nederland Rauter), waren er tegen dat men die 'contractbrekers' met dwang naar Duitsland zou terugsturen.

XCIn mei '41 werkten in Duitsland bijna honderdtwintigduizend N ederlandse arbeiders. Bovendien hadden enkele tienduizenden vrijwilligers arbeid in België en Frankrijk aanvaard, hoofdzakelijk voor de Wehrmacht. Kort voor de benoeming van Sauckel, in februari' 42, was het aantal Nederlandse arbeiders in Frankrijk, één-en-twintigduizend in mei '41, tot negenen-twintigduizend gestegen en het aantal in Duitsland geplaatsten, hoofdzakelijk ex-werklozen;' tot honderdvijf-en-zestigduizend; bij die laatste groep moet men eigenlijk ook nog de grensarbeiders optellen: twee-enzeventigduizend, tegen vierduizend in juni' 40. Die grensarbeiders evenwel, die als regel's avonds weer naar huis terugkeerden, beschouwden zichzelf veel minder als slachtoffers van de arbeidsinzet dan de honderdvijf-enzestigduizend die hun woonplaats en hun gezin hadden moeten verlaten omDuitsland; onder hen bevonden zich 8165 personen die gratis een paspoort kregen

1 Het gewestelijk arbeidsbureau Rotterdam stuurde in '41 9500 arbeiders naar

667 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

in het land van de vijand te gaan werken. Trouwens, men had er veel méér uitgezonden dan honderdvijf-eh-zestigduizend; in februari' 42 was de opgave van de officiële Nederlandse instanties dat meer dan zestigduizend arbeiders uit Duitsland naar Nederland teruggekeerd waren. Er zullen wel talrijke normaal teruggekeerden geweest zijn (door ziekte bijvoorbeeld of door andere vormen van arbeidsongeschiktheid) maar stellig waren er onder hen vele duizenden die 'contractbrekers' waren. Er waren ook meer 'contractbrekers' geweest dan men uit de officiële cijfers van februari '42 kan afleiden want van de zomer van '41 af waren de 'contractbrekers' in Nederland met straffen bedreigd die velen er toe gebracht hadden, weer naar Duitsland te vertrekken. In die zomer waren door Sociale Zaken namelijk strafkampen ingericht, hoofdzakelijk in Groningen en Gelderland - kampen die onder beheer stonden van de rijksdienst voor de werkverruiming. Die kampen droegen een nog ongunstiger karakter dan de 'normale' werkverschaffingskampen. Menige arbeiderweigerde dan ook, zich naar zulk een strafkamp te laten zenden. Het mocht dan waar zijn dat eind februari '41 een verordening van Seyss-Inquart verschenen was, verordening 42/41, waarbij Nederlanders door de gewestelijke arbeidsbureaus verplicht konden worden, 'binnen het bezette Nederlandse gebied voor een bepaalde tijd op een hun aangewezen plaats diensten te verrichten' (straf bij niet-naleving: maximaal een jaar gevangenisstraf)," maar het was toch te bar dat men op grond van zulk een aanschrijving van het gewestelijk arbeidsbureau het gezin in de steek moest laten om ergens aan de Dollard, op de Veluwe of in de Achterhoek als een soort gevangene zware grondarbeid te verrichten! Wie zulk een aanschrijving naast zich neerlegde, kreeg daar trouwens aanvankelijk weinig last door. De officieren van justitie maakten geen haast met de voorbereiding der berechting en als het tot berechting kwam, werdcri veelal uiterst lage straffen opgelegd, soms zelfs slechts twee kwartjes boete of een dag hechtènis.

XCDat ging de bezetter vervelen. Eind november '41 greep hij in: een aantal burgemeesters kreeg opdracht, in totaal ca. honderdveertig 'contractbrekers' door de gemeentepolitie te laten arresteren en naar het concentratiekamp Amersfoort over te brengen. Aldus geschiedde, maar verscheidene burgemeesters protesteerden tegen de opdracht die zij hadden moeten uitvoeren. Frederiks legde hun bezwaren aan Rauter voor - en Rauter deed de toezegging dat hij de gemeentepolitie met rust zou laten: voortaan werden de 'contractbrekers' door de Sicherheitspolizei opgeroepen en deze zorgde dan voor het transport naar Amersfoort. Wij hebben niet de indruk dat de Sicher heitspolizei veel oproepen heeft laten uitgaan. De eerste honderdveertig had

XC1 VO 42/41 (Verordeningenblad, 1941, p. 152-54).

668 [PDF]
'CONTRACTB REKERS

men ter intimidatie laten oppakken en die intimidatie bleef in de kring der 'contractbrekers' inderdaad niet zonder effect. Bovendien besefte men bij de Sicherheitspolizei dat het zinvoller was, Nederlandse arbeiders te laten werken in Duitse fabrieken dan in het concentratiekamp Amersfoort.

XCZo waren het in de periode zomer '40 lente '42 hoofdzakehjk Nederlandse werklozen die feitelijk gedwongen werden, in Duitsland te werken. Verwey beschouwde dat als een hoogst nuttige bijdrage tot de opheffing der werkloosheid. Maar die opheffing gelukte hem toch maar ten dele. Er waren in februari' 42 nog steeds honderddertigduizend bij de overheid ingeschreven werklozen die in het geheel geen arbeid verrichtten.! terwijl meer dan zeventigduizend andere werklozen opgenomen waren in de werkverschaffingskampen. Over het algemeen waren deze mensen niet geschikt om naar Duitsland uitgezonden te worden Men had in de herfst van' 40 alle werklozen voor een medische keuring opgeroepen; tweehonderdduizend had men gekeurd en nog niet eens de helft, 44 %, was voor uitzending geschikt geacht. Zeker, de artsen van de gemeentelijke geneeskundige diensten zullen wel de neiging gehad hebben, de grensgevallen eerder af': dan goed te keuren, maar dat neemt toch niet weg dat men met Sijes het percentage der afgekeurden, 56 %, beschouwen kan als 'een indicatie voor de gevolgen van de economische crisis uit de jaren dertig op de lichamelijke toestand der werklozen." Trouwens, velen onder die werklozen waren nooit geschoold arbeider geweest of waren in de jaren van lediggang hun scholing kwijtgeraakt - en juist aan geschoolde arbeiders had Sauckel behoefte.

XCEr kwamen nu drie regelingen: twee besluiten van Verwey, één verordening van Seyss-Inquart.

XCVerwey's eerste besluit hield in, dat norrnahter in een bedrijf de wekelijkse werktijd niet korter mocht zijn dan 48 uur," Verwey's tweede, mede door Schrieke ondertekend, bepaalde dat men geen arbeiders beneden de

XC1 In november '4I schatte men de 'onzichtbare werkloosheid' (werklozen die niet aan de overheid bekend waren en dus ook geen steun ontvingen maar die er op de een of andere wijze in slaagden, hier of daar een klein bedrag te verdienen) ook op honderddertigduizend. Aan deze 'onzichtbare werklozen' werd in februari '42 door Verwey en Schrieke, secretaris-generaal van justitie, gelast, zich bij de gewestelijke arbeidsbureaus te melden voorzover zij tussen de achttien en veertigjaar oud waren (VO I5/42, Verordeningenblad, 1942, p. 72-73.) Deze oproep werd op grote schaal genegeerd. Dr. Boening zou later verklaard hebben dat de desbetreffende verordening 'door het verzet van volk en ambtenaren zodanig was verkracht dat hem de verdere uitvoering zelfs niet interesseerde.' (Aangehaald in (RvO) B.A. Sijes: De arbeidsineet. De gedwongen arbeid van Nederlanders in Duitsland, 1940-1945 (I966), p. I57) 2 Sijes: De arbeidsinzet, p. II3-I4. 3 VO I4/42 (Verordeningenblad, 1942,

669 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

veertig jaar mocht aanstellen zonder toestemming van het gewestelijk arbeidsbureau! - en toen door deze twee maatregelen de wettelijke mogelijkheid geschapen was, meer arbeiders vrij te maken voor de arbeidsinzet, volgde (23 maart) Seyss-Inquartsverordening, de kortste die ooit verschenen is: uit verordening 42/41 werden de woorden 'binnen het bezette Nederlandse gebied' geschrapt.ê Simple comme benjour. Het betekende dat Nederlanders voortaan door de gewestelijke arbeidsbureaus verplicht konden worden, ook in Duitsland 'voor een bepaalde tijd op een hun aangewezen plaats diensten te verrichten.'

XCZeven-en-dertig gewestelijke arbeidsbureaus waren er. Zij ressorteerden met hun honderddrie-en-veertig bijkantoren onder het rijksarbeidsbureau dat een afdeling was van Verwey's departement. Verwey was trouwens, behalve waarnemend secretaris-generaalvan het departement, ook directeurgeneraal van het rijksarbeidsbureau. Voor de dagelijkse leiding kreeg dat rijksarbeidsbureau toen het in september '40 opgericht werd, een waarnemend directeur-generaal, mr. H. J. Morren. In ijver om werklozen naar Duitsland te bemiddelen, deed Morren niet voor Verwey onder, maar hij was aggressiever dan deze, met name waar het de NSB betrof, en ging dus in de periode waarin hij er voor moest zorgen dat ten behoeve van de arbeidsbureaus annex hun bijkantoren in eerste instantie ca. achttienhonderd personen aangesteld werden, zijn uiterste best doen, NSB'ers te weren. Klachten van NSB-kant leidden er toe dat hij begin maart' 41 gearresteerd werd. Hij kwam na drie weken vrij maar werd toen tot afdelingschef gedegradeerd; een andere hoofdambtenaar, Th. van Lier, werd zijn opvolger als waarnemend directeur-generaal. Ook van Lier verzette zich tegen de benoeming van NSB' ers, maar hij kon toch niet verhinderen dat, toen de nieuwe organisatie van start ging (1 mei' 41), negen van de zeven-en-dertig directeuren van arbeidsbureaus leden waren van de NSB. Trouwens, ook wat het personeel betrof, was de onophoudelijke Duitse pressie niet zonder effect gebleven. Eind' 41 bevonden zich onder het totale personeelsbestand van bijna zes-entwintighonderd personen driehonderdvijf-en-zeventig NSB'ers (14,5 %). Men zou kunnen zeggen dat de NSB in de sector van de gewestelijke arbeidsbureaus tienvoudig oververtegenwoordigd was; zulks maakte de actie van diegenen die, van hun plaats bij de arbeidsbureaus uit, de arbeidsinzet naar vermogen wensten te saboteren, extra-moeilijk en extra-gevaarlijk. Men wist dat elke anti-Duitse uitlating ofhandehng onmiddellijk overging dus in de tijd vooraf aan de lager genummerde VO 26/42. 2 VO 26/42 (a.v., p.

1 VO 32/42 (a.v., p. 168-70). De datum van deze verordening is 14 maart 1942. Zij

670 [PDF]
HET RIJKSARBEIDSBUREAU

gebriefd kon worden aan Boenings vertegenwoordigers bij de arbeidsbureaus, de z.g. Pachwerber, en die Pachwerber behoefden de telefoon maar op te nemen om met de Sicherheitspolizei verbonden te worden.

XCDe NSB' ers, waar ook geplaatst, directeur van een GAB of loopjongen, beschouwden het gemeenlijk als de gewoonste zaak van de wereld dat de arbeidsbureaus er na de verschijning van Seyss-Inquarts korte verordening toe zouden bijdragen dat de Duitse oorlogsindustrie uit bezet Nederland met spoed alle arbeiders kreeg die zij nodig had (verdienden al die 'anti's' iets beters ?), maar veruit de meeste directeuren en personeelsleden dachten hier anders over. Het rijksarbeidsbureau en de directies van de arbeidsbureaus hadden in '40 en '41 de uitzending van werklozen naar Duitsland bevorderd. Menigeen, ook Morren, ook van Lier, deelde Verwey's opinie dat die uitzending zelfs toegejuicht moest worden omdat zij van werklozen werkenden maakte; werkenden in een 'nieuw Europa'. Men had op die basis met Jakob zo harmonisch samengewerkt dat deze kort na het in werking treden van de arbeidsbureaus de verwachting geuit had dat de staf van de Geschájtsgruppe Soziale Verwaltung drastisch ingekrompen kon worden. Maar uitzending van werkende arbeiders zag men als een wezenlijk andere zaak dan uitzending van werklozen. Hier was geen enkel Nederlands sociaal belang mee gemoeid, integendeel: men zou Duitsland voordeel en Nederland louter nadeel bezorgen, men zou de bezetter dienen en het eigen land alleen maar schaden. Dan: de tijden waren veranderd, van de ideologie van het 'nieuwe Europa' waar verscheidenen in geloofd hadden, was niet veel meer over. De bezetter was over de hele linie veel harder gaan optreden en nagenoeg een ieder nam nu aan dat Duitsland, het mocht kort of lang duren, de oorlog zou verliezen. Men wist bovendien (dat was begin '4I in Amsterdam gebleken) dat de Nederlandse geschoolde arbeider er niets voor voelde om naar Duitsland uitgezonden te worden. En tenslotte was men zich bewust dat de deportatie van werkenden naar het land van de vijand in strijd was met het volkenrecht.' Eigenlijk was dat met de uitzending van werklozen ook al het geval geweest, maar toen was de dwang uitgeoefend door feitelijke maatregelen, inhouding van steun bijvoorbeeld, waannee de directies van de arbeidsbureaus rechtstreeks niet te maken hadden - in Seyss-Inquarts

XC1 Dat wist men binnen het Reichskommissariat eveneens. 'Die [ormelle Volleerrechts widrigkeit dieser Massnahmen steht ausser Zweifeî, schreef Rabl medio februari '42 met betrekking tot verordening 26/42 die toen nog in voorbereiding was. Aangezien evenwel Duitsland speciaal 'Industriefacharbeiter' nodig had, 'musste die vorlie gende Massregel trotzdem wohl oder ûbel im Kauf genommen u/erden:' (Rondschrijven, 14 febr. 1942, van K. Rabl aan een aantal Duitse instanties, Vu], Abt. Rechtssetzung: dossier VO

671 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

verordening werd evenwel van Nederlandse overheidsdienaren, nl. van de directeuren der arbeidsbureaus, gevergd dat zij persoonlijk door middel van door hen te ondertekenen beschikkingen andere Nederlanders zouden dwingen in Duitsland te gaan werken.

XCHet college van secretarissen-generaal scheen dit als de gewoonste zaak van de wereld te beschouwen (de notulen vermelden geen enkele kritische opmerking) en ook Verwey legde zich er aanvankelijk bij neer, maar toen bleek dat de verordening spoedig toepassing moest vinden, ontstond er grote onrust in de wereld van de gewestelijke arbeidsbureaus. Op 13 april '42 kwam de Contactcommissie bijeen, een college van acht GAB-directeuren, onder wie twee NSB' ers, met wie Verwey en van Lier belangrijke aangelegenheden plachten te bespreken, en daar deelde de directeur van het GAB-Eindhoven mee dat het hem principieel niet mogelijk zou zijn, aan de gedwongen uitzending van arbeiders naar Duitsland mee te werken. Na afloop van de vergadering zei de directeur-Nijmegen dat hij het hiermee eens was. De GAB-directeuren in het zuiden des lands pleegden een dag later, 14 april, druk telefonisch overleg. De directeur-Venlo diende zijn ontslag in. Hetzelfde deed de directeur-Hengelo. En op 16 april bleek dat Boening niet minder dan dertigduizend arbeiders voor de Duitse metaalindustrie nodig had! Nu berichtten de directeuren van Roermond en Breda aan Verwey dat zij niet langer in functie wilden blijven. Te voorzien viel dat bij de betrokken arbeidsbureaus niet alleen de directeuren zouden heengaan. Het gehele door Verwey opgetrokken bouwsel dreigde ineen te zakken.

XCWat moest Verwey doen? Misschien kon men, zo overwoog hij, de situatie redden indien de bezetter bereid was, verzachtingen toe te staan of zelfs de dwang te laten vervallen. Hij zocht Schmidt op en vroeg deze of men niet tot het principe der 'vrijwilligheid' kon terugkeren. Nu, dat was Schmidt, die door Sauckel opgejaagd werd, geen moment van plan. Het kwam er Schmidt op aan dat aan de mogelijkheid van dwanguitoefening niet getornd werd, dat de arbeidsbureaus normaal met hun werk voortgingen en dat de inschikkelijke Verwey in functie bleef. Schmidt uitte jegens deze eerst enkele dreigementen (hij kon, zei hij, binnen veertien dagen alle in mei en juni '40 vrijgelaten Nederlandse krijgsgevangenen voor werk in Duitsland oproepen), vervolgens deed hij Verwey enkele concessies die hem weinig kostten (hij beloofde dat de dienstverplichting niet op vrouwen en meisjes toegepast zou worden, dat de Sicherheitspolizei GAB-directeuren die eventueel zouden aftreden, met rust zou laten en dat hij rekening zou houden met de belangen van het Nederlandse bedrijfsleven, speciaalook met de voedselvoorziening) - en met dit mengsel van intimidatie en 'welwillendheid' bereikte hij precies zijn doel: Verwey verklaarde

672 [PDF]
VERZET BIJ DE GEWESTELIJKE ARBEIDSBUREAUS

medewerking te verlenen aan de nieuwe regeling. Dit impliceerde, gelijk gezegd, dat de dienstverplichtingen van de directeuren van de arbeidsbureaus zouden uitgaan; In hun kring waren er op 20 april in plaats van zes weigeraars zeven gekomen _ zeven van de acht-en-twintig GAB-directeuren die niet bij de NSB aangesloten waren: een kwart dus. De actie nam in de ogen van Verwey en de Duitsers al een bedenkelijke omvang aan en ze breidde zich nog uit ook toen de directeur van het GAB-Tilburg, dr. W. L. P. M. de Kort, overleg was gaan plegen met aartsbisschopde Jong. Hem had de Kort schriftelijk doen weten dat de vijfkatholieke GAB-directeuren die nog niet hun ontslag aangevraagd hadden (de Kort was er één van), alsmede drie hervormde hun houding zouden laten afhangen van het advies van de aartsbisschop. Wat ried deze aan de directeuren aan? En wat aan hun ondergeschikten? Van zeven-en-vijftig voor Duitsland opgeroepen geschoolde arbeiders hadden, berichtte de Kort, zes-en-vijftig verklaard, 'liever iedere eonsequentie te aanvaarden dan aan deze dwang te gehoorzamen.'! De Kort werd op 26 april door mgr. de Jong ontvangen in aanwezigheid van A. C. de Bruijn, de voorzitter van het ontbonden Rooms-Katholiek Werkliedenverbond, en van pater dr. S. Stokman, een van de adviseurs van de aartsbisschop in arbcidszaken. 'Het is de katholieke directeur niet geoorloofd', zei de aartsbisschop, 'aan de uitvoering van deze maatregel' (de gedwongen uitzending van arbeiders naar Duitsland) 'vrijwillig zijn medewerking te verlenen.' De Kort ging, zo schreef hij korte tijd later aan een vriend, 'als een opgewekt en verlost mens huiswaarts'. De volgende dag belde hij de Aussenstelle Den Bosch van de Hauptabteilung Soziale Verwal , tung op en zei dat hij aan de dienstverplichtingen geen medewerking zou verlenen; hij werd met het concentratiekamp bedreigd maar hield voet bij stuk .: en diezelfde dag wist Verwey dat van de acht-en-twintig 'goede' GAB-directeure1f niet minder dan twintig hun functie zouden neerleggen en dat hun adjunct-directeuren zonder uitzondering zouden weigeren, de lege plaatsen in te nemen! De toestand leek kritiek te worden. De crisis werd snel bezworen. Dat werd zij doordat de bezetter met een van zijn typische tactische wendingen een suggestie overnam die al eerder van Nederlandse kant gedaan was. Hadden de GAB-directeuren er onoverkomelijke bezwaren tegen, zèlf de dienstverplichtingen te ondertekenen? Goed, dan was het voldoende als ze die stukken klaarmaakten, expedieerden en er verder naar handelden; de beschikkingen zelf zouden evenwel niet dobr hen ondertekend worden maar door de Pachwerber. De verordening

XC1 Aangehaald in Sijes: De arbeidsinzet, p. 168.

673 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

van 23 maart werd haastig in deze zin gewijzigd- en inderdaad, alle GABdirecteuren die hun ontslag aangevraagd hadden, verklaarden zich nu bereid, voorlopig in functie te blijven. Dat standpunt werd door de aartsbisschop goedgekeurd. 'Hij was het met ons eens', schreef de Kort aan een vriend nadat hij een tweede bezoek gebracht had aan de Maliebaan, ditmaal samen met van Lier (die ook katholiek was), 'dat het gewetensbewaar vervallen was en dat nu het woord was aan de practici om uit te maken met welke houding het Vaderland het best gediend zou zijn."

XCEr zijn enkele aanwijzingen dat het prijsgeven van het principiële standpunt dat zovelen der directeuren met de hartelijke instemming van hun ondergeschikten ingenomen hadden, bij die ondergeschikten gevoelens van teleurstelling wekte. Op het GAB-Zwolle sprak men van 'een aangeboden strohalm', van 'het botte nazi-listigheidje' - maar die strohalm was aanvaard, het listigheidie geslikt. 'Ach ja, 't is ook geen kleinigheid', schreef een tot verzet geneigde ambtenaar in zijn dagboek. 'En wie durft zichzelf volmaaktzuivere motieven toeschrijven? Wij kleine ambtenaren met onze salarissenom-net-netjes-door-de-wereld-te-komen, onze vrouwen en kinderen zonder steun van kapitaal, onze aangekweekte afhankelijkheid-van-vadertjestaat."

XCWat de met uitzending bedreigde arbeiders dachten, laat zich raden. Men neme die zes-en-vijftig uit Tilburg en omgeving van wie de Kort aan mgr. de Jong bericht had, dat zij verklaard hadden, 'liever iedere eonsequentie te aanvaarden dan aan deze dwang te gehoorzamen.' Maakte het voor hen enig verschil of de hun opgelegde verplichting door de bij de Kort geplaatste Pachwerber ondertekend was in plaats van door de Kort zelf? Zij hadden stellig gehoopt dat het overheidsapparaat dat hen in opdracht van de bezetter met uitzending naar Duitsland bedreigde, grondig in het ongerede zou geraken - en dat overheidsapparaat draaide door. Onder de oude leiding.

XCN een, er was toch wel iets veranderd.

XC'De toewijding en het enthousiasme waarmee zovelen hun loopbaan waren begonnen' (in '40 of' 41), hadden, aldus Sijes, 'door de gebeurtenissen in april' 42 een flinke deuk (gekregenl.î+ Menigeen ging zich kritischer opstellen tegenover het werk dat hij deed. Menigeen besefte dat de arbeidsbureaus nu eerst recht een toeleveringsbedrijf voor de bezetter geworden waren: toelevering van geschoolde arbeiders. Dat besefte men ook in illegale kringen; één illegale groep was er (wij weten niet welke) die tot actie over

XC1 VO 48/42 (Verordeningenblad, 1942, p. 219-20) d.d. 1 mei 1942. 2 Aangehaald in Sijes: De arbeidsineet. p. 172. 3 A. van Boven: Jan Jansen in bezet gebied, p. 121 (29 april 1942). Sijes: De arbeidsineet. p. 173.

674 [PDF]
'HET BOTTE NAZI-LISTIGHEIDJE'

ging: in de nacht van 5 op 6 mei ging het GAB-Arnhem gedeeltelijk in vlammenop.

XCTwee maanden later, in juli, dook van Lier onder.!

XCIn diezelfde maand bleek, dat de gemeentepolitie, Rauters toezeggingen ten spijt, toch ingeschakeld moest worden bij de maatregelen tegen hen die de door de Fachwerber ondertekende beschikkingen naast zich neergelegd hadden. 'Personen die weigeren te gaan werken in Duitsland, moeten worden voorgeleid voor het gewestelijk arbeidsbureau', aldus secretaris-generaal Frederiks in een van zijn besprekingen met burgemeesters. 'Aan spreker is niet toegezegd dat de burgemeesters in deze aangelegenheid uitgeschakeld zullen worden' (dat was nu juist wèl toegezegd: de 'contractbrekers' moesten zich eigener beweging bij de Sicherheitspolizei melden) 'maar de politie zal eerst in laatste instantie worden ingeschakeld ... De eisen van de bezettende macht moeten worden nagekomen.P

XCDe arbeidsinzet naar Duitsland heeft van meet af aan tot verzet geleid. Men vindt dat verzet weerspiegeld in de houding van talloze werklozen die in '40 en ' 4I weigerden naar Duitsland te vertrekken of die, daar gearriveerd, besloten, eigenmachtig naar Nederland terug te keren. Zeer velen onder hen vonden in bezet gebied hulp: hulp bij ambtenaren die er voor zorgden dat zij steun bleven ontvangen, hulp bij de rechterlijke macht die met de berechting van werkweigeraars traineerde, hulp tenslotte bij de diaconieën en bij particulieren die geld inzamelden om werkweigeraars en 'contractbrekers' in staat te stellen, het hoofd boven water te houden. Ten behoeve van die twee groepen kwam in Apeldoorn (het is wellicht ook elders gebeurd) in de herfst van ' 4I een aparte organisatie tot stand, 'De helpende hand', die per maand ca. f 3 000 bijeenbracht hetwelk in bedragen van f I 5 tot f 20 per week uitgekeerd werd. 'Op straat schreeuwde men elkaar de hulpadressen toe' - en de vier belangrijkste leden van de groep werden in april' 42 door iemand aanbespreking van seer. gen. mr. Frederiks met burgemeesters uit de Achterhoek, 23 juli 1942' in]. J. G. Boot: Burgemeester in bezettingstijd, p.

1 Hij kon spoedig weer boven water komen toen Boening had doen weten dat hem geen gevaar dreigde. Zijn functie mocht hij toen niet meer uitoefenen. Als waarnemend-directeur-generaal van het rijksarbeidsbureau werd hij opgevolgd door]. A. Knetsch, tevoren referendaris bij het rijksarbeidsbureau. 2 'Verslag van

675 [PDF]
AMERIKA KOMT IN DE OORLOG

wie de groep verdere hulp geweigerd had, gedenuncieerd bij de Sicherheits polizei; twee kwamen er in het concentratiekamp Amersfoort terecht.!

XCHet is onze indruk dat met name de illegale CPN zich beijverd heeft om arbeiders uit Duitsland te houden. Daar werd van de zomer van '40 af geld voor ingezameld en De Waarheid gaf onmiddellijk na Seyss-Inquarts verordening van 23 maart '42 een duidelijk parool uit:

XC'Wat er gedaan moet worden is: in geen geval aanmelden! In geen geval aan een oproeping om naar Duitsland te gaan, gehoor geven! Het huis verlaten en een ander onderdak zoeken! In de bedrijven elke poging om arbeiders te dwingen naar Duitsland .te gaan, met de werkstaking beantwoorden ... ! Geen man en. geen handslag werk voor Duitsland zij de leuze l!'

XCZo kwam, in de lente van '42, niet alleen de arbeidsinzet maar ook de strijd tegen de arbeidsinzet in een nieuwe fase - een fase waarin steeds sterker en juist van die sector uit een belangrijke impuls gegeven zou worden aan verzet en illegaliteit.Strijdkrachten, getoetst aan de lotgevallen van locale eenheden (Apeldoorn en omgeving) (1945), p. II7-18) 2 De Waarheid, 27 april 1942, p.

1 Zij wetden door omkoping bevrijd. Dat kostte f 'wat voor die tijd nog een heel bedrag was.'

676 [PDF]

Hoofdstuk 8: Van kerken en kunstenaars

XC

XCAl in de eerste bezettingszomer, de zomer van '40, had de wens om bevrijd te worden zich bij velen in optimistische voorspellingen geuit die aanknoopten bij het wereldnieuws, vele anderen hadden zich aan formules vastgeklampt die reeds in vroegere perioden van druk en benauwenis de ronde deden. Sommigen gaven van hand tot hand de uit de zestiende eeuw daterende Z.g. profetieën van Nostradamus door, die men zo interpreteerde dat de spoedige val van het Derde Rijk er in aangekondigd was; er waren er ook die speciale waarde gingen toekennen aan de getallensymboliek en dan bij voorkeur teruggrepen op het laatste boek van het Nieuwe Testament, de Openbaring van Johannes, hoofdstuk 13, 'het Beest dat uit de zee opkomt' : 'En ik zag uit de zee een Beest opkomen ... En de draak gafhem zijn kracht, en zijn troon en grote macht. En ik zag een van zijn hoofden als tot de dood gewond, en zijn dodelijke wond werd genezen ... En het werd een mond gegeven om grote dingen en godslasteringen te spreken; en het werd macht gegeven om zulks te doen, twee-en-veertig maanden ... Hier is de wijsheid, die het verstand heeft, rekene het getal van het Beest; want het is het getal eens mensen, en zijn getal is zeshonderdzes-en-zestig.'

XCDuistere woorden ! Welnu, gaf men aan de letter a de getallenwaarde 100, aan, de b 101 enzovoort, dan was de som van de zes letters h-i-t-l-e-r 666. Conclusie: met 'het Beest dat uit de zee opkomt', was Hitler bedoeld. V01voerde hij niet 'grote dingen'? Sprak hij niet 'godslasteringen'? En diende de scheve 10k op zijn voorhoofd er wellicht toe om een litteken te verbergen van een 'dodelijke wonde' waarvan hij genezen was? Maar dan was het ook na 'twee-en-veertig maanden' met zijn macht gedaan!

XCEen bekende protestantse uitgeverij ergerde zich aan dit bijgeloof dat in de zomer van '40 hand over hand toenam. Zij wilde een degelijk maar populair geschreven boekje laten verschijnen waarin tegen dit misbruiken van Bijbelteksten gewaarschuwd werd. Zij nam daartoe contact op met een hervormde predikant in Den Haag, ds. D. A. van den Bosch, van wie reeds enkele bundels preken in druk verschenen waren. Van den Bosch was in protestantse kringen landelijk nogal bekend. Hij stond eerst in de Haarlemmermeer en in Groningen, maar had in 1916, een-en-dertig jaar oud, een

677 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

beroep naar Den Haag aanvaard. Hij was daar met zijn simpele, directe prediking, rijk aan beelden die zijn gehoor onmiddellijk aanspraken, een gevierd predikant geworden. Talloze malen was hij ook tot ver buiten Den Haag als spreker opgetreden. Protestanten kenden hem mede uit de radio, want van den Bosch was een van de vaste sprekers van de NCRV; hij was ook haar vicevoorzitter.

XCHet verzoek van de uitgeverij sprak hem aan. Hij had een vlotte pen. Begin november kwam zijn boekje van de pers. De uitgever had er een fel rode kaft om gedaan en daarop stond in zwarte opdruk: 666, het getal eens mensen. De intrigerende titel lokte veel kopers aan, de exemplaren vlogen weg. 'Tot een nieuwe dwaasheid', zo las men op pagina 97, 'is men in verband met dit getal gekomen in onze dagen: vlijtige puzzelaars, hier of in het buitenland, ik weet niet waar de oorsprong ligt van dat geknutsel, hebben ... de naam van de Rijkskanseliervan Duitsland er bij betrokken. Hoe onzinnig deze goochelarij met Bijbelteksten is, is zonder enige moeite aan te tonen. Johannes zal toch zeker niet met de getalwaarde van het Duitse, Franse, Engelse of Hollandse alfabet gerekend hebben ... Hoe willekeurig is het uitgangspunt om die nummering te laten aanvangenmet 100 ... Op dezewijze zijn verscheidenenamen in dit getal te ontdekken ... En wie de moeite zou nemen, het adresboek van Den Haag of van welke stad ook, op te slaan, zou zeker een reeks van namen van zesletters vinden die bij optelling der letters op deze wijze, 666 zouden opleveren.'

XCOpdecemberenkele weken na de verschijning van dit boekje, wordt ds. van den Bosch gearresteerd. Men brengt hem naar de Cellenbarakken in Scheveningen en sluit hem op. Wat heeft hij misdaan? Hij is een man van gematigde opvattingen die in politiek opzicht nooit op de voorgrond trad. Hij is trouwaan Oranje. Hij werd in Duitsland tijdens een bezoek indiep geschokt door de Jodenvervolging en heeft daar in zijn preken wel eens over gesproken. Die staan gesignaleerd bij het Reichssicherheitshauptamt in Berlijn - maar hetzelfde geldt voor de uitlatingen van zoveel anderen die met rust gelaten zijn! Langzaam daagt het de eenzame man in zijn cel dat hij van zijn vrouw, die hartpatiënte is, van zijn drie kinderen en van zijn gemeente gescheiden is, louter op grond van die ene passage over 'de Rijkskanselier van Duitsland' : hij zou voedsel gegeven hebben aan het denkbeeld

II '40 '36

678 [PDF]
DS. VAN DEN BOSCH

genoemd, maar twee pagina's verder staat dat 'het Beest' 'nooit, nooit' de overwinning bevechten zal en 'dat die Antichrist in de laatste tijd tot volle ontwikkeling komt, en daarmee tot volle openbaring van zijn vreselijk karakter.' Dat laatste mag dan een citaat zijn uit een al meer dan vijftien jaar oud theologisch werk, maar het bevestigt de conclusie van de Sicher heitspolizei : 'Beleidigung des Führers'.

XCEr volgen enkele verhoren en via een bewaker, later via een verpleger die beiden 'goed' zijn, kan van den Bosch zijn vrouwen kinderen in gesmokkelde brieven doen weten hoe het er met hem voorstaat. Hij is in die verhoren eerlijk geweest: . 'Toen weer over mijn boek. Daar zijn ze wel woedend over. Ze willen met alle geweld, dat ik er politieke bedoelingen mee heb gehad. Heb ik sterk ontkend ... Hoe ik over het nationaal-socialisme dacht. Ik heb gezegd dat ik teweinig studie heb gemaakt van 't Duitse om een gefundeerd oordeel te geven, maar dat ik meende, dat wij 't Hollandse niet nodig hadden om hier gelukkig te zijn ... Wat ik dacht van het Oranjehuis. Ik heb gezegd: dat wij dat liefhebben ... Wat ik hoopte voor de toekomst. Antwoord: Nederland weer een vrij volk onder Oranje ... De Joden. 'k Heb gezegd dat ik de Joden om Christus' wil waardeerde al zag ik wel hun slechte eigenschappen; Jezus ook een Jood. Zij: neen. Vele professoren in Duitsland zeggen Jezus was Ariër. Ik: onmogelijk voor wie de Bijbel laat spreken ...

XCDag, dit alles in grote haast. Blijf voor mij bidden ... Dag, vele kussen. 't Beste met jullie.' 1

XCDan komt de wanhoop. Hij is er innerlijk volstrekt zeker van dat hij in de week van I op 8 februari vrijgelaten zal worden (alles is immers opgehelderd!) - en 't is zaterdag en nog zit hij in de cel:

XC'Ik ben volkomen verslagen en durf op de zaterdag niet meer hopen. Trouwens op geen enkele dag. Nu blijkt dat ik overgeleverd ben aan de meest onbeperkte willekeur. Er is niets meer te hopen en te verwachten. 0, wat heb ik met God

1 Brief, 21 jan. 1941, van D. A. van den Bosch aan zijn echtgenote en kinderen, aangehaald in A. M. C. van Lynden-van den Bosch: D. p. 78-80. In deze brief en in de volgende die wij citeren, hebben wij ter wille van de leesbaarheid afkortingen ongedaan gemaakt. In dit verhoor werd van den Bosch ook de strikvraag gesteld, 'ofik ook zeggen kon, aan welke kant van de kop van het Monster uit 13 het litteken zat dat weer genezen was ... Ik zei dat daarvan niets stond in Ze zijn bang dat al wat daar staat, toch wel degelijk op 'Jansen' past en op Duitsland. En nu vermoed ik dat 'Jansen' een litteken heeft opzij aan z'n hoofd. Bij nadere bespreking met anderen hoorde ik, dat dat inderdaad het geval moet zijn en dat hij daarom die 10k draagt.' (a.v., 3 aug. 1941, p. 121)

679 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

gèworsteld, maar ik kan het nog niet overgeven dat ik hier nooit weer uitkomen zal. Bidt jullie toch voor me, want ik ben zo moe. Alle beloften uit de Bijbel staan zo ver weg ... Heb toch medelijden met mijn angsten. ° God help me!! ... 0, bidt voor me, dat ik dapper mag zijn, ook als ik in de gevangenis moet sterven. Lievelingen, ik groet jullie uit m'n nood Ik zie geen enkel lichtpunt meer. En 0, 0 dat nu zo mijn werk eindigen moet 0, lieve vrouwen kinderen, God luistert niet meer naar me. Wil jullie voor me bidden ... Vergeet je vader toch niet.' 1 Dag na dag, week na week verstrijkt. Hij blijft gevangen. Eens in de drie wèken bezoek - tien minuten, ('0, Godhou me toch vast ... Twee maanden! Wat willen ze toch van me en met me.'2) Langzaam, langzaam herwint hij zijn innerlijke rust, leert hij in een geloofsstrijd die hem door de diepste vertwijfeling voert, het onaanvaardbare aanvaarden ('Ik heb dertig mooie. jaren gehad, die ik te weinig dankbaar genoten heb. Nu zegt God: 't is uit. En Hij is de rechtvaardige"), maar het is juni voor hem die woorden uit de pen vloeien. Een goede maand! Hij wordt uit de kwellende eenzaamheid verlost, hij krijgt werk in de bibliotheek van de Cellenbarakken. In augustus (de oorlog met de Sowjet-Unie is in volle gang) gaat hij weer hopen: 'Wat zal het een grote vreugde geven,als we weer bij elkaar zullen zijn. Och, , wanneer? Er zijn hier lui die zo grenzeloos optimistisch zijn, dat ze in deze maand het einde verwachten.' Nu, dat optimisme kan ik niet delen. Ik reken er mee ... dat het wel volgend voorjaar of zomer zal worden, voordat de oorlog afgelopen is. En dat alleen zal mijn bevrijding brengen."

XCEind oktober, op zijn verjaardag, een bijzondere gunst: van de Cellenbarakken uit mag hij zijn vrouwopbellen die hem door haar ziekte al die tijd niet heeft kunnen bezoeken. 'Wat heerlijk was dat, lieveling, dat we tenminste op m'n verjaardag na tienen-een-halve maand elkanders stem weer eens konden horen ... Ik kon me eerst niet goed houden, merkte je wel. En jij ook niet, geloof ik. Och kind, wat was dat fijn. Dat maakte de dag alleen al tot 'n feest."

XC1 A.v., 8 febr. 1941 (a.v., p. 80-81). 2 A.v., IJ febr. 1941 (a.v., p. 87); 3 A.v., ra jun; 1941 (a.v., p. II]). 'A.v., J aug. 1941 (a.v., p. 120). 6 A.v., 26 okt. 1941 (a.v., p. 178).

680 [PDF]
DS. VAN DEN BOSCH

XCTwee dagen later wordt hij naar het pas in gebruik gestelde concentratiekamp Amersfoort overgebracht. *,

XCDe groep die van den Bosch uit de Cellenbarakken voorgegaan is, vangt hem in het kamp op, bewerkstelligt dat hij, de nu zeven-en-vijftigjarige, niet in een ploeg voor zwaar werk belandt maar helper wordt in een van de barakken. Bouwvakarbeiders, later mannen van de PTT die bij de inrichting van het kamp ingeschakeld zijn, zorgen er voor dat zijn clandestiene brieven zijn vrouwen kinderen blijven bereiken:

XC'We moeten opstaan half zeven, wassen in een groot lokaal buiten, dan komt de koffie en we eten brood ... Cantine gaf deze week vis ... en tweemaal deze week ieder zes appelen, Te lezen is hier niets. Maar 'k heb Bijbeltje en Gezangboek. Om twaalf uur weer brood eten en's avonds ongeveer zes uur middageten, niet veel zaaks. Na 't ontbijt aantreden op 't grote open terrein. Dan g~ ik evenals allen op klompen met de politiemuts op in een, lange cavalleriejas met mijn blok van 350 man in de houding staan. Duitse commando's. In de houding, de voorste rij telt af, 'die Augen links' (dus hoofd naar links draaien),-'Mützen ab', met één slag alle mutsen afzetten, dan sta je soms vijf of tien minuten in je kaalgeschoren hoofd. Dan 'Augen gerade aus', alle hoofden zwenken, 'Mützen auJ!', met één'slag zo op je hoofd, net naar 't valt. 'Corrigieren', d.w.z. je muts recht zetten. 'Ab', met een klap je handen weer omlaag. Dat 'n paar keer herhaald en dan inrukken. Ieder naar zijn werk. De behandeling is zeer slecht, stompen, trappen, slaan. 'n Paar lopen met een zweep en ranselen er op los. Sommigen o.a. burgemeesters en geestelijken en joden worden beestachi:ig behandeld. 't Zijn duivels ...

XCDag liefste; dag, je innig liefhebbende man. 'k Hoop dat je 't lezen kunt. Ik schrijf zittend op het bovenste bed. Er zijn er drie boven elkaar. Dag, God sterke jullie allen. Dag.' 1

XCAl in de Cellenbarakken is van den Bosch vanuit zijn werk in de bibliotheek velen tot steun geweest. Zozeer had hij zijn evenwicht hervonden, dat rust en blijmoedigheid van hem uitgingen. Zelf ontleende hij er elke zondag kracht aan de diensten van de gevangenispredikant ds. G. Bos, Nu, in Amersfoort preekt hij weer zelf, aanvankelijk om de beurt met zijn mede

1 A.v., 2 nov. 1941 (a.v., p. 198--99).

681 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

gevangene, de Rotterdamse predikant ds. A. R. Rutgers.' Het begint, ergens in een kale barak, met tachtig toehoorders; het worden er honderdvijftig. De vermagerde, kaalgeknipte predikant is een bezielde geworden. Hij heeft een taak: lotgenoten de troost brengen van het Evangelie. Men kent hem als een goed en eerlijk kameraad. Hier is hij niet de gesoigneerde voorganger die, de toog om en de bef voor, hoog op de kansel staat - hij is mens onder mensen. Tekenen van uiterlijke waardigheid zijn er niet meer. Hij lijdt, als allen. Wat allen lijden, brengt hij onder woorden, simpel en direct. Die woorden worden als gegrift in de geest van zijn toehoorders, neen: van zijn kampgemeente. Ziet, wat in de Bijbel een ver en abstract historisch verhaal leek, is werkelijkheid geworden. Zaterdag 6 december is in een der werkploegen een dag vol gruwelijke mishandelingen. 'Zondag 7 december preekt hij', aldus later een gevangene, 'over Handelingen 8: I: 'En er geschiedde in die dagen een grote vervolging tegen de gemeente die te Jeruzalem was.' Een preek die ik nooit vergeet en die ik haast letterlijk kan weergeven .. Toen was er geen oog meer droog, maar velen zaten te snikken van niet meer in te houden smart en aandoening.P Het wordt een barre winter. De gevangenenlijden honger. Een dysenterieepidemie breekt uit. Goede medische verzorging ontbreekt. Eind februari wordt van den Bosch ziek. Het uitgeteerde lichaam kan niet meer mee.

XC1 Abraham Rutger Rutgers, geborenin 1883, werdnadat hij eerst op enkeleplaatsen in het oosten des lands gestaan had, in 1932 naar Rotterdam beroepen. Hij was een zoekende ziel, 'een vreemdeling in een vreemd land' noemde hij zichzelf eens. 'In de kerk was het hem telkens te benauwd', aldus Buskes. (J. J. Buskes: Een vreem . deling in een vreemd land. De strijd om het Koninkrijk Gods in het leven van Abraham Rutger Rutgers (z.i.), p. 9) Rutgers was vele jaren lang een overtuigd christenantimilitarist maar kwam na een bezoek aan republikeins Spanje van zijn antimilitaristische overtuiging terug. Hij uitte zich in '40 op de kansel wellicht openlijker dan wie ook. Hij achtte zich geroepen, daar en in zijn catechisatie zonder enige restrictie te spreken en deed dat ook. Duitsland noemde hij een zuiver imperialistische mogendheid, Seyss-Inquart een landverrader. Toen hij, na reeds enkele malen gewaarschuwd te zijn, op II juni '41 gearresteerd werd, zei hij tijdens zijn verhoor o.m.: 'Alsfreie Holtander die 80 Jahre lang um ihre Cewissensfreiheit und um ihre völkische Freiheit gekiimpft haben, leonnen wir unmöglich mit Systemen sympathisieren die ihre Ziele mit Gewalt und Terror zu erreichen suchen. Zu diesen Systemen gehören der Bolscheu/ismus, der Fasehlsmus und der Nationalsozialismus; alle drei sind gleieh ... Was wollen Sie überhaupt in Holland? Sie gehören garnicht hierher l' ('Meldungen aus den Niederlanden', 48 (17 juni 1941), p. 6-7) Rutgers werd uit Scheveningen naar Amersfoort en uit Amersfoort eind november '41 naar Dachau overgebracht. Daar werd hij, al verzwakt, als bijna zestigjarige zo ernstig mishandeld door drie medegevangenen over wier corruptie hij zich beklaagd had, dat hij enkele dagen later, 2 april '42, bezweek. 2 A. M. C. van Lynden-van den Bosch: Dominee D. A. van den Bosch, p. 213.

682 [PDF]
DS. V AN DEN BOSCH

'Maar hij klaagt nooit en is voor elke kleine dienst roerend dankbaar.'! Van dag tot dag wordt hij zwakker. Na enkele weken komt het einde, een einde op een houten brits en in eenzaamheid. 'Als de mannen op de appèlplaats in rij en gelid staan aangetreden, wordt het snel doorgegeven : 'Van den Bosch is dood .. .' ' Eén van hen die daar op die gure maart-ochtend het bericht door de rijen hoort mompelen, schrijft later aan deweduwe van de predikant: 'Mevrouw, u zult het misschien gek vinden en ook niet geloven, maar ik verzeker u dat wij in het kamp die morgen meer verloren dan u.'2

XC'De zoste maart, des morgens om 8 uur, mocht', aldus de fiere overlijdensadvertentie, 'onze lieve Man en Vader, Dirk Arie van den Bosch, Hervormd Predikant te 's-Gravenhage, Ridder in de Orde van Oranje-Nassau, de Kruisbanier tot in Gods Handen dragen.'

XCEr komen bij de weduwe tegen de duizend brieven met rouwbeklag binnen.

Hitler: 'voorlopig geen kerkstrijd!'

XC

XCVerschillende redenen waren er waarom wij dit hoofdstuk wilden openen met de beschrijving van het levenseinde van ds. van den Bosch. Juist in een werk alshet onze dat de aandacht in de eerste plaats richten moet op de brede ontwikkelingen, is het gepast, soms de enkele mens in zijn strijd en zijn lijden centraal te stellen. Voorts: ds. van den Bosch was de eerste Nederlandse predikant die slachtoffer werd van de bezetting. Zeker, de kerken zijn in ons land (in Polen ging het geheel anders toe) niet in sterke mate vervolgd, althans niet in de mate die de machthebbers mogelijk was, maar de vervolging ten dode werd niet uit beginsel nagelaten doch om opportuniteitsredenen; zij was uitgesteld, meer niet. Met name tijdens de oorlog kon Hitler zich in Duitsland en de overige niet-Slavische landen niet de luxe veroorloven van zulk een vervolging waar hij, profeet en symbool van een nieuwe religie, eigenlijk naar dorstte. Een week na de inval in Polen ging al een bevel naar de ss in Duitsland uit waarin stond dat de Führer '[ede Aktion gegen die katho/ische und evangelische Kirche für die Dauer des Krieges verboten' had." Men lette op die woorden: '[iir die Dauer des Krieges', In Speers aanwezigheid zei Hitler later: 'Wenn ich einmal meine anderen Eragen erledigt habe, werde ich mit der Kirche abrechnen. Horen und Sehen wird ihr vergehen.":Siedlungshauptamt, aangehaald in F. Zipfel: Kirchenkampf in Deutschland 1933-1945 (1965), p. 226. 4 A. Speer: Erinnerungen, p.

1 A.v., p. 231. 2 A.v., p. 2]2. 3 Rondschrijven, 8 sept. 1939, van het

683 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

XCAan Hitlers opportunistische instructie werd ook binnen het Reichsleom missarlat in bezet Nederland regelmatig herinnerd. Aan die instructie diende mede de NSB zich te houden. In de lente van '43 moest de hoofdredacteur van Storm-SS verdwijnen omdat hij het met zijn aanvallen op de 'kruismollen en preektijgers' (daarmee waren de priesters en predikanten bedoeld) al te bont gemaakt had. ill september van dat jaar deed de' commissaris van Limburg, d' Ansembourg, het voorstel dat in zijn provincie alle gemeentelijke bijdragen aan kerkbesturen, bij elkaar ruim f 110000, geannuleerd zouden worden. Musserts plaatsvervanger van Geelkerken wees hem er toen op, 'dat de strikte aanwijzing bestaat om geen conflicten met de kerk uit te lokken, dus ook niet principiële beslissingen.'!

XCDie 'strikte aanwijzing' gold dus nog steeds. Of zij zou blijven gelden, wist niemand.

XCTrouwens, op basis van die louter relatieve terughoudendheid werden de kerken in Duitsland toch wel op tal van wijzen dwarsgezeten. Men zou van een langzaam afknijpingsproces kunnen spreken. Veldpredikers en aalmoezeniers hadden het binnen het Duitse leger en de Duitse marine moeilijk, tot de Luftwaffe, Goerings troetelkind, werden zij niet toegelaten. Voorts werd niet alleen de kerkelijke pers, gelijk reeds in ander verband vermeld, drastisch beperkt, maar werden ook kloosters, seminaria en andere kerkelijke gebouwen op grote schaal gevorderd. Die seminaria kwamen practisch zonder studenten te zitten - vrijwel allen werden voor de Wehrmacht opgeroepen en wie na zijn eindexamen theologie wilde studeren, kreeg daar de kans niet toe ; ook hij moest zich onmiddellijk voor de militaire keuring melden. En tenslotte werden talrijke priesters en predikanten gevangen gezet, als regel in het concentratiekamp Dachau; anderen werden om futiliteiten ter dood veroordeeld. Wij moeten hier niet alleen een op bepaalde geestelijken gerichte straf in zien; de bestraffing van één had mede de functie, tientallen zo niet honderden anderen te intimideren.

XCEen soortgelijk afknijpings- en intimidatieproces speelde zich in Nederland af. De kerkelijke pers werd gekortwiekt, alle processies werden verboden, de klein- en grootseminaria van het aartsbisdom en van de bisdommen (met uitzondering van het bisdom Breda) gevorderd, zo ook tal van kloosters, kloosterscholen en retraitehuizen. Aan protestantse kant werd in maart ,42 de Bijbelkiosk-vereniging opgeheven; wat daar aan gedrukte bescheiden voorhanden was (bijbels,kinderbijbels, meer dan een miljoen bijbelse platen), werd in beslag genomen en tot pulp verwerkt of verbrand. Het luiden van kerkklokken was al in de zomer van ' 40 verboden; de roof dier klokken zullen

XC1 Brief, 7 sept. 1943, van van Geelkerken aan d'Ansembourg

684 [PDF]
DE JEHOVA'S GETUIGEN

wij in een volgend deel beschrijven. Dat alles ging gepaard met een constante druk op de kerken om zich van inmenging in hetgeen de bezetter wenste te bereiken, te onthouden, alsook met een aanmerkelijk aantal arrestaties.

XCAfknijping en druk dus - géén vervolging ten dode. Die laatste trof slechts één enkele religieuze groepering: de Jehova's Getuigen.

XCDe vervolging van de Jehova's Getuigen was in '33 in Duitsland begonnen: de Nazistaat kon hun leer en hun optreden niet dulden.

XCDeze groepering was van Amerikaanse oorsprong. Tegen 1880 had daar een jeugdig Protestants predikant, Charles Taze Russell, een begin gemaakt met de uitgave van een blad, Zion's Watch Tower and Herald of Christ's Presence, waarin op grond van een interpretatie van bepaalde passages in de bijbel gesteld werd dat Christus in 1874 onzichtbaar op aarde teruggekeerd was, dat het einde der tijden over veertig jaar, in 1914 dus, daar zou zijn en dat dan alleen diegenen die deze stellingen zouden aanvaarden, het eeuwig leven deelachtig zouden worden. Omstreeks het jaar 1890 kreeg de Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania haar eigen groot hoofdkwartier in Pittsburgh. In 1903 won Russell zijn eerste volgelingen in Duitsland, in 1904 in Australië, en niet alleen in, maar ook buiten de Verenigde Staten breidde zijn aanhang zich voortdurend uit - een proces dat overigens met twisten en afsplitsingen gepaard ging. Uiteraard werd in 1914 het uitbreken van de eerste wereldoorlog' als bewijs gezien voor de juistheid van Russells interpretatie van de bijbel. Russell stierf in 1916. Als leider werd hij opgevolgd door zijn rechtskundig adviseur, Judge Joseph F. Rutherford, hetgeen met nieuwe twisten gepaard ging. Rutherford stelde zich in de Amerikaanse samenleving scherper op dan Russell. Toen de Verenigde Staten in '17 in de oorlog betrokken werden, gelastte hij dat de leden van de groep geen deel mochten hebben aan het Satanswerk van de oorlog: zij moesten zowel militaire dienst als arbeid in, de oorlogsindustrie weigeren. Aldus geschiedde. zulks leidde tot vervolgingen die de cohesie van de groep ten goede kwamen. Na de wereldoorlog breidde Rutherford de organisatie uit. Alle bestaande wereldlijke en kerkelijke machten ging hij verwerpen, met name de katholieke kerk, door hem uitgebeeld als de diabolische macht op de achtergrond die verantwoordelijk was voor alle aardse rampen. Dat 1914 niet het 'einde der tijden' gebracht had, was niet meer dan

685 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

een kleine teleurstelling. Nieuwe becijferingen, soms ook op de Openbaring gebaseerd, hielden bij de volgelingen telkens de hoop levendig dat dat einde toch spoedig zou komen. Zij duchtten dat niet: allen zouden te gronde gaan, zij alleen zouden gered worden.

XCAls Internationale Bibelforsi:hervereinigung had Rutherfords groepering in het Duitsland van de republiek van Weimar een bescheiden aanhang gekregen. Rutherford had er in ' 33 ca. zesduizend volgelingen. Dat waren in grote meerderheid eenvoudige mensen die het moeilijk hadden of door een groot leed getroffen waren: armen,' bejaarden, ongehuwden, kinderlozen. Hun actie werd spoedig verboden, maar zij bleven (dat was voorschrift en Jehova zou hen beschermen) hun traetaten verspreiden. Daarbij kwamen zij in de herfst van' 3 6 in een extra-moeilijke positie te verkeren toen Rutherford een congres van zijn beweging dat in Luzern gehouden werd, een resolutie liet aannemen waarin hij het Nazibewind als een satanischemacht karakteriseerde die door de Jezuïeten geleid werd. Hitler en de Paus ontvingen afschrift van die resolutie maar Rutherford droeg er ook zorg voor dat zijn volgelingen in de gehele wereld er met telegrammen aan Berlijn hun adhesie aan betuigden. Nu sloeg de Gestapo onverbiddelijk toe. Dat er Duitsers waren die de autoriteit van de staat niet erkenden, die weigerden de Hitlergroet te brengen, in de Wehrmacht te dienen of in de oorlogsindustrie te werken, was al onaanvaardbaar, maar als deze lieden internationaal en in het publiek een actie gingen voeren die zich tegen Hitler en het Derde Rijk richtte, dan diende de groep met wortel en tak uitgeroeid te worden. Nagenoeg alle Bibelforscher werden gearresteerd en eerst in gevangenissen, later in concentratiekampen opgesloten. Veruit de meesten hunner hebben daar, bedreigingen en martelingen ten spijt, geweigerd, hun leer te verloochenen. Van deze Duitse Bibelforscher zijn ca. tweeduizend in de kampen omgekomen.

XCNederlandse Jehova's Getuigen hadden in de periode van de vooroorlogse vervolging in Duitsland menigmaal publikaties Duitsland binnengesmokkeld. Die aktiviteit werd bevorderd door het feit dat de leiding van de Nederlandse groep in handen kwam van drie Duitse emigranten, van wie een zekere R. A. Winkler de sterkste figuur was.

XCDat zij de werkzaamheid van die groep in bezet gebied moest tegengaan, sprak voor de Sicherheitspolizei vanzel£ De eerste tien leden werden eind oktober '40 gearresteerd, anderen' die ondergedoken waren, werden in het Opsporingsregister gesignaleerd. Door die onderduikers werd de actie voortgezet. Nieuwe arrestaties volgden in februari '41; in april, toen het 'Internationale Bijbel- en Tractaatgenootschap de Wachttoren' door de Sicher heitspolizei officieelverboden werd (alle eigendommen werden in beslag genomen), ontvingen de Nederlandse politieorganen die met de opsporing en

686 [PDF]
DE JEHOVA'S GETUIGEN

de arrestatie der Jehova's Getuigen belast waren, illegaal gedrukte circulaires waarin zij vermaand werden, huri hulpverlening aan de macht van Satan te staken. Gevolg hiervan was dat de politie uitdrukkelijk instructie kreeg, Jehova's Getuigen die 'op heterdaad betrapt werden op het colporteren met brochures ofhet aanplakken van pamfletjes of biljetjes', in arrest te nemen en over te dragen aan de Sicherheitspolizei; namen en adressen van aanhangers diende de politie, 'ook al wordt van hen geen actie geconstateerd', aan de Sicherheitspolizei te berichten, 'teneinde te voorkomen', schreef de Amsterdamse procureur-generaal, 'dat dergelijke personen, die misschien reeds door de Sicherheitspolizei werden gehoord, ten tweeden male worden lastig gevallen.'! Geloofde hij zèIf dat leugenachtig motief?

XCBegin juli' 41 zaten in de Cellenbarakken in totaal zes-en-zeventig Jehova's Getuigen gevangen. In oktober kwam het toeval de Sicherheitspolizei te hulp. In Amsterdam op zoek naar drukkers van illegale communistische geschriften vond zij bij een drukkerij welker eigenaar, Wessel Eikelenboom, ter camouflage lid geworden was van de NSNAP-van Rappard (hij drukte haar weekblad), zetsel voor een publikatie der Getuigen. De drukker werd geprest, al zijn contacten te noemen.ê Niet alleen werd nu het illegale magazijn van de groep opgerold, maar nagenoeg aile leidende functionarissen, onder hen Winkler, werden gearresteerd en daar vloeiden weer talrijke andere arrestaties uit voort.

XCHet is onze indruk dat de Nederlandse groep deze haar in de herfst van '41 toegebrachte slag tijdens de bezetting niet te boven is gekomen."

XCDe activiteit van een groep als de Jehova's Getuigen werd binnen de staf van de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD door een apart Rejerat gevolgd dat gegevens over de 'Sekten' verzamelde; er waren daarnaast aparte Rejerate voor de katholieke kerk en voor de protestantse kerken. Bij die laatste twee Rejerate kwamen rechtstreeks of via de Aussenstellen der Sicher heitspolizei und des SD de rapporten binnen over hetgeen op zondag tijdens de dienst door priesters en predikanten gezegd was. Er vonden in den lande• In het deel van ons werk dat aan de gevangenissen en concentratiekampen gewijd

1 Rondschrijven, I mei 1941, van de proc.-gen. Amsterdam (eNO, 10 c). 2 Eike lenboom was in die tijd ook drukker van dit werk heeft hij verzwegen.

687 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

elke zondag in ettelijke duizenden kerkgebouwen diensten plaats; lang niet naar al die diensten werden verspieders gezonden. In mei '4I merkte een van de stafleden van de sss in een brief aan het Reichssicherheitshauptamt op, dat 'das Vertrauensmdnner-Netz: für das konfessionelle Gebiet noch sehr schtvach' was; er kwamen 'vorwiegend Einzelmeldungen' binnen.' Die 'Einzel meldungen' konden afkomstig zijn van Rijksduitsers, van NSB'ers 2 of van andere 'foute figuren'; in minstens één geval waren zij afkomstig van enkele leden van de Wehrmacht.

XCWij hebben de indruk dat de Sicherheitspolizei met die denunciaties nogal willekeurig omsprong. In het algemeen hadden de Aussenstellen het veel te druk met de bestrijding der illegaliteit om grote aandacht te besteden aan de kerkelijke voorgangers.P Daar kwam bij dat, althans van begin' 43 af, met de voornaamste Sachbearbeiter op kerkelijk gebied, prof. dr. Heinrich Nelis, wel te praten viel. Vreemde figuur! Een afvallige priester, hoogleraar aan de Universiteit van Frankfurt aan de Main, SS-Sturmbannführer, in '41 toege

1 Brief, 26 mei 1941, vanH, Till aan het 073835). 2 Zo 'schreef een zich als zeer christelijk beschouwende NSB'er te Amsterdam op '13 april A.D.' (Paasmorgen) 1941 een brief naar de districtsleider van de NSB in de hoofdstad waarin hij er bij deze op aandrong, 'wat gereformeerde kameraden de opdracht (te) geven, naar de prediking van ds. Sikkel en ds. Sietsma te luisteren' en 'de bevoegde instanties' (de te verzoeken, bij ds. Sietsma de tekst op te vragen van de prediking die hij die ochtend gehouden had. 'Ik ben van mening', aldus de NSB'er, 'dat deze prediking vals en zeer sterk insinuerend is. Het gedeelte van de preek dat mij genoopt heeft, de kerk uit te lopen, was de passage waarin (naar mijn gevoelen) de bezettende overheid vergeleken werd met de wachters bij het graf die op de vlucht sloegen bij het verschijnen van de Engel.' (brief, 13 april 1941, van W. B. v. M. aan]. W. de Ruiter, Doc. 1-1186, a-az) Deze briefwerd naar Lages en door Lages naar de in Den Haag doorgezonden. Ds. K. Sietsma kreeg op zaterdag 3r januari '42 de waarschuwing dat zijn dienst op zondag gecontroleerd zou worden door 'de SD' omdat ·hij een collecte voor de zending onder de Joden aangekondigd had. Hij preekte die zondag over de ver zoeking van Christus in de woestijn en liet de collecte doorgaan. Daags daarna werd hij gearresteerd. Via Amersfoort werd hij naar Dachau getransporteerd. Daar bezweek hij binnen enkele maanden. Er ligt in een geval als het zijne geen direct causaal verband tussen de weergegeven denunciatie en de deportatie; dat zulk een denunciatie tot het arrestatiebesluit bij gedragen heeft, is buiten kijf. De raadpleegde voor zij dit soort besluiten nam, het gehele 'dossier' van de betrokkene - daar lag dan zulk een denun ciatiebrief in. 3 Dr. H. W. van der Vaart Srnit beklaagde er zich in de zomer van '43 over dat de staf van de zo weinig op het door hem toegezonden denun ciatiemateriaal gereageerd had: (brief, 8 juli 1943, van H. W. van der Vaart Srnit aan de Den Haag 163 i)).

688 [PDF]
SLACHTOFFERS

voegd aan de staf van het concentratiekamp Dachau waar hij 'de eigenaardigheid (had) om telkens als een (gevangene) op het stoeltje (tegenover hem) plaats nam, een kromgebogen speld, in de zitting verborgen, met een ruk omhoog te trekken" en tijdens zijn werkzaamheid in Nederland 'bespaarde (hij) zich vaak geen moeite om predikanten of hulppredikanten in vrijheid te krijgen, waar hem dat mogelijk was', aldus de geschiedschrijver van de Hervormde Kerk, ds. Touw." Ds. Delleman, de geschiedschrijver der Gereformeerde Kerken, beoordeelt hem even gunstig: een 'goedwillende Duitser'. 3 Nu moet, wat zijn interventies betreft, bedacht worden dat de bezetter in de tweede helft van de bezetting eigenlijk de strijd aan het kerkelijk front goeddeels opgegeven had: hij wist dat er niets meer te bereiken viel. In de eerste helft was zijn controfe scherper en waren zijn reacties veelvuldiger, vooral wanneer hij contact vermoedde met Londen. Zo had de regering via Radio Oranje op donderdag 26 februari '42 de oproep gedaan, op zondag I maart een biddag te houden voor Nederlands-Indië. Die oproep was rijkelijk overbodig. Hij leidde er toe dat de diensten extra-scherp gecontroleerd werden en dat een groot aantal predikanten verhoord en een kleiner aantal in arrest genomen werd."

XCIn totaal werden tijdens de bezetting van de ca. tweeduizend hervormde predikanten honderdzes-en-dertig korte of lange tijd gevangen gehouden; twaalf van hen bezweken in de concentratiekampen. Tot eind' 42 vonden negen-en-zestig arrestaties plaats, van de resterende zeven-en-zestig hadden veruit de meeste te maken met werkzaamheden voor illegale groepen. Trouwens, wegens de prediking alléén werden er van de honderdzes-endertig slechts ruim dertig opgepakt. Bij de gereformeerden lagen die cijfers opmerkelijk hoger: op ca. vijfhonderd predikanten honderdzes arrestanten en twintig omgekomenen. Van de meer dan vierhonderd rooms-katholieke geestelijken die van hun vrijheid beroofd werden 5, kwamen negen-en-veertig om het leven. Nadere cijfers bezitten wij alleen voor Limburg: op zevenhonderd priesters zeventig arrestanten (plus dertig ondergedokenen) en zestien die in gevangenschap bezweken..n.r,gehele land tussen de vijf-en-veertighonderd en vijfduizend katholieke 'ambts

1 B. van Genuchten: 1942 1945) (1957). p. 13. 2 H. C. Touw: p. 587. 3 Th. Delleman: p. 210. • memoreerde de oproep der regering in een hoofdartikel en een predikant te Zwijndrecht beriep zich daar op, zeggend dat hij zich niet anders had kunnen voorstellen dan dat dat artikel door de Duitse auto riteiten goedgekeurd was. 5 Er waren, naar schatting, tijdens de bezetting in het

689 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

XCDie cijfers geven nog maar ten dele een beeld van de druk die op de kerken uitgeoefend werd. Zo vonden in Noord-Holland en Utrecht in' 42 negentien arrestaties plaats (protestanten èn katholieken), maar daarnaast werden een-en-zeventig predikanten en priesters aan lange verhoren onderworpen en van hen kregen twintig de mededeling dat zij, als zij zich niet matigden, óók gearresteerd zouden worden. Ook in alle andere provincies gebeurde het menigmaal dat predikanten of priesters bij de Sicherheitspolizei ontboden werden. Men behoefde daar geen formele waarschuwing te krijgen om te weten dat elke nieuwe denunciatie tot gevangenschap kon leiden. Zeker in '4I en '42 was het zo dat elke priester die een mandement en elke predikant die een kanselboodschap voorlas, wist dat hij kans liep zijn leven te verspelen; misschien was die kans maar klein, maar ze wás er. Men beschouwde de bezetter als totaalonberekenbaar in zijn reacties, het lot van een ds. van den Bosch was in protestantse kring, maar ook daarbuiten vrij algemeen bekend.

XCEr waren in de kerken maar zeer weinigen die met de nationaal-socialitische bezetter sympathiseerden.

XCWat de katholieke kerk betreft: in de 'Meldungen aus den Niederlanden' wordt slechts één priester uit Friesland als voorstander van de Nieuwe Orde aangeduid; de enige katholieke 'priester' die zich overigens door de vijand in zijn propaganda als nationaal-socialist naar voren liet schuiven, zekere Theodorus Anthonius Joseph de Leeuw, was in '39 wegens oplichterij uit de geestelijke stand ontslagen.'

XCDe protestantse kerkgenootschappen kenden die gesloten eenheid niet.

XCOnder de ca. tweeduizend hervormde predikanten bevonden zich vijftien NSB'ers, maar 'bovendien was er', aldus Touw, 'een veel groter aantalpredikanten die sympathiseerden met het Duitse regiem Hun houding was eigenlijk veel gevaarlijker omdat zij veel onduidelijker was. Hiertoe behoorden velen die in een piëtistische of een lijdelijk-gereformeerde prediking alle verzet en weerstand tegen de bezetters als zonde tegen God veroordeelden.'2 Binnen de hervormde kerk was prof. Visscher die de lezer al tegenkwamvoor de Wciffen-SS opgelicht had, kwam hij in het concentratiekamp Vught, later in Dachau terecht. 2 Touw: Het verzet der Hervormde Kerk, dl. I, p.

1 De Leeuw sloot zich in '40 bij Nationaal Front aan, in de zomer van '41 bij de NSB. Hij was een ijverig van de Eind' 43 werd hij wegens nieuwe malversaties uit de NSB geroyeerd, en toen bleek dat hij ook een ronselaar

690 [PDF]
'DE ORDE VAN DE GETUIGEN VAN CHRISTUS'

als lid van de Kultuurraad, een van de duidelijkste sympathisanten met Duitsland. Visscher noemde het in de-lente van '42 'een nijpend volksbelang dat er een regering komt. En dat zij komt door de NSB.'! In de zomer en herfst van '43 bepleitte hij met klem dat de Reichskommissar de hervormde synode zou opheffen, dat instrument van de 'humanistische Loge-beweging', die verfoeilijke wegbereidster van het 'religieuze eenheidsfront onder Roomse leiding' !2

XCOp de leden der Gereformeerde Kerken (ca. 8 % der bevolking) had de NSB veel minder vat: onder hen waren in het gehele land nog geen vijfhonderd NSB' ers (minder dan t % van het totaal aantal NSB' ers). Anders dan de Nederlandse Hervormde Kerk hadden de gereformeerden sinds '36 disciplinaire maatregelen genomen tegen NSB' ers in hun rijen. Er waren evenwel bij de gereformeerden, evenals bij de hervormden, niet-NSB' ers die volstrekte lijdelijkheid jegens de bezetter predikten; één van hen was de in en buiten zeeland bekende onderwijzer-publicist A. [anse ('Janse van Biggekerke') die ver in het Duitse vaarwater terechtkwam. Hij en anderen beriepen zich bij voorkeur op enkele verzen uit Romeinen 13: 'Alle ziel zij den Machten over haar gesteld onderworpen. De Machten die daar zijn, die zijn van God geordineerd: Alzoo dat die zich tegen de Macht stelt, de ordinantie Gods wederstaat ; en die ze wederstaan, zullen over zichzelven een oordeel halen.'

XCEn tenslotte was er dan een aparte christelijke secte die tegen de NSB aanleunde: 'de Orde van de Getuigen van Christus', in '34 opgericht, als welker 'hoofdleider' G. J. K. baron van Lynden van Horstwaerde optrad. In haar blad Evangelie en Volk predikte zij een 'christelijk' nationaal-socialisme. Haar organisatie was chaotisch, haar blad werd eind '41 verboden - veel energie werd nadien gestoken in pogingen, een eigen liturgie te ontwikkelen. Hier of daar vond een NSB' er nog wel iets van steun bij deze 'Orde'; zo een hervormd predikant uit Ravenstein bij Oss die begin '43 als nieuwe 'getuige' een 'gelofte' mocht afleggen en daarbij eens een praatje met een gelijkgezinde kon maken, 'voor mij die als enig NSB' er te Ravenstein zeer geïsoleerd ben, een waar genot. . . Ik word gewoon onpasselijk van de herderlijke brieven die ik voortdurend ontvang."

XC1 Brief, z.d. (lente 1942), van H. Visscher aan H. W. van der Vaart Smit (Doe 1-1796, a-z), 2 Brief, 22 okt. 1943, van H. Visscher aan G. A. S. Snijder (Neder!. Kultuurraad, IV, 26). 8 Brief, 3 maart 1943, van]. W. v. B. aan G.]. K. van Lynden van Horstwaerde

691 [PDF]
V AN KERKEN EN KUNSTENAARS

De kerk heeft tijdens de bezetting een bijzondere plaats ingenomen. Om te beginnen was bij de kerkgangers de behoefte aan troost en lering veel groter dan voorheen. In het normale vooroorlogse bestaan dier kerkgangers was een breuk gekomen, zij werden geconfronteerd met vijandelijk ingrijpen, met schrijnend onrecht, vaak ook met levensgevaar. Zij had&n hun geloof nodig om in een wereld die van maand tot maand onzekerder en hachelijker werd, staande te blijven. 'Alle vroegere veiligheden', aldus een predikant,

XC'gingen verloren: wat betekende het dat men altijd fatsoenlijk geleefd had en nimmer met de politie in aanraking was gekomen? ... Bezit, veiligheid, positie, . dat alles kwam op losseschroeven te staan, het werd fictief En ons vertrouwen in de mensheid, de drang omhoog te streven, het zoeken naar gerechtigheid, het liep alles vast, men kwam er niet meer uit. Aan eigen kracht liepen we dood en we raakten vertwijfeld omdat we inzagen dat we er met al onze goede bedoelingen en heilige idealen niet komen; ~e hielden niets over dan de wanhoop - of ... Christus.'!

XCAan die behoefte aan troost en lering kwam de kerk tegemoet. Onder de druk der tijden was bij velen sprake van een verdiept geloofsleven; welke eonsequenties voor de toekomst daaraan verbonden werden in de Nederlandse Hervormde Kerk, zullen wij in deel o schetsen. Hier gaat het niet om wat men in de kerk ging denken omtrent haar plaats in een bevrijd Nederland, maar om de kerk in haar verhouding tot de bezetter. Over de vraag of de kerk vroeg genoeg, vaak genoeg en klemmend genoeg tot de bezetter gesproken heeft, werd al tijdens de bezetting verschillend gedacht - maar gesproken heeft zij. De betekenis daarvan onderstreepten wij al toen wij in een vroeger hoofdstuk de mandementen van het Episcopaat uit augustus en september '41 behandelden. Er zijn evenwel, neemt men de bezettingstijd als geheel, niet zoveel mandementen en daarmee te vergelijken kanselboodschappen van protestantse kerkgenootschappen geweest. Wat de kerk als kerk was, was zij in de eerste plaats in de dienst op . zondag. Welnu, na aarzelingen die wij nog zullen schetsen, weerklonk daar steevast zowel in de katholieke als in de protestantse diensten een gebed voor de koningin. Dàt alleen al! De naam van de vorstin was uit het ganse openbare leven verdwenen, gehoond werd zij door de bezetter en zijn handlangers - en voor haar, voorvechtster van Nederlands bevrijding, werd elke week in de kerken gebeden. Het was een wekelijkse demonstratie tegen de vijand. Binnen het Reichsleommissariat is dan ook meer dan eens de vraag

XC1 J. Gerritsen Jr.: 'Geloof'in Burgers in bezettingstijd. Balans van het laatst der dagen (1945), p.

692 [PDF]
PREDIKING

aan de orde geweest of men dit gebed verbieden moest. Men liet dit na omdat men het conflict dat uit zulk een verbod zou voortvloeien, uit de weg wilde gaan. Seyss-Inquart deed in de zomer van '41 weten dat hij toen het tijdstip voor een verbod 'aus bestimmtén Cründen nicht günstig' achtte.' Een onduidelijk beleid was het resultaat. Enerzijds werden predikanten op grond van de voorbede voor de koningin vaak verhoord, bedreigd en zelfs gearresteerd, maar andere predikanten kregen al in de herfst van '41 bij de Sicherheitspolizei te horen dat het gebed gepermitteerd was; aan een predikant te Maastricht werd daarbij meegedeeld dat die permissie alleen gold indien het gebed 'zonder opzet of uitdrukkelijke Betonung' uitgesproken werd.ê

XCWelke mate van troost en lering, maar ook van bezieling, men aan de kerkdienst ontlenen kon, werd in hoge mate door de predikant bepaald. Wat in de katholieke kerken gezegd werd, had de traditie getrouw niet zoveel aanraking met de actualiteit - anders was het in de protestantse. Een predikant die preken wilde over bijbelteksten die op de actualiteit betrokken konden worden, ja waarin een aansporing tot verzet besloten lag,. behoefde niet lang te zoeken:

XC'Dorste Gideon niet in stilte, waarschijnlijk's nachts, zijn juist nog tijdig gemaaide tarwe om zodoende een kleine voorraad levensmiddelen te verbergen voor de alles wegslepende vijand? (Richteren 6 : 16) Verborg niet een man twee helpers van David die vervolgd werden, door ze handig in een regenput te verstoppen die de vrouw des huizes haastig en listig overdekte en met gort bestrooide alsof ze haar hoenders voeder gaf, en misleidde zij de speurders niet door te zeggen dat de mannen over het nabijzijnd riviertje getrokken waren? (2 Samuel 17: 19, 20) Heeft evenzo Rachab de verspieders te Jericho nietlatenonderduiken op het dak van haar huis en heeft ze de gendarmerie niet misleid door te antwoorden dat ze niet wist waar die mannen vandaan waren gekomen noch waar ze heengegaan waren? (jozua 2: 1-8)'"

XCMenigmaal kwam het voor dat preken die de kerkgangers bijzonder aangesproken hadden, vermenigvuldigd werden en in het land de ronde gingenDeze mededeling leidde er toe dat dein Gelderland er in een geheim schrijven bij de functionarissen van dede NSB en de NSDAP op aandrong dat zij hun leden schriftelijkof mondeling zouden laten protesteren bij predikanten en geestelijkendie de voorbede voor de koningin verrichtten; hij verzocht om toezending van hun reacties.de kopie die de afzender behield, bleef bewaard. (Brief,julivan devan deGelderland, BRK, 59 b). 2 Touw: Het verzet der Hervormde Kerk, dl. I, p. 240. 3 A. Rolloos: De kerken en het verzet (z.j.), p.

1 17 1941,

693 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

doen. Dat geschiedde bijvoorbeeld met de 'prachtige preek'! die ds. Touw, hervormd predikant te Leiden, in '41 hield bij de jaarlijkse herdenking van Leidens ontzet, 3 oktober. Hij sprak toen naar aanleiding van 2 Corinthen 1: IQ: 'God die ons uit zo grote nood verlost heeft en nog verlost; op welke wij hopen dat Hij ons ook nog verlossen zal' - de vergelijking met wat in 1574 in Leiden geschied was, werd er breed in uitgewerkt. Het is daarom van speciale betekenis dat juist Touw, die daar persoonlijk overigens steeds tegen waarschuwde, onderstreept heeft dat in de prediking het nationaal sentiment en het nationaal verzet menigmaal een opvallende, ja een te grote plaats mnamen:

XC'Al te rechtlijnig en direct werden woorden die tot het volk Israël waren gesproken, overgebracht op Nederland in deze oorlog ... Al te eenvoudig werden beloften van bevrijding, overwinning, vernietiging der vijanden, val van verdrukkers, uitgelegd als beloften van een spoedige bevrijding van ons land en van de val van het Derde Rijk ... De nationale gevoelens van wraak en verzet schenen dan eenvoudig samen te vallen met de goede strijd om Christus' wil. Te weinig werd in het oog gehouden dat het ging om Christus en zijn heil, niet allereerst om Nederland en zijn bevrijding 'Wij zijn Oranje-kerk en geen kerk van Christus', zei een predikant scherp, maar veelszins waar."

XCHet was moeilijk te verhelpen: de meeste kerkgangers wilden het zo. 'Zelfs als een preek geheel bijbels verantwoord was, werd', Touw constateert het, 'door de meeste kerkgangers met nationaal-gespitste oren geluisterd." En geluisterd werd er niet alleen, maar ook gezongen. Talrijke psalmen en gezangen werden als het ware herontdekt. De noodtoestand waaruit zij geboren waren en die zij weerspiegelden, voelde men aan den lijve, men zong ze niet alleen met de lippen maar met het hart. 'Gezang 300, dat vertrouwende : 'Wat de toekomst brengen moge I mij geleidt des Heren hand', heeft', aldus een hervormd predikant,

XC'duizenden vertroost. We hebben ons op de lippen gebeten als we vlak na een nieuwe razzia aanhieven: 'Wat God doet, dat is welgedaan Zijn wil is wijs en heilig, 'k zal aan Zijn hand vertrouwend gaan, die hand geleidt mij veilig.'

1 F. A. de Graaff: p. 76. • Touw: dl. I, p. 2IQ-II. 3 A.v., p. 210.

Indextermen: Leiden, Touw, H. C
694 [PDF]
PREDIKING

XCEn zo vaak we in de donkerste dagen zongen 'Wij heffen 't hoofd omhoog I en zullen d' eerkroon dragen', dan gingen de geslagen hoofden opwaarts en we durfden de duistere toekomst weer in.' 1

XCIn de bezettingsjaren 'zongen (wij)', zo schreefBuskes, 'altijd opnieuw: 'Geduchte God, hoor mijn gebeden, strijd voor mijn recht en maak mij vrij van hen die vol arglistigheden gerechtigheid en trouw vertreden, opdat mijn ziel Uw naam belij en U geheiligd zij' ,

XCmaar warmeer hij daarbij opmerkt dat het zingen juist van deze Psalm 'geen nationaal sentiment maar geloofsbelijdenis' was," dan zijn wij geneigd, te veronderstellen dat die geloofsbelijdenis bij veruit de meeste kerkgangers niet van het nationaal sentiment losgemaakt kon worden. 'Strijd voor mijn recht en maak mij vrij' - zo zongen de Geuzen in hun strijd tegen de koning van Spanje, zo zong men nu in zijn strijd tegen de nationaal-socialistische overheerser.

XCVan verheerlijking van het kerkelijk verzet dient men zich overigens te onthouden. Zij die er midden in stonden, deden dat ook.

XCHet moge dan waar zijn dat het in de katholieke wereld, voorzover bekend, nimmer gebeurd is dat een mandement in een van de kerken of kapellen niet voorgelezen werd, daar staat tegenover dat sommigen zich in die wereld wel eens ergerden aan de mate waarin anderen niet de eigen verantwoordelijkheid op zich namen maar zich achter het Episcopaat verscholen. 'Er was', aldus de biograaf van mgr. de Jong, 'ook op onverwacht hoge plaatsen soms een irriterend geroep om dekking', en hij citeert een katholiek journalist: 'De ironie van de tijdsomstandigheden wilde dat personen die vóór de oorlog tot de meest zelfstandigen behoorden, bij elke voorkomende moeilijkheid zich stuurloos en onzeker voelden." Terecht, dunkt ons, heeft Aukes dit gebrek aan zelfstandigheid in verband gebracht met de structuur van de toenmalige katholieke wereld: 'de vrome oud-vaderlandse traditie met het te strak in de klerikale leidsels gemende lekendom... Mondigheid in geestelijke zaken is nu eenmaal niet van de ene op de andere dag aangewend."G. van Veldhuizen: 'Het kerkje op de hoek' inp.J. J. Buskes:p.

1 (1946), 2.4. 2 (1947), 22. H. W. F. Aukes: p. 460. 4 A.v.

695 [PDF]
V AN KERKEN EN KUNSTENAARS

XCDe protestantse kerkgenootschappen kenden geen hiërarchische banden welke met die van de katholieke kerk en de katholieke wereld te vergelijken waren. De Gereformeerde Kerken waren een verband van ruim vijfhonderd in wezen zelfstandige 'kerken', d.w.z. gemeenten, elk met een kerkeraad aan het hoofd. Ook de Nederlandse Hervormde Kerk had maar een losse structuur: de Algemene Synode kon aan de gemeenten en hun predikantèn niets voorschrijven. Dat de bestuursorganen van deze twee grootste protestantse kerkgenootschappen zelf een bepaald beleid volgden, betekende nog niet dat al hun kerkeraden en predikanten zich dienden te conformeren. Dat is dan ook niet geschied. Menigmaal werd geweigerd, ter voorlezing ontvangen stukken inderdaad voor te lezen, menigmaal ook werd gepreekt op een wijze die met de beleidslijn der kerkbesturen in flagrante strijd was. Want ook wie er de voorkeur aan gaf, berusting te prediken, sloeg niet vergeefs de Bijbel op:

XC'Men preekte dan bijvoorbeeld vaak over Jeremia, in het bijzonder over zijn onderwerping aan Babel (jeremia 29 : 7). Men exegetiseerdeallerlei bijbelwoorden trouwens zó, dat onderwerping het enige gebod Gods altijd en overal scheen. Daniël diende toch ook de koning van Babel? Paulus onderwierp zich toch ook aan de Romeinse keizer? Jezus leefde evenals wij in bezet gebied, en predikte toch nooit opstand en verzet? ... Door een schijn van actualiteit ontweek men de ware beslissingen en misleidde men de mensen ... 'Gods kinderen zien niet naar het oosten en zien niet naar het westen, maar zien alleen omhoog.' Bijbelse inzichten werden daardoor op een gevaarlijke wijze verbonden met bevreesde, bange menselijke gedachten ... Deze onderworpenheid hing ten dele samen met mindere of meerdere sympathie voor het Duitse regiem, die men met name in vele piëtistische en lijdelijk-gereformeerde prediking in allerlei gemeenten op de Veluwe, de Betuwe en in het Sticht kon horen.' 1

XC.Naast deze 'lijdelijke prediking' die althans aan de actualiteit refereerde, was er, aldus Touw, ook een type prediking 'dat opzettelijk geheel zweeg over de verzoekingen en gevaren van het nationaal-socialisme', en die prediking werd 'vrij veel gehoord ... Sommigen schatten de omvang op 25%, maar anderen wel op 50% in hun omgeving. .. Er is wonderlijk veel gesproken, maar er is óók wonderlijk veel gezwegen vanaf de kansels in deze i aren.' En ook daar waren soms kerkgangers het mee eens:" Och, dominé, wij horen de hele week al over de oorlog, op zondag horen wij daar liever niet over', zeiden ze dan, en: 'In de kerk willen wij al die narigheid liever vergeten.P 'Heel wat predikers waren', aldus weer Touw,

XC1 Touw: Het verzet der Hervormde Kerk, dl. T, p. 206--07. 2 A.v., p.

696 [PDF]
'WIJ ZIJN VER BENEDEN DE MAAT GEBLEVEN'

'Op de kansel eenvoudig verlamd door een vrees die niet uit God was."

XCTrouwens, ook de voormannen van het kerkelijk verzet en anderen die er uit volle overtuiging aan deelnamen, waren niet vrij van het besef dat zij op de kansel zelden precies en onverhuld zeiden waar het op stond. 'Als dienaren des Woords (zijn) wij', schreef Delleman (gereformeerd) 'eer te weinig dan te veel ingegaan op de concrete vragen, (hebben) wij in de dienst des W oords eer te weinig getuigd dan te veel gewaagd.l" Scherper nog Buskes .(hervormd)

XC'Wij zijn ver en ver beneden de maat gebleven ... Op beslissende momenten schoot de kerk tekort of sprak zij te aarzelend. De zorg voor de voortzetting van het kerkelijk leven won het vaak van de profetische roeping. Ds. Gravemeyer zei eens op een vergadering van het Interkerkelijk Overleg: 'Indien wij zeggen en doen wat wij moeten zeggen en doen, is dit onze laatste vergadering', en van dr. Banning is het woord: 'Als de kerk voor honderd procent de geloofs'gehoorzaamheid had betracht, dan zou er geen dominé of pastoor het leven hebben afgebracht.' 's

XCAan deze in haar zuiverheid zo treffende getuigenissen moet men de conclusie verbinden dat het beleid van de nationaal-socialistische machthebbers wel degelijk speurbaar geweest is in doen en laten van de kerk. Kerk was zij in een onderdrukt land en aan die druk kon ook zij zich niet ten volle ontworstelen. Maar dat maakt het feit niet ongedaan dat zij, met overwinning van de menselijke angst, de leer en de praktijken van de bezetter veelvuldig en duidelijk publiekelijk verworpen en bestreden heeft.

Hervormden / Gereformeerden

XC

XCDat geestelijk verzet heeft tijd gevergd; het is geleidelijk gegroeid en voor wij nu die groei gaan beschrijven voorzover hij zich in het Convent der Kerken (later: het Interkerkelijk Overleg) voorgedaan heeft, dunkt het ons' zinvol, aandacht te besteden aan enkele ontwikkelingen binnen de twee protestantse kerkgenootschappen die tezamen veruit het grootste deel van de Nederlandse protestanten omvatten: de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken."

XC1 A.v., p. '186. 2 Delleman: Opdat wij niet. vergeten, p. 205. 3 J. J. Buskes: Waar stond de kerk.?, p. 92-93. Blijkens de volkstelling van 1930 was 34.4% van de bevolking Nederlands Hervormd, 8% behoorde tot de Gereformeerde Kerken. De overige protestantse kerken telden tezamen 2.9%

697 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

XCWat de Nederlandse Hervormde Kerk betreft, moet dan om te beginnen de betekenis onderstreept worden van de man die later in de bezetting als de verpersoonlijking van het hervormd, ja van het protestants verzet beschouwd werd: ds. Gravemeyer. In ons vorige deel memoreerden wij al dat hij, pas gekozen tot secretaris van de Algemene Synode der hervormde kerk, onmiddellijk na de capitulatie voorzag dat een kerkstrijd op handen was. 'We zijn er niet om de strijd te voorkomen', zei hij toen tegen een bezoeker, 'maar om die goed te strijden.' Al op I5 mei '40 wees hij er de bijeengeroepen Haagse hervormde predikanten met nadruk op dat men in de eerstvolgende dienst voor de koningin diende te bidden en in een mededeling in het Weekblad van de Nederlandse Hervormde Kerk noemde hij enkele weken later die voorbede 'meer dan ooit geboden'.

XCGelijk reeds gezegd: statutair had de Algemene Synode en had ook het kerkbestuur, de Algemene Synodale Commissie, geen bevoegdheid om zulk een mededeling het karakter te geven van een voorschrift. A fortiori miste ook haar secretaris, Gravemeyer, die bevoegdheid. Wanneer hij de voorbede voor de koningin 'meer dan ooit geboden' noemde, dan was dat, formeel, niet meer dan een inzicht, een aanbeveling, door de secretaris in zijn functie kenbaar gemaakt. Hij vertrouwde dat zulk een aanbeveling wankelmoedigen over hun aarzelingen zou heenhelpen. De kerk had, meende hij, behoefte aan leiding; tot die leiding achtte hij zich geroepen.

XCKuno Henricus Eskelhoff Gravemeyer was in februari I883 in het Friese Oldeboorn geboren. Zijn grootvader, die uit het Duitse Oost-Friesland stamde, was predikant geweest, zijn vader was het ook. Hij was de jongste zoon uit een gezin met vijf kinderen dat evenwel niet lang in Oldeboorn bleef wonen: zijn vader werd in '88 naar Gorcum beroepen, vervolgens naar Utrecht. Daar doorliep Gravemeyer het gymnasium, vervolgens ging hij er theologie studeren - een studie die hij combineerde met de beoefening van velerlei sporten: zwemmen, roeien, worstelen en boksen. Hij was hard op weg, een soort physieke geweldenaar te worden, toen zich plotseling een innerlijke doorbraak bij hem voordeed en hij, naar eigen overtuiging, eerst recht tot het ambt van predikant geroepen werd. Als zodanig stond hij in enkele gemeenten, het langst (van I920 af) in Den Haag, in de armste stadswijk. Hij was in zoverre een tegenstander van de verzuiling dat hij in toenemende mate vond dat de protestanten mede door hun christelijke bijzondere scholen en door hun omroepverenigingen als de NCRV en de VPRO bezig waren, zich binnen het geheel van het Nederlandse volk te isoleren. Hij was dan ook geen vriend van de Anti-Revolutionaire Partij. Enige tijd lang verleende hij steun aan de Hervormde (Gereformeerde)

698 [PDF]
GRAVEMEYER

groeperingen die binnen het protestantse volksdeel ontstaan waren. Dat alles wekte weerstanden tegen zijn persoon en het gevolg was dat er, toen in de lente van '40 de functie van secretaris van de Algemene Synode der Nederlandse Hervormde Kerk vacant kwam, krachtige bezwaren rezen tegen zijn benoeming. Nog afgezien van het feit dat hij zich op godsdienstig en politiek gebied in hoofdzaak extreem-rechts opgesteld had, gold hij als een eenling, als lastig, als grillig en als eigengereid. Zijn voorstanders waren evenwel van opinie dat men op het secretariaat iemand van zijn kracht nodig had. Inderdaad, Gravemeyer, zeer overtuigd van het eigen gelijk, kon met zijn bezwerend stemgeluid in zijn optreden iets profetisch hebben. Zijn voorstanders wezen er op dat hij zich ten volle aan zijn nieuwe functie zou kunnen geven. Gezinszorgen zouden hem niet drukken: zijn echtgenote, een predikantsdochter, was overleden, kinderen had hij niet. De discussie liep hoog op. Met de hakken over de sloot werd Gravemeyer benoemd: tien tegen negen stemmen.

XC'Op ro mei 1940', zo vertelde hij ons twintig jaar later, 'werd ik wakker door de Duitse vliegtuigen. Ik stond voor het open raam en heb toen klaar gezien wat mijn taak was: resiste!' (bied weerstand!) 'Ik ben dat gezicht niet ontrouw geweest. Ik wist dat het reglement van de hervormde kerk mij eigenlijk de handen bond. Dat reglement heb ik nooit meer opgeslagen.'!

XCNu was het uiteraard niet zo dat Gravemeyer alléén de koers van een groot kerkgenootschap als het hervormde kon bepalen. Als secretaris kon hij door de Algemene Synodale Commissie en kon die commissie op haar beurt door de Algemene Synode (de vergadering van afgevaardigden van de classes, de kerkelijke districten) ter verantwoording geroepen worden. Bovendien had de Algemene Synodale Commissie kort voor de Duitse inval een klein college van overleg in het leven geroepen, de Z.g. urgentieraad; deze bestond uit de president van de Synode, ds. J. W. J. Addink, uit Gravemeyer en uit de directeur van de raad voor de predikantstractementen, dr. H. M. J. Wagenaar. Addink stond als predikant in Heeze bij Eindhoven. Dat droeg er in de eerste weken van de bezetting in hoge mate toe bij dat het, toen predikanten of kerkeraden hun vragen aan het bureau van de Synode voorlegden, Gravemeyer en Wagenaar waren die voor de beantwoording gingen zorgen. Gravemeyer die als secretaris van de Synode in Den Haag zetelde, Javastraat roo, had daar slechts één administratieve kracht tot zijn beschikking, maar Wagenaar had op korte afstand, Nassauplein 14, een uitstekend geëquipeerd bureau. Tussen hen beiden kwam een nauwe samen

1 K. H. E. Gravemeyer, I nov. 1960.

699 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

werking tot stand. 'Een groot stylist was Gravemeyer niet, wèl wist hij wat hij zeggen wilde', aldus Wagenaar. 'Aan mij kon hij dat dicteren, 'ik werkte het uit en hij behoefde er dan alleen maar correcties in aan te brengen. Wij dachten gelijk op.'!

XCLater werden in Wagenaars bureau waar men over een grote vooroorlogse hoeveelheid papier en enveloppen beschikte, de meeste stukken van het kerkelijk verzet niet alleen opgesteld maar ook gestencild. Moest op zondag in alle hervormde kerken een bepaald schrijven voorgelezen worden, dan werden de gestencilde stukken als regel op woensdag gereedgemaakt en op donderdag door vertrouwde koeriers of koeriersters naar verschillende adressen in den lande gebracht. Vandaaruit waarschuwde men de gedelegeerden van de classes; die lieten dan op vrijdag de stukken ophalen en droegen er op zaterdag zorg voor, dat elke predikant het voor hem bestemde exemplaar ontving. Het was een distributiesysteem, buiten de post om, dat steeds feilloos functioneerde. Het element van risico dat er in stak (de stukken kwamen ook in handen van 'foute' predikanten) werd aanvaard.

XCGravemeyer kreeg eerst in de loop der bezetting in hervormde en, wijder genomen, in protestantse kring een positie van gezag. In de periode I940-4I stond hij nog niet zozeer op de voorgrond. Weldomineerde hij van meet af aan in de urgentieraad, maar deze raad werd door de hervormde Algemene Synode die in de tweede helft van juli '40 bijeenkwam, opgeheven en Gravemeyer kreeg wel zitting in de Commissie van Kerkelijk Overleg die door de Synode als breed adviesorgaan van het kerkbestuur in het leven geroepen werd, maar hij was niet lid van wat ten aanzien van de actuele vraagstukken de belangrijkste werkgroep was die door Kerkelijk Overleg ingesteld werd: de werkgroep 'Kerk en Overheid'. Voorzitter van die werkgroep was de Amsterdamse jurist pro£ mr. P. Scholten, leden mr. H. Mulderije en de predikanten dr. J. Koopmans en dr. G. Oorthuys.

XCEen van de eerste vragen waar deze werkgroep eind' 40 advies over moest uitbrengen, betrof nu juist de voorbede voor de koningin welke door Gravemeyer 'meer dan ooit geboden' genoemd was. De werkgroep kwam daarbij tot het advies dat als de Duitsers zouden verbieden, die voorbede uit te

1 H. M.J. Wagenaar, 29 nov. 1960.

700 [PDF]
VOORBEDE VOOR DE KONINGIN?

spreken, .dat verbod gerespecteerd moest worden. 'De voorbede ligt', schreef zij medio december' 40, 'in de periferie van de arbeid der Kerk. Zij raakt niet de eigenlijke verkondiging, hoezeer zij bijbels gegrondvest is, maar vormt een stuk van de eredienst dat niet zo essentieelis dat zonder dat de eredienst in zijn karakter wordt aangetast. Onderwerping komt daarom de commissie beter voor dan een verzet dat tot sluiting der kerken zou leiden. Datzelfde geldt als een nieuwe Ncderlandse regering door de bezettende macht zou worden aangesteld en dan door deze een verbod zou worden ui tgevaardigd.' 1

XCWat betekende dat? Niet meer of minder dan dat de hervormde kerk zich zou moeten neerleggen bij een bevel van een eventuele regering-Mussert om de voorbede voor koningin Wilhelmina te schrappen uit de dienst! Men kan zich Gravemeyers reactie indenken. Trouwens, ook voor anderen was dit advies onaanvaardbaar. Het werd noch door 'Kerkelijk Overleg', noch door de Algemene Synodale Commissie goedgekeurd en dus ook niet doorgegeven aan de predikanten. Medio januari '41 ontvingen die predikanten wèl een geheel ander advies. Er werden toen namelijk in alle delen des lands buitengewone classicale vergaderingen gehouden. Daar kwam een oproep tot kerkelijke vernieuwing ter sprake die door een tweede werkgroep, 'Gemeente-opbouw', opgesteld was, maar ook werden er richtlijnen voor de prediking ter discussie gesteld die van een derde werkgroep, 'Kerk en Prediking', afkomstig. waren. Bij die richtlijnen nu, ontvingen alle predikanten een kanselgebed dat een verkorte bewerking was van het oude 'Gebed voor alle nood der Christenheid', en in dat kanselgebed kwamen de volgende passages voor: 'Wij bidd~n U ook voor de wereldlijke regering, voor alle koningen, vorsten en heren. Maar inzonderheid bidden wij U voor de koningin die Gij over ons gesteld hebt, en voor de bezettende macht die Gij over ons hebt toegelaten' ('toegelaten', anders gezegd: die bezettende macht hoort hier eigenlijk niet thuis). 'Geef', zo vervolgde het gebed, 'dat hunlieder bestuur daartoe gericht zij dat de Koning aller Koningen over overheden en onderdanen regeren moge en het rijk des duivels dat een rijk is van alle schandelijkheden en ongerechtigheden, mede door hen als Uw dienaars hoe langer hoe meer verstoord en teniet gemaakt worde en dat wij onder hen een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. Wij bidden U ook voor al onze medebroeders die vervolging lijden. Geefhun troost in hun lijden, dat zij zulks uit Uw vaderlijke hand aannemen en daarin standvastig blijven, hetzij in leven of in sterven.'>

XC1 Aangehaald in Touw: Het verzet der Hervormde Kerk, d. I, P.23I. 2 Tekst: a.v.,

701 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

XCHoewel dit nieuwe gebed (dat nadien in talrijke, zij het lang niet in alle kerkdiensten gebruikt werd) de voorbede voor de koningin bevatte, waren toch die hervormden die begrepen wat de bezetter trachtte te bereiken, er verre van tevreden mee: het was in veel te ouderwetse termen vervat en lang niet actueel genoeg. Wat moest men zich eigenlijk voorstellen bij de bede dat men onder 'hunlieder bestuur' (dat sloot 'de bezettende macht' in) 'een gerust en stil leven' zou mogen leiden 'in alle godzaligheid en eerbaarheid' ? Aan wie zich concreet voor ogen stelde wat er medio januari' 41 al aan onrecht door de bezetter bedreven was, klonk zulk een bede als hoon in de oren. Inderdaad, enkele weken later werd in hervormde kring een heel wat weerbaarder geluid vemomen in de vorm van een illegale brochure, Betere weerstand, die in enkele tienduizenden exemplaren in het land verspreid werd, hoofdzakelijk via predikanten die het met het betoog eens waren. Het concept voor die brochure was door de Amsterdamse predikant dr. K. H. Miskotte opgesteld; ds. K. H. Kroon en H. M. van Randwijk hadden het herschreven opdat men niet onmiddellijk Miskotte' s stijl herkennen zou.' Die stijl verdween - het betoog bleef; betoog van een theoloog van wiens hand in '39 een grondige studie verschenen was, Edda en Thora, waarin hij het nationaal-socialisme gekarakteriseerd had als een heidense religie welker normen lijnrecht stonden tegenover die van het Oude Testament. 'Onze weerstand', aldus Miskotte in zijn illegale brochure,

XC'zal een betere zijn indien wij de rechtsschendingen, de wreedheden, de willekeur, de leugens, de vleierij en de hoon zien als uitvloeisel van een stelsel, zien als een methode om de Christenheid, Europa en de menselijke consciëntie uit te hollen. Dit betekent dat zij ons zóver willen brengen tot wij eindelijk de grootste gemeenheid zullen kunnen doen als het bevolen wordt, met precies dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee wij nu onze belasting betalen of onze ramen verduisteren. Dit is dan ook de bedoeling! En een volk dat dit ene punt niet tijdig in het oog vat, is er ongelukkig aan toe. Het heeft op den duur als apart volk geen toekomst meer .... Niet bepaalde zeden en gewoonten, zelfs niet een bepaalde levensstijl maken ons land tot die bijzondere historische gestalte, maar juist het diep gegrond bese] van de onmogelijkheid van de totaal-staat. Daarover zijn Marnix en Coornhert, Bogerman en Hugo de Groot, Daendels en Hogendorp. Groen en Thorbecke, Schaepman en Kuyper, Troelstra en Nolens en alle grote mannen dieBetere weerstand

1 Tekst: a.v., p. 222-227. Touw vermeldt dat kort na de februari staking in Amsterdam geschreven is. Aangezien in het geschrift, waarin alle in grepen van de bezetter tussen mei '40 en medio februari '41 de revue passeren,met geen woord melding gemaakt wordt van de staking of van de razzia's die daaraan voorafgingen, komt het ons voor dat het uit de periode vlak vóór de razzia's dateert.

702 [PDF]
'BETERE WEERSTAND'

we door de eeuwen heen hebben gehad, het volmaakt eens ... De totaal-staat is niet alleen bedenkelijk en gevaarlijk, maar voluit onmogelijk, een wangedrocht van een god-vergeten denken ...

XCDe totaal-staat is in strijd met het eerste gebod: 'Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben' - de totaal-staat, indien hij niet het Godsrijk is (en dat is hij natuurlijk niet) moet noodzakelijk optreden als een antikerk waarin veracht wordt alles wat de kerk aanbidt, waarin vervolgd wordt alles waarvoor de kerk ruimte geeft, waarin de deugden die de Schrift prijst, worden vertreden en de ondeugden worden geprezen. Dat is wat Duitsland wereldrevolutie noemt.'

XCHet bleef niet bij deze brochure. De vraag die zij opwierp, was immers deze of het dan niet bij uitstek op de weg van de kerk lag, tot die 'betere weerstand' op te roepen. Ja, wat was in het algemeen de taak van de kerk als zij met actuele vraagstukken geconfronteerd werd? De hervormde kerk mocht dan wel nog steeds pretenderen, 'de volkskerk' te zijn, maar had zij zich van die vraag sinds het begin van de negentiende eeuwooit duidelijk rekenschap gegeven? Had zij ooit duidelijk gesproken? Had de Duitse bezetting niet ook haar totaal onvoorbereid aangetroffen? Miskotte behoorde tot diegenen die er diep van overtuigd waren dat de kerk zich in de confrontatie met de actualiteit diende te vernieuwen. Daar had men een uitgangspunt voor nodig, een discussiestuk. Samen met ds. Kroon, een van de twee bewerkers van Betere weerstand, en met ds. Koopmans stelde Miskotte in de zomer van' 41 een soort geloofsbelijdenis op, Wat wij wèl en wat wij niet geloven.: Ook dit stuk werd illegaal verspreid. De totalitaire staat en de rassenleer werden er op geloofsgronden in verworpen: duidelijk werd er in gesteld dat verzet geloofsplicht was indien de bezetter Je bijbelse geboden overtrad. Van speciaal belang dunkt ons wat in het stuk te lezen stond over de Joden:

XC'Wij geloven en belijden dat God vanouds het volk Israël heeft uitverkoren om Zijn openbaring te ontvangen, tot op de verschijning van Jezus, de uit dit volk geboren Messias, te bewaren en in gehoorzaamheid aan Hem in de wereld te verkondigen. Het is een daad van Gods onbegrepen vrije genade, waardoor Israël deze roeping heeft ontvangen, want op zichzelf was Israël niet beter, waardiger of geschikter dan de andere volkeren. Maar aan dit volk heeft de Here Zijn Woord toebetrouwd, zodat wie tot God komt, 'bij Israël wordt ingelijfd.'

XCDaarom geloven wij dat wie zich tegen Israël stelt, zich verzet tegen de God van Israël. Want wel is Israëlongehoorzaam geweest en heeft het het wonder van zijn roeping veracht toen het de Here der Heerlijkheid gekruisigd heeft. En wel heeft God toen voor een tijd en voor een deel een verharding over Israël gelegd, maar

XC1 Tekst: a.v., p. 227-32.

703 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

in deze zaak tussen God en dit ~olk mag niemand zich eigenmachtig en hovaardig mengen. Allen die niet uit Israël zijn, moeten veeleer in Israël het teken zien van de vrijmachtige goddelijke verkiezing èn het teken van de algemeen menselijke ongehoorzaamheid. En allen die uit Israël zijn, zullen hun bestemming vinden als zij zich tot de Messias bekeren; dan zal vervuld worden wat de apostel zegt: 'indien devolheid der heidenen zal ingegaan zijn, zó zal geheel Israël zaligworden.'

XCDaarom houden wij het antisemitisme voor iets veel emstigers dan een onmenselijke rassenideologie. Wij houden het voor een van de hardnekkigste' en dodelijkste vormen van verzet tegen de heilige en barmhartige God wiens Naam wij belijden.'

XCMen kan de vraag stellen of het gepast was, in de zomer van '41, toen de Joden waarlijk al genoeg te dragen hadden, ook nog te betogen dat zij alleen hun 'bestemming' zouden vinden indien zij zich allen tot het Christendom bekeerden; dat Miskotte, Kroon en Koopmans met dat betoog alleen het heil dier Joden op het oog hadden, spreekt overigens vanzelf en in elk geval bevatte hun betoog een afwijzing van het antisemitisme die voor protestantse lezers moeilijk in klemmender bewoordingen gesteld kon worden. Hun geschrift droeg intussen geen kerkelijk-officieel karakter.

XCDat laatste nu, was wèl het geval met een 'herderlijke brief' die in september '41 door de hervormde Algemene Synode aan alle kerkeraden toegezonden werd.' Deze 'herderlijke brief' die nagenoeg geheel opgesteld was door de al eerder genoemde werkgroep 'Kerk en Overheid', was in zijn afwijzing van totalitaire staat en rassenleer en in zijn onderstreping dat verzet plicht was indien de bijbelse geboden overtreden werden, even duidelijk als de belijdenis Wat wij wèl en wat wij niet geloven. De aparte paragraaf evenwel die aan 'Israël' gewijd werd, ademde een andere geest, hetgeen des te tekenender is omdat de opstellers van de 'herderlijke brief' het stuk van Miskcitte, Kroon en Koopmans niet alleen gekend maar ook gebruikt hebben: zij hebben er gehele zinnen aan ontleend. Wat zij er niet aan ontleenden, was de scherp geformuleerde afwijzing van het antisemitisme; in plaats daarvan kwamen enkele algemeenheden, bijvoorbeeld dat ook ten aanzien van de Joden het gebod gold, 'de naaste lief te hebben als onszelf.' Daarmee was evenwel, zo werd toegevoegd, 'het beslissende ten aanzien van 'het Joodse vraagstuk' nog geenszins gezegd.' Dat 'beslissende' trof men dan in een passage aan die bij wie daartoe geneigd was, een theologisch gefundeerd antisemitisme alleen maar kon versterken: ' ... Een Jood is een mens uit Israël die Jezus Christus verwerpt. Daarin zijn zij ons een teken van de menselijke vijandschap tegen het Evangelie ... De Jood blijft Jood in de zo bezwaarlijke zin die dit allereerst voor hemzelfheeft, de Jood kan van zich

XC1 Tekst: a.v., p. 44-51.

704 [PDF]
DE HERVORMDE KERK EN DE JODEN

zelf niet loskomen, zolang hij niet tot Christus komt ... De gemeente van Jezus Christus weet zich gehouden tot de voorbede voor de Joden. En zij roept hen, op grond van de oude, nog steeds geldende beloften, terug tot haar Messias.'

XCMen houde in het oog dat dit stuk opgesteld en verspreid werd op een moment waarop het proces tot isolering en beroving van de Joodse bevolkingsgroep al duidelijke vormen aangenomen had. En zouden de leden van de werkgroep 'Kerk en Overheid' en van de Algemene Synode niet van de doden van Mauthausen vernomen hebben? Maar het 'herderlijk schrijven' dat in september' 4I van het grootste protestantse kerkgenootschap uitging, markeerde eerder de tegenstelling tot de Joden dan dat het opriep tot daadwerkelijke solidariteit ; het toonde belangstelling voor de Joden als potentiële Christenen, niet als gewone mensen. En daarvan zou een eonsequentie kunnen zijn dat de hervormde kerk haar pogingen om die mensen te redden, beperken zou tot diegenen hunner die tot het Christendom overgegaan waren.'

XCDe gereformeerden waren niet alleen hechter georganiseerd dan de hervormden, zij vormden bovendien in geestelijk opzicht in sterker mate een eenheid.

XCWat die organisatie betreft: de ruim vijfhonderd Gereformeerde Kerken waren in particuliere synoden gegroepeerd, meest één per provincie.ê De afgevaardigden dier particuliere synoden vormden de generale synode die minstens eens per drie jaar in vergadering bijeenkwam. Het daar gekozen moderamen kreeg tot die volgende vergadering zekere bevoegdheden, maar overigens waren op _verscheidene terreinen colleges van deputaten werkzaam waaronder het college van deputaten voor de correspondentie met de hoge overheid. Dit college dat vóór de bezetting slechts van geringe betekenis was, kreeg natuurlijk een centrale functie toen het beleid van de bezetter zich ging aftekenen. Mede daarom werd het uitgebreid: van vier deputaten vóór meitot acht in maarten tot twaalf in decemberVoorzitter van het college was inprof. dr.J.passage over 'Israël' heeft kunnen verenigen. 2 Friesland en Zuid-Hollandhadden er twee, Noord-Brabant

'40 '4I '41. '40 1 Dr. Koopmans, een van de opstellers van was lid van de werkgroep 'Kerk en Overheid' die het concept voor de 'herderlijke brief' opstelde. In hoeverre hij aan dat opstellen feitelijk deelgenomen heeft, weten wij niet. Het komt ons onwaarschijnlijk voor dat hij zich met de 'atmosfeer' van de

705 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

H. H. Kuyper, een zoon van Abraham Kuyper; wij wezen er in ons vorige deel al op dat hij zich tot een voor de overige protestantse kerkgenootschappen onaanvaardbare figuur maakte door zijn houding met betrekking tot het eerste kerkelijke protest tegen de Jodenvervolging (oktober' 40). Als vertegenwoordiger der Gereformeerde Kerken in het Convent der Kerken werd hij toen, z.g. op grond van hardhorendheid, door mr. J. Donner vervangen; die hardhorendheid verhinderde overigens niet dat Kuyper lid en voorzitter bleef van het genoemde college. Uit die functies werd hij eerst in december' 41 op eigen verzoek ontheven: hij kon zich in het geheel niet meer verenigen met het beleid dat de Gereformeerde Kerken jegens de bezetter waren gaan voeren. Dat beleid was dus in eerste instantie een zaak van het college van deputaten, uiteraard in overleg met het moderamen. Moderamen en deputaten waren samen in augustus '40 gemachtigd, 'beslissingen te nemen, wanneer er geen synode kan samenkomen.'!

XCGelijk reeds eerder vermeld: sloot een gereformeerde zich bij de NSB aan, dan viel hij onder kerkelijke tucht. In laatste instantie kon hij bijvoorbeeld van de avondmaalsviering uitgesloten worden, in eerste werd hij 'vermaand' hij kreeg dan bezoek van enkele ouderlingen die onder zijn aandacht brachten dat de beginselen van de NSB door de Gereformeerde Kerken onverenigbaar verklaard waren met de geloofsbelijdenis. Dit leidde al in '40 tot moeilijkheden, 'talrijk waren de dreigementen van de kant der gecensureerden.'2 'Hier en daarontstond enige aarzeling', aldus Delleman. 'Een enkele predikant vroeg zich af: dient er geen revisie tekomen? Hebben wij ons wel gehouden aan artikel jo van de Kerkenordening om op kerkelijke vergaderingen alleen kerkelijke zaken te behandelen?' Die aarzelingen werden door de Generale Synode met grote beslistheid afgewezen toen zij in maart' 41 in Utrecht bijeenkwam. Zij keurde toen een herderlijk schrijven goed dat opgesteld werd naar aanleiding van een brief van de 'Lunterse Kring' - vermoedelijk dezelfde brief, die eind augustus '40 tot het hervormde college 'Kerkelijk Overleg' gericht was. Het gereformeerde herderlijk schrijvenê verwierp de totalitaire staat, bestreed dat 'elke macht' (de Duitse bijvoorbeeld) 'als bevoegdheid en als recht moet worden verstaan', en sprak zich ook uit over rassenleer en antisemitisme:

XC'In onze tijd wordt met steeds meer klem de gedachte voorgestaan, dat niet de verhouding tot Gods Naam, maar deverbondenheid aan een bepaald volk of ras de betekenis van iemands leven bepaalt en de grote scheidslijn vormt tussen de mensen.

XC1 Gereformeerde Kerken in Nederland: Acta van de voortgezette Generale Synode 1940-1943, p. 28. 2 Delleman: Opdat wij niet vergeten, p. 67. 3 Tekst: a.v., p. 5 12-1 5.

706 [PDF]
DE GEREFORMEERDE KERKEN

XCGe hebt, walmeer ge bij de Heilige Schrift leeft, het antwoord nimmer schuldig te blijven ... Tegenover deze leer stelle de gemeente altijd niet eigen inzicht, maar de kracht van dat Woord, dat sterk is en machtig. De zorgen die in de laatste maanden velen onzer Volksgenoten vervulden, zijn ook aan u niet voorbijgegaan. Dat kan ook niet, waar juist de gemeente van Christus vanuit het Evangelie in de historie van het Joodse volk de Christus zag geboren worden en reeds op die grond nimmer de vraag naar een bepaald ras kan laten worden tot een begrenzing van de liefde tot onze naaste en van de barmhartigheid die we schuldig zijn'

XCanders dan in het herderlijk schrijven dat zes maandenlater van de hervormde Algemene Synode uitging, ontbraken hier passages die de Joden als Joden diskwalificeerden; bovendien werd niet alleen 'de liefde tot onze naaste' vermeld, maar ook 'de barmhartigheid die we schuldig zijn'; dat was een 'actievere' formulering.

XCDoor Kuypers eigenmachtig optreden was in oktober' 40 de brief die het Convent der Kerken in verband met de eerste anti-Joodse maatregelen tot de Reichsleommissar gericht had, niet tijdig toegezonden aan de gereformeerde predikanten. Het herderlijk schrijven was dus het eerste, duidelijk tegen de bezetter gerichte stuk dat in de gereformeerde diensten voorgelezen werd. Het maakte, toen dit op zondag 23 maart' 41 alom in den lande geschiedde, diepe indruk. De voorbede voor de koningin werd er overigens niet in gememoreerd - aannemelijk is evenwel, dat die voorbede in '40 en '41 in talrijke gereformeerde diensten normaal weerklonk. Op dit punt kwam het evenwel in de herfst van '41 tot een conflict met de Sicherheitspolizei.

XCEind oktober werd een van de gereformeerde predikanten van Rotterdam, ds. H. Knoop, bij de Sicherheitspolizei geroepen. Hem werd 'een laatste waarschuwing' gegeven (hij had er al vijf ontvangen) en geëist werd dat hij ter plaatse een schriftelijke verklaring zou ondertekenen waarin hij beloofde, 'voortaan niet meer te zullen bidden voor de ex-koningin Wilhelmina, wijl dat als een Duitsvijandige daad zou worden beschouwd.' Ds. Knoop weigerde, riep 's avonds enkele vertrouwden bijeen, onder wie zijn collega's van de Gereformeerde Kerk van Rotterdam-Delfshaven en prof. dr. K. Schilder, hoogleraar aan de Theologische Hogeschool te Kampen, die zich toevallig in Rotterdam bevond, en stelde samen met hen een verklaring op die één avond later door zijn kerkeraad met algemene stemmen goedgekeurd werd.'gedeeld dat hij in augustus gearresteerd en na drie-en-een-halve maand vrijgelaten werd, 'evenwel met de aanzegging dat hem voortaan

1 In ons vorige deel hebben wij de betekenis onderstreept van de artikelen die Schilder in de zomer van' 40 in het weekblad publiceerde, en mee

707 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

Er werd in die verklaring op gewezen dat de voorbede onderdeel was van het officiële gebed voor de overheid en bovendien volledig in overeenstemming met het Landoorlogreglement, 'in welk reglement de wettelijke overheid' (koningin Wilhelmina en haar ministers) 'van de bezettende macht wordt onderscheiden.' Deze verklaring! werd door het moderamen van de kerkeraad van de Gereformeerde Kerk van Rotterdam-Delfshaven ondertekend en bij de Sicherheitspolizei ingediend. Maar ds. Knoop deed meer. Hij zond zijn verklaring ook aan het college van deputaten voor de correspondentie met de hoge overheid toe en legde het de vraag voor of het niet wenselijk was, de verklaring in afschrift aan alle Gereformeerde Kerken toe te zenden. Op II november kwam antwoord binnen: neen! Dat zou, zo stond daarin, 'thans niet opportuun zijn'; het optreden van de Sicherheits polizei droeg immers, naar aangenomen werd, 'een incidenteel karakter Het vraagstuk waarom het hier gaat, wordt nader besproken.P

XCjournalistische Tätigkeit' verboden was. Aan dat verbod hield hij zich. Hij nam, zo schreven wij, 'zijn hoogleraarsambt weer op en concentreerde in de jaren die volgden, al zijn energie op een dogmatisch geschil binnen de Gereformeerde Kerken dat zich een jaar of vijf tevoren was gaan aftekenen. Het was of de bezetter niet meer voor hem bestond.'

XCSpeciaal met deze laatste zin en dus ook met de daarop in deel 4 volgende explicatie hebben wij Schilder onrecht gedaan, hetgeen wij betreuren. Ongetwijfeld was het zo dat hij onmiddellijk na zijn vrijlating meende dat hij zich niet alleen aan het hem opgelegd publikatieverbod moest houden maar ook aan het bij diezelfde gelegenheid opgelegd verbod van elke 'werkzaamheid op politiek gebied welke in zou gaan, ook al was het onder 'religieus mom', tegen de verordeningen van de rijkscommissaris of tegen diens maatregelen en plannen aangaande de door hem gedachte 'wederopbouw' van Nederland'; Schilder nam zelfs aan dathij 'hetzwareoffer' zoumoeten brengen, niet langer als voorganger in de dienst op te treden, en dat hij dus zijn arbeid tot 'het eigenlijke werk aan onze Hogeschool' zou moeten beperken, zoals hij het college van curatoren deed weten. (brief, 10 dec. 1940, van K. Schilder aan het College van Curatoren van de Theologische Hogeschool te Kampen) - maar in werkelijkheid bleven ook van hem, zij het niet langer in druk, verzetsimpulsen uitgaan. Men vond in zijn contact met ds. Knoop en de zijnen al een voorbeeld. Daaraan ging, vermoedelijk beginjuni '41, een toespraak tot zijn studenten vooraf waarin hij o.m. waarschuwde tegen 'afgoderij met 'het volk' als hoogste goed'. Daarop volgde nog injanuari '42 een redevoering bij de overdracht van het rectoraat te Kampen waarin Schilder de bede uitsprak, 'dat de beeltenis van onze Souvereine wederom haar ereplaats in ons gebouw moge vinden.' (Aanhalingen in J. Kamphuis: 'Noodzakelijk protest 1', De Reformatie, 9 dec. 1972) Bovendien trad Schilder, zijn aanvankelijk inzicht ten spijt, toch als voorganger op in gereformeerde diensten. Impliciet sprak hij zich daarbij op verschillende wijzen menigmaal tegen Seyss-Inquarts gelijkschakelingsbeleid uit.

XC1 Tekst in H. Knoop: Een theater in Dachau (z.j.), p. 175-77. Tekst: a.v., p. 178.

708 [PDF]
DS. KNOOP/PROF. SCHILDER

Ds. Knoop was bitter teleurgesteld. Reden tot teleurstelling vond hij ook binnen zijn eigen gemeente. 'Zo herinner ik mij', schreef hij na de oorlog,

XC'(en dit is maar één van de vele voorbeelden) hoe een ouderling van dienst in de consistoriekamer van het ambtelijk gebed misbruik maakte om me, voor ik de , kansel beklom, een bedekte vermaning mee te geven. Hij citeerde in zijn gebed het bekende psalmvers (Psalmen 141 : 2): 'Zet, Heer, een wacht voor zijne lippen, behoed de deuren van zijn mond, opdat hij zich tot genen stond iets onbedachtzaams laat ontglippen.' Het diepst ben ik echter gegriefd door hen die achter mijn rug een hard en onbarmhartig oordeelover mijn optreden velden. Het waren zij die alleen maar vrees kenden. Collega's die uit vrees (ook al gaven zij andere motieven op) zelf het gebed voor Hare Majesteit de Koningin nalieten. Doodrustig typeerden zij mijn optreden als bravour of als een solliciteren naar een eigenwillig martelaarschap en dergelijke fraaiigheden.'!

XCDs. Knoop werd op 19 november gearresteerd.ê Nog voor zijn arrestatie was evenwel door zijn kerkeraad besloten om, in afwijking van het advies van het college van deputaten, de bij de Sicherheitspolizei ingediende verklaring toch aan alle Gereformeerde Kerken toe te zenden. Vele van die kerken onderschreven het standpunt dat R~tterdam-Delfshaven ingenomen had. De zaak werd voor de Generale Synode gebracht toen zij enkele weken later opnieuw bijeenkwam en van haar ging toen op IQ december (de vierde oorlogsdag in de Stille Oceaan) een sclirijven aan alle Gereformeerde Kerken uit" waarin ds. Knoop en de zijnen volledig in het gelijk gesteld werden: het was plicht van elke predikant, in het gebed 'de noden van Christus' Kerk, de nood der Overheid' te gedenken, zij 'het dat hij zich 'in de formulering van deze noden zal moeten onthouden ... van alles wat zou kunnen prikkelen'; het 'gebed voor alle nood der Christenheid' (daar had de hervormde synode al in januari op gewezen) zou gebezigd kunnen worden. 'Zo is het', aldus dit schrijven, 'naar het oordeel der Synode ook in deze bijzondere tijden, ja vooralook thans, de roeping der kerk om in haar geregelde samenkomsten te gedenken de noden van het Koninklijk Huis en in het bijzonder H. M. Koningin Wilhelmina, opdat

XC1 A.v., p. 56-57. 2 Uit de Cellenbarakken te Scheveningen werd hij eindapril '42 naar het concentratiekamp Dachau gezonden waaruit hij begin oktober '43 ontslagen werd. 3 Tekst in Delleman: Opdat wij niet vergeten, p. 549.

709 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

God haar veilig beware door Zijn Vaderlijke Gunst ... en opdat Hij haar eenmaal weer met ons, haar volk, moge verenigen.

XCZo is het voorts onze plicht, in onze gebeden te gedenken onze broeders en zusters die gevangen zijn ... evenals wij thans ook gedenken aan onze broeders en zusters in Indië en de noden waarin zij door de oorlogsomstandigheden verkeren ...

XCWij bevelen deze zaken u met ernst en aandrang aan, opdat de kerken in deze zo gewichtige zaken haar dienaren des W oords steunen en opdat wij ons niet laten leiden door vrees voor aardse machten, maar veeleer door de overtuiging dat alleen de Koning der kerk bevelen kan (gelijk Hij dat ook reeds bevolen heeft) wat in Zijn kerk zal gebeden worden.' *

XCEr waren, zoals uit het voorafgaande blijkt, in 1941 op verscheidene punten nog aarzelingen en onzekerheden zowel binnen de Nederlandse Hervormde Kerk als binnen de Gereformeerde Kerken. De leden van de bestuursinstanties welke de stem dier kerken moesten laten klinken (kerken die zich in het verleden zeer gezagsgetrouw opgesteld hadden), wisten niet steeds hoe ver zij moesten en konden gaan. Wanneer zij spraken, vloeide dat meestal uit het initiatief voort dat door enkelingen in samenwerking met gelijkgezinden genomen werd. Intussen leerden beide kerken met name door het zich in '41 zo duidelijk aftekenende gelijkschakelingsstreven van de bezetter wèl inzien dat het plicht was, het eigen domein met kracht te verdedigen. Die taak lag allereerst op ideologisch gebied: het kwam dan ook tot duidelijke afwijzingen van de totalitaire staat en van de rassenleer. Men ging verder wanneer men bovendien het optreden van de bezetter publiekelijk ging toetsen aan bijbelse normen en in gevallen waarin die normen overtreden waren, de gelovigen tot verzet opriep. Beide kerkgenootschappen gingen in de loop van '41 erkennen dat dat verzet in beginsel geboden kon zijn. De vraag bleef, in welke gevallen dat beginsel in praktijk gebracht moest worden. Welnu, beide kerkgenootschappen duldden geen inmenging in de dienst; zij wensten (wij behandelden dat al in ons vorige deel) vrijelijk in de kerken te collecteren en vrijelijk over de collecte-opbrengsten te beschikken; samenwerking met de Winterhulp NedtTland en de Nederlandse Volksdienst wezen zij dus af. Eveneens kwamen beide kerkgenootschappen met kracht voor het recht der ouders op om de opvoeding van hun kinderen te bepalen; wij zullen de daarmee samenhangende verscherping in de Schoolstrijd nog in dit hoofd7

710 [PDF]
KERKELIJK VERZET

stuk behandelen. Ook de Nederlandse Arbeidsdienst werd principieel afgewezen maar ten aanzien van het verzet daartegen was de stem van de kerken niet duidelijk; dat zullen wij, omdat dit punt vooral in' 42 aan de orde kwam, eerst in ons volgende deel schetsen. Het totale beeld is dus niet gelijkvormig en het spreekt vanzelf dat de onzekerheid hoe ver men diende te gaan, vooral tot uiting moest komen bij het overleg in het Convent der Kerken. Immers, daar ging het er juist om, niet alleen te bevorderen dat de protestantse kerkgenootschappen één lijn trokken maar ook dat zij gemeenschappelijk, duidelijk en publiekelijk zowel tot 'de Overheid' als tot de gelovigen het woord zouden richten in geloofskwesties die tegelijk politieke kwesties waren.

Convent der Kerken

XC

XCHet Convent der Kerken was op 25 juni '40 voor het eerst bijeengekomen en acht protestantse kerkgenootschappen gingen aan de beraadslagingen deelnemen: de Nederlandse Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken, de Christelijke Gereformeerde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband, de Remonstrantse Broederschap, de Algemene Doopsgezinde Sociëteit, de Evangelisch-Lutherse Kerk en het Hersteld EvangelischLuthers Kerkgenootschap. Van deze acht hadden evenwel de beide Lutherse kerkgenootschappen niet hun handtekening gezet onder het protest naar aanleiding van de eerste anti-Joodse maatregelen dat eind oktober' 40 bij Seyss-Inquart ingediend was en dat enkele dagen later in de meeste protestantse diensten was voorgelezen, niet evenwel in de gereformeerde en evenmin in de christelijke gereformeerde. Op grond van de bezwaren der twee lutherse kerkgenootschappen was voorts begin november besloten, het onderwerp 'het antisemitisme' van de agenda van het Convent af te voeren.

XCBinnen de Gereformeerde Kerken en binnen de Evangelisch-Lutherse Kerk leidden deze gebeurtenissen tot kritiek. Als vertegenwoordiger van eerstgenoemd kerkgenootschap in het Convent werd, gelijk reeds vermeld, prof Kuyper door Donner vervangen. Binnen de Evangelisch-Lutherse Kerk bleek het nodig, een bijzondere synode bijeen te roepen. Daar kreeg de synodale commissie (het kerkbestuur) nog juist een meerderheid voor haar besluit, de brief aan de Reichsleommissar niet mede te ondertekenen. Het was een Pyrrhus-overwinning, want toen de uitslag van die stemming bekend werd bij de gemeenten, rees er zulk een storm van protesten dat de synodale commissie het geraden achtte, afgevaardigden van alle kerkeraden in vergadering bijeen te roepen. Hier bleek duidelijk dat men wenste dat de Evange7

711 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

liseh-Lutherse Kerk voortaan met de overige protestantse kerkgenootschappen één lijn zou trekken.!

XCBegin januari' 41 kreeg het Convent een vreemde eend in de bijt toen het besloot, een vertegenwoordiger van de kleine groepering der Gereformeerde Gemeenten toe te laten Dit was namelijk ds. G. H. Kersten, oprichter en leider van de Staatkundig Gereformeerde Partij. 'Gewoonlijk werd door hem', aldus Touw, 'een volkomen-lijdelijke houding tegenover de maatregelen van de bezetter ingenomen. De Duitse invasie zag hij als een oordeel Gods, vooral in verband met de zondagsontheiliging In dat verband sprak hij dan vaak over het varen van de prinses op zondag! 2 ••• Na enige tijd liet (men) merken dat men op (zijn) aanwezigheid verder geen prijs stelde."

XCKersten was nog aanwezig toen, in Den Haag, in het Convent der Kerken op 25 februari (de dag waarop in Amsterdam de Februaristaking uitbrak) besloten werd, een brief te richten tot het college van secretarissen-generaal" waarin men uiting zou geven aan zijn verontrusting' door de ontwikkeling der gebeurtenissen gelijk deze zich meer en meer aftekent'

XC'Zo zijn in het beeld dat de openbare straat meer en meer gaat vertonen, in de behandeling welke in steeds toenemende mate aan het Joodse deel van de Nederlandse bevolking ten deel valt, in de groeiende rechtsonzekerheid, in de voortgaande aantastingvan vrijheden welke de noodwendige voorwaarden zijn voor vervulling van Christen-plichten, even zovele duidelijke symptomen te zien van een toestand die niet alleen een klem legt op het geweten van onze landge- ~ noten, maar ook naar de diepste overtuiging der Kerken indruist tegen de eis van Gods Woord.

XCHet is om die reden dat de Kerken zich genoopt gevoelen, zich tot uw college te wenden met de dringende bede, zoveel in uw vermogen ligt; te bevorderen

1 Tot de felst protesterenden in het lutherse kamp behoorde de lutherse predikant in Apeldoorn en Doesburg, ds. P. H. Borgers. 'Ook zijn vurig gebed voor de koningin, iedere zondag, werd hem', aldus zijn biograafW. F. Jense, 'door sommi gen ontraden. Hij zegt daarop: 'Ik bad misschien niet elke zondag voor de koningin. Na IS mei doe ik het wel. Nietwaar X, als je bij mij in de kerk bent, hoor je elke keer mijn bede voor de koningin en voor de Joden. Ik vind, dat zelfs al deed men het vroeger niet, er alle reden is om te zeggen: nu de koningin ons gebed zo nodig heeft, doen wij hetwèl." (W. F. Jense: (1947), p. 20-21). Ds. Borgers werd op 10 december '44 gearresteerd. Hij overleed ca. twee maanden later in het concentratiekamp Neuen gamme. 2 Het prinselijk gezin had op zondag 12 mei '40 ons land verlaten. 3 Touw: dl. I, p. 138. Ds. Kersten verleende van' 43 af enige hulp aan onderduikers. 4 Tekst: a.v., dl. II, p. 32-33.

712 [PDF]
BRIEF AAN DE SECRETARISSEN-GENERAAL

dat recht, waarheid en barmhartigheid ook in het huidige tijdsbestel de richtsnoeren zullen zijn voor het beleid der Overheid

XCWij vertrouwen dat gij de stem der Kerken, zoals zij in dit adres tot uiting is gebracht, op de wijze die u daartoe dienstig zal voorkomen, mede zult willen doen doorklinken tot hen die tijdens de huidige bezettingstoestand de uiteindelijke verantwoordelijkheid dragen voor de gang van zaken in ons vaderland.

XCMet volledig begrip voor de hoogst moeilijke taak waarvoor uw college zich in dit tijdsgewricht gesteld ziet, smeken zij God dat Hij u Zijn licht en bijstand moge schenken.' Dit adres d.d.smaart '41, in concept opgesteld door Gravemeyer en de voorzitter van de Remonstrantse Broederschap, de advocaat mr. F. M. Westerouen van Meeteren, werd niet ondertekend door ds. Kersten en evenmin door de vertegenwoordiger van het Hersteld Evangelisch-Luthers Kerkgenootschap.' Het viel overigens bij de secretarissen-generaal in slechte aarde: waren zij soms verantwoordelijk voor die 'symptomen van een toestand die ... indruist tegen de eis van Gods woord' ? Hooghartig besloten zij, op de inhoud van het adres met geen woord in te gaan. Het er in opgenomen verzoek: de tot uiting gebrachte bezorgdheid aan de bezetter kenbaar te maken, legden zij naast zich neer. Gravemeyer was met dit adres alléén nog niet tevreden. Hij stelde in het Convent voor, de volledige tekst of een samenvatting in alle protestantse diensten van de kansel af te kondigen. Sommigen vielen hem bij, anderen

XC1 Twee weken later richtte het Episcopaat der Oud-Katholieke Kerk van Nederland óók een brief tot de secretarissen-generaal die in veel minder klemmende bewoor, dingen gesteld was en blijk gaf van een grote mate van gezagsgetrouwheid. Deze Oud-Katholieke Kerk was in het begin van de achttiende eeuwontstaan als afsplitsing van de toen slechts tersluiks bestaande katholieke kerk. Traditioneel gedroegen de Oud-Katholieken zich zeer gehoorzaam jegens de overheid. Het kerkgenootschap telde in '40 ca. tienduizend- zielen, van wie meer dan een derde tot drie parochies behoorde: Ijmuiden, Egmond aan Zee en Den Helder. Het had een aartsbisschop te Utrecht en bisschoppen in Haarlem en Deventer. Wat hun beleid betreft, willen wij vermelden dat zij begin augustus' 40 hun priesters gelastten, het gebruikelijke gebed 'voor de koningin en het koninklijk huis' voortaan achterwege te laten maar dat zij daar in maart' 42 van terugkwamen. Toen werd voorgeschreven" te bidden: 'Vergun in Uwe goedertierendheid dat onze koningin door Uwe wijsheid geleid en, met geheel haar Huis, door Uw zegen bewaard worde.' (H. J. W. Verwey: De o.e: Katholieke Kerk van Nederland tijdens de Duitse bezetting 1940-1945 en de Oud Katholieke parochie van de H. Willibrordus te Batavia tijdens de Japanse bezetting 1942-1945 (I945), p. 7) Deze omzwaai was, schijnt het, vooral te danken aan de nieuwe bisschop van Deventer, mgr. E. Lagerwey, die nadien de Oud-Katholieke Kerk tot een vast contact wist te brengenmet het Interkerkelijk Overleg, het vroegere Convent der Kerken. 7 1

713 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

waren van opinie dat dit te ver zou gaan. Men vond wèl goed dat het adres aan de kerkeraden toegezonden werd die daar dan ook met deze en gene over zouden mogen spreken (maar niet de tekst vermenigvuldigen l)! en voorts vond het denkbeeld bijval dat Gravemeyer eens zijn gedachten zou laten gaan over' een boodschap tot de gemeenten, van overeenkomstige strekking als het adres, welke boodschap dan zou kunnen worden afgelezen" - van de kansel! Daar kwam het Gravemeyer en zij die dachten als hij, op aan.

XCToen het Convent op II maart opnieuw bijeenkwam, deelde Donner, die als voorzitter optrad," mee dat in alle gereformeerde diensten op zondag 23 maart een herderlijk schrijven voorgelezen zou worden; hij kon er de tekst (eerder al gememoreerd) van voorlezen en zulks leidde er toe dat alle overige protestantse kerkgenootschappen besloten, voor diezelfde zondag 23 maart een bidstonde uit te schrijven. Gravemeyer had al een oproep tot gebed gereed die hier en daar in zijn bewoordingen aansloot bij de terminologie die in het adres aan het college van secretarissen-generaal gebruikt was. Deze oproep werd acht dagen later, woensdag I9 maart, door Gravemeyer namens de Algemene Synode aan alle hervormde predikanten toegezonden. Hun werd dan in overweging gegeven om op 23 maart in de aanvang van de dienst bij de bijbellezing uit het Evangelie van Johannes de gelijkenis van de goede Herder voor te lezen ('Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: die niet ingaat door de deur in de stal der schapen, maar van elders inkomt, die is een dief en moordenaar', enzovoort) en om in aansluiting op deze verzen het volgende van de kansel af te kondigen:

XC'De Algemene Synode der Nederlandse Hervormde Kerk heeft besloten, op zondag 23 Maart in de gemeente uitdrukking te geven aan de ontroering over de huidige toestand waarbij de Kerk ten nauwste is betrokken.

XCDe haar door God opgedragen verkondiging van Zijn Woord legt haar de dure roeping op om op te komen voor recht en gerechtigheid, voor waarheid en liefde. De Kerk moet staan voor de handhaving der vrijheden welke de noodzakelijke voorwaarden zijn voor vervulling van Christenplichten' daarbij werd kennelijk mede gedoeld op van Dams plannen tot aantasting van de vrijheid van het bijzonder onderwijs, zoals de daarop volgende passage een reactie was op alles wat in de eerste maanden van '4I op het gebied. der Jodenvervolging geschied was:In de hervormde kerk geschiedde die toezending opmaart, daags na de verzending van het adres.Convent der Kerken: Notulen,febr.volgde Slotemaker de Bruïne op die van december'af wegens ziekte niet meer aanwezig kon zijn; Slotemaker overleed in de lente van'7 1

1 6 2 25 1941. S Hij 40 41.

714 [PDF]
DE CRISIS VAN EIND MAART' 4I

XC"De Kerk blijve spreken en handelen ten opzichte van het volk Israël naar de eis van Gods Woord.

XCVreeze Gods dringe ons, deze dingen voor Zijnen troon uit te spreken. Hij entferme Zich over ons en onze kinderen.' 1

XCEen aantal hervormde predikanten ontving dit stuk vermoedelijk reeds op woensdagavond I9 maart. Onder hen moet zich één of moeten zich meerdere personen bevonden hebben die onmiddellijk de Sicherheitspolizei of andere organen van de bezetter waarschuwden, althans: donderdagmorgen vroeg werden Gravemeyer en Donner gearresteerd. V rijdag werd Gravemeyer er in een eerste verhoor van beschuldigd dat de kanselafkondiging, twee dagen later, bedoeld was als sein tot een algemene opstand - een herhaling als het ware, maar dan op groter schaal, van de Februaristaking. Het kostte hem niet veel moeite, de dwaasheid van die beschuldiging aan te tonen. Zaterdagmiddag werd hem toegezegd dat hij vrijgelaten zou worden. Hij besloot toen, er het zijne toe bij te dragen dat het op zondag niet tot ordeverstoringen zou komen: nog vanuit de gevangenis droeg hij het bureau van de Synode op, zaterdagavond telefonisch aan de predikanten in alle grote steden te berichten dat er wel een bidstond moest zijn doch dat de kansela£kondiging zonder enige explicatie achterwege moest blijven. 'Het motief was', schreef Gravemeyer enkele dagen later, na zijn vrijlating, 'door deze daad een overtuigend bewijs te geven, dat de kerk geen politieke bijbedoelingen nastreeft.V

XCGravemeyers ingrijpen werd op 28 maart door de Algemene Synodale Commissie eenparig goedgekeurd, maar het sprak vanzelf dat de gang van zaken, aldus Touw, 'de nodige verwarring' binnen de hervormde kerk wekte en dat menigeen zich in het bijzonder afvroeg of Gravemeyer wel het recht had, persoonlijk de voorlezing van een door het kerkbestuur vastgestelde kanselboodschap af te gelasten. Die predikanten welke men telefonisch had kunnen bereiken, lieten die voorlezing inderdaad na, menigmaal tot teleurstelling van de kerkgangers onder wie zich in menige plaats het gerucht verspreid had dat er op zondag 23 maart in de kerken iets bijzonders zou gebeuren. In Enschede waar de hervormde kerken, aldus de Sicherheitsdienstvemeyer zich na het gebeuren van maart '41 innerlijk voorgenomen heeft: nooit

1 Tekst in Touw: dl. p. 37. 2 Brief, 24 maart 1941, van K. H. E. Gravemeyer aan de hervormde predikanten, a.v., p. 38. Grave meyer heeft het in zijn eigen uitleg doen voorkomen alsofhij niet voor Duitse druk gezwicht was. Wij achten die uitleg niet overtuigend: Gravemeyer wist dat de lastgeving die hij telefonisch liet doorgeven, de Duitsers welkom was. Wij menen bovendien datjuist uit het vervolg van het kerkelijk verzet duidelijk blijkt dat Gra

715 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

(die extra veel verspieders uitgezonden had), 'wegen der angekündigten Ver lesung ... bis auf den letzien Platz gefüllt (waren)', werd toch een explicatie gegeven: er werd althans van de kansels meegedeeld dat de kanselboodschap niet voorgelezen zou worden. 'In der Lasonderkirche predigten zwei Pfarrer, die in ihrer Predigt zum Ausdrucle. brachten, dass alle Menschen, gleich welcher Rasse, Brüder seien ... In Zwolle sprach im Schlussgebet ein Pjarrer davon, dass , die Besetzung so schnell wie möglich wieder versehuiinden und die alte Freiheit zurückkehren möge.',l Donner had zich in ge:vangenschap anders opgesteld dan Gravemeyer. Hij wees er op dat de herderlijke brief van de Generale Synode der gereformeerden niets te maken had met het adres aan de secretarissen-generaal. Niettemin werd hem gevraagd, te verhinderen dat de brief voorgelezen zou worden. Zijn antwoord was dat hij daar generlei bevoegdheid toe had. 'Hij bood aan', aldus Delleman,

XC'de herderlijke brief alsnog met de Duitsers door te nemen om te doen zien dat van de afkondiging daarvan niet een bedreiging van de openbare orde kon worden gevreesd .. In de late zaterdagavond las hij de Duitse politie-ambtenaar die (-Westfaalserooms-katholiek) theologisch niet geheel onkundig bleek, de herderlijke brief voor, deze zo nodig voor hem vertalend; het einde was dat met aarzeling in de afwijzende houding werd berust en hij zo eindelijknaar huis werd gebracht.'"

XCAnderhalve week later, op 2 april, werd Donner opnieuw gearresteerd, ditmaal, gelijk wij in, hoofdstuk 4 reeds vermeldden, wegens verdenking van medeplichtigheid aan het werk van de Stijkelgroep. Nu werd hij ook I langer in arrest gehouden: tot eind mei. Zijn plaats in het Convent was inmiddels ingenomen door dr. A. A. L. Rutgers; deze en Donner bevonden zich onder de anti-revolutionaire voormarmen die op I juli naar het kamp Schoorl gebracht werden. De plaats van Rutgers werd toen door oud-minister dr. J. J. C. van Dijk ingenomen; voorzitter van het Convent werd de Amsterdamse hoogleraar Scholten. Zo werd bij uitstek het Convent der Kerken met de realiteit van de Duitse vervolging geconfronteerd. De arrestaties vielen trouwens niet aileen in de hoek van de gereformeerden en hervormden: medio juni werd Buskes die als vertegenwoordiger van de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband een der meest strijdbaren in het Convent geweest was (maar zijn kerkgenootschap was maar klein: ca. zevenduizend zielen), gearresteerd wegens een

XC1 'Meldungen aus den Niederlanden', 38 (24 maart 1941), p. 19. "Delleman: Opdat wij niet vergeten, p. 83.

716 [PDF]
'DE MACHINERIE WERKT LANGZAAM'

artikel van zijn hand dat in het tijdschrift Woord en Wereld, dat prompt verboden werd, gepubliceerd was.'

XCHet is helaas onmogelijk, de gevolgen van al deze arrestaties in de deliberaties van het Convent der Kerken nauwkeurig te volgen: na de crisis van' 23 maart werd namelijk besloten, voortaan geen notulen meer te vervaardigen. In het algemeen is het evenwel onze indruk dat deze crisis althans in '4I op het beraad in het Convent meer effect gehad heeft dan men uit de beschrijvingen van Touwen Delleman zou afleiden. Immers, terwijl de bezetter juist in de zomer en herfst van' 4I op tal van terreinen des levens sterker ging ingrijpen; 'vergaderde het Convent slechts zelden in plena ... De lopende zaken werden', aldus het rapport van de gereformeerde deputaten aan hun synode, 'behandeld in een kleiner comité, de contact-commissie, zodat van een gezamenlijk optreden van alle protestal1tSe kerken naar buiten dan ook geen sprake meer was . . . De machinerie werkt langzaam; niet alle delen werken mee en de grief, tot deputaten gericht, dat zij in gewichtige zaken met haar adviezen zo laat komt, is vooral daaraan te wijten.' 2

XCZo werd dan ook in de maanden waarin het Joodse volksdeel door een hagel van verordeningen getroffen werd, door de samenwerkende protestantse kerkgenootschappen (trouwens ook door het Episcopaat) gezwegen. wel was in het Convent 'overwogen om ten behoeve van de Joden, inzonderheid die naar het buitenland gevoerd waren en waaronder een schrikbarende sterfte heerste' (Mauthauscn l), 'tussenbeide te komen, maar de vrees dat juist daardoor hun lot verergerd zou worden (waarom de Joden zelf verzocht hadden, dit niet te doen), weerhield hen tot dusver', aldus weer de gereformeerde deputaten.ê

XC'Waarqm de Joden zelf verzocht hadden, dit niet te doen'<- wèlke Joden? Bepaald niet Visser en zijn Coördinatie-Commissie! Wij veronderstellen dat het Cohen geweest is die Scholten, zijn collega-hoogleraar van de Universiteit van Amsterdam, benaderd heeft. Wij nemen voorts aan dat0. J.0. J.dentie met de Hoge Overheid' (dec. 1941) in Gereformeerde Kerken in Nederland: Acta voortgezette Generale Synode 1940-1943, p. 231. 3 A.v., p.

1 Buskes werd na twee maanden vrijgelaten; hij keerde toen onmiddellijk naar het Convent der Kerken terug, overigens met gemengde gevoelens. Men had er, schreefhij later, 'voor het illegale verzet in de eerste jaren bitter weinig waardering. De afgevaardigden hadden slechts kritiek: de illegalen waren onbesuisd, handelden ondoordacht' en onverantwoordelijk, maakten zich schuldig aan gevaarlijke roman tiek en avonturenzucht.' Buskes: (1959), p. 185) 'Ikkwam er', zei hij ons eens, 'na de discussies wel eens vandaan met het gevoel dat ik er beroerd van was.' Buskes, 19 sept. 1960) 2 'Rapport deputaten voor de correspon

717 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

Scholten het evenals Cohen niet raadzaam achtte, op de Jodenvervolging te reageren in een verklaring welke publiekelijk in alle kerken voorgelezen zou worden, maar Scholten vond wèl dat er alle reden was, op een andere wijze voor de Joden op te komen, nl. bij Seyss-Inquart persoonlijk. Meer nog: hij vond óók dat deze hoogst belangrijke stap niet door de protestantse kerkgenootschappen alléén ondernomen moest worden, maar door protestanten en katholieken samen.

XCOp 3I oktober 1517 had Luther zijn befaamde stellingen aan de kerkdeur te Wittenberg gehecht. Later was het in de protestantse wereld gebruik geworden, de j rste oktober als 'Hervormingsdag' te vieren. Een merkwaardig toeval wilde dat, terwijl tussen de voorzitter van het Convent en de aartsbisschop over allerlei onderwerpen reeds eerder contact was geweest, nu juist op Hervormingsdag 1941 voor het eerst een ontmoeting plaatsvond die beoogde, een gemeenschappelijke stap naar buiten te ondernemen. In die ontmoeting (er vond spoedig een tweede gesprek plaats) stelde de aartsbisschop aan Scholten voor om, als men tot Seyss-Inquart kon doordringen, niet alleen de Jodenvervolging aan de orde te stellen, maar ook de rechtsverkrachting en de gelijkschakeling, d.w.z. het opdringen van de nationaalsocialistische levensbeschouwing." 'Wij vinden het van groot belang', zo deed mgr. de Jong aan de bisschoppen weten, 'dat de christelijke kerken gezamenlijk optreden; al wordt dan niet direct iets positiefs bereikt, het versterkt zeker de onderlinge solidariteit om onze christelijke waarden zo krachtig mogelijk te verdedigen.P Afgesproken werd dat de officiaal van het aartsbisdom, mgr. van de Loo, aan de te ondernemen stappen zou deelnemen; deze maakte in het protestantse kamp onmiddellijk de indruk, een bij uitstek strijdbaar man te zijn.

XCHoe tot Seyss-Inquart door te dringen?

XCBesloten werd, een memorandum op te stellen dat men aan de secretarisgeneraal van justitie, de NSB'er Schrieke, zou overhandigen; traditioneel ressorteerden de kerken immers onder dat departement. In dat memorandum zou een gesprek met Seyss-Inquart, eventueel met Rauter, aangevraagd worden.

XC1 Scholten was niet gelukkig met deze uitbreiding omdat, naar hij meende, 'de Jodenkwestie haast had'(Touw:Het verzet derHervormde Kerk, dl. I, p. 141). Daarbij dacht hij kennelijk aan de berichten uit Mauthausen. 2 Aangehaald in Aukes: Kardinaal deJong, p. 359-60.

718 [PDF]
PROTEST BIJ SCHRIEKE

XCHet memorandum! werd niet alleen door het Episcopaat maar ook door alle protestantse kerkgenootschappen goedgekeurd, zij het met één uitzondering: de Christelijke Gereformeerde Kerk. Deze ontbrak dan ook op het appèl toen Schrieke op 5 januari' 42 behalve mgr. van de Loo afgevaardigden van zeven protestantse kerkgenootschappen ontving. Het memorandum werd hem overhandigd. Daarin werd op 'de schier volslagen rechteloosheid' gewezen. Hierop volgde een passage over de Jodenvervolging die met terughoudendheid geformuleerd was:

XC'De Kerken treden voor dit ogenblik niet in beoordeling van het antisemitisme dat zij overigens op Christelijke grondslagen principieel verwerpen; zij wensen evenmin in debat te treden over de politieke maatregelen in het algemeen tegen deJoden. Zij willen zich bepalen tot het feit dat in de loop van 1941 talrijke Joden zijn gevangen genomen en naar elders gevoerd, terwijl sedert officiële mededelingen omtrent ontstellend hoge sterftegevallen onder deze gedeporteerden zijn ingekomen. De Kerken zouden schromelijk tekortschieten, indien zij niet van de Overheid verlangden dat aan deze maatregelen paal en perk worde gesteld. Dit toch is een eis van Christelijke barmhartigheid.'

XCTenslotte werd geprotesteerd tegen het feit 'dat de nationaal-socialistische levensbeschouwing wordt opgedrongen van overheidswege'. Met dit alles werden, aldus de conclusie, 'de gerechtigheid, de barmhartigheid, de vrijheid van levensovertuiging ... aangerand.' Daarvan wensten de kerken te getuigen jegens de secretaris-generaal van justitie en al zijn ambtgenoten; zij vroegen tenslotte een audiëntie aan 'bij de hoogste Duitse autoriteit die over deze dingen beschikt.'

XCScholten lichtte dit memorandum mondeling toe. Schrieke antwoordde dat niet het college van secretarissen-generaal maar de Reichskommissar verantwoordelijk was voor hetgeen geschiedde; hij vreesde dat de kerken 'zich verzetten tegen wat een onverbiddelijke en onverzettelijke historische ontwikkeling' was: 'ze zijn', zei hij, 'als een man die op de spoorrails blijft lopen terwijl een trein in aantocht is' - maar hij zou het memorandum aan zijn collega's doorgeven en een audiëntie bij Seyss-Inquart aanvragen.

XCDie audiëntie vond zes weken later plaats: op 17 februari' 42, daags na het bericht van de val van Singapore. De voorbereiding was niet zonder strubbelingen verlopen: Seyss-Inquart had geweigerd, Scholten als woordvoerder van de Nederlandse Hervormde Kerk te ontvangen; sterker nog: hij had Scholten enkele dagen in arrest laten stellen en hem vervolgens een

XC1 Tekst in Touw: Het verzet der Hervormde Kerk, d.I. II, p.

719 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

XCgedwongen verblijfplaats in Zuid-Limburg toegewezen.' De Algemene

XCSynodale Commissie had toen besloten, de Groninger hoogleraar prof.jlr.

XCW. J. Aalders als haar woordvoerder te laten optreden. Deze werd bij zijn r, bezoek aan Seyss-Inquart door dr. van Dijk en mgr. van de Loo vergezeld.

XCSeyss-Inquart had Schmidt en Schrieke naast zich: drie tegen drie. Het was

XCde eerste ontmoeting van die aard; het zou de enige blijven. Er werd aan de Reichsleommissar een lange 'Gedächtnisnotiz' overhandigd,

XCnu ook mede namens de Christelijke Gereformeerde Kerk. 2 De inhoud

XCsloot bij die van het memorandum aan dat begin januari aan Schrieke aan

XCgeboden was. De aan de Jodenvervolging gewijde passage was een vertaling

XCvan die welke wij boven aanhaalden. Meer dan de helft van het lange stuk

XCwas overigens aan een nieuw punt gewijd: de bezwaren welke de kerken

XCkoesterden tegen de verplichte deelneming aan de Nederlandse Arbeidsdienst

XCdie ophanden was. Aalders ging daar in een lange en waardige toespraak" nog

XCop in en memoreerde daarbij ook de aantasting van de vrijheid van het

XCbijzonder onderwijs en de ingrepen op het terrein van de kerkelijke pers.

XCEen zwak element in zijn toespraak was dat hij kort voor het slot opmerkte

XCdat 'die christliche Kirche in den Niederlanden bisjetzt im allgemeinen, [ormell und

XCdirekt, Gott sei Dank, noch nicht angegriffen ist.' Ook Seyss-Inquart hield een lang betoog waarin hij de kerken verweet

XCdat zij niet samen met Duitsland tegen het bolsjewisme optrokken. Alle

XCkritiek wimpelde hij af: ten: aanzien van 'het arresteren van onschuldigen',

XCin het overhandigde stuk gewraakt, had men hem geen namen genoemd,

XCin de Arbeidsdienst zou kerkbezoek toegestaan zijn, op de scholen moest

XCalleen maar' een deutschfeit1dliche beïnvloeding van de leerlingen' tegengegaan

XCworden, de Kultuurkanier liet 'elke godsdienstige overtuiging en godsdienst

XCbeleving volkomen intact' en in de bijbel stond: 'Geef den keizer wat des

XCkeizers is.' De juistheid van één grief erkende hij: inderdaad, de Joden werden

XCvervolgd, maar, aldus het verslag van mgr. van de Lo04: 'barmhartigheid jegens hen te betrachten ... was naar het oordeel van de Reichs kommissar te veel verlangd. Zij waren nu eenmaal bedervers van de Arische stam, een gedegenereerd ras, een kwaadaardig gezwel aan het organisme van onze Europese volksgemeenschap, de schuldigen bij uitstek aan de oorlog en aan de pest van het bolsjewisme en, evenals indertijd de Marranen, een gevaar voor de staat ... Neen, barmhartigheid jegens hen was misplaatst; alleen kon men, voorzover het algemeen belang zulks gedoogde, recht en gerechtigheid jegens hen laten gelden'

XC1 Later in '42 kreeg Scholten 'een gedwongen verblijfplaatsop de Veluwe. 2 Tekst. in Touw: Het verzet der Hervormde Kerk, dl. II, p. 67-69. 3 Tekst: a.v., p. 70-73. • Tekst: a.v.,p. 74-77. 7

720 [PDF]
PROTEST BIJ SEYSS-INQUART

en die 'gerechtigheid' hield in (maar dat verzweeg Seyss-Inquart zorgvuldig) dat zij op korte termijn uit Nederland gedeporteerd zouden worden. Aalders, van Dijk en van de Loo gingen alle drie op Seyss-Inquarts betoog in. Van Dijk memoreerde de precieze aantallen van de Joden omtrent wie uit Mauthausen bericht van overlijden ontvangen was, waarop Schmidt zei: 'Kbnnen wir dafür wenn sie sich oom Felsen hinabstûrzen wollen?'1 - van Dijk repliceerde dat de toestanden wel volstrekt onmenselijk moesten zijn als dit frequent gebeurde. Van de Loo (die op alle punten stevig van zich afbeet) hield de Reichsieommissar opnieuw voor, dat barmhartigheid ook jegens de Joden 'Christenplicht' was, 'overigens, zo betoogde ik, zouden wij al zeer verheugd zijn wanneer althans de rechtvaardigheid tegenover de Joden betracht werd ... overtuigd als we waren dat tallozen onder hen als onschuldige slachtoffers waren gevallen van de rassenhaat, hoewel zij zich steeds als eerzame burgers gedragen hadden.' 'Het is mijn eindindruk', aldus Aalders in zijn verslag.ê 'dat deze audiëntie' als zodanig niets kan doen verwachten. Wij kunnen alleen het van belang achten, persoonlijk en tegenover de Kerk, dat wij een getuigenis hebben afgelegd.' Maar daar mocht het volgens het Convent der Kerken niet bij blijven r Het was al bijna anderhalf jaar geleden dat de gelovigen althans in een groot deel van de protestantse kerken een gemeenschappelijk getuigenis der kerkgenootschappen vernomen hadden: het werd tij d voor een nieuw getuigenis, temeer omdat de bezetter na de audiëntie van 17 februari met nieuwe maatregelen aantoonde dat hij zijn beleid eerder wilde verscherpen dan verzachten. , Alle voormannen van de twee grote organisaties van het protestants bij zonder onderwijs, onder wie Aalders, werden eind februari gearresteerd en medio maart ging het er naar uitzien dat ook allerlei christelijke instellingen gelijkgeschakeld zouden worden: men vernam althans dat Müller-Lehning, de commissaris voor de niet-commerciële verenigingen en stichtingen, het bestuur van de Christelijke Vereniging voor de Verpleging van Lijders aan vallende ziekte afgezet had! en zich haar befaamde gestichten te Heemstede, 'Meer en Bosch' en 'Bethesda-Sarepta', had toegeëigend."

XC1 Delleman: Opdat wi) niet vergeten, p. r03. 2 Tekst in Touw: Het verzet der Hervormde Kerk, dl. II, p. 73-74. 3 Het bestuur had begin '40 twee personeelsleden die lid waren van de NSB, wegens ongeschiktheid ontslagen. Müller-Lehning eiste dat zij weer in dienst genomen zouden worden. Dat werd geweigerd. Het bestuur en de geneesheer-directeur werden afgezet. Het was hun evenwel bekend dat epileptici in Duitsland al vóór de oorlog gesteriliseerd werden en zij hadden 7

721 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

XCTegen die achtergrond werd in de tweede week van maart door het Convent der Kerken een kanselboodschap opgesteld waarin mededeling gedaan werd van de bij Schrieke en Seyss-Inquart ondernomen stappen. Het Episcopaat deed hetzelfde. Afgesproken werd dat die boodschappen op zondag 22 maart in alle kerken voorgelezen zouden worden. Op zaterdag 14 maart waren de teksten nog niet verspreid, maar de Sicherheitspolizei had vernomen (wij weten niet, via welke kanalen) dat er een nieuwe afkondiging ophanden was, en wel op zondag de r sde. De Sicherheitspolizei wist tot wie zij zich te wenden had. Op zaterdagmiddag vervoegden zich drie van haar functionarissen bij Gravemeyer. Deze erkende dat er een voorlezing zou plaatsvinden, niet op de r sde maar op de zzste, Hij gaf hun de kanselboodschap ter inzage. Gevraagd werd, wie dat stuk opgesteldhadden. Gravemeyer antwoordde dat dit 'de gewone kerkelijke instanties' waren. Wel, de namen moest hij dan maar dinsdag bij' de SD' op het Binnenhofkomen opgeven en van een kanselafkondiging mocht geen sprake zijn! Namens de Befehlshaber der Sicherheitspolizei werd hem gezegd, dat hij, als de voorlezing doorging, met 'de scherpste maatregelen' te maken zou krijgen, 'gevangenis en erger'."

XCTwee dagen had Gravemeyer tijd om zich te beraden over het standpunt dat hij dinsdagmorgen bij de Sicherheitspolizei zou innemen. Menigeen voorspelde dat hij, als hij naar het Binnenhof ging, gearresteerd zou worden en ried hem aan, onder te duiken. Gravemeyer besefte evenwel dat de strijd van de kerken op een beslissend punt beland was: wat in maart' 41 geschied was, mocht niet herhaald worden. Hij pleegde overleg. Men ging accoord met het denkbeeld dat hij de Sicherheitspolizei de namen verstrekken zou van diegenen die het adres aan Schrieke ondertekend hadden (die waren de bezetter toch al bekend) en dat hij, om enige tijd te winnen, zou meedelen dat de Kerken zich over het eventueel afgelasten van hun nieuwe kanselboodschap zouden beraden. Op zichzelf was dat beraad ook noodzakelijk: het was niet zeker dat allen bereid zouden zijn, de boodschap te laten doorgaan. Op dit punt stond Gravemeyer persoonlijk rotsvast in zijn overtuiging. Die dinsdagochtend zei hij op het Binnenhof

XCderhalve besloten, de ca. zeshonderd patiënten hetzij bij familie, hetzij in andere gestichten onder te brengen. Voor de personeelsleden werd elders werk gevonden. De NSB'ers die de leiding overnamen, kwamen in lege gebouwen terecht. De mannelijke bestuursleden, de geneesheer-directeur en de hoofdbroeder werden vervolgens door de Nederlandse politie gearresteerd; zij kwamenna vijfweken weer op vrije voeten en organiseerden onmiddellijk een effectieve nazorg voor de her en der verspreide patiënten.

XC1 K. H. E. Gravemeyer: 'Verslag' (16 maart 1942) in Touw: Het verzet der Her vormde Kerk, dl. II, p. 78-79. 7

722 [PDF]
DE KANSELBOODSCHAP VAN 19 APRIL '42

'dat de kerken onder geen beding op dit ptmt zouden kunnen toegeven en zich door de Duitse overheid zouden kunnen laten voorschrijven wat zij al of niet mochten afkondigen. Dat zeker het Episcopaat maar ook evenzeer de protestantse kerken hier niet mochten en konden toegeven. Dat ik niet wist of de Duitse instanties nu de kerkstrijd in Nederland wilden laten ontbranden, maar dat ik dit zeer betreurenswaardig zou vinden ... Dat het nu gold een zuiver principiële zaak en dat noch ik, noch anderen in de Kerk daarbij voor dreiging zouden zwichten, niet voor gevangenis of erger'1

XCen niet alleen werd hij niet gearresteerd, maar er werd met aandacht naar hem geluisterd! Door zijn medewerkers op zijn bureau werd Gravemeyer met gejuich ontvangen.

XCHet overleg in het Convent der Kerken leidde tot de conclusie dat men er verstandig aan deed, de Duitsers niet te tarten door de kanselafkondiging te laten doorgaan op 22 maart. Een kort uitstel kon geen kwaad. Het Episcopaat sloot zich hierbij aan. Van dat uitstel werd gebruik gemaakt om gemeenschappelijk bij Seyss-Inquart te protesteren tegen de jegens Gravemeyer geuite dreigementen en om de Reichsleommissar zwart op wit te doen weten dat de kerken geen inmenging duldden in de dienst: 'Durch Eingreijen in diese Angelegenheit würde', zo werd opgemerkt, 'die besetaende Macht den Kirchen kamp! in den Niederlanden entfesseln.'2

XCJuist die 'kerkstrijd' moest Seyss-Inquart uit de weg gaan. Hij liet verder ingrijpen achterwege.

XCHet Convent der Kerken zette door. Met het Episcopaat werd afgesproken dat op zondag 19 april in alle kerken een getuigenis zou worden voorgelezen. De bisschoppen gaven dit getuigenis de vorm van een herderlijke brief" die nagenoeg geheel gewijd was aan de Nederlandse Arbeidsdienst, maar die begon met het jegens de gelovigen uitspreken van

XC'grote bezorgdheid over de gang van zaken in ons land, met name over de wijze waarop drie grondslagen van ons volksleven: de gerechtigheid, de barmhartigheid en de vrijheid van geweten en overtuiging, die verankerd liggen in het christelijk geloof, zijn en worden aangetast.

XCU is bekend de rechteloosheid, de ombarmhartigheid tegenover het Joodse volksdeel en het opdringen van een, recht tegen het Evangelie ingaande, nationaal-socialistische levens- en wereldbeschouwing.

XCSteeds moeilijker wordt het voor de Kerk, haar zegenrijke werkzaamheid uit te oefenen, waarbij door velen het offer van hun vrijheid wordt gebracht.

XC1 A.v.: 'Verslag' (16 maart 1942) in a.v., p. 81. 2 Brief, 7 april 1942, van het Convent der Kerken aan Seyss-Inquart (a.v., p. 81-82). 3 Tekst in Stokman: Het verzet van de Nederlandse bisschoppen, p.

723 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

XCOpnieuw, beminde gelovigen, sporen Wij u daarom aan, veel en vurig te bidden voor het behoud van het Christendom in ons vaderland.'

XCDe eerste twee van deze vier alinea's kwamen in nagenoeg dezelfde bewoordingen in de kanselboodschap voor die aan de protestantse predikanten toegezonden was.' Daar was een passage aan toegevoegd, niet over de Arbeidsdienst, maar over het ingrijpen tegen de besturen der protestantse schoolorganisaties en tegen 'Meer en Bosch' en 'Bethesda-Sarepta'. Overigens werd in geen van beide stukken mededeling gedaan van de bij Schrieke en de Reichskommissar ondernomen stappen. Daaromtrent ontvingen in het protestantse kamp de kerkeraden wèl uitvoerige inlichtingenê en ten aanzien van de Arbeidsdienst werd in die inlichtingen opgemerkt dat men zich van 'het intreden in zodanig instituut' had te onthouden, 'ongeacht de maatschappelijke gevolgen.P

XCDe berichten omtrent de arrestatie van de voormannen der protestantse schoolorganisaties hadden in maart onder de protestantse predikanten nogal bezorgdheid gewekt; in april vernam men dat ds. van den Bosch in het concentratiekamp Amersfoort en ds. Rutgers in het concentratiekamp Dachau overleden was - en dàn het nationaal-socialisme publiekelijk 'een recht tegen het Evangelie ingaande levens- en wereldbeschouwing' noemen? Betekende dat niet dat men het eigen leven op het spel zette? Er was, voorzover bekend, onder de ruim vijfhonderd gereformeerde predikanten slechts één die, overigens op principiële gronden, voorlezing van de kanselboodschap weigerde, maar bij de hervormden waren er veel meer; zoveel zelfs (en onder hen notabene de president der Synode, ds. Addink4) dat het moderamen van de Algemene Synode en de Commissie voor Kerkelijk Overleg samen bijna twee weken later tot alle kerkeraden en predikanten een ernstig vermaan richtten om de kerkelijke solidariteit niet te doorbreken.ê

XCNog geen week later, op 5 mei, werd Gravemeyer als gijzelaar gearresteerd. Ds. H. J. Dijckmeester nam op grond van gemaakte afspraken onmiddellijk zijn plaats in.

Bijzonder onderwijs: het tweede treffen

XC

XCSecretaris-generaal Van Dam had, zoals wij in hoofdstuk 4 beschrevenl, in de eerste fase van zijn strijd tegen het bijzonder onderwijs een overwinning behaald. Zijn bedoeling was het, de vrijheid van dat onderwijs aan te tasten, allereerst al door het recht tot het benoemen van leerkrachten aan de staat, d.w.z. aan zijn departement te trekken. Zo ver was hij in april '41 nog niet gegaan, maar hij had het benoemingsrecht der schoolbesturen toen wel in zoverre opgeheven dat hij bepaald had dat elke benoeming door het departement goedgekeurd moest worden. Vooral mr. J. J. Hangelbroek. de secretaris van de Schoolraad (waarbij de meeste protestantse lagere scholen aangesloten waren),' had er op aangedrongen dat men elke medewerking aan de door van Dam gedecreteerde regeling zou weigeren, maar hij had onvoldoende steun gevonden: eerst had het moderamen van de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs besloten, zich tot een protest te beperken maar overigens geen verzet te

XC10nze beschrijving was daar in hoofdzaak gebaseerd op de Paters werk: Het Schoolverzet

725 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

bieden, en vervolgens was Hangelbroek in zijn eigen Schoolraad in de minderheid gebleven. Het gebeurde had van Dam wel geleerd dat hij uiterst voorzichtig opereren moest; had het van hem afgehangen, dan zou hij bij nader inzien wellicht niet verder zijn gegaan dan tot die eerste benoemingsverordening die hij trouwens ook alleen maar onder pressievan Seyss-Inquart ondertekend had, maar de bezetter liet hem niet met rust: was van Dam voorstander van de Nieuwe Orde? Ja? Dan moest hij doorzetten en de nodige nieuwe regelingen afkondigen! Deed hij dat niet, dan zou de bezetter zulks doen waarbij verwacht werd dat van Dam zich zou inspannen om die regelingen tot levende werkelijkheid te maken.

XCEind juli '41, ruim vier weken na het begin van de Duitse invasie in de Sowjet-Unie, verscheen een verordening van de Reichskornrnissar, verordening 137/41, waarbij bepaald werd dat van Dam voortaan bevoegd was, de subsidiëring van alle bijzondere scholen (lager-, voorbereidend-hoger en middelbaar- en nijverheidsonderwijs) afhankelijk te stellen van wijzigingen in hun leerplan en in hun leermiddelen, de schoolbesturen aanwijzingen te geven ter 'handhaving van de orde of rust', eventueel die schoolbesturen door 'gemachtigden' te vervangen en in laatste instantie bijzondere scholen te sluiten.' Dat alles klonk in hoge mate dreigend. Was thans algemeen verzet geboden? Het Gereformeerd Schoolverband meende van wèl en zijn gedelegeerden deden enkele weken later een daartoe strekkend voorstel in de Schoolraad. Hangelbroek was het daar niet mee eens. De zaak lag, meende hij, wezenlijk anders dan bij de eerste benoemingsverordening: die verordening vroeg van de schoolbesturen een daad, nl. dat zij hun besluiten tot aanstelling van leerkrachten aan de goedkeuring van het departement zouden onderwerpen (waarmee zij dus eigenlijk de aantasting van de benoemingsvrijheid aanvaardden), maar verordening 137/41 vroeg, betoogde Hangelbroek, van de schoolbesturen niets; zij verleende van Dam slechts nieuwe bevoegdheden - welnu, verzet was eerst geboden zodra van Dam die bevoegdheden zou gaan toepassen. De Schoolraad sloot zich bij Hangelbreeks standpunt aan; samen met het moderamen van de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs droeg hij er wel zorg voor dat van Dam een schot voor de boeg ontving: een brief namelijk (2 oktober' 41) waarin stond dat naleving van de verordening 'om des gewetenswille onmogelijk' zou zijn, zodra maatregelen genomen zouden worden 'welke inbreuk zouden maken op en/of onverenigbaar zijn met de vrije doorwerking van onze Christelijke beginselen in het onderwijs." Eén maatregel kwàm er: de invoering van hetva

1 137/41 1941, p. 559-60). 2 Aangehaald in de Pater: p. 76.

726 [PDF]
VAN DAMS PROBLEMEN

leervak Duits. Hier maakten de protestantse organisaties geen bezwaar tegen.

XCMen ziet: de Schoolraad en de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs trokken één lijn. Anders kwam het te liggen bij de organisaties van christelijke leerkrachten: de Vereniging van Christelijke Onderwijzers en Onderwijzeressen en de Unie van Christelijke Onderwijzers en Onderwijzeressen. De Vereniging, strijdbaarder dan de Unie, stelde zich op het standpunt dat, wanneer van Dam bij een bepaalde school een gemachtigde zou benoemen, alle leerkrachten onmiddellijk hun werk moesten neerleggen, de Unie meende dat die leerkrachten ook onder een gemachtigde hun taak, dienden voort te zetten zolang het hun niet onmogelijk gemaakt werd, christelijk onderwijs te geven.

XCIn de herfst van '41 werden de problemen er voor van Dam niet gemakkelijker op. De pressie van NSB-zijde werd krachtiger. Generalkommissar Wimmer dwong hem, de chef lager onderwijs ten departemente, dr. J. H. Wesselings, te ontslaan; van Dams oude relatie dr. D. G. Noordijk. hoofdinspecteur in algemene dienst en sympathiserend lid der NSB, legde hem dagelijks reeksen klachten voor over anti-nationaal-socialistische gedragingen van leerkrachten die door de meeste inspecteurs van het onderwijs gedekt werden - en aan de andere kant kreeg van Dam in zijn arbeid ten departemente (als hij er was! hij zette immers zijn hoogleraarsfunctie voor de helft voort) meer en meer te maken met de nieuwe chef kabinet, prof. mr. A. L. de Block, die van de Nieuwe Orde niets moest hebben. De Block, buitengewoon hoogleraar aan de Tilburgse hogeschool, was als griffier van de Eerste Kamer op wachtgeld gesteld; hij had de functie ten departemente vooralook op aanraden van mgr. Verhoeven, de directeur van het RoomsKatholiek Centraal Bureau voor Opvoeding en Onderwijs, aanvaard.

XCIn januari '41 had van Dam aan de bezetter doen weten dat hij zich voorstelde, de benoemingsvrijheid bij het bijzonder onderwijs in twee etappen aan te tasten: eerst de benoemingen afhankelijk stellen van goedkeuring door het departement, vervolgens na een jaar het benoemingsrecht aan de staat trekken. Die eerste benoemingsverordening was in april '41 verschenen waar bleef de tweede? Het ging van Dam te ver, die op eigen verantwoordelijkheid af te kondigen (de Block, ook anderen, brachten onder zijn aandacht dat zij een nieuwe aanslag op de Grondwet betekende) - er zat voor Seyss-Inquart niets anders op dan zelf zijn handtekening te zetten onder de nieuwe regelingen: twee verordeningen nog wel, die beide begin januari' 42 gepubliceerd werden.! De eerste schonk van Dam de bevoegdheid om,7 2

1 VO 4/42 1942, p. IQ) en 5/42 (a.v., p. II-l2).

727 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

wanneer twee voordrachten voor de benoeming van een bepaalde leerkracht afgewezen waren, zelf tot die benoeming over te gaan (daarmee was dus 'de lacune' uit de eerste benoemingsverordening gedicht), de tweede gaf hem het recht, hoofdinspecteurs en inspecteurs van het onderwijs te ontslaan en hetzelfde te doen met leerkrachten, 'wanneer zij op de hun toevertrouwde leerlingen een invloed uitoefenen welke in strijd is met het belang van een voorspoedige ontwikkeling van het Nederlandse schoolwezen.'

XCUiteraard hadden de Schoolraad en het moderamen van de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs zich weer op het standpunt kunnen plaatsen dat zij pas tot verzet zouden overgaan wanneer bleek dat van Dam van die nieuwe bevoegdheden op onaanvaardbare wijze gebruik zou maken, maar dat werd, nu de bezetter zijn offensiefzo duidelijk voortzette, een inadequate reactie geacht. Het tijdstip leek gekomen om van Dam mee te delen dat het protestants onderwijs zijn nieuwe bevoegdheden niet erkende en dus niet bereid was, zich aan de tweede benoemingsverordening te conformeren. Sterker nog, nu moest ook het zich schikken in de eerste benoemingsverordening een einde nemen: wilde men voorkomen dat van Dam eigen candidaten ging benoemen, dan diende men hem (d.w.z. de inspecteurs die namens het departement optraden) bij de benoemingen te negéren. Er werd dus een circulaire aan alle schoolbesturen opgesteld waarin hun verzocht werd, van Dam zwart op wit te berichten dat zij voortaan: alle benoemingen buiten de inspecties en het departement om zouden doen, en met een brief van 2 februari! werd door de Schoolraad en de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs aan van Dam duidelijk gemaakt wat hem te wachten stond. Voorzitter en secretaris van de Schoolraad, dr. G. P. van Itterzon en mr. Hangelbroek, en voorzitter en secretaris van de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs, prof Aalders en J. C. Ligtvoet, deden aan de secretarisgeneraal weten dat de bestuurders van de christelijke scholen nu 'geen keuze' meer hadden:

XC'Voor hen is werkelijkheidhet schriftwoord dat zij Gode meer zullen gehoorzamen dan de mensen. En daarin weten zij zich in onwrikbare overtuiging één met het personeelhunner scholen en met de christenouders,wien het geestelijk welzijn hunner kinderen boven alle aardsegoederen ter harte gaat.'

XCEen overeenkomstige brief, iets scherper nog, werd van Dam toegezonden door het bestuur van de Bond van Verenigingen voor Christelijk voorbereidend-hoger en middelbaar onderwijs; voorzitter van dit bestuur was prof. mr. V. H. Rutgers, op verzetsgebied een van de meest actieven in het

XC1 Tekst in Touw: Het verzet der Hervormde Kerk, dl. II, p.

728 [PDF]
HET SCHOOLCONFLICT IN ARNHEM

gereformeerde kamp. Daarentegen liet het bestuur van de Bond voor Christelijk nijverheidsonderwijs na, het voorbeeld van de Schoolraad en van de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs te volgen.

XCAl voor de verzending van deze brieven had de Generale Synode der gereformeerden besloten, de kerkeraden te verzoeken, op zondag 8 februari in de dienst speciaal te bidden voor het behoud van het christelijk onderwijs. Na de verzending sloot de Algemene Synode der hervormden zich hier bij aan. Alle gereformeerde en hervormde kerkgangers zouden weten welke zware strijd op til was.

XCEén plaats was er waar die strijd al in volle hevigheid woedde: Arnhem.

XCEr bestond in Arnhem een christelijke schoolvereniging, bij de Schoolraad aangesloten, die over twee lagere scholen het beheer voerde. Eén daarvan was de van Löben Sels-school die in ' 41 een kleine honderdzeventig leerlingen telde, grotendeels afkomstig uit gereformeerde gezinnen. Aan de school waren een schoolhoofd, twee onderwijzeressen en drie onderwijzers verbonden. Een van de onderwijzers, tegelijk plaatsvervangend hoofd, was een lastpost met wie het hoofd al enkele jaren moeilijkheden had gehad. Die lastpost deelde eind april '41 mee dat hij zich bij de NSB aangesloten had. Schriftelijk wees het schoolbestuur hem er toen op dat christelijk onderwijs en nationaal-socialisme onverenigbaar waren: de NSB' er moest kiezen. Met die brief liep hij onmiddellijk naar het bureau van Seyss-Inquarts Beaujitagte. Het schoolbestuur werd daar op het matje geroepen en van 'Beleidigung des Führers' beticht; het trok de brief in. In november evenwel, ontdekte het schoolhoofd dat de NSB'er als schrijfvoorbeeld: 'Met Duitsland tegen het Bolsjewisme', op een bord geschreven had. Hij gaf de NSB' er een terechtwijzing. Weer liep deze naar de Beauftragte, maar nu mede met het verhaal dat het schoolhoofd tegen een leerling die de school verlaten had en huisschilder wilde worden, gezegd zou hebben: 'Misschien breng je het nog wel eens tot Führer.' Het schoolhoofd werd gearresteerd, de NSB'er nam zijn plaats in. Het bestuur was geneigd, zich hier in arren moede bij neer te leggen, maar het besefte dat dit toch eigenlijk van principieel belang was. Voorzitter en secretaris wonnen het advies van Hangelbroek in. Deze gaf dit advies op een moment waarop hij door zijn contacten ten deparremente wist dat de publikatie van de tweede benoemingsverordening ophanden was. De NSB'er moest onmiddellijk geschorst worden, zei hij, en als de man weigerde te vertrekken, moest het bestuur de school sluiten. 7 2

729 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

XCMet dat advies ging men naar Arnhem terug. Een moeilijke zaak! De Duitsers zouden een schorsing van de NSB'er zeker niet op zich laten zitten! Hangelbreeks advies ging drie bestuursleden te ver (zij traden af), maar op zaterdagavond 3 I januari besloten de overigen in een bewogen vergadering, zich aan dat advies te conformeren. Nog diezelfde avond werd aan de NSB' er schriftelijk bericht dat hij geschorst was.

XCDe maandagmorgen kwam. De NSB' er was present - maar ook twee bestuursleden. En nu zette het bestuur met kracht door. Het wist volledig op de steun van de vier overige onderwijskrachten te kunnen rekenen, het zond de kinderen naar huis en het sloot de school. Weer greep de Beaujtragte in: hij eiste intrekking van het schorsingsbesluit. Dat werd geweigerd. Twee bestuursleden werden gearresteerd en kregen dezelfde eis opnieuw te horen. Wéér weigerden zij.' Toen was het geduld van de Beaujtragte uitgeput: hij dwong de resterende bestuursleden, de ouders der scholieren mee te delen dat de school op zaterdag 7 februari weer geopend zou worden, zette het bestuur af en benoemde een relatie van Rost van Tonningen, donateur van de NSB en begunstigend lid van de Nederlandse SS, tot 'Kommissar', Uiteraard had de Beauftragte hier geen bevoegdheid toe: het benoemen van gemachtigden was nu juist een taak van van Dam geworden.

XCToen de school zaterdagochtend heropend werd, waren behalve de NSB' er alle leerkrachten afwezig en van de bijna honderdzeventig leerlingen waren slechts dertig present; de NSB'er zond hen naar huis. De ouders van een kleine honderdveertig leerlingen hadden zich dus met het bestuur en de leerkrachten solidair verklaard. Hoe ver zou de Duitse wraak gaan?

XCVan de gereformeerde ouders kerkten velen bij ds. J. Overduin in de Oosterkerk. Verscheidenen hunner waren hem in de voorafgaande dagen om advies komen vragen. 'Ik. kon', schreef hij later, 'maar één antwoord geven: 'Onder geen voorwaarde uw kinderen uitleveren aan een verrader en vijand.P Maar hij besefte dat zijn kerkgangers ruggesteun nodig hadden. Waar en wanneer kon hij die beter geven dan in de eerstvolgende dienst, zondag 8 februari - de dag waarop in alle gereformeerde en hervormde kerken voor het behoud van het christelijk onderwijs gebeden zou worden? 'Omdat mijn vrouw', zo schreefhij later, 'direct bij de eventuele gevolgen betrokken was, heb ik enkele dagen voor de bewuste zondag ... haar gevraagd, of zij het goed vond dat ik een zeer concreet en zeker geluid zou laten horen van de preekstoel, en of zij bereid was, de mogeJ.

1 Beiden werden twee maanden in Arnhem gevangen gehouden en toen zonder enig verhoor ontslagen. 2 Overduin: (z.j.), p. 33.

730 [PDF]
HET SCHOOLCONFLICT IN ARNHEM

lijke onaangename gevolgen van mijn gevangenschap te dragen. Het korte antwoord: 'Wij hebben vandaag mannen nodig en geen lafaards', was voor mij voldoende.'

XCAls tekst koos ds. Overduin Mattheus 5 : 10 en II: 'Zalig zijt gij als u de mensen smaden en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken om Mijnentwil. Verblijdt en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij vervolgd de Profeten die vóór u geweest zijn.' In de Oosterkerk, nog voor hij met zijn preek begon, zag de predikant een hem bekende NSB' er in gezelschap van een man van de Sicherheitspolizei binnenstappen. 'Nu wist ik zeker, dat gaat voor mij verkeerd. Ik. bad God om sterkte en getrouwheid om de preek uit te spreken, zonder weglating van de gevaarlijke passages. De Here nam alle vrees en zenuwachtigheid weg en ik kon preken met overtuiging en vrijmoedigheid.'!

XC'Het is tegen ons geweten', aldus de passage waar het op aankwam, 'een school die geen christelijke school der ouders meer is, te erkennen en dáár onze kinderen heen te zenden, omdat het tegen onze doopbelofte is en tegen het Woord Gods. Het is beter dat we beven voor het Woord des Heren dan voor het woord van mensen, hoe machtig die ook kunnen zijn.'

XCHet offer dat van de kerkgangers gevraagd kon worden, plaatste ds. Overduin in een breed bijbels en historisch perspectief:

XC'Wij voelen ons één met alle gelovigen, alle martelaren uit alle eeuwen, wij reiken de hand aan alle profeten die over deze tijd van druk en ellende heenzagen naar het onvergankelijk koninkrijk, dat alseen loon der genade in de hemelen voor ons bewaard blijft'

XCen alsof dit nog niet inspirerend genoeg was, liet hij de dienst eindigen met het staande zingen van: 'Gods Woord houdt stand in eeuwigheid en zal geen duimbreed wijken. Beef satan! Hij, Die ons geleidt, zal u de vaan doen strijken! Delf vrouwen kind'ren 't graf, neem goed en bloed ons af, het brengt u geen gewin: wij gaan ten hemel in en erven koninkrijken!'!73

1 A.v., p. 34-35. 2 A.v., p. 36-37.

731 [PDF]
I VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

XCNog diezelfde dag werd ds. Overduin gearresteerd.'

XCDe volgende dag, maandag 9 februari, werden de nog in vrijheid zijnde bestuurs- en de vier weigerachtige personeelsleden van de van Löben Sels-school bij de Sicherheitspolizei ontboden. Geëist werd dat zij van hun besluiten terug zouden komen. Dat werd geweigerd. De personeelsleden kregen vervolgens vier-en-twintig uur bedenktijd; verschenen zij dan niet op school, dan zou dat als 'sabotage' gelden. Daar stond de doodstraf op.

XCEer de vier-en-twintig uur om waren, greep van Dams departement in. Het in Arnhem woonachtige anti-revolutionaire oud-Kamerlid H. J. W. A. Meijerink had er Noordijk van weten te overtuigen dat de Beaujtragte in Arnhem ver zijn boekje te buiten gegaan was. Noordijk deed de Sicherheits polizei telefonisch weten dat hij de zaak overnam. Was hiermee de ergste crisis bezworen, het feit bleef bestaan dat bestuur, leerkrachten en ouders over het algemeen in een treffende solidariteit stand gehouden hadden."

XCHet gebeurde te Arnhem maakte vooral in de kringen van de Schoolraad diepe indruk - en opnieuw bleek het nodig dat de voormannen van de Schoolraad volhielden, want Aalders, de voorzitter van de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs, was weer gaan aarzelen. Van Dam had hem verzekerd dat hij er niet aan dacht, van zijn nieuwe bevoegdheden een gebruik te maken dat het protestants onderwijs voor het hoofd zou stoten. Op 17 februari voerde Aalders, gelijk al vermeld, het woord in de audiëntie bij Seyss-Inquart, op 19 februari stuurde hij van Dam, buiten zijn eigen bestuur en buiten de Schoolraad om, een vertrouwelijke brief waarin stond dat hij samen met van Dam naar 'een redelijke oplossing' wilde zoeken.

XC1 Hij werd na een maand naar het concentratiekamp Amersfoort overgebracht, vandaar injuni '42 naar Dachau; in oktober '43 kon hij naar Nederland terugkeren. 2 Wij vermelden hier de afloop. Noordijk deed zijn best, het bestuur tot een compromis te bewegen waarbij de schorsing van de NSB'er opgeheven werd. Het bestuur weigerde. Medio maart werd het vervangen door Rost van Tonningens relatie die nu in plaats van 'Kommissar''gemachtigde' werd. De vier 'goede' leerkrachten weigerden, onder de gemachtigde in dienst te blijven. Toen deze medio april de school heropende, waren alleen de NSB'er en twintig leerlingen aanwezig. De NSB'er werd spoedig inspecteur in een schooldistrict in Groningen, de school werd per I augustus opgeheven en de ouders kregen toen officieel verlof, hun kinderen te laten inschrijven bij de andere scholen waar de meesten dier kinderen al sinds februari of maart de lessen volgden.

XCEen conflict dat met dat aan de van Löben Selsschool te vergelijken is, heeft zich in ongeveer dezelfde periode (de crisis valt een maand later: begin maart '42) aan de christelijke lagere school aan de Hazenkampscweg te Nijmegen voorgedaan. Daar werd evenwel door de ouders niet dezelfde mate van solidariteit betoond als in Arnhem. Ook dit conflict is door de Pater met grote nauwkeurigheid beschreven. O. C. H. de Pater: Het Schoolverzet, p. 224-57) 73

732 [PDF]
DE VOORMANNEN VAN HET SCHOOLVERZET GEARRESTEERD

XCEen week later, 26 februari, kwam het hoofdbestuur van de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs in Utrecht in vergadering bijeen. Nu werd door de voorstanders van de principiële lijn alles op alles gezet om te verhoeden dat de vereniging opnieuw uit de boot zou vallen. Mr. Evenhuis, de directeur van haar bureau, reisde vooraf naar Groningen om Aalders op het hart te drukken dat hij met de Schoolraad solidair zou blijven. Gravemeyer werd door de hervormde synode op 26 februari naar Utrecht gezonden; daar bezwoer hij het hoofdbestuur 'in de meest felle, krasse woorden', aldus Touw, 'de zaak van de vrijheid der school niet te verloochenen'! - en ' een nieuw feit ondersteunde zijn woorden. Want toen hij van de vergadering uit het bureau van de Schoolraad opbelde om op een bepaald punt nadere informatie te krijgen, hoorde hij dat van Itterzon, voorzitter van de raad, en Hangelbroek juist die dag door de Sicherheitspolizei gearresteerd waren. Het hoofdbestuur van de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs begreep dat solidariteit met de arrestanten plicht was en keurde het beleid van het moderamen goed. Aalders keerde naar Groningen terug, Ligtvoet, secretaris van het hoofdbestuur, en Evenhuis naar Den Haag.

XCAlle drie werden prompt gearresteerd; twee weken later volgde de arrestatie van het enige moderamenlid van de Schoolraad dat nog op vrije voeten was, P. van Aalten, voorzitter van de Vereniging van Christelijke Onderwijzers en Onderwijzeressen, en op 23 maart, vier weken na de eerste arrestaties, werden de Schoolraad en de Vereniging voor Christelijk Velksonderwijs op voorstel van van Dam door de bezetter ontbonden.ê

XCHoe hadden de schoolbesturen gereageerd op het verzoek dat hen van de moderamina van de Schoolraad en de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs alsmede van het bestuur van de Bond van Verenigingen voor christelijk voorbereidend-hoger en middelbaar onderwijs bereikt had? Hadden zij van Dam doen weten, dat zij hem voortaan bij hun benoemingen

1 Touw: dl. I, p. 352. 2 Op grond van hun hoge leeftijd werden Aalders en Ligtvoet spoedig vrijgelaten, van Aalten, Evenhuis, Hangelbroek en van Itterzon kwamen via de Cellenbarakken in het eoncentratie kamp Amersfoort terecht, waaruit zij eind juni ontslagen werden. Alle vier bleven zij bij het Schoolverzet betrokken.

733 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

van leerkrachten zouden negéren? Inderdaad, deze actie van de besturen was een groot succes geworden: alle besturen op één na van de protestantse scholen voor voorbereidend-hoger en middelbaar onderwijs en meer dan 95 % van de besturen van de protestantse lagere scholen hadden van Dam de gevraagde mededeling doen toekomen.' De lagere scholen die dat niet gedaan hadden, behoorden als regel tot de Gereformeerde Gemeenten - de volgelingen van ds. Kersten dus. Van Dam zat er mee. Hoe moest hij dat verzet tegengaan? Hij begon met de principiële schoolbesturen, in totaal een kleine tweeduizend, begin mei aan te raden, hun verklaring van nietnaleving der eerste benoemingsverordening in te trekken; geschiedde dat niet, dan zag hij zich als secretaris-generaal 'genoopt, de sanctiemaatregelen toe te passen, waartoe de wet hem de bevoegdheid geeft.'2 Slechts twaalf schoolbesturen trokken hun verklaring in.

XCDe standvastigheid der overige is zonder twijfel bevorderd door de krachtige steun die door de synoden der hervormden en der gereformeerden aan dit Schoolverzet geboden werd. Die steunverlening was in de kanselboodschappen die op 19 april voorgelezen waren, al tot uiting gekomen. 'In de jongste tijd', zo stond er in, 'werd ingegrepen op het gebied vanhet christelijk onderwijs waarbij. .. de Schoolraad en de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs aan ons Christenvolk werden ontnomen.' Ja, dit was de praktijk van de 'recht tegen het Evangelie ingaande, nationaal-socialistische levens- en wereldbeschouwing', zoals het in die kanselboodschappen heette! Maar die boodschappen waren toch niet meer dan een injectie. Wilde men bereiken dat een kleine tweeduizend schoolbesturen volhardden, dan moest met hen een vast contact onderhouden worden. En dat geschiedde, zowel ondergronds als bovengronds.

XCOndergronds werd een commissie gevormd, de z.g. Top, waar Rutgers

1 Hetzelfde deden elf van de vier-en-veertig verenigingen die aangesloten waren bij de Bond voor het Christelijk Nijverheidsonderwijs. De besturen van vele bij deze bond aangesloten verenigingen die van Dam geen verklaring van niet naleving toestuurden, waren gebelgd over het feit dat het bondsbestuur (hetwelk van Dam immers geen eigen brief gezonden had) de indruk gewekt had, hen de kastanjes uit het vuur te willen laten halen. Er is hieruit voortgevloeid dat het pro testants nijverheidsonderwijs een nogal zwakke sector gebleven is in het School verzet, maar de Pater heeft er terecht op gewezen dat verscheidene van deze scholen in de periode' belangrijke hulp geboden hebben aan illegale groepen. De Christelijke Ambachtsschool in Rotterdam was bijvoorbeeld het centrum van de Rotterdamse Knokploegen en in de hongerwinter was het hoofdkwartier van de Binnenlandse Strijdkrachten district Noord-Holland in de protestants-christelijke nijverheidsschool te Haarlem gevestigd. 2 Rondschrijven, 8 mei 1942, aangehaald in de Pater: p. lIS.

734 [PDF]
ONDERGRONDS EN BOVENGRONDS SCHOOLVERZET

(die niet gearresteerd was hoewel zijn brief aan van Dam toch niet minder duidelijk geweest was dan die van de Schoolraad en de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs) een belangrijke rol in ging spelen; als oudminister van onderwijs, kunsten en wetenschappen (1925-26) kende hij de onderwijswetgeving op zijn duimpje. Met anderen, onder wie Hangelbroek en Donner (na hun vrijlating), en een tweede oud-minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen (1929-33), mr. J. Terpstra, pleegde Rutgers veel overleg, ook met dr. Ph. J. Idenburg, de directeur van het Centraal Bureau voor de Statistiek, die een belangrijk man was in de 'Hervormde Raad voor Kerk en School' - een college dat in '42 door de hervormde synode in het leven werd geroepen en dat de ruim zeshonderd scholen die bij de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs aangesloten geweest waren, onder zijn hoede nam. Maandelijks kwam Rutgers met de provinciale leiders van het schoolverzet bijeen om met hen de consignes te bespreken die hij met zijn naaste adviseurs vastgesteld had. Die consignes waarmee men als regel reageerde op nieuwe maatregelen van van Dam of van Noordijk, werden dan door middel van gestencilde 'Topmededelingen' door de provinciale leiders aan hun contactpersonen doorgegeven; die contactpersonen zorgden er voor dat ze de bijna tweeduizend schoolbesturen bereikten. Zat een schoolbestuur met problemen, leek het dat er door het departement ultimata gesteld zouden worden, dan kon diezelfde weg in omgekeerde richting gebruikt worden om het advies van de Top in te winnen,

XCMaar dit schoolverzet had ook een bovengrondse organisatie, nl. een 'Adviesbureau voor Onderwijsrecht' , dat met voorkennis van van Dams departement in april '42 in Den Haag opgericht werd. Directeur hiervan werd Donners oudste zoon, mr. A. M. Donner, een jong jurist die eerst aan het bureau van de Schoolraad verbonden was geweest. Inderdaad: het Adviesbureau ging in alle eer en deugd adviezen geven - maar die adviezen waren volledig op de richtlijnen van de Top afgestemd. Van belang was daarbij dat men uitstekende contacten had ten departemente. Er werd in opdracht van van Dam of van Noordijk geen maatregel, hoe incidenteel ook, ten departemente voorbereid of door de afdeling lager onderwijs, met name door de ambtenaar H. J. Tap (die zijn plaats als waarnemend chef aan de nieuwe chef, de NSB'er Terpstra, had moeten afstaan) werd men ingelicht, en wat de afdeling voorbereidend-hoger en middelbaar onderwijs betrof, lag de zaak nog eenvoudiger, want de afdelingschef, W. de Boer, moest, evenals Tap en de meeste overige ambtenaren, van de Nieuwe Orde niets weten. Daarnaast ontving het Schoolverzet een belangrijke mate van beschenning van de hoofdinspecteurs en inspecteurs van het onderwijs voorzover dezen 'goed' waren en enig risico durfden nemen: zij waren het die,

735 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

waar mogelijk, de schoolbesturen dekten en veelal met een geraffmeerde vertragingstechniek wisten te bereiken dat kwalijke impulsen die van Noordijk en zijn afdeling uitgingen, tot niets leidden.

XCWat van de schoolbesturen door het Schoolverzet in de eerste plaats gevergd werd, was dat men zich aan de toezegging hield, het departement bij alle benoemingen te negéren. Volledige cijfers hieromtrent zijn niet bekend. Uit een overzicht over de periode 1 september 1942 - 1 april 1943 1 blijkt dat in die zeven maanden in totaal 672 benoemingen geschied zijn, waarvan 465 (bijna 70 %) zonder naleving van de verordening - Utrecht en Zeeland bleken de 'zwakste' provincies; hier was de invloed van de Kerstenianen niet vreemd aan. Waarom was het percentage der principiëlen van 95 tot 70 gedaald? In een aantal gevallen heeft angst voor represailles een rol gespeeld (wat in Arnhem gebeurd was, inspireerde de Binken, maar joeg de minder flinken de schrik op het lijf), in andere gevallen was de houding van leerkrachten van belang die, voorzover zij lid waren van de Unie van Christelijke Onderwijzers en Onderwijzeressen, over het algemeen vonden dat het Schoolverzet de verhoudingen nodeloos op de spits dreef, 2 en in weer andere gevallen zagen de besturen tegen de materiële zorgen op die uit de niet-naleving van de benoemingsverordening konden voortvloeien. Want men kon zich wel op het standpunt stellen dat het geloof eiste dat men benoemingen deed zonder van Dams departement er in te kennen, die benoemingen moesten enige tijd nadat zij geschied waren, aan de inspecteurs wèl kenbaar gemaakt worden: voor elke leerkracht had men recht op subsidie en dat subsidie moest via de inspecteurs verworven worden. Vooral in de eerste maanden van het schoolverzet vreesde menig schoolbestuur dat het, indien het inderdaad nieuwe benoemingen niet ter goedkeuring aan het departement zou voorleggen, het gehele subsidie zou verspelen. Daarmee werd door van Dam ook gedreigd. Ja, hij had nog meer dreigementen: het aanstellen van een gemachtigde krachtens verordening 137/41 of het doen vervolgen van niet volgens voorschrift aangestelde leerkrachten wegens het onbevoegd of onrechtmatig uitoefenen van hun functie. Inderdaad, in februari-maart '43 werd het subsidie van veertien bijzondere lagere scholen waar men zich niet aan de benoemingsverordening gehouden had, volledig

XC1 A.v., p. 259. 2 De Vereniging van Christelijke Onderwijzers en Onderwijzeressen heeft belangrijke steun verleend aan het Schoolverzet en nauw met de Top samengewerkt. Het was bepaald een anomalie in het Duitse beleid dat deze vereniging niet opgeheven en evenmin onder beheer gesteld werd, terwijl dat laatste wèl het geval was met het Nederlands Onderwijzers Genootschap en met de Katholieke Onderwijzersvereniging, welker leden bij de sabotage van de benoemingsver

736 [PDF]
ONDERGRONDS EN BOVENGRONDS SCHOOLVERZET

ingetrokken.' Protesten volgden: van de schoolbesturen, ook van de hervormde synode - en van Dam nam, zij het pas in juli' 43, het advies over dat zijn kabinetschef de Block hem van meet af aan gegeven had: de subsidies moesten proportioneel gekort worden; bevond zich onder de zes onderwijskrachten van een bijzondere school één die onregelmatig benoemd was, dan werd voortaan een-zesde van het subsidie ingehouden. Wel te verstaan: het kon licht gebeuren dat een vol jaar verstreek voor het fmanciële bureau van de afdeling lager onderwijs het subsidie inderdáád ging verlagen. En dan waren er talloze gevallen waarin 'goede' inspecteurs ofhoofdinspecteurs berichten omtrent benoemingen die 'zonder naleving' geschied waren, eenvoudig niet doorgaven aan het departement.

XCMet evengroot succes werden de vervolgingen gesaboteerd. Onder druk van de ambtenaren van Wimmers Generalkommissariat en van Noordijk gaf van Dam in de lente van '43 de inspecteurs van het onderwijs opdracht, proces-verbaal op te maken in al die gevallen waarin schoolbesturen zich niet aan de benoemingsverordening gehouden hadden. Die processen-verbaal werden dan opgemaakt tegen de voorzitters der besturen en van Dam liet daarbij volgens een suggestie die twee hoofdambtenaren van justitie: mr. Hooykaas (de ex-waarnemend secretaris-generaal) en mr. H. J. Woltjer, hem gedaan hadden, overtreding constateren van de eerste benoemingsverordening. Inderdaad, die verordening wàs overtreden, maar zij bevatte geen enkele strafbepaling (feit dat aan Hooykaas en W oltjer natuurlijk bekend was) en het gevolg was dat de officieren van justitie die de processen-verbaal ontvingen, met de hand op het hart konden verklaren, niet tot strafvervolging bevoegd te zijn: men kon toch moeilijk een overtreding straffen als die niet eens strafbaar gesteld was! Nog in de zomer van '44 uitten enkele van Wirnrners ambtenaren in onderlinge correspondentie hun machteloze woede over al deze stille maar effectieve tegenwerking.

XCEigenlijk was door dit alles, maar vooralook door van Dams onwil en onvermogen om door te zetten, al in '43 een volmaakt absurde toestand ontstaan: bijna tweeduizend onderwijsinstellingen hadden de secretarisgeneraal van opvoeding, wetenschap en cultuurbescherming doen weten dat zij zich niet zouden houden aan de verplichting die uit de eerste benoemingsverordening voortvloeide; het veruit grootste deel van de betrokken

1 In september' 42 werden bovendien de subsidies voor vijf van de drie-en-twintig protestants-christelijke kweekscholen geschrapt en van acht van de zeven-en veertig katholieke. Twee protestantse en zeven katholieke werden als ongesub sidieerde instellingen voortgezet, d.w.z. dat men er via de kerken de nodige gelden voor inzamelde.

737 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

onderwijsinstellingen gedroeg zich dienovereenkomstig - en die instellingen bleven alle ofbijna alle subsidies uit de staatskas ontvangen en van vervolging of bestraffmg was geen sprake!

XCWij noemden van Dams onwil en onvermogen om door te zetten. Inderdaad, hij was er de man niet naar om drastisch in te grijpen. Maar waarom heeft ook de bezetter dat ingrijpennagelaten ? Er is geen enkel stuk bewaardgebleven dat ons daarover inlicht, maar wij kunnen wel veronderstellenderwijs enkele factoren aangeven.

XCMen moet dan, dunkt ons, in het oog houden dat Seyss-Inquart in de onderwijssector van meet af aan niet al te bruusk opgetreden is. Het kwam hem niet op de onderwijskrachten aan maar op de jeugd die voor het nationaal-socialisme gewonnen moest worden. In de lente van '42, toen zijn gelijkschakelingsstreven mislukt was, begreep hij wel dat die jeugd voorlopig voor hem onbereikbaar geworden was; een nieuwe, krachtige poging om haar te winnen, kon eerst ingezet worden als Duitsland de overwinning behaald had. Zou een volslagen schoolstrijd in bezet Nederland tot die overwinning bijdragen? Zeker niet. Zulk een schoolstrijd, gevoerd tegen het bijzonder onderwijs, zou door de binding van de protestantse scholen aan de Nederlandse Hervormde Kerk en aan de Gereformeerde Kerkenlicht in een kerkstrijd kunnen omslaan waar ook de katholieke kerk aan zou deelnemen; te voorzien viel dat zulks mede grote onrust zou veroorzaken in de wereld van het openbare onderwijs. Al die onrust wilde de Reichskommissar voorkomen. Vandaar dat hij, hoewel de voornaamste aspecten van het schoolverzet hem bekend geweest zijn, er niet op gereageerd heeft; hij heeft nagelaten, de Sicherheitspolizei opdracht te geven, met de harde middelen in te grijpen die deze tot haar beschikking had.

XCEen constatering achteraf? Inderdaad. Maar men zou de morele waarde van het standhouden, meer dan twee jaar lang, van vele duizenden bestuursleden en onderwijskrachten miskennen, indien men zich niet scherp voor ogen stelde dat zij niet wisten wat wij zoveel jaren later kunnen overzien. Dat zij voor hun eigen gevoel in trouwaan hun geloof hun leven in de waagschaal stelden, wordt niet weerlegd door het feit dat er nauwelijks slachtoffers zijn gevallen.

Episcopaat

XC

XCHoe was de houding van de katholieke onderwijsinstellingen? De lezer is ze in het voorafgaande niet tegengekomen.

XCWij willen er aan herinneren

738 [PDF]
KATHOLIEK BIJZONDER ONDERWIJS

benoemingsverordening (maart' 41) op een moment waarop de twee protestantse overkoepelende organisaties besloten hadden, geen benoemingen kenbaar te maken aan van Dams departement, door het Episcopaat bepaald was dat de katholieke scholen dat wèl zouden doen. 'Geen conflicten uitlokken', had mgr. de Jong voor zichzelf genoteerd, '_ optreden, als goedkeuring om confessionele motieven onthouden wordt.'

XCLater in '41 kon de aartsbisschop constateren dat zich na het mededelen van benoemingsbesluiten nergens moeilijkheden voordeden. Mgr. Verhoeven, directeur van het Rooms-Katholiek Centraal Bureau voor Opvoeding en Onderwijs, had het voorspeld: van Dam blaft wel maar hij bijt niet. Ging het niet evenzo met de geestelijken en kloosterlingen die krachtens besluit van van Dam niet langer als hoofden van onderwijsinstellingen mochten optreden? Als een schoolbestuur protesteerde, kon het hoofd voorlopig in functie blijven en van Dam liet de zaak dan rusten. Mgr. Verhoeven had bovendien reden om aan te nemen dat hij er van de herfst van '41 af via kabinetschef de Block nog beter in zou kunnen slagen, van Dam van aggressieve maatregelen te weerhouden. Het sprak dan ook eigenlijk vanzelf dat het Episcopaat op de tweede benoemingsverordening precies zo zou reageren als op de eerste: goed, daar stond nu zwart op wit, dat als twee benoemingsbesluiten afgekeurd waren, het departement de benoeming kon verrichten was het dan niet verstandig, het verzet pas te ontketenen op het moment waarop het departement inderdaad trachten zou, een katholieke school een leerkracht op te dringen die onaanvaardbaar was?

XCToen men door de contacten ten departemente wist dat de tweede benoemingsverordening ophanden was en toen die verordening begin januari ,42 gepubliceerd werd, zochten Hangelbroek en oud-minister mr. Terpstra enkele malen contact met mgr . Verhoeven. Deze bleek er niet voor te voelen, van Dam de gehoorzaamheid op te zeggen. Via hem vroegen zij een gesprek met mgr. de Jong aan, maar nog voordat dit op 7 februari plaatsvond, was reeds (2 februari) van de Schoolraad en de Vereniging voor ChristelijkVolksonderwijs de gemeenschappelijke brief aan van Dam uitgegaan waarin stond dat de protestantse schoolbesturen voortaan hun benoemingen geheel buiten het departement om zouden doen. Waarom hebben de twee protestantse moderamina met die belangrijke brief niet gewacht tot eerst met de aartsbisschop gesproken was? De Pater wijst er op dat de moderamina onder pressie stonden van hun schoolbesturen die dringend wilden weten, welke lijn gevolgd zou worden. Wij achten dit een weinig overtuigend argument: het kwam niet op een week aan. Plausibeler achten wij het dat de twee moderamina die tot hun teleurstelling bij mgr. Verhoeven niets bereikt hadden, verwachtten dat zij bij mgr. de Jong meer zouden bereiken als zij

739 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

hem voor een voldongen feit stelden. Hij had.mgr, van de Loo laten deelnemen aan de stap bij Schrieke (5 januari), de gemeenschappelijke audiëntie bij Seyss-Inquart was aangevraagd - zou het voor de aartsbisschop dan niet moeilijk zijn, dat protestants-katholieke eenheidsfront op het punt van het schoolbeleid te doorbreken?

XCInderdaad, moeilijk was het, maar mgr. de Jong was er de man niet naar om voor druk te wijken. Op 7 februari ontving hij Hangelbroek en Terpstra. Dezen betoogden dat het practisch zeker was dat het departement, als het .tot benoemingen overging, onaanvaardbare leerkrachten naar voren zou schuiven, immers: dan zou men zich laten leiden door (zo stond het in de verordening) 'het belang van een voorspoedige ontwikkeling van het Nederlandse schoolwezen' - als Seyss-Inquart die termen bezigde, wist men wat op handen was! Maar het betoog overtuigde de aartsbisschop niet. Enkele dagen later vernam men wat in Arnhem gebeurd was. Hangelbroek ging opnieuw de aartsbisschop bezoeken, ditmaal samen met de voorzitter van de Schoolraad, dr. van Itterzon. Prof. Aalders, voorzitter van de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs, zond mgr. de Jong een brief. 'Het kostte hem', aldus de Pater, 'grote moeite om tot een besluit te komen ... Zijn hart wees hem naar meedoen, zijn verstand naar afwachten'. Het verstand gaf de doorslag: op 21 februari ging zijn advies naar de bisschoppen uit; het luidde dat men de twee protestantse organisaties niet moest volgen 'in hun onberaden stap', aldus zijn woorden.' Hij gaf, schreefhij, de hoop niet op dat hij de Schoolraad en de Vereniging voor Christelijk Volksonderwijs tot een ander, gemeenschappelijk beleid zou kunnen bewegen - toen volgden de arrestaties van 26 februari en daarmee was, mgr. de Jong realiseerde het zich, voor hen geen terug meer mogelijk.

XCDe aartsbisschop moet de verdeeldheid die zich geopenbaard had, als uiterst pijnlijk ervaren hebben. Een aanwijzing daarvoor zien wij in de moeite die hij zich gaf om aan het katholieke volksdeel duidelijk te maken dat het Episcopaat niet de strijd op zichzelfwilde ontwijken maar er eenvoudig het i uiste moment nog niet voor gekomen achtte. Op 8 maart werd in alle katholieke kerken een mandement voorgelezen" waarin de 'belangstelling' en het 'gebed' der gelovigen gevraagd werd voor 'het grote en onmisbare bezit van onze eigen vrije school. Alleen het katholiek onderwijs sluit passend aan bij het katholiek gezin. Dit onschatbare erfgoed moeten wij handhaven tot iedere prijs.' Vier dagen later, 12 maart, zond het Episcopaat van Dam een duidelijke waarschuwing: 'In de gevallen waarin de Staat tot een bep.

1 De Pater: II2. 2 Tekst bij Stokman: p. 228.

740 [PDF]
KATHOLIEK BIJZONDER ONDERWIJS

noeming of een ontslag van leerkrachten overgaat, kunnen ernstige gewetensconflicten ontstaan." Wat men in het geval van een onaanvaardbare benoeming of ontslagverlening bij een bepaalde school doen moest, kreeg mgr. Verhoeven op 14 maart nauwkeurig in een brief van de aartsbisschop voorgeschreven:

XC'1. De ouders moeten worden aangespoord, hun kinderen niet naar die school te zenden.

XC2. Onmiddellijk daarop moet een brief van het Episcopaat van alle kansels worden voorgelezen: het katholiek onderwijs is aangetast; dat mogen de ouders niet dulden; zo'n geval kan zich ook bij u (bedoeld is: de andere gelovigen die dit horen) voordoen; houdt u daarom allen bereid voor grote offers.

XC3. Dan eventueel, als men doorgaat, algemene schoolstaking

XCHet is mogelijk dat de Duitse overheid tegenmaatregelen neemt en wij het op den duur moeten opgeven. Doch dan vallen wij tenminste met ere. Ik zou het erg vinden als onze scholen vallen en wij ons alleen met een protest hebben tevreden gesteld. Als de protestanten een algemene staking nodig achten, moeten wij naar onze mening met hen meegaan.' 2

XCHet gebeurde liet bij de protestantse onderwijsorganisaties en bij de protestantse kerken een gevoel van bitterheid achter. Men was teleurgesteld. Men gunde het van Dam en de bezetter niet dat deze zich over de gebleken verdeeldheid konden verheugen. Nadien deden zich bij de katholieke onderwijsinstellingen op tal van punten dezelfde moeilijkheden voor als bij de overige, de protestantse inbegrepen: NSB-propaganda en Duitse ronselarij moesten afgeweerd worden, men moest strijden voor het behoud van leerkrachten die met uitzending naar Duitsland bedreigd werden - maar de benoemingsbesluiten gingen naar het departement, en van Dam, die met de protestantse bijzondere scholen al meer last had dan hij aankon, liet de katholieke ten aanzien van die benoemingen met rust. Misschien gaat het toch niet te ver om te stellen dat de meer weerbare opstelling van het protestantse onderwijs niet alleen de geest van verzet ten goede gekomen is (de illegale pers heeft er veel aandacht aan besteed), maar ook een element van bescherming gevormd heeft voor het katholieke onderwijs.

XCMen neme het belangrijke mandement van eind januari '41, door ons in ons vorige deel gememoreerd. De gelovigen kregen toen te horen dat 'het enkele lidmaatschap (van de NSB) gewoonlijk' (er waren dus uitzonderingen denkbaar) 'reeds in hoge mate ongeoorloofd' was, en de priesters lazen in een aparte, niet-gepubliceerde instructie dat aan leden van de NSB, de WA en de Nederlandse SS alsmede aan diegenen die de NSB in belangrijke mate steunden, de sacramenten onthouden moesten worden. I Eén uitzonderingsgrond werd erkend: 'daadwerkelijke dwang die de betrokkene onmiddellijk voor de keus stelt om of lid van de NSB te worden of anders zijn ambt of betrekking te verliezen èn daardoor brodeloos te worden.' Die uitzonderingsgrond zou echter alleen dàn gelden indien er 'voldoende ruchtbaarheid aan gegeven (werd) dat men slechts onder dwang' toetrad en het lidmaatschap moest 'zuiver passief' blijven. Bovendien: was in een katholiek gezin alleen de vader NSB'er, dan konden de kinderen het sacrament van de doop ontvangen als de vader maar schriftelijk verklaarde dat hij de moeder niet zou beletten, de kinderen een katholieke opvoeding te geven.

XCDergelijke verklaringen waren vóór de bezetting reeds gevraagd wanneer een katholiek met een niet-katholiek trouwde en toch een kerkelijk huwelijk begeerde. De voltrekking vond dan niet in de grote kerkruimte plaats maar ergens achteraf, in de sacristie, en zulk een 'gemengd huwelijk' werd ook niet kerkelijk aangekondigd. Welnu, dergelijke gevallen deden zich in '41 ook voor met katholieke niet-NSB' ers die met NSB' ers wilden trouwen. Het74

1 De Oud-Katholieke Kerk en de nog kleinere Vrije Katholieke Kerk die in Huizen een bisschopszetel had, lieten NSB'ers wèl tot de sacramenten toe; deze laatste kerk had niets met het traditionele katholicisme te maken.

742 [PDF]
BISSCHOPPELIJKE VOORSCHRIFTEN

Episcopaat keurde goed dat men dan handelde alsof een 'gemengd huwelijk' gesloten werd; de desbetreffende instructie aan de geestelijkheid ging evenwel uitsluitend in het Latijn uit en werd later ook uitsluitend in die taal gepubliceerd.'

XCGrote moeite gaf men zich veelal om NSB'ers van de dwalingen huns weegs te laten terugkeren. In Hoogkarspel (Noord-Holland), wellicht ook elders, gelukte dat met allen: de pastoor ging er bij de betrokkenen op huisbezoek; uiteindelijk moesten dezen dan ten overstaan van hem in het bijzijn van twee getuigen met een eed op het Evangelie het nationaal-socialisme afzweren. Is dat veelvuldig geschied? Wij hebben er geen denkbeeld van. Er trad bij vele katholieke NSB'ers een zekere verharding op; die uitte zich ook daarin dat in verscheidene gevallen leden van de W A een katholieke bcgraatplaais gingen bezetten teneinde een overleden katholieke 'kameraad' aan wie de sacramenten onthouden waren, althans in gewijde aarde te begraven. De instructies tot dergelijk gewelddadig optreden (dat in katholieke kring telkens in hoge mate aanstoot wekte) gingen medio maart' 41 van de secretaris van de Raad van Katholieken der NSB uit.

XCWat moest nu gebeuren met niet-NSB'ers die lid waren van de Waffen-SS, van het Vrijwilligerslegioen of van het Z.g. SS- Wachbataillon, een formatie die in bezet Nederland allerlei Duitse militaire installaties maar ook de concentratiekampen bewaakte? En er kwam in '43 nog een vierde formatie bij : de (eerste) Landwacht, een onder Rauter ressorterende 'territoriale organisatie voor de landsverdediging welke bestemd is voor de afweer van buitenlandse of binnenlandse vijanden binnen Nederland." Medio september' 43 gingen de instructies van het Episcopaat uit." Ons wil het voorkomen dat wie als niet-NSB' er lid was van een van die vier formaties, minstens evenveel steun gaf aan het nationaal-socialisme als een NSB' er die lid was van 'de Beweging' maar verder geen bijzondere activiteit ontplooide. Die NSB'er was van de sacramenten uitgesloten, de leden van het Wachbataillon en van de Nederlandse Landwacht konden daarentegen, zo werd bepaald, de sacramenten ontvangen, zij het niet in het publiek. Ten aanzien van de leden van

1 Tekst bij Stokman: p. 215. Er heeft zich een enkel geval voorgedaan waarbij een zodanig 'gemengd huwelijk' toch in de kerk gesloten werd: dan namelijk wanneer de partner die lid was van de NSB, wèl belijdenis deed van het katholieke geloof. 2 VO 24/43 p. II6-18). Deze 'Landwacht Nederland' werd in oktober '43 tot 'Landstorm Nederland' herdoopt. In november werd de (tweede) 'Nederlandse Landwacht' opgericht die niet een militaire maar een politionele taak kreeg. Ook zij ressorteerde onder Rauter. 3 Tekst bij Stokman: p. 283-86.

743 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

de Waffen-SS en van het Vrijwilligerslegioen werd geen algemene richtlijn gegeven: elk:geval moest afzonderlijk beoordeeld worden.! Werd ten aanzien van de mannen van het Wachbataillon en de Nederlandse Landwacht nog verklaard dat zij 'rechtstreeks en grotelijks tegen de deugd van vaderlandsliefde (misdeden)', bij de leden van de Waffen-SS en het Vrijwilligerslegioen stond de opmerking dat 'een zeker idealisme (nl. strijd tegen het Bolsjewisme) a priori niet behoeft te worden uitgesloten.' Deze richtlijnen raakten tijdens de bezetting buiten de katholieke hiërarchie niet bekend; ware dat wèl het geval geweest, dan zou er, zo nemen wij aan, in menig illegaal blad ongezouten kritiek op geleverd zijn.

XCWat de overige 'foute' organisaties betreft: de bisschoppen hielden hier terdege rekening met de maatschappelijke positie der betrokkenen. Natuurlijk beschouwden zij bijvoorbeeld de Kultuurkamer en de Landstand als verfoeilijke instellingen en verheugden zij er zich in wanneer daar verzet tegen geboden werd. Zij vonden evenwel dat het te ver ging om hunnerzijds aan het zuiver passievelidmaatschap van die twee organisaties zware consequenties te verbinden als het onthouden der sacramenten. Aan de boeren was trouwens niet eens gevraagd of ze zich bij de Landstand wilden aansluiten: zij waren er eenvoudig bij de oprichting bij ingelijfd. De bisschoppen gaven de instructie, zich daar maar bij neer te leggen; wie daarentegen een functie ten behoeve van de Landstand aanvaardde, kreeg de sacramenten niet meer uitgereikt en alle katholieke boeren dienden de bladen van de Landstand ongelezen te retourneren.

XCNiet anders bij de Kultuurkamer. De bisschoppen waren bereid, het door de vingers te zien wanneer toneelspelers of andere uitvoerende kunstenaars die voor hun broodwinning afhankelijk waren van aanmelding bij de Kultuurkamer, zich het passieve lidmaatschap lieten aanleunen; elk:evorm van actieve medewerking was verboden. Katholieke verenigingen daarentegen mochten niet tot de Kultuurkamer toetreden, evenmin priesters, religieuzen en leken die godsdienstige tijdschriften uitgaven.

XCHet lidmaatschap van de Nederlandse Volk:sdienst werd ontraden (niet verboden dus), maar het moest passiefblijven. Actieve medewerking aan de Volksdienst en aan de Winterhulp Nederland werd wèl verboden, maar daar stonden nu weer geen sancties op. Dat behoeftigen fmanciële steun van de Winterhulp aanvaardden, werd door de vingers gezien.

XCNatuurlijk moesten deze en dergelijke richtlijnen, naarmate er meer 'foute' instellingen kwamen en naarmate men duidelijker zag wat zij in deaan

1 Deelneming de Technische Noodhulp werd katholieken uitsluitend 'ten sterkste ontraden' (a.v., p. 88). Hier stonden geen sancties op.

744 [PDF]
BISSCHOPPELIJKE VOORSCHRIFTEN

XCpraktijk betekenden en welke gevolgen uit verzet konden voortvloeien,

XCuitgebreid en verfijnd worden. Een eerste instructie aan de geestelijkheid van

XCeind december '411 werd in maart '42 door een tweede," in april door een

XCderde gevolgd.ê Toen per I mei '42 het NVV Nederlands Arbeidsfront

XCwerd, was weer een nieuwe instructie nodig: het lidmaatschap van het Naf

XCwerd in juli op straffe van onthouding der sacramenten verboden. In maart

XCwas aan katholieke fabrieksdirecteuren opgedragen, verzoeken tot het

XChouden van Z.g. bedrijfsappèls (waar dan als regel een nationaal-socialistische , propagandist kwam spreken) af te wijzen; in juli werd dit strakke standpunt

XCietwat verz~cht:

XC'De werkgevers worden dikwijls gevraagd, een bedrijfsappèl te houden. Zij

XCmoeten dat zo mogelijk weigeren. Zouden hun echter ernstige gevaren bij wei

XCgering dreigen, dan mogen zij dit toelaten omdat deze medewerking tot het

XCNaf slechts van verwijderde aard is. Doch tegenover het personeel moet heel

XCevident blijken dat dit appèl slechts plaats vindt onder morele dwang, en de

XCdirectie moet zich zuiver passief houden, dus bijvoorbeeld geen welkom heten

XCaan de spreker.'

XCLaat ons nog een enkel voorbeeld geven. Er deden zich in de eerste maanden van '42 in verscheidene parochies

XCgevallen voor waarbij katholieke jongemarmen min of meer voor de schijn

XCmet katholieke meisjes in het huwelijk traden, louter burgerlijk, niet

XCkerkelijk, om aan hun gehuwde status maatschappelijke voordelen te' ont

XClenen. Was dat geoorloofd, aldus de vragen die van priesters binnenkwamen:

XC'a. om buiten de Nederlandse Arbeidsdienst te blijven?Antwoord: Wanneer

XChet daar alleen om te doen is en er geen andere bedoelingen bijkomen (en ook

XChet gevaar voor samenwonen uitgesloten geacht kan worden), moet men het

XCniet aanraden, maar men kan zich permissief houden. • b. om arbeid in den vreemde te ontgaan? Antwoord: Indien dit middel doel

XCtreffend zou zijn, wat echter ten sterkste te betwijfelen is, handele men als sub a. c. om aanspraak te maken op distributie-toewijzingen? Antwoord: Gebruik

XCmaking van dit middel om louter stoffelijke beweegredenen of voordelen valt

XCnooit goed te keuren; daarom moet het altijd worden ontraden. Velen echter

XCvragen niets of storen zich niet aan gegeven raad. Men passe dan geen sancties

XCtoe, tenzij bij gevaar van samenwoning."

XC1 Tekst bij Stokrnan: Het verzet der Nederlandse bisschoppen, p. 219-2I. 2 Tekst:

XCa.v., p. 224-27. 3 Tekst: a.v., p. 231-32. 4 D.w.z.: het stilzwijgend toestaan:

XCs Uit de instructies van juli 1942.

745 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

XCOf daar waren de vragen van de deken van Hengelo (Overijssel), eind '42 aan mgr. de Jong voorgelegd. De afdeling van het Wit-Gele Kruis was door de Volksdienst overgenomen; de volksgezondheid dreigde er schade door te lijden. Ziehier de vragen van de deken en de antwoorden van de aartsbisschop:

XC'1. Mogen de religieuze verpleegsters overgaan naar de Volksdienst, mogen de niet-religieuzen overgaan? Antwoord: Neen.

XC2. Wat moeten de zieken doen als een zuster van de volksdienst zich aandient om een zieke te verplegen? Antwoord: Weiger gebruik te maken van deze diensten.

XC3. Moeten de leden bedanken als het gehele Wit-Gele Kruis, wat de leden betreft, wordt overgeschakeld naar de NVD? Antwoord: Ja.

XC4. Als zij niet kunnen bedanken, moeten zij dan weigeren de contributie te betalen? Antwoord: Ja.

XC5. Mogen de salarissenvan de verpleegsters die niet overgaan naar de Volksdienst, betaald worden uit de collecte voor de bijzondere noden? Antwoord: Wat de lekenverpleegsters betreft: zij worden gelijkgesteld met de anderen die het slachtoffer zijn van hun principiële houding. U kunt er op terugkomen en de gevallen afzonderlijk voorleggen.

XC6. Moeten wij wat betreft 2, 3 en 4 openlijk van de preekstoel mededelingen doen? Antwoord: Neen, het lijkt Ons beter dat vertrouwde particulieren Onze beslissingen zo spoedig mogelijk doorgeven'l anders gezegd, wat dit laatste punt betreft: men moest de bezetter wel dwarszitten, maar het zou niet verstandig zijn, hem nodeloos publiekelijk te tarten.

XCEr is weinig fantasie voor nodig om zich voor te stellen hoeveel steun men eigenlijk in alle katholieke milieus aan deze en dergelijke richtlijnen ontleende. Dat gold niet alleen voor priesters maar ook voor leken. Geen vraag deed zich voor of het Episcopaat gaf desgewenst antwoord, geen eis werd gesteld of het Episcopaat deed desgewenst weten of men er al of niet aan tegemoet moest komen en zo ja, hoe ver. De gezagspositie van de bisschoppen werd door dit alles in hoge mate versterkt en aangezien dit gehele proces zich afspeelde in het vertrouwelijke contact tussen bisschoppen en priesters en tussen priesters en parochianen, bleef het voor andersdenkenden verborgen. Menigeen onder die andersdenkenden ging de hoop koesteren dat Nederlands verzuiling onder de druk van de bezetting als het ware verkruimelen zou. Binnen het katholieke volksdeel werd in feite de binding aan het Episcopaat sterker dan ooit en dat, zodra zulks weer mogelijk was, op alle terreinen des

XC1 Brief, 5 dec. 1942, van mgr. de Jong aan de deken van Hengelo (Stokrnan: Het verzet der Nederlandse bisschoppen, p.

746 [PDF]
HET EPISCOPAAT EN DE KATHOLIEKE PERS

levens aparte katholieke organisaties wenselijk waren, werd door dat Episcopaat geen moment betwijfeld; niet met een drang tot vernieuwing ging het verzet van het Episcopaat gepaard, maar met een drang tot behoud.'

Titus Brandsma

XC

XCDie directies waren het, en niet de redacties, die beslissenmoesten of men 'foute' advertenties die aangeboden werden, aanvaarden of weigeren moest.

1 Toen alle katholieke sportverenigingen in augustus '42 gedwongen werden, zich bij neutrale bonden aan te sluiten, werd hun door het Episcopaat gelast, hun activi teit te staken. Alleen voor de voetbal- en athletiekverenigingen werd een uitzonde ring gemaakt omdat die nu eenmaal sinds de zomer van' 40 in een algemeen verband opgenomen waren. Het was een duidelijke vingerwijziging naar de toekomst dat de geestelijke adviseurs van die voetbal- en athletiekverenigingen 'de raad kregen om de junioren langzamerhand aan de gemengde competitie-wedstrijden te ont trekken.' (a.v., p. 83)

747 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

De NSB was voor katholieken verboden - was het dan voor een katholiek blad geoorloofd, advertenties op te nemen waarin NSB-vergaderingen aangekondigd werden? Bij het Neerlandia-concern, de grootste uitgever van provinciale katholieke dagbladen, meende directeur-generaal Herold dat men dergelijke advertenties alleen dan moest weigeren indien zij een uitdrukkelijk tegen het Episcopaat gericht karakter droegen (bijvoorbeeld: 'Katholieken, u zijt in de aangelegenheid-NSB geen gehoorzaamheid verschuldigd aan het Nederlands Episcopaat'), maar waren die advertenties zakelijk gesteld, dan zag hij tegen plaatsing geen bezwaar en, zo schreef hij in maart '41 aan de directeur van een van de dagbladen van het concern: 'Met 'Vreugde en Arbeid' en NVV (wat nu helemaal niet meer marxistisch is)' kunnen we nog weer ruimer omspringen dan met de NSB-zelf.' Maar Herold was er toch niet gerust op dat dit beleid (waarbij hij het NVV onder NSB-leiding meer faciliteiten gaf dan toen het nog onder de leiding stond van sociaal-democraten) blijvend door het Episcopaat getolereerd zou worden. 'Zodra', schreef hij, 'een bevoegde geestelijke instantie ons officieel meedeelt: 'Die-of-die advertentie moogt gij niet plaatsen', wordt alles anders. Dan hebben wij niet meer de verantwoordelijkheid en weten wij te gehoorzamen. '1

XCDe NSB en haar nevenorganisaties, alle voor katholieken verboden, kregen in de loop van '41 met de directies van de meeste katholieke dagbladen niet veel moeilijkheden. Begin december waren het bijvoorbeeld alleen De Tijd en De Gelderlander (Nijmegen) die een annonce van het Opvoedersgilde der NSB weigerden. De directeur van laatstgenoemd dagblad, G. H. J. B. Bodewes, werd meteen bij het departement van volksvoorlichting en kunsten ter verantwoording geroepen en kreeg daar op 8 december van Blokzijls plaatsvervanger als hoofd van de afdeling perswezen te horen dat zijn ontslag klaar lag als hij niet alsnog tot opname bereid was. Bodewes zei dat hij nader overleg zou plegen en nam contact op met zijn college van commissarissen en met de bisschoppelijke censor van De Gelderlander, de Carmelietenpater dr. Titus Brandsma, hoogleraar aan de Nijmeegse Universiteit. Commissarissen èn Brandsma waren met hem van oordeel, 'dat het Opvoedersgilde wel degelijk onder het bisschoppelijk verbod viel'2 - maar intussen was de gewraakte advertentie in nagenoeg alle katholieke dagbladen verschenen!

XCOp 14 december, zes dagen na het gesprek dat Bodewes ten departemente gevoerd had, werd de NSB door Seyss-Inquart tot 'enig toegelaten politieke

XC1 Brief, 5 maart 1941, van F. H. H. Herold. a C: H. J. B. Bodewes: 'De Gelder lander' in oorlogstijd (nov. 1944), p.

748 [PDF]
HET EPISCOPAAT EN DE KATHOLIEKE PERS

partij' uitgeroepen. Het departement van volksvoorlichting en kunsten vond dat het nu uit moest zijn met verzet als door Bodewes geboden, en op de rxde ging via de telex naar de directies van alle bladen het bericht ('niet voor publikatie')

XC'dat het aan de Nederlandsepers niet is toegestaan, de haar aangeboden advertenties van de NSB of een harer nevenorganisaties op principiële gronden ter plaatsing te weigeren. Deze maatregel wordt genomen op grond van het feit dat niets mag worden nagelaten wat de eenheid van het Nederlandse volk bevordert.' 1

XCBrandsma was sinds' 35 geestelijk adviseur geweest van de Rooms-Katholieke Journalistenvereniging. Mede volgens zijn adviezen had deze vereniging zich in '40 nauwelijks tegen de gelijkschakeling verzet. De vereniging was toen opgeheven maar men had het onderling contact bestendigd en bij alle kwesties die zich in '41 voordeden, het Journalistenbesluit bijvoorbeeld, was Brandsma betrokken geweest. Sinds zes jaren kende men hem in de wereld van de katholieke Pers, ook bij de directies, en van het begin van de bezetting af was hij mgr. de Jongs naaste adviseur geweest in persaangelegenheden. Is Bodewes met het bovengeciteerde telexbericht meteen naar Brandsma gegaan? Dat moeten wij toch wel aannemen, Maar Brandsma reageerde niet onmiddellijk. Hij zocht ook geen contact met het Episcopaat. Het Episcopaat dat uit Limburg en Amsterdam over het telexbericht ingelicht was, zocht echter wèl contact met hèm: op 27 december kreeg Brandsma de uitnodiging, naar Utrecht te komen. Hij trok toen eerst naar Rotterdam voor een gesprek met mgr. dr. J. H. J. M. Witlox, hoofdredacteur van De Maasbode (die opgeheven was). Daags daarna, 30 december, was hij in Utrecht.

XCDe aartsbisschop en zijn adviseur waren het er over eens dat de oekase die het departement had doen uitgaan, onaanvaardbaar was en dat de katholieke pers weigeren moest, zich te schikken, ja dat zij daarbij haar voortbestaan op het spel moest zetten. Maar zij beseften ook dat menige krantendirectie weerstand zou bieden; die weerstand moest, als het nodig was, door de bisschoppen gebroken worden: in laatste instantie konden dezen van de kansels laten verkondigen dat zij weigerachtige bladen niet langer als katholieke bladen erkenden; zonder twijfel zouden dan de meeste lezers hun abonnement opzeggen. Natuurlijk was het beter indien men een gesloten afweerfront kon opbouwen zonder dat de bisschoppen publiekelijk moesten doen blijken dat katholieke instanties hun aanwijzingen naast zich neergelegd

XC1 Noot roos voor de directies, aangehaald in H. W. F. Aukes: Het leven van Titus Brandsma (rçör), p. r08.

749 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

hadden. Op grond van die overwegingen kwam aan het einde van het gesprek aan de Maliebaan vast te staan dat Brandsma een brief aan de katholieke dagbladpers zou opstellen waarin het afwijzend standpunt gemotiveerd zou worden en dat hij met die brief bij de vier bisschoppen en bij de belangrijkste katholieke dagbladen langs zou gaan.!

XCOp 3 I december, daags na dit gesprek, schreefBrandsma de brief en maakte hij er de nodige afschriften van - het werd eigenlijk eerder een circulaire waarvan hij de exemplaren persoonlijk zou bezorgen en toelichten.ê 'Aan de dagbladpers', zo stond daarin,

XC'wordt thans veel ter publikatie aangeboden onder de uitdrukkelijke vermelding dat zij verplicht is dit op te nemen. Waar dit niet in flagrante strijd was met de katholieke beginselen, is daaraan in die mate voldaan dat de katholieke bevolking haar dagbladen niet zonder ergernis ter hand neemt, de directies en redacties echter verontschuldigt omdat zij bekend is met de op haar uitgeoefende dwang .. Maar hoe moeilijk het moge zijn, de grens te trekken, hoe ver precies onder dwang mag worden gehandeld waar deze dwang bekend is, sinds enige dagen is door de leidende instanties in het dagbladwezen een lastgeving uitgevaardigd welker opvolging de directies en redacties der katholieke dagbladen in strijd zou brengen met de beleving van het katholiek beginsel ... Zo overeenkomstig dit telexbericht op plaatsing van advertenties voor de NSB wordt aangedrongen, zelfs onder bedreiging van zware boete of van schorsing of zelfs opheffing van het betreffende dagblad, dan moeten de directies en in overeenstemming met dezen de redacties voor wat artikelen van dezelfde strekking betreft, indien zij prijs stellen op het katholieke karakter van haar dagblad, dit beslist weigeren. Het kan niet anders. De grens is hiermee bereikt. U begrijpt dat ik niet schrijf dan na rijp beraad en na bespreking met andere leidende personen en met Zijne Hoogw. Exc. de Aartsbisschop.'

1 Mgr. de Jong heeft later steeds verklaard dat hij de rondreis van pater Brandsma een hachelijke onderneming vond: 'Doet n dat niet, heb ik hem gezegd. Ik vind dat onvoorzichtig. Laat het van mij uitgaan, de bisschoppen hebben een brede rug. Dat heb ik hem duidelijk gezegd.' (Aukes: p. 249-50). Het is bekend dat de aartsbisschop er buitengewoon zwaar onder geleden heeft dat de afgesproken actie pater Brandsma het leven gekost heeft en dat dit gebeuren bij hem sterke schuldgevoelens achtergelaten heeft: 'Ik had Titus nooit moeten laten gaan', zei hij nog in zijnlaatste levensjaar. (a.v., p. 350). Verplaatst men zich evenwel in de situatie waarmee mgr. de Jong en pater Brandsma zich tijdens hun gesprek geconfronteerd zagen, dan was, mede gegeven de urgentie van de zaak, Brandsma's rondreis het beste middel om te weten te komen, wat het Episcopaat eventueel terzake nog moest ondernemen. Daarmee is verenigbaar dat mgr. de Jong vond dat het een riskant middel was. 2 Tekst: H. W. F. Aukes: P·308--o9·

750 [PDF]
HET EPISCOPAAT EN DE KATHOLIEKE PERS

XCDeze circulaire was Bodewes die er meteen een exemplaar van ontving, welkom, maar andere directies tilden er zwaar aan. Natuurlijk, men zou het Episcopaat volgen, maar had men dan voldoende houvast aan dit stuk? Brandsma's handtekening stond er onder, niet de handtekeningen van de aartsbisschop en de bisschoppen. Bij menigeen kreeg Brandsma deze opmerking te horen toen hij op 2 januari zijn eerste bezoeken in het land ging afleggen. 's Morgens was hij in Utrecht bij Herold: deze was het met het in de brief neergelegde standpunt volstrekt oneens, maar als er, zei hij, een uitspraak van het Episcopaat kwam, dan zou hij zich schikken. 's Middags bezoek aan de bisschop van Haarlem, mgr. Huibers: accoord. Door naar Leiden bij de Leidse Courant (accoord), vervolgens naar De Tijd in Amsterdam (accoord). Op 3 januari naar Den Bosch bij de bisschop (accoord van de secretaris van de vicaris-generaal) en bij de Noordbrabantse Courant (accoord), naar Breda bij de bisschop (accoord) en bij het Dagblad van Noord-Brabant en Zeeland (accoord van de hoofdredactie), vervolgens naar Tilburg bij de Nieuwe Tilburgse Courant (bezwaar van de directie). Op 5 januari naar de Nieuwe Delftse Courant (accoord van de hoofdredactie, bezwaar van de directie: zij wenste een brief van het Episcopaat), naar Roosendaal bij het Brabants Nieuwsblad (accoord) en naar Eindhoven bij Het Dagblad van het Zuiden (directie en hoofdredactie wensten een brief van het Episcopaat). Op 6 januari naar Venlo bij de Nieuwe Venlose Courant (accoord van de hoofdredactie, bezwaar van de directie), in Roermond naar mgr. Lemmens (accoord) en naar De Nieuwe Koerier (accoord). Op 8 januari naar Heerlen bij het Limburgs Dagblad (accoord) en naar Maastricht bij de Limburger Koerier (gróót bezwaar bij hoofdredacteur Hugo van den Broeck) - en toen was de rondreis ten einde. Op 10 januari bracht Brandsma mgr. de Jong rapport uit. Het was duidelijk: er was een stevige brief nodig van het Episcopaat; Brandsma zou er een concept voor opstellen.

XCNu, wat er gebeuren moest, was Janke meteen duidelijk. Nog op de dag waarop hij het afschrift van Blokzijls brief aan Schmidt ontving, stelde hij Schmidt voor, 'Pater Titus Brandsma (Nijmegen) ... wegen planmássiger Vorbereitung einer gegen die deutschen Besatzungsbehörden gerichteten oppositio nellen Bewegung umgehend zu verhaften und einem Konzentrationslager zuzu führen.'a Schmidt keurde dit voorstel na enkele dagen goed; wij nemen aan dat hij tijd nodig had voor overleg met Seyss-Inquart. Schmidt ging er evenwel óók accoord mee dat de door Blokzijl geopperde suggestie gevolgd zou worden: men moest het conflict niet forceren, beter was het dat de NSB voorlopig aan katholieke bladen geen advertenties ter plaatsing zou aanbieden; Huygen gaf daar op IO januari zijn goedkeuring aan - dat was dezelfde dag waarop Titus Brandsma met mgr. de Jong de afspraak maakte dat hij een concept zou opstellen voor het bisschoppelijk schrijven dat, gegeven de weerstanden bij een aantal directies en hoofdredacties van katholieke bladen, wenselijk leek.

XCHet is niet onwaarschijnlijk dat Brandsma dat concept meteen, d.w.z. nog aan de Maliebaan, schreef."Daarin verklaarde 'het Hoogwaardig Episcopaat uitdrukkelijk dat het opnemen van advertenties van de NSB in uw bladen en eveneensvan artikelen welke geheel of ten dele

XC1 Blokzijlsaantekeningenvermelden onder 8 januari: 'Vervoort Dir. Dagbl. v. h. Zuiden bevestigdadv. kwestie' (DVK, 86/7). 2 Brief, 7 jan. 1942, van Blokzijl aan Schmidt(a.v.). 3 Notitie, 7 jan. 1942, vanJanke voor Schmidt(a.v.). • Tekst in Stokman: Het verzet derNederlandsebisschoppen, p. 221-22. 75

752 [PDF]
TITUS BRANDSMA IN GEVANGENSCHAP

strekken om de NSB te bevorderen (tenzij zij met betrekking daartoe doeltreffend zijn verbeterd, gewijzigd of besnoeid), het katholiek karakter aan uw blad ontneemt en dat zulks ook ter kennis van de gelovigen zal worden gebracht .... En het Hoogwaardig Episcopaat verklaart vervolgens, dat het niet in acht nemen van deze normen in het algemeen moet worden beschouwd als in belangrijke mate steun verlenen aan de NSB, en dat de verantwoordelijke personen ook vallen onder de daarop gestelde sancties.

XCOm een eensgezinde houding te bereiken, zou het Hoogwaardig Episcopaat het ten zeerste op prijs stellen, via de geestelijke adviseur, prof. dr. T. Brandsma, een schriftelijke verklaring te ontvangen, dat u als directeur of hoofdredacteur deze richtlijnen wilt volgen'

XCneen, Titus Brandsma wilde de leidende figuren van de katholieke dagbladpers geen enkele mogelijkheid laten om onder die richtlijnen uit te komen!

XCZijn concept werd op I4 januari door de aartsbisschop aan de bisschoppen toegezonden. Een dag later volgde nog een aanvulling: 'Bij het opnemen van berichten en verslagen van nationaal-socialistische zijde, waarvan de opname verplichtend wordt gesteld, moet de bron worden aangegeven' - anders gezegd: men behoefde dergelijke berichten en verslagen niet te weigeren. 'Wij en verscheidene anderen, aan wie wij deze vraag voorlegden, zijn er van overtuigd', aldus de aartsbisschop in zijn toelichting;'

XC'dat het publiceren van dergelijke berichten met bronaangave geen invloed op de lezer heeft en geen ergernis wekt. Wij zijn dus van mening dat wij dit zo moeten laten als het op het ogenblik is, aangezien anders de katholieke pers vast en zeker opgeheven zou worden. Dit zou niet alleen een grote economische schade betekenen voor diegenen die aan de rooms-katholieke dagbladen meewerken, maar ook de lezers aanleiding geven, het huidige abonnement aan een gevaarlijker en neutrale krant over te dragen. Onze mensen willen immers een krant lezen, al gaat het maar om de advertenties. Een katholieke krant die nog net als zodanig aangeduid kan worden, is in elk geval beter dan eenneutrale.

XCOp dezelfde dag waarop de aartsbisschop deze aanvulling plus toelichting verzond (IS januari), kreeg hij uit Nijmegen een brief van Brandsma. Deze had gunstig nieuws. Bodewes, ook anderen, hadden in Den Haag besprekingen gevoerd en daarbij was hun meegedeeld dat niemand de zaak op de spits wilde drijven: NSB-advertenties zouden aan de katholieke bladen niet aangeboden worden. Brandsma gaf de aartsbisschop in overweging, voor

1 Wij bezitten hier niet de Nederlandse tekst van. Het stuk werd bij Titus Brandsma in beslag genomen. Wij hebben de Duitse vertaling er van S8 e) in het Nederlands terugvertaald.

753 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

lopig een afwachtende houding aan te nemen. De aartsbisschop had daar geen bezwaar tegen, maar er bleef in hem een zeker wantrouwen: de bezetter had wel vaker op het ene moment concessiesgedaan die op het volgende ingetrokken werden.

XCInderdaad, nog op de avond van die r yde januari vernam de aartsbisschop dat enkele katholieke bladen NSB-advertenties ontvangen hadden met de verplichting, deze twee dagen later, I7 januari, op te nernen.! Nu kon niet langer gewacht worden; pater Brandsma die hij telefonisch raadpleegde, was het daar mee eens. Op I6 januari gingen de brieven naar de katholieke pers uit. Nog voor ze daar ontvangen waren, had men er evenwel bericht gekregen dat de NSB-advertenties ingetrokken waren. Dat laatste maakte op de aartsbisschop niet veel indruk. Hij wenste klaarheid. Hij wenste, anders gezegd, de gevraagde schriftelijke verklaringen van de directies en de hoofdredacties te ontvangen - en hij kreeg ze, óók van het N eerlandia-concern, zelfs van Hugo van den Broeck; hij kreeg ze alleen niet, zoals hij gevraagd had, via pater Brandsma.

XCJanke's voorstel, door Schmidt overgenomen, was uitgevoerd: Titus Brandsma was gearresteerd - op I9 januari.

XCBrandsma' s arrestatie vond, zoals uit het voorafgaande blijkt, op een moment plaats waarop de Duitsers al toegegeven hadden: met hun instemming was met de NSB de afspraak gemaakt dat men, wat de NSB-advertenties betrof, aan de katholieke pers voorbij zou lopen. Had dat een reden kunnen zijn, óók Brandsma met rust te laten? Neen. Integendeel zelfs: het departement had bakzeil moeten halen, men moest er, althans voorlopig, in berusten dat advertenties, uitgaande van de enig toegelaten politieke beweging, aan een kwart van de Nederlandse krantenlezers niet meer onder ogen zouden komen. Men had het eenheidsfront van de katholieke pers gerespecteerd, overigens op een moment waarop dat front eerst in opbouw was. Men wist dat die opbouw het werk was van pater Brandsma; dat was bij de contacten in katholieke kring genoegzaam gebleken. Bovendien vond de Sicherheits polizei in Brandsma' s werkkamer in Nijmegen alle stukken die uit zijn

De aanbieding van deze advertencies is vermoedelijk een vergissing geweest; denkbaar is evenwel ook dat een lagere functionaris van de NSB er niet voor voelde, zich te houden aan de afspraak die Huygen op IQ januari met Blokzijl gemaakt had.

754 [PDF]
TITUS BRANDSMA IN GEVANGENSCHAP

besprekingen met de aartsbisschop geresulteerd waren. Er viel voor hem niets meer te ontkennen. Dat deed hij dan ook niet toen hij in Den Haag verhoord werd: beheerst, maar nauwkeurig, gafhij daar de inhoud weer van alle gesprekken die hij terzake sinds de telex-instructie van 18 december gevoerd had. Er vloeiden geen nieuwe arrestaties uit voort. Brandsma alléén was voorlopig voldoende; hij werd in de Cellenbarakken in Scheveningen opgesloten. Vervolgens ging er rapport naar het Reichssicherheits hauptamt, het RSHA, in Berlijn. Een geestelijke als Brandsma diende zijn straf te ondergaan in het concentratiekamp Dachau, in die tijd mede het verzamelkamp van geestelijken en predikanten uit Duitsland en uit alle bezette gebieden; de organen van de bezetter waren evenwel niet bevoegd, een gevangene naar een concentratiekamp te sturen: daar was een Schutz haftbefehl van het RSHA voor nodig. Als regel verliep er nogal wat tijd voor zulk een Schutzhaftbefehl in Den Haag ontvangen was. Stellig, het van de Sicherheitspolizei ontvangen rapport was duidelijk genoeg, maar het RSHA placht na te gaan, welke gegevens men reeds over de arrestant bezat. Nu, wat Brandsma betrof, ontbraken die niet.

XCAnno Titus Brandsma die, toen hij gearresteerd werd, bijna de een-enzestigjarige leeftijd bereikt had, was in februari 1881 in Oegeklooster bij Bolsward geboren. Hij stamde uit een Fries boerengeslacht dat al tot de Middeleeuwen terugging. Toen hij elf jaar was, ging hij naar Limburg, eerst naar een school van de Franciscanen, later trad hij in een Carmelietenklooster in. In 1905 werd hij tot priester gewijd en, na een studie te Rome, in '09 tot hoogleraar benoemd in het Carmelklooster te Oss, in '23 tot hoogleraar te Nijmegen: in de geschiedenis van de wijsbegeerte en tegelijk in de wijsbegeerte van de geschiedenis. Hij had een zwak gestel; vier ernstige maagbloedingen kwam hij slechts moeizaam te boven. Maar hij was, en hij bleef (Aukes legt er in zijn piëteitsvolle biografie de nadruk op) een man van een uitzonderlijke blijmoedigheid. Hij was een autoriteit op het gebied van de Nederlandse mystiek, maar, hoe vaak ook in boeken begraven, het tegendeel van een boekenwurm. In maatschappelijk opzicht was hij opmerkelijk actief. Vooral zette hij zich voor de bevordering van de Friese cultuur in. Eigenlijk vond er in de jaren '20 en '30 maar zelden een katholieke manifestatie plaats waar de kleine priesterlijke hoogleraar uit Nijmegen ontbrak. Hij had iets ontwapenend zuivers over zich - geen wonder dat het onrecht dat van '33 af in Duitsland bedreven werd, hem diep kwetste. Hij gaf zijn naam aan publieke protesten tegen de Jodenvervolging (ze werden in Berlijn zorgvuldig genoteerd) en ook na mei' 40 was het hem, spontaan als hij was, onmogelijk te zwijgen; de enige nationaal-socialist die zich onder de Nijmeegse hoogleraren bevond, een rijksduitser, kreeg van hem in een senaats

755 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

vergadering een uiteenzetting te horen waarom hij, de Nazi, nu als verrader beschouwd moest worden - een uiteenzetting, zo openhartig dat een van zijn collega's later zei: 'Het was om te rillen.' Er sprak uit zulk een optreden niet veel angst. Blijmoedigheid en angst zijn dan ook onverenigbaar. Het was of Brandsma zich in zijn geloof volstrekt onaantastbaar voelde.

XCZo was het ook na zijn arrestatie. 'Ik ben et helemaal thuis, in dat kleine celletje', kon hij in de Cellenbarakken, een week nadat hij opgepakt was, schrijven. 'Ik heb mij er nog niet verveeld, integendeel. Ik ben er alleen, 0 ja, maar nooit was Onze Lieve Heer mij zo nabij. Ik kan het uitjubelen van vreugde dat Hij zich weer eens geheel door mij heeft laten vinden, zonder dat ik bij de mensen of de mensen bij mij kunnen. Hij is nu mijn enige toeverlaat en ik voel me veilig en gelukkig. Ik wil hier altijd blijven, als Hij het zo beschikt. Ik ben nog zelden zo gelukkig en tevreden geweest.' 1

XC'Ik wil hier altijd blijven' - neen, begin maart werd Brandsma naar het concentratiekamp Amersfoort gebracht. Vijf weken was hij daar. Hij was er veel ziek. Vrienden die hem uit de Cellenbarakken kenden, wisten hem na enkele dagen, die veel van hem vergden, uit een ploeg voor zwaar werk te halen. Zijn maag gaf hem weer last, hij kwam in de ziekenbarak terecht, het Revier, later weer in een gewone barak. Hij was medegevangenen tot steun, katholieken en niet-katholieken. De katholieken onder hen gafhij zijn priesterlijke zegen: 'hij drukte ieder de hand en maakte er met de duim een kruisje op, zonder woorden. Dat maakte een diepe, vertroostende indruk', aldus Aukes; 'en de heilige van de dag placht hij te memoreren in een kort preekje.P De zieken in het Revier ging hij regelmatig troosten. 'God keurt je waardig, dit offer te mogen brengen', zei hij tegen één. Op Goede Vrijdag hield hij in een barak een voordracht over de Nederlandse lijdensmystiek; voordrachten over zuiver godsdienstige onderwerpen waren er na het sterven van ds. van den Bosch verboden. 'Bij zijn lezing stond Titus Brandsma', aldus weer Aukes, 'op een kist, tussen twee rijen bedden in. Rond de tafels voor hem zaten de belangstellenden uit andere barakken en opgepakt op en tussen de bedden aan alle kanten de eigen inwoners van de barak, in het geheel een auditorium van aanzienlijk meer dan honderd man ... professoren, vooraanstaande geestelijken en leken, juristen en journalisten, maar ook andere mensen, allen in hun oude soldatenkleren, allen met lijdende en vermagerde gezichten; de spreker met zijn

XC1 Titus Brandsma: Mijn cel, Dagorde van een gevangene (nov. 1944), p. 16-17. 2 Aukes: Het leven van Titus Brandsma, p.

Indextermen: Brandsma, T.
756 [PDF]
TITUS BRANDSMA IN GEVANGENSCHAP

elleboog steunend op een der bedden: een uitgeteerde, kleine gestalte, maar de ogen levend van geest achter de brilleglazen.' 1

XCNa een nieuw kort verblijf in de Cellenbarakken wordt Titus Brandsma (zijn Schutzhaftbefehl is inmiddels uit Berlijn gearriveerd) via de gevangenis te Kleef waar hij enkele weken wachten moest tot er voldoende gevangenen bijeen waren voor een apart transport, naar Dachau gezonden. Op 19 juni' 42' rijden vrachtwagens hem en een aantal lotgenoten via de grote poort (Arbeit macht [rei!, staat er te lezen) de immense appèlplaats op. Onder het almachtig toezicht van de SS zijn de gevangenen in Dachau in hun dagelijks bestaan onderworpen aan de luimen en grillen van de kamphiërarchie medegevangenen, veelal beroepsmisdadigers. Al bij de registratie wordt Brandsma door een lid van die kamphiërarchie mishandeld. In de dunne, gestreepte concentratiekampkleding gestoken en met ongemakkelijke houten sandalen aan de voeten, komt hij met enkele Nederlanders eerst in de barak terecht waar nieuwelingen instructie krijgen hoe zij zich ill het kamp te gedragen hebben. De barak telt vier afdelingen, Stuben, elk met ca. honderd gevangenen. Er is één fatsoenlijke Stubenältester, een communist uit Stuttgart die al sinds '33 gevangen zit, de drie andere en de Blockálteste zijn beulen. Brandsma is niet erg handig, hij kan niet goed meekomen: misschien ligt de bovenkant van zijn matras niet precies waterpas, misschien zit er een klein vlekje op zijn metalen etensnap, misschien blijft hij bij het urenlange exerceren een seconde achter. Een van de Stuhenáltesten slaat met een beddeplank op hem los, trapt hem op de hielen, laat hem met blote voeten in het grint de exercities maken. Medegevangenen raden Brandsma aan, zijn beklag te doen bij de Lagerälteste.'Wij gaan voor die mensen bidden', zegt hij.

XCNa een week of twee verhuist hij naar Block 28, een van de barakken met bijna uitsluitend Poolse geestelijken. Blockältester en Stuhenáltesten zijn er, op één uitzondering na, sadisten, speciaal uitgekozen wegèn hun haat jegens geestelijken en predikanten. Zij hebben zich op Goede Vrijdag vermaakt met een Poolse priester een metalen doornenkroon met scherpe punten op de kale schedel te drukken. Tien dagen lang kan Brandsma nog mee in een bestaan dat om vier uur 's morgens begint als de kampsirene loeit. Opstaan, het bed perfect opmaken, wassen, op appèl staan. Om vijf uur stellen de

XC1 A.v., p. 260.

Indextermen: Brandsma, T., Dachau
757 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

werkploegen zich op. Brandsma is in het Kommando voor de kruidentuin ingedeeld. Een half uur marcheren op de ongemakkelijke harde kampschoenen die de sandalen vervangen hebben, eindeloos bukken in de brandende zon, zes uur lang: van half zes tot half twaalf. Terug naar het kamp voor een [iter watersoep en één of twee aardappelen. Weer naar de kruidentuin, werken tot half zeven. Om zeven uur avondappèl; het kan een uur, soms langer duren voor de twaalfduizend Háitling« geteld zijn. Avondboterham: een paar sneden die ook voor ontbijt dienen. Voordien moet Block 28 menigmaal een half uur extra exerceren: 'zingen en in looppas draven, nu en dan ook 'Mützen ab, Mützen au!" tientallen malen achtereen, op de grond vallen, opstaan, en weer opnieuw - met ransel voor de uitvallers.'! Om negen uur: naar de Stuben! En om vier uur de volgende ochtend loeit weer de sirene.

XCNa een paar dagen zitten Brandsma's voeten, al zo geschonden in de instructiebarak, vol etterende wonden. Elke stap wordt een kwelling, alleen ondersteund door lotgenoten kan hij de marsen, vier maal per dag, nog meemaken. Is er in de kruidentuin even geen toezicht, 'dan leggen zijn vrienden hem een ogenblik plat op de grond. Dat gebeurt enkele keren. Men bidt dan samen, luidop.P Naarmate hij trager wordt, wordt hij in en bij zijn barak ook vaker mishandeld: in het gezicht geslagen met zijn etensnap, afgeranseld met een knuppel. Hij klaagt niet. Hij ondergaat het lijden als een eenwording met Christus, weet voor medegevangenen steeds nog een troostend woord, een spreuk te vinden. 'Nubehoor ik zelfwel waar te maken, wat ik anderen vroeger heb geleerd', zegt hij tegen één hunner. Maar er zijn naast die perioden van sereniteit ook ogenblikken van schrijnend heimwee en van verdriet; dan lopen de tranen hem over het ingevallen gelaat.

XCHet is koud en het regent als Brandsma, volledig verzwakt, eindelijk naar het Revier mag strompelen. 'Nog zie ik', schreef later ds. Overduin, lotgenoot in Block 28, 'prof. Titus Brandsma van Nijmegen, onze oprecht vrome broeder in Christus, voor de laatste maal in het badlokaal. Naar het lichaam afgemat en uitgeleefd, mager en met dikke benen van het water, maar naar de geest ongebroken, altijd vriendelijk en blijmoedig in den Here. Hij stopte me in de gauwigheid nog zijn laatste pakje tabak toe waar hij niets meer aan had: 'Toe, neem dat, het kan jou nog te pas komen' ... Hij voelde wel dat hij het niet lang meer zou maken.P

XCIn het propvolle Revier, liggend op de strozak waarop vóór hem talloze anderen stierven, wacht Brandsma op de dood. Na enkele dagen raakt hij

XC1 A.v., p. 287. 2 A.v. 3 J. Overduin: Hel en hemel van Dachau, p.

758 [PDF]
TITUS BRANDSMA STERFT

buiten bewustzijn. Op 26 juli, 's middags om twee uur, maakt een kamparts hem met een injectie af.!

XCIn de kringen van hen die hem gekend hadden, maakte het bericht van Brandsma's dood ('Todesursache: Versagen von Herz und Kreislau] bei Darm katarrh' , zo werd officieel bericht) diepe indruk. Nergens werd zijn naam in de pers genoemd, zij het dat De Tijd begin augustus in een van de dagelijkse 'kalenderblaadjes' een tekst afdrukte, 'Beproeving', die voor goede verstaanders duidelijk was: 'Men hoort soms van mensen die, ogenschijnlijk gezond, ... na weinige maanden sterven Het eind van hun leven is niets dan lijden. In die beproeving eerst kunnen zij ten volle tonen wie zij zijn.' In de herfst werd Brandsma bij de rectoraatsoverdracht aan de Nijmeegse universiteit herdacht. 'In liefde lag zijn beslissende kracht', zei de scheidende rector magnificus. Maar geen woord over Dachau, geen woord over zijn gevangenschap, geen woord over zijn actie.

XCDe tyran luisterde mee.

De kunstenaars en de Kultuurkamer

XC

XCGoedewaagens plannen om het Nederlandse cultuurleven in nationaalsocialistische geest te herordenen o.m, door een 'Kultuurkamer' (kopie van de Duitse Kulturkammer) in het leven te roepen, hadden, zoals wij in hoofdstuk 4 beschreven, in de lente van' 41 verzet uitgelokt in kringen van kunstenaars die toen gebundeld waren in de Nederlandse Organisatie van Kunstenaars; mr. J. F. van Royen, secretaris van het hoofdbestuur der PTT, was er voorzitter van. Medio april had de bij deze Nok aangesloten Nederlandse Organisatie van Toneelkunstenaars al zijn leden met groot succes verzocht, zich schriftelijk uit te spreken tegen de toepassing van nationaal-socialistische beginselen op artistiek gebied: dat initiatief was door de organisaties van letterkundigen, van toonkunstenaars, van componisten en van architecten overgenomen. De bezetter en Goedewaagen hadden hierop geantwoord met de Nederlandse Organisatie van Kunstenaars en de bij haar aangesloten

1 Dat de stervende Brandsma ook nog slachtoffer geworden zou zijn van een medisch experiment, gelijk door Aukes bericht p. 296), achten wij practisch uitgesloten.

759 [PDF]
V AN KERKEN EN KUNSTENAARS

organisaties te verbieden. Enkele maanden lang kon men menen dat het misschien met al die ordeningsplannen niet zo'n vaart zou lopen, maar dat was te optimistisch gezien: op de arisering van de orkesten volgde medio september die van het toneel en van de muziekwereld ; na I november mochten de bestaande kunstenaarsverenigingen geen Joden meer onder hun leden tellen, en eind november verschenen de verordeningen waarbij de Nederlandse Kultuurraad en de Nederlandse Kultuurkamer officieel in het leven geroepen werden. Wat de Kultuurkamer betrof, was het eigenlijk zo ver nog niet want deze zou eerst als opgericht gelden wanneer van de zes 'gilden' die zij moest omvatten, twee 'ingesteld' waren. Die 'instelling' hield in, dat het betrokken gilde waarvan de oprichting dan in tal van besprekingen voorbereid was en dat ook al een 'leider' en een 'dagelijks bestuurder' bezat, met ingang van een bepaalde datum verplicht gesteld werd: allen die op het betrokken terrein werkzaam waren, moesten zich dan aanmelden. Nadien zouden alleen zij in het publiek mogen optreden.

XCNog voor er één gilde ingesteld was, kwam de Kultuurkamer met een eigen tijdschrift uit: De Schouw; Goedewaagen was er de hoofdredacteur van, Henri Bruning, een eenzame en verbitterde katholieke dichter, de 'eindredacteur'." Het eerste nummer verscheen begin januari' 42. Men mocht daar een aanwijzing in zien dat Goedewaagen en de zijnen zich de uiterste moeite zouden geven om hun Kultuurkamer een beheersende positie te geven in het culturele leven.

XCEén gilde was er dat, althans wat de oprichting betrof, niet al te grote moeilijkheden bood: het Persgilde. Het Verbond van Nederlandse Journalisten werd er eenvoudig een z.g. vakgroep van. Daarmee waren dus alle journalisten en bloc bij de Kultuurkamer ingelijfd. Minder vlot ging dat met de directies der bladen. Het bestuur van de Vereniging de_Nederlandse Dagbladpers weigerde, in de vakgroep dagbladpers op te gaan, en werd derhalve begin februari '42 door Müller-Lehning afgezet en door twee

XC1 Bruning was een talentvol schrijver en dichter, een man van 'verbeten, hoewel misvormde eerlijkheid', aldus Pieter van der Meer de Walcheren (brief, 13 aug. 1946, aan mr. W. Vergnes, Doc I-240, a-r), Die eerlijkheid noopte hem, zich wond te schuren aan het a-culturele NSB-milieu. 'Als er iets 'uitgemest' moet worden, dan is het', schreefhij in de zomer van '41, 'de litteraire rubriek van VoVaenNat. Dagblad, wegens de volmaakte incompetentie, ondeskundigheid en argeloosheid van de samenstellers. Als er iets' ontaard' is, dan dit, dat lieden die niets, letterlijk niets bijzonders betekenen en ook niets bijzonders gepresteerd hebben (of kunnen presteren), als opperste rechter in litteraire en andere artistieke aangelegenheden fungeren.' (brief, 10 juli 1941, van Henri Bruning aan een NSB-relatie, NSB, 230). En in dat milieu liet Bruning zich naar voren schuiven! In de loop van' 42 trok hij zich als eindredacteur van De Schouw terug.

760 [PDF]
HET PERSGILDE

NSB' ers vervangen. Moeilijkheden kwamen er ook bij de vakgroep van het uitgeverijpersoneel dat, vreemd genoeg (de uitgevers vielen namelijk onder het Letterengilde), bij de Persgilde ingedeeld was. In eerste instantie gaf zich niemand als lid op en pas nadat men de uitgevers gedwongen had, de namen van hun personeelsleden aan Goedewaagens departement te berichten, kreeg men ruim duizend aanmeldingen bij de Kultuurkamer biunen. Hoe dat zij: alleen al het Verbond van Nederlandse [ournalisten gaf het Persgilde enige inhoud.

XCZij evenwel die tot de overige gilden moesten toetreden, waren, anders dan de joumalisten. nog niet in organisaties onder nationaal-socialistische leiding samengevat. Zouden zij bereid zijn, die leiding te aanvaarden? Aanvankelijk was Goedewaagen voornemens, de grote sprong te wagen op muziekgebied, d.w.z. het Muziekgilde als tweede gilde 'ingesteld' te verklaren, .maar dat plan moest hij medio december '41 opgeven toen de componist Henk Badings opeens als gildeleider bedankte. Goedewaagens keus viel toen op het Gilde voor Theater en Dans dat zich reeds in de aanwezigheid van een leider mocht verheugen: de NSB'er Jan C. de Vos [r, een tweede-rangs-acteur en een man zonder enig gezag in de toneelwereld"

XCDe tot verzet geneigden onder de kunstenaars hadden niet stilgezeten. Een grote groep beeldhouwers, onder wie Gerrit van der Veen, had een fonds gevormd voor onderlinge steun en in hun kring werd in de herfst vanook een conceptmanifest opgesteld waarmee men bij de Reichskommissar tegen de, Kultuurkamer zou protesteren. Men zocht (dat lag voor beeldhouwers nogal voor de hand) contact met architecten die na de gelijkschakehug van de Nederlandse Bond van Architecten het ondetling contact bestendigd hadden, en een van die architecten, Wieger Bruin, stelde toen voor, de protestactie breder op te zetten. Men moest daartoe, meende hij, een comité vormen waarin alle groepen kunstenaars door eigen vertrouwensmannen vertegenwoordigd zouden zijn. Dat denkbeeld vond instemming. In november kwam dit comité ten huize van Bruin voor het eerst bijeen. Voor de beeldhouwers was Gerrit van der Veen aanwezig, voor de musici de componist en dirigent Jan van Gilse die twee maanden tevoren geweigerd had langer op te treden omdat Joden niet meer tot de concertzalen toegelaten werden. De schilders, waren vertegenwoordigd door [oop Sjollema, de architectcn, behalve door Bruin, ook door ir. A. J. van der Steur en

'41

761 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

A. Eibink, de schrijvers door J. W. F. Werumeus Buning, de toneelspelers door Hans van Meerten. 'Van Gilse en van der Veen waren van het begin af de felsten', schreef Bruin later. I Het bleef niet bij één vergadering want men realiseerde zich dat men, als men werkelijk de strijd met de Kultuurkamer aanbond (een protest bij de Reichskommissar zou natuurlijk gevolgd moeten worden door een persoonlijke weigering om zich bij de Kultuurkamer te melden), voor grote sociale problemen kwam te staan. Hans van Meerten had die problemen al ervaren: de onmogelijkheid om toneelspelers te steunen die de uitoefening van hun vak zouden staken, was een van de factoren geweest waarom maar zo weinig acteurs en actrices het toneel verlaten hadden toen hun Joodse collega's de laan uitgestuurd waren. Het was dan ook van Meerten die in het comité met klem ging betogen dat een algemeen steunfonds nodig was. Dat leidde tot verdere besprekingen waarbij ook mr. van Royen eenmaal aanwezig was. Deze meende te weten dat de katholieke kerk al een eigen steunfonds bezat; ook was hij bereid, zelf gelden te gaan verzamelen. Dat dat voldoende zou opleveren, was niet zeker - duidelijk was wèl dat men, beginnend met een protest bij Seyss-Inquart, meer en meer de illegale weg op zou gaan. Dat had gevolgen voor de samenstelling van het comité. Sjollema werd door Jan Wiegers vervangen en Werumeus Buning, afkerig van 'Indiaantje spelen', zoals hij zei," door prof. dr. N. A. Donkersloot ('Anthonie Donker'); in plaats van van Meerten tenslotte, die het te druk kreeg met de voorbereiding van een aparte steunactie voor de toneelkunstenaars, ging Ben Groeneveld aan de besprekingen deelnemen waarbij nu ook een vertegenwoordigster van de kunstnijverheid aanwezig was, Erna van Osselen. Bruin was het die in die besprekingen zijn vriend prof. Heringa introduceerde; hij wist dat deze nauw betrokken was bij Medisch Contact dat in november-december met zijn actie om alle artsen een protestschrijven aan Seyss-Inquart te laten ondertekenen, zoveel succes had. Heringa's 'pleidooi voor een manifest overwon', aldus weer Bruin, 'de twijfel aangaande het nut daarvan.P Donkersloot schreef een concept-tekst en men werd het daar uiteindelijk, nu ook in aanwezigheid van de musicoloog dr. K. Ph. Bernet Kempers, over eens, al vonden van Gilse en van der Veen de tekst eigenlijk lang niet scherp genoeg. Veel tijd voor lange discussies had men evenwel niet meer: op 22 januari '42 verscheen het bericht in de pers dat twee gilden 'ingesteld' waren (en dat dus ook de Kultuurkamer zou gaan functioneren!): het Persgilde en het Gilde voor Theater en Dans. Hier vloeide uit voort dat de toneelspelers zich uiterlijk 19 februari bij de Kultuurkamer zouden moeten aanmelden; vier

XC1 Wieger Bruin: Verslag, 16 aug. 1955, p. 1 (Doe II-395, b-1). 2 A.v. S A.v., p. 2.

762 [PDF]
HET PROTEST DER KUNSTENAARS

weken was de termijn die in de Kultuurkamer-verordening genoemd was.

XCDe tekst van het 'manifest' (het is juister om het een 'adres aan SeyssInquart' te noemen) begon aldus dat 'de ondergetekenden, allen Nederlandse kunstenaars' de definitieve oprichting van de Kultuurkamer als feit memoreerden. 'Zij nemen de vrijheid', zo ging het adres voort,

XC'hierbij onder uw aandacht te brengen dat de gedachte waarop deze Kultuurkamer is gebaseerd, en de wijze van organisatie in strijd zijn met het wezen van het kunstenaarschap zoals dit door hen wordt beleefd en zoals het in de Nederlandse traditie sinds eeuwen opgevat en geëerbiedigd is.

XCToetreding tot de bedoelde instelling waarbij de kunst ondergeschikt wordt gemaakt aan vooropgestelde politieke beginselen, waarbij het kunstleven geregeld wordt door met autoritaire macht beklede leiders en waarvan al of niet toelating niet uitsluitend afhangt van de mate van kunstenaarschap,' is niet overeen te brengen met de geestelijke levensvoorwaarden voor de kunst en in strijd met de hoogste plichtsvervulling, de roeping die zij als kunstenaars hebben te vervullen.

XCZij ... verklaren aan deze roeping getrouw te willen blijven."

XCHet was een voorzichtig geformuleerd stuk: een uitdrukkelijke weigering, zich bij de Kultuurkamer aan te melden, stond er niet in. De initiatiefnemers vreesden dat velen dit te riskant zouden achten. Onderling sprpcen zij af dat zij, mocht dat nodig zijn, voor hun initiatief openlijk zouden uitkomen: werd een van de leden van het comité door de Sicherheitspolizei gearresteerd, dan mocht hij de namen der overige leden noemen. Vastgesteld werd ook dat men, om het verwijt van 'illegaal gestook' te kunnen afwijzen, het adres na de aanbieding niet zou gaan verspreiden en, tenslotte, dat men die aanbieding zou laten voorafgaan aan de rode februari, de laatste dag waarop toneelspelers zich als lid van de Kultuurkamer konden opgeven.

XCAnders dan de film was het Nederlandse toneel in' 40 en in het grootste deel van '41 in hoge mate vrij gebleven van vijandelijke beïnvloeding. Dat was de belangstelling ten goede gekomen. In Den Haag steeg het aantal bezoekersgehuwd waren) moesten speciaal verlof krijgen van de secretaris-generaal van volksvoorliehting en ktmsten.

1 konden, gelijk eerder vermeld, niet lid worden van de Kultuurkamer, half- en kwart-Joden en 'Joods-vermaagsehapten' (personen die met

763 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

van de Koninklijke Schouwburg, hij mocht dan tot Stadsschouwburg herdoopt zijn, van 134 000 in' 40 tot 215 000 in' 41. Men zocht in de schouwburgen niet alleen ontspanning maar ook culturele verdieping en, niet te vergeten, anti-Duitse bezieling: elke geslaagde voorstelling was een weerlegging van de Nazi-propaganda dat de Nederlandse cultuur nog veel van de Duitse te leren had. Men was jn zulk een toneelzaal als anonieme massa bijeen, bovendien in het donker. Het kwam, met name in '40 en '41,1 vaak tot demonstraties waarbij men, vanuit zijn opgekropte gevoelens, van de onschuldigste passages toespelingen op de actualiteit maakte. Zo werden in Vondels 'Gijsbreght van Aemstel' begin '41 in de Amsterdamse Stadsschouwburg 'ongeveer van de eerste tot de laatste regel', aldus een toenmalige bezoeker, 2 dergelijke toespelingen ontdekt:

XC, 'Vaarwel mijn Aemstelland, verwacht een andren heer.' De zaal werd afgebroken en iemand zette het Wilhelmus in, maar dat ging toch niet door. 'Hoe leed het God dat hem de moord niet êer en stak' ('Hitler', dacht de hele zaal en klapte). 'Mijn lieve gemalin en willige onderzaten / ik zou om hunnentwil alleen mijn leven laten / en dempen met één sprong de nimmerzatte hel' ('Wilhelmina', dacht iedereen; we klapten). 'Mijn toeverlaat, naast God, dat is de waterkant' ('Engeland', voelde het publiek, in die tijd kon 'de waterkant' niets anders zijn dan Engeland. Applaus). 'Een krijgsman wint genoeg, al wint hij niet dan tijd' deze claus was het klapstuk. Het was of Vondel het allemaal geschreven had met 1941 in zijn vooruitziende hoofd.'

XCNiet anders Shakespeare.

XCDaar was Hamlets zin uit het tweede bedrijf: 'Denemarken is een gevangenis' - een van de strofen die, aldus de Sicherheitsdienst, bij de HamIet opvoeringen in Rotterdam begin '41 tot 'minutenlanger Beifall' leidden." In het derde en vierde bedrijf werden de passages waarin van Hamlets vertrek naar Engeland sprake was, luide toegejuicht, vooral de volgende dialoog tussen de koning en Hamlet (in de vertaling van Burgersdijk) :

XC'Koning: Hamlet, voor uwe veiligheid die onsDe reacties in de schouwburgen sloten aan bij de reacties op straat die wij in de hoofdstukkenenweergaven.waren, schrevenwij daar, vooral typerend voor de periode tot eindOver de schouwburgen inschreef dep.Louis Velleman, aangehaaldin 'Kronkel' (Simon Carmiggelt): 'Post', Het Parool, 19 febr. 1963. 3 "Meldungen aus den Nieder landen', 31 (4 febr. 1941), p.

1 I 2 Zij '41. '42 1942', 61) 2

764 [PDF]
TONEELWEZEN

ter harte gaat, hoe diep uw doen ons grieve, drijv', wat gij hebt gedaan, u snel van hier, snel als het licht. Wees dus terstond bereid. Het schip is zeilrêe en de wind u gunstig, ,t Geleide wacht, en alles dringt tot d' afreis naar Eng'land. Eng'land? Ja, mijn Hamlet. Hamlet:

XCKoning:

XCHamlet: Goed.'

XCOp die evidente aansporing tot Engelandvaart volgde een dialoog over Polen die men op Hiders veldtocht betrok:

XC'Hamlet: En waarheen gaat, vergun de vraag, de tocht?

XCHopman: Het geldt een deel van Polen, heer ...

XCHamlet: En is 't gemunt op 't eigenlijke Polen of op een grensstreek, heer?

XCHopman: Om u de waarheid, zonder meer, te melden: wij gaan een nietig plekje gronds veroov'ren dat, ja, een naam bezit, maar waarde niet.'

XC'Men zegt', schreef de ontslagen Haagse burgemeester mr. S. J. R. de Monchy begin '41, toen Wavell in Noord-Afrika de Italianen voor zich uitjoeg. in zijn dagboek - 'Men zegt dat toen in de Hamlet gevraagd werd: 'Is daar nog nieuws uit Engeland?" van boven geroepen werd: 'Ja, Tobroek is gevallen!' '2

XC'Men zegt' - wij zijn er niet van overtuigd dat het vermelde feit zich voorgedaan heeft. Opvallend groot was namelijk de behoefte van het publiek, om gebeurtenissen die door de bezetter als tartend ervaren zouden zijn, op het toneel te situeren. Men schreef dan tegelijk een heldenrol toe aan populaire acteurs en actrices. Dergelijke verhalen drongen ook wel eens tot de Sicherheitspolizei door waar die acteurs en actrices zich dan moesten komen verantwoorden. Zo Fien de la Mar die in een cabaretprogramma opeens 'Oranje boven!' geroepen zou hebben ('het werd door de melkboer de volgende ochtend huis aan huis verspreid"); zo Louis de Bree die (wij weten niet in welk stuk) met een zeer bijzondere intonatie: 'Door bloed en tranen ter victorie!' had gezegd, min of meer als Churchill in mei '40; zo CharlotteVermoedelijk is een van Hamlets laatste strofen bedoeld: 'Ik hoor niet meer, wat zij van Eng'land melden.' 2 S. J. R. de Monchy: Dagboek, 5 april 1941. 3 F. Stemeberg: 'Kunst en verzet', IV, p.

1

765 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

Köhler die, toen zij voor het applaus dankte, het publiek met een oranje zakdoekje zou hebben toegewuifd. Niemand was er evenwel aan wie de patriotische heldenrol vaker toegeschreven werd dan Nederlands grootste en meest populaire revuekunstenaar. Johan Buziau. Men vertelde elkaar:

XC'Buziau komt in een kamer op met in z'n ene hand het portret van Mussolini, in z'n andere dat van Hitler. Hij kijkt naar de portretten, kijkt dan om zich heen en zegt vervolgens vol twijfel: 'Wat zal ik er mee doen? Zal ik ze nou ophangen of tegen de muur zetten?' ,

XC'Het toneel stelt een winkel voor. Buziau komt op. Hij klopt op de deur. Niemand verschijnt. Hij klopt nog eens. Weer gebeurt er niets. Zoekend loopt hij de hele winkel door, verdwijnt, komt weer te voorschijn, klopt nog eens en roept eindelijk met een klagelijke stem: 'Winkelman, waar benje?' '

XC'Buziau heeft het over de tegenwoordige tijd. 'Vroeger hadden we het goed', zegt hij, 'maar nu hebben we het beter'. Even pauze. "t Is te hopen dat we het weer goed zullen krijgen.' '

XC'Buziau komt op als schoenlapper met een mand vol schoenen. Hij graait in de mand en laat een aantal schoenen zien, waarbij hij zegt: 'Ja mensen, je hebt ze met rechte neuzen, je hebt ze met kromme neuzen, maar er is maar één ding waar het op aankomt: het binnenwerk.' '

XC'Iedereen weet dat de Duitsers nooit willen toegeven dat de Engelsen hun steden in puin gooien. Welnu, op het toneel staat een mand boordevol eieren. Buziau sleept een zware kei aan en laat die met inspanning van al zijn krachten midden in de mand vallen. Hij bukt zich. Hij kijkt. Dan, tegen het publiek: 'Eén kneusje .. .' ' 1

XCAl die verhalen (er zullen er wel veel meer geweest zijn) waren gefantaseerd of hadden op Buziau's vooroorlogs optreden betrekking. Het enige reële geval dat zich, aldus zijn weduwe die al zijn voorstellingen bijwoonde, tijdens de bezetting voorgedaan heeft, speelde zich in augustus '41 in de Amsterdamse Stadsschouwburg a£2 Buziau trad toen in de revue 'Sprookjesland' op. In één scène was hij een dichter die verdwaasd opkwam, dan een zwaai maakte met zijn linkerhand en stotterend zei: 'Stik, stik, stik - in stikdonker dwaalde ik.' In Den Haag en Rotterdam was bij die scène nooit iets gebeurd, maar in Amsterdam zaten enkele mensen in de zaal die meenden dat Buziau de Hitlergroet bracht en daarbij'stik! stik! stik!' zei; die mensen begonnen te klappen en in een minimum van tijd juichte de hele zaal

XC1 Vrij naar T.E.N. Ozinga: 'Oorlogshumor', p. 58 (Doc II-857 A, a-r) en naar enkele mededelingen van tijdgenoten. 2 M. G. Buziau-Hartemink, 28 febr.

766 [PDF]
VERHALEN OVER BUZIAU

Buziau toe. Hij begreep er niets van. Daags daarna werd hij samen met de directeur van de Stadsschouwburg, [ohan Bendien, bij de Sicherheitspolizei geroepen waar hij met weinig moeite kon aantonen dat hij geen enkele demonstratie bedoeld had: hij had de linkerarm en niet de rechter gebruikt en geen groet gebracht maar een zwaai gemaakt. De Sicherheitspoiizei liet hem lopen; voor alle zekerheid werd zijn naam wel op de gijzelaarslijst geplaatst.' 'Buus was een heel groot kunstenaar', vertelde Bendien ons later, 'maar hij was er helemaal de man niet naar om dit soort risico's te nemen.P

XCGoedewaagen was een creatuur van de bezetter en het doel dat hem voor ogen stond, was on-Nederlands, maar met enkele van de middelen die hij in '41 ging gebruiken om dat doel te bereiken, hief hij in de Nederlandse samenleving euvelen op die wel al tientallen jaren tot kritiek geleid hadden maar die nog steeds bestonden. Hij verbeterde de salarissen van de orkestmusici"; hij zorgde er voor dat toneelspelers voortaan een vaste bezoldiging kregen met betere verblijfsvergoedingen. Bovendien bevorderde hij dat er een Nederlandse Opera kwam, onderdeel van het gemeentelijk theaterbedrijf in Amsterdam dat door rijk en gemeente op een schaal gesubsidieerd werd die vóór de oorlog ondenkbaar zou zijn geweest. In het algemeen was trouwens Goedewaagens subsidiebeleid naar de omvang een novum. Het was zijn tragiek dat er maar weinigen waren die hem dat alles in dank afnamen, Tegen de betere sociale regelingen had niemand bezwaar, maar het kader waarin zij geplaatst waren, wees men af en Jan C. de Vos [r aanvaarden als almachtig leider van het Gilde voor Theater en Dans? Dat was te dwaas.

XCVan de herfst van '41 af kon men zich voorlopig aanmelden voor de vakgroepen waaruit het Gilde voor Theater en Dans zou bestaan. Eind november hadden zich voor de vakgroep lekentoneel van de naar schatting 3 000 amateurtoneelverenigingen die in den lande bestonden, nog slechts 400 aangemeld. Bij de vakgroep toneel stond het aantal aanmeldingen op 140; dat getal sloot evenwel niet alleen de toneelspelers in maar ook de toneel

XC1 In mei' 42 werd Buziau als gijzelaar opgepakt. Toen hij na een paar dagen door de interventie van Haagse relaties vrij kwam, bleek dathij een zware psychische schok gekregen had. Hij staakte zijn optreden. Hij had zich wel al bij de Kultuurkamer gemeld en bleef ook de formulieren invullen die hij van de Kultuurkamer ontving. 2]. M. Bendien, 14 maart 1958. 3 De leden van de grote orkesten in Rotterdam, Haarlem, Utrecht, Arnhem en Groningen verdienden tevoren van f 55 tot f 90 per

767 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

technici. 'De prominenten ontbreken over het algemeen', aldus de mismoedige constatering van de afdeling organisatie van de Kultuurkamer.' Begin februari' 42 was, aldus diezelfde afdeling, geen enkele verbetering ingetreden: 'Alleen die acteurs, die in hoofdzaak door gebrek aan talent ... weinig of . geen emplooi hebben, sloten zich bij de vakgroep aan waarvan zij natuurlijk positieverbetering verwachten.f Het gilde was toen al tien dagen ingesteld: het desbetreffende persbericht had blijkbaar geen enkel effect gehad. Van belang was daarbij dat de directeuren van de belangrijkste toneelgezelschappen omstreeks die tijd (de datum is niet bekend) in Amsterdam bijeengekomen waren en daar de afspraak gemaakt hadden dat men gezamenlijk zou weigeren, de Kultuurkamer te erkennen. Dit waren Cor van der Lugt Melsert ('Het Nederlands Toneel', vaste bespeelster van de Amsterdamse Stadsschouwburg en deel van het gemeentelijk theaterbedrijf), Dirk Verbeek ('Het Residentietoneel', Den Haag), Albert van Dalsum ('Studio', Amsterdam), Cees Laseur ('Het Centraal Toneel', Amsterdam), Ko Arnoldi ('Het Masker', Rotterdam), Herman Bouber ('Het Gezelschap Herman Bouber', Amsterdam) en Pierre Balledux ('De Verenigde Haagse Spelers')." Al deze gezelschappen traden ook vaak 'in de provincie' op; voor het gezelschap van Balledux was dat zelfs regel. Het bestond hoofdzakelijk uit katholieken en speelde meestal voor katholieke verenigingen. Zo bleef de stenuning in de toneelwereld aanvankelijk vastberaden. VanMeerten kreeg in kringen van vermogenden toezeggingen voor aanZienlijke fmanciële steun; hij stelde bij elk van de genoemde gezelschappen een contactman aan die de consignes kon doorgeven en er bovendien voor kon zorgen dat men in elke groep wist hoe men in de andere groepen dacht. Week na week, dag na dag kwam de sluitingsdatum van aanmelding dichterbij: 19 februari. Een week voordien waren nog practisch geen nieuwe aanmeldingen binnengekomen en toen Goedewaagen met zijn hoofdambtenaren op de r jde vergaderde, hield men rekening met de mogelijkheid dat

XC1 Notitie, 21 nov. 1941, van de Nederl. Kultuurkamer (NKK, 1 d). 2 'Overzicht Gilde voor Theater en Dans tot 31 januari 1942' (2 febr. 1942) (a.v., I g). 3 In de zomer van '41 was nog een nieuw gezelschap ontstaan: 'Het Nederlands Toneellyceum' onder leiding van Carel Briels. Briels had enkele van de beste krachten van 'Het Nederlands Toneel' weten aan te trekken. Van der Lugt Melsert deed toen zijn beklag bij Goedewaagen en deze verbood alle schouwburgexploitanten, aan het gezelschap van Briels zalen te verhuren. Briels slaagde er evenwel in, de Stadsschouwburg in Den Haag te huren voor een openingsvoorstelling op 16 september, daags voor een kort geding tegen Goedewaagen gevoerd zou worden. Op de dag van de voorstelling werd Briels door de Sicherheitspolizei gearresteerd, in de Cellenbarakken mishandeld en gedwongen de dagvaarding tegen Goedewaagen in te

768 [PDF]
DR. BERGFELD GRIJPT IN

na de rode geen enkel gezelschap meer zou optreden. Goedewaagen zei, dat hij de zaak 'nader met de bevoegde autoriteiten (zou) bespreken. Wellicht is het goed, enkele raddraaiers te doen arresteren ... Er werden enkele namen genoemd van tegen de Nederlandse Kultuurkamer agerende toneelspelers.'! Overigens had Goedewaagen al vóór die vergadering de Duitse functionaris ingelicht onder wie de Kultuurkamer ressorteerde. Dat was dr. Joachim Bergfeld, hoofd van de Abteilung Kultur van Schmidts General kommissariat.

XCHoewel nadere gegevens ontbreken, kunnen wij ons niet anders voorstellen dan dat Bergfeld Schmidt en Seyss-Inquart regelmatig ingelicht had, hoe gering het aantal aanmeldingen was dat bij de Kultuurkamer binnenkwam, en duidelijk is het dat beiden de eventuele weigering van de toneelspelers om zich bij de Kultuurkamer aan te melden, hoog opnamen. Niet op het Persgilde kwam het aan (daar waren de journalisten toch allid van), maar op het Gilde voor Theater en Dans; als dat op een algemene afwijzing zou stuiten, wat zou er dan van de overige gilden terechtkomen? Bovendien zou een weigering van de toneelspelers automatisch een publiek karakter krijgen: de schouwburgen zouden immers dichtgaan en niet alleen Goedewaagen maar ook de bezetter die achter hem stond, zou een openlijke nederlaag lijden. Bergfeld kreeg, zo veronderstellen wij, instructie, het zich aftekenend toneelverzet met de scherpste middelen te breken. Men realiseerde zich dat Goedewaagen terzake niets zou kunnen bereiken, laat staan Jan C. de Vos. Hun dreigementen zouden de toneelspelers naast zich neerleggen; dreigementen waarbij de Sicherheitspolizei aanwezig zou zijn, zouden meer indruk maken.

XCBergfeld begon dicht bij huis: hij riep op I2 februari Dirk Verbeek bij zich, samen met Johan de Meester die als regisseur aan 'Het Residentietoneel' verbonden was. Bergfeld had een functionaris van de Sicherheitspolizei naast zich, vermoedelijk SS-Untersturmführer Gerhard Halm. Verbeek en de Meester kregen er ongenadig van langs: wat verbeeldden zij zich wel, een verordening van de Reichskommissar in de wind te slaan! Geëist werd dat zij ter plaatse zouden verklaren, zich persoonlijk bij de Kultuurkamer te zullen aanmelden en hun uiterste best te zullen doen opdat de leden van hun gezelschap dat voorbeeld zouden volgen. Weigerden zij, dan zouden zij onmiddellijk gearresteerd worden, 'unter schwerster Beschuidigung: die der Rebelliol1', zei Bergfeld." Verbeek en de Meester gaven toe en verlieten geslagen Bergzuivering, 3I).

1 DVK, departementsraad: Notulen, 13 febr. 1942, p. 3-4 (DVK, 3 c.) 2 Ereraad voor toneel: notulen 22 juni 1945 (mededeling Johan de Meester) (OKW, Kunst

769 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

felds bureau. Verbeek wist dat zijn gehele gezelschap (artisten, administratie, technisch personeel) op hem wachtte. Hij ging er heen, deelde mee dat de bezetter voortgezet verzet als sabotage beschouwde maar oefende verder geen druk op de leden van zijn gezelschap uit; zij moesten, zei hij, ieder voor zich beslissen wat zij zouden doen; was een voldoende aantal bereid om door te spelen (d.w.z. zich bij de Kultuurkamer aan te melden), dan was hij bereid, het gezelschap te blijven leiden. Kort nadien belde Ben Groeneveld uit Amsterdam op; men wist daar dat Verbeek bij Bergfeld ontboden was. Verbeek bracht het niet op, precies te zeggen wat zich bij Bergfeld afgespeeld had. 'Kom naar Amsterdam', zei Groeneveld. Verbeek weigerde. Hij zei alleen maar, 'dat de zaak verloren was." Naar Amsterdam ging wèl, en onmiddellijk, van Meertens contactman bij 'Het Residentietoneel', Bob Oosthoek, en deze lichtte de Amsterdamse directeuren in, wat hun te wachten stond.

XCIn welke volgorde na Verbeek en de Meester de overige toneelleiders op 12,13,14 en 16 februari bij Bergfeld ontboden werden om daar toegebulderd te worden, weten wij niet met zekerheid. Er waren er twee die duidelijk voet bij stuk hielden: Pierre Balledux en Albert van Dalsum. Balledux die vermoedelijk vlak na Verbeek op het matje geroepen werd, zei dat het hem als katholiek, gezien het afwijzend standpunt dat het Episcopaat ten aanzien van de Kultuurkamer ingenomen had, onmogelijk was, zich aan te melden. Het gesprek liep hoog op; in de antichambre kreeg Balledux na afloop van een of andere Duitser een klap op zijn hoofd. Thuisgekomen belde hij mgr. de Jong op. Namens deze kon hij aan zijn gezelschap meedelen dat wie zou weigeren, zich te melden, ondersteuning zou krijgen uit het Fonds voor de Bijzondere Noden; het gezelschap ontbond zich. Van Dalsum zei tegen Bergfeld dat het hem persoonlijk in elk geval onmogelijk zou zijn, door te spelen: bijna alle leden van 'Studio' zouden weigeren, zich bij de Kultuurkamer aan te melden en hijzelf mocht dat niet eens doen, zei hij, want hij had een Joodse echtgenote. Bergfeld antwoordde dat hij hem ter plaatse dispensatie gaf. Van Dalsum repliceerde dat hij die gunst weigerde. Na terugkeer in Amsterdam dook hij met zijn vrouwonder.

XCKo Arnoldi, evenals van Dalsum gemengd-gehuwd, gaf, schijnt het, bij Bergfeld toe maar wist, toen hij dat deed, dat de meeste leden van 'Het Masker' zouden weigeren door te spelen. Dat was ook zo. Het gezelschap gaf na I maart geen voorstellingen meer. Herman Bouber ging wèl door; een zoon van hem zat in Duitsland gevangen en Bouber vreesde dat verzet van zijn gezelschap tot represailles tegen die zoon zou leiden. Ook Cees

XC1 A.v. (mededeling van B. Groeneveld).

770 [PDF]
DR. BERGFELD GR1JPT IN

Laseur ('Het Centraal Toneel') en van der Lugt Melsert ('Het Nederlands Toneel') kwamen van hun toezeggingen, zich niet bij de Kultuurkamer te zullen aanmelden, terug. Laseur oefende evenwel geen enkele pressie op de leden van zijn gezelschap uit en hield, vermoedelijk op of kort na de fatale rode februari, voor het doek een toespraak, 'waarin hij', aldus een aanwezige, 'op zulk een openlijke wijze met de bezetter de draak stak dat het mij ten hoogste verwonderde, hem daarna nog op vrije voeten te zien rondlopen.'! Het enige gezelschap waar wèl duidelijke pressie op de leden uitgeoefend werd, was 'Het Nederlands Toneel' van Cor van der Lugt Melsert. Nadat deze samen met de directeur van het Amsterdams theaterbedrijf H. D. van Dellen, en de intendant van de opera, mr. Johannes den Hertog, bij Bergfeld geweest was, hield van Dellen nog diezelfde dag, 16 februari, tot allen die bij het theaterbedrijf in dienst waren, een toespraak waarin hij de dreigementen van Bergfeld zorgvuldig overbracht, meedeelde dat geen enkele toneelspeler plotseling zijn beroep mocht neerleggen en eindigde met te zeggen, 'dat de Rijkscommissaris de Nederlandse Kultuurkamer uitsluitend in het leven heeft geroepen als een beroepsorganisatie, een organisatie ter bescherming van de belangen harer beoefenaren."

XCDiegenen die het adres aan Seyss-Inquart voorbereid hadden, waren, gelijk reeds eerder vermeld, van plan geweest, het onmiddellijk voor de rode februari in te dienen. Zij werden door de crisis in de toneelsector verrast. Zodra zij van Bergfelds intimiderend optreden vernamen, besloten zij, de indiening zo mogelijk enkele dagen te vervroegen; later verworven handtekeningen zou men kunnen nasturen.

XCMen had bij dat verwerven nogal wat teleurstellingen beleefd. Boutens had geweigerd te tekenen, ook van Royen, de voorzitter van de ontbonden Nederlandse Organisatie van Kunstenaars. Ook anderen hadden geweigerd. Niettemin kwamen bij de leden van het comité van actie vele honderden handtekeningen binnen voor welker inzameling zij en anderen dagen-, soms wekenlang op pad geweest waren. Wieger Bruin, van der Veen en van Gilse ontmoetten elkaar op 16 februari in Amsterdam, verzamelden er aile lijsten met handtekeningen en togen naar Haarlem waar zij in de nacht van 16 op 17 februari nagingen of er wellicht dubbele handtekeningen op de lijsten

XC1 Brief, 14 mei 1947, van B. Hutmingher aan F. Kranenburg (a.v., 30). 2 Tekst in a.v. 77

771 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

stonden. Het adres werd in het Duits vertaald en de volgende ochtend typte, weer in Amsterdam, de schrijfster Emmy van Lokhorst alle stukken in het net. Van der Veen en van Gilse besloten dezelfde dag, onder te duiken; zij realiseerden zich dat, gehoord Bergfelds dreigementen, de gehele actie voor de initiatiememers ernstige gevolgen kon hebben. De anderen vonden die bezorgdheid overdreven. Het adres met de lijsten met handtekeningen werd op 19 februari naar het Reichskommissariat gebracht; anders dan met het adres van de artsen het geval geweest was, werd het niet formeel aangeboden en werden er ook geen visitekaartjes achtergelaten. Enkele honderden handtekeningen werden na een week nagezonden. In totaal was het adres toen door negentienhonderdtwee kunstenaars ondertekend.

XCDe bezetter werd door dit adres danig geïrriteerd. De Sicherheitspolizei kreeg opdracht, te onderzoeken wie de organisatoren geweest waren. Zij ging in een totaal verkeerde richting speuren. Zij vermoedde dat de actie uitgegaan was van de opgeheven Nederlandse Organisatie van Kunstenaars. Op 27 februari werd toen eerst de oud-secretaris van de Nok gearresteerd, ir. Hein von Essen (die pro-Duits was), op 5 maart de oud-voorzitter, mr, van Royen. Beider woningen werden overhoop gehaald bij het zoeken naar gegevens over de organisatoren van het adres. Men vond niets. Op 13 of 14 maart evenwel, ontving een van Seyss-Inquarts naaste medewerkers, Franz Wehofsich, een notitie van de Amsterdamse hoogleraar Snijder die wist te berichten (hij had dat blijkbaar ergens opgepikt) dat Bernet Kempers en Donkersloot tot de organisatoren van het adres behoord hadden. Bernet Kempers werd op 14 maart gearresteerd; Donkersloot samen met vier of vijf anderen, onder wie een lid van het comité van actie, de architect Eibink, op de r Sde,

XCVon Essen werd na een maand vrijgelaten;' de overigen werden met uitzondering van Donkersloot, voor wie zijn Amsterdamse collega van Dam geïntervenieerd had, na enige tijd naar het concentratiekamp Amersfoort overgebracht. Jean François van Royen kwam daar, bijna vier-en-zestig jaar oud, op 10 juni te overlijden. De begrafenis, in Den Haag, van deze fijnzinnige geest 'werd', aldus de geschiedschrijver van de PTT, 'een ware demonstratie tegen de bezetter en de NSB. De daar aanwezige PTT' ers

XC1 Zo slordig was de Duitse administratie dat von Essen op I3 juli '42 opnieuw gearresteerd werd, ditmaal als gijzelaar. Daags daarna kwam hij vrij. 77

772 [PDF]
DE TONEELSPELERS

lieten van der Vegte' (de NSB'er die sinds enkele maanden als directeurgeneraal van de PTT in functie was) 'geheel alleen staan en zongen met de overige bezoekers aan het eindevan de plechtigheid spontaan het Wilhelmus, '1

XCHoevelen van de ca. driehonderd beroepstoneelspelers die het land telde, op 19 februari geweigerd hadden zich als lid van de Kultuurkamer op te geven, weten wij niet precies. Volgens F. Sterneberg, de contactman van het comité van actie bij het toneelgezelschap 'Studio', waren het er een stuk of veertig. Die groep werd evenwel spoedig groter doordat anderen die zich wel gemeld hadden, weigerden aan het toneel verbonden te blijven toen hun in april bleek dat zij ten behoeve van de Kultuurkamer een Ariërverklaring moesten invullen; nog anderen hadden er een paar maanden later genoeg van en weigerden engagementen voor het seizoen 194-2-43. Eind '42 waren het, aldus weer Sterneberg, ca. honderd toneelspelers die de uitoefening van hun functie gestaakt hadden; vermoedelijk sloot dat cijfer de Joodse toneelspelers in. Een uit' 42 daterende lijst vermeldt, die Joodse toneelspelers inbegrepen, tachtig namen van 'weigeraars', onder hen (afgezien van diegenen die wij al eerder noemden) befaamde dan wel veelbelovende acteurs als Han Bentz van den Berg, Johan Fiolet, Ben Groenier, Paul Huf, Constant van Kerckhoven, Jan Musch, Paul Storm en Eduard Verkade en dito actrices als Julia Cuypers, Willy Haak, Mien van Kerckhoven-Kling, Charlotte KöhIer, Fien de la Mar, Else Mauhs, Loudi Nijhoff, Nel Oosthout, Georgette Reyefskyen Claudine Witsen Elias. Ook de dramaturg van 'Het Nederlands Toneel', August Defresne, had zijn functie neergelegd.

XCAl deze personen ontvingen, voorzover zij er behoefte aan hadden, regelmatig ondersteuning. Niet veel! Aanvankelijk kregen alleenstaanden per maand f 50, gehuwden met grote gezinnen f 250. Van Meerten en Sterneberg (die een belangrijke plaats in het steunwerk ging innemen) hadden in februari '42 al een aanzienlijk bedrag bijeen, hetzij in contanten, hetzij in toezeggingen. Zij wisten ook later voldoende geld in te zamelen, althans tot begin '44, en zo bleef de steunverlening aan de toneelspelers in '4-2 en '43 gescheiden van die aan de overige kunstenaars die aanmelding bij de Kultuurkamer geweigerd hadden.

XCEnkele illegale bladen betoonden spoedig hun solidariteit met de weigeraars. 'Komt niet naar de schouwburgen', schreef Vrij Nederland medio maart ~J. G. Visser: PTT 1940-1945, p. n6.

773 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

(hetzelfde standpunt werd in illegale circulaires vertolkt). 'Laat ze leeg, laat de spelers spelen voor lege zalen. Zij zelf bidden en smeken u er om." Wel, dat laatste mocht inderdaad voor sommigen gelden die niet zonder gevoelens van schaamte op het toneel bleven verschijnen, maar het gold niet voor de zakelijke leiding van 'Het Residentietoneel' die met Verbeeks instemming'' in mei' 42 een rondschrijven aan belangstellenden deed uitgaan waarin opgeroepen werd, de actie om het toneel te boycotten, tegen te gaan. 'Het verspreiden van anonieme circulaires schaadt het belang van de goede zaak die wij voorstaan.P Later in' 42 werd in de illegale pers hier en daar de toon tegen de gezelschappen die bleven spelen, uitgesproken scherp. Slaet op den Trommele noemde in de herfst van der Lugt Melsert een 'schandelijk en immoreel sujet'. 'Een misselijke houding neemt', zo heette het verder, 'ook Cees Laseur aan, onder het motto: 'gewoon doorgaan'. Terwijl de vresehjkste drama's zich afspelen, terwijl mensen die vroeger aan zijn kassa stonden, met geweld naar Polen worden weggesleept van alles wat hun lief was, of als gijzelaars in concentratiekampen wachten op dood of bevrijding, terwijlonze zeehelden vurend in de golven verzinken, adverteert deze heer: 'Geen zorgen! Geen gemier!'

XCMet dat al waren op 19 februari '42 van de zes gilden waaruit de Kultuurkamer bestaan moest, nog slechts twee 'ingesteld'. Seyss-Inquart ging er nu haast achter zetten. De gildeleiders waren nog niet defmitiefbenoemd - desondanks werd op 20 maart in de pers bekendgemaakt dat zij die zich bij andere gilden dan het Persgilde of het Gilde voor Theater en Dans moesten melden, zulks vóór woensdag 1 april moesten doen. Die datum was niet zozeer van betekenis voor letterkundigen, beeldhouwers, schilders, architeeten en cineasten, maar natuurlijk wèl voor de musici: een concert of een recital is een publieke gebeurtenis en na 1 april '42 zou optreden in het pubhek alleen mogelijk zijn voor diegenen die zich bij het Muziekgilde aangemeld hadden.

1 II, II (18 maart 1942), p. 4. 2 In de periode herfst '41 -lente '42 organiseerde Verbeek in zijn woning clandestiene avonden waar Joodse acteurs en actrices konden optreden. Voorzover zij lid waren geweest van zijn gezelschap, zorgde hij voor hun ondersteuning. Hij gaflater belangrijke hulp aan ander illegaal werk. Bob Oosthoek, die als 'weigeraar' zijn gezelschap verlaten had, schreef hem in juni' 42, volkomen van zijn goede trouwovertuigd te zijn. S Tekst in 1941-1945, p. 23 (no. vanjuni 1942). • 24 (okt. 1942), p. 3·

774 [PDF]
DE MUSICI

XCEvenals zij bij de joumalisten gedaan had, maakte de leiding van de Kultuurkamer het zich gemakkelijk ten aanzien van grote groepen die onder het Muziekgilde vielen: de leden van de orkesten, van de grote koren, van de muzieken fanfarekorpsen en van de zangverenigingen. Van hen allen werd geen individuele aanmelding gevergd (dat zou maar moeilijkheden geven) - men beschouwde hen eenvoudig als en bloc bij de Kultuurkamer aangemeld. Daartoe werden vele muzieken fanfarekorpsen (minus de katholieke die het werk volgens de richtlijnen van het Episcopaat stillegden) met een aantal dilettanten-orkesten in een Nederlandse Bond van Dilettantenorkesten samengevoegd en de zangverenigingen, voorzover zij het werk niet staakten, in een Nederlandse Bond van Zangverenigingen.' Angst dat de instrumenten en de muziekpartijen in beslag genomen zouden worden, was, schijnt het, een bepalende factor dat zoveel verenigingen, ook protestants-christelijke en socialistische, zich de inschrijving bij de Kultuurkamer lieten welgevallen.

XCBij de grote orkesten stuitten het Muziekgilde en de Kultuurkamer vrijwel nergens op verzet." Trouwens, in de lente van '42 toen deze zaak ging

1 Afgezien van de katholieke staakten ook andere dilettanten-orkesten dan wel muziek- en fanfarekorpsen hun activiteit, zo in Amsterdam de dilettanten-muziek vereniging 'Schubert'. 'Schubert' wilde in juni' 42 de jeugdige Karel Mengelberg die zich niet bij de Kultuurkamer gemeld had, als dirigent laten optreden bij een openluchtconcert. Dat werd verboden. 'Schubert' besloot toen, niet te spelen. Zulks werd met opgave van redenen aan het publiek bekendgemaakt, de 'mededeling werd met luid applaus ontvangen waarop orkest en publiek het terrein verlieten.' (P. F. Sanders: 'Kunst en verzet', V. p. 48). Wat de zangverenigingen betreft, willen wij hier allereerst een onjuistheid uit deel a corrigeren. Wij schreven daar dat in de zomer van' 40 de 'Bond van Arbeiders Zang- en Muziekverenigingen' zich door Rost van Tormingen op sleeptouw liet nemen. Deze bond heeft niet bestaan. Wij bedoelden de Bond van Arbeiders Mu ziekverenigingen die inderdaad zeer actief meegedaan heeft aan de oprichting en de werkzaamheid van de bij de Kultuurkamer aangesloten Nederlandse Bond van Dilettanten-orkesten. De Bond van Arbeiders Zangverenigingen wist daarentegen zijn zelfstandigheid te bewaren, zette wel tot ergernis van Vorrink en anderen zijn arbeid voort, maar weigerde aansluiting bij de Nederlandse Bond van Zangver enigingen en bleef dus ook buiten de Kultuurkamer. 2 De enige nitzonderingen werden gevormd door het bestuur van de Arnhemse Orkest-vereniging dat eind '41 afgetreden was en door M. H. Flothuis, dejeugdige assistentvanRudolfMengel berg bij het Concertgebouw-orkest. Flothuis was' met een half-Joodse vrouw ge trouwd en moest derhalve Goedewaagens departement om dispensatie vragen. Dat weigerde hij herhaaldelijk en op grond van die weigering werd hij in de zomer van' 42 ontslagen. Mr. Evert Cornelis nam zijn plaats in. Flothuis werd later wegens illegaal werk eerst naar het concentratiekamp Vught gestuurd, vandaar naarSachsen hausen.

775 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

spannen, maakte het Concertgebouw-orkest een grote tournee naar Wenen en Boedapest. Naast Willem Mengelberg liepen ook nagenoeg alle andere bekende dirigenten (Eduard van Beinum, Willem van Otterloo, Eduard Plipse, Jaap Spaanderman) tot laat in de bezetting in de pas, en van de twee bekendste moderne componisten, Henk Badings en Willem Pijper, was Badings 'fout' en meldde Pijper zich bij het Muziekgilde aan.

XCIn de wereld van de muziek waren er, afgezien van van Gilse, nog enkele anderen die op principiële gronden weigerden, zich bij de Kultuurkamer te melden: twee mannen, vijf vrouwen (wij zijn er niet zeker van dat onze gegevens volledig zijn). De mannen waren de musicoloog Herman Rutters en de dirigent V~l het Arnhemse Toonkunstkoor, M. A. Brandts Buys, die de zeventig jaar al dicht genaderd was maar onvermoeibaar bleek in het stimuleren van de geest van verzet; de vijf vrouwen behoorden tot Nederlands bekendste solisten: de pianiste Nelly Wagenaar en de zangeressen To van der Sluijs, Theodora Versteegh, Jo Vincent en Annie Woud. Jo Vincent had tijdens de bezetting al eerder van zich doen spreken. In december' 41 was zij in Den Haag als soliste opgetreden met het Concertgebouw-orkest. Zij hoorde toen dat Seyss-Inquart in de zaal zat en zag hem, toen zij opkwam, aan de linkerkant zitten. Toen zij buigend dankte voor haar verwelkoming, liet zij opzettelijk na, naar links te buigen. Onder het applaus na afloop van haar optreden voegde Mengelberg haar toe: 'Je moet ook naar links buigen, daar zit je regering!' 'Mijn regering zit in Londen', was het antwoord van de zangeres, en weer boog zij niet naar links." Zij dacht er niet aan, onder het juk van de Kultuurkamer door te gaan. Op 29 maart' 42, drie dagen voor de laatste aanmeldingsdatum, I april, zong zij samen met Theodora Versteegh in het Amsterdamse Concertgebouw in de Matthaeus Passion; samen met Annie Woud had zij de jaarlijkse uitvoeringen van Bachs passiemuziek in de Grote Kerk te Naarden afgezegd: die vielen op 2 en 3 april. Maar op 30 maart had Jo Vincent nog een recital in 'Diligentia' in Den Haag. De impressario had het laten aankondigen als haar 'afscheidsconcert'. 'In de solistenkamer', zo schreef zij later, 'kwamen er nog mensen die mij hoopten te overreden met angstaanjaging: de Nazi's zouden mij gevangennemen en misschien wel de stembanden doorsnijden.' De zangeres trok zich hier niets van aan en toen zij tot slot met haar stralende sopraan één welgekozen toe

XC1

776 [PDF]
DE LETTERKUNDIGEN

zong, Schuberts 'An die Musik', 'met het, toen zeker, aangrijpende slot: 'o« holde Kunst, ich danke dir', was de ontroering in de zaal onbeschrijflijk."

XCOok in kringen van letterkundigen waren in de herfst van '41 talloze besprekingen gevoerd over de noodzaak van verzet tegen Goedewaagens plannen. Velen hadden er aan deelgenomen, onder hen prof W. J. M. A. Asselbergs ('Anton van Duinkerken'), D. A. M. Binnendijk, prof. Donkersloot, Jan Engelman, prof. C. Gerretson ('Geerten Gossaert'), Halbo C. Kool, M. Nijhoff, H. M. van Randwijk, A. Roland Holst en J. W. F. Werumeus Buning. Wij vermeldden al dat eerst Werumeus Buning en na hem prof. Donkersloot als vertegenwoordiger der litteratoren in het comité van actie opgenomen werd dat het adres aan Seyss-Inquart ging voorbereiden. Van Randwijk droeg er samen met de dichter dr. K. H. Heeroma toe bij dat de protestants-christelijke auteurs nagenoeg unaniem besloten, de' Kultuurkamer en het Letterengilde te boycotten. Een van de weinigen die in die kring de Nieuwe Orde toegedaan was, de dichter Jan H. Eekhout, stuurde in die tijd aan een van Goedewaagens hoofdambtenaren een 'vertrouwelijk rapport' over een gesprek met de schrijver G. Kamphuis. 'Ik. heb', aldus Eekhout,

XC'meer dan twee uren lang met hem 'gestreden'. Maar hij draagt het pantser van het Calvinisme. Het is niet dat hij de zaken niet kan inzien, hij wil ze niet inzien. De heren rekenen nog steeds op een overwinning van Engeland en op het herstel van de oude toestanden. Ik betoogde en betoogde ... Het was praten tegen een muur. .. U weet thans wat u aan de heren protestantse poëten, met Heeroma voorop, hebt. Ik zeg dit omdat het eenvoudige waarheden zijn ... Er valt mij ook in dat hij vertelde dat de christelijke uitgevers (ook zij waren bijeengekomen) de houding der christelijke schrijvers zullen steunen!'>

XCBegin '42 wist men in litteraire kringen dat, afgezien nog van diegenen die 'fout' waren, het verzet tegen de Kultuurkamer niet algemeen zou zijn. Boutens had geweigerd, het adres aan Seyss-Inquart te ondertekenen, van K. J. 1. Alberdingk Thijm ('Lodewijk van Deyssel') was bekend dat hij op de Nieuwe Orde niets tegen had ('nog in 1940 sprak hij vol waardering 'over de NSB 1 )3 - niettemin werd aangenomen dat veruit de meeste schrijvers,Jo Vincent:p.z.d., vanJ. H. Eekhout aan J. van Ham (DoeJ.p.

1 (1955), 86-87. 2 Brief, 1-404, a-r). 3 L. P. Braat: (1966), 96.

777 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

en zeker vele van de bekendsten, aanmelding bij de Kultuurkamer zouden weigeren. De zoste maart kwam het bericht in de pers: aanmelden vóór I april. Dr. Bergfeld liet op die dag, wellicht enkele dagen eerder, aan het bureau van de Kultuurkamer weten, dat hij, zo werd aan Goedewaagen meegedeeld, 'op 2 april eenlijst wenst te ontvangen van prominente kultuurdragers die zich niet op I april gemeld hebben. Dezen zullen wellicht worden aangepakt. Wat de overigen betreft, is nog geen beslissing genomen'! wij zullen dat 'aangepakt' wel zo moeten verstaan dat Bergfeld strafmaatregelen in de geest had.

XCHoeveel schrijvers zich wèl, hoeveel zich niet gemeld hebben, is niet precies bekend: de van de Kultuurkamer bewaardgebleven documentatie is niet compleet. Een uit eind mei' 42 daterende 'voorlopige lijst van schrijvers die zich bij de Nederlandse Kultuurkamer hebben gemeld', vermeldt er drie-en-negentig, vrijwel allen auteurs van wie practisch niemand ooit gehoord had. Tot de in die tijd meer bekenden die op de lijst voorkwamen, behoorde, behalve Alberdingk Thijm, Boutens, Dirk Coster en Gerretson, ook Werumeus Burring. Van meet af aan had Buning ambivalent gestaan tegenover de ondernomen actie (Tndiaantje spelen'); het adres aan SeyssInquart had hij nog ondertekend, maar een aanbod tot financiële steun, hem door Nijhoff overgebracht, sloeg hij af en vooral met het oog op de angsten van de vriendin met wie hij samenleefde, besloot hij na weken van aarzeling, zich aan te melden; het was voor zijn vrienden een grote teleurstelling." De overige schrijvers die aan de onderlinge besprekingen deelgenomen hadden en die wij eerder al noemden (Asselbergs, Binnendijk, Donkersloot, Engelman, Heeroma, Kamphuis, Nijhoff, van Randwijk en A. Roland Holst) hielden zich aan de gemaakte afspraken. Tot diegenen die zich evenmin bij de Kultuurkamer meldden, behoorden (onze opgave is

1 NKK: 'Notulen betr. de vergadering ten departemente op 1 april 1942' (NKK, Persgilde, 127 a). 2 In de herfst van '43 schreefWerumeus Buning de inleiding bij het tweede deel van het illegale Kort nadien kreeg hij contact met de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers; hij bewees haar, de Ordedienst en later ook de Binnenlandse Strijdkrachten allerlei diensten. In februari of maart '42 had Buning nog een gedicht geschreven dat kennelijk tegen de NSB en haar formaties gericht was. De laatste strofe luidde: 'Ik zie waar z' op een rij staan als eieren in hun rek, Verlaine aan hen voorbijgaan, momp'lend: 'Door een poel drek .. .' '

XC

778 [PDF]
DE LETTERKUNDIGEN

niet volledig) Bertus Aafjes, Jacques Bloem, mr. F. Bordewijk, Ina BoudierBakker, Jan Campert, Antoon Coolen, Maurits Dekker, M. Droogleever Fortuyn-Leenmans ('Vasalis'), Clara Eggink, Henriëtte val]. Eyk, Alma van Gogh-Kaulbach, Jan de Hartog, Han G. Hoekstra, Ed. Hoornik-, J. G. lofriet ('Gerard den Brabander'), C. J. Kelk, Jef Last, Adriaan Morriën, Top Naeff, Henriëtte Roland Holst, dr. W. A. P. Smit, Garmt Stuiveling", M. H. Székely-Lulofs, Simon Vestdijk", Hendrik de Vries en Theun de Vries.

XCVaderland aanleiding, het departement van volksvoorlichting en kunsten te verzoeken, 'De Gids de lendenen te breken of een andere kop te geven.' (aangehaald in L. de Jong: Je Maintiendrai, dl. II, p. 233). De publikatie van De Gids werd nog geruime tijd voortgezet, tot ergernis van diegenen die de Kultuurkamer afgewezen hadden. Er zijn overigens tot in de lente van '42 ook in andere litteraire maandbladen als De Gulden Winckel en Groot Nederland bijdragen verschenen die een min of meer duidelijk verzetskarakter droegen.

XC1 Hoornik was tot oktober '42 werkzaam gebleven bij het Algemeen Handelsblad, ook onder de hoofdredactie van de NSB'er Hoogterp ; zijn bijdragen in dit blad werden na de oorlog door de commissie voor de perszuivering afgekeurd. Hoornik was evenwel nog voor hij ontslag nam, in contact gekomen met illegale groepen, verrichtte in '43 allerlei werkzaamheden voor de groep CS-6 en werd in augustus ,43 gearresteerd toen bij een politieonderzoek naar aauleiding van een luidruchtig feestje bleek dat een van de weinige leden van die groep die zich nog op vrije voeten bevond, Hans Katan, in zijn woning aanwezig was. Hoornik werd via het coneentratiekamp Vught naar Dachau gezonden. 2 Met medewerking van dr. Stuiveling verscheen in de zomer van' 42 de zeventiende druk van de Historische Schets van de Nederlandse Letterkunde van prof. dr. C. G. N. de Vooys. Hierin waren, vergeleken met de zestiende, politieke 'correcties' aangebracht. Bij verscheidene schrijvers werd voor het eerst op hun Joodse afkomst gewezen, zulks volgens voorschrift van het departement van volksvoorlichting en kunsten. Terwijl Stuiveling voorts de gegevens over zijn eigen verleden als sociaal-democraat schrapte, handhaafde hij die met betrekking tot de oud-communist Jef Last en de communist Theun de Vries. Ter voorkoming van misverstand wijzen wij er op dat auteurs van wetenschappelijke werken zich niet bij de Kultuurkamer behoefden te melden. Voor de papiertoewijzing was men evenwel afhankelijk van het departement van volksvoorlichting en kunsten. Later in de bezetting verleende Stuiveling in Hilversum hulp aanjoodse onderduikers alsook aan een aantal verzetsgroepen. 3 Vestdijk die in mei '42 als gijzelaar gearresteerd werd, werdeindfebruari '43 ontslagen op voorwaarde dat hij zich bij het Letterengilde zou melden. Hij lichtte zijn vrienden onmiddellijk in; hij had, schreefhij Theun de Vries, 'menselijk gesproken, geen andere keus.' (brief, 28 febr. 1943, van S. Vestdijk aan Theun de Vries in S. Vestdijk: Brieven uit de oorlogsjaren aan Theun de Vries (1968), p. 63). Vestdijk publiceerde nadien niets meer, tenzij illegaal (hij had ook twee Joodse onderduikers in huis). Hij leefde gedeeltelijk van de inkomsten die hij verkreeg uit de Duitse vertalingen van enkele van zijn vooroorlogse romans. Een merkwaardige kortsluiting tussen het Reichskommissariat en de Duitse Kuiturleammer leidde er toe dat

779 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

XCEind mei of begin juni werden de namen van de 'prominente kultuurdragers' die zich niet gemeld hadden, door Goedewaagens departement .aan dr. Bergfeld opgegeven. Deze liet op 8 juni het departement weten dat hij wenste dat de politie het optreden van de toneelspelers en solisten onder hen zou verhinderen. 'Hinsichtlid: der in dem Schreiben genannten Schriftsteller bitte ich s«, schreefhij, 'nichts zu unternehmen; hier werde ich gegm die Betref [enden mit andern Mitteln vorgehen.'l Die 'andere middelen' kregen de vorm van een brief van Bergfeld die een aantal weken later toegezonden werd aan Bloem, Bordewijk, Coolen, Kelk, A. Roland Holst en mevr. SzékelyLulofs, Hun werd verzocht, zich alsnog te melden; hadden zij daar bezwaar tegen, dan zou dr. Bergfeld hen graag voor een gesprek ontvangen. Coolen, Kelk en mevr. Székely-Lulofs meldden zich toen aan, maar schreven dat zij zulks als een pure formaliteit beschouwden, aangezien zij geen litteraire werkzaamheden meer verrichtten. Bordewijk berichtte alleen het tweede en liet de formele melding achterwege. Bloem en Roland Holst handelden als Bordewijk maar ontvingen toen van Bergfeld een tweede brief waarin er op gewezen werd dat zij zich al dienden aan te melden op grond van het feit dat er nog boeken van hen in de handel waren; impliciet werd in die tweede brief met de Sicherheitspolizei gedreigd. Bloem antwoordde toen dat hij zich niet tegen inschrijving bij de Kultuurkamer wilde verzetten. Tot die Kamer richtte Roland Holst het volgende schrijven:

XC'Tot het laatst toe ben ik op het standpunt gebleven, onder géén beding mij uit eigen wil voor de Nederlandse Kultuurkamer te melden. Thans blijkt mij uit een missive van dr. Bergfeld dat ik niet met een Nederlandse cultuurmaatregel te maken heb, doch met een Duitse politiemaatregel. Waar ik mij naar de politiemaatregelen der bezettende macht schik, ga ik er dus bij deze toe over, mij voor een Kultuurkamer te melden die haar vorming door dergelijke maatregelen laat waarborgen.

XCNaar men mij verzekert, is het aan de leiding dezer Kultuurkamer, te beslissen of ik al dan niet als lid zal worden goedgekeurd.

XCHet moet mij van het hart, u te verzekeren, dat uw afkeuring door mij op hoge prijs zal worden gesteld.'

XCDr. Bergfeld ontving hier afschrift van. Hem deed Roland Holst weten:

XC'Ierse Nachten', hetwelk Vestdijk tijdens de bezetting schreef en dat hij in bezet gebied niet liet verschijnen,alsin Duitsland gepubliceerd werd.

in '44

XC1 Brief, 8 juni 1942, van]. Bergfeld aan het DVK (DVK,

780 [PDF]
DE BRIEVEN VAN A. ROLAND HOLST

XC'Weder aus den Verordnungen dieser Kulturkammer, noch aus Ihrem ersten Schreiben wurde mir deutlich, dass die sich vol/ziehende Veränderung van 'Cultuur' in 'Kultut' sich auf dem Wege von Polizeimassnahmen durchsetzen würde,

XCAls Westeuropäer fäUt es einem Holländer nicht leicht, sich van diesen, seiner Art fremden Auffassungen einen Begriff zu bilden.'1

XCBergfeld was des duivels. 'Sa was können wir uns nicht bieten lassen!' riep hij uit.ê Ondanks het protest van Goedewaagen liet hij de Nederlandse politie onmiddellijk opdracht geven, Roland Holst te arresteren, maar toen men in Bergen naar dièns woning ging, bleek de dichter niet langer aanwezig te zijn. Het zoeken werd nog enige tijd voortgezet; men kon hem niet vinden." Afschriften van Roland HoIsts brieven gingen spoedig in het land de ronde doen; zij hadden, aldus Theun de Vries, 'een hartversterkende invloed op de overige letterkundigen, in het bijzonder op de jongeren die Roland Holst om diens karaktervolle en doelbewuste houding in hoge mate vereerden.' 4

XCOnze gegevens over deze sector zijn verre van volledig. Duidelijk is wel dat de genoemde bonden en de Vereniging tot bevordering van de belangen des boekhandels zich alle vier verre hielden van de Kultuurkamer. Het werd april '43 voor het departement ingreep. Er werd toen bij de Vereniging door Miiller-Lehning een gemachtigde benoemd. De besturen van de Vereniging en de leden van al haar commissies traden toen af en de drie bonden weigerden daarop uitdrukkelijk, zich bij de Kultuurkamer aan te sluiten. Vervolgens richtte de leider van het Letterengilde tot Müller-Lehning het verzoek, tegen die drie maatregelen te nemen. Medio maart '44 was er 'nog steeds niets gebeurd';'

XCTwee gilden hebben wij nu nog te behandelen: het Filmgilde en het Gilde voor Bouwkunst, Beeldende Kunsten en Kunstnijverheid,

XCOver het Filmgilde kunnen wij kort zijn; het werd goeddeels een voortzetting van de Nederlandse Bioscoopbond. Het kreeg als leider een volstrekt -opportunistische cineast, G. J. Teunissen. Deze had vóór de oorlog met Joods kapitaal een gevoelige film gemaakt over de Amsterdamse Jodenhoek ('Sabbath'), maar 'ongeveer een uur na de capitulatie van Nederland' !( dinsdagavond rz.mei '40 dus) stelde hij aan een kennis de vraag of deze hem aan een introductie voor de directeur van de Duitse fllmproductiemaatschappij Uja kon helpen.ê Vanuit de bioscoopwereld waar men in de lente van '42 al bijna twee jaar lang gewend was, uitsluitend Duitse of door de Duitsers toegelaten films te draaien, kreeg de Kultuurkamer geen tegen:stand.

XCDat lag anders bij het Gilde voor Bouwkunst, Beeldende Kunsten en Kunstnijverheid.

XCWat de architecten betreft: hun grootste organisatie, de Nederlandse Bond van Architecten, was in de zomer van '41 onder een 'commissaris geplaatst; de meeste leden hadden de bond toen verlaten maar een aantal was in onderling contact gebleven onder leiding van een driemanschap en een van de leden daarvan, de architect A. Eibink, had deelgenomen aan de voorbereiding van het adres aan Seyss-Inquart. Eibink werd medio maart gearresteerd. De twee resterende leden van het driemanschap kwamen toen2 PRA-Den Haag: p.v. inz. G.J. Tennissen (17 mei 1947), p. 16 (getuige A. C. Slop)

1 Brief, 10 maart 1944, van het Letterengilde aan R. van H. (Doe 1-767, a-r).

782 [PDF]
ARCHITECTEN BEELDHOUWERS

met twee vroegere bestuursleden bijeen en van dit viertal (ir. A. J. van der Steur, ir. W. van Tijen", G. Westerhout en ir. H. T. Zwiers) ging het advies naar alle architecten uit, zich wel bij de Kultuurkamer te melden, zij het onder uitdrukkelijk protest. Dit advies werd gegeven onder de indruk van het ineenzakken van het verzet der toneelspelers. Men was bovendien bevreesd dat na Eibink ook vele anderen gearresteerd zouden worden. Van belang was voorts dat men wist dat het Episcopaat aan de katholieke architeeten had doen weten dat dezen niet actief aan de Kultuurkamer mochten medewerken maar zich wel het lidmaatschap mochten laten aanleunen. Tenslotte meende men te weten dat talrijke architecten niet bereid waren, met een weigering hun eigen bestaan en dat van hun medewerkers op het spel te zetten. 'Men kan niet ontkennen', aldus de architect Jac. Bot, 'dat het advies bij een niet onbelangrijk deel der architecten met een gevoel van opluchting werd ontvangen.P Het werd door de als progressief bekende architectengroep 'De S' (die buiten de bond gestaan had) overgenomen.

XCMaar er rees verzet. Enkele meer weerbaren, onder wie de jonge architect Koen Limperg, staken de hoofden bijeen en besloten, collectief te weigeren als men in totaal tweehonderd architecten kon vinden die bereid waren, 'neen' te zeggen. Men vond er tachtig; daarmee was de actie mislukt. Enkele maanden later weigerden evenwel talrijke architecten de Ariërverklaring in te vullen die hun door de Kultuurkamer toegezonden werd. Daardoor werd, aldus weer Bot, 'het gebroken front enigermate hersteld."

XCDe leden van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers kwamen, vermoedelijk in de tweede helft van maart, in het Stedelijk Museum te Amsterdam bijeen om zich over hun houding te beraden. Het werd, aldus L. P. J. Braat, penningmeester van de kring, 'een bewogen, ja dramatische vergadering ... Enkelen drongen aan op een tactisch optreden, hetgeen dus neerkwam op het lidmaatschap van de Kultur kammer ... Gerrit van der Veen (wij hadcienhem tot dan toe een stille,bescheiden, zelfs wat saaie jongeman gevonden) toonde zich in die vergadering een zelfbewust, taai strijder tegen de gedwongen aanmelding ... Temidden van een verward tumult, gedeeltelijk veroorzaakt door de redelijke stemmen der bezadigden die, als steeds en overal ter wereld, opkwamen voor een compromis, verlieten Gerrit van der Veen, Hildo Krop, Fred Carasso ... en ik de zaal. Ik hadIr.van Tijen had inzijn werk als architect bij de Fokkerfabrieken, waar zijn broer, ir. J.van Tijen, onderdirecteur was, neergelegd, aangezien hij de uitvoering van Duitse opdrachten niet wijde bevorderen.van Tijens werk was toen overgenomen door de architect B. Merkelbach, een van de voormannen van 'De 8'. 2 Jac. Bot in 'Kunst en verzet', VI, p. 17. 3 A.v., p.

1 W. 1940 E. W.

783 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

de kas van de Kring bij me. Deze kas zou (Gerrit van der Veen bedacht het en ordonneerde het) weldra de basis zijn van de strijdkas waaruit kunstenaars, in moeilijkheden geraakt door hun weigering om: lid te worden van de verachte Kulturkammer, gesteund zouden wqrden.'l t '

XCwellicht heeft Braat hiermee de tegenstellingen toch iets te scherp aangegeven. Toen de datum van 1 april genaderd was, meldden 'zich in elk geval naar verhouding minder beeldhouwers dan schilders. Vander Veen, Krop, Carasso en Braat waren niet de enige weigeraars. Nadere gegevens ontbreken. Zij ontbreken ook voor de schilders. Deze waren, aldus een naoorlogse schrijver, 'veel meer verdeeld en verward, zodat velen (onder wie, helaas ook 'vooraanstaanden' die een beschamend voorbeeld aan de jongeren gaven) zich meldden als gildelid. Ernstiger was het dat sommigen van hen die zeiden, enkel uit angst en verwarring gehandeld te hebben ... , niet aarzelden, in koelen bloede het vacuum te vullen dat ontstaan was door het niet-exposeren hunner collega's," zodoende veel aanzienlijk geldelijk gewin trekkende uit de vastberadenheid der standvastigen . .. Ergerlijk was ook de karakterloze haast waarmee de hoogleraren van de Rijksacademie te Amsterdam zich in het gilde spoedden ... Hoeveel meer karakter toonden de leerlingen die weigerden deel te nemen aan de Prix de Rome" in 1942! Er was trouwens voor de Prix de Rome voor beeldhouwkunst in het gehele land geen beeldhouwer te vinden die in de jury plaats wilde nemen! Ook niet-kunstenaars als de heer D. Röell, directeur van het Stedelijk Museum te Amsterdam, weigerden, lid van de jury te worden." . Ook binnen de schildersverenigingen had de vraag: al of niet toetreding tot de Kultuurkamer, al sinds de herfst van '41 onderwerp van debat gevormd. De vijf belangrijkste verenigingen waren 'Arti et Amicitiae', 'Pulchri Studio', 'Sint Lucas', 'De Onafhankelijken' en de kleine vereniging 'De Brug'. Als vereniging dienden zij zich bij de Kultuurkamer te melden. 'Arti et Amicitiae' en 'Pulchri Studio' bezaten, respectievelijk in Amsterdam en Den Haag, een eigen gebouw, tegelijk een sociëteit en tentoonstellingsruimte, alsmede eigen fondsen waaruit weduwen en wezen van overleden leden bescheiden uitkeringen kregen, soms ook nog levende leden wanneer die in moeilijkheden verkeerden. Ook de Vereniging 'De Onafhankelijken' had een fonds voor onderlinge steun. 'Arti et Amicitiae' was het rijkst: door de legaten die men in de loop der jaren ontvangen had, was het bedoelde fonds meer dan een miljoen gulden groot. Bezorgdheid dat men deze mate

XC1 L. P. J. Braat: Omkranste hiaten, p. II6-II7. 2 Wie zich niet bij de Kultuurkamer gemeld had, mocht niet aan exposities deelnemen. • Het jaarlijkse concours voor afstuderenden. • 'Kunst en verzet', II, p.

784 [PDF]
SCHILDE RSVERENIGINGEN

riële bezittingen zou verliezen (het departement dreigde met confiscatie voor het geval men zich niet zou melden), ging een belangrijke rol spelen en in maart '42 maakten de voorzitters van de drie grootste verenigingen: 'Arti et Amicitiae', 'Pulchri Studio' en 'Sint Lucas', respectievelijk G. Westerman," Willy Sluiter en Bart Peizel, de afspraak dat hun verenigingen zich gelijktijdig bij de Kultuurkamer zouden melden. 'Arti et Amicitiae' en 'Sint Lucas' deden dat vrijwel onmiddellijk, maar bij 'Pulchri Studio' kwamen er heftige protesten van drie bestuursleden, J. Bruyn, D. Bus en D. Wolters; dezen traden uit het bestuur; Willy Sluiter die het eigenlijk met hun kritiek eens was (in de betrokken bestuursvergadering stemde ook hij tegen toetreding), bleef niettemin als voorzitter aan. Het bestuur van 'De Onafhankelijken' (voorzitter: C. J. Maks) riep eind maart de leden in vergadering bijeen; hoewel deze vereniging in de jaren' 30 een duidelijk antifascistisch standpunt ingenomen had, waren er onder de ca. tachtig leden die de vergadering bijwoonden, slechts acht die het bestuursvoorstel: aanmelden bij de Kultuurkamer, verwierpen; onder die acht bevond zich de secretaris, F. Sieger, die aftrad. 'De Brug' volgde het voorbeeld van de overige verenigingen.

XCDeze gang van zaken betekende dat de genoemde schildersverenigingen zich bij hun verdere activiteiten aan de richtlijnen van de Kultuurkamer hielden. Trouwens, Jaap Colnot, penningmeester van 'Arti et Amicitiae', werd tot hoofd van de vakgroep schilders van het Gilde voor Bouwkunst" Beeldende Kunsten en Kunstnijverheid benoemd. De steunverlening aan de Joodse weduwen en-wezen werd gestaakt en in september' 43 werd in een notitie van het departement van volksvoorlichting en' kunsten opgemerkt dat het bestuur van 'Arti et Amicitiae' 'steeds uitgemunt heeft door de meest loyale houding tegenover de Kultuurkamer.P

XCOverziet men de behandelde sectoren (toneel, muziek, letteren, fum, architectuur en beeldende kunsten), dan mag geconstateerd worden dat in eerste instantie de plannen voor de Kultuurkamer practisch door alle Nederlandse cultuurdragers van enige betekenis afgewezen werden. Het adres aan Reichs kommissar Seyss-Inquart, door een kleine tweeduizend kunstenaars ondertedeze heeft zich niet bij de Kultuurkamer aangemeld. 2 Notitie, 16 sept. 1943, van

1 Westerman was tweede voorzitter. Voorzitter Huib Luns was in die tijd ziek;

785 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

kend, sprak duidelijke taal. Dat men dit verzet niet volhield, had in hoge mate te maken met de gebeurtenissen in de toneelwereld: van het feit dat in de eerste groep die onder krachtige pressie geplaatst werd, zovelen bezweken, ging een deprimerende invloed uit. Voorts wekten de in maart uitgevoerde arrestaties (en maart was een maand waarin het oorlogsnieuws geen enkel lichtpuntje bood!) een vrij algemeen gevoel van angst. Door die angst heeft men zich in de sector van de letteren het minst laten beïnvloeden: daar is het verzet tegen de Kultuurkamer het duidelijkst volgehouden.

XCDit had, dunkt ons, ook te maken met de maatschappelijke positie van de litteratoren.

XCToneelspelers en musici konden, zo leek het, hun brood slechts verdienen door in het publiek op te treden; de architecten waren afhankelijk van overheidsopdrachten en gevoelden zich veelalook verantwoordelijk voor het lot van hun medewerkers; de schilders waren afhankelijk van materiaaltoewijzingen (schilderslinnen, verf) die via de Kultuurkamer zouden lopen. De schrijvers daarentegen waren lang niet allen aangewezen op hun schrijversinkomsten en in de lente van '42 mochten bovendien velen onder hen vertrouwen dat hun vaste uitgevers bereid zouden zijn, hun voorschotten te verstrekken in de korte tijd die, naar men aannam, zou verstrijken voor de bevrijding kwam.

XCWij hebben tot dusver over de kunstenaars geschreven. Onder de groepen die zich bij de Kultuurkamer moesten melden, waren er evenwel verscheidene die men gemeenlijk niet tot 'de kunstenaars' rekent: dansleraren, muziekleraren, amusementsmusici, muziekhandelaren, caféhouders (als in hun café's muziek ten gehore gebracht werd, moesten ook zij zich bij de Kultuurkamer melden), film- en smalfilmverhuurders, producenten van reclameprojectie, filmtechnici - en in de kunsthandel waren er speciaal in die tijd velen bij wie de artistieke roeping geen rol speelde. De cijfers omtrent de aanmeldingen bij de Kultuurkamer zeggen dan ook weinig. Op 22 april, drie weken na het sluiten van de aanmeldingstermijn, waren, aldus een functionaris van de Kultuurkamer, 'ruim zes-en-twintigduizend individuele aanmeldingen binnengekomen'; het begrip 'individueel' is hier overigens ten onrechte gebruikt, want van die zes-en-twintigduizend waren 'vijfduizend via de collectieve weg der Federatie van Nederlandse Toonkunstenaars en vijfduizend via de Bond van Nederlandse Zangverenigingen en de Bond van Nederlandse Muziekverenigingen' gearriveerd.' Eigenlijk mocht men dus slechts van zestienduizend 'individuele aanmeldingen' spreken.

XC1 NKK: 'Aantekeningen betr. de vergadering op 22 april 1942' (NKK, I

786 [PDF]
DE KULTUURKAMER FAALT

Hoeveel verenigingen zich toen aangemeld hadden, is niet bekend. Sommige werkten door zonder zich aan te melden, andere staakten de arbeid; in april was het aan de commissaris voor de niet-commerciële verenigingen en stichtingen bekend dat al ca. 250 verenigingen tot ontbinding overgegaan waren omdat zij niets met de Kultuurkamer te maken wilden hebben.

XCWat de individuele aanmeldingen betreft, moet men voorts in het oog houden dat menigeen al in de vroege zomer van '42 verder contact met de Kultuurkamer weigerde toen bleek dat men een Ariërverklaring moest invullen. Meer dan een instelling die op economisch gebied bepaalde faciliteiten aan de aangeslotenen bewees, werd de Kultuurkamer niet. Zij was niet representatief voor de Nederlandse cultuur en zij kreeg daar ook geen vat op. Zij had zich, integendeel, door de dwang die in de opzet stak en waarmee ook de oprichting gepaard ging (de Sicherheitspolizei was er aan te pas gekomen) van meet af aan gediskwalificeerd. 'Hier, in het feit dat wij', aldus na de oorlog Goedewaagen, 'de cultuur sociaal, economisch, paedogogisch wilden ordenen, ligt de eerste oorzaak van de afkeer en weerstand die wij ondervonden. Hier ontvlamde dat instinctieve en irrationele vrijheidsbesef van de scheppende mens dat hem in opstand doet komen tegen alles wat hij voor een bedreiging van zijn autonomie houdt. Maar de diepste oorzaak lag weer elders: in de omstandigheid dat wij het nieuwe aanboden in een te Duitse vorm niet alleen, maar met de Duitse bezetting als steun achter ons. Wat op 9 mei 1940 misschiennog discutabel geweest ware, was op 10 mei 1940 indiscutabel geworden. Wij hebben dat onomstotelijke feit niet erkend, zeker niet begrepen. Wij hebben allerlei oorzaken gezocht: de traagheid, het conservatisme en de 'idylle' waarin ons volk leefde ... maar wij zochten die oorzaak niet, waar zij lag: in onszelf, die door onze (ook alweer begrijpelijke) solidariteit met de bezetting onszelf de pas naar ons volk hadden afgesneden.' 1

XCDe strijd tegen de Kultuurkamer leidde tot een reeks illegale C.q. clandestiene activiteiten. In mei begonnen Gerrit van der Veen, Jan van Gilse en diens zoon, de schrijver Maarten van Gilse, met de uitgave van een nieuw illegaal blad, De Vrije Kunstenaar; De Brandarisbriej die de schilder-schrijver W. J. C. Arondeus van de herfst van '41 af uitgegeven had, werd hierin opgenomen. Tot de vaste medewerkers van De Vrije Kunstenaar behoorden spoedig enkelen van diegenen die tegen de aanmelding bij de Kultuurkamer

XC:1 T. Goedewaagen: 'Autobiografie', p.

787 [PDF]
VAN KERKEN EN KUNSTENAARS

geageerd hadden: de architect [ac. Bot, de toneelspeler Ben Groeneveld. Ook de steunverlening aan de principiële weigeraars kwam nu op gang. Voor de katholieken onder hen zorgde het bisschoppelijk Fonds voor de Bijzondere Noden. De toneelspelers werden, voorzover niet-katholiek, geholpen uit het aparte, door van Meerten bijeengebrachte fonds dat wij reeds vermeldden. De beeldhouwers kon men enige tijd helpen uit de kas van de Nederlandse Kring van Beeldhouwers die van der Veen zich toegeëigend had. Voor de overige kunstenaars werd aanvankelijk geld ingezameld door J. Pront, directeur van het modehuis 'Liberty' te Amsterdam, die vooral gesteund werd door hem bekende Twentse fabrikanten. Pronts werk werd omstreeks mei' 42 overgenomen door mr. H. J. Reinink (die eind' 4 I als chef van de afdeling hoger onderwijs bij van Dams departement ontslag genomen had) en door de kunsthistoricus dr. J. G. van Gelder. Behalve de Twentse industriëlen schonken ook anderen hun regelmatig aanzienlijke bedragen en bij de Haagse bankier mr. E. E. Menten konden zij kredieten opnemen tot een totaal van f wo 000. Het nodige geld werd periodiek in Amsterdam doorgegeven aan (aanvankelijk) de conservator van de Amsterdamse gemeentemusea, W. Sandberg, en aan een andere Amsterdammer, mr. J. van Heusden. Met Sandberg kwam van der Veen spoedig in contact en er werd geleidelijk voor de distributie der gelden een vaste organisatie opgebouwd waarin elk ressort (schilders, beeldhouwers, schrijvers enz.) zijn eigen vertegenwoordiger had. De steunbedragen waren bescheiden: f 100 per maand voor een gehuwd, f 75 voor een ongehuwd kunstenaar. In '42 werd door deze organisatie ruim f 5 I 000 aan steun gedistribueerd, in '43· bijna f 90 0001 er werden dus gemiddeld omstreeks honderd 'weigeraars' tegelijk gesteund. Er waren er veel meer. Men kan hieruit al afleiden dat talrijke kunstenaars er in slaagden, op andere wijze het hoofd boven water te houden. Zo werden voor de beel. dende kunstenaars onder hen 'zwarte' tentoonstellingen georganisseerd ten huize van particulieren; Hilda van Hall uit Hattem werd, aldus Braat, 'de ziel' van dit werk.ê 'er werd goed verkocht en redelijk verdiend, ook

XC1 In '44 bijna f 170 000, maar daarvan was f 135 000 afkomstig van het (illegale) Nationaal Steunfonds. Dit NSF stelde in '45 nog eens f II4 000 ter beschikking. Reinink: kwam met de leiding van het .NSF in contact doordat mr. G. van Hall, broer en naaste medewerker van de leider van het NSF, Walraven van Hall, gehuwd was met een dochter van de Haagse uitgever Wouter Nijhoff. Tevoren hadden Nijhoff en de Amsterdamse uitgever J. R. Meulenhoff zich op verzoek van Reinink: al met de taak belast, in uitgeverskringen gelden in te zamelen die via Reinink: en van Gelder bij de distributoren kwamen. 2 L. P. J. Braat in Kentering, XI, 2 (maartapril 1970), p.

788 [PDF]
STEUN AAN KUNSTENAARS

was er een enkele kunsthandel, niet aangesloten bij de Kultuurkamer, die kans zag, werk ook van niet-aangeslotenen aan de man te brengen.'! Daarnaast waren er particulieren die schrijvers uitnodigden, te hunnen huize uit hun werk voor te lezen; men werd dan betaald met geld of in natura. Hetzelfde geschiedde ten behoeve van toneelspelers en van solisten. Jo Vincent die niet meer mocht optreden, reisde bijvoorbeeld met haar man 'het gehele land af, veel naar Rotterdam, bij de grote bankiers in hun voorname huizen, naar een pastoor in Groningen, een dokter in Wognum, een tandarts in Goes; naar de mijningenieurs in Zuid-Limburg, een fabrikant in Twente, naar een klein landhuis op de hei in Eindhoven; naar grote industriëlen in Helmond en Vught, naar een advocaat in Eindhoven, naar vrienden in het Gooi en in onze onmiddellijke omgeving - niet te vergeten Voorburg waar een grossier in levensmiddelen (welk een relatie!) zovele keren per winter zijn huis voor ons openstelde en ons steeds weer overlaadde met grote paketten.I"

XCOok op clandestiene kerkconcerten trad Jo Vincent op. Daar werd geen entree geheven, maar de zangeres werd in natura betaald:

XC'In Oude Wetering kreeg ik tweehonderd eieren, twee pond boter, een kaas en twee jonge hanen (panklaar). En in Hillegom een mud tarwe, een ton 'kolen, vijf liter olie, een ons thee, een ons koffie, en voor mijn man een kruik jenever en tien liter benzine voor de auto. • En natuurlijk, het was in april 1944, bloemen."

XCTenslotte trad Jo Vincent ook ~ recitals op die bij haar thuis gegeven werden, meestal op zaterdag- of zondagmiddag. Daar kwamen soms wel honderdveertig toehoorders bij die elk een klein bedrag betaalden. 'Het simpele liedje van Catharina van Rennes: 'Mijn land', zó sentimenteel, dat het voor de concertzaal onmogelijk was, deed tranen stromen bij harde, nuchtere zakenlieden.' 5

XCHoe nuttig is het dat Jo Vincent deze herinneringen vastgelegd heeft! Talloze andere uitvoerende kunstenaars op muziekgebied waren ei, alsook schrijvers en toneelspelers, die van overeenkomstige ervaringen hadden kunnen berichten. De steun die aldus geboden werd aan diegenen die het Duitse gezag getart hadden, ging hoofdzakelijk van welgestelden uit," maarA.v.:Jo Vincent:p.Jo Vincents echtgenoot had als arts Zijn auto kunnen behouden. • Jo Vincent:p.A.v.,' p.Misschien hangt hiermee de constatering samen in hetvan dedaarmee waren speciaal de toneelvoorstellingen bedoeld ('Meldungen aus den Nieder landen', 'Jahresbericht 1942', p. ·61).

1 p, 127. 2 88. 8 48. 5 90. 6 1942

789 [PDF]
V AN KERKEN EN KUNSTEN AARS

het spreekt vanzelf dat de cultuurverarming die zich in het openbare leven manifesteerde, in veel breder kringen waargenomen werd. En zo leidde de oprichting van de Kultuurkamer tot een versterking van de animositeit jegens Duitsers en NSB' ers; bovendien bevorderde die oprichting, gelijk uiteengezet, een brede scala van clandestiene activiteiten en tenslotte bracht zij een klein aantal van de meest weerbaren er toe, de illegaliteit in te gaan. 79

790 [PDF]

Hoofdstuk 9: De illegaliteit

XC

XCVerzet, zo schreven wij eerder, is een veel ruimer begrip dan illegaliteit. Verzet werd geboden door een ieder die zich, op welke wijze ook, door zijn houding of door zijn activiteit, tegen de doeleinden keerde die de bezetter in Nederland trachtte te bereiken. Verzetswerk werd illegaal werk, geheim werk, ondergronds werk, daar waar daden bedreven werden die, zonder van 'normale' criminele aard te zijn (diefstal ten nadele van de Wehrmacht bijvoorbeeld), door de bezetter strafbaar gesteld waren. Alle illegale activiteit was verzetsactiviteit maar er is, zoals al uit de voorafgaande hoofdstukken bleek, veel verzet geboden zonder dat men van illegale werkzaamheden spreken kan. Een organisatie als de Nederlandse Unie had in de periode '40-' 41 niets met de illegaliteit te maken, maar er stak wèl een opmerkelijk verzetselement in. Ook het kerkelijk verzet was niet illegaal - het was wèl verzet. Natuurlijk mag men die tegenstelling niet verabsoluteren. Men mag dat al daarom niet omdat door de bezetter verzetsactiviteiten die juridisch niet strafbaar waren, toch gestraft werden: de Sicherheitspolizei die in feite boven de wet stond, had immers binnen het Duitse systeem een universele bevoegdheid om in te grijpen.

XCIn het kunstenaarsverzet kon men de overgang van verzet naar illegaliteit duidelijk volgen. Het adres dat de Nederlandse kunstenaars en architecten in februari 1942 aan Seyss-Inquart aanboden, was geen illegaal stuk: het was door een kleine tweeduizend Nederlanders openlijk en met hun volle naam ondertekend. Het stuk droeg wèl een verzetskarakter en diegenen die als comité van actie deze manifestatie hadden voorbereid, hadden dan ook terecht hun besprekingen geheim gehouden. De bezetter reageerde op de aanbieding met het arresteren, onder meer, van enkele leden van het comité en twee van die leden, Gerrit van der Veen en Jan van Gilse, doken vervolgens onder. Zij werden full time'illegalen'. Dat betekende dat zij hun woonadres verlieten, bij vrienden of beken den introkken en een andere naam aannamen. Hier vloeide uit voort dat zij voor het afhalen van hun distributiebescheiden althans persoonlijk niet meer gebruik konden maken van hun distributiestamkaart en dat zij zo spoedig mogelijk in het bezit moesten zien te komen van een persoonsbewijs dat de gegevens bevatte die met hun nieuwe identiteit overeenkwamen. Bij van der Veen en van Gilse hing die 79

791 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

overgang naar het volledig illegaal bestaan met hun verwachting samen dat de Sicherheitspolizei onmiddellijk pogingen zou doen, hen op te sporen. Vele anderen waren er evenwel die in '40 en '41 illegaal werk deden maar nog niet tot het illegaal bestaan overgingen. Die overgang werd trouwens door het persoonsbewijs dat in de loop van '41 aan alle Nederlanders van zestien jaar en ouder uitgereikt werd, in hoge mate bemoeilijkt. Het was dan ook allerminst een toeval dat de eerste illegale groep die het vervaardigen van nagemaakte persoonsbewijzen ter hand nam (de groep van de Amsterdamse schrijver Eduard Veterman) al in de herfst van '41 tot stand kwam. Terwille van de overzichtelijkheid zullen wij overigens haar werk eerst in ons volgend deel beschrijven; eerst in het daarop volgende, deel 7, zullen wij uitgebreid aandacht besteden aan de algemene problemen en gevaren van het illegale werk. Dit uitstel van behandeling heeft, wat het falsificatiewerk betreft, ook daarom zin omdat, van de zomer van '42 af, eerst de Jodendeportaties een omvangrijke vraag naar nagemaakte persoonsbewijzen deden ontstaan.

XCIn dit deel willen wij de stof die op de illegaliteit betrekking heeft, over twee hoofdstukken verdelen. Het werk van de spionagegroepen, gericht op het verzamelen van voor Engeland bestemde inlichtingen, is niet los te maken van de pogingen die van Engeland uit ondernomen werden om vaste contacten met bezet gebied te leggen: dat aspect van de illegaliteit komt in het volgende hoofdstuk aan de orde. In dit hoofdstuk zullen wij het over de aspecten hebben die op zichzelf in die tijd niet met Engeland te maken hadden, althans niet van Engeland uitgingen: de 'pilotenhulp', de sabotage, de illegale pers. De illegale pers brengt ons bij de Communistische Partij Nederland (de groep-Sneevliet komt in hoofdstuk II ter sprake) en van de CPN gaan wij dan naar de groeperingen over bij welke de behoefte om onmiddellijk na de bevrijding gezag uit te oefenen, een rol ging spelen: de Ordedienst en het Grootburgercornité; daarbij zal dan blijken dat wij een logische overgang gevonden hebben naar ons volgende hoofdstuk: contact met Londen.

'Pilotenhulp'

XC

XCWij verstaan onder 'pilotenhulp' de hulp die geboden werd aan Geallieerde militairen die zich aan Duitse krijgsgevangenschap trachtten te onttrekken. Dat konden militairen zijn die in '40 of later in Duitse krijgsgevangenenkampen opgesloten waren en die daaruit waren ontvlucht: Waalse en Franse, die naar België, respectievelijk naar Frankrijk wilden terugke79

792 [PDF]
'PILOTENHULP'

ren-, Poolse, Engelse en Amerikaanse die over het algemeen via België, Frankrijk en Spanje Engeland wensten te bereiken. Daarnaast waren er leden van de Engelse, later ook van de Amerikaanse luchtmacht (of van andere luchtmachten, de Poolse en de Nederlandse bijvoorbeeld, die operationeel in de Royal Air Force geïncorporeerd waren) wier toestellen boven Nederlands gebied neergeschoten werden of daar een noodlanding maakten, een en ander in omstandigheden waarbij bemanningsleden in Ieven bleven; vielen deze overlevenden niet rechtstreeks of via de Nederlandse politie in Duitse handen, dan wensten ook zij naar Engeland teruggebracht te worden. De 'pilotenhulp' in Nederland had dus in het algemeen ten doel, personen naar België te smokkelen- - voor de meesten hunner slechts het eerste stadium op de - lange, moeilijke en gevaarlijke tocht die zij voor de boeg hadden. Duidelijk is dat die 'pilotenhulp' slechts in een naar verhouding beperkt aantal gevallen aan werkelijke piloten, d.w.z. aan bestuurders van Geallieerde vliegtuigen, geboden werd, maarwij wilien het begrip 'pilotenhulp' nietteminhandhaven: het raakte nu eenmaal ingeburgerd. Denkbaar is, dat zulks te maken had met het feit dat wie een 'piloot' voorthielp, het gevoel had, de Geallieerde oorlogvoering in extra-belangrijke mate te dienen. In ons vorige deel wezen wij er op dat, voorzover bekend, door agenten van de Engelse Intelligence Service in de zomer van '40 één contact in Amsterdam gelegd was, bij de journalist 'Edouard de Nève' (Willem Lenglet), waar militairen van de Royal Air Force zich konden melden, als zij daar de kans toe kregen; de Nève's adres stond in Engeland genoteerd enwas aan de bemanningen van de RAF doorgegeven. Toen de Nève in de herfst van '4I gearresteerd werd, had hij met zijn h~lpers' in totaal dertien 'piloten' naar België weggewerkt. Hier lag dus het initiatief bij een Engelse dienst. Dat was in die jaren een uitzondering. Elders werd het initiatief namelijk door Nederlanders genomen, in eerste instantie ten behoeve van Waalse en Franse krijgsgevangenen die uit kampen in West-Duitsland-ontsnapt waren, de Duitse grens hadden weten te overschrijden en dan via tussenpersonen, meestal boeren, in contact kwamen met Nederlanders die Frans konden spreken. Er zijn stellig van die ontsnapte krijgsgevangenen geweest die op eigen gelegenheid door ons land getrokken zijn. Anderen zochten, al in '4I, hulp in de grensgebieden. In Twente werden zij na enige tijd verwezennaar Jules Haeck, een Fransman van origine die in Hengelo woonde, in middenLimburg naar de pastoor van Grubbenvorst bij Venlo, Henri J. Vullinghs,

XC1 De Vlaamse krijgsgevangenen waren door Hitler in de zomer van '40 uit de krijgsgevangenschap ontslagen. 2 Enkele ontsnapte Russische krijgsgevangenen zijn in bezet gebied gebleven.

793 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

Een van de eersten die toen door Haeck persoonlijk naar de Belgische grens werd gebracht, vlak bij Eysden in Zuid-Limburg, werd in België of Frankrijk gegrepen en naar zijn kamp bij Munster teruggebracht. Hij gaf daar aan aspirant-vluchtelingen de adressen van de twee Twentse boeren die hem met Haeck in contact gebracht hadden. Het gevolg was dat verscheidene anderen, na hun ontsnapping, de boerenhoeven wisten te vinden - Haeck hielp hen dan verder. Hij werd dus als het ware de organisator van deze Twentse 'pilotenlijn'." Pastoor Vullinglis nam in midden-Limburg een overeenkomstige taak ter hand. Daarbij kreeg deze spoedig belangrijke hulp van kapelaan J. J. Naus uit Venlo. Ook ging hij samenwerken met Martinus A. M. ('Bob') Bouman, hoofdcontroleur van de Centrale Crisis-Controledienst te Roermond. Bouman bezat niet alleen een auto maar moest bij zijn dagelijks werk een groot deel van de provincie Limburg doorkruisen. Hij bouwde daar en in het oostelijk deel van Noord-Brabant een organisatie van mensen op van wie het aan anderen bekend werd dat men ontsnapte militairen die men aan de kant van de weg aantrof, veilig naar hen toe kon brengen. Bouman haalde hen dan op; hij bracht hen aanvankelijk als regel naar de Belgische grens bij Neeritter, ten zuidoosten van Weert: er was hier in de eerste tijd maar weinig controle.

XCDe problemen waarmee mensen alsHaeck, Olde Loohuis, Vullinghs, Naus en Bouman te maken kregen, moeten wij niet onderschatten. De ontsnapte krijgsgevangenen bezaten geen enkel in Nederland bruikbaar identiteitsbewijs. Dat maakte hen kwetsbaar bij controle. Bovendien konden-zij geen levensmiddelenbolmen krijgen. Nu lag het voedselprobleem in deze agrarische delen van Nederland niet zo moeilijk, maar het was vaak bijvoorbeeld wel al een hele toer om voor degenen die men de grens over wilde helpen, gedragen kleren te vinden die hun pasten en die zij in plaats van hun militaire plunje konden aantrekken. En toch: de taak werd ter hand genomen, de 'pilotenhulp' kwam op gang.

XCEr waren in Limburg nog meer organisaties voor: er was er een van Erkens, leider van de spionagegroep 'Roodkapje', die via Eysden in contact stond met Belgische illegale groepen; er was een tweede van kapelaan E. A. F. Goossens te Echt tussen Roermond en Sittard, die na enige tijd de 'piloten' van de groep-Haeek overnam; er was een derde van J. H. J. Sangen, ambtenaar van de rijksverkeersinspectie te Hoensbroek, die zijn 'piloten' de grens liet passeren bij Slenaken waar ze door een Belgische illegale groep opgevangen werden - er waren er vermoedelijk nog wel meer.

XC1 Er is in '41 op gelijke wijze van Oldenzaal uit een 'pilotenlijn' opgebouwd door de familie Olde Loohuis. Het Nederlandse eindpunt van deze lijn lag bij Goirle.

794 [PDF]
'PILOTENHULP'

XCVan de personen die wij tot dusver genoemd hebben, is er, voorzover wij weten, slechts één geweest die al in de begintijd voor zijn 'pilotenlijn' een duidelijk, ver naar het zuiden gelegen eindpunt wist te vinden: kapelaan Naus. Hij vond dat eindpunt bij een Nederlandse hoogleraar aan het Grootseminarie te Nancy, prof. dr. P. Timmermans, die uit midden-Limburg afkomstig was. Een hele reeks boerenfamilies was er (bijvoorbeeld de familie Poels op de hoeve 'De zwarte plak' in de Peel) die de 'piloten' onderdak verschafte tot zij door de organisatie Vullinghs-Naus opgehaald werden. Actief was daarbij vooral Jos Hendriks ('de Witte van Haelen'), die, aldus Fons Hermans,

XC'talloze malen per auto de mannen in de buurt van Maaseik over de Belgische grens wist te loodsen, een werk dat steeds weer opnieuween levensgevaarlijk avontuur was. De eensgezindheid die de bevolking van Grubbenvorst en omgeving in die moeilijkejaren heeft gedemonstreerd, vindt nauwelijks haar weerga .. Op sommige dagen vond er een ware invasie van geallieerden plaats. Zo bijvoorbeeld in 1942, toen bij een bombardement bommen op het kamp bij Krefeld terechtkwamen en tientallen gevangenen in de ontstane paniek de kans tot ontvluchting dankbaar aangrepen. Het krioelde toen in het struikgewas langs de Maas van mannen die reikhalzend uitzagen naar een vrij leven in hun eigen vaderland. Dat was op een zaterdagavond en de pastoor zat met zijn handen in het haar. Op zulk een toevloed was zelfs zijn perfecte organisatie niet berekend. Waar zou hij op staande voet burgerkleren voor zoveel mensen vandaan moeten halen? Wat hij toen ter oplossing van dit vraagstuk heeft gedaan, is waarlijk een zeldzaam staaltje van durf en doortastendheid. De volgende ochtend deelde hij zijn parochianen vanaf de preekstoel mee, dat hij binnen enkele uren weer over een groot aantal jassen en broeken moest beschikken voor een bepaald doel, dat intussen algemeen bekend was maar waarover niemand sprak"!

XCen pastoor Vullinglis kreeg wat hij nodig had.

XCBetrouwbare gegevens over het totaal aantal 'piloten' dat door de groepen die wij noemden, in de periode begin '41-zomer '42 weggewerkt is, zijn er niet. Wij durven schatten dat het er vele honderden geweest zijn. Er zijn over het algemeen in die begintijd (later werd dat anders!) weinig slachtoffers bij gevallen. De bezetter nam hulp, verleend aan Engelse en Amerikaanse vliegtuigbemanningen, veel hoger op dan hulp aan Waalse en Franse krijgsgevangenen en juist die laatste twee groepen leverden in de beginperiode de meeste 'piloten' op. Bovendien was (het blijkt duidelijk uit het bovengegeven voorbeeld) de plattelandsbevolking 'dicht'; denkbaar is het

XC1 Fans Hermans: 'Op een dorpspastorie in Limburg' in Den vaderland getrouwe. Een boek oller oorlog ell verzet, samengestelddoor Mathieu Smedts (1962),p. !O3.

795 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

dat in de kleine dorpsgemeenschappen de een of andere NSB'er wel precies wist wat er gaande was, maar was die man tot verraad geneigd (hetgeen bepaald niet voor elke NSB'er gold), dan hield hij veiligheidshalve zijn mond. Merkwaardig is overigens dat de verordening waarbij alle vormen van 'pilotenhulp' uitdrukkelijk strafbaar gesteld werden, eerst in juni' 44 uitgevaardigd werd.' Dat voordien tallozen al gestraft waren, spreekt vanzelf

XCHet meest opzienbarende geval van dien aard deed zich in augustus '41 voor; het vormt tegelijk een tekenende illustratie voor het feit dat de Wehr macht in bepaalde omstandigheden minstens zo excessief kon reageren als de Sicherheitspolizei.

XCNiet ver van het dorp Westmaas dat midden op het Zuidhollandse eiland Oud-Beyerland ligt, maakte op 7 augustus '41 een Engels vliegtuig in de vroege ochtend een noodlanding. De bemanning stak het toestel in brand. Spoedig dromden de dorpelingen om het wrak samen. Enkelen hunner gaven de zes bemanningsleden wat levensmiddelen en geld, sommigen gaven hun ook kleren. De bemanningsleden gingen toen op eigen gelegenheid in verschillende richtingen op pad; zij werden allen gegrepen, maar nog voor het zo ver was, had de Wehrmacht de gehele mannelijke bevolking van Westmaas met ruw geweld op het schoolplein bijeengedreven. Terwijl de mannen daar stonden, werd overal huiszoeking gedaan; dat leverde niets op. Toen werd geëist dat men zou opgeven wie feitelijke hulp geboden hadden aan de Britse bemanning. Dat werd aanvankelijk geweigerd, maar het schijnt dat de Duitsers er op den duur toch achter kwamen, althans: na vele uren wachten op het schoolplein werden veertien inwoners opgeroepen en naar Rotterdam vervoerd. Zes werden er vrijgelaten. 'Eén vertelde', aldus Het Parool, 'dat de Duitse beulen hun een strop om de nek legden en als zij bewusteloos dreigden te worden, goot men hun koud water achter in de hals om hen weer bij te brengen/" Van de acht overige gearresteerde inwoners van Westmaas werden, binnen een week, drie tot gevangenisstraffen veroordeeld en vijf tot de doodstraf. Gratie werd door Christiansen geweigerd. Doodstraf en executie werden door hem in dit geval kennelijk als een waarschuwing bedoeld - die waarschuwing verscheen op IS augustus '41 in de pers.

Sabotage

XC

XCIs het al moeilijk, een adequaat beeld te geven van de 'pilotenhulp', nog

XC1 VO 24/44 (Verordeningenblad, 1944, p. 60-61). a Het Parool, 21 (4 sept. 1941), p. 8. Hetzelfde verhaal in Siaet op den Trommele, 7 (sept. 1941), p. 3-4.

796 [PDF]
SABOTAGEGROEPEN

moeilijker ligt dit bij de sabotage. Er is een tekort aan gegevens, niet alleen aan Nederlandse kant maar ook aan Duitse. Dat laatste is geen wonder. Wanneer een groepje arbeiders op een scheepswerf schade wist toe te brengen aan een Duits vaartuig dat in aanbouw of in reparatie was, hoe kon men dan, als die schade zich manifesteerde, met zekerheid constateren dat ze opzettelijk toegebracht was? Dat was vaak niet mogelijk. Zo was het ook voor Duitse controleurs vaak moeilijk om te doorzien of de redenen die voor een opvallende verlaging van het arbeidstempo opgegeven werden, geldig waren, Zulk een go-slow-tactiek kon een hinderlijke vorm van sabotage zijn. Wij zouden bepaald niet willen beweren dat deze sabotage binnen de bedrijven een algemeen karakter gehad heeft, maar het lijkt nuttig, op te merken dat er zonder twijfel meer daadwerkelijke sabotage en go-slow geweest is dan men uit de bewaardgebleven archiefstukken en latere rapporten kan afleiden.

XCSabotage die een enigermate duurzaam effect zou hebben, vormde een moeilijke opgave. Om aanmerkelijke schade aan te brengen, moest men de beschikking hebben over explosieven of middelen tot brandstichting en vooral die explosieven vormden, voor men ze (maar pas in '44!) van de Engelsen verkreeg, een heel probleem. Niettemin kwamen er, al in '41, enkele kleine organisaties tot stand die sabotagemiddelen in handen kregen of zelf wisten te vervaardigen. Wij noemen in de eerste plaats de 'Leeuwengarde' die in de herfst van '40 in Rotterdam en omgeving opgericht werd door een employé van de rederij Müller & Co., G. van As; de in ons vorige deel vermelde gegevens corrigeren wij in zoverre dat deze organisatie inderdaad in een aantal gevallen succesvolle sabotage-acties uitvoerde; zij maakte daarbij gebruik van primitieve thermietbommen alsmede van ampullen met een licht ontvlambare brandstof er in. Met een van die ampullen wist men in oktober' 41 een klein brandje te stichten aan boord van een Duitse Schnellboot bij de werf 'Gusto' te Schiedam"; men boorde voorts gaten in goederenwagons waarin los gestort graan naar Duitsland vervoerd werd.

XCDan werden in de lente van '41 door vier jeugdige Westlanders treinontsporingen teweeggebracht op het oude stoomtramtraject LoosduinenDelft dat gebruikt werd voor de afvoer van groenten naar Duitsland; de leider van dit groepje, H. L. Lucas, kreeg de doodstraf Eenzelfde lot trof een Delftse meubelfabrikant, Karel Koet, die behalve in Delft medewerkers had in Groningen en Leeuwarden. Koet was verlamd; hij had een zeer persoon

XC1 Een maand later werd, vermoedelijk door dezelfde groep, een tweede poging van die aard ondernomen, weer bij de werf'Gusto'.

797 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

lijke reden om de Duitsers dwars te zitten: in de meidagen van '40 was een van zijn zoons gesneuveld. Medewerkers van zijn organisatie trachtten branden te stichten; Koet liet ook nagaan of het mogelijk was, koeien die naar Duitsland geëxporteerd zouden worden, met mond- en klauwzeer te besmetten - het bleef bij een plan.

XCEffectiever trad een andere Delftse organisatie op die door vijf studenten in de werktuigbouwen scheepsbouwkunde opgericht was en die spoedig een student in de scheikunde, W. Pahud de Mortanges, alsleider kreeg. Deze studenten bliezen in '41 en '42 enkele spoorlijnen op, 'de aangerichte schade', aldus een der overlevenden, 'werd echter spoedig door de Duitsers hersteld'}: in het volgende deel komen wij op de groep-Pahud de Mortanges nog terug.

XCZo waren er nog meer kleine specifieke sabotagegroepen : een katholieke in Amsterdam (onder leiding van J. Robert), een groep jongeren in Rotterdam die zich 'Jeugdfront Vrij Nederland' noemde, en een groep op de Veluwe die zich in de herfst van '41 toelegde op het in brand steken van landbouwwerktuigen zoals dorsmachines. Al deze groepen werden door de Sicherheitspolizei opgerold; als regel werden dan de leiders ter dood veroordeed en geëxecuteerd en de leden zonder berechting naar een Duits concentratiekamp gezonden.

XCDoor de Duitse processtukken kunnen wij bepaalde sabotage-acties met bepaalde groepen in verband brengen, maar dat is lang niet altijd mogelijk. Zelfs staat niet steeds vast of sommige voor de Duitsers nadelige gebeurtenissen inderdaad het gevolg waren van sabotage. Zo zijn er wel aanwijzingen dat een grote heidebrand die op 18 april' 41 op de Leusderheide bij Amersfoort ca. 300 ton aan bommen van de Luftwaffe in de lucht deed vliegen (één Nederlander werd gedood, dertien Duitse militairen raakten gewond), het werk is geweest van Nederlandse saboteurs, maar de Wehrmacht zelf kwam na onderzoek tot de conclusie dat de brand ontstaan was door een lichtkogel, afgevuurd door een eenheid die op de hei aan het oefenen was zonder te weten dat zich in de nabijheid munitiebergplaatsen bevonden.

XCEerder maakten wij al melding van de aanslag die op 14 mei '41 in Amsterdam gepleegd werd op een villa aan de Bernard Zweerskade waar Duitse officieren ingekwartierd waren. Dit was het werk van een groep onder leiding van Theodorus Dobbe. Dobbe was hoofdvertegenwoordiger van een linoleumfabriek. In het waardevolle geschiedwerk over de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers en de Landelijke Knokploegen wordt

XC1 D. D. Vollgraff: Verslag gesprek met P. Josso (19 febr. 1948), p. 1-2 (Doe II-292,

798 [PDF]
THEODORUS DOBBE

hij geschetst als 'een fel en strijdbaar man, impulsief, onvoorzichtig, dapper tot in het roekeloze en aan de andere kant: echtgenoot en vader en gelovig katholiek, de morele steun van zijn omgeving in de moeilijkste ogenblikken." Nauwelijks iemand kennen wij die in de eerste twee bezettingsjaren een zo rusteloze verzetsactiviteit ontplooid heeft als Dobbe. Hij was er in '40 toe overgegaan om met een groep gelijkgezinden wapens, munitie en springstoffen te smokkelen uit opslagplaatsen in de vesting Naarden; Dobbe woonde toen in Naarden. Toen de groep opgerold werd, ontkwam hij naar Amsterdam. Na de aanslag aan de Bernard Zweerskade trok hij eerst naar Bergen; de aanslag op de telefooncentrale van de Luftwaffe op Schiphol in de nacht van 3 op 4 juni' 41 is in elk geval niet zijn werk geweest.ê In Bergen bevonden zich Dobbe's vrouwen kinderen. Toen hij nu hoorde dat de Sicherheitspolizei een inval gedaan had op zijn Amsterdamse adres, dook hij bij Sneek in een woonschip onder dat eigendom was van een vriend aldaar, Willem Santema. Vergeefs trachtte Dobbe, van Friesland uit een weg naar Engeland te vinden. In de herfst liep hij in de val. De meest geslepen V-Mann van de Sicherheitspolizei, Anton van der Waals, wendde zich tot Dobbe's echtgenote, wist haar met nagemaakte papieren en met een optreden dat een volstrekt waarachtige indruk maakte, er van te overtuigen dat hij voor haar man een veilige weg naar Engeland wist, en op haar aanraden ging Dobbe tot een ontmoeting met van der Waals over. Hij werd daar door zes man overvallen. Van begin oktober af zat hij in de Cellenbarakken te Scheveningen gevangen. Eind november werd hij in verband met het proces tegen zijn Naardense groep naar een kazerne in Utrecht overgebracht die als gevangenis in gebruik was. Hij wist zich daar door het raampje van een wc heen te wringen, klom over een hoge muur, kwam in een steeg terecht, kreeg een fiets te leen van een bewoner - en ontsnapte. Via Scherpenzeel dook hij opnieuw in Friesland onder, uiteindelijk in een jachthuis op een landgoed in het Oranjewoud dicht bij Heerenveen. Wij hebben in volgende delen nog veel van hem te verhalen.

XCVoorzover de sabotage zich richtte tegen Duitse militaire objecten, kunnen wij haar in diverse periodieke rapporten van Duitse militaire instanties redelijk goed volgen. Er blijkt daar, wat ook voor de hand ligt, dat de

XC1 Rogier van Aerde in: Het grote gebod, dl. I, p. 351. 2 Het is wèl mogelijk dat Dobbe er zijdelings bij betrokken was.

799 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

simpelste vorm van sabotage: het doorknippen van bovengrondse militaire kabels, het frequentst voorkwam. Er deden zich tussen begin augustus '40 en begin januari '41 al zes-en-twintig van die gevallen voor. Van januari tot april hebben wij dan geen detailgegevens maar wel een aanwijzing dat het aantal belangrijk steeg. Mei, juni en juli brachten het samen tot twaalf gevallen van kabelsabotage, augustus, september en oktober tot meer dan zestig, waarvan een-en-twintig het werk waren van Jan Veldkamp, de in hoofdstuk 6 genoemde inwoner van Hummelo. Voor de maanden november en december '41 ontbreken de gegevens weer; wij weten slechts dat Harster, de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD, aan Berlijn rapporteerde dat de sabotage, vergeleken met de voorafgaande drie maanden, nog toegenomen was. De vier maanden januari t.e.m. april '42 geven een duidelijke daling te zien, althans op het gebied der kabelsabotage: slechts twaalf gevallen. Enerzijds kan die daling samengehangen hebben met de gedeprimeerdheid die zich in die periode voordeed (de nederlagen in Indië!), anderzijds is ook denkbaar dat zich aan personen die tot deze vorm van sabotage geneigd waren, het inzicht opdrong dat het nut gering was en in elk geval in een wanverhouding stond tot de straffen die de Duitsers uitdeelden.l Daarbij denken wij in de eerste plaats aan de razzia's op de Joden in Overijssel en Gelderland. Daarnaast werden aan verscheidene gemeenten bij kabelsabotage zware boeten opgelegd (Enschede f 50 000, Hummelo flo 000, Zandvoort f 20000, enkele gemeenten in het Gooi f 30 000, Alkmaar f 50 000). Tenslotte werd dan als regel gelast dat de "mannelijke bevolking volgens een bepaald rooster gedurende geruime tijd (vier tot acht weken) dag en nacht wacht moest lopen langs de kabels. In Hummelo werden in september '41 bovendien enkele notabelen als gijzelaars naar het kamp Schoorl overgebracht.

XCWat andere vormen van sabotage betreft, kunnen wij, afgezien nog van de gevallen die wij al weergaven en van de acties van de illegale CPN die straks aan de orde komen, vermelden dat, voorzover bekend, grote stro-opslagplaatsen van de Wehrmacht in brand gestoken werden in Limburg en N oordBrabant (mei '41) en in Groningen (augustus), dat in september bij Stroe een graanopslagplaats in vlammen opging, dat pogingen om treinen tot ontsporing te brengen zich voordeden tussen Arnhem en Ede (augustus), tussen Arnhem en Zutfen (september), bij Meppel (maart '42) en bij Oldenzaal (mei) en dat in november' 41 driemaal getracht werd, brand te stichten bij de n.v. 'Holland Nautic' te Haarlem die voor de Luftwaffe werkte.

XC1 Er zijn voorts enkele aanwijzingen dat de Duitsers de aantallen bovengrondse kabels verminderden.

800 [PDF]

De proclamatie van Schrieke, Hirschfeld en Prederiks

Overziet men de sabotage die in '41 en begin '42 gepleegd is, dan kan menslechts constateren dat zij met name tot november' 41 (toen werden namelijkde communisten op dit gebied actief) van zeer beperkte omvang was,eigenlijk niet meer dan een randverschijnsel in de Nederlandse samenleving.Dat nam niet weg dat deze en dergelijke symptomen van verzet niet alleendoor de bezetter met bezorgdheid gadegeslagen werden, (dat sprak vanzelf)maar ook door de hoogste Nederlandse autoriteiten. In oktober '41 vondRauter dat het tijd werd dat van de secretarissen-generaal een oproepaan de bevolking uitging om zich van daden van sabotage, ja eigenlijk vanalle daden van verzet te onthouden. Rauter stelde hier een concept voor open legde het op 23 oktober aan de NSB'er Schrieke, secretaris-generaal vanjustitie, voor. Schrieke achtte het concept te 'Duits' en opperde de suggestiedat men van Nederlandse kant voor een betere tekst zou zorgen. Daar hadRauter geen enkel bezwaar tegen. Het leek Schrieke toen verstandig dat niethij, maar een niet-NSB' er de tekst zou ontwerpen. Het werd Hirschfeld diedie taak ter hand nam en deze deed dat des te gereder omdat hij zich mèt deautoriteiten van de voedselvoorziening meer en meer zorgen was gaanmaken over de mate waarin de rantsoeneringsmaatregelen ontdoken werden.Vee werd elandestien geslacht en verkocht, ja er was geen distributieartikel waar niet een zekere mate van zwarte handel mee gedreven werd.Dan waren in enkele gevallen dieven er in geslaagd, zich van grote hoeveelheden rantsoenbonnen meester te maken; daarnaast kwam het, naarmate derantsoenen daalden, met name in het westen des lands veelvuldiger voor datstedelingen er op zaterdag en zondag op uit trokken om, buiten de rantsoenering om, bij boeren levensmiddelen te kopen. Het was niet eenvoudig,dat alles tegen te gaan. Van de ambtenaren van de Centrale Crisis-Controledienst ging weinig gezag uit, het opmaken van proces-verbaal bleek vaakmoeilijk zo niet onmogelijk, en als het tot berechting kwam, ging van destraffen niet veel afschrikwekkende werking uit; trouwens, opgelegde.gevangenisstraffen konden niet op korte termijn tot uitvoering gebrachtworden: wat de gevangenissen /aan reserveruimte bezaten, was voor dearrestanten van de Sicherheitspolizei nodig.

XCTegen die achtergrond deed Hirschfeld mede namens ir. Louwes, directeur-generaal van de voedselvoorziening, medio oktober aan Schrieke weten dat huns inziens een interneringskamp ingesteld moest worden waarin men elementen die de economische orde schonden, gedurende zekere tijd zou kunnen opsluiten, zulks niet krachtens een rechterlijke uitspraak maar door een administratief besluit. 'Ik ontveins mij niet', schreef Hirschfeld, 'dat aan

801 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

dit middel dat een weinig Nederlands karakter draagt' (dat was maar al te waar) 'grote bezwaren kleven, maar gezien het grote belang dat daarmede wordt gediend, ben ik bereid, mijn medewerking aan de totstandkoming daarvan te verlenen.'! Geen wonder dat Hirschfeld bereid was, voor de waarschuwing tegen sabotage te zorgen waar Rauter op aangedrongen had. Hij deed het met grote spoed en hij gaf die waarschuwing een zeer algemeen karakter; hij liet namelijk door zijn perschef een proclamatie ontwerpen waarin op de Nederlandse bevolking een beroep gedaan werd, alle in bezet gebied geldende 'wetten en voorschriften' (dat sloot dus bijvoorbeeld ook de voorschriften in die op het gebied van de Jodenvervolging uitgevaardigd waren) 'onvoorwaardelijk' na te leven, en waarin 'elke overtreding van de distributiebepalingen' alsmede sabotage en 'pilotenhulp' aangeduid werden als 'daden van onbezonnen en misdadige elementen'. De meer algemene passages uit de ontworpen tekst luidden":

XC'Het welzijn van het Nederlandse volk eist, dat een ieder op de hem aangewezen plaats zijn plicht vervult. Daarbij zullen de in het bezette Nederlandse gebied geldende wetten en voorschriften onvoorwaardelijk moeten worden nageleefd. De oorlogsomstandigheden plaatsen ons voor harde feiten welke aanvaard moeten worden. Wanbegrip voor hetgeen deze tijden ook van ons, Nederlanders, eisen, leidt alleen tot verderf ...

XCTracht deze tijd te verstaan: begrijpt dat de Duitse overheid een verkeerde houding van het Nederlandse volk niet kan dulden en beseft vóór alles dat door een enkele onbezonnen daad veler leven in groot gevaar wordt gebracht. Vandaar ons dringend beroep op u allen: helpt mee, opdat ons volk niet benadeeld wordt door de daden van onbezonnen en misdadige elementen. . . De Overheid maakt aanspraak op uw aller medewerking.'

XCIn het college van secretarissen-generaal werd deze tekst met warme instemming begroet. Men was het er over eens dat het het beste zou zijn indien de proclamatie door alle secretarissen-generaal ondertekend zou worden, maar, zo vroeg men zich af, zou Seyss-Inquart die geen college van secretarissen-generaal wilde erkennen, dat wel goedkeuren? Inderdaad, dat deed hij niet. Hij had aan drie ondertekenaars genoeg: Schrieke, Hirschfeld, Frederiks, en met hun namen er onder werd de proclamatie op 28 okto

XC1 Brief, 21 okt. 1941, van Hirschfeld aan Schrieke (eNO, 282 c). Toen dit denkbeeld (dat eind '42 leidde tot het oprichten van het concentratiekamp Ommen) begin december' 41 besproken werd in de vergadering van de procureurs-generaal met de hoogste autoriteiten van het departement van justitie, was de NSB'er Broersen de enige die aandrong 'op het openstellen van een mogelijkheid van beroep tegen de genomen maatregel' (Vergad. p. g.: Notulen, 4 dec. 1941, p. 5). 2 Enq., dl. VII a, p. 80-81.

802 [PDF]
EEN OMSTREDEN PROCLAMATIE

ber in de gehele pers opgenomen en alom in den lande op de gemeentelijke aanplakborden aangeplakt. Er bleek evenwel een mededeling aan toegevoegd te zijn van de directeur-generaal van politie, mr. A. Brants, waarin deze een beloning van f lOOO uitloofde 'voor iedere Nederlander die omtrent ernstige vergrijpen tegen de belangen van de voedselvoorziening of de Duitse weermacht zodanige aanwijzingen geeft, dat deze tot arrestatie van de schuldige(n) leiden.' Dit was een algemene oproep tot verklikkerij ! Schrieke, Hirschfeld en Frederiks waren zich bewust dat die oproep de publieke opinie als hoogst onsympathiek zou treffen. Zij wisten te bereiken dat enkele dagen later een persbericht verscheen waarin Brants' mededeling gekarakteriseerd werd als 'een maatregel van politionele aard, welke zelfstandig is genomen door het ressort van de directeur-generaal van politie."

XCUiteraard was de bezetter met de proclamatie hogelijk ingenomen. Dat was men ook in NSB-kring. Goedewaagen vertelde in een stafvergadering van het departement van volksvoorlichting en kunsten dat Hirschfeld en zijn perschef er 'het leeuwenaandeel' aan gehad hadden. Hij noemde dat 'een verblijdend teken: 'Zij beginnen het dus toch te begrijpen.' '2 Ook in de dagbladpers waren de commentaren positief. In de Nieuwe Rotterdamse Courant schreef mr. Huijts over 'onverantwoordelijke individuen die er niet tegen opzien om, spelend met het eigen lot, dat van vele anderen, ja van de gehele gemeenschap in gevaar te brengen.P In De Telegraaf bepleitte de Haagse redacteur, mr. deWit, dat men zich bij 'de onvermijdelijk geworden werkelijkheid' moest neerleggen 'en wel terdege er (zich) rekenschap van ... geven dat het verblijf in luchtkastelen waar een bord met 'anti' of 'niet thuis' naast de ingang bevestigd is, wel eens niet goed zou kunnen zijn voor eigen of anderer gezondheid.f Chef-redacteur Cnossen van De Stan daard hekelde hen 'die doen alsof Nederland geen bezet gebied is, dat goedschiks of kwaadschiks zich te voegen heeft naar de wil van de bezettende macht."De Tijd achtte het ter harte nemen van de proclamatie 'een eisvan persoonlijk zelfbehoud, maar niet minder een sociale plicht van de hoogste orde tegenover heel onze volksgemeenschap."

XCDirigent Janke mocht tevreden zijn over dit eenstemmig koor!

XCEen heel ander geluid liet de illegale pers horen. De proclamatie van

1 Er kwamen na die oproep denunciaties bij de bureaus van de en binnen, de meeste ongegrond: het was de denuncianten slechts om de beloning van f 1 000 te doen. (18 nov. 1941), p. 23). 2 DVK, Propagandaraad: Notulen, 30 okt. 1941 (DVK, II9). 3 30 okt. 1941. 29 okt. 1941. 5 29 okt. 1941. 6 29 okt. 1941. 1 6 (nov. 1941), p. 2. 2 24 (3 okt. 1941), p. 4. • A.v., 27 (2 nov. 1941), p. 6. 4 14 (jan. 1942), p. 4. Frederiks, ter zake in 1952 door de Enquêtecommissie gehoord, bleef de proclamatie 'juist vinden in verband met de tijd' dl. VII c, p. 532); Hirschfeld sprakjegens de commissie geen algemeen oordeel uit, maar nadat de commissie de proclamatie in haar verslag 'een zeer ernstige fout' van hem en Frederiks genoemd had (a.v., dl. VII a, p. DI), merkte hij in zijn memoires op dat de commissie over het hoofd (gezien had) dat in 1941 de tijd nog niet gekomen was om sabotage te plegen ... De proclamatie

803 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

Schrieke, Hirschfeld en Frederiks werd er scherp in veroordeeld. Vrij Nederland sprak van 'drie karakterloze Nederlanders."Het Parool dat Frederiks begin oktober aangeduid had als 'secretaris-generaal van bibberlandse zaken", schreef: 'Ons volk weet dat wij de handen uit de mouwen moeten steken, willen wij onze vrijheid herkrijgen. En het heeft verachting voor 'Nederlandse' hoofdambtenaren die er zich toe lenen om zo onomwonden de vijand van ons land in zijn oorlogvoering te helpen." 'Er is weinig', aldus Slaet op den Trommele,'wat in deze tijden zo'n diepe indruk op ons volk heeft gemaakt als de vraatzucht van de Duitse sprinkhanenbende. Dat kunnen geen tien secretarissen-generaal met geen honderd proclamaties meer ongedaan maken.' Ook de verantwoordelijkheid voor de beloningsregeling werd in dit liberale illegale blad Schrieke, Hirschfeld en Frederiks aangewreven: 'Het drietal uit het Haagje, de heren van 't plakkaat, loont met duizend gulden ieder vuil verraad. Duizend gulden bloedgeld! Dat krijgt elke ploert die een medeburger naar de slachtbank voert. Maar de grootste ploerten, door het volk gericht, is dat smerig drietal zonder eer en plicht. leder eerlijk burger spuwt hun al zijn haat, walging, woede, weerzin in hun vuns gelaat !"werd uitgevaardigd in het stadium waarin men meende dat men over bepaalde zaken met de Duitsers kon praten en bepaalde ernstige maatregelen

804 [PDF]

Illegale pers

XC

XCIn de eerste bezettingsperiode die wij in ons vorige deel behandelden, had de illegale pers al een niet onaanzienlijke omvang gekregen. Telt men alle plaatselijke edities, nevenuitgaven en kaderbulletins mee, dan verschenen er in '40 twee-en-zestig verschillende illegale bladen, en volgens de schatting van Lydia winkel in haar boek De ondergrondse pers 1940-1945 was begin '41 hun totale oplaag ca. zeven-en-vijftigduizend exemplaren. In de loop van ,41 steeg het aantal illegale bladen tot honderdtwintig en het is een redelijke veronderstelling dat het aantal verspreide exemplaren naar verhouding nog sterker steeg: enkele bladen (o.m. Het Parool, Vrij Nederland en Spartacus) waren er namelijk in geslaagd, drukkers te vinden; alleen al van Het Parool verscheen het eerste nummer dat gedrukt werd (september' 41), in een oplaag van zesduizend exemplaren, en deze steeg spoedig tot boven de tienduizend. Vrij Nederland begon met een gedrukte oplaag van twaalfduizend exemplaren. Van De Waarheid kwamen in de zomer van '41 enkele nummers in een gedrukte oplaag van twintigduizend exemplaren uit; nadien verscheen dit blad weer als regel in gestencilde vorm.

XCIn de periode die in dit deel aan de orde is, kwam een brede scala van illegale opiniebladen uit, de meeste evenwel van duidelijk linkse signatuur. Wij denken daarbij aan De Waarheid, aan de revolutionair-socialistische bladen MLL-Bulletin en Spartacus, aan het links-socialistische blad De Vonk (dat in maart' 42 twee van zijn oprichters, Eddy Wijnkoop en Dirk Schilp, door arrestatie verloor"), aan Het Parool, aan de illegale uitgaven van Koos Vorrink en de zijnen en aan Vrij Nederland. Specifiek katholieke c.q, gere

deren' (H. M. Hirschfeld: (1960), p. 145). Bij dat laatste tekenen wij aan dat het initiatief tot een zo 'ernstige maatregel' als het instellen van een Nederlands concentratiekamp niet bij de Duitsers maar bij Hirschfeld lag. Men kan, dunkt ons, zijn beleid in de herfst van '41 niet losmaken van zijn ver wachting dat Hitler er in zou slagen, de Sowjet-Unie te bedwingen. De procla matie van 28 oktober kwam overigens, naar het schijnt, de onderlinge verhoudingen in het college van secretarissen-generaal ten goede. Begin november werd afge sproken dat men voortaan vóór elke vergadering een gemeensèhappelijke koffie maaltijd zou houden. Kort voor zijn dood noemde Hirschfeld jegens ons de pro clamatie 'niet mijn gelukkigste daad uit de bezettingstijd'. (18 maart 1961). 1 De enig overgebleven redacteur, Tom Rot, trok toen de psychiater W. F. Storm, de schrijver JefLast en de advocaat mr. H. W. L. Vrind als mederedacteuren aan. Schilp werd na enige tijd vrijgelaten, Eddy (Eduard) Wijnkoop werd als strafgeval naar Mauthausen gedeporteerd waar hij bezweek; hij was een neef van de commu nistische leider David Wijnkoop.

805 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

formeerde verzetsbladen waren er toen nog niet, de liberale sector werd vertegenwoordigd door Slaet op den Trommele, maar dit blad verscheen in die tijd niet gedrukt.

XCWat de illegale pers aan standpunten vertolkte, hebben wij, telkens wanneer de gebeurtenissen daar aanleiding toe gaven, in ons relaas ingevlochten. Zij keerde zich fel tegen Duitsers en NSB'ers en vaak niet minder fel tegen Nederlandse gezagsdragers; de lezer trof er een voorbeeld van aan in het slot van de vorige paragraaf. Ook tegenover de uitzendingen van de Nederlandse regeringsomroep 'Radio Oranje' stond de illegale pers kritisch. Het Parool en Slaet op den Trommele maakten daarbij voor de koningin geen uitzondering. Toen zij in haar radiotoespraak van Ia mei 1941 gesproken had van 'ons volk, stil, maar moedig en fier, taaie, lijdelijke weerstand biedend in zijn onwrikbaar geloof in de overwinning', schreef Het Parool (Slaet op den Trommele nam dit artikel over-):

XC'Laten wij het eerlijk zeggen: er ontbreekt nog wel iets aan die door de koningin geprezen moed: moed tot de lijdelijke weerstand. Onder hen die verblijd, ontroerd misschien, naar de woorden van de koningin hebben geluisterd, zijn er veel die zich beschaamd hebben afgevraagd wat zij zelf presteren. Er zijn de fabrieken waarin direct of indirect voor de Duitse oorlogsmachine wordt gewerkt. Er zijn de kranten die niets anders zijn dan hulpmiddelen voor de Duitse propaganda Er zijn ambtenaren die net zo braafhun werk doen als in de tijd toen zij ondergeschikt waren aan een Nederlands bewindsman. Voor dezulken en voor hun soortgenoten in velerlei werkkring is het woord over de fiere lijdelijke weerstand niet gesproken.' 2

XCEen kritische stem als deze werd in Londen niet vernomen; het werd april '42 voor daar de eerste exemplaren van Nederlandse illegale bladen arriveerden. Die omstandigheid droeg er toe bij dat een groot deel van de werkelijke problematiek in bezet gebied lange tijd niet tot de regering en haar organen doordrong. Geen wonder dat men in kringen van de illegale pers in de loop van '41 de steeds sterkere indruk kreeg dat 'Londen' niet begreep wat in bezet gebied aan de orde was. Dat besef leefde vooral sterk bij de redacteuren van Het Parool, maar wij willen de schets van hun beleid nog even uitstellen. Zinvollijkt het ons, hier uitsluitend iets dieper in te gaan op de ontwikkeling die Vrü Nederland van de lente van' 41 tot de zomer van '42 doormaakte, al was het maar omdat daarin zo duidelijk tot uitdrukking komt welk een hachelijk avontuur de productie van een illegaal blad vormde.

1 4 (juli 1941), p. 2. 2 II (29 mei 1941), p. 3-4.

806 [PDF]
'VRIJ NEDERLAND'

XCIn ons vorige deel verlieten wij Vrij Nederland op het moment waarop in maart en april' 41 nagenoeg allen die met het blad te maken hadden (hoofdzakelijk anti-revolutionaire jongeren uit Amsterdam), gearresteerd waren; tot de weinigen die toen de dans ontsprongen, behoorden de organisator van de verspreiding, mr. A. H. van Namen, en de twee hoofdverspreiders Wim Speelman en Anne Kooistra. Alle drie doken onder maar zij beseften dat het wenselijk was, de productie van het illegale blad voort te zetten: staakte men deze, dan zou dat een sterke aanwijzing zijn dat Vrij Nederland inderdaad het werk was geweest van de gearresteerden. De vrouw van een dier gearresteerden, mr. C. van Rij, zocht op verzoek van van Namen Edouard de Nève op; beiden hadden van diens verzetsactiviteit vernomen. De Nève die tot over zijn oren in de 'pilotenhulp' zat alsmede in ander illegaal werk (o.m. voorbereiding van sabotage), was onmiddellijk tot medewerking bereid. Het nieuwe nummer dat van begin tot eind door hem verzorgd was, kwam begin juni uit. 'Willekeurige arrestaties', zo heette het hierin, 'hebben vele Nederlanders die verdacht werden met ons samen te werken uit hun familiekring weggerukt. De vergissingen, door de Gestapo hierbij begaan, zijn even ontelbaar als onverklaarbaar."

XCwel ontving de Nève via van Namen enkele artikelen uit kringen van de Vrije Universiteit, maar voor het grootste deel van de inhoud van Vrij Neder land moest hij voorlopig zelf zorgen; pas in augustus kreeg hij een vaste assistent in de persoon van de schrijver Jacques Gans, maar deze werkte hoogst onregelmatig. 'Als ik op een bepaalde datum iets per se uit zijn handen moest hebben, moest ik hem op mijn kamer opsluiten', vertelde de Nève ons, 'maar dan maakte hij het ook af. Daarmee was ik er nog niet. Het was moeilijk om aan stencilpapier te komen. Bij het stencillen zelf had ik veel hulp van een relatie uit Zaandam, A. H. Stam. Die organiseerde het. Ook de verspreiding was een heel probleem. Ik kreeg er mensen voor die naar verschillende streken trokken. Het heeft me alles bij elkaar veel geld gekost. Veel mensen durfden geen geld geven'2 - de Nève ging zich in zijn blad met verbittering tegen die weigeraars keren:list geen moment misleid. Alle arrestanten hadden al bekentenissen afgelegd. 2 E. de Nève, 6 juli

1 I, 12 (10 juni 1941), p. 2. De werd door de Nève's

807 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

XC'Op de grote dag zullen wij uw hulp niet inroepen. Wij zullen u zelfs beletten, op straat te komen ... Wij zullen u onomwonden zeggen: 'Gij hebt ons in de dagen van strijd uw steun geweigerd. Rekent thans niet op ons. Gij kunt 'Oranje boven' brullen zoveel gij wilt en uw knoopsgat sieren met enorme, driekleurige strikken, voor ons zult gij niet bestaan, behalve om aan de menigte te tonen hoe en wat gij zijt en waarom gij uit berekening niet hebt gedaan wat gedaan moest worden."

XCKort na deze noodkreet werd de Nève in verband met zijn 'pilotenhulp' gearresteerd.ê Intussen was van Namen, in Groningen ondergedoken, daar bij toeval in contact gekomen met de verloofde van zijn neefWim Speelman; die verloofde kende Speelmans o~derduikadres dat van Namen niet wist. Via Speelman ontmoette hij weer Kooistra en toen deze drie (van Namen, Speelman, Kooistra) na de arrestatie van de Nève voor het probleem stonden, hoe men Vrij Nederland redactioneel kon voortzetten, was het Kooistra die de aandacht vestigde op de hoofdonderwijzer van de school in de Amsterdamse Jordaan waar hij zelf als onderwijzer aan verbonden was: Heuk van Randwijk. VanRandwijk betrok van zijn kant de dichter Jan H. de Groot en de journaliste mej. dr. G. H. J. van der Molen bij de besprekingen. Nog twee personen kwamen er bij: A. H. Stam, de Nève's medewerker, en een analyst uit Haarlem, Henk P. Hos, met wie Speelman en Kooistra in contact gekomen waren. Toen het gezelschap in oktober in Amsterdam voor een soort constituerende vergadering bijeenkwam, ontbrak evenwel Kooistra: verdacht van een poging om naar Engeland te ontsnappen, was hij in Delfzijl gearresteerd. Hij stierf een klein jaar later in het concentratiekamp Gross-Rosen.

XCOp die constituerende vergadering stond allereerst ter discussie, welk karakter men aan het 'nieuwe'Vrij Nederland zou geven. De anti-revolutionaire leider Jan Schouten had tegen Speelman, die hem opgezocht had, geVrij

1 II, 3 (u sept. 1941), p. 9. 2 De Nève verkreeg voor de Duitse rechtbank uitstel van behandeling door krankzinnigheid te simuleren. Die fictie werd door rapporten van psychiaters die door de Nève's echtgenote, de schrijfster Henriëtte van Eyk, in het complot betrokken waren, ondersteund. De Nève bracht het op, zijn simuleren tot december '43 voort te zetten; hij kon het toen in het Duitse krankzinnigengesticht waar hij opgesloten was en waar hij bijna verhonger de, niet meer uithouden. In een brief aan het dat hem ontoerekenings vatbaar verklaard had, bekende hij zijn daden. Het werd juli '44 voor hij naar Nederland overgebracht was. Op 4 september, de dag vóór Dolle Dinsdag, werd hij tot de doodstraf veroordeeld, maar in de chaos die zich ontwikkelde, raakte zijn dossier zoek. Hij werd naar Sachsenhausen getransporteerd.' Aan het slot van een evacuatiemars uit dat concentratiekamp werd hij eind april' 45 bevrijd.

808 [PDF]
'VRIJ NEDERLAND'

zegd dat hij een blad wenste in brede anti-revolutionaire geest. Daar keerde van Randwijk zich tegen: met een uitgesproken anti-revolutionair, ja met een uitgesproken christelijk blad zou men velen afstoten. Hij, van Randwijk, verwachtte weinig van de traditionele partijen en kerken: de oorlog was een revolutie, het gehele maatschappelijke en politieke bestel moest vernieuwd worden en de impuls daartoe moest evenzeer uit de humanistische als uit de christelijke hoek komen. In die geest, zo betoogde hij, diende men Vrij Nederland te redigeren. En wat de organisatie betrof: hij was tegenstander van een aparte, zelfstandige verspreidersorganisatie zoals die door Speelman bepleit werd; er moest, zei hij, voor alle aspecten van het werk één centrale leiding komen waar zowel de redactie als de productie en de distributie onder zouden ressorteren. Dat alles werd met grote overtuiging voorgedragen - en Speelman die tien jaar jonger was dan van Randwijk en zich de mindere voelde in algemene ontwikkeling, schikte zich. Met enige wrevel? Misschien wel. Want het zag er naar uit dat Vrij Nederland met de dominerende van Randwijk in de centrale leiding, organisatorisch en redactioneel een kant opging waarmee hij, Speelman, zich niet ten volle verenigen kon. Er werd hier de kiem gelegd voor een conflict dat ruim een jaar Liter in volle hevigheid zou uitbarsten.

XC'Ik ben', zo schreef van Randwijk lang na de oorlog aan zijn vriend Buskes, 'een afschuwelijke sentimentele romanticus en (met mijn verstand) een bijna cynische realist. Ik heb een nooit aflatende angst voor de dood, duizend maal sterker dan je denkt, en daardoor een even grote levenshonger. Ik ben religieus nooit verder gekomen dan de Knipsteeg, maar tegelijkertijd de modernste filosofie voorbij. Ik ben zo ijdel als de pest en zodra ik succesheb of iets van die aard, schaam ik me, neb er genoeg van, en wil weg. Ik ben alleen in mijn verstand volwassen, als persoon ben ik een kind, zoek steeds m'n moeder en wil verzorgd en geliefkoosd worden als een kind. Ik ben erg laf, soms dapper, ik ben een spitsburger en, erger, een bohémien. Ik ben zakenman en artiest, ik ben conservatief en vooruitstrevend, alles bij mekaar. Ik ben eerlijk en oneerlijk en weet zelf niet meer, wanneer het een ofhet ander, en ik ben mijn eigen vijand.'1

XCWij hebben dit getuigenis voorop willen stellen, maar voegen er aan toe dat het, ook als het juist mocht zijn, toch nauwelijks verklaart waarom Henk

XC1Uit brieven van van Randwijk, aangehaalddoor]. J. Buskesin Maatstaf, april-mei I968, p.

809 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

van Randwijk tot een van de inspirerendste figuren van het Nederlands verzet kon uitgroeien. Want de werking van de mens berust niet op zijn innerlijke tegenstellingen en conflicten als zodanig (tegenstellingen en conflicten die velen zich niet bewust zijn en die menigeen in dadeloosheid doen vervallen) zij berust op de mate waarin hij die tegenstellingen en conflicten 'te boven komt, ze desnoods meedraagt in zijn uitstralende activiteit. Van Randwijk was diep gekwetst door het onrecht van de bezetting, hij was strijdbaar en hij bezat een zeldzaam expressievermogen. Het is weinigen gegeven, uit te drukken wat honderdduizenden gevoelen; dat gelukt hun alleen wanneer zij via hun eigen sensitiviteit met die honderdduizenden in een onzichtbaar en geheimzinnig contact staan. Zo van Randwijk. Toen hij als twee-endertigjarige de leiding van Vrij Nederland in handen nam, werd hij een van de grote vertolkers van lijdend en strijdend Nederland.

XCHendrik Mattheus van Randwijk was op 9 november 1909 in Gorcum geboren waar zijn vader een tuinderij annex bloemisterij bezat. Een merkwaardige man, die vader! Gereformeerd, maar in geen kerkgenootschap kon hij het uithouden; ondernemer, maar de winst interesseerde hem niet; steeds verdiept in gemeenschapsproblemen, maar hij bleef een, overigens opgewekte, eenling - Jan H. de Groot beschreef hem als' een:vrome rebel" ; die karakterisering zou ook op zijn zoon Henk kunnen slaan, de middelste van zijn vijf kinderen. De moeder was, aldus haar begaafde zoon, 'stil en somber, ze had het moeilijk; ze torste al het wereldleed.P

XCHenk was op de christelijke lagere school een goede leerling; de christelijke mulo volgde, daarna de christelijke kweekschool. Eigenlijk wilde hij naar de universiteit gaan, maar daar was geen geld voor. Hij zette zich aan de zelfstudie waarbij hij in het politieke vlak machtig gegrepen werd door Het Communistisch Manifest en door Quacks De Socialisten, in het religieuze door de publikaties van Karl Barth. Wat in Nederland in het interbellum voor 'christelijke politiek' doorging, verafschuwde hij; zestien jaar was hij toen hij, in '26, met Jan Schouten in debat trad over de beginselen van de anti-revolutionaire politiek: hij moest er niets van hebben! In hetzelfde jaar richtte hij op de kweekschool een krantje op om van zijn sympathie te getuigen voor de algemene staking die in Engeland uitgebroken was.

XCToen hij in '28 de kweekschool verliet, kreeg hij als 'kwekeling met acte' een aanstelling bij de christelijke lagere school te Werkendam. De bezoldiging was dertig gulden per maand. Hij bleef thuis wonen. Hij had toen al zijn toekomstige vrouw gevonden: een medeleerlinge van de kweekschool,p.

1 Jan H. de Groot in a.v., 60. 2 H. M. van Randwijk, 29 okt. 1958.

810 [PDF]
HENK VAN RANDWIJK

Ada Henstra, dochter van de Gorcumse sluismeester. Na hun trouwen (het huwelijk bleefkinderloos) hadden zij het niet breed. Begin '36 kwam opeens meer geld beschikbaar. Er waren tevoren al gedichten van van Randwijks hand gepubliceerd, maar die hadden nauwelijks de aandacht getrokken. Een roman, Burgers in nood, waarin het leed van malaise en werkloosheid centraal stond, werd door de kritiek uitnemend ontvangen, sloeg opeens aan en werd in tienduizenden exemplaren verkocht. Met zijn jonge vrouw trok van Randwijk spoedig ('37) naar Amsterdam waar hij, hoewel als 'rood' bekend zo niet berucht, op voorspraak van zijn vriend Buskes benoemd was tot hoofd van een christelijke lagere school in de Jordaan, uitgaande van de vereniging 'Tot Heil des Volks': de Eben-Haëzerschool, officieel voorts hetend: 'Instituut voor haveloze kinderen'. De school was gevestigd in een oude suikerfabriek, even haveloos als de scholieren. Van Randwijk ontpopte er zich, aldus een zijner onderwijzers, als 'een paedagoog bij de gratie Gods'"; zijn frisse en originele onderwijsmethoden deden zozeer van zich spreken dat het aantalleerlingen in drie jaar tijd verdubbelde. Een groots plan rijpte in zijn geest: midden in de Jordaan, een van de armste wijken van de hoofdstad, diende het mooiste en modernste schoolgebouw van Amsterdam te verrijzen! Ach, in de tijd waarin hij er zich moeite voor gaf, wist hij ook dat de verwezenlijking zou afstuiten op de bezuiniging.

XCEvenals Frans Goedhart, de eigenlijke oprichter van Het Parool, verafschuwde van Randwijk het accoord van München. Dat Engeland een klein jaar later het been stijf hield, was hem een opluchting en de Duitse invasie, mei' 40, vervulde hem minder met angst dan met het gevoel, zo vertelde hij ons achttien jaar later, 'dat het gezwel eindelijk doorgebarsten was'"; nu zou een ieder kunnen zien waar het om ging: de Europese beschaving stond op het spel. Slechts op één punt kwam hij, zij het onder uitdrukkelijk protest, de autoriteiten tegemoet: hij ondertekende (oktober '40) de Ariërverklaring. Weinige weken later behoorde hij tot de enthousiaste verspreiders van de illegale brochure van zijn vriend ds. Koopmans, Bijna te laat!, waarin juist die Ariërverklaring aan de kaak gesteld werd. Hij gruwde van de Jodenvervolging. In de weken waarin, voorafgaande aan de Februaristaking, een pogrom dreigde in de Jodenhoek, liet hij samen met de evangelist Johan Dijkstra een aantal Joodse gezinnen in de Jordaan onderduiken en na de staking ging hij eerst voor de stakers die met inhouding van loon gestraft waren, geld inzamelen, daarna voor werklozen die weigerden naar Duitsland te gaan; 'het geld kwam van kennissen maar ook firma's alsDake en Höweler

1 I. delong in april-mei 1968, p. 68. 2 H. M. van Randwijk, 29 okt. 1958.

811 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

gaven grote bedragen. '1 Ander werk volgde, alles gecombineerd met zijn functie als onderwijzer en schoolhoofd, alles met steun van zijn vrouw, die in moed niet voor hem onderdeed en hem in innerlijke rust overtrof: besprekingen met leden van de Lunterse Kring, herbewerking van Miskotte' s Betere weerstand en van Buskes' Ons kind in gevaar, talloze contacten binnen het protestants-christelijk onderwijs om er de geest van verzet tegen van Dams maatregelen te versterken, vergaderingen in de kring van christelijke litteratoren (tegen de Kultuurkamer!) - ook was hij in de lente van '41 via mr. C. van Rij in de Ordedienst ingeschakeld.

XCDe kans die hij in oktober' 41 kreeg: de leiding op zich te nemen van een illegaal blad dat met vallen en opstaan al meer dan een jaar bestond, trok hem onweerstaanbaar aan. Hij was er bang voor. Hij vond óók dat het moest, maar als het moest, dan onder zijn leiding en volgens Zij11 denkbeelden! Hij had een sterke behoefte om te domineren; zij maakte het hem gemakkelijk om nu eens met een charmante glimlach, dan weer met een norse order het uiterste van zijn medewerkers te vergen van wie sommigen hem haast in onderworpenheid volgden, anderen in een mengsel van bewondering en ergernis. Hij kon, aldus een zijner latere mederedacteuren, mr. J. Cramer, van een 'overrompelende suggestiviteit' zijn"; deze werd door zijn stem die recht uit de kern van zijn persoonlijkheid leek te komen, versterkt.

XCHet eerste wat hij deed, was voor Vrij Nederland een drukker vinden. Drukker J. Hoekstra uit Koudum, hem aangebracht door een relatie uit de groep die De Vonk uitgaf, zorgde in december' 41 voor het eerste gedrukte nummer. In het tweede dat ill. januari uitkwam, legde van Randwijk een soort politieke geloofsbelijdenis af Neen, de oorlog was 'niet in de eerste plaats een oorlog tussen Engeland en Duitsland, maar een Europese burgeroorlog', 'de vreselijke wraak over een algemene weigering om het offer onder ogen te zien dat de keuze van de rechte weg zou moeten kosten' aldus citeerde hij de Engelse socialist John Middleton Murry. Hij vervolgde:

XC'Jarenlang zijn er onder ons geweest die gewaarschuwd hebben, niet alleen tegen het nationaal-socialisme maar ook tegen onszelf, dat Europa te gronde zou gaan tenzij het zich economisch en sociaal-geestelijk zou durven herzien.

XCDeze mensen waren de werkelijke revolutionairen van Europa!

XCZij kwamen echter alles tekort wat de Nazi's wèl bezitten: bommen, vliegtuigen, tanks, een geraffineerd propaganda-apparaat

XCDe bewoners van Europa, opgeschrikt door het rumoer en de gewelddaden van de inbrekers, zijn thans wakker geworden!

XCNu hun huis bijna leeggeplunderd en vernield is, bemerken zij hoezeer ze

XC1 A.v. 2 J. Cramer, rö.april 1958.

812 [PDF]
HENK V AN RANDWIJK

afhankelijk waren van de verwaarloosde geschenken die Christendom en humanisme Europa gaven!

XCDeze ontdekking is thans de grondslag van ons verzet; moge het morgen de bron zijn waaruit wij kracht putten, een nieuw Europa op te bouwen."

XCTwee maanden later, klemmender nog, haast extatisch, en in de voor van Randwijks stijl typische antithesen:

XC'Wie kan beter voor de vrijheid werken dan zij die de slavernij gekend hebben?

XCWie hunkert meer naar de gerechtigheid dan zij die terreur en onrecht hebben zien zegevieren?

XCWie kent beter de noodzaak van een algemeen aanvaarde verantwoordelijkheid dan zij die door achteloosheid zoveellijden moesten?

XCWie roemt de mildheid der barmhartigheid meer dan zij die de zwakke vertrapt, de onschuldige verslagen en de weerloze ontrecht zagen?

XCThans is de kans aan ons!

XCWij hebbenjaren verspeeld, wij kunnen een eeuw winnen!"

XCDit was, in het veelstemmig koor van de Nederlandse illegale pers, een ,nieuw geluid - een geluid dat, zo voelden velenhet, naar onvermoede verten wees. Profetisch deed het aan in zijn hartstochtelijke heilsverkondiging, maar de onbekende schrijver kon, als eertijds de profeten van Israël, ook toornen tegen de lauwen, de slapers:

XC'Daar zijn duizenden die niet wakker geschud zijn door de doodsklokken van deze tijd. Zij worden nauwelijks beroerd door wat er om hen heen gebeurt. Het gruwelijk onrecht dat er dagelijks gepleegd wordt, snijdt hen niet door de ziel. De bittere nood hunner volksgenoten nijpt hen niet de keel toe van benauwdheid. Zij praten wel over de nood van de tijd, maar zij voelen die niet ...

XCDeze mensen (en zo zijn er maar al te veel in ons land) hebben maar één verlangen, en dat is, deze 'beroerde tijd' zo goed en zo gaaf mogelijk door te komen. Natuurlijk hopen zij dat Nederland weer vrij wordt, dat H.M. de Koningin weer terugkeert (die zij dan uitbundig zullen toejuichen!) en dat de Moffen, op wie ze graag schelden, zo gauw mogelijk zullen worden verjaagd. Voorzover zij zich Chrisrenen noemen, bidden zij op regelmatige tijden om deze goede zaken.

XCMaar daarmee houdt hun activiteit dan ook op. Hun leven is door de voorspoed waaraan zij gewend waren, 'zo door en door verburgerlijkt, dat zij voor geen diepere gevoelens van gemeenschapszin meer vatbaar zijn ... Zolang aan hun kapitaaltje, aan hun inkomen, aan hun huisje en meubeltjes maar niet geraakt wordt, is alles nog zo erg niet. Als hun kinderen maar gespaard worden, dan is er reeds alle reden om God te danken voor zoveel onverdiende zegeningen

XCEr zijn geen woorden te scherp om de levenshouding van deze Nederlanders te brandmerken. Niet alleen delandverraderlijke kliek der NSB is een schand

XC1 Vrij Nederland, II, 8 (jan. 1942), p. 3. 2 A.v., II (18 maart 1942), p. 3. 81

813 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

vlek voor onze natie - ook voor deze slappe, bange lieden die niets en nogmaals niets doen om de vijand te weerstaan ... , hebben wij ons diep te schamen."

XC'Vrij Nederland, de nieuwe nummers', zo noteerde eind april '42 de tot verzet geneigde ambtenaar van het gewestelijk arbeidsbureau-Zwolle die wij al eerder aanhaalden, 'kostelijk, in één woord! ... Wat deze grauwe en onaanzienlijke krantjes betekenen in deze totale oorlog, is niet te schatten. Hoevele wankelmoedigen onder ons hebben ze weer een sterke, rechte rug gegeven, hoeveel vertrouwen weer teruggegeven aan weifelende harten, hoeveel geestdrift verspreid en inzicht en besef verhelderd?

XCHoeden af voor jullie, naamloze redacteuren. En Gods zegen over je goede werk.

XCElke keer weer moet ik mezelf dwingen, de blaadjes door te geven. Je zou ze wéér willen lezen, keer op keer. Maar het màg niet. Doorgeven, en vlug, zolang ze nog actueel zijn.' 2

XCHet redigeren van een illegaal blad was ten dele normale redactionele arbeid (schrijven, beoordelen, selecteren en bewerken van berichten en artikelen) maar het was ook veel meer. De redacteuren moesten zelf de stof verzamelen. Dat betekende dat zij zich zo breed mogelijk moesten oriënteren over datgene wat in het land geschiedde en wat juist niet in de dagbladpers te lezen stond. Contacten met andere groeperingen waar verzet geboden werd, ook met andere illegale organisaties, vloeiden hieruit voort. Maar hoe rijker de inhoud van een illegaal blad werd, des te kwetsbaarder werd het. Daar kwam bij dat de noodzaak van specialisatie in die beginjaren vaak onvoldoende in het oog gehouden werd: men werd door het zich uitbreidende werk en door de contacten die met anderen tot stand kwamen, als het ware meegesleept. De Vrij Nederland-groep liet niet alleen een illegaal blad verschijnen, zij ging de zorg voor onderduikers op zich nemen, zij ging zich moeite geven, een net van geheime zenders op te bouwen dat het gehele land bestreek, zij ging militaire gegevens verzamelen en dus ook driftig zoeken naar wegen en middelen om die gegevens naar Engeland weg te werken, kortom: zij werd een soort microkosmos waarin vele aspecten van het illegaleA.v.,meip.van Boven:p.april8 1

1 14 (8 1942), 7. 2 A. II6-17 (24 1942).

814 [PDF]
HENK V AN RANDWIJK

werk weerspiegeld waren. Welbleef het blad zelf centraal staan. Van Randwijk schreef er de hoofdartikelen voor en behandelde alles wat met de arbeidsinzet te maken had, van Namen stelde de buitenlandse overzichten samen, anderen droegen artikelen bij over gebeurtenissen in sectoren waarmee men in nauw contact stond: het kerkelijk verzet, het protestants schoolverzet, het kunstenaarsverzet. Via van Randwijk was er van meet af aan veel samenwerking met de groep van De Vonk, van de zomer van' 42 af ook met de Ordedienst. Aan de top, dat was praktisch onvermijdelijk, kwam een zekere speciahsatie tot stand.! Speelman en Hos, die beiden al gezocht werden en dus ondergedoken waren, zorgden voor de productie van de nummers en organiseerden de distributie, als eigenlijke redactie gingen van Randwijk (hoofdredacteur), Jan H. de Groot, van Namen en mej. van der Molen fungeren - die laatste niet zonder aarzeling: ze was zeventien jaar ouder dan van Randwijk, ze kwam uit de anti-revolutionaire hoek, en zij was van mening dat van Randwijk te 'socialistisch' was en over de Sowjet-Unie (waar hij in '35 een kort bezoek aan gebracht had) te idealistisch dacht. Een artikel als dat waarin begin april' 42 voorspeld werd dat heel Duitsland na de oorlog communistisch zou worden en dat Nederland zich daarbij zou moeten aanpassen en in elk geval niet 'een soortement kapitalistisch regiem' zou kunnen handhaven, 2 ging haar veel te ver; zij bleef intussen lid van de redactie. Deze kwam als regel eens per maand bijeen. Van de leden stond slechts één bij de Sicherheitspolizei gesignaleerd: van Namen; zijn activiteit voor het' eerste'Vrij Nederland was aan de Sicherheitspolizei bekend.

XCIn de vroege lente van '42 ging het met van Randwijk haast mis. Hij had in februari een aan de Jodenvervolging gewijde, illegale brochure geschreven: Tenzij ... Een ernstig beroep op het geweten van het Nederlandse volk,3 waarin hij terugkeek op wat in '40 en '41 geschied was:

XC'Het is de systematische verpauperisering van de Joden, de onverbiddelijke en harteloze uitdrijving uit ons volk, de langzame, wetenschappelijk voorbereide en geruisloos uitgevoerde moord op onze medemensen. Dit is antisemitisme: geweld, onrecht en doodslag, erger: opstand en ongehoorzaamheid tegen de God van Israël, het trotse gebaar van het Germaanse heidendom dat mèt de Joden de God der Joden, dat is: de Vader van onze Heer Jezus Christus wil uitdrijven uit onze wereld.

XCOns volk zwijgt en ziet toe .. .'

XC1 Van de leden van de Centrale Leiding vertrok Stam in februari '42 naar Zwitserland. 2 Vrij Nederland, 11,12 (1 april 1942), p. 2. In een van de door de Nève geredigeerde nummers had nog gestaan: 'Maar we vergeten niet dat het doel van Moskou de wereldrevolutie is! Dus ook het communisme is onze vijand!' (a.v., 4 (eind sept. 1941), p. 8) 3 Collectie pamfletten, 140.

815 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

XCVan dit betoog en de daarbij aansluitende oproep tot solidariteit (wij komen daar in hoofdstuk 12 op terug) had van Randwijk, toen hij eenmaal de illegale brochures in handen had, vijfhonderd exemplaren aan een lid van de De Vonk-groep gegeven; dat lid werd in maart gearresteerd en noemde van Randwijks naam. Op een ochtend v:roeg kwam de inval. 'Ze deden met een loper de deur open, Viebahn' (een Kriminalsekretär, verbonden aan Lages' Aussenstelle)'en een paar Hollandse SD'ers. Henk en ik', aldus later Ada van Randwijk,

XC'hadden spionagemateriaal, dat lag gewoon op het nachtkastje. Ik liep nog in peignoir en de Hollanders zeiden iets tegen elkaar over mij. Ik-zei: 'Denkt u er om, u bent hier voor huiszoeking en ik wil geen op- en aanmerkingen.' Viebahn heeft, toen ik me over hen beklaagde, die Hollanders weggestuurd. Ik vroeg of ik me mocht gaan aankleden, en toen heb ik de enveloppen met spionagemateriaal verstopt in het linnengoed en kriskras uit de kast gegooid. Ondertussen was (een andere SD'er) gekomen met twee vervangers en toen die het huis gingen doorzoeken en in de slaapkamer kwamen, zeiden ze: hier zijn ze al geweest.

XCHenk moest mee om verhoord te worden. Maar ik heb bij Viebahn veel bereikt. Ik ben naar hem toegegaan om te zeggen dat hij Henk los moest laten. Ik deed erg uit de hoogte, en hij zei dat Henk direct na het onderzoek thuiskwam, wat niet gebeurde. De tweede keer dat ik ging, zei ik dat Henk een cheque moest tekenen. Viebahn heeft me toen mee naar de gevangenis genomen en ik kon Henk duidelijk maken dat ze niets hadden gevonden. De derde keer zei ik kwaad dat ik altijd had gedacht dat een Duitse officier die zijn woord gaf, te vertrouwen was. Ik zei: 'En nou kom ik niet meer vragen, dan blijft-ie maar zitten.' Ik ging gewoon woedend weg. Ik was nog niet thuis of Henk belde op. Hij was vrijgelaten.'l

XCVan Randwijk had in zijn gevangenschap die twee weken duurde, glashard ontkend dat hij iets met de brochure Tenzij ... te maken had, ook toen hij met het lid van de De Vonk-groep geconfronteerd werd. Kennelijk was Viébahn door Ada van Randwijk sterk geïmponeerd. Hoe dat zij - met de woorden 'Of u bent de grootste leugenaar of u bent onschuldig', stelde hij de hoofdredacteur van Vrij Nederland op vrije voeten. De van Randwijks doken nu onmiddellijk onder. . Twee maanden later deed zich een nieuwe crisis voor, nog gevaarlijker.

XCEen V-Mann van de Sicherheitspolizei had contact met Hos gekregen, had zich Z.g. gewond in het Amsterdamse Binnengasthuis laten opnemen en was daar door Hos met hulp van medewerkers van de Vrij Nederland-groep uit bevrijd. Hos deelde deze niet-doorziene verrader .mee dat hij op zondag

XClA. M. van Randwijk-Henstra in Maatstaf, april-mei 1968, p. 164-65.

816 [PDF]
HENK V AN RANDWIJK

28 juni '42 een afspraak had in het buitenhuisje van mej. van der Molen in Noordwijk. De Nederlandse politie kreeg opdracht, hem en mej. van der Molen aldaar te arresteren. Hos kon zich echter niet aan zijn afspraak houden en bleef weg, maar de politie trof wèl mej. van der Molen aan. Notabene, er was redactievergadering van Vrij Nederland en van Randwijk en de Groot waren ook aanwezig. Van Namen was naar de kerk. Toen hij aan kwam lopen, zag hij dat er onraad was - hij liep door. De Nederlandse rechercheur die het onderzoek leidde, had achter van Namens ware identiteit kunnen komen (hij was als voortvluchtig gesignaleerd en de Sicherheitspolizei bezat een foto van hem), maar wist van de overigen niets bijzonders af Dezen ontkenden, ooit van Hos gehoord te hebben. 'Ze hebben mij', aldus mej. van der Molen, toen vijftig jaar oud, 'alleen maar aangezien voor een oude juffrouw die zich ook nog wat met vriendelijke hulp aan haar medemensen bezighield, maar niet met zulke stoute dingen als illegale bladen! Ik heb deze houding natuurlijk krachtig volgehouden'l

XCzij bleef niettemin vier weken lang opgesloten, van Randwijk en de Groot daarentegen (de rechercheur bleek zeer geïnteresseerd in huh litteraire werken, hij was een groot bewonderaar van Burgers in nood) bevonden zich na drie dagen weer in vrijheid,

XCWij keren terug naar van Randwijks bekentenis jegens Buskes: 'Ik heb een nooit aflatende angst voor de dood, duizendmaal sterker dan je denkt.'

XCTweemaal was hij de dood rakelings gepasseerd - hij wist het. Maar zijn illegaal werk zette hij voort.

De illegale CpN

XC

XCMèt de door Sneevliet geleide Revolutionair-Socialistische Arbeiderspartij was de Communistische Partij Nederland in de zomer van '40 de enige Nederlandse politieke groepering geweest die als zodanig in de illegaliteit was gegaan. De leiding was komen te berusten bij 'een driemanschap: Paul de Groot, Lou Jansen, Jan Dietérs, Van hen drieën gaf Paul de Groot de politieke hoofdlijn aan. Hij was hoofdredacteur van De Waarheid, d.w.z. dat hij het was die de gestencilde kaderkrant samenstelde die naar vertrouwde adressen in het gehele land gebracht werd; daar zorgden stencilploegen voor de plaatselijke of regionale edities van illegale bladen die als regel De Waar heid heetten. Jansens voornaamste functie was het onderhouden van contact

XC1 Getuige G., H. J. van der Molen, Enq., dl. VIr c, p. 300. 8 1

817 [PDF]
DE ILLEGALITEIT ARRESTATIES VAN COMMUNISTEN

met het district Amsterdam waar de CPN het sterkst was, Dieters onderhield het contact met de overige districten. In die districten waren van de zomer van '40 af drie nieuwe partij-organisaties opgebouwd: een organisatie van propagandisten, een organisatie die De Waarheid ten dienste stond, en een reserve-organisatie van partijgenoten en sympathisanten waaruit lacunes in de eerste twee aangevuld konden worden. De drie organisaties samen telden eind' 40 ca. tweeduizend leden. Men had er dus het gros van de vooroorlogse communisten (de CPN had in mei' 40 ca. negenduizend leden van wie ca. vierduizend in Amsterdam woonden) buiten gelaten; men had er speciaal diegenen die als functionarissen of als leden van vertegenwoordigende lichamen plaatselijk of landelijk bekend waren, niet in opgenomen. De illegale organisaties waren als elite-organisatie gedacht; zij werden zorgvuldig . afgeschermd, mede in het licht van adviezen van geëmigreerde leden van de Kommunistische Partei Deutschlands. Regel was, dat elke 'cel' uit niet meer dan vijf personen bestond, van wie slechts één contact had met zijn superieur in de partij. Dit nam niet weg dat in veel gevallen leden van een bepaalde cel toch wel de namen kenden van leden van andere cellen dan hun eigen; vele communisten kenden elkaar al sinds jaren. Tussen de Februaristaking (25-26 februari' 41) en het begin van de Duitse invasie in de Sowjet-Unie (22 juni' 41) werd deze illegale CPN plaatselijk in sterke mate door de Sicherheitspolizei gepenetreerd (in Amsterdam, Arnhem, Groningen, Den Haag en Leiden) - hier vloeiden bijna vijfhonderd arrestaties uit voort, hoofdzakelijk van verspreidersgroepen van De Waarheid en andere communistische illegale bladen. De nieuwe arrestaties, in de nacht van za op 25 juni' 41 uitgevoerd, waarbij, aansluitende arrestaties inbegrepen, ca. zeshonderd communisten opgepakt werden (ca. tweehonderd hunner werden in de loop van enkele maanden vrijgelaten), vormden niet zozeer een slag voor de illegale organisatie want deze zeshonderd arrestaties droegen een preventief en intimiderend karakter: men had er diegenen voor uitgekozen die als vooroorlogse functionarissen of leden van vertegenwoordigende lichamen bekend waren, en juist deze groep was in het algemeen buiten de illegale organisatie gehouden. Intussen maakte die tweede arrestatiegolf het elke communist, daargelaten of hij illegaal werkzaam was, wel opnieuw duidelijk dat communistische activiteit op de scherpste wijze vervolgd zou worden. Een bekendmaking van het Reichskommissariat die op 6 september '41 in de gehele Nederlandse pers verscheen, hield trouwens in dat op zodanige activiteit de doodstraf stond. Men liet zich hier niet door afschrikken. Integendeel: er ging van het feit dat de Sowjet-Unie nu kennelijk voor haar leven vocht, een inspirerend effect uit. Het 'vaderland der arbeiders' was in gevaar! Ook voor de Nederlandse communisten sprak het

818 [PDF]

vanzelf dat zij, waar dáár miljoenen sneuvelden, zelf geen offers mochten schuwen. De instructies die via de door Daan Goulooze beheerde geheime zenders uit Moskou binnenkwamen en waarin verscherpte strijd tegen de Duitse bezetter gelast werd, waren overigens, wat hun inhoud betrof (men moest gewapende partisanengroepen vormen), onuitvoerbaar en wat hun strekking aangaat, eigenlijk overbodig.'

XC1 Het werk van Goulooze heeft in hoofdzaak naast het illegale werk van de CPN gestaan. Men moet hem in de eerste plaats zien als de leider van een voor de SowjetUnie werkende spionagegroep. Goulooze had die groep vóór de oorlog met grote bekwaamheid opgebouwd. Hij had, aldus zijn biograaf G. J. Harmsen, enkele tientallen informanten die hem hun berichten deden toekomen. Hij zorgde voor het coderen. Die berichten gingen dan, in een sigaret, een lucifersdoosje of een zaklantaarnbatterij verstopt, naar zijn marconisten toe die uitsluitend een seincode bezaten en dus evenmin wisten wat zij uitzonden als wat zij ontvingen. Zij gebruikten zenders die in het algemeen op korte afstand niet hoorbaar waren en dus moeilijk uitgepeild konden worden. Eind' 41 had Goulooze niet minder dan vijf van die zenders in dienst. Hij liet ze voortdurend verplaatsen en liet zijn marconisten bovendien volgens met Moskou afgesproken schema's op onregelmatige tijden en op wisselende frequenties uitzenden. Voor het koerierswerk en voor de huisvesting van de marconisten waren hierbij talrijke helpers ingeschakeld.

XCDaarnaast was Goulooze verbindingsman met de Komintern zowel voor de CPN als voor de in ons land bestaande illegale KPD-organisatie. Hij onderhield die verbinding radiografisch en door middel van Zweedse zeelieden die Delfzijl aandeden en die in Stockholm contact konden opnemen met de Komintern-vertegenwoordiger die zich daar bevond. Langs die weg werd geld, maar ook communistische propagandalectuur die voor Duitsland bestemd was, ons land binnengesmokkeld. Inderdaad wisten enkele illegale KPD'ers van Nederland uit contacten in Duitsland te leggen maar onze algemene indruk uit het, overigens schaarse, bewaardgebleven materiaal is dat deze niet veel om het lijf hadden.

XCGoulooze's gehele organisatie werd in de zomer van' 43 opgerold. Hij werd toen {Jok zelf gearresteerd; via het Huis van Bewaring te Amsterdam kwam hij in het concentratiekamp Vught terecht en vandaar in Sachsenhausen; ook zijn dossier raakte zoek in de Dolle Dinsdag-crisis. Hij overleefde de oorlog. In Nederlandse verhoudingen is wat hij met zijn vijf zenders op spionagegebied verricht heeft, uniek geweest.

XCNaast Goulooze's spionagegroep zijn nog enkele voor de Sowjet-Unie werkende spionagegroepen in ons land actief geweest. Een groep die in '38 van België uit opgebouwd was, had de Arnhemse communisten Anton Winterink en een zekere 'Velo' (zijn ware naam is ons niet bekend) als leiders. Zij gaven, schijnt het, meestal militaire inlichtingen door, die soms van Nederlandse arbeiders die in Duitsland werkten, afkomstig waren. Winterink werd in augustus' 42 gearresteerd en met een aantal medewerkers in België berecht. Allen werden op één na ter dood veroordeeld en, aldus Harmsen, vermoedelijk in '44 geëxecuteerd. Wij nemen aan dat 'Velo' in leven gebleven is.

XCTenslotte werden in de zomer van' 42 drie in Moskou opgeleide geheime agenten

819 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

XCOnmiddellijk na de zzste juni 1941 staakte Paul de Groot zijn aanvallen op de Londense regering. Hij wilde de CPN in een nationaal verzetstront invoegen; daar vloeide uit voort dat hij ook ten aanzien van het Oranjehuis zijn koers wijzigde. 'Wij zijn geen aanhangers van het Oranjehuis', schreefhij in augustus' 41 in De Waarheid.'Wij hebben echter ook geen bijzondere reden tot vijandschap tegenover de Koningin', en aangezien het er nu vooral op aankwam, 'de grootst mogelijke eenheid en kracht der verzetsbeweging tot stand te brengen', gafhij het parool uit dat op Koninginnedag, 31 augustus, 'de massa's op straat moeten komen, in zulke indrukwekkende en machtige aantallen dat de Nazi's en hun NSB-knechten de schrik in de benen zal slaan ... Daarom thans met man en macht de voorbereidingen getroffen voor de j rste augustus! Geen man, geen vrouwen geen kind mag op die dag thuis blijven!"

XCHet schijnt dat communisten hier en daar, met name in de Zaanstreek, na die oproep pogingen ondernamen om samen met andere verzetsgroepen de door de Groot geëiste demonstraties voor te bereiden. Zij hadden daarbij weinig of geen succes en hoewel er niet alleen in De Waarheid maar ook in plaatselijk verspreide pamfletten op aangedrongen was, de Groots oproep te volgen, werd er op Koninginnedag nergens gedemonstreerd. In alle grote steden patrouilleerden, gelijk al eerder vermeld, eenheden van de Ordnungspolizei, ja zelfs van de Wehrmacht.

XCDit militaire vertoon had met de Groots oproep te maken. Geïrriteerd door de voortgezette communistische agitatie had Rauter op 25 augustus aan Harster het denkbeeld voorgelegd om als 'eine Abschreckung der iibrigen noch in Freiheit befindlichen Kommunisten' honderd van de in juni gearresteerde cornmunistische voormannen uit de kampen Schoor! en Amersfoort naar

via Engeland en met hulp van de Engelse geheime dienst gedropt: twee Neder landers, de drie-en-zestigjarige ex-predikant]. W. Kruyt en zijn zoon Nico, en een Duitser, Bruno Kühn - alle drie moesten zich, aldus Harmsen, bij Goulooze melden maar daarna een eigen net opbouwen. Harmsen betwijfelt of zij daar in geslaagd zijn. Kühn werd in juli '43 gearresteerd en nam vergif in. Nico Kruyt overleefde de oorlog. Zijn vader brak bij zijn landing in België een been, 'werd een paar dagen later gearresteerd, slikte zijn zelfinoordcapsule in, maar men wist zijn maag tijdig leeg te pompen. Hij werd korte tijd later geëxecuteerd. 1 (26 aug. 1941), p. 1-2.

820 [PDF]
RAUTER WIL INGRIJPEN

Buchenwald te transporteren'i! Op de z ssre of op een van de twee daarop volgende dagen viel de Groots oproep ergens in het land in Duitse handen. Hier vloeide uit voort dat Harster op de 27ste, vier dagen voor Koninginnedag, Rauters denkbeeld aan de Chefder Sicherheitspolizei und des SD, Heydrich, doorgaf Er werd niet tijdig op gereageerd en er was dan ook aan Rauters suggestie nog geen enkele uitvoering gegeven toen Koninginnedag genaderd was. Mede door het ijlings gelaste Duitse militaire vertoon bleven straatdemonstraties die dag uit. Desondanks was Rauter van mening dat de tijd gekomen was om met de hardste maatregelen in te grijpen, niet alleen tegen de cornmunisten, wier actie op hem steeds de uitwerking had van een rode lap op een stier, maar ook tegen de Joden die volgens hem nog niet voldoende geïntimideerd : waren. Hij reisde naar Berlijn en belde van daaruit op 3 september Himrnler op die zich in het Fiihrerhauptquartier bevond. Hem vroeg 'hij om machtiging, drie- tot vierduizend comri1unisten en Joden, allen zo mogelijktussen de achttien en vijf-en-dertig jaar, naar Mauthausen over te brengen. Himrnle~ ging hiermee accoord. 'Der Reichsführer ist grundsätzlich der Auffassung', zo gaf Rauter Himrnlers standpunt weer, 'ilass alles das, was sich kommunistisch führen4 betätïgt, nack Mauthausen abzuschieben wäre. Der Kommunismus sei eine solche Weltgifahr, seine Zähigkeit, Beharrlichkeit und Kampjesart stelle sich jetzt erst sa rech: ins Licht, dass er auch. in Holland rück sichtslos ausgemerzt werden müsse. Er erteile die Vollmacht, dass also sämtliche Kom munisten, soJern sie gifährlich sind, und auch das Grossstadtgesindel, das durch hetze rische Tätigkeit hervortritt, sowie juden, die auf diesem Sektor in Erscheinung treten, mit Transport nach Mauthausen abgeschoben werden.'2

XCNa terugkeer in Den Haag legde Rauter onmiddellijk (5 september) zijn door Himmler goedgekeurd voorstel aan Seyss-Inquart voor. 'Er ist', zo kon Rauter aan Harster doen weten, 'mit dieser Massnahme einverstanden' (een dag later, 6 september, verscheen de bekendmaking in de pers dat op alle communistische activiteit de-doodstraf stond). 'Ich bitte, noch mit Grup penführer Heydrich darüber Fuhlung aufzunehmen' (hem had Rauter in Berlijn kennelijk niet kunnen spreken) 'und dann sofort den Abtransport dieset Kom munisten nacl: Mauthausen in die Wege Ztl leiten.'3 Over de Joden sprak Rauter niet in die instructie, plausibel is evenwel dat Rauters contact met Rimmler een rol gespeeld heeft bij de grote razzia's die 'enkele weken later in GelderÎand en Overijssel plaats vonden. Wat de communisten aan

XC1 Notitie, 25 aug. 1941, van Harster betr. een telefoongesprek met Rauter (HSSuPF, 158 B d). 2 Notitie, 5 sept. 1941, van Rauter voor Harster (a.v., 157 a). 8 A.v.

821 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

ging, achtte Harster de uitvoering van Rauters denkbeeld, het mocht dan door Himmler en Seyss-Inquart goedgekeurd zijn (had Rauter Seyss-Inquarts opinie wel juist weergegeven ?), niet wenselijk. Hij ging remmen en deed dit, naar wij aannemen, na overleg met Seyss-Inquart; hij berichtte op 6 september aan Heydrich dat' die Gesamtzahl der[estgenommenen Kommuntsten tausend noch lange nicht erreicht' (in werkelijkheid beschikte hij over bijna negenhonderd communistische arrestanten'), bovendien werden tegen een aantal hunner processen voorbereid. 'Ihre weitere Anu/esenheit hier, aldus Harster, 'ist auch, falls Cerichtsverfahren nicht durchgeführt werden sollen, zur Auirollung des kommunistischen Parteiprogramms" erforderlich' de ene gearresteerde communist moest dan als getuige gebruikt worden tegen de andere. Harster maakte van de gelegenheid gebruik, Heydrich mee te delen dat, naar hij verwachtte, de Wehrmachi zich op het standpunt zou stellen dat communistische activiteit na de zzste juni als 'Feindbegünstigung' beschouwd moest worden 'und daher unter die Kriegsgerichtsbarkeit fällt' dat zou betekenen dat de Sicherheitspolizei met gearresteerde communisten niet langer kon doen en laten wat zij wilde, maar dat dezen in beginsel allen voor rechtbanken van de Wehrmacht gebracht moesten worden. Inderdaad was in de bekendmaking van 6 september van 'ter dood veroordeling door de Duitse krijgsraden' gesproken. Wat vond Heydrich daarvan? Hij, Harster, maakte zich geen zorgen: 'die Zusammenarbeit mit den Kriegsgerichten' was 'eine ausgezeichnete' en hij meende, 'dass eine Vereinbarung mit dem Wehrmachtbifehlshaber und seinen Kriegsgerichtw hestimmt erzielt werden kann, wonach die besonders schweren Fälle kommunistischer Betätigung in denen ein Todesurteil zu erwarten ist, dortkin abgegeben werden, während in allen leichten Fällen die Siihne in einer Verbringung nach Mauthausen besteht.'·

XCHeydrich reageerde als door een horzel gestoken: 'Die Bekämpfung insbesondere der leommunistischen Bewegung ist allein Angelegenheit der Sicher heitspolizei und des SD und gegebenenfalls der sicherheitspolizeilichen Stand gerichte' , liet hij telegraferen" - rechtbanken van de Wehrmacht hadden daar niets mee te maken! Harster evenwel, wie veel gelegen was aan de 'Zusam menarbeit mit den Kriegsgerichten', liet niet los, toog enkele dagen later naar Berlijn en wist Heydrich voor zijn opvatting te winnen. 'Abschliessend', zo

XC1 De bijna vijfhonderd 'activisten' die vóór 22 juni '41 gearresteerd waren en de vierhonderd kader!eden die op dat moment in het kamp Schoor! zaten. 2 Wij nemen aan dat Harster bedoelde: 'der kommunistischen Parteiorganisation'; de tekst is een telexbericht en er kwamen in telexberichten meer van die fouten voor. • Telexbericht, 6 sept. 1941, van Harster aan Heydrich (HSSuPF, 157 a). • Telegram, Ia sept. 1941, van RSHA IV aan Harster (a.v.).

822 [PDF]
HARSTER REMT

noteerde hij, 'hat der Gruppenführer' (Heydrich) 'mir aufgetragen dafür zu sorgen, dass in kommunistischen Angelegenheiten nur entweder Todesurteile oder Überweisung an die geheime Staatspolizei zur Verbringung in ein KL' (concentratiekamp) 'anerkannt wird'l - Mauthausen werd hier niet meer specifiek genoemd, en naar dit vernietigingskamp werden in die tijd inderdaad slechts Joden overgebracht; de Nederlandse communisten werden als regel naar Buchenwald of N euengamme gezonden. Dat laatste nam niet weg dat nu op alle Duitse niveaus overeenstemming bestond dat men voortaan bij gearresteerde communisten, tenzij natuurlijk bleek dat zij zich niet aan enige verzetsactiviteit schuldig gemaakt hadden, slechts tussen twee mogelijkheden behoefde te kiezen: voor een Wehrmachtgericht brengen als de doodstraf te verwachten viel, en anders, zonder vorm van proces: het concentratiekamp.

XCAl voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog waren binnen de CPN enkele voorbereidingen getroffen om, mochten de omstandigheden dat wenselijk maken, een sabotagegroep tot actie te laten overgaan. Met die voorbereidingen was een vertrouwd partijlid belast, Jan Hendrik van Gilse, geboren in 1912, een zoon van de componist-dirigent die wij in ons vorige hoofdstuk noemden. Wij hebben niet de indruk dat van Gilse al veel voorbereid had toen Hitler de Sowjet-Unie aanviel. Kort nadien werd door de Groot, Jansen en Dieters besloten, de sabotage met kracht te bevorderen. In de gehele illegale organisatie werd het parool uitgegeven, dat men in de bedrijven het arbeidstempo moest drukken en, zo mogelijk, machines moest beschadigen. Bovendien werd gelast, een aparte sabotage-organisatie te vormen. De leiding werd aan van Gilse opgedragen; hij kreeg als naaste medewerkers de partijleden Max Meyer, een oud-Spanjestrijder, de negen-en-twintigjarige Gerben Wagenaar, monteur bij het Gemeentelijk Electriciteitsbedrijf te Amsterdam, en de negen-en-twintigjarige assistent van de Landbouwhogeschool te Wageningen, Jan Schouten. Schouten onderhield het contact met de partijleiding" maar soms werden namens de partijleiding ook wel opdrachten door Goulooze overgebracht. Van Gilse en de zijnen begonnen met de vorming van kernen van saboteurs die in vele delen des lands tot stand kwamen. De organisatie ging in totaal ca. tweehonderd leden

1 Notitie, 30 sept. 1941, van Harster (a.v.). 2 Hij kwam in mei '.3 om het leven toen een explosieve lading die hij aan een spoorlijn bij Amersfoort wilde aanbrengen, voortijdig ontplofte.

823 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

tellen die telkens in groepjes voor bepaalde acties opgeroepen werden. Intern werd die organisatie, die strikt van het apparaat van De Waarheid gescheiden werd, aangeduid als 'het MC' - het Militair Contact, maar toen in een enkel geval door leden van dat MC vijandelijke V-Männer en provocateurs' geliquideerd waren, werd ook wel van 'de Moord-Centrale' gesproken.

XCAanvankelijk had dit MC een groot tekort aan springstoffen en brandmateriaal, maar met behulp van technici, soms ook van communistische studenten in de scheikunde, wist men na enige tijd bruikbare sabotagemiddelen te vervaardigen: korte dichtgelaste ijzeren buizen die met explosieven gevuld werden en waarin zich een 'lont' bevond (veelal een houder met salpeterzuur dat zich door de wand heenvrat waarna de explosie ontstond), , ofkleine pakjes met brandbaar materiaal, ook met zulk een 'lont', waar mede een brok natrium in gestopt was dat het vuur krachtig aanwakkerde. Toen deze middelen eenmaal beschikbaar waren, ging men 'tot actie over. Er werd door dit MC in de periode herfst 'ar-herfst '42 een aanzienlijk aantal sabotagedaden gepleegd, waarbij men aan het einde van die periode, toen veel arrestaties plaatsgevonden hadden, in Rotterdam in contact kwam met een door de communist Sally Dormits geleide communistische groep die zich 'de Nederlandse Volksmilitie' noemde, in Amsterdam met de groep CS-6 die geen specifiek-communistisch karakter droeg - daar komen wij in ons volgende deel op terug.

XCDe eerste grote actie van het MC was, in Amsterdam, het in brand steken van de constructiewerkplaats voor houten modellen in de Fokkerfabrieken. Dat geschiedde in november' 41. Een overeenkomstige aanslag bij de constructiewerkplaats van spoorwegwagons van de fa. Beijnes te Haarlem mislukte en bij de Hollandse Draad- en Kabelfabriek te Amsterdam kon men slechts geringe schade veroorzaken. Meer succes had men in juli' 42 met een actie tegen transformatorhuisjes bij het Noordzeekanaal: enkele werden opgeblazen waardoor de productie van de Hoogovens korte tijd uitviel. Aanslagen op spoorwegen en spoorwegviaducten (bij Hengelo, Twello en Dordrecht en in Rotterdam') mislukten; wel kon men met goed gevolg sabotage bedrijven aan spoorwegwagons die op emplacementen stonden (Haarlem, Den Haag, Tilburg en Twente). In de zomer van '42 slaagde men er voorts in, enkele Duitse jagers op, het vliegveld Gilze-Rijen in brand te steken. Dan werden in verscheidene plaatsen auto's van de Wehrmacht vernield; ook werd, in Amsterdam, brand gesticht in een voor de Wehrmacht werkende garage en in Rotterdam in een bioscoop en tenslotte werden,

XC1 Dit was de aanslag die in augustus '42 tot het fusilleren van vijf Rotterdamse

824 [PDF]
SABOTAGE DOOR COMMUNISTEN

opnieuw in vele delen des lands (in Kennemerland, in de Zaanstreek, in Rotterdam, bij Arnhem en in Twente) opslagplaatsen van hooi, stro of levensmiddelen in brand gestoken; in de buurt van Deventer lukte dat in de zomer van' 42 meer dan tienmaal en daar ging ook een graansilo in vlammen op.'

XCHet was een van de Amsterdamse groepen van het MC die, toen de NSB in december' 41 uitgeroepen was tot de enig toegelaten politieke partij, op 21 januari' 42 twee van de bovenbeschreven ijzeren buizen door het raam wierp van het pasgeopende tehuis van het Studentenfront der NSB. Slechts één van de twee buizen ontplofte; de schade was gering. Toen evenwel vervolgens op de zaste gepoogd werd, een benzinestation van de Wehrmacht in brand te steken, nam de bezetter strenge maatregelen. Er werd een avondklok ingesteld (na acht uur mocht men zich niet op straat bevinden) en alle gebouwen van de overheid en van de NSB werden onder bewaking van burgers gesteld." Op 29 en 30 januari werden voorts vijf-en-tachtig vooraanstaande Amsterdammers naar het concentratiekamp Amersfoort overgebracht waar de meesten hunner tot 20 april, Hiders verjaardag, vastgehouden werden. Onder hen bevonden zich de hoogleraren J. J. G. Borst en G. C. Heringa, beiden lid van de leiding van Medisch Contact. Er deden zich onder deze vijf-en-tachtig in Amersfoort geen sterfgevallen voor.

XCAl een week of zes voor die Amsterdamse aanslagen waren in de hoofdstad acht-en-twintig leden van het MC gearresteerd. Zij bleken zonder uitzondering tegen alle martelingen bestand. 'Die Vernehmungen', zo rapporteerde Lages op 25 januari aan Harster, 'waren bisher dusserst schwierig. Trotz oerschartter Vernehmung' (een eufemisme voor sadistische pijniging) 'wird niemand mehr belastet' (niemand had dus een naam van 'een niet-gearresteerde genoemd). 'Diese Gruppe ist bislang die hartnäckigste, die in Amsterdam ver arbeitet worden ist.' Lages had nu het opsporingsapparaat versterkt: zijn eigen 'CPN-Referat' had hij van drie op zeven man gebracht, hij had daar tien rechercheurs van het 'Kommando Bakker' (de 'foute' groep van het politieorganiseerd, was door het MC op 30 januari nog een aanslag gepleegd op de NSB

'Over de sabotage-acties van het MC werd aan de landelijke leiding van de illegale CPN regelmatig gerapporteerd. Onze gegevens over die acties ontlenen wij in hoofdzaak aan het overzicht dat Lau Jansen na zijn arrestatie aan de gaf. Wij zien geen reden om de betrouwbaarheid van dit overzicht (waarin ook van mislukkingen melding gemaakt is) te betwijfelen. 2 Een volgens 'historische' anecdote ging de ronde doen. Agent tegen wachtloper: 'Wie daar?' Antwoord: 'De nachtwacht.' 'Van Rembrandt?' 'Nee, van die andere schilder J' II, IQ (21 febr. 1942), p. 3) De avondklok en het wacht lopen werden na vijf weken beëindigd. Nog voor het wachtlopen goed was ge

825 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

bureau Nieuwe Doelenstraat) aan toegevoegd, 'daneben wird das V-Mann Netz weitgehendst eingespannt. Die Obseruationen werden durch die holländischen Rechercheure unter unserer Führung Tag und Nacht ausgeführt' - maar er vloeide uit dat alles één moeilijkheid voort: Lages had het personeel niet meer om ca. honderd communisten die in hoofdzaak betrapt waren op het verspreiden van pamfletten, 'gerichtsfertig machen zu lassen'. Hij had daar intussen al een oplossing voor gevonden: hij had het Reichssicherheitshauptamt voorgesteld, alle honderd naar concentratiekampen over te brengen.'

XCWij nemen aan, dat het RSHA daar van harte mee instemde.

XCHoeveel communisten in totaal, afgezien van de bijna negenhonderd die wij eerder noemden (bijna vijfhonderd illegale kaderleden, vierhonderd leden van het vooroorlogse kader), door de Sicherheitspolizei, al of niet met medewerking van Nederlandse politie-organen, vóór 1 juli '42 gearresteerd zijn, weten wij niet nauwkeurig. Wel weten wij dat van de herfst van '41 af opnieuw grote gaten geslagen werden in de apparaten van De Waarheid en van de propagandisten: in Amsterdam, de Zaanstreek, Den Helder, Leiden, Den Haag, Delft, Rotterdam, Zuid-Limburg en Groningen. Er vonden toen meer dan vijfhonderd arrestaties plaats. Daarenboven werden tot juni' 42 nog achthonderd tot duizend communisten gearresteerd wegens het verspreiden of in bezit hebben van exemplaren van De Waarheid of van communistische pamfletten; het is natuurlijk mogelijk dat zich onder hen personen bevonden hebben wier lidmaatschap van de eigenlijke illegale organisatie aan de Sicherheitspolizei niet bekend was. Die illegale organisatie was in '40 met ca. tweeduizend leden van wal gestoken - van die tweeduizend waren in de zomer van' 42 in totaal al minstens duizend gearresteerd, zulks nog afgezien van de arrestaties in het Me die enkele tientallen bedroegen. Er werd aan die arrestaties geen enkele bekendheid gegeven, maar wie in het communistiséhe illegale werk zat, hoorde voortdurend dat nu hier, dan daar groepen opgerold waren. Niettemin werd dat werk voortgezet. Aan de ongekend scherpe vervolging paste de partij zich aan. Er werden op grote schaal schuilnamen ingevoerd, soms ging men personen alleen met cijfers aanduiden. De onderlinge contacten tussen de groepen van vijf werden verbroken; daar werden nu aparte verbindingsmannen voor

XC1 Telexbericht, 25 jan. 1942, van Lages aan Harster (HSSuPF, 163 c).

826 [PDF]
DE 'SICHERHEITSPOLIZEI' FAALT

benoemd. Deze 'Neuorganisation' maakte het, aldus Lages Aussenstelle in mei '4 2, 'nahezu unmöglich, die Hersteller der Flugschrlften oder zusammenhängende Vertetier gruppen zu erfassen ... In jedem einzelnen FaIle (sind) tagelange Ermittlungen und Fahndungen notwendig, um durch Beweismaterial und Gegenüberstellungen ein Geständnis zu erlangen. In dem Bewusstsein, welche StraJen auf der illegalen leommu nistischen Betätigung stehen, leuonen sämtliche Mitarbeiter und Funktionäre der illegalen CPN grundsätzlich jede Tätigkeit ab und geben erst nach langem Zögem nur das zu, was ihnen einwandfrei bewiesen werden leann. Durch diesen Zeitverlust bezw. Ver zögerul1gstaktik wird in vielen Fällen erreicht, dass die mit den Pestgenommenen in Verbindunç gewesenen Personen inzwischen gewarnt wurden und, wenn sie endlich preisgegeben wetden mussen, läl1gstgeJiohen sind."

XCHet lukte de Sicherheitspolizei niet, de hecht-georganiseerde illegale CPN diep met Vi-Manner te penetreren. Er waren wel verraders in de bedrijven of in sommige buurten werkzaam die mededelingen betreffende de verspreiding van De Waarheid of van communistische pamfletten doorgaven, maar wie men dan in handen kreeg, waren verspreiders die veelal de naam van de contactpersoon van wie zij hun agitatiemateriaal betrokken, niet eens. kenden. Zelfs als de Sicherheitspolizei zulk een contactpersoon kon arresteren, was zij nog niet veel verder: deze wist als regel niet, uit welke personen de plaatselijke leiding bestond. Met die plaatselijke leiding stonden de Groot, Jansen en Dieters in verbinding door middel van speciaal geselecteerde instructeurs die (het woord zegt het al) hun aanwijzingen doorgaven. De instructeur voor Rotterdam, Herman Holstege, werd in augustus' 41 in zijn woning in Den Haagê gearresteerd door Kriminalseleretár Otto Lange en twee Haagse rechercheurs. Zij wisten dat hij de verbindingsman was met de landelijke leiding, maar Holstege weigerde, inlichtingen te geven. Hij werd

XC'BdS, Aussenstelle Amsterdam: 'Schlussberidu'(Obergericht:Obergericht 8 2

(15 mei 1942) inzake de illegale CPN in Amsterdam-zuid en -oost, p. 14-15 dossier 41/42). Op de algemene regel die uit dit citaat blijkt, zijn misschien wel enkele uitzonderingen geweest maar daarvan is ons toch slechts één in bijzonderheden bekend: een Amsterdamse com munist, in 1915 geboren, lid van het MC, die, toen hij begin '42 gearresteerd werd, psychisch volledig instortte, het de namen en, voorzover hem bekend, ook de adressen opgaf van meer dan dertig Amsterdamse communisten en zich maandenlang als getuige tegen communistische arrestanten liet gebruiken. Hij was het die de twee plegers van de aanslag op het NSB-studentenhuis te Amsterdam aan de bekend maakte; beiden werden gefusilleerd. Zelf kreeg hij vijftienjaar tuchthuisstraf; hij overleefde de oorlog in het tuchthuis Rheinbach. 2 Enigszins belangrijke functionarissen kregen in de illegale CPN nooit een vaste taak in de gemeente hunner inwoning: daar waren zij aan te velen bekend.

827 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

een maand lang mishandeld, hij bleef zwijgen. Tenslotte werd hij op een avond in de Cellenbarakken dermate gemarteld dat een medegevangene hem meerdere malen luid hoorde roepen: 'Mensen, helpt toch, ze vermoorden me!' Holstege werd in zijn cel gesmeten. Aan de communist die naast hem gevangen zat, kon hij via een verbinding in de muur zeggen, dat ook deze moest blijven zwijgen. Hij vroeg zijn kameraad tenslotte om, 'als hij het mocht beleven, de groeten aan zijn vrouwover te brengen.' De volgende ochtend was hij overleden. Bij de begrafenis was een van de twee Haagse rechercheurs aanwezig; de familie mocht de kist niet openen.'

XCIn juli '42, bijna een jaar na Holstege' s dood, had de Sicherheitspolizei de landelijke leiding van de illegale CPN nog steeds niet in handen. "Trotz umfangreicher Ermittlungen unter Einschaltung eines Einsatzkommandos der niederländischen Polizei in Amsterdam' (de groep Bakker) 'war es', aldus Harster aan het Reichssicherheitshauptamt, 'bisher nicht möglich, führende Köpfe aus der Landesleitung [estzunehmen , .. Die Leitung arbeitet gut getarnt und unter Ausnutzung aller Möglichkeiten, die ihnen hier durch die Bevölkerung geboten werden_'2

XCHet ontbrak de Groot, Jansen en Dieters nimmer aan steun van toegewijde partijgenoten.

XCWat dééd de illegale CPN?

XCWij hebben het sabotagewerk geschetst. Daarnaast werd, meestal via het apparaat van De Waarheid, geld ingezameld om arbeiders te helpen die weigerden naar Duitsland te vertrekken, en om diegenen bij te staan die in de illegale strijd kostwinners verloren hadden. Hiervoor diende het Z.g. Solidariteitsfonds. Volgens een naoorlogse publikatie van de CPN werd in ,41 door dit fonds f 100 000 uitgekeerd (aannemend dat per steungeval gemiddeld f 7 per week uitgekeerd werd, zou men voor dat jaar op ca. driehonderd 'volledige' steungevallen komen), in '42 f 250000, in '43

XC1 BG-Den Haag: Sententie inz. O.F.K.G. Lange (28 febr. 1949), p. 4, 14 (Doe 1-1011 B, a-r). 2 Brief, r a juli 1942, van de BdS (IV A) aan het RSHA (HSSuPF, IS8

828 [PDF]
'DE WAARHEID'

f 350 000.1 Wij veronderstellen dat er meer steun geboden is: naast het Solidariteitsfonds zullen er ook wel inzamelingen in kleine kring gehouden zijn. Bovendien werd geld ingezameld voor De Waarheid; dit blad bleef de belangrijkste manifestatie van de illegale CPN.

XCDe Waarheid werd, gelijk reeds eerder vermeld, in hoofdzaak gestencild (soms zelfs in twee kleuren), maar het spreekt vanzelf dat de daartoe ingeschakelde stencilapparaten ook gebruikt werden voor het vervaardigen van pamfletten die soms een 'nationaal', soms een plaatselijk en bij uitstek actueel karakter droegen. De CPN bezat bovendien in de zomer van '41 in Amsterdam een geheime drukkerij. Deze werd in september ontdekt; volgens de 'Meldungen aus den Niederlanden' waren er 'während der letzien Zeit' 20000 exemplaren van De Waarheid gedrukt, plus 20 000 pamfletten met oproepen tot stakingen en sabotage en 50 000 met oproepen tot verzet en tot demonstreren op Koninginnedag."

XCHet sprak vanzelf dat de inhoud van de pamfletten steeds bij die van De Waarheid aansloot. Hoe vaak het blad ook door arrestaties getroffen werd, het blééf verschijnen, zij het dat volgens schatting van Lydia winkel het aantal exemplaren dat in circulatie kwam, van ca. II 000 begin '41 daalde tot ca. 6000 twee jaar.Iater." De scherpe vervolging waaraan de cornmunisten blootgesteld werden, kwam in diezelfde periode ook in de inhoud tot uiting. Tot in de lente van '41 had De Waarheid zich onderscheiden door een vrij uitgebreide binnenlandse berichtgeving maar men krijgt uit de nummers die in de daarop volgende twee jaar uitkwamen, de indruk dat het correspondenten-apparaat goeddeels uit elkaar geslagen was. Dat maakte de taak van de hoofdredacteur niet gemakkelijker.

XCPaul de Groot, die in juli 1899 als Saul de Groot in een proletarisch milieu te Amsterdam geboren werd, had zijn jeugd in Antwerpen doorgebracht en was daar diamantbewerker geworden. Achttien jaar was hij toen hij aan het jeugdwerk van zijn vakbond ging' deelnemen in het kader van een pacifistischeactie. Met een grote groep jonge Antwerpse socialistenbehoordeaus den Niederlanden', 61 (16 sept. 1941), p. 4. 3 L. E. Winkel: De ondergrondse pers 1940-1945, p.

1 In '44 steeg dit bedrag tot f 500 000, maar daarvan was toen een aanzienlijk deel afkomstig van het Nationaal Steunfonds. (CPN: (1949), p. 58-59) 2

829 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

hij na de eerste wereldoorlog tot de oprichters van de Belgische Communistische Partij; hij werd ondanks zijn jeugdige leeftijd op het stichtingscongres in het politieke bureau van die partij gekozen. Toen nu die partij in '23 een scherpe agitatie voerde tegen de Franse bezetting van het Ruhrgebied, werd de Groot (hij was Nederlands staatsburger) uit België uitgewezen; als diamantbewerker vond hij toen eerst werk in Zuid-Duitsland, daarna in de Franse Jura, maar eind '26 verhuisde hij naar Amsterdam waar hij onmiddellijk toetrad tot de communistische partij. Vier jaar later werd hij lid van het partijbestuur: hij kreeg een plaats in het invloedrijke partijsecretariaat. In '38 werd hij er hoofd van. Het aantal leden werd toen tot vijf uitgebreid: Paul de Groot, Ko Beuzemaker, Jan Dieters, Lou Jansen en Cees Schalker. Dieters en Jansen waren zeer aan de Groot verknocht - het was geen toeval dat, toen op 15 mei '40 het partijsecretariaat weer tot drie leden beperkt werd, Beuzemaker en Schalker er uit verdwenen. Dit was des te belangrijker omdat op diezelfde dag besloten werd, het partijbestuur op non-actief te stellen. Dit alles betekende dat de politieke lijn van de partij in feite door de Groot alléén aangegeven werd - een figuur die trouwens aansloot bij de structuur welke de communistische partijen op het voorbeeld van dictator Stalin in practisch alle landen vertoonden.

XCPaul de Groot was op en top een politiek strijder: een bij tutstek fanatieke communist en in die tijd een fervent verheerlijker van de Sowjet-Unie en van haar 'geniale leider, kameraad Stalin'. Zijn culturele belangstelling was beperkt, van intellectuelen had hij een grondige afkeer. Er stak niet zo heel veel in zijn geestelijke bagage, maar dat weinige kon hij met geduchte kracht vertolken en verdedigen. In communistische orthodoxie wenste hij voor niemand onder te doen; wat er aan tactische wendingen uit die orthodoxie kon voortvloeien, diende men aan hèm over te laten. Oppositie duldde hij niet. Achterdochtig als hij was, meende hij er een bijzonder fijne neus voor te hebben; vermoedde hij dat ergens een oppositioneel vuurtje begon te smeulen, dan trapte hij het uit.

XCHet einddoel was hem duidelijk: ook in Nederland diende het communisme te triomferen en het was de taak van de CPN om als 'strijdende voorhoede van het proletariaat' die triomf te bewerkstelligen. zulks vergde een nauwe aansluiting bij het beleid dat de Sowjet-Unie voerde. Het niet-aanvalsverdrag met Duitsland (augustus' 39) juichte hij toe; mèt de Sowjet-Unie ageerde hij in de neutraliteitsperiode toch eerder tegen Engeland en Frankrijk dan tegen het Derde Rijk; toen de Sowjet-Unie op 22 juni '41 Engelands steun aanvaardde, schakelde hij zijn gehele beleid om. Zijn voorganger als hoofdredacteur van Het Volksdagblad, de begaafde mr. A. S. de Leeuw, had in de zomer van '40

830 [PDF]
PAUL DE GROOT

volksmassa's die zich uit gekwetst nationaal gevoel tegen Duitsland keerden de Groot had hem toen scherp bestreden; na de zzste juni nam hij dat door mr. de Leeuwaanbevolen beleid over, evenwel met een bruuskheid die een onoprechte indruk maakte. Wij betwijfelen of het tot velen doordrong dat nu juist de CPN die het koningschap steeds principieel afgewezen en het Huis van Oranje als een overleefd instituut beschouwd had, massale demonstraties wilde ontketenen op Koninginnedag 1941, maar wij nemen in elk geval aan dat wie daar buiten de rijen der communisten van vernam, er weinig meer in zag dan een tactische manoeuvre. Trouwens, het viel ook verscheidene communisten moeilijk, die omzwaai mee te maken. Maar de Groot zette door. Had hij in augustus '41 in De Waarheid geschreven: 'Wij hebben geen bijzondere reden tot vijandschap tegenover de Koningin', in januari' 42 drukte hij zich aanzienlijk positiever uit: 'En wat nu de Koningin betreft, welnu, wij zien haar liever vandaag terugkeren dan morgen! Men moet al bijzonder bekrompen zijn, om zich in de tegenwoordige tijd' (in de toekomst zou dat anders kunnen zijn) 'te verdiepen in beschouwingen over monarchie of republiek. Het heeft geen zin, te strijden voor het herstel van de Nederlandse grondwettelijke staat en daarbij voorbehoud te maken ten opzichte van het Staatshoofd.'!

XCOpenhartiger sprak de Groot zich uit in een alleen voor intern gebruik bestemde 'Politieke brief over de nationale eenheid voor de nationale bevrijding', die in februari' 42 in circulatie kwam. Wat' onze houding tegenover de Koningin' betreft, was er, zo schreefhij, 'in onze rijen nog een schadelijk nihilisme blijven voortbestaan dat onze actie tegen het fascisme remt ... Na de Duitse bezetting is de verering voor Koningin Wilhelmina een massa-verschijnsel geworden. Miljoenen Nederlanders zien in de Koningin een symbool van de Nederlandse onafhankelijkheid Niets zou thans schadelijker zijn dan dat onze partij zich van deze massa zou afscheiden door een dogmatische, onvruchtbare discussie over het Koningschap ... Het is daarom nodig dat wij onzerzijds voor de verering der Koningin onder de bevolking het grootst mogelijke begrip tonen, zonder in theoretische vraagstukken te treden of principiële concessies te doen inzake het Koningschap in het algemeen.'

XCWerd aldus door de Groot, zij het op opportunistische gronden, de koningin als symbool der nationale eendracht aanvaard, hij voelde er niets voor om tot die eendracht bij te dragen door de denigrerende en venijnige bestrijding van andere arbeidersgroeperingen na te laten of ook maar te temperen. Kort na Koninginnedag 1941 had hij in De Waarheid de leiders

1 (middenjan. 1942), p. 2.

831 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

van de SDAP 'bordpapieren Oranjehelden' genoemd. 'De 31Steaugustus', zo schreefhij, 'heeft getoond dat de massavan onze bevolking reeds als een eenheid begint op te treden. Deze eenheid moet en zal groeien, over de hoofden van alle Vorrinks, Vliegensof hoe al deze wrakstukken van het verleden ook mogen heten, heen!' 1

XCZo werd ook in de boven al geciteerde 'Politieke brief''een leiderskliek uit het oude partijbestuur der SDAP''de kwaadaardigste en schadelijkste negatieve kracht in het ondergrondse politieke leven in Nederland' genoemd; 'beschimmelde en achterlijke kleinburgers' waren het: die hielden maar vast aan 'de oude leugenleuze: tegen communisme en fascisme', zij. hoopten slechts, 'nog een zeker SDAP-kader inluchtdichte weckflessen gedurende de oorlog te kunnen conserveren, om later hun bankroete standje weer op te bouwen.' Virulenter nog liet de Groot zich over de groep-Sneevliet uit: 'een stinkend restje der Trotzkistische RSAP dat ... aan anti-communisme doet, in het belang der nazi's.'

XCDergelijke rancuneuze uitvallen waren in De Waarheid niet zeldzaam. Het blad had een veel lager peil dan illegale organen als Het Parool en Vrij Nederland. Er werden stereotiep telkens dezelfde leuzen in herhaald. Misschien was het voor de eigen volgelingen het belangrijkst dat uit het blad een niet-aflatende strijdbaarheid sprak alsmede een vurige verbondenheid met de Sowjet-Unie, welker uiteindelijke zegepraal geen moment betwijfeld werd.

XCHet is moeilijk, zo niet onmogelijk, de waarde der verschillende vormen van verzet en illegale activiteit tegen elkaar af te wegen: Intussen hadden al die vormen met name in de periode waarin de bezetter nog van zijn uiteindelijke overwinning overtuigd was, één belangrijk aspect gemeen: dat men groepen Nederlanders immuun maakte voor het nationaal-socialisme en vasthield in een atmosfeer die een afweer betekende tegen datgene wat de bezetter op korte maar vooral ook op lange termijn wenste te bereiken. Vandaar ook de betekenis van de in wezen geestelijke strijd die op tal van terreinen, in hoofdstuk 4 behandeld, tegen Seyss-Inquarts gelijkschakelingspolitiek gevoerd werd. Ook de illegale CPN heeft aan die geestelijke strijd deelgenomen; zij heeft er met haar illegale publikaties als De Waarheid een belangrijke bijdrage toe geleverd: haar kaders bijeengehouden en haar aanhang geïnspireerd.

XC1 A.v., 27 (17 sept. 1941), p. 2.

832 [PDF]
AANDEEL DER COMMUNISTEN AAN HET VERZET

XCVanuit die geestelijke afweer kon men verder komen, d.w.z. de bezetter feitelijk dwarsbomen. Men kon dat doen doordat men de mogendheden die tegen Duitsland oorlog voerden, hulp bood die militair van betekenis was: directe hulp in de vorm van 'pilotenhulp' en spionage of indirecte hulp in de vorm van sabotage.

XCDe illegale CPN had met 'pilotenhulp' niet te maken. Wat de waarde geweest is van de inhchtingen die de communistische groepen van Goulooze, Winterink en 'Velo' aan Russische autoriteiten deden toekomen, heeft zich volledig aan onze waarneming onttrokken, maar wij zijn bereid aan te nemen dat deze waarde reëel geweest is. Wat de sabotage betreft, menen wij dat de communistische MC-organisatie in de periode herfst '4I-herfst '42 minstens zoveel gepresteerd heeft als alle andere sabotagegroepen samen, en misschien wel meer.

XCOok kon men de bezetter feitelijk dwarsbomen door te verhinderen dat hij Nederlandse arbeiders naar Duitsland overbracht of dat hij personen in handen kreeg (leden van illegale organisaties, Joden) die hij wilde opsluiten of deporteren. Dat dwarsbomen vergde dan dat men de betrokkenen financieel steunde, dat men hun hielp aan valse persoonsbewijzen en aan rantsoenbonnen, veelalook aan schuilplaatsen.

XCWat de strijd tegen de arbeidsinzet aangaat, heeft de illegale CPN ongetwijfeld tal van arbeiders, met name ook de werklozen onder hen, gestimuleerd, hetzij om zich in het geheel niet te melden, hetzij om bij eventueel verlof uit Duitsland, niët opnieuw te vertrekken. Wat de hulp aan de leden van illegale organisaties en aan de Joden aangaat: deze hulpverlening was in het tijdvak dat wij in dit deel behandelen, op de illegale CPN' ers geconcentreerd. Er is veel gedaan om de topfiguren van de illegale CPN maar ook anderen (ondergedoken Duitse communisten bijvoorbeeld) een maximum aan bescherming te bieden. Hierbij werd een scholing opgedaan waarvan, toen eenmaal de Jodendeportaties begonnen, talrijke Joden konden profiteren.

XCWij menen uit dit alles te mogen coneluderen dat de illegale CPN, reeds verantwoordelijk voor de organisatorische voorbereiding van de Amsterdamse Februaristaking, van de zomer van '41 af een belangrijke bijdrage geleverd heeft aan het Nederlandse verzet; die bijdrage is eerst in de loop van '43 als gevolg van de massale arrestaties naar verhouding minder belangrijk geworden. Speciaal evenwel voor de periode zomer '41-zomer '42 geldt dat er, met uitzondering wellicht van de zoveel kleinere groep der revolutionair-socialisren (wier activiteit beperkt bleef tot de uitgave van illegale bladen en de hulpverlening aan het eigen illegale kader), geen Nederlandse bevolkingsgroep geweest is die naar verhouding in zo hoge mate aan het illegale werk deelgenomen heeft

833 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

De communisten hebben zich bovendien onderscheiden door een groot weerstandsvermogen dat bij nagenoeg allen bestand was tegen de barbaarse verhoormethoden van de Sicherheitspolizei. Wij hebben aan de constatering van Lages: 'sämtliche Mitarbeiter und Funktionäre der illegalen CPN (leugnen) grundsätzlich jede Tätigkeit ab', slechts toe te voegen dat ons geen andere illegale groepering bekend is, omtrent wie ooit overeenkomstige constateringen op schrift gesteld zijn. Zeker, dat weerstandsvermogen was niet onverklaarbaar; het hing samen met de positie waarin de CPN zich al vóór de oorlog bevond en met de daarin gegroeide mentale instelling van haar kaders en leden, maar dat vermindert toch geenszins de waarde van het feit dat het onder de immense druk van vervolging, verhoor en gevangenschap niet bezweek. Hier ging binnen de eigen rijen een machtige inspirerende werking van uit.

XCEn daarbuiten?

XCDie vraag is veel moeilijker te beantwoorden.

XCWij nemen aan dat menigeen die het geloof in het communisme miste maar in de bedrijven of in de buurt waar hij woonde, met communisten in contact stond, steun ontleende aan hun voorbeeld en inzet en daardoor op zijn wijze gestimuleerd werd tot het bieden van verzet ofhet deelnemen aan illegaal werk. Van elke illegale organisatie ging een uitstralende werking uit, zo ook van de illegale CPN. Dat was dan een werking in kleine kring, zij het dat deze werking, omdat er zoveel van die kleine kringen waren, van niet te onderschatten gewicht kan zijn geweest.

XCAnders lag het met de werking buiten die kleine kringen.

XCIn nationaal verband stond de CPN vóór de meidagen van '40 geïsoleerd; in de periode mei' 4o-jlmi '41 versterkte zij dat isolement door haar aanvallen op koningin en kabinet. Wij menen dat zij er in de in dit deel beschreven periode geenszinsin geslaagdis, dat isolementte doorbreken. Buitenstaanders die niet met communisten in contact stonden, wisten van haar werk vrijwel niets en van de door haar gebrachte offers ook maar weinig. Processen tegen communisten waaromtrent dan een kort bericht in de dagbladpers verscheen, waren zeldzaam. Die buitenstaanders konden hoogstens bij tijd en wijle nummers van De Waarheid in handen krijgen. Welnu, in de periode waarin Paul de Groot de inhoud bepaalde, sprak het blad in zijn haast afgodische verering van de Sowjet-Unie, in zijn dogmatische Rechthaberei en in zijn aggressieve, superieure hatelijkheid jegens alle vertolkers van andere politieke denkbeelden .wellicht veel communisren aan (zeker niet alle!), maar was toch te ver verwijderd van Nederlands humanistische grondtoon, om van de christelijke te zwijgen, dan dat het enige aantrekkings

834 [PDF]
HET ISOLEMENT DER CPN

Het maakte de indruk dat de communisten gebleven waren wat zij steeds waren geweest: een kleine minderheid die een Nederland begeerde dat gevormd zou zijn volgens de orthodoxe beginselen van Lenin en Stalin.

DeOD

XC

XCIn ons vorige deel wezen wij er op dat reeds in de zomer van '40 enkele geheime organisaties ontstonden die wij als 'paramilitair' aangeduid hebben. Wij bedoelden daarmee aan te geven dat zij min of meer op militaire leest geschoeid waren. Zij stelden zich ten doel, 'rust en orde' te handhaven van het moment af waarop de Duitsers het land zouden verlaten; een deel van die organisaties meende bovendien dat men in de laatste fase ook aan de strijd tegen de Duitsers zou moeten deelnemen. Hier vloeide uit voort dat men leden aanwierf, kaders vormde, wapenen trachtte bijeen te brengen en ook militaire inlichtingen ging verzamelen, waarbij dan meteen de vraag rees hoe men die aan de regering te Londen en aan de Engelse autoriteiten in handen kon spelen. 'Het was', zo citeerde wij in ons vorige deel een lid der vroege illegaliteit, 'een danig 'wild-west' op dit gebied, d.w.z, zoveel hoofden als er waren, zoveel groepen wilde men vormen ... Iedereen wilde eigenlijk de baas zijn."

XCIn '40 waren het Legioen Oud-Frontstrijders, het Lof, en de Ordedienst, de OD, de twee belangrijkste van die paramilitaire organisaties. In april ,41 werd evenwel de gehele leiding van het Lof opgerold, ongeveer in dezelfde tijd waarin ook de leider van de OD, luitenant-kolonel Westerveld, samen met een groot deel van de door hem aangewezen districts- en plaatselijke commandanten gearresteerd werd. Het was toen de gewezen luitenantkolonel van de marechaussee, Pierre Versteegh, die Westervelds plaats innam. Het lag voor de hand dat het Lof en de OD tot een fusie zouden overgaan maar dat nam, doordat van het Lof eigenlijk niet veel meer dan verspreide resten overgebleven waren, tamelijk veel tijd.

XCWij hebben Versteegh de 'leider' van de OD genoemd - formeel was hij niet meer dan de 'chef-staf'. Als 'commandant' gold nog steeds de luitenantgeneraal b.d. jhr. W. Röell, maar deze, die in januari' 41 uit de internering als 'Indisch' gijzelaar ontslagen was, werd practisch buiten het organisatorische werk gelaten omdat men aannam dat de Duitsers hem scherp in de gaten hielden. Versteegh, die in Bussum woonde, was een zeer actief man. Ook was hij, als zovelen, hoogst optimistisch. Eind augustus '41 zei hij tot een

XC1 Getuige J. de Geus, Enq., dl. IV c, p.

835 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

prominent OD' er, jhr. P. J. Six, chef-staf van de gewestelijk commandant Amsterdam, dat hij 'uit volstrekt betrouwbare bron vernomen had, dat Duitsland het door tekort aan smeermiddelen nog maar twee of drie weken zou kunnen volhouden." Veronderstelde Versteegh dat hij op zo korte termijn met de OD iets zou kunnen ondernemen? Wij nemen aan van niet. De organisatie was nog in opbouw, waarbij links en rechts talloze besprekingen gevoerd werdcri (met alle gevaren van dienê) en bezat nauwelijks wapens. Versteegh was van opinie dat zij, als eenmaal voldoende wapens bijeen waren en de organisatorische opbouw voltooid was, inderdaad strijd tegen de Duitsers moest leveren, 'zodra de tijd zich daartoe zou lenen." Men zal dit laatste wel moeten interpreteren als: zodra de Engelsen weer in of vlakbij Nederland zouden vechten.

XCDe taak die de OD na de bevrijding moest vervullen, werd door Versteegh nauwkeurig aangegeven in 'Richtlijnen voor gewestelijke-, districts- en plaatselijke commandanten'. 4 Hij stipuleerde daarin dat de OD de bevelen 'van het alsdan' in Den Haag gevormde bewind' zou gehoorzamen. Men moest orde en rust handhaven, overheidsgebouwen en openbare nutsbedrijven bezetten, lynchpartijen voorkomen, kampen voor politieke delinquenten inrichten, enz. enz. Voor de veelheid van taken zou men talloze leden nodig hebben; die moest men, aldus Versteegh, met voorzichtigheid aantrekken: 'zeer in het algemeen kan worden vertrouwd op de vroegere organisaties van de Bijzondere Vrijwillige Landstorm, de SDAP en de Burgerwachten.' Kennelijk had Versteegh, als Westerveld vóór hem, een nauw contact met de voormannen der democratische politieke partijen die elkaar regelmatig in het Politiek Convent ontmoetten, speciaal met de voorzitter van de vroegere SDAP, Vorrink.

XCVersteeghs richtlijnen gingen begin september uit.

XCOp 12 september werd hij gearresteerd.

XC1 P. ]. Six, 8 mei 1958. 2 Het gevoel voor security was nog steeds niet erg ontwikkeld. Toen kolonel H. Koot, de latere commandant van de binnenlandse strijdkrachten (1944-45), in '41 door twee officieren gevraagd werd, aan de OD mee te werken, werd hem tegelijk verteld dat generaal Röell de hoogste commandant was. 'Toen heb ik', aldus later Koot, 'tot deze twee jonge luitenants gezegd: ... In dergelijke geheime groeperingen moogt gij alleen uw illegale vader en uw illegale zoon of zonen kennen, maar uw grootvader en uw kleinzonen moogt gij niet kennen. U kent nu al uw bet-bet-bet-overgrootvader. U bent maar tweede luitenant en u kent al de luitenant-generaal. Als dat waar is, is het niet juist opgezet.' (GetuigeH. Koot,Enq., dl. VII c, p. 162). 8 P.]. Six: 'Verslag over de OD' (1946), p. 4 (Doe 11-582, a-r), 4 Tekst in (Stafvan de bevelhebber der landstrijdkrachten, Sectie krijgsgeschiedenis), G.]. van Ojen: De Binnenlandse Strijdkrachten (1972), p.

836 [PDF]
DE PLANNEN VAN SCH1MMELPENN1NCK

XCVersteeghs plaats als chef-staf werd niet ingenomen door een militair, maar door een burger, een nazaat van Rutger Jan Schimmelpenninck, de raadpensionaris uit de Franse tijd: jhr. Joan Schimmelpenninck. Wij moeten wel aannemen dat deze door generaal Röell 'benoemd' werd, althans met diens instemming naar voren trad. Schimmelpenninck was een neef van Röells vrouw; belangrijker was evenwel dat zij het beiden niet eens waren geweest met het beleid van Versteegh, voorzover deze zich in het vooroorlogse constitutionele bestel ingevoegd had.

XCJhr. Joan Schimmelpenninck was in 1887 in Rhenen geboren waar zijn vader burgemeester was. Hij had in Rotterdam economie gestudeerd, was na het afleggen van het candidaatsexamen in de handel gegaan en was tenslotte in Den Haag directeur geworden van het kantoor van de Franse wijnhandel Mähler, Besse & Co. Hij woonde in Den Haag in de Alexanderstraat en wel in het pand waar de hoffotograaf Ziegler zijn bedrijf uitoefende; hij had er dagelijks uitzicht op het bevrijdingsmonumenr-r Sr j. Wij zouden van dat laatste feit geen melding maken, ware het niet dat verscheidenen van hen die hem goed gekend hebben, de mening toegedaan waren dat hij op de Franse tijd min of meer gefixeerd was. Een Schimmelpenninck had Napoleon gediend - nu moest een Schimmelpenninck een wezenlijke bijdrage leveren tot Nederlands bevrijding van het Duitse juk! Hij was ongetrouwd, hij schrok voor geen offer terug noch aan energie, noch aan geld, en hij was moedig; in een tijd waarin door zoveel ouderen lauw gereageerd werd, kon hij vooral veel jonge mensen met zijn tomeloze energie en met zijn durf inspireren en aan zich verbinden. Maar van illegale techniek wist hij niets af, politieke ervaring bezat hij niet en zijn staatkundige concepties waren autoritair.

XCAl in de loop van '40 toen het Legioen Oud-Frontstrijders en de OD zich formeerden, had Schimmelpenninck het plan ontwikkeld om boven deze en dergelijke organisaties die na de bevrijding orde en rust moesten handhaven, een 'voorlopig bewind' te plaatsen dat dus ook, terwijl de bezetting nog voortduurde, voorbereid moest worden. Dat 'voorlopig bewind' (welks karakter door Versteegh in zijn 'Richtlijnen' geheel in het midden gelaten was) diende, aldus Schimmelpenninck, in handen te komen van een driemanschap: twee burgers en één militair, precies als het driemanschap van 1813. Wie die militair moest worden, leed voor Schimmelpenninck geen twijfel: zijn aangetrouwde oom Röell. Voor de eerste burger liet hij zijn keus vallen op de oud-gouvemeur-generaal van Nederlands-Indië,

837 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

de Jonge. Deze kreeg van Röell te horen: 'Wanneer jij zorgt voor de politieke leiding, zorg ik dat je veertigduizend man ter beschikking krijgt." De plaats van de tweede burger bleef lange tijd onbezet - het slot van het lied was dat Schimmelpenninck zich door Röell en de Jonge, wellicht ook door anderen, liet overhalen, zelf die lege plek te vullen. Pogingen om zijn opzet door de regering te Londen goedgekeurd te krijgen, ondernam hij niet. Wij zien bij Schimmelpenninck hetzelfde streven dat zich bij anderen openbaarde: door eigen inspanning een bevrijd Nederland als het ware op een presenteerblaadje aan te bieden aan de koningin die dat geschenk, zo werd dan gehoopt, in grote en blijvende erkentelijkheid zou aanvaarden.

XCSchimmelpenninck realiseerde zich dat men er met een 'voorlopig bewind', door een militaire organisatie (de OD) gesteund, natuurlijk nog niet was: het bewind moest zijn instructies snel kunnen verspreiden, diende dus de beschikking te hebben over een apparaat van zenders en ontvangers (hij gaf opdracht, die te bouwen) en moest er ook voor zorgen dat de grote omzwaai in de departementen en de staatsbedrijven vlot voltrokken zou worden. Hij ging dus contact opnemen met personen die aan het hoofd van die bedrijven stonden of aan wie hij als 'directeuren' (een term uit de Franse tijd!) de voorlopige leiding van de departementen toegedacht had. Talloze besprekingen vloeiden hier uit voort. Daarvoor, alsmede voor zijn beveiliging, had hij adjudanten nodig die tevens als koeriers konden optreden. Hij vond ze onder jeugdige militairen: de luitenants J. F. H. de Jonge Mellij en C. Navis, de kornet der huzaren F. N. Dudok van Heel, de cadetten, A. W. M. Abbenbroek en W. Pasdeloup en, tenslotte, de adelborst G. A. Dogger. Misschien was van hen allen Dogger, een een-en-twintigjarige jongeman, nog wel het meest aan Schimmelpenninck verknocht; hij trok in augustus '41 bij Schimmelperminck in tegen wie hij in onbegrensde bewondering opkeek.

XCTot diegenen die door Schimmelpenninck voor een bespreking uitgenodigd werden, behoorde de oud-president-directeur van de Nederlandse Spoorwegen, prof. dr. ir. J. Goudriaan, die in oktober '40 met generaal Röell naar Buchenwald gevoerd was maar evenals deze na een aantal maanden naar Nederland had mogen terugkeren. Goudriaan werd in juni '41 door Röell naar de Alexanderstraat gebracht. 'Schimmelpenninck en ik hebben', zo schreef Goudriaan in zijn herinneringen, 'ongeveer een uur gepraat, hoofdzakelijkover de mogelijkheid van verbinding die het spoorwegbedrijf aan de telefoon- en telegraafdienstzou kunnen geven

XC1 Getuige B. C. deJonge, Enq., dl. VII c, p.

838 [PDF]
DE PLANNEN VAN SCHIMMELPENNINCK

als de normale PTT-verbindingen verbroken waren ... Ik kon niet nalaten te vragen of Schimmelpenninek zich wel afdoende beveiligd voelde. 'Maakt u zich daarover geen zorg', zei hij, 'ik heb wel twintigjonge marine-officierendie mij bewaken.'Ik kreeg van de hele zaak een bijzonder primitieve, dilettanterige en roekeloze indruk.' 1

XCMisschien werd het toppunt van roekeloosheid wel bereikt toen Schimmelpenninek enkele maanden later, vermoedelijk in augustus, te zijnen huize een bespreking belegde waar zijn medeleden van het Driemanschap verschenen, dan de chef-staf van de OD (toen nog Versteegh) en voorts enkele van diegenen die hij voor zijn 'Raad van directeuren' (departementshoofden) uitgenodigd had. 2 Schimmelpenninck had ook contact met de oud-commandant van de stelling-Den Helder, schout-bij-nacht H. Jolles, en deze ging op zijn verzoek in alle belangrijke kust- en havenplaatsen marinecommandanten aanstellen: de bedoeling was, zo vertelde hij ons, om als het uur der bevrijding daar was, door middel van de radio de dienstplichtigen weer in werkelijke dienst te roepen; dan zou ook meegedeeld worden dat voor alle beroepsmilitairen het erewoord ingetrokken was. Jolles kreeg overigens bij zijn bespreking met Schimmelpenninck, vermoedelijk in augustus, te horen, 'dat er snel vrede op komst was. De Engelsen waren al met een Duitse generaal aan het onderhandelen in Lissabon."

XCNiet alleen uit uitlatingen, maar ook uit sommige daden van Schimmelpenninck blijkt dat hij er in '41 van overtuigd was dat de bevrijding snel naderde. Hij bestelde stof voor tienduizenden armbanden, hij liet briefpapier drukken met het hoofd 'Voorlopig Bewind', hij gaf opdracht, er stempels voor te vervaardigen en hij droeg er zorg voor dat van de Jonge, Röell en hemzelf staatsieportretten vervaardigd werden bij Ziegler: die portretten zouden op de dag der bevrijding in winkeletalages ten toon gesteld en aan de pers uitgereikt worden. 'Ik was er erg tegen', zei Röell later+,maar ook van zijn staatsieportret kwamen er in Schimmelpennincks woning stapelste liggen.

XCVan zijn voornemen, na de bevrijding een 'voorlopig bewind' te laten optreden, maakte Schimmelpenninck geen geheim. Men vernam er van ook buiten de kring van de direct betrokkenen. Het was voor hem trouwens van wezenlijke betekenis om voor zijn opzet de goedkeuring, desnoodsgeneraal van de voedselvoorziening, ir. S. L. Louwes. 3 H. Jolles, 12 sept. 1957. • Getuige W. Röell (Enq., dl. VII c, p.

']. Goudriaan: 1938-1948 (1961), p. 151-52. 2 Als enige naam kennen wij die van mr. F. R. Mijn lieff die 'directeur' van binneruandse zaken moest worden, maar het schijnt dat Schimmelpenninck ook contacten had met staatsraad]. B. Kan en met de directeur

839 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

stilzwijgend, te verwerven van de leiding van de Nederlandse Unie' en van de leden van het Politiek Convent. Met wie uit hun midden Schimmelpenninck contact had, weten wij niet precies, in elk geval wèl met V orrink. Hij maakte op Vorrink de indruk van 'een eerlijk en onnozel man'2 en welbespraakt als V orrink was, ging deze zich in lange tirades moeite geven om het Schimmelpenninck duidelijk te maken dat men, zo er al een voorlopig bewind gevormd moest worden, daartoe aansluiting moest zoeken bij de democratische partijen. Het enige wat V orrink hiermee bereikte, was dat hij Schimmelpenninck danig irriteerde; op een keer zei Schimmelpenninck tegen Dogger dat hij nu genoeg had van die gesprekken met Vorrink: 'die vent', zei hij, 'heeft drie uur lang tegen me aan zitten praten alsof ik een hele arbeidersvergadering was !'3

XCOp een onbekend tijdstip, vermoedelijk in de zomer van' 41, had Schimmelpenninck een proclamatie ontworpen, die overal aangeplakt moest worden op de dag waarop de Duitsers althans het westen en midden van het land ontruimd zouden hebben." Wij citeren de aanhef:

XC'Loyale mannen en vrouwen van Nederland, vaderlanders en vaderlandsters!

XCDe vrijheid komt, de overweldiger verlaat ons land; reeds is het grootste deel van Nederland ontsmet van zijn tyrannie, zijn moordzucht, ontucht, roof en geweld.

XCDe ure der vergelding ... nadert. In naam van en krachtens de vier eeuwen oude gezagsrechten van ons Huis van Oranje, thans berustend bij' (hier was een naam niet ingevuld), 'neemt een voorlopig bewind, bestaande uit' (namen niet ingevuld) 'het bestuur van Nederland op zich. Het voorlopig bewind wordt in deze zware taak gesteund door mannen, allen u zeer welbekend en eveneens' (d.w.z. evenals de leden van het voorlopig bewind) 'geheel buiten alle partijpolitiek staande, zoals' (namen niet ingevuld).

XCWij willen hier even bij stilstaan.

XCSchimmelpenninck ontwierp deze proclamatie kennelijk op een moment waarop hij nog niet wist wie aan zijn opzet adhesie zouden betuigen en waarop hij vermoedelijk van de Jonge nog niet het defmitieve accoord bezat en zelf ook nog niet besloten had of hij tot het driemanschap zou toetreden. Maar waarom voegde hij de naam van koningin Wilhelmina niet171)). 2 Getuige K. Vorrink (Enq., dl. IV c, p. 1737). 3 G. A. Dogger, 13 dec. 1957. 4 Enq., punt f, bijl. 7 bij gestenc. bijl.

1 Omtrent de contacten die Schimmelpenninck met de leiding van de Unie had, is niets naders bekend. Er zijn, aldus Dogger, met die leiding wèl 'onderhandelingen gevoerd'. (G. A. Dogger: Rapport, 14 mei 1942, p. 16 punt f, gestenc. bijl.

840 [PDF]
SCHIMMELPENNINCK GEARRESTEERD

aan de zinsnede toe waarin sprake was van 'de vier eeuwen oude gezagsrechten van ons Huis van Oranje, thans berustend bij'? Hield hij rekening met een mogelijk overlijden van de koningin? Wij kunnen er slechts naar gissen.

XCDe proclamatie hield voorts in dat 'de vertegenwoordigende lichamen voorshands' niet zouden vergaderen, dat het militair gezag uitgeoefend zou worden door 'de tweede ondergetekende' (kennelijk generaal Röell), dat 'de oude staatkundige partijen zich van alle politieke uiting (zouden) hebben te onthouden', en dat de pers zich 'grote zelfbeperking' moest opleggen 'om alles te voorkomen wat thans aanleiding kan geven tot tweespalt."

XCDit was een geheel andere opzet dan die waar Versteegh met zijn OD op toegewerkt had. De opzet van Versteegh was democratisch geweest, die van Schimmelpenninck werd autoritair en dat kon bij iemand als Vorrink extra bezorgdheid wekken doordat de door Versteegh geleide OD na diens uitschakeling rechtstreeks onder Schimmelpenninck was komen te ressorteren.

XCOp 13 november '41 deden twee Haagse rechercheurs die bij de Sicherheus polizei gedetacheerd waren, L. A. Poes'en M. Slagter, een inval in Schimmelpennincks woning. Deze werd gearresteerd. Dogger verschool zich op zolder en toen de rechercheurs met hun arrestant verdwenen waren (zij hadden nagelaten, huiszoeking te doen), kon hij de woning in razende haast 'schoenmaken": de staatsieportretten verdwenen, zo ook de paar wapens die er lagen. De OD zat zonder chef-staf. Dogger, de een-en-twintigjarige sergeant-adelborst, nam die functie op zich maar hij besefte dat ze zijn kennis en capaciteiten ver te boven ging. Generaal Röell, in naam nog steeds 'commandant' van de OD, wist op zijn aandringen een nieuwe chef-staf te vinden. Dat werd de drie-en-vijftigjarige majoor der Jagers N. Tibo, eenmaatregel die louter in de 'overbruggingsperiode' zou gelden. ('Praeadvies terzake van persmaatregelen voor het VB', Collectie-Vorrink, I

1 Door een 'PD' (Persdienst?) die in oprichting was, werd in de herfst van '41 aan Schimmelpenninck aanbevolen dat pers en radio na de bevrijding onder strikte censuur gesteld zouden worden, 'met name zal niet mogen gedoogd, dat aanvallen worden gericht op personen die deel uitmaken van het VB' (Voorlopig Bewind), 'deszelfs uitvoerende comité's ell deszelfs ambtenaren'. In elk deel van Nederland zou een 'eenheidskrant' kunnen gaan verschijnen: Men zag dit overigens als een

841 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

beroepsofficier. Er ging van deze niet veel uit. Aanvankelijk was het Dogger die door middel van Schimmelpennincks 'adjudanten' (de Jonge Mellij, Navis, Dudok van Heel, Abbenbroek en Pasdeloup) het contact onderhield met de gewestelijke commandanten van de OD, maar in december '41 en januari' 42 kwam Dogger in langdurig contact met een geheime agent uit Engeland, Peter Tazelaar, en in februari vluchtte hij met Tazelaar naar Zwitserland. Pasdeloup was al in januari gearresteerd, Abbenbroek werd begin maart opgepakt, de Jonge Mellij begin mei, en toen de Nederlandse beroepsofficieren zich op IS mei moesten melden, z.g. voor controle, bevond zich onder diegenen die aan de oproep gehoor gaven en onmiddellijk naar krijgsgevangenenkampen in Duitsland gevoerd werden, ook de chef-staf van de OD, majoor Tibo. Van zijn'staf' bevonden zich toen nog slechts twee personen op vrije voeten: luitenant Navis en kornet Dudek van Heel.

XCEr restte op dat moment niet zo heel veel van de OD: van begin '41 tot in de lente van '42 waren in de gewestelijke en plaatselijke organisaties meer dan vierhonderd arrestaties verricht. Vrijwel alles wat Westerveld en na hem Versteegh en Schimmelpenninck opgebouwd hadden, was aan stukken geslagen. Majoor Tibo had dat afbraakproces niet kunnen stuiten en trouwens maar weinig eigen activiteit ontwikkeld. Hij had wèl in maart' 42 een nieuwe versie gemaakt van Schimmelpennincks bevrijdingsproclamatie waaruit hij de passages over de politieke partijen en de pers had laten vervallen en waaraan hij toegevoegd had dat de marechaussee, de politie, marinetroepen en 'sterke garnizoensdetachementen, allen het Vaderland onwankelbaar getrouw', het voorlopig bewind 'te zijner onmiddellijke beschikking' stonden.' En voorts had hij in april '42 geheime 'Aanwijzingen' doen uitgaan aan de gewestelijke commandanten'' die gedeeltelijk aansloten bij de 'Richtlijnen' van Versteegh, maar Iller en daar een geheel andere geest ademden. Zo moest bij de bevrijding in het gehele land een uitgaansverbod afgekondigd worden en 'tegen organisaties die een ander doel hadden dan herstel van het gezag van het Huis van Oranje, moest met kracht en zo nodig met geweld worden opgetreden.' Bij dat laatste tekenen wij aan dat vooral onder de oudere beroepsmilitairen menigeen terugdacht aan wat in november '18, nog geen kwart eeuw tevoren, geschied was: toen had Troelstra gepoogd, 'de macht te grijpen' - een nieuwe poging van 'de roden' moest in de kiem gesmoord worden.

XC1 Enq., punten j en 0, gestene. bijl. 564. 2 Tekst in: Ik draag u op, p.

842 [PDF]
WAT DEED DE OD?

Het voornaamste doel van de OD was, de ordehandhaving na de bevrijding te gaan voorbereiden. Die voorbereidingen waren, doordat zij in het geheim getroffen werden, illegaal, maar hadden op zichzelf in zoverre met verzet niet te maken dat men er de bezetter geen enkele schade mee toebracht. Intussen hadden al Westerveld en Versteegh als nevendoelstelling aanvaard dat de OD in de laatste fase aan de bevrijdingsstrijd zou gaan deelnemen. Hier vloeide illegaal werk uit voort dat wel degelijk een verzetskarakter had. Hier en daar gingen OD' ers militaire inlichtingen verzamelen. Aan de top kwam men in contact met een van de spionagegroepen die door van Hamel opgericht was, de z.g. Inlichtingendienst of ID. Men ging wapens bijeenbrengen. De noodzaak van zelfbescherming vergde dat men persoonsbewijzen trachtte te bemachtigen en onderduikadressen zocht. Ook werd, nog onder Schimmelpenninck, een klein groepje opgericht om verraders te liquideren. Dat vergde contact met politiemannen die 'goed' waren en iets durfden, in Den Haag bijvoorbeeld met de inspecteurs F. J. Klijzing en A. L. J. E. M. Moonen; vooral Moonen betoonde zich zeer actief. Aan sabotage werd niet gedaan. Wij moeten de OD in deze periode dan ook wel blijven zien als een organisatie die de energie concentreerde op de naoorlogse ordehandhaving, gekoppeld aan de voorbereiding van een militaire inzet voorzover daar kort voor de bevrijding wapens voor beschikbaar zouden zijn.

XCWat betekende dit nu in een stad als Amsterdam, een van de negentien gewesten die de OD telde?

XCHet betekende dat een soort voormobilisatie van het Nederlandse leger voorbereid werd. De stad werd in twintig wijken verdeeld, elk onder een wijkcommandant. Die wijken waren in vijf groepen met groepscommandanten samengevat (Centrum, Oost, Zuid, West en Noord). Naast die vijf groepen bestond een groep 'algemene reserve'; voorts waren er een 'wervingsbureau' en een 'registratiebureau' waar men de namen en adressen van NSB' ers en andere Duitsgezinden noteerde (die zou men bij de bevrijding allen in de Centrale Markthallen interneren) alsmede de namen en adressen van actieve communisten (tegen hen zou men slechts optreden als dat noodzakelijk was). Boven de groepscommandanten stond de commandant van het gewest Amsterdam met zijn chef-staf Six. De gewestelijke commandant en Six onderhielden geen direct contact met de groepscommandanten; daarvoor zorgde een verbindingsofficier, ir. J. A. van Heerde, een van de oprichters van het Legioen Oud-Frontstrijders. Bij hem kwamen alle gegevens als centraal punt terecht en het bureau waar hij dagelijks werkte: het kantoor van Publieke Werken op de Nieuwmarkt, werd het eigenlijke centrum van de organisatie. In elke wijk wilde men in

843 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

gebouwen te bezetten, NSB' ers te arresteren, het verkeer te regelen, enz. Er is een enkele aanwijzing dat men hier geen Joden voor uitkoos: men was van mening dat zulks voor de organisatie extra gevaarlijk zou zijn en dat de Joden bovendien bij het oppakken van 'foute' elementen hun emoties niet zouden kunnen bedwingen. In tweede instantie moesten dan in Amsterdam veel méér oud-militairen' gemobiliseerd' worden: ca. vijf-en-twintigduizend; voor allen werden de 'mobilisatiebevelen' gereed gemaakt (de plakadressen werden afzonderlijk bewaard). Voor die vijf-en-twintigduizend man had men armbanden nodig; de stof was besteld. Ook had men behoefte aan stafkwartieren en legeringsplaatsen. Er moest voorts een vorderingscommissie komen (voor vrachtauto's, personenauto's en motorfietsen), een verbindingsdienst, een fourageringsdienst, een medische dienst - ook wilde men vlak voor of na de bevrijding wapens uitdelen die de Engelsen moesten afwerpen; hier werd een terrein voor uitgezocht in de IJpolder. Een en ander vergde, op papier, omvangrijke voorbereidingen. Zo werd bijvoorbeeld ten aanzien van meer dan tweehonderd gebouwen nagegaan in hoeverre zij in de opzet pasten. Met al die activiteiten was van Heerde met een aantal van zijn medewerkers dag in, dag uit bezig.

XCOp 18 november '41 werd van Heerde als gevolg van hef oprollen van een groepje van het Legioen Oud-Frontstrijders dat in Arnhem het werk voortgezet had (er waren wapens verborgen en het vliegveld Deelcri was in kaart gebracht), gearresteerd. Dat betekende dat op slag alle verbindingen tussen de commandant en Six enerzijds en de ondercommandanten anderzijds verbroken werden. Van Heerde wist welke functie Six vervulde, maar hij was, 'van de commandant afgezien, de enige. Nu was een jeugdig ambtenaar van de gemeentesecretarie te Diemen, J. Chr., Bührmann, als adjudant van van Heerde opgetreden. Hem had van Heerde wel eens gezegd: 'Ik moet nog even naar de Amstel', en het was Bührmann opgevallen dat de befaamde kunstcollectie-Six in het perceel Amstel 218 op de lijst van te beschermen objecten stond. In een adresboekje ontdekte hij dat er een reserve-ritmeester jhr. P. J. Six bestond - hij toog naar Amstel 218, bleek inderdaad tegenover de chef-staf van het gewest Amsterdam te staan, deelde deze mee dat van Heerde gearresteerd was en stelde zich onder de bevelen van Six. De opbouw van de organisatie werd nadien zo goed en zo kwaad als het ging, voortgezet. Een probleem was, dat zich, en niet alleen in Amsterdam, telkens kaderleden terugtrokken als zij van de arrestatie van andere kaderleden vernamen. Trouwens, de beroepsoflicierenriie tot dat kader behoorden, werden, voorzover niet al in OD-verband gearresteerd, vrijwel allen op I5 mei '42 naar krijgsgevangenenkampen in Duitsland

844 [PDF]
WAT DEED DE OD?

XCVoor een willekeurig 'lid' van de OD hield tot op dat moment het 'lidmaatschap' van de organisatie niet veel meer in dan dat hij wist dat zijn naam en adres ergens genoteerd stonden en dat men, als de bevrijding daar was, een beroep op hem zou doen. Op regelmatige tijden, misschien eens in de week of eens, in de maand, kwam een boodschapper hem vertellen dat de oude consignes nog golden. De meer actieven onder de leden kwamen tegen die dadeloosheid in verzet. 'De grootste moeilijkheid van .de Ordedienst is', aldus begin '42, na aankomst in Engeland, een kaderlid uit Alkmaar, 'dat de mensen niets te doen hebben dan afwachten. Een ieder wil juist nu reeds iets actief tegen de Duitsers doen.'! Het zal wel met die behoefte aan actie samengehangen hebben dat binnen de organisatie geruchten de ronde deden dat men voor de eindstrijd al fabelachtige hoeveellieden wapens bijeengebracht had. Dat was fantasie. 'Met de bewapening', aldus Bührmann, 'was het in dit stadium in Amsterdam slecht gesteld. Behalve over een aantal pistolen beschikten wij over 5 geweren, 73 handgranaten en 9 mitrailleurs'; er werden ook primitieve vlammenwerpers geconstrueerd.ê In NoordHolland bezet men '2 mitrailleurs, 8 pistolen en een paar jachtgeweren.P 'We zouden 300 zware mitrailleurs hebben', deelde in Engeland een OD'er uit Utrecht mee, 'ik heb deze echter nooit zelf gezien.'! In Heerlen bezat de OD-commandant voor het mijndistrict 'ongeveer 60 pistolen en een betrek-: kelijk gering aantal geweren en karabijnen', plus nog wat wapens die men van kleine groepjes overgenomen had." 'Een tijd lang', aldus Dogger, 'probeerden wij zelf geweren te maken die samengesteld werdcri uit artikelen die nog te verkrijgen waren: ons ontbraken echter de werkkrachten en het geld. Hetzelfde was het geval met de fabrîcatie van handgranaten uit conservenblikjea"

XCEr vielen bij het oprollen van ettelijke OD-formaties de Duitsers dan ook niet veel wapenen in handen: in totaal in het gehele land tot in de lente van '42 4 lichte machinegeweren, 50 geweren, 38 karabijnen, 130 pistolen, ISO handgranaten, 'sowie vieles andere Material' .maar dat kunnen danJ.J.door F.J. Molenaar, op II november 1941 uit Nederland vertrokken' (a.v., p. 88 g). 6

1 'Mededelingen, gedaan door A. Risseeuw, op 16 december (1941) uit Neder land vertrokken' in (dep. van justitie, Londen) Politiebuitendienst: 'Uittreksels uit rapporten van Engelandvaarders over het verzet, herfst 1940-herfst 1942', p. 100 d. 2 Chr. Bührmann: 'Het Algemeen Hoofdkwartier maakt bekend .. .' (z.j.), P: 15-16 (Doe !I-340, b-r). 3 'Mededelingen, gedaan door G. Gouman, op 18 december 1941 uit Nederland vertrokken' in: 'Uittreksels uit rapporten van Engelandvaarders', p. 100 O. 4 'Mededelingen, gedaan door]. Jansen, op 20 november 1941 uit Nederland vertrokken' (a.v., p. 98). 5 'Mededelingen, gedaan

845 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

geen wapenen geweest zijn.' Deze lage cijfers betekenden dat het de OD in de lente van '42 volstrekt onmogelijk zou zijn, een militaire bijdrage tot de bevrijding te leveren van enige importantie.

Vorrink / 'Het Parool'

XC

XCOnder de politieke voormannen in bezet gebied was er wel geen die zich grotere zorgen maakte over de autoritaire wending in het denken van de OD-Ieiding dan de socialistische leider Vorrink. Hij en zijn vriend, dr. H. B. Wiardi Beckman, de vroegere hoofdredacteur van Het Volk, hadden bij overste Westerveld en overste Versteegh begrip gevonden voor de terughoudendheid die de OD zich diende op te leggen: deze mocht niet meer zijn dan een gezagsapparaat ten dienste van een democratisch overgangsbewind. Schimmelpenninck bleek evenwel veel verdergaande plannen te koesteren: hij zag de OD als steunpilaar van een 'voorlopig bewind' dat bestaall zou uit hemzelf jhr. de Jonge en generaal Röell, en wat Vorrink van Schimmelpenninek vernam en van hem aan stukken te lezen kreeg, gafhem de indruk dat een autoritaire staatsgreep voorbereid werd. Besefte de koningin, beseften haar ministers wel, wat in bezet gebied gebrouwen werd? V orrink betwijfelde het. Uit alles wat via Radio Oranje gezegd en niet gezegd werd, concludeerde hij dat men er in Londen geen idee van had, hoe de verhoudingen in bezet gebied lagen en welke tegenstellingen zich daar gingen aftekenen. Hij achtte het al eind '40 dringend nodig dat hij persoonlijk de Londense regering van voorlichting zou dienen en toen hij begin januari' 41 tijdelijk in Groningen ondergedoken zat, schreefhij een lang memorandum waarin hij terugkeek op de ontwikkelingen in bezet gebied en schetste wat hij voor de toekomst duchtte.ê

XCV orrink zag het als het grootste gevaar dat, na een ineenstorting van Duitsland, heel Europa ten prooi zou vallen 'aan een algemene burgeroorlog en tenslotte aan een communistische revolutie: Zou de Wehrmacht de moed opbrengen, 'voor het te laat is, Hitler en de hele Nazipartij uit de macht te "Stoten en over te gaan tot het instellen van een militaire dictatuur, bereid en in staat om met Engeland en zijn bondgenoten tot een constructieve vredeaanvullingen aan de Enquêtecommissie ter beschikking gesteld maar door haar

1 1942', p. 9. 2 Vorrinks 'Memorie omtrent de positie van Nederland tijdens de Duitse bezetting' werd met haar vijf

846 [PDF]
VORRINKS MEMORANDUM

te komen'? V orrink betwijfelde het. Maar hij had nog meer zorgen. De politieke belangstelling in N ederland was gegroeid, maar het volk kreeg geen leiding. 'Verbijsterend' noemde hij het, 'hoe de geestelijke isolering, de stelselmatige verleugening en vernietiging der objectieve berichtgeving de best-geïnformeerde mensen in enkele maanden maken tot vreemdelingen in hun eigen land en in de wereld.' Onervaren figuren lieten nu in Nederland het meest van zich horen. Aan de NSB en Mussert wilde hij geen woorden vuil maken. Wat restte? Nationaal Front en Nederlandse Unie. Nationaal Front droeg wel 'een eerlijk nationaal karakter' (die indruk had Arnold Meyer blijkbaar op Vorrink gemaakt in de besprekingen in juni '40 die overigens 'bij voorbaat tot mislukken gedoemd' waren), maar het bezat geen massale aanhang, en de Unie welke die aanhang wèl bezat, was door haar leiding 'een politiek gevaar':

XC'Zij heeft door haar sociale mooipraterij de kijk van een deel van ons volk op de politieke werkelijkheid vertroebeld en daardoor ongewild in de kaart van -de vijand gespeeld. Daar ligt dus ook tevens de verklaring waarom de Duitsers de Unie zo lang hebben laten voortbestaan. Zij vormde voor hen een mogelijkheid om in ons volk de 'loyalen' van de 'deloyalen' te scheiden. Zodra de Duitsers ervan overtuigd zijn dat de massa der Unieleden voor dat spel niet te gebruiken is, heeft het laatste uur van de Unie geslagen. De tekenen wijzen er op dat ditniet meer ver af kan zijn. Intussen staat dan nog te vrezen dat een deel der Unie regelrecht de weg vindt naar Nationaal Front of de NSB ofwel dat een soort fusie tussen deze drie autoritair ingestelde groepen tot stand komt.'

XCRadio Oranje bood, aldus V orrink, in die situatie geen enkel tegenwicht, de uitzendingen, veel minder inspirerend dan die van de Vlaamse programma's van de BBC, waren'saai, quasi-degelijk en niet zelden onjuist.' Als Duitsland nu ineenstortte (Vorrink scheen dat kennelijk te verwachten), wat moest er dan in Nederland gebeuren? Er zou, schreefhij, 'een vacuum' ontstaan 'tussen het moment dat de bezettingsautoriteiten hun macht hebben verloren en een goed heenkomen hebben gezocht, en het moment waarop de wettige Nederlandse regering, gesteund door het Nederlandse Legioen;' haar gezag weer kan uitoefenen. In dat vacuum zal een voorlopig bewind tot het Nederlandse volk o.a. door middel van de radio moeten kunnen spreken en leiding moeten geven aan de gebeurtenissen. Het zal het best gevormd kunnen worden uit de

XC1 Vorrink bedoelde hiermee de Koninklijke Nederlandse Brigade; deze telde op dat moment

847 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

kring van de meest ervaren .leden der Staten-Generaal en het zal zich de steun moeten verschaffen van een aantal vooraanstaande Nederlanders.'

XCAldus Vorrink in januari '41 tot de regering te Londen. Maar hoe kreeg hij zijn denkbeelden aan haar voorgelegd? Hij had geen verbinding met Engeland. Twee maandenlater, eind maart, voegde hij aan zijn memorandum een eerste 'aanvulling' toe waarin hij zich, scherper nog dan tevoren, uitliet over 'het merendeels slappe en abstracte karakter' der Radio-Oranjeprogramma's (geen woord over de Februaristaking! 'Al waren er maar drie minuten aan de historische staking gewijd geweest!') - waarschijnlijk was dit alles gevolg van 'het gebrek aan voldoende concrete informaties', maar daarom was dit falen niet minder betreurenswaardig.' Over de maatregelen om het 'vacuum' op te vullen, dacht Vcrrink nu wat optimistischer: een 'comité van openbaar welzijn, bestaande uit vooraanstaande Nederlanders van alle gezindten en richtingen', was, schreefhij, 'in gevorderde staatvan voorbereiding' en met leden van dit comité hielden de leid~rs van een 'semi-militaire organisatie' (de OD) regelmatig contact.

XCV orrink maakte van zijn memorandum plus aanvulling een aantal afschriften die evenmin als het oorspronkelijke stuk gesigneerd werden. Eén van die afschriften kwam bij zijn Amsterdamse partijgenoot J. Bommer terecht en Bommer gaf dat exemplaar begin mei '41 aan het Arnsterdamse sociaal-democratische oud-gemeenteraadslid dr. B. H. Sajet mee toen deze naar Engeland overstak. Het was evenwel noch aan Bommer, noch aan Sajet bekend dat Vorrink de auteur van het memorandum was - Sluyser die het stuk in Londen in handen kreeg, was er van overtuigd dat Wiardi Beckman het had opgesteld. 'Ik herken zelfs zijn schrijfmachine', zei hij', en spoedig vernamen minister-president - Gerbrandyen de koningin dat de belangwekkende beschouwing van Wiardi Beckman afkomstig was.

XCV orrink die niet wist dat zijn memorandum Londen bereikt had, zette zijn pogingen voort om het stuk, telkens bijgewerkt, het land uit te krijgen. Zijn 'Aanvulling IV', op 15 juli '41 gedateerd, vormde haast een nieuwe, aparte nota. Weer kreeg Radio Oranje er van langs, zo ook, en scherper nog dan in januari, de Nederlandse Unie waar 'een handjevol autoritaire heren' (Geert Ruygers, Groeninx vanZoelen en dr. Brinkgreve werden genoemd) de lakens uit zou delen; daarnaast brak V orrink de staf over de secretarissengeneraal ('hebben zich hopeloos geblameerd'), maar aangezien hij inmiddels

XC1 Ik: was van juli '40 af een der redacteuren van Radio Oranje. De problematiek van de regeringsomroep zal verder behandeld worden in deel 9. 2 M. Sluyser, 14 dec. 1956. Het is natuurlijk mogelijk dat het exemplaar dat Sajet meenam, inderdaad met Beekmans schrijfmachine overgetypt

848 [PDF]
IR. SPRINGER GAAT NAAR LONDEN

van Schimmelpennincks plannen vernomen had, onderstreepte hij nu in zijn slotpassage vooral dat tijdig een regeling getroffen moest worden voor het 'vacuum'. 'Wij zijn bereid', schreefhij, 'en achten ons in staar om, in samenwerking met personen uit andere politieke groeperingen' (alle in het Politiek Convent vertegenwoordigd), 'aan de gevaarlijke verwarring een einde te maken, zo wij ons op enige autorisatie van de Nederlandse regering kunnen beroepen: .. Afgezien van de voor de hand liggende actie tijdens de bezetting van ons land mag ... niet meer beoogd worden dan het verzekeren van de orde in de wellicht luttele, wellicht vele uren die aan het feitelijk herstel van het gezag van H.M.' s regering vooraf zullen gaan. Pogingen, in die tijd politieke veranderingen aan te brengen die op toekomstige beslissingen vooruitlopen' (en van die pogingen werd Schimmelpenninck door Vorrinkverdachi), 'moeten worden tegengegaan. Juist in dit verband achten wij autorisatie van ons optreden in hoge mate gewenst.' Uitsluitend deze slotpassage werd naar Londen meegenomen door de groepscommandant van de OD in Amsterdam-Oost, reserve-kapitein H. G. Broekman, toen deze medio september '41 de Noordzee overstak.' Ook Broekman wist niet dat die passage door V orrink geformuleerd was; hij schreef haar, in Londen aangekomen, aan Wiardi Beckman toe. Voor V orrink was het meest teleurstellende dat hij uit Londen taal noch teken vernam. Notabene: Schimmelpenninck had zijn 'voorlopig bewind' al klaar en Londen zweeg. Was dat opzet? Handelde Schimmelpenninck soms in overeenstemming met hetgeen Londen wenste? Eind september besloot V orrink, een eigen boodschapper naar de regering te zenden. Zijn keus viel op een Amsterdamse zakenman die hij kende uit de burgerwacht, ir. B. Springer. Deze kreeg op 30 september een boodschap van Vorrink mee die hij in zijn geheugen moest prenten en die hij later in Londen aldus weergaf: 'Ons bereiken inlichtingen dat een groep die een dict~toriale' richting is toegedaan' (Schimmelpenninck en zijn OD),

XC1 Wiardi Beckman had een exemplaar van het volledige memorandum met alle , aanvullingen ook nog aan kapitein J. de Geus gegeven die via België en Frankrijk contact met Engeland had. Drie pogingen tot verzending mislukten, de vierde had succes en de Geus meende zich na de oorlog te herinneren dat een ontvangstbevestiging binnengekomen was via de geheime agent Aart Alblas die op 5juli' 41 in bezet gebied gearriveerd was en in de herfst in contact kwam met de kring van Het Parool (getuige]. de Geus, Enq. dl. IV c, P: 1477). Die ontvangstbevestiging drong niet tot Vorrink door (getuige J. J. Vorrink, a.v., p. ,1728), hetgeen niet zo vreemd is omdat in Londen niemand wist dat hij het stuk opgesteld had en de even

849 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

'pogingen in het werk zou stellen, in de overgangstijd aan de macht te komen ... De aanhang van deze groep is onbetekenend, doch zij beschikken over enige personen met invloed, waaronder namen als joekes;' oud-GG de Jonge en Röell. Ik verzoek u wel, zodra u Londen bereikt, de koningin en de regering mee te delen dat (zo onze indruk juist is) wij ons verplicht voelen, hiertegen ernstig te moeten waarschuwen. .. Mocht men trachten, in welke vorm ook, de uiteindelijke zege van de bevrijding voor een of ander experiment van aantasting onzer volksvrijheid te exploiteren, zo zal dit door de bevolking als verraad worden beschouwd. Een algemene staking zal het onmiddellijke gevolg zijn hiervan. Laat men in Londen zich terdege er van bewust zijn, hoe men hier in Nederland denkt."

XCSpringer kreeg de strikte opdracht, deze waarschuwing over te brengen aan Gerbrandy, aan de twee sociaal-democratische ministers ·Albarda en van den Tempel, 'eventueel de overige leden van het kabinet', aan Sluyser, en vooral aan de koningin. 'U zult in Londen door een filter moeten breken!' zei Vorrink nog tegen Springer. 'Laat u vooral niet van de koningin weghouden', u moet 'desnoods met de vuist op tafel slaan.'3 Maar het werd eind juli' 42 voor Springer na een lange en moeilijke tocht via Frankrijk en Spanje in Londen aankwam, eind oktober voor hij zijn eerste gesprek met de koningin kon voeren. Hij was in Engeland door iedereen gewantrouwd, ook door Gerbrandy, Albarda en van den Tempel, alleen niet door de koningin, door minister Kerstens en door Sluyser; 'de rest was bang, was niet zeker', zei hij later." Die 'rest' weigerde namelijk te geloven dat de waarschuwing van V orrink afkomstig was en hield bovendien haar inhoud voor overdreven.

XCWas Vorrink dus een verklaard tegenstander van de ~D-leiding (hij had op lager niveau in de OD 'prachtkerels' ontmoet"), er waren nog meer Nederlanders wier opvattingen hij niet deelde. Hij achtte het namelijk principieel onjuist, tijdens de bezetting kritiek uit te oefenen op vooroorlogse toestanden. Het uiten van die kritiek verweet hij 'de politieke dilettanten' van de Neder

XC1 Ons is van enige relatie tussen de vrijzinnig-democratische voorman mr. A. M. Joekes en Schimmelpenninck niets gebleken. Wij nemen aan dat aan Springer de naam van ir. S. L. Louwes, directeur-generaal van de voedselvoorziening, opgegeven is. 2 B. Springer: 'Rapport' (17 aug. 1942) (Enq., dl. V b, p. 512). 3 'Opdracht van Koos Vorrink aan B. Springer' (okt. 1941) (Enq., punt f, gestenc. bijl. 263). • Getuige B. Springer (Enq., dl. IV c, p. 902). 5 Getuige K. Vorrink (a.v., dl. VII c, p. 182). 85

850 [PDF]
VERDEELDHEID BIJ 'HET PAROOL'

landse Unie: 'Dat doet', schreef hij in augustus' 41 in een van zijn illegale Ongetekende brieven aan oude strijdmakkers, 'geen waarachtig vaderlander in het uur dat zijn land door de vijand is overvallen en overweldigd. Dat verbiedt hem zijn nationale trots en zijn gevoel voor nationale waardigheid' - en daarop volgden passages die tegen het Driemanschap van de Nederlandse Unie gericht waren.

XCMet een uitlating als deze polemiseerde Vorrink evenwelniet alleen met dat Driemanschap, maar ook met enkele collega's-redacteuren van het illegale blad in welks redactie hij zat: Het Parool.

XCDeze redactie, eind '40 gevormd, droeg van meet af aan een heterogeen karakter: Frans Goedhart had er Jaap Nunes Vaz, eenlinks-socialist, eertijds lid van de Onafhankelijke Socialistische Partij, als medestander bij zijn scherpe kritiek op de vooroorlogse samenleving en Vorrink kon er steeds op de steun rekenen van de hem toegewijde journalist Lex Althoff. Van de twee overige redacteuren werd mr. M. Kann in de lente van '41 gearresteerden trachtte mr. J. C. S. Warendorf tussen de kemphanen Vorrink en Goedhart iets van neutraliteit te bewaren. Ondanks al die twisten maakte Het Parool een snelle ontwikkeling door. Vorrink wist er talrijke SDAPrelaties voor te mobiliseren en in augustus' 41 werd de eerste drukker gevonden: Wessel Eikelenboom in Amsterdam, de man die ook voor de Jehova's Getuigen illegaal drukwerk vervaardigde. Toen Eikelenboom in september gearresteerd was, vond men in Amsterdam een tweede drukker en toen deze het spoedig niet langer aandurfde, in Zandvoort een derde: drukkerij Gertenbach. Er werden per nummer ca. 8 000 exemplaren vervaardigd. welwerd ook Het Parool door arrestaties getroffen (in de herfst van '41 werd een grote verspreidersgroep in Amsterdam opgerold), maar zowel uit een oogpunt van nieuwsvoorziening als van commentaar ontwikkelde het zich in '41 tot het belangrijkste illegale blad: levendig en strijdvaardig. Aan wie scherp las, bleven intussen de tegenstellingen in de redactie niet verborgen - tegenstellingen die ook Wiardi Beckman die na Kanns uitschakeling vaak Vorrink in de redactie verving, niet kon overbruggen. Typisch'Vorrink' was het om eind juli de vooroorlogse politieke partijen aan te duiden als: 'de uitdrukking van de werkelijke staatkundige wil van het Nederlandse volk'2 - typisch-'Goedhart' om het begin oktober 'een aperte onjuistheid' te noemen, 'te beweren dat (de) meerderheid (van ons volk) niets liever wil dan de terugkeer naar de oude toestand, naar het oude bewind en de oude politiek." En een maand later legde Goedhart er nog

XC1 Hij werd eind maart '42 in Sachsenhausen gefusilleerd. Het Parool, 18 (26 juli 1941). p. 2. 3 A.v., 24 (3 okt. 1941), p. 2.

851 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

een schepje bovenop: Nederland, schreef hij, had voor de oorlog een geestesgesteldheid ontwikkeld 'die zich voornamelijk kenmerkte door een zekere weldoorvoede zelfvoldaanheid Wij schepten er behagen in, onze lauwheid door te laten gaan voor een bijzondere deugd, t.w. voor onze verdraagzaamheid Elk grassprietje stond op zijn plaats in het keurig geschoren gazon Niemand had dan ook lust om hard de trap af te lopen, want dat dreunde zo en dat verstoorde de rust." Deze en dergelijke beschouwingen maakten Vorrink ziedend van woede: men speelde er alleen maar de vijand mee in de kaart! 'Men bevuilt daarmee zijn eigen nest', zei hij keer op keer. Maar zo kon Goedhart het niet zien. Diens opvatting was, 'dat', zo legde hij aar! de Enquêtecommissie uit, 'de katastrofe waarin wij in Europa waren terechtgekomen, ook een gevolg was van het falen van de vooroorlogse Westeuropese democratieën, zodat men dus in dit opzicht onvermijdelijk ten aanzien van de toekomst tot bepaalde conclusies moest proberen te komen.P Zelfkritiek, meende Goedhart, was ook in oorlogstijd alleszins gepast. Gaf niet Engeland waar in het Lagerhuis en voor de BBC menig kritisch woord weerklonk, in dat opzicht een duidelijk voorbeeld? Maar Vorrink handhaafde zijn bezwaren: in een bezet gebied lagen de verhoudingen anders en waar een beweging als de Nederlandse Unie vol kritiek stak op het vooroorlogse bestel en een groepering als de OD een autoritaire staatsgreep in de geest had, was het, zo hield hij vol, de eerste taak van Het Parool om de traditionele parlementaire demoeratie samen met de traditionele democratische partijen te verdedigen.

XCVan maand tot maand liep dit conflict hoger op. Hele weekend-conferenties werden eraan gewijd; een tijdlang kreeg Vorrink de bevoegdheid, uit Goedharts beschouwingen althans de scherpste passages te schrappen - dat leidde weer tot explosies van Goedharts kant. Want deze was geen moment van zins, van de koers die hij al in zijn Nieuwsbrief van Pieter' t Hoen uitgezet had, af te wijken; hij was illegaal gaan schrijven toen V orrink nog zweeg, en het mocht dan waar zijn dat deze een nationale figuur was, noch zijn argumenten, noch zijn theatrale emotionele uitbarstingen (waren ze echt of gespeeld?) konden op Goedhart enige indruk maken. Bovendien: voor Goedhart betekende Het Parool àlles, voor Vorrink niet - en misschien droeg die laatste omstandigheid er toe bij dat V orrink althans in de herfst van' 41 naliet, een breuk te forceren. Voor hem was Het Parool niet meer dan één middel naast andere om zich te uiten. Wij veronderstellen trouwens dat de voorzitter van de SDAP geneigd was, groter betekenis toe te kennen aanJ.

1 A.v., 28 (IS nov. 1941), p. 1. 2 Getuige F. Goedhart dl. IV c, p. 667).

852 [PDF]
V~RDEELDHEID BIJ 'HET PAROOL'

zijn politieke contacten die, zo dacht hij, uiteindelijk meer gewicht in de schaal zouden werpen dan een illegaal blad dat, het land als geheel gezien, toch maar beperkte invloed had.

Het Grootburgercomité

XC

XCVan meet af aan had Vorrink deel uitgemaakt van het Politiek Convent - het college dat in de zomer van '40 met zijn beraadslagingen begonnen was en waarin de zes traditionelc democratische partijen (de Rooms-Katholieke' Staatspartij, de Anti-R~volutionaire Partij, de Christelijk-Historische Unie, de Liberale Staatspartij, de Vrijzinnig-Democratische Bond en de SociaalDemocratische Arbeiderspartij) elk door twee personen vertegenwoordigd waren. Door allerlei arrestaties wisselde dit convent nogal eens van samenstelling, het bleef niettemin bijeenkomen. Wij weten van de beraadslagingen practisch niets af (verslagen zijn niet bewaardgebleven), maar het lijkt ons aarmemelijk dat zij steeds op twee onderwerpen betrekking hadden: wat moest er nu, wat moest er in de toekomst gebeuren ? Wat het eerste betreft, gingen cr in een enkel geval (men denke aan de verordening die het leidersbeginsel invoerde in het bestuur van provincies en gemeenten) van het Poli tiek Convent verzetsimpulsen uit. Moeilijker lag de kwestie van de toekomst. Met uitzondering wellicht van de anti-revolutionairen wisten de in het convent vergaderende politici eigenlijk geen van allen of de partij die zij vertegenwoordigden, iets meer was dan eenlos geheel van verspreide kaders. Waren die partij en nog wel, zoals Vorrink geschreven had, 'de uitdrukking van de werkelijke staatkundige wil van het Nederlandse volk'? Het Politiek Convent ging dat in de loop van '41 betwijfelen. Trouwens, ook Vorrink deed dat. Het bleek al uit de eerder aangehaalde passage uit zijn memorandum van januari' 41; daarin had hij dan wel betoogd dat in het 'vacuum' een 'voorlopig bewind' gevormd moest worden 'uit de kring van de meest ervaren leden der Staten-Generaal', maar dat bewind zou zich 'de steun moeten verschaffen van een aantal vooraanstaande Nederlanders' - anders gezegd: die 'meest ervaren leden der Staten-Generaal' zouden het alléén niet kunnen rooien. Twijfel aan de eigen representativiteit was in de zonier -van '40 al gebleken bij het contact tussen het Politiek Convent en de voormannen van de Nederlandse Gemeenschap; die twijfel manifesteerde zich ook in '41 en tegenl;et einde van dat jaar kwam naast het Politiek Convent een veel breder samengesteld comité tot stand dat aanvankelijk geen vaste naam had maar na enige tijd als 'het Grootburgercomité' aangeduid werd;

853 [PDF]
DE ILLEGALITEIT

XCDat Grootburgercomité werd uit drie componenten samengesteld: het Politiek Convent, het tweemanschap Menten-Ringers en de groep-Scholten. Die laatste groep, door de Amsterdamse hoogleraar mr. Paul Scholten geleid, bestond uit enkele naar verhouding jongere figuren, 'die zich', aldus een der leden, 'in geregelde samenkomsten met de problemen van de dag, en van de toekomst niet minder, bezighielden." Dat geschiedde eens in de drie of vier weken. Tot de deelnemers aan de discussiesbehoorden de hoogleraren F. M. van Asbeck, J. A. J. Barge en W. Schermerhorn (oud-voorzitter van 'Eenheid door Democratie'), voorts mr. H. A. M. T. Kolfschoten, dr. C. L. Patijn, dr. J. H. van Royen, mr. A. A. M. Struycken en Wiardi Beckman. Er werd door hen menigmaalover de vraag gesproken wat er in Nederland geschieden moest indien Duitsland plotseling ineenstortte. Met name van Asbeck, Patijn en van Royen hadden, ten dele al vóór de oorlog, allerlei contacten met Duitse oppositionele kringen en zij gingen het als een reële mogelijkheid zien dat men op zekere morgen opeens uit de radio zou vernemen dat Hitler ten val gebracht was. Anderen deelden die hoop en men gaat niet te ver wanneer men stelt dat dit perspectief (dat ook sterk in Vorrinks geest leefde) aanvankelijk in de deliberaties van het Grootburgercomité centraal stond. Er zou dan een 'vacuum' zijn: de regering in Engeland en Seyss-Inquart, machteloos, in Den Haag. Wat dan?

XCOver die vraag maakten zich ook Menten en Ringers, die elkaar goed kenden, zorgen. Beiden kwam de lezer in ons vorige deel al tegen: dr. ir. J. A. Ringers als de algemeen gemachtigde voor de wederopbouwen de bouwnijverheid, mr. E. E. Menten, firmant van het bankiershuis Pierson, Heldring & Pierson, als de man die het werk van de eerste geheime agent, van Hamel, en van de door deze opgerichte spionagegroepen financierde. Menten was geen algemeen bekende figuur, maar de pers die in '40, geheel volgens de Duitse wensen, de leuze: 'Nederland komt er weer bovenop!' in tal van artikelen en reportages had aangeheven, had er toe bijgedragen dat om Ringers een aureool was komen te hangen van zeer uitzonderlijke capaciteiten.

XCEind '40 zocht Menten met Ringers contact. 'Als er nu eens een ommezwaai komt, zeer plotseling', zei hij, 'en het volk doet waarover men spreekt, enhet wordt een Bijltjesdag: men gaat moorden en roven, dan kunnen wij dat toch niet goed vinden!'2 Neen, daar was Ringers ook tegen. Maar hoe was zulk een 'bijltjesdag' te voorkomen? Aanvankelijk leek dat een nogal abstracte vraag, maar in de sfeer van optimisme die zich aan het begin van de Duitse invasie van de Sowjet-Unie voordeed, kwam Menten tot de conclusie

XC1 GetuigeH. A. M. T. Kolfschoten (a.v., dl. VIlc, p. 465). 2 Getuige]. A. Ringers

854 [PDF]
DE GROEP-SCHOLTEN!MENTEN EN RINGERS DE ILLEGALITEIT

dat het tijd werd, spijkers met koppen te slaan. Hem stond duidelijk voor ogen wat er gebeuren moest: er diende op die plotselinge bevrijdingsdag een oproep uit te gaan van een algemeen geachte persoonlijkheid om zich, nu de rechtsstaat hersteld werd, van gewelddadigheden te onthouden, en die oproep moest de steun hebben van de democratische partijen. Wie die persoonlijkheid zijn moest, leed voor Menten geen twijfel: Ringers. 'Deze', zo noteerde hij, 'aangewezen als zijnde bekend bij het volk.'! Ringers stond aanvankelijk aarzelend tegenover dit plan, maar Menten wist hem tijdens een gesprek in zijn villa te Warmond te overtuigen en Ringers nam toen de taak op zich, contact te zoeken met politieke voormannen en daarbij te beginnen met de SDAP. Via een van de Rotterdamse sociaal-democratische wethouders kon hij een bespreking met Vorrink arrangeren (de datum is niet bekend) en aan deze legde hij het van Menten afkomstige denkbeeld voor. Vorrink betoogde met de hem eigen heftigheid, dat niet een willekeurige particulier, maar 'dat de partijen op die bewuste dag aan het woord moesten komen. '2 Bovendien wees Vorrink er op (het feit was Ringers totaal onbekend) dat er een Politiek Convent bestond. Afgesproken werd dat Vorrink daar de meningen zou peilen. Het convent bleek tot nader overleg bereid; men droeg dit aan Vorrink en Schouten op en de sociaal-democratische en de anti-revolutionaire leider voerden in september twee gesprekken met Menten en Ringers. Inhet eerste gesprek betoogden Vorrink en Schouten dat de Haagse bankier en de algemeen gemachtigde voor de wederopbo